2021.1226 Toelichting Vlagheide 8a Schijndel
Tekst van het document
De afstand tussen de recreatiewoningen en de meest nabijgelegen stal betreft 770 meter, waardoor kan worden voldaan aan de minimale vaste afstandseis van 50 meter. Achtergrondbelasting De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de beoogde recreatiewoningen geurgevoelig zijn.
56
Om te kunnen beoordelen of ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de geurkaart achtergrondbelasting van de Omgevingsdienst
Figuur 20. Uitsnede geurkaart achtergrondbelasting ODZOB. Planlocatie rood omcirkeld.
Zuidoost-Brabant. In figuur 20 is een uitsnede van deze geurkaart weergegeven. Uit de geurkaart blijkt dat de geurbelasting ter plaatse van de planlocatie tussen de 0 en 3 ou/m3 bedraagt en het woon- en leefklimaat op het gebied van de achtergrondbelasting als ‘zeer goed’ beoordeeld wordt. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van de Vlagheide 8a te Eerde niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt.
4.9
Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −
Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
In dit geval is ter plaatse reeds sprake van een bestaande burgerwoning, waarvoor reeds is bepaald dat de situatie acceptabel is om voor langere tijd te verblijven. De Wet geluidhinder is niet van toepassing omdat het omzetten van de burgerwoning naar een 57
bedrijfswoning via het bestemmingsplan wordt gerealiseerd. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een burgerwoning naar een bedrijfswoning. De beoogde recreatiewoningen worden in het kader van de Wet geluidhinder niet als geluidgevoelige objecten beschouwd waardoor een onderzoek wegverkeerslawaai voor deze functies niet noodzakelijk is. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat, is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 1: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.
2019 2025 Norm
Totale concentratie (µg/m³) NO2 11.76 11.59 40
Totale concentratie (µg/m³) PM10 16.14 16.06 40
Totale concentratie (µg/m³) PM2,5 9,13 9,44 25
Uit tabel 1 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied nu en in de nabije toekomst aanvaardbaar is. Daarnaast kan een ontwikkeling invloed hebben op de luchtkwaliteit. Bij het wijzigen of toevoegen van functies kan sprake zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit door de toename van het aantal verkeersbewegingen. Uit paragraaf 4.15.1 blijkt dat er ten opzichte van de huidige situatie sprake is van een toename van 62,1 verkeersbewegingen per dag. Middels de NIBM-tool van het RIVM is berekend of deze toename aanleiding geeft voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de
58
luchtkwaliteit. In figuur 21 is te zien dat de toename ‘niet in betekenende mate’ is. Dat wil zeggen dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
Figuur 21 NIBM tool.
Conclusie De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. Daarnaast blijkt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen ‘niet in betekenende mate is’ waardoor een nader onderzoek niet noodzakelijk is. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.
4.11
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het 59
gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes.
Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen2. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 2
60
Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort.
Figuur 22. Uitsnede risicokaart. Plangebied blauw omcirkeld.
Toetsing Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart (zie figuur 22) blijkt dat het plangebied in geen enkele plaatsgebonden risicocontour is gelegen. Daarnaast is het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze inrichtingen gelegen waardoor de nabijgelegen risicovolle inrichtingen geen belemmering vormen voor onderhavig planvoornemen. Buisleidingen Op 170 meter ten noordoosten van het plangebied is een buisleiding gelegen. In deze buisleiding wordt aardgas vervoerd. Voor deze buisleiding is geen plaatsgebonden risicocontour opgenomen. Ten aanzien van deze buisleiding is in het bestemmingsplan aan weerszijden van de leiding wel een beschermings-/onderhoudszone van 4 meter aangehouden. op 28 oktober jl. heeft de gemeente Meierijstad de Veiligheidsregio Brabant Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op het concept bestemmingplan Village Départ aan de Vlagheide 8 in Schijndel. Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de HD aardgasleiding A521 dient conform artikel 12 BEVB het groepsrisico te worden beantwoord. Ten aanzien van deze aardgasleiding kan een
61
fakkelbrand ontstaan. Hieronder is aangegeven wat voor scenario dat kan opleveren en wat dit berekent voor het plan. Scenario Relevante scenario i.r.t het plangebied is een fakkelbrand. Fakkelbrand Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. De kans op dit type incident is als gevolg van veiligheidsmaatregelen rondom het werken in de directe omgeving van een hogedruk aardgasleiding bijzonder klein Uit de tabel (zie figuur 23) waarin de gevolgen in het plangebied worden zichtbaar gemaakt blijkt dat een significant aantal mensen aanwezig op het moment een fakkelbrand ontstaat met letaal of ernstig letsel worden geconfronteerd.
Figuur 23 Tabel afstanden ten aanzien van aardgasleidingen t.a.v. fakkelbrand
Beoordeling zelfredzaamheid Voor het scenario fakkelbrand is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Via de Vlagheide kan men afstand van de gasleiding nemen. Gezien de aard en de activiteiten van de bestemming mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied goed is. Beoordeling bestrijdbaarheid Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht. Bij een incident met een buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd. De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden. Na het doven van de fakkel kan de hulpverlening binnen het invloedsgebied beginnen. Tot dan zijn personen aanwezig binnen het invloedsgebied op zichzelf aangewezen. Advies Uit de beoordeling blijkt dat het beste ingezet kan worden op het optimaliseren van de zelfredzaamheid. De initiatiefnemers zijn actief geïnformeerd over het aanwezige risico
62
en handelingsperspectief Hierdoor zijn zij zich beter bewust van het risico en kunnen zij hun gasten indien een fakkelbrand plaats vindt op de juiste manier in veiligheid brengen. Risicovol transport In de nabije omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats, waardoor dit aspect geen invloed heeft op voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen in risicocontouren (PR 10-6 contour) van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. Vanwege de ligging ten opzichte van de aardgasleiding zijn de initiatiefnemers actief geïnformeerd zodat zij, bij calamiteiten, hun gasten op de juiste manier in veiligheid brengen. In het kader van de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.
4.12
Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Uit toetsing van het stappenplan kan geconcludeerd worden dat er geen advies opgevraagd dient te worden bij de GGD. Voor het doorlopen stappenplan wordt verwezen naar bijlage VII. Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Allereerst is geconstateerd dat er binnen een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen zich, vooralsnog, een extra risico voordoet. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk.
Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. Ook is vastgesteld dat aanvragers van plannen en nieuwe potentiële bewoners in het gebied geïnformeerd worden over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Dat betekent dus dat het college op grond van een zorgvuldige afweging en eventueel maatwerk ruimte biedt om ruimtelijke ontwikkelingen toe te staan binnen een straal van twee kilometer rondom een geitenhouderij. Binnen een straal van 2,0 kilometer van het plangebied bevinden zich geen geitenhouderijen waardoor dit geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.13
Hoogspanningslijnen Conform de netkaart hoogspanningslijnen van het RIVM is de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn op een afstand van circa 375 meter ten noordoosten van het
63
plangebied gelegen. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
4.14
Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren et cetera) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van boomteelt en. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen).
De aangrenzende gronden ten noorden en westen van het plangebied (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland en akkerbouw. Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast is tussen het agrarisch perceel aan de noordzijde en de beoogde locatie voor de recreatiewoningen een (openbare) weg gelegen, waardoor de gebruiker van de gronden reeds rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Tot slot zijn er in de omgeving reeds bestaande woningen gelegen (Vlagheide 7 en 8), waardoor de gebruiker van de omliggende gronden rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en aan de andere kant zorgen de beoogde recreatiewoningen niet voor een nieuwe belemmering ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de gronden in relatie tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden wordt de kans zeer klein geacht dat er drift bij de recreatiewoningen terecht komt. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming.
Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan.
4.15
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke 64
veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
4.15.1
Mobiliteit Ter plaatse van de Vlagheide 8a worden maximaal 9 recreatiewoningen (waarvan 6 rechtstreeks mogelijk worden gemaakt), een kleinschalige horecafunctie en een vergaderruimte gerealiseerd en wordt de bestaande burgerwoning omgezet naar een bedrijfswoning en mantelzorgwoning. Voor wat betreft de huidige woning blijft het aantal verkeersbewegingen in stand. Als gevolg van de realisatie van de nieuwe functies zal het aantal verkeersbewegingen toenemen. In onderstaande tabel is inzichtelijk gemaakt wat de toename van de verkeersgeneratie is in de beoogde situatie. Hierbij is gebruik gemaakt van de verkeersgeneratiecijfers uit de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (nummer 381). Functie Recreatiewoning Horeca Vergaderruimte (Kooikershuisje) Totaal
Oppervlakte/eenheden 9 eenheden (waarvan 6 rechtstreeks) ca. 390 m2 ca. 80 m2
Norm 2,7/ eenheid
Verkeersgeneratie 24,3
6,0/ 100 m2 6,0/ 100 m2
23.4 4,8 52,5
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de verkeersgeneratie in de beoogde situatie met 52,6 verkeersbewegingen per etmaal toeneemt. Gezien de bestaande infrastructurele situatie en het gegeven dat de weg Vlagheide een directe ontsluiting heeft op de provinciale weg N622, kunnen de bestaande wegen deze stijging van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied verwerken. Het aspect mobiliteit levert geen belemmering op voor het planvoornemen.
4.15.2
Parkeren Conform de ‘Nota parkeernormen Meierijstad 2018’ dient parkeren te geschieden op eigen terrein. In dit geval zijn er voor de verschillende functies meer parkeerplaatsen benodigd dan er momenteel aanwezig zijn. In onderstaande tabel is de parkeerbehoefte weergegeven. Functie Recreatiewoning Horeca Vergaderruimte (Kooikershuisje) Totaal
Oppervlakte/eenheden 9 eenheden (waarvan 6 rechtstreeks) ca. 390 m2 ca. 80 m2
Norm 1,3 per eenheid 6,5/ 100 m2 8,5/ 100 m2
Parkeerbehoefte 11,7 25,35 6,8 43,85
De bedrijfswoning en de mantelzorgwoning maken gebruik van hun bestaande inritten, waardoor deze gescheiden zijn van de bezoekers. In de huidige situatie wordt daardoor al voorzien in de parkeerbehoefte en zijn geen aanvullende maatregelen of ingrepen noodzakelijk. De kavel behorende bij de ontwikkeling is voldoende groot om te voorzien in de parkeerbehoefte van 55 parkeerplaatsen. In de landschappelijke inpassing is dan ook 65
rekening gehouden met voldoende parkeergelegenheid. De benodigde parkeerplaatsen zijn ingetekend in figuur 7 en bijlage I. Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.
66
HOOFDSTUK
5 Juridische planopzet
De gewenste ontwikkeling van de realisatie van de recreatieve functie ter plaatse van de Vlagheide 8a te Eerde is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ (vastgesteld 27-06-2013) en ‘Landelijk gebied, Herijking’ (vastgesteld 24-092015). Binnen de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Agrarisch met waarden – Open landschap’ en ‘Natuur’, is de realisatie van 9 recreatiewoningen (waarvan er 6 rechtstreeks mogelijk zijn en 3 via een afwijkingsprocedure), een horecafunctie, een vergaderaccommodatie en het in gebruik nemen van een burgerwoning als bedrijfswoning niet direct toegestaan. Middels een herziening van het bestemmingsplan kan het initiatief worden toegestaan. Door deze bestemmingsplanherziening zal een gedeelte van de gronden wijzigen naar de bestemmingen ‘Natuur’, ‘Recreatie’ en ‘Water’. De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waarde – Archeologie 6’, ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebieden’ worden overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Tot slot zullen de volgende gebieds- en functieaanduidingen op verschillende delen van het plangebied opgenomen worden: -
Gebiedsaanduiding ‘overige zone – Village Départ’ Functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ Functieaanduiding ‘horeca’ Functieaanduiding ‘verblijfsrecreatie’ Functieaanduiding ‘vergaderaccommodatie’ aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – outdoor activiteiten’
67
HOOFDSTUK
6 Economische uitvoerbaarheid
De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
68
HOOFDSTUK
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan ‘Vlagheide 8a Eerde’ zal ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie wordt gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Ook heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. De initiatiefnemer heeft de Vereniging Vlagheide en de omwonenden aan de Vlagheide 7 en 8 en De Kuilen 19 op de hoogte gebracht van de gewenste ontwikkelingen op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als Bijlage II.
69
70