CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Toelichting BP Eerschotsestraat Zuid

Raadsvergadering 16 december 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Eerschotsestraat-Zuid en vaststelling beeldkwaliteitsplan Eerschotsestraat-Zuid32.018 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hoofdstuk 4

52

kant en greppel aan de noordkant van het plangebied hiervoor benut (berging afhankelijk van te realiseren talud maaiveld). Mocht dit niet voldoende zijn, dan is er de mogelijk om oostelijk van het fietspad en westelijk van de Oostelijke Randweg een additionele wadi te realiseren. Deze valt buiten de contouren van de regionale waterberging in een zone die sowieso nog nader landschappelijk ingericht zal worden. Vervolgens zal de B-watergang met een stuw (vertraagde leegloop) worden verbonden met de dode Dommelarm. De waterbergingsopgave wordt in overleg met het waterschap nader uitgewerkt in de vergunningenfase. Omdat de infiltratiesnelheid slechts matig is, kan op het aan te leggen hemelwaterstelsel dan ook eenvoudig een gedoseerde leegloop op het oppervlaktewater (dode Dommelarm) aangelegd worden. Gezien de berging in het stelsel, is hiervoor dan geen watervergunning benodigd (wel meldingsplichtig als voldaan worden aan de randvoorwaarden). Aandachtspunten voor beheer en inrichting en kansen beheersbaarheid hittestress/verdroging Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende (bouw)materialen (bouwen conform het Bouwstoffenbesluit) en dient voldaan te worden aan de in de waterparagraaf opgenomen milieuhygiënische randvoorwaarden.

Aandachtspunt voor de verdere inrichting is ook het onderhoud van de oever. In het overleg is tot navolgende oplossing gekomen. In beginsel blijft het huidige onderhoudsniveau gehandhaafd. Dit betekent extensief onderhoud dat het waterschap vanuit het water uitvoert. Om intensiever onderhoud naar de toekomst mogelijk te maken, is overeengekomen een vlakke en obstakelvrije strook van tenminste 4 meter op te nemen vanaf de insteek van de oever van de dommelarm. In het huidige plan varieert de strook tussen 3,5-4,5 meter. Op het smalste punt zal naar 4 meter toegewerkt worden (verplaatsen beoogde trap), waardoor geheel voldaan kan worden aan een strook van 4 meter. Hittestress en verdroging zijn naast wateroverlast en waterveiligheid nieuwe fenomenen als gevolg van klimaatverandering, waarbij gedurende onze steeds warmere zomers op bepaalde plekken in versteend bebouwd gebied zodanig ‘verhitte’ situaties ontstaan dat dit nadelig is voor de gezondheid van de (oudere) mens. Door het nemen van maatregelen in het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. Dit omvat het beperken van het nieuw verhard oppervlak, lokaal verwerken van het hemelwater, waar mogelijk lokaal infiltreren (waterpasserende bestrating) en de inplanting van groen.

Door de aanleg van een hemelwatervoorziening op eigen terrein conform het gemeentelijk beleid en rekening te houden met het verwachte hoogwater vanuit de Dommel wordt de locatie hydrologisch positief ontwikkeld en wordt geen toekomstige wateroverlast verwacht. De belangen en beperkingen zijn in deze rapportage weergegeven. Een definitieve oplossing dient bij de nadere planuitwerking toegelicht te worden voorafgaand aan de aanleg van verhardingen. Het daadwerkelijke ruimtebeslag van de voorziening is afhankelijk van de planinvulling, de leverancier van de voorziening. Andere bergings- en infiltratiesystemen zijn ook mogelijk. Dit toekomstig bergingssysteem dient met succes binnen de gemeente Meierijstad te zijn toegepast. In een nadere fase zal een gedetailleerde invulling plaatsvinden met exacte maatvoering van het HWA- en DWA-stelsel (diepte, afstroming en invulling) in overleg met het bevoegd gezag. Afhankelijk van de toekomstige werkzaamheden in het oppervlaktewater dient mogelijk een watervergunning aangevraagd te worden waarvoor tevens een vooroverleg met waterschap De Dommel geadviseerd wordt.

Hoofdstuk 4

53

Afvalwater Bij de herontwikkeling (sloop en nieuwbouw) zal binnen het plangebied een nieuw gescheiden stelsel aangelegd worden. Het toekomstige afvalwater van de woningen kan zonder problemen door het bestaande rioolstelsel worden verwerkt gezien het huidige aangesloten oppervlak en de toekomstige rioolvernieuwing. Door de afkoppeling van het hemelwater neemt de totale afvoer uit het gebied tevens af. Voor de aansluiting van de woningen wordt binnen het plangebied een DWA-rioolleiding aangelegd waarin aanvullende bergingscapaciteit aanwezig is. Voor de aansluitingen of wijzigingen is ten tijde een vooroverleg met de gemeente Meierijstad geadviseerd voorafgaand aan de vergunningsaanvraag. 4.8.3 Conclusie Het aspect waterhuishouding is uitvoerig betrokken bij de planvorming. In de bestemmingsplanregels is de borging van het hydrologisch neutraal ontwikkelen van het terrein voorwaardelijk verplichtend geregeld. Er gelden enkele aandachtspunten voor verdere planuitwerking, welke in het kader van de vergunningsaanvragen en bij de realisatie van het plan moeten worden betrokken. Er kan worden voorzien in voldoende waterberging in en nabij het plangebied, waarbij hemelwater en afvalwater gescheiden worden afgevoerd. Daarnaast heeft veelvuldig overleg plaatsgevonden met het waterschap over de oplossingsrichtingen.

4.9 Archeologie 4.9.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2022 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.9.2 Onderzoek De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit (verkennend) archeologisch onderzoek is de voorgenomen herinrichting van het gebied tussen de Eerschotsestraat en de Oostelijke Randweg met diverse typen woningen, parkeergelegenheid en groenvoorzieningen.

De diepte van de toekomstige verstoring is niet bekend, maar zal naar verwachting tot tenminste 1,0 meter beneden maaiveld reiken. Wegens de ligging op de archeologische waardenkaart in een gebied met categorie 3: oude kern en categorie 5: hoge archeologische verwachting, dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 4

54

Het onderzoek is gedaan door Aeres Milieu9. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. 4.9.3 Conclusie Op basis van het uitgevoerd booronderzoek kan worden gesteld dat in alle boringen (op boring 3 na) een AC-profiel aanwezig is. Deze ligt op enkele plekken onder een recente ophogingslaag van straatzand. Brokken zand in de top van de ondergrond duiden erop dat ook hier ten minste de bovenste 15 centimeter van de C-Horizont is verstoord. Met deze reden kan de archeologische verwachting voor het plangebied worden bijgesteld naar laag. Er is daarom geen archeologische dubbelbestemming meer opgenomen in het plangebied.

4.10 Cultuurhistorie 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.10.2 Cultuurhistorische analyse Geschiedenis van het gebied De omgeving van de Knoptoren is het hart van het buurtschap Eerschot. Eerschot en Sint-Oedenrode vormden samen de historische plaats Sint-Oedenrode. Landschappelijk is het buurtschap gelegen in het dal van de Dommel.

De kern Eerschot is ontstaan als straatnederzetting langs een oude verbindingsweg van Best via Sint-Oedenrode naar Veghel, de tegenwoordige Eerschotsestraat. Deze weg heeft een vroegmiddeleeuwse oorsprong. Beschermd dorpsgezicht (gemeentelijk) Ten westen van het plangebied ligt een gebied dat de gemeente kenmerkt als een beschermd dorpsgezicht. Alle ruimtelijke ontwikkelingen die binnen dit gebied plaatsvinden mogen geen belemmering hebben op de cultuurhistorische waarde van dit deel van het dorp.

9

Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, doormiddel van boringen Eerschotsestraat te Sint-Oedenrode (Aeres Milieu, 3 juli 2018)

Hoofdstuk 4

55

Knoptoren Meer nog dan de Markt is de Knoptoren een icoon voor Sint-Oedenrode. Duizenden zien elke dag dit icoon als ze Sint-Oedenrode per auto over de A50 passeren. Daardoor is het van belang dat niet alleen de toren zelf en zijn directe omgeving bescherming behoeven, maar ook de wijdere omgeving, zodat het zicht op de toren behouden blijft. Historische rooilijnen De doorgaande Eerschotsestraat heeft duidelijk gediend als oorspronkelijke ontginningsas van de kern Eerschot. Dwars op deze as werden strookvormige (aan de noordkant) woonpercelen uitgezet. Deze nederzettingsvorm lijkt op een zogenaamde boshoevenederzetting. Aan de zuidzijde was door de nabijheid van het beekdal van de Dommel te weinig ruimte voor strookvormige percelen en daar kregen de woonpercelen een rechthoekige vorm. Bouwmassa’s In het gebied komen drie monumenten voor die als rijksmonument beschermd zijn krachtens Erfgoedwet 2016 (Kerkdijk 5, Kerkdijk 8 en Kerkdijk ong.). De Knoptoren, op het adres Kerkdijk 8 te SintOedenrode, is tevens aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Binnen het gebied zijn twee gebouwde gemeentelijke monumenten aanwezig (Kerkdijk 2, Kerkdijk 4).

Overige karakteristieke bebouwing: Behalve de beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten, zijn er panden die vanwege hun aard, uitstraling, historische betekenis, ligging in het landschap of anderszins karakteristiek genoemd kunnen worden (Eerschotsestraat 46, 52) Historische stoepen, straatprofielen De wegenstructuur in het plangebied moet al erg oud zijn. De Eerschotsestraat zal al sinds de vroege middeleeuwen (en wellicht nog eerder) in gebruik geweest zijn. In ieder geval is deze weg op oude kaarten herkenbaar. Daarbij zijn ook de insteken vanaf de Eerschotsestraat naar de Knoptoren en kerk belangrijk. Daarnaast lijkt het voetpad vanaf de Knoptoren over de voetgangersbrug een respectabele ouderdom te bezitten. De huidige voetgangersbrug over de Dommel is niet zo oud en heeft zelf geen historische waarde. De plaats waar deze brug ligt echter wel. Ensemblewaarden De omgeving van de Knoptoren is een historische open plek, er staan historische gebouwen, er staat oude boombeplanting, er zijn oude muren etc. Het totaal, het ensemble, is meer dan de som der delen. Elk van de afzonderlijke delen is misschien waardevol, maar juist de combinatie, het totaal, is extra waardevol. Dit noemen we ensemblewaarden.

Het studiegebied met name de Knoptoren en omringende bebouwing, is aan te merken als een waardevol ensemble, waarbij het niet alleen gaat om de afzonderlijke samenstellende delen, maar vooral ook om het totaal, de delen in relatie tot elkaar. 4.10.3 Landschappelijke analyse De rivier De Dommel vormt een belangrijk onderdeel van het plangebied. De Dommel heeft een lengte van circa 120 kilometer en behoort tot het type laaglandbeek, een beek met een onregelmatige stroomsnelheid, gevoed via een stelsel van sloten en greppels. Het deel van de Dommel tussen Eindhoven en Boxtel heeft nog zijn oorspronkelijke bochtige karakter. Het deel van De Dommel, dat door Sint-Oedenrode loopt valt hier ook onder. Sint-Oedenrode is ontstaan langs een grote lus van de benedenloop van de Dommel. De inwoners van Sint-Oedenrode leven al eeuwenlang met De Dommel in

Hoofdstuk 4

56

hun achtertuin. Sint-Oedenrode vormt het “groene hart” van de Meijerij, met de Dommel en diens oevers als belangrijkste onderdelen. De gebruikswaarde van de Dommel is beperkt, maar leent zich perfect voor wandelaars, vissers en fietsers. Fietsers en wandelaars zijn daarom gebaat bij een goede padenstructuur. Daarnaast is de Dommel een populaire plek voor kanoërs. Sint-Oedenrode vormt een schakel in de regionale kanoroute over de Dommel. Langs het plangebied ligt een arm van de Dommel. De Dommelarm heeft met name een belevingswaarde en een beperkte natuurwaarde. Omwonenden zijn gebaat bij een aantrekkelijk landschap. Uitzicht op de Dommel, een gevarieerde vegetatie en de aanwezigheid van lange zichtlijnen en doorkijkjes worden gewaardeerd. 4.10.4 Integratie cultuurhistorische en landschappelijke elementen in plangebied Het ensemble rondom de Knoptoren, dat als karakteristiek openbaar groengebied geldt, blijft onaangetast. Mede als de ruimtelijke koppeling met de Dommel. De nieuwe woningen nabij de Knoptoren zijn sober en ingetogen. De Eerschotsestraat wordt een gesloten straatwand met doorzichten richting de Dommel. De lintstructuur van de Eerschotsestraat wordt versterkt en afgerond door de toevoeging van de woningen. In het algemeen krijgt de locatie een natuurlijke en parkachtige uitstraling. Dit past bij een groen dorp als Sint-Oedenrode.

Het gebied langs de Dommelarm wordt een groene rand, waarlangs een wandelpad komt te liggen. Hierdoor kan een verbinding worden gemaakt met het wandelpad nabij tussen de Knoptoren en Oostelijke Randweg. Langs de Dommelarm vinden enkel extensieve vormen plaats van recreatie, er zal met name worden gewandeld. De aanwezige natuurwaarden worden gerespecteerd. Ten aanzien van een eerder stedenbouwkundig plan is het definitieve stedenbouwkundig plan aangepast. Op de beoogde plek van het appartementengebouw (met een hoogte van 16 meter) in het eerste stedenbouwkundig plan is in het definitieve stedenbouwkundig plan alleen bebouwing in twee lagen (zonder kap) mogelijk. Er komt ter plaatse van het plangebied lage bebouwing en de talud krijgt een groene uitstraling. Hiermee wordt het beschermd zicht richting de Knoptoren zo veel mogelijk intact gehouden. De natuurzone aan de zuidzijde krijgt een natuurlijk karakter. De parkeerplaatsen bestaan uit halfverharding en de inrichtingselementen zijn minimaal. De enige inrichtingselementen ter plaatse zijn de lantaarnpalen. De oevers krijgen een natuurvriendelijke inrichting met taluds en zones die bij waterpieken onderlopen. De vegetatie wordt afgestemd op de voorkomende landschapstypen. Het plangebied krijgt een groen plein met een parkachtige uitstraling. Het plein wordt ingericht als een wadi en tevens ruimte biedt voor speelgelegenheid.

4.10.5 Conclusie De cultuurhistorische waarden rondom het lint van de Eerschotsestraat zijn opgenomen in het plan. De aspecten ”cultuurhistorie en landschap” worden aangegrepen om tot versterking te komen van deze waarden en het plan vormt daarmee geen belemmering voor deze waarden. Het behoud van beeldbepalende objecten, historische zichtrelaties en de Dommel vormen een belangrijk uitgangspunt

Hoofdstuk 4

57

van het ontwerp. De lintbebouwing lang de Eerschotsestraat wordt afgemaakt en beeldbepalende objecten, zoals de Knoptoren blijven zichtbaar vanaf het plangebied en de A50. De ruimte langs de Dommel wordt ingericht als groene zone. Bij het inrichtingsplan is rekening gehouden met een combinatie van belangen: het zicht op de Knoptoren, de zichtlijnen vanuit het plangebied en het beeld vanaf de Oostelijke randweg. Het streven is om te komen tot een kwalitatief goed eindbeeld. Derhalve is een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor zowel de bebouwing als het openbaar gebied. Dit beeldkwaliteitsplan, zal na vaststelling door de gemeenteraad, dienen als formeel toetsingskader voor bouwaanvragen en is opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting.

4.11 Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Of daadwerkelijk advies wordt ingewonnen bij de GGD is een afweging van het bevoegd gezag. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de individuele richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkenshouderijen in de omgeving. Aangezien er twee bedrijven in de directe omgeving zijn gelegen moet een afweging plaatsvinden met betrekking tot de cumulatie van endotoxine in relatie tot gezondheidsaspecten (stap 1). Cumulatieve effecten zijn echter nog niet te berekenen. In het algemeen adviseert de GGD een afstand aan te houden van minimaal 250 meter rond veehouderijen, hieraan wordt voldaan. Uit de beperkte toetsing op afstanden van de ODBN blijkt dat stap 1 leidt tot de conclusie dat advies dient te worden opgevraagd bij de GGD. Voor de volledigheid is het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 nog geheel doorlopen.

De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak (stap 2). De voorgrondbelasting bedraagt op zijn hoogst 3,6 ouE/m³. De achtergrondbelasting bedraagt op zijn hoogst 6,1 ouE/m³. Er wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan (stap 3a). De voorgrondgeurbelasting is hoger dan de odour-unit waarden uit het onderzoek van Geelen et al. (2015) (stap 3b). Hierover wordt opgemerkt dat de meest geurbelaste woningen zich bevinden aan de zuidelijke rand van de te realiseren bebouwde kom, direct grenzend aan het agrarische gebied. Dit gebied kan worden gezien als een overgangsgebied tussen de kern van Sint-Oedenrode en het agrarische gebied daaromheen. Gezien de ligging direct aan het agrarische gebied wordt een (enigszins) hogere geurbelasting en daarmee een (enigszins) lager niveau van bescherming voor de te realiseren woningen aanvaardbaar geacht. Er worden niet meerdere diersoorten gehouden binnen één veehouderij in de omgeving (stap 4a). De afstand tussen de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie niet minder dan 100 meter (stap 4b).

Hoofdstuk 4

58

De planlocatie is niet gelegen binnen de straal van 2 km van een geitenhouderij (stap 5a). Het plangebied is wel gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf, namelijk Corridor 3 te SintOedenrode (stap 5b). Met betrekking tot stap 5b wordt opgemerkt dat enkel deze stap niet meer leidt tot de conclusie dat GGD-advies moet worden ingewonnen. De GGD zelf merkt daarover op: Uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) bleek dat in de jaren 2009-2013 er sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (2km). In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid, opgesteld door het Ondersteuningsteam, wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluimveehouderij (binnen een straal van 1km) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen.

In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”. Het plangebied is verder niet gelegen binnen 250 meter van overige veehouderijen (stap 5c). Er is geen sprake van een mestbewerkings- of verwerkingsbedrijf (al dan niet als nevenactiviteit) (stap 6). Vanuit de omgevingsdialoog is niet naar voren gekomen dat er sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid (stap 7). Het stappenplan is hiermee volledig doorlopen. Er is onderbouwd aangegeven dat de stappen 1 en 3b voor de gemeente geen aanleiding vormen voor een GGD-advies. Aangezien de woningbouwontwikkelingslocatie een inbreidingslocatie betreft waarbij in de directe omgeving op een vergelijkbare afstand woningen en andere gevoelige bestemmingen aanwezig zijn en de betreffende agrarische bedrijven reeds ‘op slot’ zitten, is er geen onevenredige verandering in het risico voor de volksgezondheid te verwachten. De gemeente heeft hiermee een afweging gemaakt dat er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico.

4.12 Geur agrarisch 4.12.1 Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.

Hoofdstuk 4

59

4.12.2 Beschouwing In de omgeving van het plangebied liggen enkele veehouderijen. Derhalve is door De Roever Omgevingsadvies een onderzoek gedaan naar de ligging van de geur- en afstandscontouren en naar de overige geuraspecten voor de ruimtelijke ontwikkeling. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek beschreven, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het hoogst belaste punt op de rand van een bouwvlak binnen het plangebied:  ruimschoots wordt voldaan aan de afstandseis van 100 meter;  de voorgrondbelasting op zijn 3,6 ouE/m³ bedraagt;  de achtergrondbelasting op zijn hoogst op zijn hoogst 6,1 ouE/m³ bedraagt. Op de drie componenten wordt nader ingegaan.

Afstand Omdat veehouderijen op grote afstand van het plangebied zijn gelegen (ca. 300 meter) en ruimschoots aan de afstandseis van 100 meter wordt voldaan, kan worden gesteld dat ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voorgrondbelasting De hoogst berekende voorgrondbelasting op een bouwvlak binnen het plangebied bedraagt 3,6 ouE/m3. Deze waarde voor de voorgrondbelasting komt overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. De geurnorm voor geurgevoelige objecten binnen het plangebied bedraagt, conform de standaardnormen uit de Wgv 3,0 ouE/m3. Een gedeelte van het plangebied ligt binnen de geurcontour van 3,0 ouE/m3. Daarnaast is gemeentelijk beleid in voorbereiding, waarin mogelijk een norm van 2,0 ouE/m3 wordt gehanteerd. Uit de jurisprudentie (o.a. ABRvS 200900801/1/R3 van 7 oktober 2009) blijkt dat als de (op basis van de Wgv of een geurverordening) geldende geurnorm of afstand ten aanzien van de voorgrondbelasting wordt overschreden hieruit niet per definitie volgt dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Uit deze en latere jurisprudentie blijkt dat het bevoegd gezag kan afwegen of een bepaald woon- en leefklimaat acceptabel is voor de beoogde ontwikkeling. In alle jurisprudentie komt duidelijk naar voren dat bij de afweging ook de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) moet worden betrokken.

Achtergrondbelasting De hoogst berekende waarde voor de achtergrondbelasting van 6,1 ouE/m3 komt eveneens overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Bij een individuele geurbelasting (voorgrondbelasting) van 3,0 ouE/m3 (de geurnorm) hoort ook een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Dit woon- en leefklimaat wordt op grond van de Wgv aanvaardbaar geacht voor geurgevoelige objecten binnen een bebouwde kom. Het woon- en leefklimaat ten aanzien van de achtergrondbelasting is daarom gelijk aan het woon- en leefklimaat dat op grond van de Wgv aanvaardbaar wordt geacht. Op grond van de Verordening ruimte Noord-Brabant wordt voor de achtergrondbelasting een waarde van 10 ou E/m3 (12% geurgehinderden) nog aanvaardbaar geacht. Ook aan deze waarde wordt voldaan. Daarom kan worden gesteld dat ten aanzien van achtergrondbelasting sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Hoofdstuk 4

60

4.12.3 Afweging goed woon- en leefklimaat en belangen veehouderij Uit de analyse blijkt dat ten aanzien van de afstanden en de achtergrondbelasting ruimschoots wordt voldaan aan de normen. De voorgrondbelasting overschrijdt in een deel van het plangebied echter de huidige en de toekomstig beoogde normen. Ondanks deze overschrijding, kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied en dat deze overschrijding acceptabel wordt geacht. Aan deze conclusie liggen de volgende afwegingen en omstandigheden ten grondslag:  Er is zoals reeds aangegeven sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van de afstanden. De minimale vaste afstanden worden ruimschoots gerespecteerd.  Er is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat ten aanzien van de voorgrondbelasting. De berekende achtergrondbelasting kan in zijn algemeenheid als aanvaardbaar vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening worden geacht.  De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om voor (delen van) haar grondgebied aangepaste geurnormen vast te stellen in een gemeentelijke verordening. Voor geurgevoelige objecten binnen een bebouwde kom (in een concentratiegebied) kan een geurnorm worden vastgesteld binnen de bandbreedte van 0,1 ouE/m3 tot 14,0 ouE/m3.

Kennelijk kan in sommige situaties een voorgrondbelasting van 14,0 ouE/m3 nog aanvaardbaar worden geacht. De hoogst berekende voorgrondbelasting 3,6 ouE/m3 past ruim binnen de bandbreedte die de Wgv biedt bij het vaststellen van een aangepaste geurnorm.  Er is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat ten aanzien van de achtergrondbelasting (gecumuleerde belasting). In dit opzicht wordt ruimschoots aan de normen voldaan.  In de huidige situatie zijn binnen het plangebied reeds geurgevoelige objecten toegestaan.  Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Sint-Oedenrode en vormt de afronding van een bestaand stedelijk gebied met overwegend woonfuncties. Talloze woningen in dit gebied bevinden zich op (aanzienlijk) kortere afstand tot de betreffende veehouderij dan de woningen in onderhavig plangebied. De betreffende veehouderij is al overbelast ten aanzien van diverse woningen.  De meest geurbelaste woningen bevinden zich aan de zuidelijke rand van de te realiseren bebouwde kom, direct grenzend aan het agrarische gebied. Dit gebied kan worden gezien als een overgangsgebied tussen de kern van Sint-Oedenrode en het agrarische gebied daaromheen. Gezien de ligging direct aan het agrarische gebied kan de gemeente overwegen een (enigszins) hogere geurbelasting en daarmee een (enigszins) lager niveau van bescherming voor de te realiseren woningen aanvaardbaar te achten.

 De geurbeoordeling heeft betrekking op de meest geurbelaste (zuidelijke) bouwvlakken binnen het plangebied. Verderop in het plangebied (meer noordelijk) worden lagere geurbelastingen berekend en is het woon- en leefklimaat (nog) beter.  Omdat uitgegaan is van de maximale planologische mogelijkheden van de maatgevende veehouderijen kan worden gesteld dat de geursituatie in de toekomst niet zal verslechteren. Mede gezien de verwachte nieuwe (scherpere) geurnorm krijgen de veehouderijen in de buurt van de bebouwde kom van Sint-Oedenrode nog minder mogelijkheden dan ze al hebben.  Met de beoogde nieuwe geurnorm wordt het toekomstperspectief voor de geurbelasting binnen het plangebied voor de toekomst beter. Een naar verwachting tijdelijke hogere belasting dan de streefnorm, op een acceptabel hinderniveau, is ook om die reden aanvaardbaar te achten.  De toekomstige bewoners van de te realiseren woningen kunnen de aanwezigheid van de veehouderijen meenemen in hun overweging zich op die plaats te vestigen. De geursituatie is in dit rapport inzichtelijk gemaakt en kan een onderdeel vormen in de besluitvorming van de toekomstige bewoners.

Hoofdstuk 4

61

Reeds bestaande woningen zijn maatgevend voor de mogelijkheden van de betrokken veehouderijen. Bestaande woningen (in dezelfde windrichting) liggen op kortere afstand van de veehouderij dan de te realiseren woningen. De belangen van de veehouderijen worden derhalve door deze ontwikkeling niet geschaad. De realisatie van het plan dient een ander zwaarwegend belang, namelijk het voorzien in de woningbouwopgave die voor de gemeente Meierijstad en specifiek de kern Sint-Oedenrode geldt. Met de onderhavige ontwikkeling wordt deze op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied en op korte afstand van voorzieningen gefaciliteerd. Uit de totale afweging in de voorliggende toelichting blijkt dat er op deze plek sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Gelet op de voorgaande overwegingen, is gemotiveerd dat er ondanks de beperkte overschrijding van de voorgrondbelasting ten aanzien van één veehouderij, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied. De belangen van de veehouderij worden door de ontwikkeling bovendien niet geschaad. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan de vereiste goede ruimtelijke ordening en is deze passend op de voorziene locatie. 4.12.4 Conclusie Het aspect geur agrarisch vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.13 Hoogspanningslijnen Op circa 3 kilometer afstand ten oosten van het plangebied ligt een 150 kV hoogspanningslijn. Ten zuiden ligt op grotere afstand een 380 kV hoogspanningslijn. Beide zijn niet belemmerend voor het plangebied.

4.14 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Binnen 50 meter van het plangebied liggen geen landbouwgronden. Om die reden is er geen sprake van een spuitzone die belemmerend kan zijn voor het plangebied.

4.15 M.e.r.-plicht Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De aanmeldingsnotitie met vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen als separate bijlage.

Hoofdstuk 4

62

Geconcludeerd is dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. De gemeente heeft hieromtrent op 22 april 2021 een separaat besluit genomen. Dit is opgenomen in de bijlagen.

4.16 Belangen van derden Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, is van belang dat de ontwikkeling de belangen van derden niet onevenredig mag schaden. Dit betekent dat omliggende functies niet onevenredig mogen worden beperkt en dat de ontwikkeling niet tot onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor omwonenden mag leiden. In dit hoofdstuk zijn de verschillende relevante milieuhygiënische aspecten onderzocht. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot onevenredige overlast voor de omgeving. De woningen brengen geen onevenredige geluids-, geur- of andere overlast met zich mee. Bedrijvigheid zoals het tankstation, de fietsenwinkel zullen verdwijnen evenals de bijhorende loodsen. Dit betekent minder potentiële bedrijfshinder voor omliggende woonfuncties en andere gevoelige functies. De verkeersgeneratie vanwege het nieuwe plan is vergelijkbaar met die van de huidige (planologische) situatie. Er is dan ook geen onevenredige verkeershinder te verwachten. Wel verandert de ontsluitingsstructuur, wat kan zorgen voor andere verkeersstromen en punten waarop de nieuwe ontsluitingsstructuur op de bestaande aanhaakt.

De ontsluitingen zijn qua positionering logisch gekozen op een wijze waarop deze zo min mogelijk effecten voor omliggende woningen genereren, namelijk direct tegenover de parkeerplaatsen bij de basisschool van Eerschot en een tent- en zeilmakerij, waar in de huidige situatie al de inrit naar de achterliggende loodsen en bedrijven gesitueerd is. De inrit naar het woonerf is gekozen op een plek waar de afstand tot de tegenoverliggende woonbebouwing relatief groot is en de bebouwing niet evenwijdig aan de Eerschotsestraat loopt. Dit vermindert de eventuele hinder van uitrijdende motorvoertuigen. Doordat er in het ontwerp en naar aanleiding van de uitkomsten uit de inspraakronde is ingespeeld op de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten, wordt er geen afbreuk gedaan aan belangrijke beeldbepalende elementen in en rondom het plangebied. De zichtrelaties naar de Knoptoren en de Dommel blijven behouden en het lint langs de Eerschotsestraat wordt versterkt. Het plangebied ligt aan een dode arm van de Dommel. Langs de Dommelarm zal er enkel sprake zijn van extensieve recreatie en natuurwaarden zullen worden gerespecteerd. De gekozen stedenbouwkundige bebouwingsstructuur langs de randen van het plangebied ligt op ruime afstand van de omliggende woningen. Hierdoor zal er geen onevenredige vermindering van bezonning en privacy ontstaan.

Het uitzicht zal voor een aantal woningen aan de zuidkant van de Eerschotsestraat wijzigen. Deze kunnen nu (in theorie) kijken tot de groenstrook langs de Oostelijke Randweg en de A50 en kijken in de toekomst uit op achtertuinen met achtergevels van woningen. Mede vanwege de aangehouden afstand tussen de hoofdbebouwing en de voorgeschreven maximale

Hoofdstuk 4

63

bouwdiepte in combinatie met de aan te houden afstand tot een aangegeven (voor)gevellijn, wordt dit stedenbouwkundig aanvaardbaar geacht. Er worden dan ook geen derden onevenredig in hun belangen geschaad ten gevolge van de ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

64

5.

JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding De in deze toelichting beschreven planuitgangspunten zijn juridisch-planologisch vertaald in het bestemmingsplan, dat bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

5.2 Systematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Qua systematiek sluit het bestemmingsplan waar mogelijk aan op het vigerende bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Oost’. Omdat is gekozen voor een relatief flexibel bestemmingsplan, is echter bij het opstellen van de regels en verbeelding voor het woongebied maatwerk geleverd. De systematiek sluit echter zoveel mogelijk aan bij de Woonbestemming van ‘Sint-Oedenrode Oost’ en het ontwikkelplan ‘Sluitappel Noord’. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. 5.2.1 Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat alle bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren: Begrippen: In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen.

Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.

Hoofdstuk 5

65

5.2.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen aan de orde. Alle zelfstandige regelingen, die gevolgen hebben voor de bouw- of gebruiksmogelijkheden van de gronden, zijn als een bestemming vormgegeven. De volgorde van de bestemmingen is conform de SVBP op alfabetische volgorde, waarbij de hoofdbestemmingen voor de dubbelbestemmingen zijn geplaatst. Hoofd- en dubbelbestemmingen kunnen uit de volgende onderdelen bestaan. Bestemmingsomschrijving: Een omschrijving van de doeleinden van de bestemming. Het gaat hierbij om de functies. De aard van de toegelaten fysieke elementen van de grond, zoals bouwwerken en werken, geen gebouwen zijnde, vloeit (rechtstreeks) voort uit de toegelaten functies. Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels: Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om op ondergeschikte onderdelen af te wijken van de bij recht toegestane bouwregels. Specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden opgenomen.

Daarbij kan een specificering van het toegestane gebruik aan de orde zijn of een beschrijving van het gebruik dat in ieder geval als strijdig met de bestemming wordt aangemerkt. Afwijken van de gebruiksregels: In deze regel is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor ander gebruik dan genoemd onder de bestemmingsomschrijving en de specifieke gebruiksregels. Een afwijking van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen, dat wel een vergunning kan worden verleend ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via een afwijking kunnen geen ‘nieuwe’ functies worden toegestaan. Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen. Wijzigingsbevoegdheid: In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om regels te wijzigen zoals bijvoorbeeld het verwijderen van een specifieke aanduiding indien de bedrijfsactiviteit behorende bij deze aanduiding gedurende een half jaar is gewijzigd. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Hoofdstuk 5

66

5.2.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen met betrekking tot:  Het ondergronds bouwen.  Ondergeschikte bouwdelen, die de in het plan opgenomen bouwgrenzen met maximaal 1 meter mogen overschrijden.  Bestaande afstanden en maten. Algemene gebruiksregels In deze regel zijn specifieke bepalingen opgenomen over het gebruik, die betrekking hebben op alle bestemmingen, in aanvulling op de bestemmingsregels. Het betreft bepalingen over beroepen aan huis en maatschappelijke voorzieningen. Deze gebruiksvormen zijn onder voorwaarden toegelaten. Ook is in dit artikel een regeling met betrekking tot het parkeren opgenomen. Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels zijn regels opgenomen voor de gebiedsaanduiding ‘milieuzone behoud en herstel van watersystemen’. Deze aanduiding houdt verband met de aanduiding Behoud en herstel watersystemen vanuit de provinciale verordening.

De regels stellen enige beperkingen aan het uitvoeren van bepaalde categorieën van werkzaamheden, zoals het aanleggen van verharding. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels in het plan waarvan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning kan afwijken. De voorwaarden, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven in het tweede sublid. Algemene wijzigingsregels Dit artikel geeft Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. 5.2.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In dit artikel is het voor alle bestemmingsplannen verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik opgenomen. Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend. Er kan dus in beginsel nog gewoon gehandhaafd worden.

Hoofdstuk 5

67

Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.3 Bestemmingen Ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden wordt uitgegaan van directe toelating van alle gewenste functies. Welke functies waar toegelaten worden is een planologische keuze. Dit betekent dat na inwerkingtreding van het bestemmingsplan geen tot weinig ruimte is voor een wijziging in deze gewenste functies. De opgenomen bestemmingen worden hieronder nader toegelicht. Bedrijf Het perceel Eerschotsestraat 70-72 behoudt de bestemming ‘Bedrijf’. De toegestane milieucategorie van de bedrijvigheid wordt beperkt tot categorie 1. Daarnaast zijn kantoren, één bedrijfswoning óf reguliere woning ter plaatse van Eerschotsestraat 70, alsmede bijbehorende voorzieningen toegestaan. Hoofdgebouwen zijn toegestaan binnen het bouwvlak. Voor de (bedrijfs)woning met bijbehorende bouwwerken zijn specifieke bouwregels opgenomen. Specifiek is een aanduiding opgenomen voor de zone waarbinnen buitenruimten bij de (bedrijfs)woning (zoals een dakterras of balkon) zijn toegestaan. Hiermee is de privacy van het naastgelegen bestaande woonperceel geborgd. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ is ook een parkeerterrein voorzien, dat grotendeels als parkeerterrein ten dienste van de bedrijfs-/kantoorfunctie ter plaatse zal worden gebruikt. Deels wordt dit ook als parkeervoorziening voor het woongebied gebruikt.

De parkeerplaatsen voor het woongebied die op dit terrein noodzakelijk zijn, dienen openbaar en toegankelijk te zijn, met een minimum van 5 parkeerplaatsen. Verder is een specifieke gebruiksregel opgenomen voor het parkeren ten dienste van het kantoor/bedrijf. Er dienen minimaal 12 parkeerplaatsen ten behoeve van de huidige kantoorfunctie aan Eerschotsestraat 72 beschikbaar te zijn. Bij een functiewijziging of nieuwbouw, wordt getoetst aan de gemeentelijke parkeernormen. Groen In de noordoostelijke hoek van het plangebied en een zone aan de zuidkant is de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Voor eerstgenoemd gebied, dat de entree tot het woongebied en een belangrijk aanzicht bij de entree tot de kern Sint-Oedenrode vormt, wordt een parkachtige, groene inrichting beoogd. Aan de zuidkant wordt een groene zone tussen de patiowoningen en verkeersvoorzieningen enerzijds en de dode arm van de Dommel anderzijds beoogd. Binnen de bestemming zijn groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden, parkeervoorzieningen, etc. toegestaan. Binnen de bestemming zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die binnen de bestemming passen. Verkeer De hoofdontsluiting van het nieuwe woongebied, plus de bijbehorende parkeervoorzieningen, stoepen, e.d. is bestemd als ‘Verkeer’.

Deze bestemming markeert de grens tussen openbaar gebied en privéterrein. Binnen de bestemming zijn wegen en straten, voet- en fietspaden, erfontsluitingen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, etc. toegestaan. De inrichting van het openbaar gebied is hiermee relatief flexibel in te vullen.

Hoofdstuk 5

68

Binnen de bestemming zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die binnen de bestemming passen. Woongebied Het grootste deel van het plangebied heeft een flexibele bestemming ‘Woongebied’ gekregen. Deze gronden zijn primair bestemd voor wonen in woningen, eventueel met een beroep aan huis. Daarnaast zijn onder meer groen- en parkeervoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, speelvoorzieningen, etc. toegestaan. Het woonerf centraal in het plangebied, dat op de Eerschotsestraat aansluit, is met een specifieke aanduiding vastgelegd. Per bouwveld is het maximum aantal woningen aangegeven, alsmede de toegestane woningtype(n). Hierbij is een flexibiliteitsmarge van 2 meter aan weerszijden van de aanduidingsgrenzen, binnen de bestemming ‘Woongebied’ gehanteerd. Er is een beperkte uitwisselbaarheid van het aantal woningen toegestaan, waarbij het maximum aantal van 63 woningen voor het totale woongebied in acht moet worden genomen. De toegestane typologie komt overeen met het stedenbouwkundig plan. Verder zijn algemene regels ten aanzien van het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde opgenomen, die in het gehele woongebied gelden.

De situering van de voorgevels is middels gevellijnen op de verbeelding vastgelegd, met dien verstande dat hiervan 1,5 meter naar de achterzijde mag worden afgeweken (voor de gestapelde woningen: 5 meter). Hoofdgebouwen moeten op de gevellijn, danwel op de Eerschotsestraat worden georiënteerd. Verder zijn onder meer eisen opgenomen met betrekking tot de toegestane goot- en bouwhoogte, de maximale bouwdiepte, het bebouwd oppervlak van de achtererven, de dakhelling en verplichte uitvoerings- en inrichtingsaspecten vanwege akoestiek en ecologie. Waterstaat – Waterbergingsgebied (dubbelbestemming) De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ is opgenomen in het zuidelijk deel van het plangebied, waar ingevolge de provinciale verordening een gedeelte van een regionaal waterbergingsgebied ligt. Op de betreffende gronden, die mede zijn bestemd voor het behoud van het waterbergend vermogen van dit gebied, mag in beginsel niet worden gebouwd anders dan ten dienste van de dubbelbestemming. Ook is een omgevingsvergunningplicht voor onder meer het veranderen van het maaiveldniveau opgenomen. De regels uit de provinciale verordening zijn hiermee in de regels vertaald.

Hoofdstuk 5

69

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid Financieel economische haalbaarheid Onderzoek is ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het voorliggende plan. Hierbij is inzicht verkregen in de opbrengsten en kosten die hiermee verband houden. Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Het initiatief betreft de bouw van maximaal 63 nieuwe wooneenheden.

Dit aantal woningen ligt boven de grens van 10 woningen, zodat er een noodzaak is voor het vaststellen van een exploitatieplan. Er is met de gemeente Meierijstad een anterieure overeenkomst gesloten waarin één en ander met betrekking tot het kostenverhaal is geregeld en anderszins in het wettelijke kostenverhaal is voorzien. Financiële haalbaarheid De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de ontwikkeling te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. De haalbaarheid van de gehele grondexploitatie is kostendekkend.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan

Hoofdstuk 6

70

moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Bij voorbereiding van dit bestemmingsplan heeft op basis van artikel 3.1.1 Bro overleg plaatsgevonden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van de belangen welke in het plan in het geding zijn. Rijkswaterstaat en de provincie Noord-Brabant hebben aangegeven geen opmerkingen te hebben op het bestemmingsplan. Het Waterschap De Dommel heeft in haar vooroverlegreactie aandacht gevraagd voor enkele waterhuishoudkundige aspecten. Deze zijn bij de totstandkoming van de definitieve waterparagraaf betrokken en afgewogen.

Kort samengevat is geconstateerd dat het plangebied niet geschikt is voor infiltratie. Alternatieven zijn het afvoeren van water naar de bestaande watergangen en de dode Dommelarm nabij het plangebied. Daarbij kan tevens aandacht worden besteed aan extra afvoercapaciteit om wateroverlast op de Eerschotsestraat aan te pakken. Verder is in relatie tot hoogwaterscenario’s besproken dat het peil van het plangebied minimaal 11,40 meter boven NAP moet zijn en dat van de woningen 11,60 meter. Dat is mogelijk. De regionale brandweer heeft aangegeven dat de paragraaf externe veiligheid geen aanleiding geeft tot het maken van op- of aanmerkingen. Verder wordt verwezen naar een aantal adviezen die in 2016 zijn gegeven; die kunnen bij de uitwerking van het plan worden meegenomen. Voor het stedenbouwkundig inrichtingsplan is het advies gegeven om ontvluchtingsmogelijkheden te realiseren aan de achterzijde van de woningen die met hun voorgevel gericht zijn op de A50. In het stedenbouwkundige plan is hier rekening mee gehouden. De opmerkingen van de regionale brandweer en waterschap De Dommel zijn in de verdere planuitwerking meegenomen en nader onderbouwd. Indien nodig wordt daarbij het overleg met de betreffende instanties gezocht. De gemaakte opmerkingen zijn niet dusdanig dat zij de haalbaarheid van het plan in het geding brengen.

6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In

Hoofdstuk 6

71

relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Middels de inspraakprocedure hebben alle direct omwonenden van het plangebied en andere belanghebbenden de kans gekregen kennis te nemen van het planvoornemen en hier hun reactie op te geven. Het document dat voor inspraak ter inzage heeft gelegen betreft het voorontwerp-bestemmingsplan ‘HAVS terrein Sint-Oedenrode’ (inmiddels hernoemd in bestemmingsplan ‘Eerschotsestraat Zuid’). Op 20 juni 2018 heeft een informatieavond plaatsgevonden in het bestuurscentrum (voormalig gemeentehuis) in Sint-Oedenrode. Direct omwonenden hebben hiervoor een uitnodiging ontvangen en hebben daarvan ook gebruik gemaakt. Verder is in het plaatselijke weekblad “de Mooi Rooi krant” kennis gegeven van de start van het inspraakproces en is het voorontwerp-bestemmingsplan geplaatst op de site van de gemeente. Daarnaast is het stuk analoog ter visie gelegd in het gemeentehuis in Veghel en in het bestuurscentrum in Sint-Oedenrode. Als gevolg van de reacties die uit het vooroverleg en m.n. de inspraakprocedure naar voren zijn gekomen, is in overleg met de gemeente het stedenbouwkundig plan op onderdelen gewijzigd naar het definitieve stedenbouwkundig plan.

Op basis van het definitieve stedenbouwkundig plan is het bestaande concept bestemmingsplan aangepast tot voorliggend bestemmingsplan. De belangrijkste aanpassingen zijn:  Behoud van het zicht op de Knoptoren. Dit onder verwijzing naar het beschermd dorpsgezicht “Knoptoren en omgeving“. Met name de positionering van het beoogde appartementengebouw in de zuidoostelijke hoek van het plangebied achten insprekers in dit kader niet acceptabel. Dit hoogte-accent is mede daarom komen te vervallen.  Het “vergroenen” van het plangebied. Insprekers wensen een ‘groen’ aanzicht op de wijk, met name het beeld vanaf de rijksweg A50 / Oostelijke randweg. In algemene zin is behoefte aan een beeldkwaliteitskader (ook voor de bebouwing). Hieraan is tegemoet gekomen. Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat als herziening/onderdeel van de gemeentelijke welstandsnota specifiek voor dit woongebied gaat gelden. Daarnaast is er aan de noord- en zuidoostzijde van het plangebied ‘vergroend’. Het verslag van het vooroverleg en de inspraakprocedure inzake het concept-bestemmingsplan “Eerschotsestraat Zuid Sint-Oedenrode” is opgenomen in de bijlagen. 6.2.3 Vaststellingsprocedure bestemmingsplan De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vond plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening.

Als onderdeel van de procedure is het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen (20 mei tot 30 juni 2021). Gedurende deze periode kon eenieder een zienswijze indienen. Er zijn vier schriftelijke zienswijzen ingediend, waarvan één een pro forma zienswijze betrof. Deze is na indiening, ondanks een daartoe gestelde termijn, niet meer aangevuld met inhoudelijke gronden. Deze zienswijze is derhalve buiten beschouwing gelaten. De drie overige zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie in de als bijlage opgenomen ‘Notitie beantwoording zienswijzen Bestemmingsplan ‘Eerschotsestraat Zuid’.

Hoofdstuk 6

72

De zienswijzen hebben aanleiding gegeven tot aanpassing van de toelichting (incl. bijlagen), de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarnaast is ook het beeldkwaliteitsplan op onderdelen aangepast. De wijzigingen ten gevolge van de zienswijzen zijn beschreven in de genoemde notitie in de bijlagen. De aanpassingen zijn tevens informeel besproken met de betrokken indieners. Er zijn geen ambtshalve wijzigingen doorgevoerd in het plan. Het plan wordt, met inachtneming van de voorgestelde wijzigingen, vastgesteld door de gemeenteraad. Na vaststelling wordt het plan wederom gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen tegen het plan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 6

73

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Externe Veiligheid Bijlage 2: Externe veiligheid Advies Brandweer Bijlage 3: Ecologie Bijlage 4: Stikstofonderzoek Bijlage 5: Archeologisch onderzoek Bijlage 6: Waterparagraaf Bijlage 7: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 8: Aanmeldingsnotitie MER Bijlage 9: Geuronderzoek Bijlage 10: Akoestisch onderzoek Bijlage 11: Verslag vooroverleg en Inspraak insprekers Bijlage 12: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 13: Hogere waarde wet geluidhinder Bijlage 14: MER beoordelingsbesluit Bijlage 15: Notitie beantwoording zienswijzen

Bestemmingsplan

Eerschotsestraat Zuid

Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48

Regels Betreffende

Eerschotsestraat Zuid

Planstatus

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=622b2b4d-dfc3-4a78-840e-a7c037252649