CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

2021.1226 Toelichting Vlagheide 8a Schijndel

Raadsvergadering 15 december 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Vlagheide 8a te Schijndel'20.509 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Daarnaast is een gedeelte van de Attentiezone waterhuishouding binnen het huidige bestemmingsvlak ‘Wonen’ gelegen. Deze bestemming wordt omgezet naar de bestemming ‘Recreatie’ zonder dat het bestemmingsvlak een groter ruimtebeslag legt op de Attentiezone waterhuishouding. 32

Tot slot betreft voorgenomen ontwikkeling op dit gedeelte slechts een functiewijziging (omzetting burgerwoning naar bedrijfswoning) zonder dat de planologische gebruiksen bouwmogelijkheden vergroot worden. Aangezien er sprake is van bestaande bebouwing en de functiewijziging geen negatieve invloed heeft op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant wordt aan de voorwaarden voldaan. Met de ontwikkeling wordt voldaan aan de voorwaarden waardoor het provinciaal beleid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Ruimte Schijndel In de ‘Structuurvisie Ruimte Schijndel’ (vastgesteld 31-05-2012) schetst de gemeente Schijndel haar visie op het ruimtelijke beleid voor de komende 10 jaar met een doorkijk voor de daaropvolgende tien jaar. De structuurvisie maakt het mogelijk om lopende en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen met elkaar in verband te brengen. Via de structuurvisie legt de gemeente, voor wat betreft de ruimtelijke ontwikkeling, de lange termijndoelen vast. De volgende vier kernwaarden waren het uitgangspunt bij de totstandkoming van deze structuurvisie: 1. 2. 3. 4.

Verdieping van de Strategische Visie; Behoud en versterken van bestaande kwaliteiten voor een complete gemeente; Regierol voor de gemeente Schijndel; Transparantie en toegankelijkheid van ruimtelijke keuzes.

33

Ten aanzien van recreatieve en toeristische functies (in het buitengebied) is er een visiekaart ‘Recreatie en Toerisme’ opgesteld waarin aangegeven wordt welke ontwikkelingen op welke plaatsen wenselijk zijn. Zoals is weergegeven in figuur 16 ligt het plangebied in het gebied dat is aangemerkt als ‘Ontwikkeling Vlagheide’.

Figuur 16. Uitsnede visiekaart 'Recreatie en Toerisme' Structuurvisie Ruimte Schijndel. Planlocatie rood omcirkeld.

Voor het gebied Vlagheide is in het Intergemeentelijk Masterplan de ruimte voor recreatieve ontwikkelingen vastgelegd. Het heeft geleid tot een verscheidenheid aan initiatieven. Hiermee kan een volwaardige bovenlokale recreatieve voorzieningenfunctie ontstaan. De voortgang in deze ontwikkeling moet door blijven gaan. Medewerking aan onvoorziene initiatieven die voldoen aan de versterking van recreatie binnen het planologische keuzekader verloopt via een maatwerkaanpak. In elk geval is medewerking voorzien voor de ontwikkeling van de golfbaan en vakantiewoningen in de punt van Vlagheide. Met het daadwerkelijk uitvoeren van deze ontwikkelingen is ook een aanpassing van de verkeersstructuur nodig, om de verkeersstromen door recreanten en reguliere stromen beheersbaar te houden. Indien het nut en de noodzaak is gebleken dat de bestaande weginfrastructuur ontoereikend is voor een adequate verkeersafwikkeling als gevolg van de uitvoering van initiatieven die beantwoorden aan de bijdrage tot een regionale recreatieve functie, dan is hiermee de keuze gemaakt tot aanpassing en herinrichting van de wegen in het gebied Vlagheide. Dit kan ook gaan over de aanleg en verbetering van paden en routestructuren voor wandelen, fietsen, paardrijden, mountainbiken en andere vormen van recreatie.

Onderhavige ontwikkeling, de realisatie van een recreatiebedrijf dat zich zal richten op verschillende outdoorsporten, is een aanvulling op de reeds aanwezige recreatieve functies in de omgeving. Zo is de recreatieve functie, die als start- en aanlegpunt voor verschillende outdoorsporten (o.a. wandelen, fietsen en ander outdooractiviteiten) dient, uniek in de regio. Daarnaast is de locatie, gezien de ligging in de nabijheid van 34

de Vlagheide en de Eerdse Bergen en de aansluiting op bestaande wandel-, mountainbike- en fietsroutenetwerken uitermate geschikt voor dagrecreatieve outdooractiviteiten. Voorgenomen ontwikkeling ligt daarmee in lijn met de beoogde ontwikkelrichting van het deelgebied ‘Vlagheide’.

3.3.2

Ontwikkeling Vlagheideberg (visie, schetsontwerp toeristisch recreatief concept Vlagheide)

en

doorontwikkeling

De gemeente Meierijstad heeft een plan ontwikkeld om een natuur- en landschapspark op de Vlagheideberg te realiseren. De Vlagheideberg is een afgewerkte vuilstortsplaats en is op een afstand van circa 300 meter ten zuiden van het plangebied gelegen. De gemeente Meierijstad wil de berg ontwikkelen tot één van de drie recreatieve hotspots in de gemeente, naast de Noordkade in Veghel en de Kienehoef in Sint-Oedenrode. De wens bestaat om de Vlagheideberg te ontwikkelen tot een natuur- en landschapspark met als motto “de energieke berg”. In het natuur- en landschapspark staat naast natuur- en landschapsbeleving buitenleven, gezondheid, actief zijn en avontuur centraal. Het ontwerp bestaat uit een zogenaamd “fastlane” die de steilste stukken van de berg opzoekt voor racefietsers en een “slowlane” die lekker lui de berg opgaat voor gewone fietsen, langlaufers op wieltjes en wandelaars. Daarnaast wordt er ook naar mogelijkheden buiten de berg gezocht. In de voet ziet de gemeente kansen voor een golfbaan en ook wordt de ontwikkeling van een natuurpoort en de inpassing van zonne-energie bestudeerd. Daarnaast ziet de gemeente kansen voor bestaande ondernemers en voorzieningen om door te ontwikkelen binnen het concept van de energieke berg en is er ruimte voor het ontwikkelen van bos waarvoor reeds enkele bedrijven enthousiast zijn geworden om lokaal CO2 te compenseren.

Met het plan voor de energieke berg krijgt Meierijstad haar eigen ‘central park’. Met de energieke berg wordt een impuls gegeven aan een bijzonder landschap met natuurwaarden. Onderhavig initiatief sluit aan op de ontwikkelingen die de gemeente voor het gebied op en rond de Vlagheideberg voor ogen heeft. De recreatieve functie aan de Vlagheide 8a zal als start- en aanlegpunt dienen voor meerdere dagrecreatieve activiteiten (wandelen, fietsen et cetera) waarbij er ook gebruik van de Vlagheideberg zal worden gemaakt. Het initiatief van Village Départ is rechtstreeks opgenomen in de plannen/visies van Vlagheide en omgeving. het initiatief past niet alleen uitstekend bij de doelstellingen die de gemeente voor ogen heeft voor dit gebied, het draagt in grote mate bij aan de verwezenlijking van deze doelstellingen. Het initiatief is dan ook gewenste ontwikkeling.

3.3.3

Afwegingsschema Meierijstad De gemeente Meierijstad hanteert een afwegingsschema waarbij wordt bekeken of een nieuwe ontwikkeling realiseerbaar is in haar omgeving. Dit doet de gemeente niet door specifieke regels te stellen, maar door te werken via een stappenplan dat hieronder is weergegeven. 1. Bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteiten/maatschappelijke meerwaarde zoals: extra werkgelegenheid, verbetering van het woon- of leefklimaat door afname van milieucontouren of minder vrachtwagenbewegingen, wateropgaven, het creëren van bijzondere architectonische kwaliteiten etc.

35

Het initiatief biedt maatschappelijke meerwaarde omdat het een toevoeging is aan het recreatieve aanbod in de gemeente Meierijstad en daarnaast uniek is in de regio. De gemeente heeft een meerjarenplan opgesteld om het toerisme in het groene hart te boosten en heeft het gebied op en om de Vlagheide aangewezen als een van de recreatieve/toeristische hotspots. Voorgenomen ontwikkeling geeft mede vorm aan de recreatieve invulling van het gebied rondom de Vlagheide en draagt bij aan de beleefbaarheid van het gebied. 2. Het ruimtebeslag: • Wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing? Het uitgangspunt van het initiatief is om zoveel als mogelijk gebruik te maken van de bestaande bebouwde oppervlakte. De positionering van de huidige bebouwing zorgt er voor dat de bebouwing niet optimaal en efficiënt ingezet kan worden (waaronder ook het opwekken van duurzame energie). De bestaande burgerwoning (met aangebouwd bijgebouw/mantelzorgwoning) wordt in de beoogde situatie omgezet tot bedrijfswoning met bijgebouw (mantelzorgwoning) en blijft bestaan in de huidige vorm. De voormalige veestal (557 m²) wordt het hart van het concept, maar wordt wel een kwartslag gedraaid en kleiner terug gebouwd (390 m²).

Het bestaande ‘Kooikershuisje’, dat op het eiland in het midden van één van de meertjes is gelegen, zal dienst doen als dependance van de horecafunctie en wordt gebruikt voor teambuilding, vergaderingen en heisessies. Naast het gebruik van de bestaande bebouwing worden er maximaal 9 cabins/trekkershutjes (waarvan 6 rechtstreeks) gerealiseerd. In totaal is in de huidige situatie 926 m² aan gebouwen aanwezig en in de toekomstige (maximale) situatie is dat 909 m². • Vindt er ontstening plaats? Er vindt een minimale ontstening plaats (17 m²), waardoor gesteld kan worden dat er efficiënt gebruik wordt gemaakt van de huidige bebouwde oppervlakte. • De aard van de locatie en de omgeving; Zoals gezegd is de planlocatie gelegen binnen een gebied dat door de gemeente is aangeduid als een gebied waar recreatieve/toeristische initiatieven gestimuleerd dienen te worden. Door de ligging tussen de Vlagheide en de Eerdse Bergen is het een ideale locatie om als start- en aanlegpunt te dienen voor verschillende vormen van gebiedsrecreatie. Daarnaast is het plangebied zelf geschikt voor de beoogde recreatieve functie. Binnen het plangebied zijn in het verleden twee waterafgravingen en natuurelementen aangelegd waardoor het terrein geschikt is voor dag- en verblijfsrecreatie.

De gemeente heeft aangegeven dat de locatie is aangeduid op de groene kaart (zie figuur 17 en 18) van de gemeente Meierijstad1. Op deze groene kaart is de locatie gedeeltelijk aangeduid als ‘historische boslocatie’ (monumentaal) en gedeeltelijk als ‘waardevol bos’. Monumentale houtopstanden worden aangewezen vanwege hun beeldbepalendheid, cultuurhistorisch belang of zeldzaamheid. Monumentale houtopstanden zijn beschermd door middel van een kapverbod en omgevingsvergunning. Hiervoor geldt een nee-tenzij principe. Dit betekent dat een omgevingsvergunning eigenlijk altijd

1

https://meierijstad.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=42b26820e29f4f718247e690160da021

36

geweigerd wordt, tenzij er een zwaarwegend maatschappelijk belang speelt of een direct gevaar voor de omgeving is ontstaan. De aanvrager moet aantonen dat de ontwikkelingen niet ten koste gaat van deze historische bossen. Negatieve effecten aan de monumentale houtopstand moeten worden beperkt. Ook moet er worden voldaan aan het compenseren van groen want ook dit is gewaarborgd in het bomenbeleid. Los van het feit dat ten behoeve van deze ontwikkeling geen bomen hoeven te worden gekapt, is de status ‘monumentaal’ niet juist. In onderstaand kader zijn de criteria genoemd die bepalend zijn geweest voor het opnemen van locaties op de groene kaart. In dit geval heeft de houtopstand een leeftijd van circa 20 jaar (de vijver is in 2002 gerealiseerd en de eendenkooi rond 2011). Daardoor voldoet de locatie niet aan de basiscriteria en staat het onterecht op de groene kaart. Desondanks is de initiatiefnemer niet voornemens om bomen te kappen. Door de bestemming ‘natuur’ toe te passen en te handhaven, staan de activiteiten in balans met de omgeving en wordt de landschappelijke en natuurlijke kwaliteit van de locatie geborgd. Basiscriteria monumentaal groen, gemeente Meierijstad •

De houtopstand moet ouder dan 50 jaar zijn en nog meer dan 5 jaar levensverwachting hebben.

Aanvullende criteria •

Beeldbepalend

•

De omtrek van de houtopstand is meer dan 180 cm

•

de boomkroon is minimaal voor 50% zichtbaar vanaf openbaar terrein

•

de houtopstand is onderscheidend t.o.v. omliggende omgeving

•

de weggevallen groene massa kan niet gecompenseerd worden door omliggende omgeving

Cultuurhistorie •

De houtopstand is geplant voor een bijzondere gebeurtenis

•

Hij is geplant uit historisch nut gezien de leeftijd, locatie en snoeiwijze

•

Hij is kenmerkend voor een bepaalde stijlperiode of ontwerpfilosofie

•

De waarde van het element is onlosmakelijk verbonden met een historisch/monumentaal gebouw

Dendrologie •

De houtopstand is zeldzaam in soort, variëteit, groeivorm of meerstammigheid

Ten aanzien van waardevol bos is aangegeven dat het gaat om de beplanting rondom de eendenkooi. De eendenkooi maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het landschap. Het instant houden van de bomen en beplanting is cruciaal voor het concept, dat gestoeld is op landschap, natuur en beleving. In de regels is het behoud, beheer en onderhoud van deze beplanting geborgd als voorwaardelijke verplichting. Het gebied rondom de eendenkooi wordt weliswaar gebruikt voor outdoor-activiteiten, maar daarvoor is geen kap van bomen of het weghalen van beplanting nodig. Er wordt juist georganiseerd en onder toezicht gebruik gemaakt van het landschap waardoor de beleving ervan toeneemt.

37

3. Zijn er negatieve effecten op omgevingskwaliteiten te verwachten? Bijvoorbeeld door geluidhinder, toename stikstof door verkeer, visuele hinder en versnippering voor bijvoorbeeld aangrenzend natuurgebied.

Figuur 17 Uitsnede groene kaart gemeente Meierijstad

Figuur 18 Uitsnede groene kaart gemeente Meierijstad

38

Door de wijziging van ‘Wonen’ ‘Agrarisch met waarden – Open landschap’ en ‘Natuur’ naar ‘Recreatie’ (gedeeltelijk) en naar ‘Natuur’ worden de gebruiksmogelijkheden van de gronden vergroot. Daarnaast zal de functie ten opzichte van de huidige situatie een hogere verkeersaantrekkende werking hebben. Uit hoofdstuk 4 blijkt dat de milieueffecten van de beoogde activiteiten aanvaardbaar zijn. 4. De aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving; Is er milieuhinder op nabijgelegen gevoelige functies te verwachten als gevolg van activiteiten op het terrein (buiten werken met dieren, machines, laden/lossen van voertuigen). De milieucategorie van de activiteit uit de VNG-brochure vormt hierbij het vertrekpunt. Binnen het plangebied zijn in de beoogde situatie verschillende recreatieve functies gelegen met verschillende minimaal aan te houden richtafstanden tot milieugevoelige objecten. Met name de burgerwoning aan de Vlagheide 8 is, gezien het feit dat de woning aan drie zijden in wordt gesloten door het plangebied, bepalend. Aangezien er sprake is van een interne zonering van de bestemming ‘Recreatie’ (en dit geborgd is in de planregels), kan aan de minimaal aan te houden richtafstanden worden voldaan en ontstaat er geen hinder voor de omgeving.

Daarnaast is in het ontwerp uitgegaan van een verdichting ten aanzien van de landschappelijke inpassing, waardoor er geen visuele hinder is te verwachten. Uit paragraaf 4.7 blijkt dat dit geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling. Zijn er problemen te verwachten rondom de verkeersafwikkeling (ook in relatie tot milieueffecten)? Dit is onder andere afhankelijk van de frequentie van verkeersbewegingen, het gebruik van grote voertuigen (laden en lossen goederen of onderdeel van bedrijfsvoering) en de geschiktheid van de aanwezige infrastructuur en de verkeersafwikkeling richting doorgaande wegen. De bestaande ontsluiting blijft behouden en er wordt ter plaatse een nieuw parkeerterrein aangelegd. Hierbij zal het parkeren op eigen terrein plaatsvinden. Ondanks de stijging van het aantal verkeersbewegingen (m.n. personenauto’s) zijn er gezien de huidige infrastructuur geen problemen te verwachten. Zie hiervoor tevens paragraaf 4.12.1. 5. Visuele hinder: • Hoe is de (beeld)kwaliteit van de bebouwing en uitstraling van het erf? • Past de uitstraling van de nieuwe functie in het (groene) buitengebied? • Past de omvang van de gebouwen binnen de schaal van het landschap (afhankelijk van landschapstype)? • Past de schaal van de activiteiten op het erf in het betreffende landschap? De landschapstypen vormen hierbij het vertrekpunt? Het perceel wordt landschappelijk ingepast.

In de bijlage van deze toelichting (bijlage I) is deze landschappelijke inpassing bijgevoegd. Met het opstellen daarvan is rekening gehouden met bovenstaande aandachtspunten. Daardoor kan gesteld worden dat geen sprake is van visuele hinder en dat zorgvuldig met de ruimte wordt om gegaan. 6. Impact: Sturen op de mate van impact van een initiatief. Dit kan onder andere door: • Ontwerpprincipes te koppelen aan het initiatief • Het stellen van randvoorwaarden zoals opgenomen in onderstaande voorwaarden;

39

•

De omvang van de nieuwe functie of het ruimtebeslag in te beperken en daarmee ook de impact.

Voorwaarden vanuit de omgeving. a) Milieu: Er dient voldaan worden aan de op dat moment geldende wetgeving omtrent geluid, gezondheid, externe veiligheid, archeologie etc.; b) De ontwikkeling mag geen belemmering opleveren voor omliggende agrarische bedrijven en voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven; c) De ontwikkeling mag geen negatieve verkeerskundige effecten hebben; d) De ontwikkeling mag niet leiden tot parkeeroverlast voor de omgeving; e) Er dient een watertoets te worden gedaan. Deze wordt voor advies aan het waterschap voorgelegd; f) Er moet een zorgvuldige omgevingsdialoog worden gevoerd. Genoemde aspecten zullen in hoofdstuk 4 worden behandeld. Hierbij is een aantal aspecten nader onderzocht waarbij is geconcludeerd dat er geen negatieve impact op de omgeving ontstaat door deze ontwikkeling. Deze ontwikkeling is met de buren besproken en er is door de buurt aangegeven dat men geen problemen heeft met de ontwikkeling. In bijlage II van deze toelichting is de omgevingsdialoog toegevoegd. Conclusie beleid Met onderhavige ontwikkeling kan aan alle voorwaarden uit het beleid worden voldaan.

Op basis van deze onderbouwing kan worden gesteld dat het initiatief bijdraagt aan de transitie van het landelijke gebied door een recreatieve invulling aan de Vlagheide 8a te geven, het opzetten van een kwalitatieve verbetering van het plangebied en rekening te houden met de buurt.

3.3.4

Vitaal buitengebied (Kansen voor kwaliteit) De gemeente Meierijstad hanteert een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. Allereerst mag een initiatief geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de (directe) omgeving. Uit paragraaf 2.2 is reeds gebleken dat de ontwikkeling stedenbouwkundig verantwoord is en dat het perceel landschappelijk wordt ingepast. Daarnaast is in hoofdstuk 4 de invloed van de voorgenomen ontwikkeling op de omgeving onderzocht en is geconcludeerd dat er geen belemmeringen worden verwacht. Naast deze omgevingsscan is het voor de gemeente Meierijstad van groot belang dat er ook wordt voorzien in een kwaliteitsimpuls. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een basisinspanning en aanvullende kwaliteitsprestaties. De basisinspanning bestaat uit een goede landschappelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt. Naast de basisinspanning geldt er voor sommige ontwikkelingen ook een aanvullende kwaliteitsprestatie. De invulling van de aanvullende kwaliteitsprestatie is maatwerk. Ter plaatse van het plangebied wordt een Koerscafé met dag- en verblijfsrecreatie opgericht.

Het initiatief leidt tot een grotere gebruikswaarde van de berg en aansluiten

40

op de gemeentelijke visie op dit gebied. Naast de verbetering van de kwaliteit hecht de gemeente Meierijstad waarde aan het betrekken van de direct omwonenden in de planvorming. In paragraaf 3.3.5 wordt de omgevingsdialoog nader toegelicht.

3.3.5

Handreiking kwaliteitsverbetering In maart 2021 heeft de gemeente Meierijstad de handreiking kwaliteitsverbetering gepubliceerd. In dit document is het beleid van de gemeente Meierijstad opgenomen met betrekking tot kwaliteitsverbetering bij initiatieven in het buitengebied. In dit document worden drie categorieën gehanteerd, namelijk: Categorie 1: geen effect op het landschap, er wordt5 niets extra’s van de initiatiefnemer verwacht; Categorie 2: er is sprake van een beperkt effect, er wordt een basisinspanning verwacht doormiddel van een erfinrichtingsplan. Categorie 3: er is sprake van een “groot” effect, naast de basisinspanning worden aanvullende kwaliteitsprestaties verwacht. Het initiatief Village Départ valt onder categorie 3, waardoor extra kwaliteitsverbetering noodzakelijk is. Deze extra kwaliteitsverbetering wordt door een berekening bepaald. Uitgangspunt van die berekening is de huidige situatie versus de toekomstige situatie. de rekensystematiek is als volgt opgenomen in de handreiking:

In de handreiking zijn normbedragen opgenomen per bestemming en/of per bouwwerk. Uitgangspunt van de huidige situatie is de huidige planologisch-juridische en bebouwde situatie, uitgangspunt voor de toekomstige situatie is de in dit bestemmingsplan opgenomen planologisch-juridische en bebouwde situatie. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd en toegepast: Huidige situatie (bestemmingsplan herijking landelijk gebied 2015): - Bestemming wonen; - Bestemming natuur; - Bestemming agrarisch (bestemmingsplan landelijk gebied 2013) Daarnaast is voor het eiland en het kooikershuisje de recreatiebestemming van toepassing verklaard. Zowel de natuur als het recreatief, educatief en informatie gebruik van de natuur en het kooikershuisje zijn via een artikel 19-procedure tot stand gekomen. vervolgens is in 2015 wel de natuur vastgesteld (de tegenprestatie), maar niet de recreatiebestemming van het kooikershuisje en de bebouwing. Voor de toekomstige situatie is gehanteerd de bestemming recreatie, water en natuur. Voor beide varianten is eveneens de bebouwing opgenomen. Uit de berekening blijkt dat de toekomstige waarde minder is dan de huidige. Desondanks wordt er een kwaliteitsverbetering toegepast met een waarde van ruim € 7.500,- (zie bijlage 1).

Daarmee voldoet het initiatief aan de handreiking kwaliteitsverbetering van de gemeente Meierijstad en de voorwaarde vanuit de verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant.

41

.

42

3.3.6

Omgevingsdialoog Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de visie van de gemeente Meierijstad. Hierin speelt het maatschappelijk draagvlak een belangrijke rol. De omwonenden en directe omgeving moeten worden betrokken ten behoeve van het genereren van draagvlak. De directe omgeving heeft betrekking op iedereen waarop het initiatief effect heeft. In dit geval zijn dat omwonenden aan de Vlagheide 7 en 8, De Kuilen 19 en de Vereniging Vlagheide. De initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gebracht van de gewenste ontwikkeling op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als Bijlage II.

43

HOOFDSTUK

4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording

4.1

M.e.r.-plicht Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelings-plichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r.-plicht. Toets m.e.r. plicht Met dit bestemmingsplan wordt een recreatief concept ontwikkeld, waaronder 6 trekkershutten/cabins met een mogelijkheid tot maximaal 9. En parkeergelegenheden.

De voorgenomen ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht Het mogelijk maken van een vergader- en horecafunctie in bestaande bebouwing komen niet voor in bijlage C D van het besluit m.e.r.. De realisatie van maximaal 9 cabins/trekkershutjes (waarvan 6 rechtstreeks) kan gezien worden als stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Geconcludeerd wordt daarom dat het onduidelijk is of het planvorm als geheel m.e.r.beoordelingsplichtig is of niet. Belangrijk is dan ook om aan te tonen of van het totale concept sprake is van een stedelijke ontwikkelingsproject. Specifiek is de omschrijving van een stedelijk ontwikkelingstraject in de bijlage van het Besluit m.e.r. als volgt aangegeven “D11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” In bijlage D van het besluit m.e.r. zijn drempelwaarden opgenomen ten aanzien van uitbreiding van stedelijk gebied. Daarin is aangegeven dat wanneer de stedelijke ontwikkeling bevat sprake is van een geval dat boven de drempelwaarde uitkomt.

Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de beoogde activiteit een m.e.r.- ontwikkelingsbeoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 44

m² of meer. De voorgenomen activiteit blijft daardoor onder de bovengenoemde drempelwaarden. De activiteit is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. M.e.r.-beoordeling voor ontwikkeling beneden de drempelwaarde De omvang van een project zoals aangegeven in kolom 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, is niet het enige criterium om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. De gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) zijn daarmee indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag gemotiveerd moet aangeven of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm.

Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Het bestemmingsplan is alsnog m.e.r.-plichtig als op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn 2011/92/EU niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Onderstaande zijn deze selectiecriteria weergegeven: Criteria bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn 2011/92/EU) 1. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • de omvang van het project, • de cumulatie met andere projecten, • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, • de productie van afvalstoffen • verontreiniging en hinder • risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën. 2.

Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bestaand grondgebruik, • de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied, • het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin 45

bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang 3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking), • het grensoverschrijdende karakter van het effect, • de waarschijnlijkheid van het effect, • de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Omdat het plan wel voorziet in een uitbreiding met stedelijke functie (trekkershutjes/cabins en aanleg van parkeerplaatsen), maar ónder de drempelwaarde valt zoals aangegeven in categorie D.11.2 van het Besluit m.e.r., is een toets uitgevoerd of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze is als bijlage III toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen. Het gaat om de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) inclusief het Programma Aanpak Stikstof, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in onderdeel gebiedsbescherming (vervangt Nb-wet).

Voor bestemmingsplannen is het toetsingskader voor deze gebieden in de basis ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Nb-wet. Als (een wijziging van) een bestemmingsplan negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. In dat geval moet het bevoegd gezag volgens artikel 2.8, van de Wet natuurbescherming (Wnb) eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan. Eventueel worden maatregelen opgenomen die getroffen worden om dit te bereiken. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingsdoelstellingen voldaan wordt, kan het plan geen doorgang vinden. Volgens art. 7.2a lid 1 Wm zijn plannen die volgens een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht zijn en waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt m.e.r.-plichtig. Wanneer een significant effect op voorhand niet kan worden uitgesloten is op basis van de Wet natuurbescherming en wet milieubeheer sprake van een m.e.r.-plicht. Uit de paragrafen in dit hoofdstuk blijkt dat geen sprake is van significante effecten op het Natura2000 gebied. Conclusie milieueffectrapportage a. De beoogde functiewijziging komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b.

De activiteit valt voor wat betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein wel onder categorie D11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde 'drempelwaarden' niet worden overschreden; c. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, is voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit 46

de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een m.e.r.-beoordeling derhalve niet noodzakelijk is.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Op een gedeelte van het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’. Hier geldt een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 25.000 m2 en dieper dan 0,4 meter. Op dit gedeelte van het plangebied wordt geen bebouwing opgericht waardoor de ontwikkeling uitgezonderd is van archeologisch onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Conform het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’. Dat houdt in dat deze gronden mede zijn bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waardevolle elementen. Uit de planregels behorende bij deze bestemming blijkt dat bepaalde werken/werkzaamheden omgevingsvergunningsplichtig zijn en enkel mogen worden uitgevoerd wanneer deze geen onenvenredigie aantasting tot gevolg hebben van de cultuurhistorische waarden van de landschapselementen die in de cultuurhistorische waarderingskaart als ‘landschapselementen zeer hoog en/of hoog’ zijn aangemerkt. Uit figuur 12 blijkt dat er binnen het plangebied geen landschapselementen gelegen zijn die aangemerkt worden als zeer hoog en/of hoog. Aan weerszijden van de weg Vlagheide, ten noorden van het plangebied, is laanbeplanting aanwezig. Deze landschapselementen worden als ‘hoog’ gekwalificeerd waardoor deze behouden dient te blijven.

In onderhavige ontwikkeling worden deze bomen niet gekapt waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

47

Daarnaast heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebieden’. Dat houdt in dat deze gronden mede zijn bestemd voor het behoud, beheer en versterking van de cultuurhistorische waardevolle waarden. Uit de planregels behorende bij deze bestemming blijkt dat bepaalde werken/werkzaamheden omgevingsvergunningsplichtig zijn en enkel mogen worden uitgevoerd wanneer deze geen onevenredigie aantasting tot gevolg hebben van de cultuurhistorische waarden van de gebieden die in de cultuurhistorische waarderingskaart als cultuurlandschappen zeer hoog en hoog zijn aangemerkt.

Figuur 19. Uitsnede cultuurhistorische waarderingskaart gemeente Schijndel. Plangebied blauw omkaderd.

Uit figuur 19 blijkt dat het plangebied ligt binnen het cultuurlandschap met de kwalificering ‘hoog’. Dat houdt in dat de volgende werk/werkzaamheden vergunningsplichtig zijn: -

het aanbrengen van (half-)verhardingen; het rooien of vellen van houtgewas; afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem; graven of dempen van sloten; verwijderen van perceelsrandbeplanting; aanleggen van paden; wijzigen van perceels- of kavelgrenzen; het aanbrengen van hoogopgaande beplanting anders dan het herplanten van gerooide / gevelde houtopstanden; het verwijderen van wegen of paden.

De omgevingsvergunning voor bovenstaande werken en werkzaamheden wordt slechts verleend indien de werkzaamheden geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben 48

van de cultuurhistorische waarden van de gronden. Als bij de uiteindelijke realisatie van de planontwikkeling blijkt dat een van bovenstaande werken/werkzaamheden van toepassing is, zal de benodigde omgevingsvergunning voor die onderdelen worden aangevraagd. Tot slot zijn er geen monumenten binnen het plangebied aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.3

Flora en Fauna

4.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) Ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde floraen faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Conclusie In de conclusie is onderscheid gemaakt in het Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000gebieden.

Natuur Netwerk Brabant Uit de kaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied buiten de begrenzing van het NNB is gelegen. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door verspreiding van stoffen in lucht of water. Het meest dichtstbijzijnde gebied behorende bij het Natuurnetwerk Brabant ligt op een afstand van 130 meter ten noordwesten van het plangebied. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tot dit gebied, zijn negatieve effecten uit te sluiten. Natura 2000-gebied Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ‘Vlijmens Ven,

49

Moerputten & Bossche Broek’ die op een afstand van respectievelijk 13,1 en 14,1 kilometer van het plangebied zijn gelegen. Gezien de kleinschalige aard van de ontwikkeling en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, zijn significante negatieve effecten uit te sluiten. Ter ondersteuning is er een Aerius-berekening uitgevoerd. De input hiervoor betreft de verkeersaantrekkende werking en een spekstenen kachel. Uit de berekening volgt dat er geen significant negatieve effecten tot gevolg zijn op Natura 2000 gebieden (zie bijlage IV).

4.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Er dient voor de bestemmingswijziging vastgesteld te worden of de ontwikkeling een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Er is daarom op 23 december 2021 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als separate bijlage V bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Op basis van de informatie die uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om direct een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Er kan op dit moment zonder voorziene problemen begonnen worden met de geplande werkzaamheden. Het verbouwen van de bestaande schuur dient buiten het broedseizoen plaats te vinden. Tijdens werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.

Voor de herbestemming van het perceel zorgt het aspect Natuur dus niet voor een belemmering voor onderhavig plan.

4.4

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. In het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening is het wettelijk verplicht een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

50

4.4.1

Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal plan van NoordBrabant, het Waterbeheerplan 2016-2021 van waterschap De Dommel, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ relevant. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. Tevens zijn de Keur en de beleidsregels Keur van Waterschap Dommel van belang. Keur Waterschap De Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer.

Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Op basis van de Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m².

51

4.4.2

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie Het initiatief heeft betrekking op de sloop en herbouw van het bestaande centrale gebouw (oppervlakte 556 m²), welke verkleind wordt teruggebouwd (maximaal 390 m²). Daarnaast wordt er een mogelijkheid geboden om 6 trekkershutten/cabins van 25 m² per stuk te realiseren, wat een toename betekent van 150 m². per saldo neemt de bebouwde oppervlakte af. Echter is nog een binnenplanse mogelijkheid gebonden om 3 extra trekkershutten/cabins te bouwen van ieder maximaal 25 m². per trekkershut/cabin wordt bekeken welke maatregelen genomen kunnen worden om per object het water op te vangen en te laten infiltreren. De locatie is voldoende groot om dat water op te vangen en zelf in de bestaande waterpartijen kan worden toegepast. De wijze waarop de voorziening(en) voor de waterberging worden gedimensioneerd, zal nader worden uitgewerkt in de uiteindelijke aan te vragen omgevingsvergunning Bouwen. Voor de resterende bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven. Zo kan de bestaande woning zoals in de huidige situatie aangesloten blijven op het riool. Hiermee vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.

4.5

Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Voor wat betreft de omzetting van de burgerwoning met de bestemming ‘Wonen’ naar de bedrijfswoning met de bestemming ‘Recreatie’ is in het kader van het aspect bodem geen sprake van een wijziging naar een gevoeligere bestemming. Daarnaast is voor de huidige woning en de gronden binnen het bestemmingsvlak ‘Wonen’ reeds bepaald dat met betrekking tot het aspect ‘Bodem’ sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit geval is sprake van een woonfunctie, een landschappelijke en natuurlijke functie en een gedeeltelijke agrarische bestemming. Deze functie veranderd deels naar een recreatieve bestemming (wonen naar recreatie), agrarische naar recreatie (specifiek parkeerplekken) en een stukje natuur ten behoeve van recreatie (bestaand kooikershuisje) en bouw- en gebruiksmogelijkheden voor trekkershutjes/cabins. Het totale terrein wordt gebruikt ten behoeve van extensieve recreatievormen zoals vissen, wandelen en fietsen. Deze activiteiten worden ter plaatse van de eendenkooi geïntensiveerd t.b.v. teambuildingsessies en outdooractiviteiten.

De verblijfsduur ter plaatse van de woonbestemming wijzigt niet (wordt niet gevoeliger) waardoor op die plek het aspect bodemkwaliteit niet relevant is. De verblijfsduur op de parkeerplaatsen wordt niet vergroot (> 2 uur), waardoor de bodemkwaliteit ter plaatse niet relevant is. De verblijfsduur ter plaatse van het kooikershuisje wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie, waardoor de bodemkwaliteit ter plaatse niet relevant is. Het gebruik van de gronden ten behoeve van extensieve vormen van dagrecreatie wijzigt niet 9mag nu ook rechtstreeks), waardoor de kwaliteit van de bodem niet relevant is. Ter plaatse van de trekkershutjes/cabins wordt langer verbleven dan in de huidige situatie, hoewel de bestemming ‘Natuur’ blijft. Dat geldt ook voor de plek waar de outdooractiviteiten en teambuildingsessies plaatsvinden. Op die plekken wordt de verblijfsduur vergroot (> 2 uur), waardoor de bodemkwaliteit ter plaatse relevant is.

52

Ter plaatse van de eendenkooi is op 26 mei 2008 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Deze rapportage is als bijlage VI bij deze toelichting gevoegd. Uit de resultaten van dit onderzoek is gebleken dat ter plaatse van deze onderzoekslocatie geen verontreinigen zijn aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Op basis van het destijds uitgevoerde bodemonderzoek bestonden er geen milieuhygiënische bezwaren tegen de voorgenomen natuurontwikkeling en ontgronding. Aangezien de gronden sindsdien enkel zijn gebruikt ten behoeve van natuurdoeleinden en er geen bodemvervuilende activiteiten hebben plaatsgevonden, kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit ter plaatse geschikt is langdurig verblijf (> 2 uur). De conclusies blijven daardoor onveranderd. Gezien de ligging van de trekkershutjes/cabins ten aanzien van het onderzoeksgebied van de eendenkooi ligt het in de verwachting dat ter plaatse van de te realiseren trekkershutten/ cabines en het ‘Kooikershuisje’ de bodemkwaliteit niet noemenswaardig zal afwijken van de onderzochte locatie en net als daar geen tot maximaal lichte verontreinigingen voorkomen. Het aspect bodemkwaliteit zorgt niet voor een belemmering van deze ontwikkeling.

4.6

(Ondergrondse) infrastructuur Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid.

Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie slechts enkele bedrijven en recreatieve functies gelegen waardoor niet gesproken kan worden van een gemengd gebied. Gezien de voorgenomen wijziging naar de bestemming ‘Recreatie’, dient beoordeeld te worden of er kan worden voldaan aan de richtafstand tot omliggende 53

milieugevoelige objecten. Gezien de term ‘Recreatiebedrijf’ een breed begrip is en voorgenomen ontwikkeling bestaat uit verschillende recreatieve functies die op bepaalde delen binnen het plangebied gerealiseerd worden, is er middels functieaanduidingen binnen de bestemming ‘Recreatie’ een interne zonering toegepast. In onderstaande tabel is een onderverdeling van de verschillende recreatieve functies gemaakt en is per functie aangegeven wat de minimaal aan te houden richtafstand tot omliggende milieugevoelige objecten conform de VNG-publicatie is. Soort recreatieve functie

Milieu-categorie

Minimumafstand

Horeca1

1

10 meter

Verblijfsrecreatie2

3.1

50 meter

parkeerplekken

2

30 meter

Vergaderruimte3

1

10 meter

1. Conform VNG-publicatie categorie ‘Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.’ 2. Conform VNG-publicatie categorie ‘kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ 3. Hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra

In dit geval is de planlocatie gelegen in een omgeving waarin slechts enkele bedrijven en recreatieve functies zijn gelegen. Daardoor kan niet worden gesproken van een gemengd gebied. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom dus niet met 1 stap worden verkleind. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de functieaanduiding van de verschillende recreatieve functies tot de bestemmingsvlakken ‘Wonen’ van de locaties aan de Vlagheide 7 en 8. De overige milieugevoelige objecten zijn op geruime afstand van de planlocatie gelegen. Soort recreatieve functie

Minimum

Werkelijke afstand

Werkelijke afstand

binnen plangebied

- afstand

tot Vlagheide 7

tot Vlagheide 8

Voldaan?

Horeca

10 meter

10 meter

32 meter

Ja

Verblijfsrecreatie

30 meter

70 meter

20 meter

Nee

parkeerplekken

10 meter

12 meter

5 meter

Nee

Vergaderruimte

10 meter

125 meter

50 meter

Ja

Uit bovenstaande tabel blijkt dat er formeel niet aan de indicatieve richtafstand van de rand van het bestemmingsvlak voor verblijfsrecreatie tot de rand van de woonbestemming van de woning aan de Vlagheide 8 kan worden voldaan. Aan de richtafstanden van de overige recreatieve functies tot de omliggende milieugevoelige objecten kan wel worden voldaan. Ten aanzien van de beoogde verblijfsrecreatie is in bovenstaande toetsing gebruik gemaakt van de richtafstand behorende bij de categorie kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken). Gezien de kleinschaligheid (maximaal 9 objecten(cabins/trekkershutten)) van de verblijfsrecreatie is de milieubelasting op de omgeving lager dan de gesuggereerde milieucategorie. Doordat de beoogde slaapverblijven en bijbehorende faciliteiten in de gebouwen gerealiseerd worden, hebben de beoogde recreatiewoningen wat dat betreft meer raakvlakken met de categorie ‘Hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra’ welke tot milieucategorie 1 worden gerekend. Voorgenomen ontwikkeling bestaat niet uit een grootschalig kampeerterrein of vakantiecentra met outdoor slaapverblijven en/of 54

faciliteiten waardoor geconcludeerd wordt dat de milieubelasting van de trekkershutten/cabins op de omgeving lager is dan de gesuggereerde milieucategorie. Doordat de beoogde recreatiewoningen gezien de aard en schaal tot milieucategorie 1 gerekend kunnen worden, dient een afstand van 10 meter tot omliggende objecten aangehouden te worden. De beoogde recreatiewoningen zijn op basis van deze richtafstand op minimaal 20 meter van de woning aan de Vlagheide 8 gesitueerd. Aan de andere kant (de kant van Vlagheide 8a, ligt het hart van het concept, de horeca. De afstand tussen de horeca en de woonbestemming betreft 37 meter. De indicatief aan te houden afstand bedraagt 10 meter (bij een rustige woonwijk), waardoor geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan deze aan te houden afstanden. De outdoor-activiteiten/teambuilding etc. vinden plaats op een afstand van circa 80 meter afstand van de woonbestemming. In de VNG-lijst zijn hiervoor geen afstanden opgenomen. Voor veldsporten bijvoorbeeld wel en daarvoor geldt een afstand van 30 meter (in gemengde gebieden). Een veldsport (bijvoorbeeld een voetbalclub) heeft een vele malen grotere invloed dan in georganiseerd groepsverband teambuildingsessies uitvoeren. Een golfbaan heeft bijvoorbeeld een indicatief aan te houden afstand van 10 meter (op basis van akoestiek) in een rustige woonwijk.

De activiteiten zullen ongeveer in het midden hiervan liggen, waardoor een afstand van 15 meter verantwoord is. de afstand tussen gevoelige objecten of gebieden en de plek waar de activiteiten plaatsvinden is meer dan 15 meter, waardoor geconcludeerd wordt dat deze activiteiten geen negatieve effecten tot gevolg hebben./ Tot slot is sprake van parkeerplaatsen. conform de VNG-lijst is hiervoor een indicatief aan te houden afstand van 10 meter van toepassing. De afstand tussen de parkeerplaatsen en de woonbestemming is ongeveer 5 meter en voldoet daarom niet aan de indicatief aan te houden afstand. Tussen de parkeerplaats en de woonbestemming kan een voorziening worden gerealiseerd die negatieve effecten kunnen voorkomen ten aanzien van het aspect akoestiek. Het aspect akoestiek is daardoor geen belemmering voor het planvoornemen. Daarnaast dient er ook een omgekeerde toetsing plaats te vinden waarin wordt bepaald of voldaan kan worden aan de minimumafstand van de beoogde horecavoorziening en de recreatiewoningen tot omliggende bedrijven. Ten aanzien van deze beoogde functies is getoetst of er kan worden voldaan aan de aan te houden afstanden tot omliggende functies. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de functieaanduiding van de verschillende recreatieve functies tot het bouwvlak van de omliggende bedrijven.

In onderstaande tabel zijn de meest nabijgelegen functies opgenomen. Adres Functie Werkelijke Minimum Voldaan? afstand afstand Vlagheide ong. Opslag metaal 14 meter 30 meter Nee Vlagheide 8b Camping 66 meter 50 meter Ja Vlagheide 6c Composteerbedrijf belucht 220 meter 200 meter Ja v.c. > 20.000 ton/jaar Uit bovenstaande tabel blijkt dat formeel niet aan de minimumafstand tot de metaalopslag op de locatie Vlagheide ong. aan de overzijde van de weg voldaan kan worden. In de huidige situatie is echter binnen het plangebied sprake van een bestaande burgerwoning waardoor dit de maatgevende situatie (was en) is. In de

55

huidige situatie dient het bedrijf al rekening te houden met het milieugevoelige object aan de Vlagheide 8a waardoor op basis hiervan geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de nieuw te projecteren horecavoorziening en recreatiewoningen (die zelfs verder van de bedrijfslocatie zijn gelegen dan de bestaande woning) sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast zal de realisatie van de nieuwe horecavoorziening en recreatiewoningen niet leiden tot een belemmering van uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de bedrijfslocatie aan de Vlagheide ong. aangezien de woning aan de Vlagheide 8a reeds de maatgevende woning is. Gezien het bovenstaande vormt de geprojecteerde recreatieve functie dan ook geen belemmering voor de omliggende milieugevoelige functies in het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering.

4.8

Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Vaste afstand In dit geval worden er geurgevoelige objecten in de vorm van recreatiewoningen toegevoegd en dient er een vaste afstand van 50 meter tot omliggende veehouderijen aangehouden te worden om te waarborgen dat de belangen van omliggende veehouderijen niet onevenredig worden geschaad. De meest nabijgelegen veehouderij is gelegen aan de Eerdsebaan 58.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=91767c22-718d-4aa7-b4b6-f1c0344b8985