CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

3.8 Onderbouwing Dorshout 22 Veghel

Raadsvergadering 5 maart 2026, gemeente MeierijstadBij agendapunt: 3. Onderbouwingen21.643 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ook de toevoegen van een nieuwe woning kan worden gezien als drager voor de kwaliteitsverbetering in de vorm van sloop en de aanleg van kenmerkende landschapselementen. Daarnaast is voor wat betreft de gehele ontwikkeling sprake van een goed woon- en leefklimaat. Voor nadere toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 5. Gebiedstype Deze gebiedstypologie behandelt landschappen en natuur. Hierbij gaat het ook om bodem, water, toerisme en recreatie. De focus ligt buiten de bebouwde kom. Er is gekeken naar het gebiedstype in het voorontwerp van de omgevingsvisie van de gemeente Meierijstad. Voor de gebiedstypologie landelijk gebied, hoofdfunctie natuur is het volgende genoemd in het voorontwerp van de omgevingsvisie: Operationaliserend: bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit (met name waterberging), biodiversiteit, cultuurhistorie (met name landschappen) en leefmilieu (met name waterkwaliteit); thematisch: bodem, drinkwaterwinning, landschappen, natuur, recreatie en waterkwaliteit.

Figuur 4.4.4 Uitsnede kaart Gebiedstypologie

Dorshout 22 te Veghel

31

Het omgevingsbeleid van de gebiedstypologie i. LGHN houdt in kort bestek het volgende in. De bodem, de cultuurhistorische landschappen, monumenten, andere cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en cultuurhistorisch waardevolle objecten worden er gerespecteerd. De waterkwaliteit wordt er verbeterd en de biodiversiteit wordt er hersteld. De drinkwaterwinning wordt beschermd. Wateropvang en waterberging kunnen hier gerealiseerd worden. Waar dat met respect voor het landschap ingepast kan worden, kunnen houtproductie, extensieve dagrecreatie en energieopwekking plaatsvinden. Tevens is onderstaande verbeelding (figuur 4.5) opgenomen bijbehorend het gebiedstype landelijk gebied, hoofdfunctie natuur.

agrarisch bedrijf naar een burgerwoningen en bijbehorende verkleining van het bouwvlak, ontstaan meer mogelijkheden voor de verbetering van de biodiversiteit en ontstaat er meer ruimte voor wateropvang en berging. Het plan voorziet hier ook in door het realiseren van een biotoop. Daarnaast worden enkele landschapsbomen en boomgroepen geplant. Hiermee wordt de karakteristiek van het beekdal versterkt. Bestendiging van een woonfunctie ter plaatse van de beeldbepalende woonboerderij Dorshout 22, zorgt voor een toekomstbestendige functie waarmee het behoud en onderhoud van de beeldbepalende elementen gewaarborgd zijn. Dit draagt bij aan het intacthouden van het cultuurhistorisch erfgoed in het gebied.

Figuur 4.4.5 Verbeelding landelijk gebied, hoofdfunctie natuur

Daarnaast leidt de sloop van overtollige bebouwing tot een kwaliteitsimpuls voor het gebied en ontstaan er een open ruimte en zicht op het beekdal. Hierdoor blijft de samenhang tussen de bebouwing en de functies die gebruik maken van het beekdal (zoals de natuur, water en landschap) gewaarborgd.

Dorshout 22 te Veghel

32

4.4.6

Handreiking kwaliteitsverbetering

Kwaliteitskader Meierijstad september 2021) is nader invulling gegeven aan het

beleid voor het bepalen en berekenen van de ruimtelijke kwaliteitsverbetering (zie stroomschema in figuur 4.4.6). Dorshout 22 (wijziging van agrarisch naar wonen) Volgens deze notitie valt de

in fase 2 mogelijk gemaakte

(inclusief agrarisch verwant en agrarisch technisch hulpbedrijf) in bestemming wonen, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 1.500 m², overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 300 m² voormalige bedrijfsbebouwing resteert, in categorie 2. Dit betreft een initiatief waarbij het landschap en waarvoor het opstellen en uitvoeren van een erfinrichtingsplan verplicht is. Hieraan is gevolg gegeven. Dorshout 22 (behoud extra m2 Het realiseren van meer dan 150 m²

-

dit type ontwikkelingen wordt niet alleen een landschappelijke inpassing gevraagd, maar ook een kwaliteitsverbetering. De kwaliteitsverbetering die wordt ingezet voor het kunnen realiseren van meer dan 300 m² aan bijgebouwen1 bestaat uit sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en bebouwing. In de nieuwe situatie zal sprake zijn van 430 m2 aan bijbehorende bouwwerken waarvan 70 m2 overkappingen betreft en maximaal 200 m2 wordt aangewend voor statische opslag. Voor een nadere onderbouwing hiervan wordt

2 wordt gezien als

een categorie 3 ontwikkeling waarvoor naast een landschappelijke inpassing ook een aanvullende kwaliteitsprestatie wordt gevraagd. Deze extra kwaliteitsprestatie is gekwantificeerd op 20% van de meerwaarde van de bestemmingswinst. In de huidige situatie is sprake van een agrarisch bouwvlak. Dit bouwvlak wordt verkleind tot 3.600 m2. De verkleining tot 1.500 m2 staat geen aanvullende kwaliteitsprestatie tegenover. Voor de verdere verkleining gelden de volgende rekenwaarden voor de berekening van de hoogte van de investering:

Uit bovenstaand overzicht volgt dat voor de omzetting van een agrarisch bouwvlak naar een bestemmingsvlak wonen boven de 2.000 m2 een zelfde waarde geldt. Voor dit deel van de omzetting is dan ook geen aanvullende investering nodig. Voor het deel van 1.500 tot 2.000 m2, geldt een waardevermeerdering van -

1

-. De extra

Uitgegaan is van een categorie 3 ontwikkeling voor zover er meer dan 300 m2 aan bijgebouwen resteert. Immers is een omschakeling van agrarisch bedrijf naar wonen een categorie 2 ontwikkeling voor zover er maximaal 300 m2 aan bedrijfsbebouwing resteert.

Dorshout 22 te Veghel

33

investering bestaat in dit geval uit de aanleg van landschapselementen, verwijderen van gebouwen, investeren in het behoud en herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en de mogelijkheid om te storten in een groenfonds. Voor een nadere onderbouwing van de investering wordt verwezen naar het als bijlage

Dorshout naast 20 (nieuwe woning) De ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtewoning valt volgens de categorie-indeling van de handreiking in categorie 1. Volgens de handreiking volgt voor dit onderdeel geen vereiste tegenprestatie of inpassingsplan, maar op grond van het provinciaal beleid bestaat deze verplichting wel.

Figuur 4.4.6 Stroomschema categorie-indeling en gevraagde tegenprestatie (Uit: Handreiking kwaliteitsverbetering (gemeente Meierijstad, september 2021)

Dorshout 22 te Veghel

34

5

Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving

5.1

Milieueffectrapportage (m.e.r.)

5.1.1

Toetsingskader

Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Daarnaast kan de m.e.r.-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Of een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn; b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen. Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. 5.1.2

Onderzoek

Onderhavig planvoornemen, dat voorziet in het mogelijk maken van één nieuwe woning en het bestendigen van een tot burgerwoning verbouwde bedrijfswoning, is niet opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbe-beoordelingsplichtig is. Vanuit het milieuaspect mer-beoordeling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.1.3

Conclusie

Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht.

5.2

Bodem

5.2.1

Toetsingskader

Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneenge-

Dorshout 22 te Veghel

35

sloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaar-den voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. 5.2.2

Onderzoek

Onderhavig document heeft betrekking op de wijziging van het omgevingsplan voor de planonderdelen van fase 2 van het project. In het kader van de herontwikkeling zijn diverse omgevingsonderzoeken uitgevoerd voor zowel fase 1 als fase 2. Hoewel onderhavige ruimtelijke motivering specifiek betrekking heeft op fase 2, zijn in de uitgevoerde onderzoeken tevens gebruikt voor de BOPA van fase 1. Het project voorziet in de realisatie van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Er is door Milon een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd in het kader van het planvoornemen. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlage, in deze paragraaf wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies. Bodemonderzoek Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond van boringen 18 en N04 sterk verhoogde gehalten koper, zink en lood zijn aangetoond. Uit de resultaten blijkt dat de verontreiniging zich beperkt tot de bovengrond. De omvang van deze verontreiniging bedraagt maximaal 13 m3. Uit de risicobeoordeling blijkt dat plaatse van de (voormalige) tanks is de bodem zintuiglijk niet verontreinigd. Verder onderzoek naar de tanks wordt daardoor niet noodzakelijk geacht. Verder zijn op de onderzoekslocatie licht tot matig verhoogde gehaltes zware metalen, PCB en PAK aangetoond.

Er is geen duidelijke verklaring voor de verhoogde gehalten, mogelijk is er een relatie met het jarenlange gebruik van de locatie. De licht tot matig verhoogde gehaltes zijn gering en vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek. Het grondwater is niet verontreinigd. Asbestonderzoek en -sanering Uit het asbestonderzoek blijkt dat bij de beschadigde/ontbrekende regenpijpen van de westelijke varkensschuur (mengmonster MA03) het gehalte asbest de waarde voor nader onderzoek overschrijdt. Het betreft een klein oppervlakte, hierdoor is nader onderzoek niet noodzakelijk en kan direct overgegaan worden tot sanering. In de druppelzones van de daken zijn maximaal licht verhoogde gehalten PCB aangetoond. Deze sanering is uitgevoerd en het evaluatieverslag is als bijlage toegevoegd. Aanbevelingen Ter plaatse van de onderzoekslocatie is een verharding aanwezig van tegels en klinkers. Over een deel van het perceel zijn diverse puin bijmengingen en/of halfverhardingslagen aangetroffen. De aanwezigheid van bepaalde soorten puin in de bodem betekent dat de onderzoekslocatie verdacht is op de aanwezigheid van asbest.

Dorshout 22 te Veghel

36

De op de locatie nog aanwezige varkensstallen worden gesloopt. De ODBN heeft aangegeven dat nader onderzoek naar de bodemkwaliteit en het grondwater onder de voormalige agrarische opstallen niet nodig is. Uit het inpassingsplan volgt dat nabij de verontreinigingscontour met zware metalen bomen, struiken en overig groen wordt geplant. Wanneer deze werkzaamheden worden uitgevoerd en wanneer in verontreinigde grond gegraven worden, dient rekening gehouden te w

5.2.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wel zijn er aandachtspunten die in acht genomen moeten worden bij de uitvoering van de plannen.

5.3

Cultuurhistorie

5.3.1

Toetsingskader

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is. Voor de provincie Noord-Brabant zijn deze

Op basis daarvan

wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen. Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stadsen dorpsgezichten. Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de provinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed). Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenafweging. 5.3.2

Onderzoek

Uit de cultuurhistorische waardenkaart de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een cultuurhistorisch vlak of een aardkundig waardevol gebied. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang.

Dorshout 22 te Veghel

37

Wel is de boerderij aan Dorshout 22 opgenomen in de lijst van beeldbepalende/cultuurhistorisch waardevolle panden van de gemeente Meierijstad. De lijst is opgenomen als bijlage 4 bij de Welstandsnota Meierijstad 2018. In deze lijst zijn de overzichten van de beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden opgenomen zoals die waren aangewezen in de Welstandsnota van de voormalige gemeente Veghel. In deze lijsten zijn beeldbepalende panden opgenomen die een hoge belevingswaarde hebben en cultuurhistorisch van belang zijn. Uitgangspunt van het beleid is altijd geweest om deze panden te behouden. De voorgenomen ontwikkeling geeft hier invulling aan in de vorm van de renovatie van de boerderij waarbij de belangrijke elementen worden behouden dan wel versterkt. In het omgevingsplan kan een regel worden opgenomen ter behoud en bescherming van de cultuurhistorische/beeldbepalende elementen. Aan sloop en grootschalige verbouwingen worden regels gekoppeld.

Figuur 5.3.1: Beeldbepalend pand conform Welstandsnota 2018 Meierijstad

5.3.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4

Archeologie

5.4.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het pr worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 5.4.2

Onderzoek

De archeologische waarden en verwachtingen zijn . Op grond van dit bestemmingsplan geldt ter oor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager

Dorshout 22 te Veghel

38

van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 m 2 en een diepte van meer dan 30 cm ten opzichte van het maaiveld een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens die aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.

Figuur 5.4.1 Plangebied met geroerde gronden (bron: Den Ouden Bodac)

Er is door Den Ouden Bodac een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen, in onderstaande tekst zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Het bureauonderzoek heeft duidelijk gemaakt dat er in het gehele plangebied een hoge verwachting voor vondst- en sporenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd geldt. Deze verwachting is gebaseerd op de hoeveelheid vondsten en/of vindplaatsen die er uit elke van de bovengenoemde perioden in de directe omgeving aangetroffen zijn. Daarnaast is het gebied al de gehele geschiedenis een gunstige locatie voor bewoning. Tot slot is er al vele jaren bewoning in het plangebied, de vroegste bewoning waarvan zeker is, dat die in het plangebied aanwezig is komt uit de Volle Middeleeuwen. Maar er kan vanuit gegaan worden dat dit misschien nog wel veel eerder het geval was. Indien er in het plangebied archeologische resten voorkomen, zal dit zijn in de top van de C-horizont. De voorgenomen ingrepen zullen de bodem tot in de C-horizont verstoren, waardoor het bodemarchief bedreigd wordt.

Uitgaande van eerder onderzoek in de omgeving van het plangebied en andere bekende (archeo) landschappelijke gegevens, adviseert Den Ouden BODAC om een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, KNA-protocol 4003) uit te voeren op de locatie van het nieuwe perceel (nummer 8 op figuur 5.4.1) , omdat er hier sprake is van een hoge verwachting. De exacte bodemverstoringen binnen het plangebied met betrekking tot de aanleg zijn nog niet concreet. Zodra dit duidelijk is kan er een precieze locatie voor de aanleg van de proefsleuven aangewezen worden. Het proefsleuvenonderzoek heeft als doel om een eventuele vindplaats op te spo-

Dorshout 22 te Veghel

39

ren en te waarderen, waarna er gekeken wordt of er een verdere bedreiging van het bodemarchief tegenover de waarde van de archeologische waarden staat. Dit kan uitmonden in een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving of vrijgave (van delen) van het plangebied. Voor het overige deel van het plangebied geldt een vrijgave voor de geplande ontwikkelingen (ter hoogte van nummers 1 t/m 7 op figuur 5.4.1). Dit op basis van de al geroerde grond op de locaties waar de nieuwe ontwikkelingen gepland zijn. Het rapport en bovenstaand selectieadvies dienen beoordeeld te worden door (de adviseur archeologie van) de gemeente Meijerijstad. Ter waarborging van eventuele archeologische waarden worden ter plaatse van het perceel voor de nieuwe woning (naast Dorshout 20), werkingsgebieden opgenomen in het omgevingsplan. 5.4.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ter waarborging van eventuele archeologische waarden, geldt de archeologische thematische laag met re.

5.5

Activiteiten en milieuzonering

5.5.1

Toetsingskader

Het is van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige functies in evenwicht tot elkaar locaties krijgen toegedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 1. menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is; 2. scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Bkl ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor bruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Bal. De term is dus ruimer dan de Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd.

Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Onder het voormalige stelsel voor de ruimtelijke ordening zoals dat in gebruik was voor de invoering van de omgevingswet kon gebruik gemaakt worden van de handreiking Bedrijven en milieuzonering. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de VNG een nieuwe versie gepubliceerd die aansluit op de OmgeHandreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024

Dorshout 22 te Veghel

40

5.5.2

Onderzoek

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat bij het projectgebied. En dat beoogde ontwikkeling geen belemmering vormt in de bedrijfsvoering van omliggende functies. Er is door De Roever een quickscan milieuaspecten uitgevoerd. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen, in deze paragraaf wordt er ingegaan op het aspect milieuzonering. Uitwaartse milieuzonering De functiewijziging vormt geen milieubelastende functies. Ten aanzien van de woning is geen beoordeling van uitwaartse zonering noodzakelijk. In dit geval is er dus geen sprake van uitwaartse milieuzonering. Tevens is de agrarische bedrijfsvoering ter plaatse van het plangebied gestaakt, hiermee is er geen sprake meer van de vestiging van een milieubelastende functie. Inwaartse milieuzonering maximaal planologisch Met de functiewijziging van een bedrijfswoning naar een reguliere woning ontstaat een milieugevoelige functie voor de aspecten, geur, stof, geluid en gevaar. Onderhavige locati

Op basis van het vigerende Omgevingsplan zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald. Deze functies en de richtafstanden daarvan zijn opgenomen in tabel 2. De richtafstanden zijn weergegeven op tabel 5.1 en figuur 5.2. Tabel 5.1 Richtafstanden milieubelastende functies (De Roever)

Tabel 5.2 Richtafstanden milieubelastende functies (De Roever)

Dorshout 22 te Veghel

41

Het plangebied ligt binnen de richtafstand voor het aspect geur van de veehouderij aan Dorshout 24. Het aspect geur wordt nader beoordeeld in paragraaf 5.7. Ten aanzien van de overige aspecten (stof, geluid en gevaar) wordt aan de richtafstanden voldaan. Deze aspecten vormen op voorhand geen belemmering voor het plan. 5.5.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6

Geluid (Spoor)wegverkeer

5.6.1

Toetsingskader

Geluid door (spoor)wegen Het Bkl bevat geluidsregels voor onder meer (spoor)wegen. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. Gebouwen met een woonfunctie zijn geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.21 Bkl). Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. De aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen sluit aan bij de gebruiksfuncties van een ander Omgevingswetinstrument: het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierdoor zijn de volgende gebouwen geen gebouw met woonfunctie: gevangenissen (celfunctie); hotels (logiesfunctie); asielzoekerscentra (logiesfunctie); recreatiewoningen (logiesfunctie). De wet wijst gebouwen met deze functies niet aan als geluidgevoelig gebouw. 5.6.2

Onderzoek

Het plangebied gelegen aan de Dorshout wat een 60 km/uur zone betreft in het buitengebied. Omdat sprake is van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en de weg Dorshout niet als een drukke weg wordt beschouwd, is het uitvoeren van een daadwerkelijk akoestisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Uit gegevens van de Brabant Brede Model Aanpak (BBMA) blijkt een intensiteit van 77 motorvoertuigen per etmaal behorende bij de Dorshout.

Dorshout 22 te Veghel

42

Figuur 5.3 Uitsnede kaart 'Geluid van wegverkeer' (bron: Atlasleef-

op figuur 5.4 een uitsnede van de BBMA kaart. Drukke wegen met het meeste verkeersgeluid zijn rood of geel gekleurd. Ter plaatse van de Dorshout is er sprake van een geluidsbelasting van 45 dB door wegverkeer. Eventuele geluidsoverlast bij derden zou kunnen ontstaan vanwege verkeersbewegingen. Onderhavig plan zal naar verwachting een zeer beperkt effect hebben op het aantal extra verkeersbewegingen. De wijziging is derhalve niet dermate groot dat hiermee het woon- en leefklimaat bij de bestaande, omliggende woningen wordt aangetast. Er is dan ook geen sprake van nadelige milieuhygiënische effecten op de omgeving in de zin van geluid, als gevolg van het initiatief. Er is geen nader onderzoek naar de geluidbelasting noodzakelijk.

Figuur 5.4 Uitsnede BBMA kaart (provincie Noord-Brabant)

5.6.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect wegverkeerslawaai is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Dorshout 22 te Veghel

43

5.7

Geur

5.7.1

Toetsingskader

Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paraGeurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden: indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten; indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten. Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: 1. zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2); 2. houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3); 3. enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4). Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art.

5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. De aanwijzing van geurgevoelige gebouwen sluit aan bij de gebruiksfunctie van een ander Omgevingswetsinstrument: het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierdoor zijn de volgende gebouwen geen gebouw met woonfunctie: gevangenissen (celfunctie); hotels (logiesfunctie); asielzoekerscentra (logiesfunctie); recreatiewoningen (logiesfunctie). De wet wijst gebouwen met deze functie niet aan als geurgevoelig gebouw. Wel kan de gemeente ervoor kiezen om deze gebouwen als geurgevoelig aan te wijzen in het omgevingsplan.

Dorshout 22 te Veghel

44

5.7.2

Onderzoek

Het planvoornemen omvat de ontwikkeling van geurgevoelig gebouwen in de zin van artikel 5.91 van het Bkl. Er is namelijk sprake van de realisatie van gebouwen met een woonfunctie. Met de voorgenomen realisatie wordt geen milieubelastende activiteit op het gebied van geur toegevoegd.

Figuur 5.5 Veehouderijen en geuremissies

Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen garanderen, is er door De Roever onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van agrarische activiteiten in de omgeving van het projectgebied. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlage, hieronder zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. De veehouderijen in de omgeving van het plangebied en de totale geuremissies zijn weergegeven op figuur 5.5. Op de figuur zijn ook de afstandscontouren en de emissiepunten en toetspunten voor de geurberekeningen aangegeven. Voorgrondbelasting Binnen het plangebied is sprake is van een geurnorm van 14 ouE/m3. Gelet op de geuremissie van de omliggende veehouderijen in relatie tot de afstand tot het plangebied zijn de veehouderijen aan de Dorshout 24, 37 en 45 maatgevend voor de geurbelasting ter plaatse van het plangebied. Overige veehouderijen met een geuremissie liggen verder weg van het plangebied én hebben een lagere geuremissie. Voor de veehouderijen aan de Dorshout 24 en 37 zijn berekeningen van de voorgrondbelasting uitgevoerd. Voor de veehouderijen zijn uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden volgens de omgekeerde werking van de geurwetgeving. Hierbij is uitgegaan van één emissiepunt op de rand van het bouwvlak van de veehouderij, zo dicht mogelijk bij het plangebied.

De hoogst berekende voorgrondbelasting ter plaatse van de rand van het plangebied bedraagt 3,8 ouE/m3

Dorshout 22 te Veghel

45

Voor de veehouderij aan de Dorshout 45 is vanwege de overbelaste situatie op Dorshout 41 een aanvullend berekening uitgevoerd. Uit die berekening blijkt een worst-case voorgrondbelasting van respectievelijk maximaal 7,9 ouE/m3 (feitelijk vergund) en 11,9 ouE/m3 (rand bouwvlak) op de rand van het plangebied. Er wordt voldaan aan de geurnorm van 14,0 ouE/m3. De veehouderijen worden niet in de belangen geschaad. Achtergrondbelasting Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken en is weergegeven in figuur 5.6.

Figuur 5.6 Achtergrondbelasting

Beoordeling woon- en leefklimaat Omdat wordt voldaan aan de afstandseis van 50 meter is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van afstanden. De voorgrondbelasting op de rand van het plangebied bedraagt ten hoogste 7,9 ouE/m3.

- en leef-

klimaat. Het woon- en leefklimaat is beter dan het woon- en leefklimaat dat op grond van de geurnorm aanvaardbaar wordt geacht. De achtergrondbelasting op de rand van het plangebied bedraagt ten hoogste 9,7 ouE/m3.

- en leef-

klimaat en wordt als aanvaardbaar geacht. 5.7.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Gezondheid

5.8.1

Toetsingskader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.

Dorshout 22 te Veghel

46

Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen. 5.8.2

Onderzoek

Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat geen negatieve effecten zijn te verwachten op daarin genoemde gezondheidsaspecten, zoals geluid, bodemkwaliteit, water, luchtkwaliteit, geur en omgevingsveiligheid etc. Er wordt voldaan aan relevante wet- en regelgeving. Met onderhavige ontwikkeling wordt de omzetting van de voormalige bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning bestendigd en wordt er een nieuwe woning mogelijk gemaakt. Op voorhand zijn geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van het aspect gezondheid. Gezondheid in relatie tot veehouderijen Door De Roever is als onderdeel van de quickscan milieuaspecten een scan uitgevoerd wat betreft volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. Voor de volledige Quickscan wordt verwezen naar de bijlage. Hierin is ven stappen uit de handleiding geconcludeerd dat er geen sprake is van belemmeringen. De gemeente heeft aangegeven geen noodzaak te zien in het opvragen van een advies bij de GGD. Hoewel het is duidelijk dat de gezondheidskundige advieswaarde voor geur wordt overschreden, kunnen er met voorliggend plan kunnen geen maatregelen opgelegd of getroffen worden om de geurbelasting te verlagen. Er moet dus een afweging worden gemaakt of de gemeente de overschrijding van de advieswaarde voor de voorgrondgeurbelasting acceptabel vindt.

In dit geval is dat zo omdat: De voorgrond belasting leidt niet tot een overschrijding van de standaardnorm voor geurbelasting die is opgenomen in het tijdelijk omgevingsplan artikel 22.98; Er wordt voldaan aan de afstandsnormen in het tijdelijk omgevingsplan van artikel 22.100 en 22.101; Door het initiatief zal de geurbelasting ter plaatse afnemen ten opzichte van de huidige situatie, omdat de veehouderij op dit adres stopt met de bedrijfsvoering; de maatgevende woning is de voormalige bedrijfswoning, dit is een feitelijk al bestaande situatie. De nieuwe woning (mogelijk te maken in een 2de fase, nabij nr. 20) komt op grotere afstand van de veehouderijen en zal dus ook een lagere geurbelasting hebben. Hierdoor zal het percentage geurgehinderden niet toenemen. De transformatie van veehouderij naar woningen op deze plek wordt belangrijk gevonden om de leefbaarheid te vergroten en hiermee een bijdrage te leveren aan de gezonde leefomgeving. Gezondheid in relatie tot asbest Tevens is er door Asbestinventarisatie Odiliapeel BV op 19-11-2024 een asbestinventarisatie uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen, in deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies opgenomen. Het doel van de inventarisatie is de volledige sloop van de vier opstallen. De vijf opstallen zijn volledig onderzocht.

De vijf onderzochte opstallen betreffen: Opstal 1, een opslagschuur;

Dorshout 22 te Veghel

47

Opstal 2, een varkensstal met aan de zijkant een luchtwasser. De luchtwasser is gebouwd in 2018; Opstal 3, een oud bakhuis met een overkapping. De overkapping is gebouwd in 2001; Opstal 4, een kapschuur. Binnen het werkgebied (5 meter rondom de asbesthoudende toepassingen) zijn visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Deze asbestinventarisatie omvat het gebied dat na verwijderen van de asbesthoudende materialen visueel geïnspecteerd wordt als onderdeel van de eindbeoordeling met uitzondering van de eventuele transitroute, zijnde de route tussen de transitsluis en decotaminatie-unit. Opstal 5 betreft een opslagschuur uit 2003, opstal 5 valt buiten de inventarisatie plicht. Geconcludeerd wordt dat het inventarisatierapport geschikt is voor volledige sloop en/of renovatie van de vier opstallen. Er zijn geen beperkingen. Gezondheid in relatie tot hoogspanningsverbindingen plangebied bevinden zich echter geen hoogspanningsleidingen. Het aspect hoogspanningsleidingen vormt geen belemmering voor het plan of voor afweging van het aspect gezondheid in relatie tot het plan. 5.8.3

Conclusie

Het initiatief levert een bijdrage aan het bereiken van een gezonde fysieke leefomgeving.

5.9

Duurzaamheid

5.9.1

Toetsingskader

Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordende kwestie voor onze samenleving. Het gaat hierbij om de manier waarop we omgaan met onze natuurlijke omgeving en hoe we ervoor zorgen dat we deze niet uitputten voor onze toekomstige generaties. Er bestaat geen vast omschrijving of definitie voor de term duurzaamheid. Over het algemeen wordt met duurzaamheid een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld in gevaar te brengen bedoeld. Duurzaamheid is een aspect dat zowel op de korte termijn als lange termijn toegepast dient te worden. Er spelen diverse trends en ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid binnen nieuwbouw. Duurzaamheid bij nieuwbouw verwijst naar het ontwerpen, bouwen en onderhouden van gebouwen op een manier die zo min mogelijk impact heeft op het milieu. Tegelijkertijd ook efficiënt en gezond is voor de mensen die erin wonen of werken. Duurzaamheid is dus een breed begrip en omvat verschillende aspecten: Energie-efficiëntie: het verminderen van energieverbruik door gebruik te maken van duurzame energiebronnen, zoals zonne-energie of windenergie. Materialen: Het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materialen, zoals gerecyclede of hernieuwbare materialen.

Gezondheid en comfort: het creëren van een gezonde binnen omgeving met goede ventilatie, natuurlijke verlichting en materialen die de binnen kwaliteit verbeteren. Levensduur en hergebruik: Het ontwerpen van gebouwen met een lange levensduur en de mogelijkheid tot aanpassing of hergebruik van materialen om de hoeveelheid afval te verminderen. De focus op duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verminderen, een sector die historisch gezien veel grondstoffen verbruikt en bijdraagt aan vervuiling van het klimaat. De eisen met betrekking tot duurzaamheid zijn opgenomen in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Van belang zijn de BENG normen en de MPG waarden.

Dorshout 22 te Veghel

48

BENG Normen BENG staat voor Bijna energie neutrale gebouwen, en zijn geformuleerd met het doel om de CO2 uitstoot van nieuwbouw terug te dringen. Er zijn drie verschillende manieren waarin BENG tot uitdrukking komt. Dit zijn de volgende: BENG 1-eis: Terugbrengen van de energiebehoefte; BENG 2-eis: Beperken van het fossiele energiegebruik (Bijvoorbeeld Gas en olie); BENG 3- eis: Benutten van hernieuwbare energie. Naast deze drie eisen is er nog één aanvullende eis die van belang is met name in samenhang met klimaatadaptatie, dit is de indicator voor verlaging van het risico op oververhitting van gebouwen genaamd TOJuli). De BENG eisen gelden alleen voor nieuwbouw, bestaande bebouwing hoeft dus niet aan deze eisen te voldoen. MPG Waarden MPG staat voor Milieuprestatie gebouwen. Een MPG berekening toont aan wat de milieu impact van een nieuw te bouwen bouwwerk is. Zo worden de waarden waaraan voldaan dient te worden bepaald aan de hand van de gebruiksfuncties van het bouwwerk. In het Bbl staat beschreven dat een woonfunctie een milieuprestatie moet hebben van maximaal 0,8 bepaald volgens de bepalingsmethode van de MPG. Hoe lager de score is, des te beter het pand scoort op duurzaamheid. Tot slot geeft het Bbl ook regels over de laadinfrastructuur van elektrische auto. Deze regels zorgen ervoor dat er voldoende leidingdoorvoeren zijn voor eventuele oplaadpunten. 5.9.2

Onderzoek

De huidige bedrijfswoning in de langgevelboerderij zal gerenoveerd worden waardoor er sprake van zijn van een verbetering van de duurzaamheid van de boerderij. Er is zodoende sprake van een duurzame ontwikkeling. Daarnaast zal bij de realisatie van de nieuwe bebouwing aandacht zijn voor het aspect duurzaamheid. Om een landschappelijke inpassing te realiseren worden er diverse inrichtingsmaatregelen getroffen ter plaatse van het perceel. Dit met name in de aanplanting van divers groen, hiermee wordt de biodiversiteit ter plaatse van het perceel vergroot. Zoals het aanplanten van bomen, lage knip- en scheerhagen en hoogstamfruitbomen. 5.9.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10

Luchtkwaliteit

5.10.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Dorshout 22 te Veghel

49

Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM 10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtsgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl.

Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit Sinds 1 januari 2023 wordt de luchtkwaliteit berekend en gemonitord via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). 5.10.2

Onderzoek

Het projectgebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. CIMLK In het kader van goede ruimtelijke ordening is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het besluitgebied. De achtergrondwaarden van de vier omliggende rekenpunten zijn in navolgende tabel weergegeven. ID

NO2 µg/m³

PM10

PM10 overschrij-

µg/m³

dingsdagen

PM2,5 µg/m³

Jaar

15520540

14.58

17,77

6,22

10,03

2023

15520638

14,93

17,81

6,23

10,05

2023

15520653

14,87

17,80

6,23

10,04

2023

15520305

15,20

17,83

6,24

10,06

2023

Norm

40

40

35

25

Dorshout 22 te Veghel

50

De data uit het CIMLK toont aan dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. NIBM Middels de NIBM-tool kan in beeld worden gebracht wat de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit zijn. Voor het toepassen van de NIBM-tool is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de verkeersgeneratie die samenhangt met de binnen de projectgebieden beoogde functies. Er is sprake van de toevoeging van één woning. Voor een dergelijk plan is op voorhand sprake van een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen milieubelastende activiteit, als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal, waarover regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Eveneens is het geen activiteit die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere afstand effect heeft. 5.10.3

Conclusie

Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11

Natuur en landschap

5.11.1

Toetsingskader

Wettelijke gebiedsbescherming De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 7.8 lid 2 Bkl van de Omgevingswet dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor tuur-

vincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het

Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnet-werk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform Omgevingswet, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom (bebouwingscontour houtkap). Wanneer

Dorshout 22 te Veghel

51

houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 11.111, lid 2 Bal, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 11.126 Bal). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 11.129 Bal om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Onder de Omgevingswet geldt een specifieke zorgplicht voor houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Indien natuurbescherming, instandhouding bosareaal of bescherming landschappelijke waarden in het geding komt, geldt een verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of achterwege te laten. Soortenbescherming Conform de Omgevingswet is een flora- en faunahiervoor geldt de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal). Er geldt een vergunningsplicht wanneer schadelijke handelingen worden uitgevoerd zoals beschreven in paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal. In tabel 5.3 staan de belangrijkste schadelijke handelingen uitgewerkt.

De Ow heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 11.37 Bal); Europees beschermde soorten (artikel 11.46 Bal); Nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal).

onder A en B Bal). Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen vergunningplichtige activiteiten. De regels voor vogels en overige Europese soorten zijn letterlijk overgenomen uit respectiedie geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 5.3 zijn de vergunningplichtige activiteiten per regime weergegeven. De Ow regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de activiteiten met schadelijke gevolgen. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 11.54 Bal) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. - en fauna(11.27 Bal). Hierin wordt gesteld dat nadelige gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt.

Dit geldt voor alle beschermde soorten, alsmede soorten van de rode lijsten, en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Voor deze soorten wordt vastgesteld of nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Is dit niet mogelijk, dan dienen preventieve maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen te voorkomen.

Dorshout 22 te Veghel

52

Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal een ontheffing / omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit met schadelijke handelingen aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing / vergunning kan dan onder voorwaarden worden verleend. 5.11.2

Onderzoek

Door BEACX is en quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen, in deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Aan de hand van het vooronderzoek en het veldwerk concludeert en adviseert Baecx B.V. het volgende: Flora Voor de onderzoekslocatie zijn geen actuele waarnemingen bekend van beschermde flora. Uit de bureaustudie was gebleken dat er mogelijk beschermde fauna kon worden verwacht voor deze locatie. Dit is niet bevestigd bij het locatiebezoek, waarbij geen beschermde flora is vastgesteld. Als gevolg van de huidige inrichting van het terrein, het gevoerde beheer en gebruik maakt dat deze locatie momenteel geen geschikt habitat is voor beschermde flora. Fauna Voor de onderzoekslocatie zijn geen actuele waarnemingen bekend van beschermde fauna. Uit de bureaustudie was gebleken dat er mogelijk beschermde fauna kon worden verwacht voor deze locatie. Dit is niet bevestigd bij het locatiebezoek, waarbij geen beschermde fauna is vastgesteld. Als gevolg van de huidige inrichting van het terrein, het gevoerde beheer en gebruik maakt dat deze locatie momenteel geen geschikt habitat is voor beschermde fauna. Er zijn geen beschermde natuurwaarden en flora en fauna in het plangebied aanwezig of te verwachten . De ingreep heeft geen mogelijke effecten op de potentieel aanwezige natuurwaarden.

Er is geen sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. Een ontheffing of vergunning van de Omgevingsweg is niet noodzakelijk. Wettelijke gebiedsbescherming Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek op circa 15,5 kilometer afstand. De effecten die eventueel in Natura 2000-gebieden zouden kunnen optreden betreffen externe effecten. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een toename van geluid, licht of stikstofdepositie. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Een significante toename van stikstofdepositie in deze gebieden die ontstaat tijdens de aanleg- en/of gebruiksfase van de woningen in het plangebied kan daarentegen niet reeds vóór het uitvoeren van stikstofdepositieberekeningen met de AERIUS Calculator worden uitgesloten. Er is daarom een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase voor fase 1 en 2. Voor het onderzoeksrapport dat hierop betrekking heeft wordt verwezen naar de bijlagen. Uit dit onderzoek

Dorshout 22 te Veghel

53

blijkt dat het rekenresultaat voor de aanleg- en gebruiksfase niet hoger is dan 0,00 mol/ha/j. Hiermee kunnen significante negatieve effecten op Natura 2000- gebieden vanwege stikstofdepositie worden uitgesloten. Planologische gebiedsbescherming Uit figuur 5.7 kaart volgt dat het plangebied niet gelegen is binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB). De afstand tot de dichtstbijzijnde locatie van het NNB bedraagt circa 165 meter. Gezien op de aard en omvang van de ontwikkelingen, zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Figuur 5.7 Ligging plangebied ten opzichte van NNB (bron: atlasleefomgeving)

5.11.3

Conclusie

Vanuit het aspect natuur en landschap is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12

Omgevingsveiligheid

5.12.1

Toetsingskader

Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Kwetsbare gebouwen en locaties bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De

Dorshout 22 te Veghel

54

Risicobronnen wezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor; buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. In het van rechtswege ontstane omgevingsplan van de gemeente Sint-Michielsgestel worden beperkingen met betrekking tot externe veiligheid genoemd, waarbij milieubelastende activiteiten, transportroutes en buisleidingen aan bod komen (artikel 22.39b). Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen: opslaan, bewerken en her verpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5); exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden.

De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid. Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet advies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl). 5.12.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=7e4390f7-7ebb-48f9-a839-cd06e4146f29