1. Toelichting BP Eerschotsestraat Zuid
Tekst van het document
borgd met aanduiding
meter aan zuidzijde en
‘specifieke bouwaandui-
deel oost- en westzijde
ding – dove gevel 3’
(patio-constructie); geluid-
met maatregel
schermen van 2 meter tussen de achtertuinen, geborgd met aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – schermmaatregel 2’ Tabel 4.5: schematische weergave resultaten akoestisch onderzoek
Hoofdstuk 4
30
Oostelijke Randweg De geluidbelasting ten gevolge van de zoneplichtige Oostelijke Randweg bedraagt ten hoogste 55 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) ter plaatse van de nieuwe woningen. Deze geluidbelasting wordt berekend ter plaatse van de woningen (Blok D). Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB uit de Wet geluidhinder wordt echter wel gerespecteerd. Er zijn maatregelen onderzocht om te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, zie verderop. A50 Voor de A50 moet getoetst worden aan de buitenstedelijke situatie. De maximale ontheffingswaarde is in dat geval 53 dB inclusief aftrek. De geluidbelasting ten gevolge van de zoneplichtige Rijksweg A50 bedraagt ten hoogste 60 dB (inclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) ter plaatse van de nieuwe woningen. Deze geluidbelasting wordt berekend ter plaatse van de woningen (Blok K). Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet gerespecteerd. Tevens wordt de maximale ontheffingswaarde van 53 dB overschreden. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, zie verderop. Maatregelen 1. Geluidsscherm A50 Door het verlengen van het bestaande geluidsscherm langs de A50 wordt de geluidsbelasting gereduceerd.
Om te kunnen voldoen aan de maximale ontheffingswaarde ter plaatse van alle woningen dient een geluidsscherm van minimaal 600 meter lengte met een hoogte van 4 meter benodigd. Om te kunnen voldoen aan de voorkeursgrenswaarde voor alle woningen is een geluidsscherm van 600 meter lengte en een hoogte van 6 meter benodigd. Het lokaal verlengen en ophogen van het geluidsscherm langs de A50 neemt het zicht weg vanaf de autoweg A50 op de Knoptoren. Dit is tegenstrijdig met de gebiedsvisie Eerschotsestraat – Dommel. Een geluidsscherm tussen de Oostelijke Randwegweg en het plangebied stuit eveneens op bezwaren in relatie tot het zicht. Doorkijken met zichtlijnen vanaf de Eerschotsestraat richting de Dommel is daarmee niet mogelijk. Een geluidsscherm van 4 of 6 meter hoogte werkt visueel belemmerend vanaf de autoweg A50 in relatie met de Knoptoren en het hieromheen gelegen beschermde dorpsgezicht. Het plaatsen van een dergelijk scherm is onrealistisch en stuit op bezwaren van stedenbouwkundig, planologische en verkeerskundige aard. 2. Verschuiven Gelet op het richtprogramma, de stedenbouwkundige opzet en uitgangspunten van gebiedsvisie Eerschotsestraat – Dommel ligt een verschuiving vooral in de mate die nodig is om tot voldoende geluidreductie te komen niet binnen de mogelijkheden.
Met name zou dit de gewenste luchtigheid in de stedenbouwkundige opzet onevenredig geweld aan te doen omdat sterke wandvorming nodig is om aan voldoende geluidsreductie te kunnen komen. 3. Dove gevel Door (gedeelten van) de voorgevels van de woningen die uitkijken op A50 uit te voeren als dove gevels (zie tabel 4.4), is een goed binnenklimaat te garanderen, zonder geluidsschermen bij te plaatsen. Door de woningen als een min of meer aaneengesloten collectief te ontwerpen zijn de achtergevels geluidsluw te realiseren. Daar waar de woningen een achterkant hebben richting de A50 (blokken J en K) worden de woningen aan deze achterkant zodanig ontworpen dat de naar de A50 gekeerde gevels doof worden uitgevoerd danwel dat er bouwkundige maatregelen worden getroffen die zorgen voor voldoende geluidsreductie,
Hoofdstuk 4
31
zodat er minimaal aan 1 zijde een geluidsluwe gevel aanwezig is. Gezien het beoogde woningtype (patiowoningen met overwegend gesloten binnentuinen) op de locatie(s) waar dit speelt is een dergelijke oplossing te realiseren. De woningen functioneren als het ware als een geluidswering. De doorkijken met zichtlijnen vanaf de Eerschotsestraat richting de Dommel kunnen daarmee worden gegarandeerd. Het aanzicht vanaf de A50 en Oostelijke Randweg behoudt daarmee de open en ruimtelijk opzet en wordt voorzien van een kwaliteitsimpuls door de rommelige rand met bebouwing van lage kwaliteit te vervangen. De groene uitstraling en het vrij zicht op de Knoptoren als belangrijkste herkenningspunt van Sint-Oedenrode blijft behouden door dat er geen geluidsscherm aan te pas komt. De appartementen zorgen voor een afscherming naar de achterliggende woningen. De appartementen zelf worden afgeschermd door een zogenoemde wintertuin. Daar waar dove gevels noodzakelijk zijn, is dit in de planregels voorwaardelijk verplichtend voorgeschreven. In die gevallen dat een geluidwerende maatregel benodigd is om danwel een geluidluwe zijde te creëren danwel tot aanvaardbare hogere waarden zonder noodzaak van dove gevels te komen (blokken G, H, J en K, zie gedetailleerder in tabel 4.4), zal de betreffende voorziening op de erfgrens moeten worden gerealiseerd en als zodanig in stand moeten worden gehouden.
Dit is in de planregels gewaarborgd (voorwaardelijke verplichting akoestiek gevelbelasting). De bouwregels maken het oprichten van de betreffende voorzieningen mogelijk. Door middel van de verplicht te realiseren maatregelen wordt voor alle woningen voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid, voor wat betreft de eis dat ten minste één geluidluwe gevel aanwezig dient te zijn. Eerschotsestraat De Eerschotsestraat is een 30 km/uur weg en hoeft niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel beoordeeld worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Als gevolg van de Eerschotsestraat bedraagt de geluidbelasting hoogstens 58 dB (inclusief aftrek art. 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt echter niet overschreden. Gezien de beperkte schaal van dit plan is het niet mogelijk of wenselijk om bronmaatregelen (stiller wegdek) of overdrachtsmaatregelen (afscherming) te treffen die de geluidbelastingen terugbrengen tot waarden die lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Maatregelen kunnen worden getroffen ter plaatse van de ontvanger (woning) zodat wordt voldoen aan de binnenwaarde van 33 dB. Hiermee kan een goed akoestisch woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Dit is in de planregels geborgd (zie onder ‘binnenwaarde’).
Cumulatie Voor de cumulatieve geluidbelastingen zijn de normen uit de Wet geluidhinder niet van toepassing. Vanuit het gemeentelijk beleid stelt de gemeente dat er een onaanvaardbare situatie optreedt indien de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste maximale toegestane ontheffingswaarde. In voorliggende situatie bedraagt de hoogste maximale toegestane ontheffingswaarde 63 dB. Deze waarde wordt slechts met 1 dB overschreden. Conform het gemeentelijk beleid is er sprake van een aanvaardbare situatie.
Hoofdstuk 4
32
Binnenwaarde Bij het realiseren van de woningen dienen de gevels een voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies (GA;k) te hebben zodat een binnenniveau van 33 dB gerespecteerd blijft. Dit is in de planregels opgenomen (voorwaardelijke verplichting akoestiek binnenwaarde). 4.2.2 Conclusie Vanwege de Rijksweg A50 en de Oostelijke Randweg wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde vanwege de Oostelijke Randweg van 63 dB wordt wel gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde vanwege de Rijksweg A50 van 53 dB wordt niet gerespecteerd. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat maatregelen (onder andere het realiseren van dove gevels) getroffen dienen te worden ter plaatse van de gevels waar sprake is van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde. Daarnaast dienen hogere waarden voor bepaalde gevels ten aanzien van zowel de Oostelijke Randweg als de A50 te worden verleend. Vanuit de Wet geluidhinder (ter plaatse van de dove gevels) en het Bouwbesluit dient te worden voldaan aan een binnenniveau van 33 dB. Zodoende is ter plaatse van de woningen sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat. Dit is voorwaardelijk verplichtend geborgd.
Voor een aantal woningen dienen maatregelen getroffen te worden en in stand te worden gehouden om een akoestisch aanvaardbare situatie te garanderen. Ook dit is voorwaardelijk verplichtend geborgd. Na het verlenen van een hogere waarde en naleving van de voorwaardelijke verplichtingen vormt het aspect geluid vanwege omliggende wegen geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriele regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. ‘Niet In Betekenende Mate’ De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;
Hoofdstuk 4
33
het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).
Wanneer sprake is van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg wordt de toename in verslechtering van de luchtkwaliteit gezien als ‘niet in betekende mate’. Met onderhavig planvoornemen worden er maximaal 63 woningen toegevoegd. Het project behoort hiermee tot de lijst met categorieën die is opgenomen in de Regeling NIBM. Onderhavig planvoornemen is NIBM. Om de invloed op de luchtkwaliteit te bepalen is de NIBM-berekening uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder weergegeven in tabel 4.6. Er is gerekend met een verkeersgeneratie van 576,05 ritten (motorvoertuigen/etmaal) ten gevolge van het realiseren van de woningbouw en de kantoorfunctie. Geconcludeerd wordt dat onderhavige ontwikkeling niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Een nader luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk. Bovendien is er bij deze berekening geen rekening gehouden met het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie van het plangebied met het tankstation, de bikeshop en meubelfabriek. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen in de toekomstige situatie slechts met circa 100 motorvoertuigen/etmaal toe.
Tabel 4.6 NIBM-tool
Wel moet aangetoond worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van de NSL-monitoringstool. In onderstaande tabel (tabel 4.7) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
34
Meetpunt
NO2 μg/m3 PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
222315
23.2
19.5
7.2
11.6
2020
222316
22.1
20.1
7.8
11.8
2020
222317
24.9
20.3
8.0
11.9
2020
222318
26.4
20.5
8.2
12.0
2020
699409
26.1
20.5
8.1
12.0
2020
710942
25.0
20.4
8.0
11.9
2020
714563
30.0
21.4
9.3
12.3
2020
Norm
40
40
35
25
Tabel 4.7: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)
Besluit gevoelige bestemmingen Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking Getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen beschermt bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken) ten aanzien van de luchtkwaliteit. Met het besluit wordt de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen’ in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit richt zich op bescherming van mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Dit zijn vooral kinderen, ouderen en zieken. Daarom stelt het besluit onderzoekszones in voor ‘gevoelige bestemmingen’. Binnen die onderzoekszones is luchtkwaliteitsonderzoek nodig. De zones worden gemeten vanaf de rand van de weg, 300 meter bij rijkswegen en 50 meter bij provinciale wegen. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. 4.3.2 Conclusie De ontwikkeling is niet in betekende mate van invloed is op de omgeving. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Woningen worden niet gezien als gevoelige bestemmingen. Met onderhavige ontwikkeling worden er geen gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt, toetsing aan het Besluit gevoelige bestemmingen is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Hoofdstuk 4
35
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 3. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype Er zijn twee omgevingstypes, namelijk een rustige woonwijk en gemengd gebied. Volgens de VNGbrochure is een rustige woonwijk, een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied, als een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstypen gemengd gebied.
In de VNG-brochure is vermeld dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd indien sprake is van een gemengd gebied. 4.4.2 Onderzoek In figuur 4.2 is de ligging van de verschillende bedrijven/functies in de omgeving weergegeven. Op de kaart is te zien dat in de directe nabijheid van het projectgebied ook detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen en de A50 liggen. Het plangebied kan daarom over het algemeen (en zeker de deelgebieden grenzend aan de Eerschotsestraat) worden getypeerd als gemengd gebied. Aangezien het plangebied gelegen is in een gemengd gebied worden de richtafstanden met één stap verlaagd. In tabel 4.8 zijn de eigenschappen en richtafstanden van de verschillende bedrijven weergegeven.
3
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
36
6
5
2
4 3
1
6
6
Figuur 4.2: Ligging bedrijven en andere milieubelastende functies in de omgeving
Hoofdstuk 4
37
Adres
1
Eerschotsestraat 72,
Bedrijf feitelijk
Bestemming
SBI-codes fei-
Richtafstand
Richtafstand
Werkelijke
aanwezig
en max. mili-
telijk aanwezig
rustige woon-
gemengd ge-
afstand
eucat.
bedrijf
wijk
bied
Bedrijf, cat. 1-
63, 69 t/m 71
30 meter
10 meter
Van Kuringe adviesgroep
4
2
e.v.
Onderdeel plange-
5491 AD Sint-
bied
Oedenrode 2
Eerschotse-
Cafetaria Dong
Horeca, cat. 1
563
10 meter
0 meter
straat 92,
Circa 35 meter
5491 AD SintOedenrode 3
Eerschotse-
Tent- en zeilma-
straat 61,
kerij Sint-Oeden-
5491 AB Sint-
rode
Bedrijf, cat. 2
952
30 meter
10 meter
Circa 35 meter
Oedenrode 4
Eerschotse-
-
straat 67,
Bedrijf, cat. 1-
-
30 meter
10 meter
2
Circa 15 meter
5491 AB SintOedenrode 5
Burgemeester
Voormalig Slij-
Bestemd tot
van Oerlehof
per Diamant
wonen
10, 5491 AP
Huis BV (perma-
Sint Oeden-
nent gesloten)
rode 6
Verschillende
Maatschappelijk
Maximaal ca-
locaties Eer-
voorzieningen,
tegorie 2
schotsestraat
dienstverlenin-
-
30 meter
10 meter
Minimaal 75 meter
gen en detailhandel Tabel 4.8: afstanden tot omliggende bedrijven
Invloed bedrijven op initiatief Uit bovenstaande tabel blijkt dat het plangebied, met uitzondering van de contour van de bedrijfsbestemming ter plaatse van Eerschotsestraat 72, niet binnen een milieucontour is gelegen van een bedrijf in de omgeving. Er worden dan ook geen belemmeringen verwacht van deze bedrijven. Het pand aan de Eerschotsestraat 72 heeft een bedrijfsbestemming waarbinnen bedrijven van categorie 1 en 2 zijn toegestaan. Feitelijk is in het pand slechts een kantoorfunctie (SBI-code 63, 69 t/m 71 e.v. “Overige zakelijke dienstverlening: kantoren”) aanwezig. Dit bedrijf wordt met onderhavige bestemmingsplan bestemd als bedrijf met categorie 1, waarvoor de een richtafstand geldt van 0 meter tot gemengd gebied. Bij dit bedrijf hoort momenteel de bedrijfswoning aan de Eerschotsestraat 70, in het bestemmingsplan wordt de optie opgenomen om deze bedrijfswoning te bestemmen als wonen (maximaal 1 woning). Er wordt sowieso voldaan aan de richtafstand van 0 meter, maar ter waarborging van een goed woon-en leefklimaat wordt in de regels het volgende opgenomen: indien er sprake is van een woning, niet zijnde bedrijfswoning, dient deze over een eigen entree te beschikken en mag 4
In dit bestemmingsplan wordt de maximale milieucategorie gewijzigd van 2 naar 1
Hoofdstuk 4
38
deze niet in open verbinding staan met de aangebouwde bedrijfsgebouwen ter voorkoming van overdrachtsgeluid. Invloed initiatief op bedrijven Het plan voorziet in de realisatie van woningen. Woningen kunnen niet gezien worden als milieubelastende functies. Ze zorgen daarom ook niet voor belemmeringen voor omliggende woningen (of gevoelige functies). Ook omliggende bedrijven worden niet belemmerd, aangezien de woningen niet zorgen voor minder uitbreidingsmogelijkheden van deze bedrijven. De woningen liggen buiten de richtafstanden van de bedrijven. De activiteiten van de bedrijven kunnen dus voortbestaan. 4.4.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen.
4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
Hoofdstuk 4
39
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.5.2 Onderzoek In de nabijheid van het plangebied is de risicobron rijksweg A50 gelegen. Figuur 4.3 toont de ligging het plangebied ten opzichte van de A50. Als gevolg van het planvoornemen zal het aantal aanwezige personen in het plangebied en daarmee binnen het invloedsgebied toenemen. Derhalve heeft het plan invloed op het groepsrisico ten aanzien van de A50. Er is daarom door Windmill een onderzoek uitgevoerd5 voor het plangebied om de externe veiligheidsrisico’s van deze weg te onderzoeken. Naast de A50 is het plangebied ook gelegen in de nabijheid van de Oostelijke Randweg, waarover de gevaarlijke stoffen GF3, LF1 en LF2 worden vervoerd. De gevaarlijke stof GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter. LF1 en LF2 hebben een invloedsgebied van 45 meter. Ten behoeve van de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A50 is een beperkte verantwoording gedaan. Deze beperkte verantwoording volstaat ook voor de Oostelijke Randweg. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld uit het onderzoek externe veiligheid, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. Plaatsgebonden risico Uit het onderzoek komt naar voren dat de veiligheidsafstanden van de A50 géén belemmering opleveren voor de planontwikkeling.
Gebleken is dat het plaatsgebonden risico (PR 10-6) als gevolg van de A50 binnen het wegvak blijft en daarnaast geen plasbrandaandachtsgebied (PAG) geldt voor het wegvak ter hoogte van het plangebied. Het wegvak ter hoogte van het plangebied betreft wegvak B132 en voor wegvak B132 geldt geen PAG. Groepsrisico Aangetoond is dat ter plaatse van het plangebied in de huidige situatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico ruimschoots wordt onderschreden; het groepsrisico bedraagt minder dan 0,1 keer de orientatiewaarde. Als gevolg van de planontwikkeling wijzigt de personendichtheid binnen het invloedsgebied van de weg. Aangetoond is dat deze wijziging een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico veroorzaakt maar dat onveranderd sprake is van een groepsrisico dat beduidend lager ligt dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Aangezien zowel in de bestaande als in de toekomstige situatie het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, kan ingevolge artikel 7 en 8 van Bevt worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
5
Externe veiligheid weg Havs terrein Meierijstad, Sint-Oedenrode (Windmill, 2 oktober 2017)
Hoofdstuk 4
40
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart
De planlocatie bevindt zich binnen de 200 meter zone van de Rijksweg A50, Het maatgevende rampscenario hiervoor is een BLEVE. De hoogte van het groepsrisico is kwantitatief bepaald. De resultaten hiervan vindt u in het rapport ‘Externe veiligheid weg’ van het adviesbureau Windmill, rapportnummer: WND247-0001-EV-01, datum: 2 oktober 2017. Dit rapport is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. 4.5.3 Beperkte verantwoording groepsrisico Met het oog op de externe veiligheidsrisico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg dient de hoogte van het groepsrisico en de verantwoording hiervan nader te worden beschouwd ten aanzien van deze ontwikkelingen. Windmill heeft deze beperkte verantwoording opgesteld6. Ad a) Bestrijdbaarheid Beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hieronder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland.
Uit bovengenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied en de risicobron goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvals-wegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobron goed bereikbaar zijn. De risicobron en het plangebied zijn 6
Verantwoording groepsrisico Havs terrein Meierijstad, Sint-Oedenrode (Windmill, 26 oktober 2017)
Hoofdstuk 4
41
vanuit verschillende windrichtingen bereikbaar. Opgemerkt wordt dat de vaststelling van het bestemmingsplan geen invloed heeft op de bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter plaatse van de risicobron. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men nodig heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Bestrijdbaarheid per scenario Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen of -container meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden. Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagon of -container tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn.
Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Ad b) Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht in veiligheid kunnen brengen. De planvorming betreft de realisatie van grondgebonden woningen en appartementen. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen per scenario Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten.
Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de A50 af te richten. Op die manier
Hoofdstuk 4
42
worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Aanwezige luchtbehandelingsinstallaties moeten met één handeling zijn uit te schakelen. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn.
Deze wegen mogen niet doodlopend zijn Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de eerdergenoemde scenario’s). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Volgens de Wet veiligheidsregio’s draagt het bestuur van de Veiligheidsregio er zorg voor dat de noodzakelijke informatie wordt verschaft ter voorkoming en bestrijding of beheersing van een ramp. De Veiligheidsregio adviseert hierin de gemeenten. In het regionaal beleidsplan dient uitgewerkt te zijn hoe binnen de regio aan risicocommunicatie vorm gegeven wordt. 4.5.4 Advies Veiligheidsregio Bovengenoemde punten ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn voor advies aan de regionale brandweer/Veiligheidsregio voorgelegd. Op 25 augustus 2016 heeft de brandweer van Brabant-Noord haar reactie gegeven. Met het stedenbouwkundig plan is zoveel mogelijk aangesloten op dit advies.
Zo wordt bij de woningen die met de voorgevel gericht zijn op de A50 zo veel mogelijk een achterom (ontvluchtingsmogelijkheid) gerealiseerd en wordt het aantal openingen in de gevels van de woningen die gericht zijn naar de A50 zo veel mogelijk beperkt (mede in relatie tot de beheersbaarheid van het wegverkeerslawaai). Tuinen/achtererfgebieden van de woningen die zijn gericht op de A50 zijn voornamelijk gelegen aan de achterzijde/risicoluwe zijde van de woning. 4.5.5 Conclusie Het aspect ‘Externe veiligheid’ is hiermee voldoende behandeld.
4.6 Ecologie 4.6.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet
Hoofdstuk 4
43
in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’, ligt op ca. 11,8 kilometer ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten.
Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Het stikstofonderzoek en de door AERIUS gegenereerde rapportages voor de aanlegfase en gebruiksfase zijn opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat bij de aanlegfase en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Hoofdstuk 4
44
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.6.2 Onderzoek Naar aanleiding van de resultaten uit de Quickscan Flora en Fauna is door de ecologen van BRO in 2018 protocollair vervolgonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nestlocaties van huismus en gierzwaluw en verblijfplaatsen van vleermuizen. Hierbij is een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. De verblijfplaats van ruim 60 individuen groot bevindt zich in de woning aan de Eerschotsestraat 74. Alvorens deze woning gesloopt kan worden, dient een ontheffing verkregen te worden bij de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN), en dient aan de hierbij gestelde maatregelen te worden voldaan. Ter nadere borging van dit sloopverbod is in onderhavig plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. 4.6.3 Conclusie Gebiedsbescherming Bij de sloop van diverse panden en de bouw van woongelegenheden in het plangebied zijn er geen negatieve effecten op wezenlijke kenmerken en waarden van planologisch beschermde gebieden te verwachten.
In de meest zuidelijke punt van het plangebied ligt de Groenblauwe mantel. In deze punt is er echter geen stedelijke ontwikkeling gepland en dus is er geen overleg nodig met de provincie Noord-Brabant. Wel dient verlichting op het open water en opgaand groen hier vermeden te worden. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Doordat het plangebied gelegen is op 11,8 kilometer van het
Hoofdstuk 4
45
meest nabijgelegen stikstofgevoelige habitattype wordt de uitstoot van het wegverkeer niet meegenomen in de berekening. Voor het berekenen van het wegverkeer wordt gerekend met OPS, waarbij de berekening wordt ‘afgekapt’ op 5 kilometer afstand van het plangebied. Hierdoor zijn eventuele effecten op grotere afstand niet te herleiden. Om aan te tonen dat het plan geen invloed heeft op Natura 2000-gebieden op een afstand > 5 kilometer van het plangebied, zijn voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase aanvullende puntbronnen ingevoerd op een afstand op minder dan 5 kilometer van de meest nabijgelegen stikstofgevoelige habitat-typen. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Soortbescherming Gelet op de gevonden en potentiële ecologische waarden is de verwachting dat de beoogde planontwikkeling uitvoerbaar is. Voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient echter wel het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen: In de woning aan de Eerschotsestraat 74 bevindt zich een kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuis.
Alvorens deze gesloopt kan worden dient een ontheffing verkregen te worden bij de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN), en dient aan de hierbij gestelde maatregelen te worden voldaan Ter nadere borging van dit sloopverbod is in onderhavig plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Ten aanzien van de overige (potentiële) broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te (laten) voeren. Ten aanzien van vleermuizen dient verlichting, gericht op het naastgelegen waterrijke groen te worden voorkomen, zodat vleermuizen hier kunnen blijven foerageren. Om dit te borgen zijn er in de planregels nadere voorschriften opgenomen voor het aanbrengen van verlichting in de zone grenzend aan dit groen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, op basis van verspreidingsgegevens, de aard van de ontwikkeling, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten behoeve van incidenteel binnen het plangebied aanwezige individuele dieren.
4.7 Bodem 4.7.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op
Hoofdstuk 4
46
schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.7.2 Onderzoek Door MILON bv is een verkennend bodemonderzoek7 uitgevoerd. De onderzoek locaties zijn onder te verdelen in drie deellocaties: Deellocatie 1: de (3) onbebouwde agrarische percelen; Deellocatie 2: de voormalige meubelfabriek Stalo. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in deellocatie 2a en deellocatie 2b; Deellocatie 3: BP-tankstation met wasplaats. Deellocatie 1 Tijdens de veldwerkzaamheden zijn ter plaatse van de toegangsweg, vanaf de Eerschotsestraat, sterke puin bijmengingen aangetroffen in het toegangspad. Voor het overige zijn ter plaatse van de locatie geen bijzonderheden of asbestverdachte bijmengingen aangetroffen die duiden op een mogelijke verontreiniging. Analytisch zijn in de bovengrond plaatselijk licht verhoogde gehalten met zink, cadmium en lood aangetoond. In de ondergrond ter plaatse van het puinpad zijn licht verhoogde gehalten met cadmium, zink en PAK aangetoond. Voor het overig zijn geen verhoogde gehalten boven de achtergrondwaarde aangetoond. De licht verhoogde gehalten zware metalen en PAK worden naar alle waarschijnlijkheid veroorzaakt door het gebruik van de percelen, als “tijdelijke opslag” van de nabij gelegen woonpercelen.
De hier aangetroffen gehalten zijn gering en geven geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek. Deellocatie 2 Binnen deellocatie 2 zijn voornamelijk rondom de huidige bebouwing en ter plaatse van de huidige bebouwing verdachte locaties aanwezig. Het gaat hierbij inpandig om een voormalige spuiterij, opslag oliën en vetten, zaag/snij-installatie met olie. Deze activiteiten hebben voornamelijk op een betonvloer plaatsgevonden. Uitpandig zijn een voormalige opslag van lege vaten, lakkluis en metaalcontainer aangemerkt als verdachte locatie. Tevens dient in verband met een matig verhoogde concentratie VOCI een herbemonstering van een bestaande peilbuis uitgevoerd te worden. Deellocatie 3 Ter plaatse van de wasplaats ter plaatse van het tankstation, zijn zintuiglijk geen bijmengingen aangetroffen die duiden op een mogelijke verontreiniging. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem ook geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van het grondwater. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie op de onbebouwde delen. Wat betreft de milieuhygiënische bodemkwaliteit bestaat er geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie.
Aangezien ter plaatse van deellocatie 2a inpandig diverse bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, is het wenselijk dat na sloop van de huidige bebouwing dit wordt onderzocht. Dit kan dan worden meegenomen bij de actualisatie van de bovengrond op de overige bebouwde delen van de onderzoekslocatie. Daarnaast wordt aanbevolen om ter plaatse van het puinpad een verkennend asbestonderzoek uit te voeren, om te achterhalen of de aangetroffen puinverharding asbestverdacht is.
7
Verkennend bodemonderzoek aan de Eerschotsestraat te Sint-Oedenrode (Milon, 14 december 2017)
Hoofdstuk 4
47
4.7.3Conclusie Ter hoogte van het toegangspand van deellocatie 1, dient nog een asbest-in-puin onderzoek plaats te vinden. Het aanvullende asbestonderzoek wordt in een later stadium, in het kader van de omgevingsvergunning uitgevoerd. Er is reeds rekening gehouden met eventuele saneringskosten. In de voormalige meubelfabriek Stalo (deellocatie 2a) hebben bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden. Na de sloop van de huidige bebouwing wordt er nader bodemonderzoek uitgevoerd om aan te tonen wat deze activiteiten voor eventuele consequenties hebben gehad voor de bodemkwaliteit. Tevens dient in verband met een matig verhoogde concentratie VOCI een herbemonstering van een bestaande peilbuis uitgevoerd te worden. In dit stadium geeft de herbemonstering onvoldoende uitsluitsel hierover. De herbemonstering van de betreffende peilbuis wordt derhalve meegenomen in de later uit te voeren onderzoeken. Op die manier ontstaat een beter totaalbeeld van de mogelijke VOCI verontreiniging. Het onderzoeken in een breder kader heeft een grotere toegevoegde waarde en is hiermee efficiënter en effectiever. In een later stadium worden de noodzakelijke aanvullende bodemonderzoeken gelijktijdig uitgevoerd. In deze aanvullende bodemonderzoeken worden ook de relevante onderzoeksresultaten en historische informatie (voor de deellocaties 2a en 3) uit eerder uitgevoerde onderzoeken meegenomen.
Deze rapporten zijn fysiek aanwezig in het archief van de gemeente Meierijstad. De relevante gegevens uit de onderzoeken zijn opgehaald tijdens een bezoek aan het archief. Indien tijdens de nog uit te voeren onderzoeken een bodemverontreiniging wordt aangetoond (asbest, deellocatie 2a of 3), is het uitvoeren van sanerende maatregelen mogelijk aan de orde om de grond geschikt te maken voor het beoogde gebruik en/of het uitvoeren van grondwerkzaamheden inclusief de sloop van bestaande opstallen. Initiatienemer is zich hiervan bewust en heeft rekening gehouden met de financiële risico’s die hier eventueel aan verbonden zijn. De nader uit te voeren bodemonderzoeken en eventuele sanerende maatregelen vormen geen belemmering voor de financiële haalbaarheid van het plan.
4.8 Water 4.8.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De aanleiding voor het opstellen van deze waterparagraaf is de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied en de verplichting hierbij ten minste hydrologisch neutraal te ontwikkelen. Binnen de gemeente dienen ontwikkelingen hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden en gaat de voorkeur uit naar infiltratie en/of berging op eigen terrein. De waterhuishoudkundige situatie van het plangebied is onderzocht in het kader van de watertoets. In het waterhuishoudkundige onderzoek is aandacht besteed aan de huidige bodemkundige- en (geo)hydrologische situatie, de gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden, en de (on)mogelijkheden om neerslag in de toekomstige situatie te bergen en te infiltreren. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in het rapport voldoen aan vigerende wet- en regelgeving van lokaal tot en met Europees niveau.
Hoofdstuk 4
48
Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Deze is recent vervangen door de Interim Omgevingsverordening in verband met de Omgevingswet die in werking gaat treden. De definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan “Waardevol Water” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder.
Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben tevens een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen.
Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak groter dan 500 m2 en afkoppelplannen groter dan 10.000 m2 heeft het aspect hemelwater een grote impact op het watersysteem en dient de ontwikkeling in een vroeg stadium met het bevoegd gezag afgestemd te worden. De gemeente Meierijstad en waterschap De Dommel hebben een Waterplan opgesteld met de volgende leidende principes: Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water. Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren. Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem. Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater.
Hoofdstuk 4
49
Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie. Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor. De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt. De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken.
De planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Door middel van een waterparagraaf wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. 4.8.2 Onderzoek Algemeen Aeres Milieu8 heeft een onderzoek uitgevoerd naar de infiltratiemogelijkheden uitgevoerd en deze resultaten verwerkt in de waterparagraaf, waarin het planvoornemen hydrologisch wordt beschreven. Tijdens de planvorming en planprocedure is veelvuldig afstemming met het waterschap en de gemeente gezocht door de initiatiefnemer over de wijze waarop met water wordt omgegaan. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Waterhuishoudkundige situatie Binnen het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van een droogvallende greppel, welke afvoert naar de oostelijke plangrens. Deze greppel staat in verbinding met een B-watergang, welke uitmondt in de oude Dommelarm (tevens een B-watergang).
Deze B-watergang is tevens in gebruik als regionaal waterbergingsgebied om wateroverlast uit het regionale watersysteem tegen te gaan en is derhalve ook opgenomen als Keurbeschermingsgebied. De zuidoostelijke hoek van het plangebied is daarom bestempeld als natuurlijk overstromingsgebied (waterbergingsgebied) van de Dommel. Bij toekomstige extreme neerslagsituaties is op deze locatie het hoogwaterpeil berekend. Om de schade van hoogwater in het stedelijk gebied van Sint-Oedenrode te beperken, heeft recent een hoogwaterstudie plaatsgevonden. Voor de planlocatie wordt binnen deze studie een hoogwaterpeil in de Dommel van NAP +11,03 m berekend. Bij uitvoering van het voorlopig ontwerp Klimaatrobuust Beekdal gaat dat waterpeil vooralsnog omlaag naar NAP +10,79 m. Afhankelijk van het definitieve ontwerp, adviseert het waterschap om een marge van 30 cm aan te houden. Derhalve is een peil van ca. 11.4 m+ NAP aan de zuidkant geadviseerd. Verder zuidelijk is rondom de Dommel een natte natuurparel met meanderingszone aanwezig. Deze natte natuurparel betreft een hydrologisch gevoelig onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant. Het attentiegebied behorende bij deze natte natuurparel overlapt het plangebied geheel. In deze attentiegebieden mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden met negatieve effecten op de waterhuishouding.
Derhalve dient potentiële verontreiniging tegengegaan te worden en dient de locatie minimaal hydrologisch neutraal ontwikkeld te worden. Bij de verdere uitwerking van het planontwerp en aanpassingen
8
Infiltratieonderzoek en waterparagraaf Eerschotsestraat, Sint-Oedenrode (Aeres Milieu, 22 oktober 2021)
Hoofdstuk 4
50
nabij het oppervlaktewater zal ten tijde tevens het waterschap betrokken worden. De bestaande gebiedsaanduiding “milieuzone – behoud en herstel watersystemen” en “waterstaat – waterbergingsgebied” worden in het plan opgenomen met een vergunningstelsel voor werken en werkzaamheden. Het verhard terrein westelijk en de bestaande panden is zover bekend aangesloten op het gemengd rioolstelsel in de Eerschotsestraat. Zover bekend is momenteel geen wateroverlast in het plangebied aanwezig. Het hemelwater dient bij ontwikkelingen / wijzigen van oppervlaktes verplicht gescheiden gehouden te worden. Bij herontwikkelingen in het stedelijk gebied dient een hemelwatervoorziening in de mate van het mogelijke gerealiseerd te worden door middel van een reeds in de gemeente Meierijstad met succes toegepast bergingssysteem. Een toekomstige voorziening dient boven de GHG aangelegd te worden. Toename verharding In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard. Tabel 4.9 geeft de veranderingen betreffende toe en/of afname van verharde oppervlakken binnen het plangebied weer. De toename bedraagt ca. 1.310 m² aan verhard oppervlak.
Tabel 4.9 Toe- en afname verhard oppervlak binnen het plangebied
Vanuit de gemeente Meierijstad gaat de voorkeur bij herontwikkelingen of wijzigingen aan het verhard oppervlak uit naar hydrologisch neutraal ontwikkelen. Dit wil zeggen dat schoon- en vuilwater minimaal gescheiden aangeleverd worden en dat in de mate van het mogelijke 60 mm regenwater binnen het plangebied (en/of in het aansluitend openbaargebied) verwerkt wordt. Hierbij dient ook bekeken te worden of het overtollig hemelwater op het nabijgelegen oppervlaktewater aangesloten kan worden. Opgave waterretentie Gezien de ligging en het geldende (gemeentelijk) beleid dient al het hemelwater binnen het plangebied verwerkt te worden. Om de locatie hydrologisch neutraal te ontwikkelen, is een retentie benodigd van (in de mate van het mogelijke) 60 mm. Voor het totaal verhard oppervlak van 11.260 m2 dient een hemelwatervoorziening van ca. 676 m3 aangelegd te worden. Opgemerkt wordt dat dit een maximale inschatting betreft op basis van de stedenbouwkundige schetsplan en dat geen rekening gehouden wordt met infiltratie gedurende de bui en verdamping- of afstromingsverliezen. Inrichtingsvoorstel waterberging In het plangebied en de directe omgeving is afdoende ruimte aanwezig om het hemelwater te verwerken. In figuur 4.4 zijn de toekomstige bergingsvoorzieningen en afstroomrichtingen weergegeven.
Hoofdstuk 4
51
Figuur 4.4: waterbergingsvoorzieningen en afstroomrichting toekomstige situatie (bron: Okko project)
In eerste instantie dient bij de nadere planuitwerking het nieuw gesloten verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt te worden. Dit is ook van toepassing voor de opritten en tuinen. Naar duurzame ontwikkeling toe kan hemelwater na een zuiverende stap (filter) hergebruikt worden als spoelwater, toiletspoeling en besproeiing van de eventuele tuin. Het zuivere dakwater kan op het terrein opgevangen worden in een watertank. Een regenwaterstelsel of regentonnen zijn momenteel niet voorzien maar kunnen eventueel op eigen initiatief wel aangelegd worden. Ook zijn opties, zoals een groen dak en waterpasserende bestrating te overwegen. Uit metingen blijkt een matige infiltratiesnelheid in voornamelijk horizontale richting aanwezig te zijn. Bij voldoende berging kan het hemelwater in het grootste gedeelte van het plangebied infiltreren. Het zuidelijke beekdal leent zich hier niet toe. De insteek is daarom om het hemelwater bovengronds te verwerken door gebruik te maken van de sloot ten noorden en oosten van het plangebied. Aanvullend kan ook ondergrondse verwerking plaatsvinden (IT-riool, grindkoffer, rockflow,…) maar dit heeft vanuit de gemeente niet de voorkeur. Vandaar dat een hemelwaterverwerking bovengronds, zoals weergegeven in figuur 4.4, is voorgesteld. In eerste instantie worden de bestaande B-watergang aan de oost-