CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

2018-29b bijlage 2.MER Hoogwateraanpak Grave (079614393-B).pdf

Grave - commissie Ruimte 16 maart 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: Presentatie Graafse Raam26.338 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 3-3 Ligging intensieve teelten (boomteelt en glastuinbouw) ten opzichte van inundatiegebieden van alle alternatieven Tabel 3-1 Kenmerken alternatief 1

Oppervlakte inundatie

Hoeveelheid waterberging

127 hectare

Circa 600.000 m

3

Waterpeil in de waterberging 8,90 m+NAP

29

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 3-4 Indicatie Alternatief 1 Waterberging Bovenstrooms van Egweg-Rotscheweg

30

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 3-5 Situatie ter plaatse van geplande stuw voor alternatief 1 (foto Arcadis)

3.4

Alternatief 2: twee waterbergingen, Meulengat en Kammerberg

Er komen bij alternatief 2 op twee locaties kaden dwars op de beek, met twee stuwen in de beek (zie Figuur 3-6). Doordat er twee stuwen zijn, is dit mogelijk een beter stuurbare optie dan alternatief 1: er kan een keuze worden gemaakt of en wanneer compartimenten in te zetten. Een voordeel van dit alternatief kan ook zijn dat Kammerberg behouden blijft voor regulier peilbeheer. Er inundeert 283 ha. Het totale bergend 3 vermogen in alternatief 2 is 616.000 m . Ook de monding van de Hooge Raam en directe omgeving zullen inunderen, bij alternatief 1 is dat niet het geval. 9

Er zijn in alternatief 2 enkele verbeteringen doorgevoerd ten aanzien van natuur en de inundatiegebieden: • • • •

Kwetsbare natuur zal door beschermende maatregelen tegen inundatie worden beschermd. Dit is op advies van Brabants Landschap doorgevoerd voor het natuurgebied ten zuiden van het Peelkanaal en het natuurgebied bovenstrooms van Meisevoort. Zie verder de kadertekst in paragraaf 3.3. Intensieve agrarische activiteiten worden ontzien van inundatie: dit geldt voor tuinbouw en boomteeltactiviteiten, voor zover dat blijkt uit de bekende landgebruiksvorm (LGN5). Deze bleken echter niet in het inundatiegebied aanwezig te zijn (zie Figuur 3-3). De verspreide woningen in het berekende inundatiegebied zullen met maatwerk-maatregelen per bouwkavel worden gevrijwaard van inundatie. Eventueel moeten ook opritten naar woningen worden verhoogd, om deze bereikbaar te houden tijdens inundatie. Het gebied van de Tochtsloot zal niet worden ingezet voor inundatie. Dit kan eenvoudig door het loskoppelen van het gebied door een stuw op te trekken. Het inundatieoppervlak gaat terug naar 192 hectare (i.p.v. 249 ha zonder deze verbeteringen). Als gevolg hiervan moet het peil bij de stuw met minder dan 1 cm omhoog of dient er minder water geborgen te worden.

9

Er is ook voorgesteld om te kijken naar de mogelijkheid om de kaden en stuw aan te laten sluiten op de Beerschemaasweg. Dit heeft als voordeel dat er niet een nieuw waterstaatswerk in het landschap wordt aangebracht, met minder visueel negatief effect tot gevolg, maar gekoppeld aan de bestaande weg. De nadelen aan de Beerschemaasweg zijn echter te groot bevonden om deze optie als een plus te zien op het basisalternatief: de tennisbanen ten westen van de Raam en de vijver gaan waarschijnlijk inunderen, en de tuinen van de woningen ten zuiden van de Beerschemaasweg moeten beschermd worden op percelen die nu in bezit zijn van diversie particulieren, waarbij ook een afvoerslootje afgekoppeld moet worden. 31

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Tabel 3-2 Kenmerken alternatief 2

Oppervlakte inundatie

Hoeveelheid waterberging

192 hectare

Circa 600.000 m

3

Waterpeil in de waterberging Meulengat: 8,70 m+NAP Kammerberg: 9,08 m+NAP

Figuur 3-6 Indicatie Alternatief 2 Meulengat-Kammerberg

32

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 3-7 Stuw bij Kammerberg (foto Arcadis)

Variant 2a: stuw bij Meulengat Door de werkgroep waterberging (MGA-groep) is voorgesteld om nog een nadere analyse uit te voeren naar een variant op alternatief 2, variant 2a genoemd. De effecten van variant 2a zijn in de effectbeoordeling enkel beschreven wanneer deze afwijken van alternatief 2. Variant 2a behelst dezelfde kade/stuw bij Meulengat, maar dan zonder de bovenstroomse inzet van stuw Kammerberg (zie Figuur 3-8). Het voordeel van een dergelijke variant zou kunnen liggen in het niet inunderen van natuurgebied. Bij variant 2a zijn dezelfde verbeteringen ten aanzien van natuur doorgevoerd als bij alternatief 2. Het totaal aantal ha dat inundeert is in plaats van 192 ha bij alternatief 2 nu 135 ha bij variant 2a. Dit leidt met name tot een vermindering van inundatie van het oppervlak natuur.

Tabel 3-3 Kenmerken variant 2a

Oppervlakte inundatie

Hoeveelheid waterberging

135 hectare

Circa 600.000 m

3

Waterpeil in de waterberging Meulengat: 8,77 m+NAP

33

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 3-8 Inundatie variant 2a Meulengat

34

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 3-9 Bovenstrooms van de stuw bij Kammerberg, links Lage Raam en rechts Peelkanaal (foto Arcadis)

3.5

Alternatief 3: één waterberging bovenstrooms Grave

De waterberging bij alternatief 3 is vergelijkbaar met de waterberging van alternatief 1, maar komt te liggen direct ten zuiden van Grave. De waterberging functioneert bij alternatief 3 op dezelfde wijze als alternatief 1, doch het gebied waar inundatie optreedt verschilt. Het totale bergend vermogen van alternatief 3 is 614.000 3 m . Het gebied dat inundeert heeft een oppervlak van 283 hectare. Ook in dit alternatief zijn enkele verbeteringen doorgevoerd ten aanzien van natuur en de inundatiegebieden: • •

• •

•

Kwetsbare natuur zal door beschermende maatregelen tegen inundatie worden beschermd. Dit is op advies van Brabants Landschap doorgevoerd voor het natuurgebied ten zuiden van het Peelkanaal en het natuurgebied bovenstrooms van Meisevoort. Zie verder de kadertekst in paragraaf 3.3. Intensieve agrarische activiteiten worden ontzien van inundatie: dit geldt voor tuinbouw en boomteeltactiviteiten, voor zover dat blijkt uit de bekende landgebruiksvorm (LGN5). Deze bleken echter niet in het inundatiegebied aanwezig te zijn (zie Figuur 3-3). De verspreidde woningen in het berekende inundatiegebied zullen met maatwerk-maatregelen per bouwkavel worden gevrijwaard van inundatie. Eventueel moeten ook opritten naar woningen worden verhoogd, om deze bereikbaar te houden tijdens inundatie. Het gebied van de Tochtsloot zal niet worden ingezet voor inundatie. Dit kan eenvoudig door het loskoppelen van het gebied door een stuw op te trekken. Het inundatieoppervlak gaat terug naar 132 hectare (i.p.v. 182 ha zonder deze verbeteringen). Als gevolg hiervan moet het peil bij de stuw met minder dan 1 cm omhoog of dient er minder water geborgen te worden. Ten oosten van Escharen zouden percelen inunderen met een groot oppervlak, die nauwelijks zouden bijdragen aan de waterbergingscapaciteit. Deze percelen worden bij inzet van de waterberging „losgekoppeld‟, door in de watergang een stuw op te trekken.

Tabel 3-4 Kenmerken alternatief 3

Oppervlakte inundatie

Hoeveelheid waterberging

132 hectare

Circa 600.000 m

3

Waterpeil in de waterberging 8,66 m +NAP

35

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 3-10 Indicatie Alternatief 3 Waterberging bovenstrooms Grave

3.6

Afgevallen alternatieven

Het waterschap heeft verschillende andere alternatieven in ogenschouw genomen. Deze zijn om verschillende redenen afgevallen. Verdere vergroting capaciteit van gemaal van Sasse Binnen de muren van monument Van Sasse is nu de optimale capaciteit benut. Verder vergroten betekent bouwen buiten de grens van het monument. Dit is niet gewenst. Tijdelijke vergroting van de pompcapaciteit van het gemaal door het bijplaatsen van mobiele pompen is voor het waterschap ook geen reële optie. Zij vindt dat niet passen in het beleid om niet af te wentelen, zoals dat is verwoord in het waterbeheerplan en is afgesproken in het NBW.

Verdere verhoging kritische hoogte in Grave Door extra maatregelen in Grave zou mogelijk de kritische waterhoogte verhoogd kunnen worden. Hogere peilen betekenen (grond)wateroverlast en dus schade in Grave (Waterschap Aa en Maas, 2015b). Samen met de gemeente heeft het waterschap afgesproken dat 8,10 meter +NAP het maximale peil betreft. 36

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Combinatie waterberging en afvoer via Hertogswetering Dit alternatief stond als alternatief 4 in de NRD. Het is een combinatie van afgeleiding van een deel van het water uit het Raamsysteem naar de Hertogswetering met de waterberging alternatief 1, met kaden/stuw bij Egweg-Rotscheweg, of alternatief 2 Meulengat. Hierdoor kan de waterberging kleiner van volume worden. Er waren in de NRD drie varianten benoemd hoe het water vanuit de Raamvallei richting de Hertogswetering gestuurd kan worden, namelijk via de huidige bestaande route of door een „kortsluiting‟ tussen Hooge Raam en Hertogswetering ten zuiden van Grave. Er is een indicatieve analyse uitgevoerd waarbij de helft van de berging van 600.000 m3 in de waterberging terechtkomt en de rest wordt afgevoerd richting de Hertogswetering. Bij een afvoer gedurende twee etmalen 3 is het debiet 2 m3/sec. Een afvoer van 2 m /sec via de Hertogswetering heeft consequenties voor het bovenstroomse deel van de Hertogswetering (tussen Grave en stuw Oijense Hut in Oss) en de bestaande NBW-knelpunten bij gemaal Gewande. Consequenties voor het bovenstroomse deel van de Hertogswetering Door vergrote afvoer via de Hertogswetering wordt het peil op het traject tussen Grave en Oss 0,20 à 0,60 m hoger. Benedenstrooms van stuw Oijense Hut ligt de Hertogswetering in kaden en is er geen directe beïnvloeding meer van het omliggende gebied.

Ook is er op een aantal plaatsen inundatie door de extra afvoer. Consequenties voor het gemaal Gewande De extra hoeveelheid geeft een peilverhoging bij gemaal Gewande. Bij een T25 afvoer wordt de maximale 3 capaciteit van het gemaal (33 m /sec) nu al overschreden en wordt het winterpeil met ca. 1 meter overschreden. De extra afvoer uit het stroomgebied van de Raam geeft een peilverhoging van 0,20 m. De bestaande NBW-knelpunten in het bemalingsgebied, die nog opgelost moeten worden, worden hierdoor verder vergroot. Naast de verwachting dat alternatief 4 het NBW-knelpunt bij gemaal Gewande verergert, zijn m.n. de varianten waarbij nieuwe watergangen worden aangelegd (de alternatieven 4a en 4b in de NRD) nog eens extra duur ten opzichte van de overige alternatieven en afvoer via het bestaande systeem van de Hertogswetering. Door de aanleg van deze nieuwe watergangen wordt verwacht dat de effecten ook relatief negatiever zullen zijn dan bij de overige alternatieven. Conclusie Het alternatief met een combinatie van waterberging en afvoer via Hertogswetering is niet redelijkerwijs in beschouwing te nemen, want het verergert het NBW-knelpunt bij Gewande. Dit alternatief wordt om deze redenen niet verder beoordeeld in het MER.

37

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 3-11 Hoger peil bij 2 m3/sec via Hertogswetering

3

Figuur 3-12 Inundaties ten gevolge van afgeleiding via Hertogswetering met 2 m /sec

38

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

3.7

Referentiesituatie: huidige situatie + autonome ontwikkeling

In een MER dient ieder alternatief of variant afgezet te worden tegen de referentiesituatie. De referentiesituatie is gebaseerd op de autonome ontwikkeling van het plangebied indien het voornemen niet wordt gerealiseerd, dus niets doen. Het peiljaar voor de autonome ontwikkeling is 2028. Dit is tien jaar nadat de bestemmingsplanwijziging en het projectplan Waterwet naar verwachting gereed zijn. De referentiesituatie bestaat uit het watersysteem zoals deze nu functioneert (zie paragraaf 2.1). In de referentiesituatie komen hoge peilen (tot + NAP 8.10m) in het beekdal van de Raam voor. Deze leiden nu ook tot plaatselijke inundatie. In de referentiesituatie zijn er geen waterbergingsgebieden aangelegd.

39

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

4

EFFECTBEOORDELINGSKADER VOOR HET MER

4.1

Uitgangspunten en kenmerken van de effectbeoordeling

Plangebied en studiegebied Bij m.e.r. spreken we van een plangebied en van een studiegebied: • •

Het plangebied is het gebied waarin de activiteit plaats gaat vinden. Het studiegebied is het gebied waarin effecten kunnen optreden. Dit kan per thema verschillend zijn.

Thematische opbouw effectbeoordeling Bij de effectbeoordeling volgen we de lagenbenadering. De beoordelingscriteria volgen de logica van de lagenbenadering, zoals gebruikelijk bij een m.e.r.: van de onderste laag (bodem en water) naar de bovenste laag (gebruik).

Referentiesituatie De beoordeling van de varianten is per criterium een verhouding ten opzichte van de referentie. Deze is op hoofdlijnen beschreven in paragraaf 3.7 van dit MER. Een nadere detaillering van de referentie (de huidige situatie) volgt per thema in de paragrafen 5.1, 6.1, …, 10.1.

Effecten in drie fases: aanleg, inzet waterberging en permanente effecten In het MER staat de waterberging centraal. Er is sprake van drie typen effecten: • • •

Tijdelijke effecten door aanleg waterstaatswerken (kades en stuwen), lokaal optredend. Mogelijke voorbeelden zijn geluid en verstoring. Tijdelijke inzet van de waterberging eens per 100 jaar, in een ruimer gebied optredend. Permanente effecten door de kades, de stuw en de benodigde aanpassingen om overlast te voorkomen bij inzet, die vooral lokaal kunnen optreden.

Tijdelijke effecten door de aanleg van kades en stuwen De aanleg is in feite alleen de aanleg van enkele kaden en de stuw. Dit vergt grondverzet en de aanleg van voorzieningen als fundament, installatie en bekabeling. De maatvoering is onder permanente effecten toegelicht. Tijdelijke effecten door de inzet van waterberging Wanneer de berging ingezet wordt, kunnen er tijdelijke effecten optreden door inundatie. De berging wordt alleen bij uitzondering ingezet (ieder jaar een kans op 1/100 jaar). Effecten van tijdelijke inundatie op bijvoorbeeld de natuur kunnen echter langere tijd doorwerken (STOWA, 2004; van Zoest, Maessen, & van der pouw Kraan, 2011). Daarnaast is aangenomen dat de waterberging plaatsvindt in de winter en dat de inundatieperiode maximaal een week duurt (worst case benadering). Deze aannames zijn gedaan op basis van Maasstanden uit het verleden. Na een analyse van de maasstanden hoger dan 8 meter +NAP blijkt dat deze enkel voorkomen in de maanden november tot en met maart, waarbij de hoogste Maasstanden in januari en februari plaatsvinden. Figuur 4-1 laat de Maasgolf uit 1995 zien.

40

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

11,0

Maasgolf 1995 bij Grave

m+ NAP

10,5 10,0 9,5 9,0 8,5 7-2-1995

6-2-1995

5-2-1995

4-2-1995

3-2-1995

2-2-1995

1-2-1995

31-1-1995

30-1-1995

29-1-1995

28-1-1995

27-1-1995

8,0 datum

Figuur 4-1 Maas-hoogwaterstanden in 1995

Permanente effecten Permanente effecten treden op door de kades, de stuw en de benodigde aanpassingen om overlast te voorkomen. Deze effecten treden met name lokaal op. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: • •

• • •

De kades hebben een talud van 1:3. De hoogte van de kade is maximaal 2,10 meter (inclusief 0,30 meter overhoogte ten opzichte van het waterpeil van de waterberging), zie onderstaand Figuur 4-2 voor een kade van 1,80 meter hoog. Figuur 4-3 geeft per alternatief de verschillende hoogtes van de kades weer, die afhankelijk is van de hoogteligging van het maaiveld. De kade mag niet begroeien met bos. De detailinrichting van de kades wordt in een vervolgproces nader besproken met de desbetreffende grondeigenaren. Het ruimtebeslag van de kades op de NNB moet gecompenseerd worden of waar mogelijk geïntegreerd worden in de kade. Per alternatief is aangegeven wat het ruimtebeslag is.

Figuur 4-2: Schetsontwerp kade bij hoogte 1,80 meter

41

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 4-3 Hoogtes van de kades per alternatief

Vijfpunts-schaal In het MER worden de varianten beoordeeld aan de hand van de in de vorige paragraaf beschreven beoordelingscriteria. Per milieuaspect zal het effect worden uitgedrukt op basis van onderstaande vijfpuntsschaal: Score

Uitleg

++

sterk positief effect

+

positief effect

0

geen positief en geen negatief effect

-

negatief effect

--

sterk negatief effect

Tabel 4-1: Uitleg effectscores.

Opbouw effecthoofdstukken In de effecthoofdstukken in het MER zullen we zoveel mogelijk de onderstaande indeling hanteren: • x.1 Huidige situatie en autonome ontwikkeling • x.2 Beoordeling • x.3 Compenserende en mitigerende maatregelen • x.4 Leemten in kennis Dit leidt tot een MER waarin per thema alle gegevens bij elkaar staan. 42

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

4.2

Effectbeoordelingskader

De beoordelingscriteria zijn verdeeld naar: tijdelijke effecten tijdens de aanleg, tijdelijke effecten bij de inzet 10 en permanente effecten. Onderstaande tabel geeft het effectbeoordelingskader weer dat gebruikt is.

Tabel 4-2 Effectbeoordelingskader MER Hoogwateraanpak Grave

Thema

Criteria: tijdelijke effecten - aanleg

Criteria: tijdelijke effecten - inzet

Criteria: permanente effecten

Bodem en water

n.v.t

• •

Waterstand in Grave Oppervlakte- en grondwaterkwaliteit

•

Bodemkwaliteit (sedimentatie)

Natuur

Beschermde soorten

•

Beschermde soorten

•

•

NNB: natuurbeheertypen ambitie Wet natuurbescherming: Beschermde soorten Natura 2000

11

•

Landschap

Archeologie

•

n.v.t.

• •

Visueel effect Cultuurhistorische waarden

Grondgebruik

Wonen: hinder

• •

Landbouw: effect inzet Gestremde wegen/paden

• •

Landbouw: ruimtebeslag Wonen: visueel effect

Overige gebruikers

n.v.t.

•

n.v.t.

•

Meekoppelkansen

•

Inundatieschade uitkeren

• • •

Planschade Beheer-/onderhoudskosten Baten

Financiële criteria • •

Financieel

4.3

Grondverwerving Aanlegkosten

Beoordelingsmethodiek

Onderstaande tabel vat de aanpak per criterium samen van de verschillende thema‟s.

Tabel 4-3 Aanpak van de beoordeling per criterium

Thema

Criterium

Aanpak

Bodem en water

Tijdelijke effecten inzet – Waterstand Op basis van berekeningen van waterstanden van het in Grave Waterschap is gekeken of alle alternatieven voldoen aan de maximale waterstand in Grave van 8,10m +NAP. Wanneer dit het geval is, hebben de alternatieven een zeer positieve beoordeling gekregen. Tijdelijke effecten inzet – Oppervlakte- en grondwaterkwaliteit

Kwel- en infiltratiekaarten zijn gebruikt om de effecten op grondwaterkwaliteit te bepalen.

Permanente effecten – bodemkwaliteit (sedimentatie)

Effect op bodemkwaliteit, risico op toevoegen van ernstige verontreiniging.

10

Door de Commissie voor de m.e.r. is n.a.v. de NRD gesignaleerd dat de tijdelijke effecten door slib en de permanente effecten van sedimentatie in wezen hetzelfde zijn. De tijdelijke effecten zijn niet relevant en dit criterium is daarom komen te vervallen. 11 Dit is een „knock out‟-criterium, en om die reden geaccentueerd in de tabel. Als een alternatief niet voldoet aan de maximale waterstand in Grave van 8,10 meter +NAP, dan valt dit af. 43

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Natuur

Landschap

Tijdelijke effecten aanleg Beschermde soorten

Mogelijke effecten op beschermde soorten (Wet Natuurbescherming), gebruik gemaakt van het NDFF.

Tijdelijke effecten inzet Beschermde soorten

Mogelijke effecten op beschermde soorten (Wet Natuurbescherming), gebruik gemaakt van het NDFF. De NDFF geeft de huidige situatie weer op basis waarvan inschattingen gemaakt zijn voor de alternatieven.

Permanente effecten – Beschermde soorten

Mogelijke effecten op beschermde soorten (Wet Natuurbescherming), gebruik gemaakt van het NDFF.

Permanente effecten – NNB

Wanneer de waterberging ingezet wordt, is dat van zichzelf tijdelijk, maar het effect ijlt lang na. Er is sprake van een worst case situatie waarin het gebied voor maximaal een week onder water staat. In de toetsing worden de plusalternatieven beoordeeld, deze zijn inclusief maatregelen opgesteld samen met het Brabants Landschap. De effecten op NNB ten gevolge van inundatie en het afzetten van slib zijn beschreven. (Info voor Raam: Watersysteemanalyse, extrapoleren bij verdunning, habitatgegevens, ligging ten opzichte van waterdiepte)

Permanente effecten – Natura 2000

Aerius-berekening stikstofdepositie door inzet materieel t.b.v. waterberging.

Tijdelijke effecten aanleg Archeologie

A.h.v. AMK en IKAW-kaarten zijn archeologische effecten ingeschat.

Permanente effecten – visueel effect Landschapsbeschrijving en wat daarin visueel wijzigt

Grondgebruik

Permanente effecten – cultuurhistorische waarden

A.h.v. IKAW-kaarten en beleid i.r.t cultuurhistorie zijn archeologische effecten ingeschat.

Tijdelijke effecten aanleg – wonen: hinder

Hinder bij aanleg (geluid, verkeer, bereikbaarheid)

Tijdelijke effecten inzet – Gestremde Hinder bij inzet waterberging; gestremde wegen/paden wegen/paden door waterberging. Permanente effecten – ruimtebeslag De landbouwsituatie is geduid a.h.v. LGN5. op landbouw

Overige gebruikers

Permanente effecten – wonen: visueel effect

Uitzicht vanuit woningen en vanaf erf.

Permanente effecten – meekoppelkansen

Er is gekeken of de alternatieven leiden tot meekoppelkansen.

Tijdelijke effecten aanleg Grondverwerving

De verschillen in grondverwervingskosten tussen de alternatieven zijn bekeken aan de hand van eigendommenkaarten.

Tijdelijke effecten aanleg Aanlegkosten

Aanlegkosten van de kades en stuwen.

Tijdelijke effecten inzet – Inundatieschade uitkeren

Aantal ha landbouwgrond en natuurgronden, inundatieschade uitkering.

Permanente effecten – Planschade

Aantal eigenaren die extra geraakt worden ten opzichte

Financiële criteria Kosten

44

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

van de huidige dubbelbestemming waterberging in het geldende bestemmingsplan Permanente effecten – Beheer-/ onderhoudskosten

Additionele beheer- en onderhoud van de aan te leggen stuwen en kades

Permanente effecten – Baten

Nevenbaten

45

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

5

BODEM EN WATER

5.1

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

Bodem De Graafsche Raam, zijbeken en bovenloop liggen in een laagvlakte die zich uitstrekt tussen de stuwwal rondom Nijmegen in het noorden en de Peelhorst in het zuiden. Deze circa 30 kilometer brede vlakte is gevormd door de Maas en de Rijn, die hier sinds de voorlaatste ijstijd doorheen stroomden. De hoogteligging van de Raamvallei kan grofweg in tweeën worden verdeeld (zie Figuur 5-3). Een hoger gelegen westelijk deel en een lager gelegen oostelijk deel met een gemiddeld hoogteverschil van ongeveer 5 meter. De overgang is vrij scherp en volgt grofweg de lijn Reek-St Hubert. Ten zuiden van Sint Hubert loopt deze lijn wel door, maar is de overgang minder scherp. Door deze tweedeling in het maaiveld bestaat er ook een tweedeling in het afwateringspatroon in het studiegebied. In het westelijk deel is de globale afwateringsrichting zuidwest-noordoost, van het hoge naar het lage terras. Op het lage terras is de globale afwateringsrichting zuidoost-noordwest, gelijk aan de vroegere dalhelling van het lagere rivierterras. De Raam ligt aan de westelijke rand van het lage terras en vangt daarmee het water op van de in noordoostelijke richting stromende beken. In het maaiveld is duidelijk het dal te herkennen van de Hooge Raam. Figuur 5-1 laat de bodemkaart van het gebied zien.

Te zien is dat het beekdal ligt op meerveengronden op zand zonder humuspodzol (beginnend ondieper dan 120 cm) en beekeerdgronden. De locaties bodemverontreiniging zijn te zien op Figuur 5-4.

Figuur 5-1 Bodemkaart.

46

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 5-2 Legenda Bodemkaart

47

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 5-3 Hoogtekaart van de Raamvallei

Figuur 5-4 Locaties bodemverontreiniging. Bron: Bodemloket 48

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Grond- en oppervlaktewatersysteem Voor een beschrijving van het huidige watersysteem in de Raamvallei, zie paragraaf 2.1. Figuur 5-5 laat o.a. de locaties van de watergangen, stuwen en duikers zien. In de huidige situatie hebben de Lage Raam en Graafsche Raam een beleidsmatige beekdalcontour, waarbinnen het waterschap niet meer dan T10 borgt (buiten het NNB). Het grondwater is van het calciumbicarbonaat-type wat over het algemeen duidt op grondwater dat langere tijd onderweg is geweest in de ondergrond en kalklagen heeft gepasseerd (Waterschap Aa en Maas, 2017a). De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) varieert van maaiveldhoogte tot 120 cm beneden maaiveld (zie Figuur 5-7). De GLG zakt in een groot deel van het gebied verder weg dan 120 cm. Dit resulteert in droogteproblemen op de bovenstrooms gelegen zandgronden. Voor agrariërs wordt dit echter niet overal als probleem ervaren, omdat agrariërs hun gronden beregenen vanuit het grondwater. In de GGOR is opgenomen dat het streefpeil op een aantal plaatsen omhoog gaat om droogteproblemen te voorkomen.

Figuur 5-5: Watersysteem Raamvallei

49

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 5-6: Streefpeilen van de stuwen in meters +NAP

Figuur 5-7: Gemiddelde Hoogste Grondwaterstanden en Gemiddelde Laagste Grondwaterstanden voor de periode 2007-2017 50

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Oppervlaktewaterkwaliteit De normen voor de fysisch-chemische waterkwaliteit (KRW) worden binnen het plangebied van de Raamvallei niet in alle waterlichamen behaald (Waterschap Aa en Maas, 2017a). Figuur 5-8 laat echter zien dat de waterkwaliteit stroomopwaarts matig tot goed is, volgens de KRW normen. Met name stikstof is een belangrijk knelpunt, maar ook andere chemische stoffen zoals enkele zware metalen voldoen nog niet aan de norm. In Tabel 5-1 is de waterkwaliteit per waterlichaam weergegeven. De macrofaunagemeenschap duidt op stilstaand tot langzaam stromend water met een verhoogde voedselrijkdom en organische belasting. In het veld wordt ook op meerdere locaties een sliblaag op de bodem geconstateerd. In het slib in de watergangen bevinden zich voedingsstoffen. Op het merendeel van de meetlocaties heeft de waterbodem een matige tot hoge potentie tot nalevering van fosfor. In de Raamvallei is er sprake van normoverschrijdingen ten aanzien ammonium en zware metalen (nikkel, zink en kobalt). In de Raamvallei worden geen normoverschrijdingen aangetroffen voor gewasbeschermingsmiddelen. De waterlichamen in het gebied worden gebaggerd. Hierbij wordt het slib op het omliggende land afgezet voor zover het landbouwgrond betreft. Dit gebeurt enkel wanneer geconstateerd is dat het slib van voldoende kwaliteit is.

Indien dit niet het geval is wordt het slib afgevoerd naar een depot.

Figuur 5-8: Waterkwaliteit, totaalbeeld toestand algemeen fysisch-chemische parameters periode 2013-2015. Parameters Ntot, Ptot, Cl, pH, T en O2 (Waterschap Aa en Maas, 2017a).

51

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Tabel 5-1: Totaaloverzicht toestand fysisch-chemische waterkwaliteit per waterlichaam met daarbij aangegeven de parameter(s) die bepaalt(bepalen) dat de toestand niet goed is

5.2

Beoordeling

De onderstaande tabel geeft de effectbeoordeling van alternatief 1, 2 en 3 weer. De alternatieven zijn met de referentiesituatie vergeleken. Na de tabel wordt de effectbeoordeling per criterium toegelicht. Thema

Criteria

Alternatief 1: Bovenstrooms van EgwegRotscheweg

Alternatief 2: Bergingen Kammerberg en Meulengat

Variant 2a: Berging Meulengat

Alternatief 3: Berging bovenstrooms Grave

Voldoet

Voldoet

Voldoet

0 Tijdelijke effecten inzet – Oppervlakte- en grondwaterkwaliteit

0

0

0

0

0

0

0

Tijdelijke effecten Voldoet Bodem en Water inzet - Waterstand in Grave

Permanente effecten – bodemkwaliteit (sedimentatie)

5.2.1

Tijdelijke effecten inzet - Waterstand in Grave

Bij inzet van de bergingsgebieden geldt dat de waterstand in Grave op 8,10 meter +NAP gehouden wordt. Dit geldt voor alle alternatieven. In de referentiesituatie, wanneer er stroomopwaarts (ten zuiden van Grave) geen water geborgen wordt, loopt de waterstand in Grave bij een T25 situatie in het Raam-stroomgebied in combinatie met een T100 situatie in de Maas op tot boven 8,10 meter +NAP. Alle alternatieven zorgen dus voor een verlaagd risico van (te) hoge waterstand in Grave. Alle alternatieven voldoen aan de projectdoelstelling.

5.2.2

Tijdelijke effecten inzet – Oppervlakte- en grondwaterkwaliteit

Het water is stroomopwaarts van matige kwaliteit. Dit betekent dat het gebiedsvreemde water dat terecht komt in de waterberging van mindere kwaliteit kan zijn dan het al aanwezige oppervlaktewater in de bergingsgebieden. Er is dus een potentieel negatief effect op de oppervlaktewaterkwaliteit gedurende de inzet van de waterberging. Dit geldt voor alle alternatieven. Dit wil echter niet zeggen dat dit potentieel 52

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

negatieve effect ook leidt tot verslechtering van de oppervlakte- en grondwaterkwaliteit in het gebied. Om te bepalen of dit het geval is, is gekeken naar locaties van infiltratie- en/of kwelgebieden. Wanneer een gebied met name een infiltratiegebied is (en geen kwelgebied) is het effect op de oppervlakte- en grondwaterkwaliteit in potentie groter. Echter, in de infiltratiegebieden geldt dat er ten gevolge van inundatie een minimaal effect optreedt op de grondwaterkwaliteit vanwege de beperkte duur en beperkte frequentie van vermenging van gebiedsvreemd water met het oppervlakte- en grondwater. In het stroomgebied de Hooge Raam en rondom de terrasrand zijn duidelijke infiltratiezones zichtbaar. Vanuit deze zones stroomt het water naar de waterlopen en/of de Maas (Waterschap Aa en Maas, 2017a). Ook op kleinere schaal zijn er ruimtelijke infiltratie-kwel patronen te zien (zie Figuur 5-9). Bij de kwelgebieden geldt dat er geen effect optreedt. De vermenging met het grondwater vindt enkel plaats in de bovenste laag, de kwel drukt het gebiedsvreemd water omhoog. Het effect treedt alleen op wanneer de waterbergingsgebieden ingezet worden en is dus tijdelijk. Gezien de beperkte frequentie en duur van de inundatie is het effect nihil. Gebiedsvreemd water mengt zich dus maar beperkt met het grondwater.

De grondwaterkwaliteit wordt daarmee niet tot nauwelijks beïnvloed door gebiedsvreemd water. Voor alle alternatieven geldt dat de effecten op de grondwaterkwaliteit verwaarloosbaar zijn. De alternatieven zijn daarmee als neutraal (0) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.

Figuur 5-9: Kwel- en infiltratiekaart (Waterschap Aa en Maas, 2017a).

5.2.3

Permanente effecten - Bodemkwaliteit (sedimentatie)

Effecten op de bodemkwaliteit kunnen optreden door sedimentatie, maar ook door sanering van bodemverontreiniging. Er zijn geen boringen uitgevoerd in het deelgebied om het nutriëntengehalte te bepalen. Bij hogere grondwaterstand bestaat een zeker risico van uitspoeling van fosfaat, hetgeen negatief is voor de gewenste natuurontwikkeling. Gezien het extensieve gebruik is de verwachting echter dat het fosfaatgehalte niet hoog is, dus de kans op uitspoeling is beperkt.

53

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Daarnaast komen de kades niet te liggen op locaties waar nader bodemonderzoek nodig is of waar bodemverontreiniging bekend is. De voorgenomen activiteit leidt niet tot bodemsanering of afgraving ten behoeve van het verminderen van bodemverontreiniging. De mogelijke effecten op de bodemkwaliteit worden dus enkel veroorzaakt door sedimentatie. In de huidige situatie worden de waterlopen in het gebied gebaggerd. Terreinbeheerders zoals het Brabants Landschap en Staatsbosbeheer hebben een ontvangstplicht van gebaggerd slib. In de praktijk wordt er gezocht naar afzetlocaties van slib op terreinen anders dan de natuurgronden. In de huidige situatie vindt dus geen slibafzetting door baggerwerkzaamheden op de natuurgronden plaats. Wat betreft sedimentatie geldt dat er door de reguliere baggerwerkzaamheden aan de waterlopen een beperkte hoeveelheid additionele afzetting van slib te verwachten is. Dit betekent dat de permanente effecten op bodemkwaliteit door slibafzetting verwaarloosbaar zijn. Dit geldt met name voor landbouwgronden die inunderen, omdat het slib hier al afgezet wordt. De kwetsbare natuurgronden worden in de plusalternatieven voor inundatie beschermd. Al met al zijn de verwachte permanente effecten op de bodemkwaliteit te verwaarlozen. Dit geldt voor alle alternatieven. De alternatieven zijn daarom als neutraal (0) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.

5.3

Compenserende en mitigerende maatregelen

Er zijn geen compenserende en mitigerende maatregelen nodig.

5.4

Leemten in kennis

Op Figuur 5-4 is te zien dat er een aantal locaties bodemverontreiniging is met een onbekende status. Relevante locaties betreffen de locaties ten zuiden van Escharen en ten zuiden van Grave. Nader onderzoek kan uitwijzen of er meekoppelkansen zijn voor bodemsanering bij het aanleggen van de kades voor alternatieven 2+ en 3+. Indien dit het geval is, dan gaat dit vanzelfsprekend ook gepaard met hogere kosten. Deze leemte in kennis staat verdere besluitvorming over het bestemmingsplan niet in de weg.

54

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

6

NATUUR

6.1

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

Een (relatief groot) deel van het plangebied bestaat uit NNB (Natuur Netwerk Brabant). De Hooge Raam is daarbinnen aangewezen als natuurparel. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft St. Jansberg, op iets meer dan 12 kilometer afstand. De belangrijkste autonome ontwikkeling aangaande natuur is GGOR. Vanuit GGOR wordt gestreefd naar optimale grondwaterstanden voor de betreffende functie van de gronden. Bij de beoordeling is er vanuit gegaan dat GGOR zoals in de gebiedsontwikkeling Raamvallei wordt nagestreefd. Het stroomgebied van de Raam bestaat uit meerdere beektakken en deelstroomgebieden (Peelkanaal, Laarakkersche Waterleiding, Hooge Raam en Lage Raam). Deze beektakken en deelstroomgebieden komen tezamen in de Lage Raam of Graafsche Raam. De Graafsche Raam mondt uit in de Maas. Aan de zuidwestzijde van het stroomgebied van de Raam ligt de terrasrand. Op deze rand komt kwel naar de bovengrond en ontstaan potenties voor schrale, kwelgebonden vegetatietypen. Langs de beken liggen lagere gronden met een afwisseling van (bloemrijke) graslanden en bosjes. Het landschap van het beekdal heeft een kleinschalig en besloten karakter, vooral door de aanwezigheid van landgoederen zoals Russendael, Tongelaar en Ossenbroek. In potentie bezitten de meeste beken nog hoge ecologische waarden.

Ook de gebieden langs de beken zijn, als beekdalgraslanden, van belang voor het ecologisch functioneren van het gebied. Er komen nog zeldzame aan beekdalen gebonden plantengemeenschappen voor, afgewisseld met soorten die broek- en kwelgebieden kenmerken. Vooral de natuurbeheertypen op de landgoederen zijn sterk afhankelijk van hoge grondwaterstanden en een goede waterkwaliteit. Voor het plangebied zijn de natuurbeheertypen en ambities bekend. We hebben op dit moment nog geen inzicht in de werkelijke situatie (welk stadium in de ontwikkeling van deze natuurbeheertypen), en gaan er bij de effectbeoordeling vanuit dat de natuurbeheertypen in 2028 bereikt zijn. De kwaliteit hangt o.a. samen met in welke mate de gewenste GGOR (gewenst grond- en oppervlaktewaterregime) al bereikt is of bereikt gaat worden de komende periode (bepalen van de autonome ontwikkeling / referentiesituatie).

Figuur 6-1: Natuurnetwerk Brabant (NNB)

55

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 6-2: Natuurbeheertypenkaart en Figuur 6-3: Legenda Natuurbeheertypen (ambitiekaart)

Tabel 6-1 presenteert de beschermde soorten die in de huidige situatie voorkomen in het plangebied voor zover opgenomen in het NDFF. Uitgangspunt is dat deze soorten ook in de autonome situatie nog steeds voorkomen eventueel aangevuld met nieuwe soorten die het gebied mogelijk koloniseren zoals de otter. In het NDFF zijn geen gegevens van vaste nesten bekend. Aangenomen wordt dat in ieder geval algemenere roofvogels voor kunnen komen in het gebied.

Tabel 6-1 Beschermde soorten in plangebied

Soortgroep

Relevante aanwezige beschermde soorten

Planten

Knollathyrus

Zoogdieren

Bever, rosse vleermuis, bunzing, steenmarter, das, eekhoorn, wezel, otter (potentieel)

Amfibieën

Kamsalamander, alpenwatersalamander

Insecten en dagvlinders

Beekrombout, gevlekte witsnuitlibel

Vogels (jaarrond beschermde nesten)

Buizerd, havik, steenuil

Broedvogels algemeen

Diversen

57

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

6.2

Beoordeling

De onderstaande tabel geeft de effectbeoordeling van alternatief 1, 2 en 3 weer. De alternatieven zijn met de referentiesituatie vergeleken. Na de tabel wordt de effectbeoordeling per criterium toegelicht.

Thema

Beoordelingscriteria

Alternatief 1: Berging bovenstrooms van EgwegRotscheweg

Alternatief 2: Bergingen Kammerberg en Meulengat

Variant 2a: Berging Meulengat

Alternatief 3: Berging bovenstrooms Grave

Natuur

Tijdelijke effecten aanleg Beschermde soorten

-

-

-

-

Tijdelijke effecten inzet - Beschermde soorten

-

-

-

0

Permanente effecten – Beschermde soorten

0

0

0

0

Permanente effecten – NNB

-

--

-

-

Permanente effecten – Natura 2000

0

0

0

0

6.2.1

Effecten op beschermde soorten

Effecten op beschermde soorten treden mogelijk op in drie fases: tijdens de aanleg van de kades en stuwen, tijdens de inzet van de waterberging, en permanente effecten. Zie bijlage D voor kaarten waarop de leefgebieden van beschermde soorten weergegeven zijn.

58

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Tijdelijke effecten aanleg De aanleg van kades en stuwen kan leiden tot een tijdelijke verstoring van beschermde soorten. Dit geldt met name voor grondgebonden soorten, zoals de das. Tabel 6-2 presenteert de tijdelijke effecten door de aanleg van kades en stuwen die optreden bij relevante aanwezige beschermde soorten in het gebied. Omdat er mogelijk negatieve effecten optreden op de das worden alle alternatieven negatief (-) beoordeeld.

Tabel 6-2 Tijdelijke effecten aanleg op soorten

Soortgroep

Relevante aanwezige beschermde soorten

Tijdelijke effecten aanleg

Planten

Knollathyrus

N.v.t.

Zoogdieren

Bever, otter

Neutraal; de kades worden niet aangelegd in gebieden waar deze soorten voorkomen

Rosse vleermuis

Neutraal

Steenmarter

Neutraal; het leefgebied van de steenmarter valt buiten de locaties waar kades en stuwen aangelegd worden

Das

Negatief; een mogelijk effect. Nader onderzoek moet uitwijzen waar dassenburchten zijn. Voor alle alternatieven geldt dat kades en stuwen aangelegd worden in leefgebieden van de das.

Amfibieën

Kamsalamander, alpenwatersalamander

Geen effecten.

Insecten en dagvlinders

Beekrombout, gevlekte witsnuitlibel

Neutraal; de kades worden niet aangelegd in gebieden waar deze soorten voorkomen

Vogels

Buizerd, havik, steenuil

Indien bij aanleg kades bomen gekapt moeten worden en hier is sprake van nesten dan kan een negatief effect optreden

Broedvogels algemeen

Diversen

Verwaarloosbare verstoring als gewerkt wordt buiten het broedseizoen.

59

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Tijdelijke effecten inzet Inundatie met vervuild water (zware metalen en slib) kan leiden tot negatieve effecten op het leefgebied (STOWA, 2004; Runhaar & Jalink, 2007). Tabel 6-3 presenteert de tijdelijke effecten die optreden door de inzet van waterberging bij relevante aanwezige beschermde soorten in het gebied. Zie bijlage D voor kaarten waarop de leefgebieden van beschermde soorten weergegeven zijn. Al met al kan geconcludeerd worden dat er enkel mogelijk negatieve effecten optreden op de knollathyrus en de kamsalamander. Dit geldt voor alternatieven 1 en 2. Deze alternatieven worden daarom als negatief (-) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Alternatief 3+ krijgt een neutrale (0) score, omdat de knollathyrus en de kamsalamander niet in de inundatiegebieden van dit alternatief voorkomen.

Tabel 6-3 Tijdelijke effecten door inundatie

Soortgroep

Relevante aanwezige beschermde soorten

Planten

Knollathyrus

Mogelijk negatief; de knollathyrus komt voor op locaties waar sprake is van waterberging. Dit geldt voor alternatieven 1 en 2. Door slibafzetting kan het leefgebied van deze beschermde soort aangetast worden. Het effect hangt af van de hoeveelheid slib en kwaliteit van het slib dat afgezet wordt.

Zoogdieren

Bever, Rosse vleermuis

Neutraal; functionaliteit van het leefgebied van de beschermde soorten verandert niet.

Steenmarter

Neutraal; functionaliteit van het leefgebied van de beschermde soorten verandert niet.

Das

Neutraal; de das moet vluchten maar er zijn voldoende hoge gronden met bestaand foerageergebied in de nabije omgeving. Dit geldt voor alle alternatieven.

Amfibieën

Tijdelijke effecten inzet

Kamsalamander, alpenwatersalamander Mogelijk negatief; het leefgebied van de kamsalamander ondervindt mogelijk nadelige effecten wanneer er overstromingen van afgesloten wateren optreden. Beekrombout, gevlekte witsnuitlibel

Vogels

Algemene broedvogels, havik, buizerd, Neutraal; geen effect ten gevolg van inundatie steenuil

60

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Permanente effecten Tabel 6-4 presenteert de permanente effecten die optreden bij relevante aanwezige beschermde soorten in het gebied. Zie bijlage D voor kaarten waarop de leefgebieden van beschermde soorten weergegeven zijn. Voor alle alternatieven geldt dat de permanente effecten op beschermde soorten verwaarloosbaar klein zijn. De alternatieven worden daarom als neutraal (0) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.

Tabel 6-4 Permanente effecten op beschermde soorten

Soortgroep

Relevante aanwezige beschermde soorten

Permanente effecten (na afronding)

Planten

Knollathyrus

Verwaarloosbaar; de knollathyrus komt voor op locaties waar sprake is van waterberging. Dit geldt voor alternatieven 1 en 2. Door slibafzetting kan het leefgebied van deze beschermde soort aangetast worden. Echter, wordt verwacht dat dit effect verwaarloosbaar klein is, vanwege de relatief kleine hoeveelheid afzetting van slib (door reguliere baggerwerkzaamheden) en de relatief lage frequentie waarmee waterberging ingezet wordt (1/100 jaar).

Zoogdieren

Bever, Otter, Rosse vleermuis

Neutraal; functionaliteit van het leefgebied van de beschermde soorten verandert niet.

Steenmarter

Neutraal; functionaliteit van het leefgebied van de beschermde soorten verandert niet.

Das

Neutraal; functionaliteit van het leefgebied van de beschermde soorten verandert niet.

Amfibieën

Kamsalamander

Neutraal; functionaliteit van het leefgebied van de beschermde soorten verandert niet.

Insecten en vlinders

Beekrombout, gevlekte witsnuitlibel

Neutraal; functionaliteit van het leefgebied van de beschermde soorten verandert niet.

Vogels

Buizerd, havik, steenuil

Neutraal; functionaliteit van het leefgebied van de beschermde soorten verandert niet.

6.2.2

Permanente effecten NNB-gebieden

Ruimtebeslag door kaden/stuw Aan de hand van een worst case-kade van 1,80 meter hoog en 14,80 meter breed, is het ruimtebeslag van de NNB berekend. Hierop is nog een aanzienlijke optimalisatie mogelijk, die in het kader van het projectplan Waterwet doorgevoerd zal worden. Aangezien voor iedere aantasting door ruimtebeslag op NNB sowieso compensatie verplicht is, is het effect van alle alternatieven neutraal gesteld.

61

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Tabel 6-5 Ruimtebeslag op NNB door worst case-kade

Alternatief 1

Alternatief 2

Variant 2a

Alternatief 3

Kade gaat voor een groot deel over de Egweg, is dus ophoging Egweg. Aanname hierbij is dat dat niet leidt tot extra ruimtebeslag.

Kade bij Kammerberg gaat over Kammerbergweg. Bij Meisevoort zelfde redenatie, dus geen extra ruimtebeslag.

Geen kade bij Kammerberg; dus geen ruimtebeslag op NNB-gebieden bij Kammerberg.

Kade bij Grave gaat over lengte van 194 m door NNB, uitgaande van 14,8 m breedte (worst case) komt dit neer op ruimtebeslag van 2871 m2 = 0,29. ha.

Het westelijk deel is er wel extra ruimtebeslag op NNB over een lengte van 469 meter. Aangenomen dat de kade worst case 14,80 meter breed is, dan leidt dat tot een ruimtebeslag op NNB van 6941 m2 = 0,69 ha.

Kade bij Escharen gaat voor een deel over verlengde van Honsdijk, en voor een lengte van 276 door NNB (niet over weg). Dit komt neer op een ruimtebeslag van 4085 m2 = 0,41 ha.

Kade bij Escharen gaat voor Kade bij Escharen gaat niet een deel over verlengde van door NNB. Honsdijk, en voor een lengte van 276 door NNB (niet over weg). Dit komt neer op een ruimtebeslag van 4085 m2 = 0,41 ha.

Inundatie Ten gevolge van tijdelijke waterberging wordt slib afgezet. Dit kan effecten hebben op de (gewenste) natuurdoelen. Slib kan leiden tot verstikking van bodemleven, een toename van voedingstoffen en vertroebeling (in open water). De effecten die optreden hangen af van de kwaliteit van het slib. Ook nalevering van voedingsstoffen (met name fosfor) vanuit slib speelt een rol. De tijdsduur waarop het systeem zich weer hersteld hangt af van het betreffende natuurbeheertype. Bijvoorbeeld graslanden zijn sneller hersteld, doordat afvoer van voedingstoffen middels maaien kan plaatsvinden, dan bossen. Daarnaast kan inundatie met voedselrijk water leiden tot een toename van voedingsstoffen in de bodem. Hierbij is de nutriëntenbelasting, die zich vooral uit in relatief hoge stikstofgehaltes in het oppervlaktewater, een bepalende factor. Afhankelijk van de buffering kan dit leiden tot verruiging. De belangrijkste effecten op de natuurbeheertypen van het NNB bestaan uit inundatie met stikstofrijk water en afzet van slib. Inundatie met (stikstofrijk) water leidt vooral op locaties waarbij de grondwaterstand lager is dan maaiveld tot effecten. Deze effecten zijn afhankelijk van de voedselrijkdom en de inundatietolerantie. Afzetting van slib leidt naar verwachting tot het grootste effect vanwege verstikking en nalevering van fosfor.

Sommige natuurbeheertypen zijn meer gevoelig voor inundatie dan andere. Met name laagproductieve, zwak of niet gebufferde systemen (zoals heide, vennen, arme bossen) zijn gevoelig voor inundatie (Besselink, Logemann, van de Werfhorst, Jansen, & Reeze, 2017). In Tabel 6-6 is een overzicht gegeven van de oppervlaktes per natuurbeheertype per variant waarbij er sprake is van inundatie tijdens waterberging. In de tabel is met kleuren aangeven of een natuurbeheertype gevoelig is voor inundatie. Deze tolerantie gaat uit van inundatie met relatief schoon water en houdt nog geen rekening met de betreffende waterkwaliteit. In de laatste kolom is aangeven in welke mate een natuurtype gevoelig is voor slib. De indeling is gebaseerd op het feit dat voedselarme natuurtypen gevoeliger zijn voor “bemesting” met organisch materiaal. Ook is de nutriëntenbelasting, die zich vooral uit relatief hoge stikstofgehaltes in het oppervlaktewater een bepalende factor.

62

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Tabel 6-6 Inundatietolerantie en gevoeligheid voor slib per natuurbeheertype en alternatief

Ambitie NBT Natuurbeheertype

Alt. 1

Alt. 2

Var. 2a

12

.

Alt. 3

Inundatie tolerantie

Oppervlakte (ha)

Gevoelig voor slib

N01.03

Rivier- en moeraslandschap

-

0,62

0,94

0,40 hoog

gevoelig

N01.04

Zand- en kalklandschap

-

0,42

0,75

0,36 ja winter

sterk

N03.01

Beek en Bron

9,76

12,44

11,20

13,00 hoog

beperkt

N04.02

Zoete plas

0,33

0,87

0,88

1,50 hoog

sterk

N05.01

Moeras

16,11

17,42

17,97

17,83 hoog

gevoelig

N10.02

Vochtig hooiland

33,20

55,17

25,48

18,44 ja winter

sterk

N12.02

Kruiden- en faunarijk grasland

17,83

17,79

11,90

8,28 ja winter

beperkt

N12.05

Kruiden- en faunarijke akker

0,03

1,49

0,02

- ja winter

beperkt

N12.06

Ruigteveld

6,64

7,49

6,44

6,09 hoog

beperkt

N14.01

Rivier- en beekbegeleidend bos

9,26

13,53

9,40

9,29 hoog

beperkt

N14.03

Haagbeuken- en essenbos

9,52

12,28

7,21

3,32 geen

sterk

N15.02

Dennen-, eiken- en beukenbos

0,22

0,09

0,27

0,06 geen

sterk

N16.01

-

-

-

0,37

N16.02

-

-

-

0,39

102,90

139,62

92,47

79,31

TOTAAL (ha)

Hierboven is vooral ingegaan op het directe effect van inundatie op de natuurbeheertypen. In de beoordeling is het echter van belang of een incidentele inundatie uiteindelijk leidt tot aantasting van bestaande waarden en het niet behalen van de doelen. Er is weinig bekend over het herstelvermogen en dan met name de termijn waarop een natuurbeheertype zich kan herstellen na inundatie en slibafzetting. Ook is een dergelijk vermogen sterk afhankelijk van verschillende factoren (fase waarin natuurbeheertype zich in bevindt, grondwaterstanden, beheer etc.). Een natuurbeheertype kan zich mogelijk wel binnen een aantal jaren herstellen. Toch kunnen essentiële soorten, kenmerkend voor dit type, dusdanig aangetast zijn dat de kwaliteit van het natuurbeheertype ook op langere termijn lager is. Er spelen verschillende typen effecten een rol: •

De tijdelijke beïnvloeding door (stikstofrijk) water zal leiden tot een tijdelijke achteruitgang van de kwaliteit van het natuurbeheertype. De verwachting is dat het systeem zich op termijn daarna hersteld en dat er geen permanente schade optreedt.

12

Inundatietolerantie is bepaald op basis van van der Meulen, 2002. Vanuit de begeleidingsgroep heersen er twijfels over de hoge inundatietolerantie van „Vennen‟ en „Soortenrijk water‟. Voor de effectbeoordeling is deze leemte in kennis voor „Vennen‟ niet relevant, omdat dit natuurbeheertype niet inundeert tijdens de inzet van waterberging. Deze komt niet meer voor in de lijst. 63

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

•

•

Het afzetten van slib kan door verstikking en nalevering dusdanig effect op het natuurbeheertype hebben (rode vakken in bovenstaande tabel), dat herstel veel tijd vraagt of niet meer mogelijk is. Indien kenmerkende soorten verdwijnen, dan is hervestiging een langdurig proces. Effecten op lange termijn kunnen dan ook niet worden uitgesloten. Het slib kan zware metalen bevatten die na overstroming permanent in de bodem kunnen achterblijven. Het is niet uitgesloten, dat deze vaak in lage concentraties aanwezige stoffen kunnen leiden tot permanente effecten.

In het advies van de Commissie-m.e.r. wordt aangegeven dat in beeld moet worden gebracht of het project kan leiden tot ontwikkeling van nieuwe biotopen, die aanpassing van de doelen of (op onderdelen) de ligging van het NNB tot gevolg kunnen hebben.

Beoordeling NNB De belangrijke verschillen tussen de alternatieven, rekening houdende met de tolerantie en slibgevoeligheid, zitten vooral in de invloed op: • • • • •

•

Haagbeuken- en essenbos, dennen-, eiken- en beukenbos: alternatief 3+ scoort beter dan alternatieven 1+ en 2+. Zand- en kalklandschap: voor alle alternatieven geldt dat het oppervlak dat inundeert van dit natuurbeheertype relatief klein is (kleiner dan 1 ha). Zoet plas: voor alle alternatieven geldt dat het oppervlak dat inundeert van dit natuurbeheertype relatief klein is (kleiner dan 1 ha). Vochtig hooiland: bij alternatief 2 inundeert het grootste oppervlak vochtig hooiland. Dit ligt bij de Kammerberg. Dit gebied inundeert niet bij variant 2a. Alternatief 3 scoort relatief het beste. Variant 2a scoort gunstiger dan alternatief 2, waar het gaat om de inundatie van inundatie-intolerante en slibgevoelige natuurbeheertypen, met name voor vochtig hooiland. Derhalve kan variant 2a beschouwd worden als een voor natuur gunstiger variant van alternatief 2; Echter, in vergelijking met de alternatieven 1 en 3 scoort variant 2a niet gunstiger, maar vergelijkbaar. Het voordeel van meekoppelen van GGOR natuur, zoals bij alternatief 1 wel aan de orde, ontbreekt bij variant 2a.

Overigens zijn de meeste natuurgebieden met lage inundatietolerantie en hoge slibgevoeligheid in de plusalternatieven al voor inundatie beschermd, dankzij de met Brabants Landschap bepaalde maatregelen (zie kadertekst in paragraaf 3.3). Dit betekent dat er bij alternatieven vooral nog inundatie optreedt op natuurgronden die in mindere mate gevoelig zijn voor slib en inundatie. Om toch onderscheid te laten zien tussen de alternatieven, ligt de focus op de enkele hectares die nog wél inunderen en die inundatieintolerant zijn en/of slibgevoelig. Op grond van deze focus is ten opzichte van de referentie: • • • •

Alternatief 1 is beoordeeld als negatief (102,90 ha ruimtebeslag NNB). Alternatief 2 is beoordeeld als sterk negatief (139,62 ha ruimtebeslag NNB). Variant 2a is beoordeeld als negatief (92,47 ha ruimtebeslag NNB). Alternatief 3 is beoordeeld als negatief (79,31 ha ruimtebeslag NNB).

Natura 2000 Er is geen sprake van Natura 2000-gebieden in de omgeving. Effecten op Natura 2000 kunnen dan ook uitgesloten worden. De alternatieven scoren daarom neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie.

6.3

Compenserende en mitigerende maatregelen

Wanneer de leefgebieden van beschermde soorten in kaart gebracht zijn, kunnen mitigerende locatie specifieke maatregelen getroffen worden om de effecten op deze soorten tijdens de aanlegfase te verminderen. De volgende maatregelen kunnen getroffen worden: • •

Gefaseerd werken om verstoring te beperken; Werken buiten het broedseizoen en de gevoelige periode (voortplantingsperiode, winterperiode).

64

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Er is beperkt ruimtebeslag op NNB en dit zal gecompenseerd moeten worden. De omvang en aanpak zullen worden bepaald bij het projectplan Waterwet voor het gekozen voorkeursalternatief.

6.4

Leemten in kennis

De leefgebieden van de beschermde soorten zijn niet volledig in kaart gebracht. Dit is van belang voor het bepalen van de mitigerende locatie-specifieke maatregelen tijdens de aanlegfase. Een aanbeveling is dan ook om een aanvullend soortgericht onderzoek uit te voeren om zo mitigerende maatregelen te concretiseren. Deze leemten in kennis staan verdere besluitvorming over het bestemmingsplan niet in de weg, maar dienen wel nader onderzocht te worden bij verdere uitwerking van het ontwerp en het projectplan Waterwet.

65

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

7

LANDSCHAP

7.1

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

Waterschap Aa en Maas, de provincie Noord-Brabant en de gemeenten Grave, Mill & St. Hubert en Cuijk werken samen aan het duurzaam ontwikkelen van de Raamvallei (Gemeente Grave, 2014). Er zijn vier aspecten bepalend voor de cultuurhistorische kwaliteiten in het gebied: • • • •

Middeleeuwse ontginningen Kastelen en landgoederen Het systeem van de Beerse Maas De Peel-Raamstelling

Figuur 7-1 geeft een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) weer. Escharen en Grave liggen in cultuurhistorische landschappen. Tussen Escharen en Grave en ten oosten en zuiden van Escharen liggen kleinschalige archeologische landschappen. Rondom Escharen en richting het zuiden bevinden zich cultuurhistorische vlakken.

Figuur 7-1 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) Provincie Noord-Brabant. (Provincie Noord-Brabant, 2010).

Middeleeuwse ontginningen Wat de bewonings- en ontginningsgeschiedenis betreft, ligt het accent in de middeleeuwen. Vanuit de al bestaande nederzettingen zijn de randen van de beekdalen in gebruik genomen. Op de flanken van de e beekdalen werden nieuwe boerderijen gebouwd en akkers ingericht. Indrukwekkend is de 13 eeuwse broekontginning Hollanderbroek, met een gaaf bewaard gebleven dijkenpatroon en verkaveling. In het overige deel van het onderzoeksgebied is de inrichting en het landbouwkundig gebruik nauw gerelateerd geweest aan de terreingesteldheid. Op de flanken van de dekzandruggen kwamen grotere en kleinere 66

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

akkercomplexen tot ontwikkeling. De laaggelegen terreinen werden gebruikt als grasland en hooiland; de percelen waren vanouds omzoomd door elzensingels. Grote delen bleven echter ten gevolge van de regelmatige overstromingen onverdeeld en ongeperceleerd.

Kastelen en landgoederen De omgeving van de Graafsche Raam herbergt veel landgoederen, cultuurhistorische waardevolle gebouwen, maar ook bijzondere natuurgebieden en agrarische bedrijven. De Tongelaar is een oorspronkelijk e 13 eeuws kasteel. Barendonk en Ossenbroek zijn twee oude landgoederen, gesitueerd op de hogere gronden langs de raam. In de negentiende eeuw is de buitenplaats Russendaal gesticht, met zijn parkaanleg en laanstructuur. De kastelen en landgoederen hebben zich tot uitgestrekte landgoederen ontwikkeld met cultuurgronden, bossen en laanstructuren, die het landschapsbeeld van nu voor een belangrijk deel bepalen (Bureau Lantschap, 2010).

Het systeem van de Beerse Maas Het systeem van de Beerse Maas hield in dat de lage delen van het gebied regelmatig blank stonden als de Maas overstroomde via de overlaten bij Cuijk en Katwijk. Als deze binnendijkse rivier stroomde kon de Raam haar water ook niet meer kwijt en zette het broekgebied tussen Sint Hubert en Haps onder water. De hogere gronden werden door dijken beschermd tegen overstromingen, maar de vele wielen bij en kronkels in de Achterdijk van het Hollanderbroek en de Broekse Wielen bij NieuwGassel geven aan dat er diverse dijkdoorbraken zijn voorgekomen. Behalve de dijken herinneren ook de terpen, houtwallen en verhoogd aangelegde wegen aan de vroegere wateroverlast (Bureau Lantschap, 2010).

De Peel-Raamstelling De Raam is cultuurhistorisch ook interessant, omdat hier restanten van de Peel-Raamstelling uit de Tweede Wereldoorlog te vinden zijn. In de jaren ‟30 van de vorige eeuw werd een veertig kilometer lange verdedigingslinie aangelegd tussen Grave en Budel-Dorplein. De linie bestaat uit een reeks kazematten, voor een deel langs bestaande waterlopen (onder andere langs de Zuid-Willemsvaart), inundatiegebieden en een speciaal aangelegde tankgracht, het Peelkanaal, ook wel Defensiekanaal genoemd (Bureau Lantschap, 2010).

67

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 7-2: Cultuurhistorie

7.2

Beoordeling

De onderstaande tabel geeft de effectbeoordeling van alternatief 1, 2 en 3 weer. De alternatieven zijn met de referentiesituatie vergeleken. Na de tabel wordt de effectbeoordeling per criterium toegelicht.

68

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Thema

Beoordelingscriteria

Alternatief 1: Berging bovenstrooms van EgwegRotscheweg

Alternatief 2: Bergingen Kammerberg en Meulengat

Variant 2a: Berging Meulengat

Alternatief 3: Berging bovenstrooms Grave

Landschap

Tijdelijke effecten aanleg Archeologie

0

0

0

0

Permanente 0 effecten – visueel effect

0

0

-

Permanente 0 effecten – cultuurhistorische waarden

0

0

0

7.2.1

Tijdelijke effecten aanleg - Archeologie

Onderstaande kaart (Figuur 7-3) laat de terreinen met hoge archeologische waarde zien (AMK-terreinen, terreinen geregistreerd op de Archeologische Monumenten Kaart). Dit zijn terreinen van oudheidkundige betekenis die zijn aangewezen als behoudenswaardig (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2017). Voor alternatief 1 geldt dat de aan te leggen kade niet in de buurt ligt van AMK-terreinen. De kade ligt wel in een gebied met hoge tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde volgens de IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarden). De IKAW geeft een globaal beeld van de trefkans op archeologische resten in de bodem en onder water. Deze trefkans wordt per gebied van 50 bij 50 meter aangegeven met een van de categorieën: „hoge', „middelhoge', „lage' of „zeer lage' trefkans, dan wel: „niet gekarteerd'. Voor de aanleg van de kade hoeft echter niet gegraven te worden onder een halve meter onder maaiveld. De archeologische waarden worden daarom niet verstoord. Het aanleggen van de kade heeft dus geen effect op archeologische waarde in de omgeving. Alternatief 1 scoort derhalve neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie. De aan te leggen kade bij alternatieven 2 en alternatief 3 snijden een AMK-terrein (nummer 5156) ten zuiden van Escharen. Dit is een terrein met hoge archeologische waarde.

Echter, is op die locatie de kade relatief laag ten opzichte van het maaiveld, omdat de kade daar aansluit op de hoge gronden. Er vindt voor de aanleg van de kade geen verstoring van de bodem plaats en er treden dus ook geen effecten op archeologische waarden op. Alternatieven 2 en 3 krijgen daarom een neutrale (0) beoordeling ten opzichte van de referentiesituatie.

69

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 7-3: AMK-terreinen met hoge archeologische waarde en IKAW

7.2.2

Permanente effecten – visueel effect

Het landschap verandert doordat er op enkele locaties kades aangelegd worden. Deze kades zijn bij alle alternatieven maximaal 2,10 meter hoog (incl. 0,30 meter overhoogte). Dit is een worst case benadering, dat betekent dat de kades voor het grootste deel lager worden, zie Figuur 7-4. Nadere detaillering van het ontwerp volgt bij het projectplan Waterwet.

70

MILIEUEFFECTRAPPORT HOOGWATERAANPAK GRAVE

Figuur 7-4 Hoogtes van de kades per alternatief

De kades worden zoveel mogelijk ingepast in het landschap. Bij alternatieven 1 en 2 wordt er één kade aangelegd (de kade bij Kammerberg bestaat al bij alternatief 2, dus is geen nieuwe kade). Deze hebben een vergelijkbare lengte. Voor beide alternatieven geldt ook dat de kades in een relatief begroeid gebied liggen. De kades kunnen daarmee makkelijker ingepast worden in het landschap. Het visuele effect voor alternatief 1 en 2 is neutraal (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Voor alternatief 3 geldt dat er twee kades aangelegd worden. Deze kades komen rond het westen van Escharen te liggen en direct ten zuiden van Grave. Het landschap is hier meer open en er zijn meer woningen in de nabijheid. Omdat het een groter aantal en lengte kade betreft en de kades meer opvallen in het landschap wordt het zicht vanuit woningen verminderd. Dit resulteert in een negatief (-) visueel effect voor alternatief 3 ten opzichte van de referentiesituatie. Bij Escharen zijn er ook mogelijkheden om tuinen op te hogen in plaats van kades aan te leggen. Op deze locaties is het visuele effect beperkt. Echter, vanwege de benodigde kades ten zuiden van Grave blijft alternatief 3 negatief (-) scoren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=25d39101-f8a1-459b-ad95-8362a99e43bf