08 bijlage 03 - Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid.pdf
Tekst van het document
Nadere analyse kritieke kruisingen Voor de kruisingen tussen de Randweg Haps en N264 en de op- en afritten van de A73 zijn in het kader van de Randweg Haps extra kruispuntanalyses uitgevoerd. Deze extra analyses hadden betrekking op de kruisingen, zoals weergegeven in figuur 5.13 (de nr’s 1, 2 en 3 uit de figuur). Uit deze analyses (Kruispuntanalyse Randweg Haps - technische rapportage, Kragten augustus 2012) blijkt dat de kruisingen aangepast dienen te worden. Dit is overeenkomstig met de statische analyses (o.a. I/C-verhoudingen) die hiervoor zijn weergegeven. Bij de op- en afritten dienen in ieder geval met verkeersregelinstallaties (VRI’s) uitgerust te worden. De kruising Randweg Haps met de N264 kan als twee turborotondes of als 5-taksrotonde uitgevoerd worden. De voorkeur heeft het hier echter ook om met een verkeersregelinstallatie uitgerust te worden. De kruisingen 0 en 1 uit figuur 5.13 kunnen dan worden samengevoegd. Uitgaande van een oplossing met VRI’s bij de beschouwde kruisingen uit figuur 5.13 kan het netwerk nog circa 15% extra verkeer verwerken binnen de maximale cyclustijd van 120 seconden van het maatgevende kruispunt. Deze oplossing wordt gerealiseerd binnen het project Randweg Haps en is derhalve voldoende robuust om vanuit te gaan bij deze planvorming.
blad 49 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
Door deze oplossing wordt ook een eventuele extra druk op het hoofdwegennet verminderd (toestroom wordt namelijk gereguleerd via de drie verkeersregelinstallaties (VRI’s). De effectscore blijft echter licht negatief (-) vanwege de toename van het verkeer.
figuur 5.13 Nadere analyse kruisingen in het kader van de Randweg Haps
Sluipverkeer De realisatie van Laarakker Zuid heeft een toename van het verkeer als gevolg. Het grootste deel van dit extra verkeer zal echter direct de A73 gebruiken of de Randweg. Een klein percentrage van het verkeer kiest een route over lokale wegen. Dit is veelal bestemmingsverkeer en heeft weinig andere keuzes. Dit verkeer kan derhalve ook niet aangemerkt worden als sluipverkeer. Verkeersveiligheid Het verkeersaanbod op de diverse wegen neemt licht toe. Omdat deze toename procentueel beperkt is, kan niet gesproken worden van een verslechtering van de verkeersveiligheid en wordt daardoor neutraal (0) beoordeeld. De verkeerstructuur binnen het bedrijventerrein dient goed geschikt te zijn voor met name vrachtverkeer. Dit betekent voldoende ruimte voor laden en lossen en ruime boogstralen. Hierdoor worden (kleinere) ongelukken voorkomen. Langzaam verkeer Op het nieuwe bedrijventerrein zijn geen grote langzaam verkeerstromen aanwezig. Eventuele werknemers die met de fiets naar het plangebied komen, dienen wel gefaciliteerd te worden. Dit kan door voldoende brede wegen met goed zicht te realiseren op het bedrijventerrein (met name in bochten). De situatie voor langzaam verkeer verandert verder niet door de realisatie van Laarakker Zuid. De toename in verkeer vindt plaats op wegen waar geen fietsers aanwezig zijn of waar vrijliggende fietspaden aanwezig zijn.
Bestaande fiets- en wandelroutes worden niet aangetast.
5.4
Beoordeling van de effecten De effectbeoordeling is als volgt samen te vatten: tabel 5.4 Effectenbeoordeling voorgenomen ontwikkelingen op verkeer Aspect Variant 1 Effecten op verkeersafwikkeling / bereikbaarheid Effecten op verkeersveiligheid 0 Effecten op langzaam verkeer 0
Variant 2 0 0
blad 50 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
6
Geluid In dit hoofdstuk staan de effecten van de ontwikkeling van Laarakker Zuid op geluid centraal. Hiertoe is een onderzoek naar het industrielawaai en het wegverkeerslawaai verricht. Het achtergrondrapport akoestisch onderzoek is als bijlage bij het MER toegevoegd.
6.1
Beoordelingskader Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen met betrekking tot de geluidbelasting van geluidgevoelige objecten – bijvoorbeeld woningen – door drie verschillende geluidsbronnen: industrie, spoorwegverkeer en wegverkeer. In onderhavige situatie zijn het industrielawaai en het wegverkeerslawaai relevant. Uitgangspunten In het achtergrondrapport akoestisch onderzoek zijn de wet- en regelgeving, uitgangspunten en resultaten in detail toegelicht. De belangrijkste analyses en conclusies hieruit zijn in dit hoofdstuk weergegeven. Voor het onderdeel industrielawaai wordt gebruik gemaakt van het zonebeheermodel van Regionaal Bedrijventerrein Laarakker. De gehanteerde verkeerscijfers zijn afkomstig uit het verkeersmodel van de gemeente Cuijk. Beoordelingskader De berekeningen van het industrielawaai geven inzicht in de geluidcontour van het gezoneerde industrieterrein. De berekeningen van het wegverkeerslawaai geven inzicht in de geluidcontouren van de meest bepalende wegen in het plan- en studiegebied. Voor het bepalen van de impact van het industrie- en wegverkeerslawaai wordt gefocust op geluidgevoelige objecten en het aantal geluidgehinderden. De te toetsen criteria voor het thema geluid zijn weergegeven in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. tabel 6.1 Beoordelingskader geluid Aspect Industrielawaai
Wegverkeerslawaai
Criterium
Veranderingen in geluidbelasting bij gevoelige objecten Verandering van het aantal geluidgehinderden, ernstig gehinderden en slaapgestoorden Veranderingen in geluidbelasting bij gevoelige objecten Verandering van het aantal (geluid)gehinderden, ernstig gehinderden en slaapgestoorden
6.2
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
6.2.1
Huidige situatie De geluidsituatie rond het plangebied in de huidige situatie wordt voornamelijk bepaald door wegverkeer, in het bijzonder de rijksweg A73. Daarnaast is sprake van wegverkeerslawaai van de N264 en het verkeer op de overige (plattelands)wegen in het buitengebied. Deze hebben echter een minder grote invloed, vanwege de lagere verkeersintensiteiten. Daarnaast veroorzaken de aanwezige transportbedrijven op Laarakker Noord enige industrielawaai.
blad 51 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
6.2.2
Referentiesituatie Industrielawaai Bij de vaststelling van het bestemmingsplan Laarakker (2009, onherroepelijk) is (geluid)zone rondom het industrieterrein vastgesteld. Alle bedrijven gezamenlijk binnen het terrein mogen op de grens van de geluidzone industrie maximaal een geluidbelasting van 50 dB(A) veroorzaken. In figuur 6.1 is de grens van de huidige 50 dB(A)-contour (geluidzone industrie) van Bedrijvenpark Laarakker Noord en Noordwest weergegeven.
figuur 6.1 Geluidzone industrie van industrieterrein Bedrijvenpark Laarakker Noord en Noordwest referentiesituatie 2025
Het industrielawaai voor de referentiesituatie 2025 is in figuur 6.2 in beeld gebracht. De geluidbelasting als gevolg van industriële activiteiten in het studiegebied wordt veroorzaakt door Bedrijvenpark Laarakker Noord en Noordwest. De geluidbelasting bedraagt in deelgebied Laarakker Noordwest grotendeels meer dan 60 dB (A). In het studiegebied richting het westen en Haps neemt dit af naar 4045 dB (A). De geluidbelasting ligt in het deelgebied Laarakker Zuid tussen de <40 en 60 dB(A). Richting het zuiden en oosten neemt de geluidbelasting af naar 45 tot minder dan 40 dB(A).
blad 52 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
figuur 6.2 Geluidcontouren geluidbelasting Letm industrie referentiesituatie 2025
Voor de referentiesituatie is het aantal (geluid)gehinderden onderzocht. Hieruit blijkt dat er als gevolg van het industrielawaai van Laarakker Noord en Noordwest geen gehinderden zijn. Dit is gerelateerd aan de geluidszonering van het industrieterrein. tabel 6.2 Aantal geluidgehinderden als gevolg van industrielawaai in de referentiesituatie 2025 Referentiesituatie 2025 Aantal gehinderden 0 Aantal ernstig gehinderden 0 Aantal slaapgestoorden 0
Wegverkeerslawaai Het wegverkeerslawaai voor de referentiesituatie 2025 is in figuur 6.3 in beeld gebracht. Op basis van de contourenplot kan geconstateerd worden dat de invloed van de A73 in het plangebied dominant is. Daarnaast zijn ook de Randweg Haps en de Oeffeltseweg relevant voor de geluidbelasting binnen het plangebied. De geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer in deelgebied Laarakker Noordwest ligt grotendeels tussen de 45 en 55 dB. De geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer in deelgebied Laarakker Zuid ligt grotendeels tussen 50 en meer dan 60 dB (direct langs de wegen).
blad 53 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
figuur 6.3 Geluidcontouren geluidbelasting Lden wegverkeer referentiesituatie 2025
Voor de referentiesituatie is ook het aantal (geluid)gehinderden onderzocht. Hieruit blijkt dat vanwege het beperkt aantal omwonenden er sprake is van een zeer beperkt aantal gehinderden als gevolg van wegverkeerslawaai. tabel 6.3 Aantal geluidgehinderden als gevolg van wegverkeerslawaai in de referentiesituatie 2025 Referentiesituatie 2025 Aantal gehinderden 15 Aantal ernstig gehinderden 6 Aantal slaapgestoorden 1
6.3
Effecten
6.3.1
Variant 1 Industrielawaai Het industrielawaai voor de plansituatie is in figuur 6.4 in beeld gebracht. De geluidbelasting bedraagt evenals in de referentiesituatie in deelgebied Laarakker Noordwest grotendeels meer dan 60 dB (A). In het studiegebied richting het westen en Haps neemt dit af naar 40-45 dB (A). Hier zijn geen verschileffecten ten opzichte van de referentiesituatie waarneembaar, omdat zowel in de referentiesituatie als in de plansituatie ervan uit wordt gegaan dat de gronden in Laarakker Noordwest in gebruik zijn voor bedrijvigheid. De geluidbelasting ligt in het deelgebied Laarakker Zuid tussen de 55 en meer dan 60 dB(A). Richting het zuiden en oosten neemt de geluidbelasting af naar 45 tot 40 dB(A). In het plangebied en de omgeving van deelgebied Laarakker Zuid is sprake van een verslechtering van de geluidsituatie als gevolg van het industrielawaai.
blad 54 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
figuur 6.4 Geluidcontouren geluidbelasting Letm industrie plansituatie variant 1 2025
Op basis van de geluidberekeningen ten behoeve van het bestemmingsplan is de nieuwe ligging van de 50 dB(A)-contour (geluidzone industrie) bepaald. Aan de noord- en westkant van het bedrijventerrein is de ligging van deze contour gelijk gebleven aan de bestaande geluidzone. De akoestische invloed van Laarakker Zuid is daar niet relevant. Aan de zuidkant en de oostkant is de berekende geluidcontour opgerekt om meer ruimte te bieden aan de bedrijven. Daarbij is bij de nabijgelegen woningen de grenswaarde van 50 dB(A) in acht genomen.
figuur 6.5 Geluidzone industrie van industrieterrein Bedrijvenpark Laarakker Noord, Noordwest en Zuid 2025
blad 55 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
Voor variant 1 is het aantal (geluid)gehinderden onderzocht. Hieruit blijkt dat het aantal gehinderden met 1 zeer beperkt toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Dit is een zeer beperkte toename vanwege het beperkte aantal omwonenden. tabel 6.4 Aantal geluidgehinderden als gevolg van industrielawaai in de plansituatie (variant 1) 2025 Referentiesituatie 2025 Variant 1 2025 Verschil Aantal gehinderden 0 1 +1 Aantal ernstig gehinderden 0 0 0 Aantal slaapgestoorden 0 0 0
Wegverkeerslawaai Het wegverkeerslawaai voor de plansituatie is in figuur 6.6 in beeld gebracht. Tussen variant 1 en 2 zijn er geen verschileffecten, omdat een gelijke verkeersgeneratie voor variant 1 en 2 is gehanteerd. De geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer in deelgebied Laarakker Noordwest ligt grotendeels tussen de 45 en 55 dB. De geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer in deelgebied Laarakker Zuid ligt grotendeels tussen 50 en meer dan 60 dB (direct langs de wegen). Hier zijn geen verschileffecten ten opzichte van de referentiesituatie waarneembaar, omdat zowel in de referentiesituatie als in de plansituatie ervan uit wordt gegaan dat de gronden in Laarakker Noordwest in gebruik zijn voor bedrijvigheid. De geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer in deelgebied Laarakker Zuid ligt grotendeels tussen 55 en meer dan 60 dB (direct langs de wegen). In het plangebied en de omgeving van deelgebied Laarakker Zuid is sprake van enige verslechtering van de geluidsituatie als gevolg van het wegverkeer.
figuur 6.6 Geluidcontouren geluidbelasting Lden wegverkeer plansituatie (variant 1 en 2) 2025
Voor variant 1 is het aantal (geluid)gehinderden als gevolg van het wegverkeer onderzocht. Het aantal gehinderden en het aantal ernstig gehinderden neemt niet toe. Dit geldt ook voor het aantal
blad 56 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
slaapgestoorden neemt niet toe. Het effect op het aantal geluidgehinderden als gevolg van wegverkeerslawaai is derhalve nihil. tabel 6.5 Aantal geluidgehinderden als gevolg van wegverkeerslawaai in de referentiesituatie 2025 Referentiesituatie 2025 Variant 1 Verschil Aantal gehinderden 15 15 +1 Aantal ernstig gehinderden 6 6 +1 Aantal slaapgestoorden 1 1 0
Gecumuleerde geluidbelasting Voor de plansituatie 2025 zijn overdrachtsberekeningen uitgevoerd. De verschillen in geluidcontouren van variant 1 ten opzichte van de referentiesituatie zijn voor de gecumuleerde geluidbelasting in figuur 6.7 weergegeven. In en nabij deelgebied Laarakker Noordwest verandert de gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen vrijwel niet (maximaal -1 tot 1 dB). De gecumuleerde geluidbelasting neemt wel toe in en direct nabij deelgebied Laarakker Zuid (van 1 tot meer dan 2 dB).
figuur 6.7 Verschilkaart gecumuleerde geluidbelasting Letm industrie + wegverkeer variant 1 2025
6.3.2
Variant 2 Industrielawaai Het industrielawaai voor variant 2 is in figuur 6.8 in beeld gebracht. Evenals geldt voor variant 1 zijn in en nabij Laarakker Noordwest geen verschileffecten waarneembaar ten opzichte van de referentiesituatie. In en nabij Laarakker Zuid is in variant 2 is sprake van een verslechtering van de geluidsituatie als gevolg van het industrielawaai. De varianten 1 en 2 tonen geen verschileffecten in de geluidbelasting van het industrielawaai.
blad 57 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
figuur 6.8 Geluidcontouren geluidbelasting Letm industrie plansituatie variant 2 2025
Voor variant 2 is het aantal (geluid)gehinderden onderzocht. Hieruit blijkt, evenals geldt voor variant 1, dat het aantal gehinderden met 1 toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Dit is een zeer beperkte toename vanwege het beperkte aantal omwonenden. Er is dus geen verschileffect tussen de varianten op dit aspect. tabel 6.6 Aantal geluidgehinderden als gevolg van industrielawaai in de plansituatie (variant 2) 2025 Referentiesituatie 2025 Variant 1 2025 Verschil Aantal gehinderden 0 1 +1 Aantal ernstig gehinderden 0 0 0 Aantal slaapgestoorden 0 0 0
Wegverkeerslawaai Zoals beschreven in paragraaf 6.3.1 zijn er tussen variant 1 en 2 geen verschileffecten in het wegverkeerslawaai, omdat een gelijke verkeersgeneratie voor variant 1 en 2 is gehanteerd (zie figuur 6.6 en tabel 6.2). Gecumuleerde geluidbelasting De verschillen in geluidcontouren van variant 2 ten opzichte van de referentiesituatie zijn voor de gecumuleerde geluidbelasting in figuur 6.9 weergegeven. In en nabij deelgebied Laarakker Noordwest verandert de gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen vrijwel niet (maximaal -1 tot 1 dB). De gecumuleerde geluidbelasting neemt wel toe in en direct nabij deelgebied Laarakker Zuid (van 1 tot meer dan 2 dB). De varianten 1 en 2 tonen geen verschileffecten in de gecumuleerde geluidbelasting.
blad 58 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
figuur 6.9 Verschilkaart gecumuleerde geluidbelasting Letm industrie + wegverkeer variant 2 2025
6.4
Beoordeling van de effecten Veranderingen in geluidbelasting industrielawaai De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een verslechtering van de geluidsituatie in het plan- en studiegebied in en rondom deelgebied Laarakker Zuid. Als gevolg van de geluidszonering dient de geluidbelasting van bedrijvenpark Laarakker te voldoen aan de geluidsnorm van maximaal 50 dB(A) op de buitengrens van de geluidszonering. Hierdoor is geen sprake van een te hoge geluidbelasting als gevolg van industrielawaai. De effecten op de geluidbelasting industrielawaai zijn daarom licht negatief (-) beoordeeld. Hierin is geen verschileffect in variant 1 en 2. Verandering van het aantal (geluid)gehinderden industrielawaai Er is vrijwel geen sprake van een toename van het aantal (geluid)gehinderden vanwege het beperkte aantal omwonenden. Het effect is derhalve neutraal (0) beoordeeld. Veranderingen in geluidbelasting wegverkeerslawaai In het plangebied en de omgeving van deelgebied Laarakker Zuid is sprake van enige verslechtering van de geluidsituatie als gevolg van het wegverkeer. In deelgebied Laarakker Noordwest zijn geen verschileffecten ten opzichte van de referentiesituatie waarneembaar. De effecten op de geluidbelasting wegverkeer zijn licht negatief (-) beoordeeld. Hierin is geen verschileffect in variant 1 en 2.
Verandering van het aantal (geluid)gehinderden wegverkeerslawaai Er is geen sprake van een toename van het aantal (geluid)gehinderden vanwege het beperkte aantal omwonenden. Het effect is derhalve neutraal (0) beoordeeld.
blad 59 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
De effectbeoordeling is als volgt samen te vatten: tabel 6.7 Effectenbeoordeling voorgenomen ontwikkelingen op geluid Criterium Veranderingen in geluidbelasting industrielawaai Verandering van het aantal (geluid)gehinderden industrielawaai Veranderingen in geluidbelasting wegverkeerslawaai Verandering van het aantal (geluid)gehinderden wegverkeerslawaai
Variant 1 0 0
Variant 2 0 0
blad 60 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
7
Luchtkwaliteit In dit hoofdstuk staan de effecten van de ontwikkeling van Laarakker Zuid op luchtkwaliteit centraal. Hiertoe is een luchtkwaliteitonderzoek verricht. Het achtergrondrapport luchtkwaliteit is als bijlage bij het MER toegevoegd.
7.1
Beoordelingskader Grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wm). De twee meest bepalende stoffen voor luchtkwaliteit zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie (dit is het gemiddelde van de concentraties in een jaar2) is voor beide stoffen 40 microgram per kubieke meter (µg/m3). Daarnaast geldt voor fijn stof ook nog een 24-uurswaarde van 50 µg/m3. Deze mag maximaal 35 keer per jaar overschreden worden. De grenswaarden voor de overige stoffen (bijvoorbeeld benzeen) worden in Nederland al jaren niet meer overschreden en daarom in dit hoofdstuk niet behandeld. Uitgangspunten In het achtergrondrapport luchtkwaliteit zijn de wet- en regelgeving, uitgangspunten en resultaten in detail toegelicht. De belangrijkste analyses en conclusies hieruit zijn in dit hoofdstuk weergegeven. De gehanteerde verkeerscijfers zijn afkomstig uit het verkeersmodel van de gemeente Cuijk. De weergegeven concentraties in de diverse tabellen zijn gecumuleerd vanuit de emissies van bedrijven en wegen. PM2.5 Voor PM2,5 (dit zijn de kleinste stofdeeltjes) gaat vanaf 1 januari 2015 een grenswaarde gelden.
In de Wet milieubeheer is bepaald dat daar op dit moment nog niet aan getoetst hoeft te worden, ook in het geval dat er na de genoemde datum gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn. Gelet op de relatie tussen de concentraties PM10 en PM2,5, kan, uitgaande van de huidige kennis over de emissies en concentraties PM2,5 en PM10, worden gesteld dat als vanaf 2011 voldaan wordt aan de grenswaarden voor PM10 ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan3. Beoordelingskader Bij het thema luchtkwaliteit wordt gekeken naar de effecten op de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de wettelijke grenswaarden, maar ook naar de toename ten opzichte van de referentiesituatie. Hierbij wordt een toe- of afname van 1 µg/m3 als licht positief of licht negatief beoordeeld. Een toe- of afname van 2 of 3 µg/m3 wordt respectievelijk als negatief/positief of sterk negatief/positief gewaardeerd. tabel 7.1 Beoordelingskader luchtkwaliteit Aspect Stikstofdioxide Fijn stof
Criterium
Effecten op concentratie stikstofdioxide (NO2) Effecten op concentratie fijn stof (PM10 )
2
Per dag kunnen de concentraties sterk verschillen, bijvoorbeeld als gevolg van veel zon, regen of andere meteorologische omstandigheden. 3
Velders, G. et al, Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland; rapportage 2014 (rapport 680363002 /2014), Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)
blad 61 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
7.2
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
7.2.1
Huidige situatie (2015) De luchtkwaliteit in de huidige situatie is beschouwd door te kijken naar de in maart 2014 vastgestelde grootschalige achtergrondconcentraties in de omgeving van het plangebied. Voor de stof NO 2 liggen de achtergrondconcentraties in 2015 in de omgeving van het plangebied tussen 18,3 en 23,5 µg/m3. Voor PM10 liggen de achtergrondconcentraties tussen 23,2 en 23,4 µg/m3. Deze concentraties liggen ruim onder de grenswaarden voor beide stoffen. Ook uit de monitoringstool van het NSL blijkt dat de concentraties van zowel NO2 als PM10 ruim onder de grenswaarden gelegen zijn, zie ook figuur 7.1.
figuur 7.1 Concentraties NO2 en PM10 in 2015 (Monitoringstool, ministerie van I&M, 2014)
7.2.2
Referentiesituatie (2025) Tussen de huidige situatie en de referentiesituatie groeit het verkeer significant. Dit komt enerzijds door de realisatie van de Randweg Haps en volledige realisatie van bedrijventerrein Laarakker Noord en anderzijds door de autonome groei van het verkeer (zie ook hoofdstuk verkeer). In tabel 7.2 zijn de hoogst berekende jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 op de beoordelingspunten voor de referentiesituatie weergegeven. De locaties van deze beoordelingspunten zijn zichtbaar in figuur 7.2.
blad 62 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
figuur 7.2 Beoordelingspunten tabel 7.2 Hoogst berekende concentraties NO2 en PM10 - Referentie 2025 (in µg/m3) Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Punt Concentratie Achtergrond Bronbijdrage Punt Concentratie Achtergrond 2 58 1 3 69 4 5 6 38 67
24,9 21,8 21,0 18,9 18,8 18,8 18,7 18,5 17,9 17,7
12,2 11,8 12,2 12,2 12,2 12,2 12,2 12,2 12,2 12,2
12,8 10,0 8,9 6,6 6,6 6,5 6,4 6,2 5,6 5,6
2 1 58 3 4 6 5 80 7 79
24,4 24,2 23,5 23,5 23,4 23,3 23,3 22,9 22,8 22,8
20,9 20,9 20,7 21,3 21,3 21,3 21,3 21,2 21,3 21,2
Bronbijdrage 3,5 3,3 2,7 2,2 2,1 2,1 2,1 1,7 1,6 1,6
Als de berekende jaargemiddeldeconcentraties voor de referentiesituatie in 2025 vergeleken worden met de huidige situatie (2015) blijkt dat de jaargemiddelde concentraties langs alle onderzochte wegvakken afnemen. Deze afnamen zijn met name het gevolg van het lager worden van de achtergrondconcentraties, onder meer als gevolg van het schoner worden van het verkeer. De emissiefactoren van het verkeer en de achtergrondconcentraties worden jaarlijks vastgesteld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Deze cijfers worden door het RIVM bepaald voor het afgelopen jaar met daarbij een voorspelling naar de toekomst.
blad 63 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
Bij die voorspelling naar de toekomst nemen zijn zaken mee zoals: Technische ontwikkelingen waardoor auto's, vrachtwagens en andere motorvoertuigen mogelijk schoner worden; Vervanging van motorvoertuigen met een verbrandingsmotor door elektrische motorvoertuigen; Andere maatregelen van de nationale en locale overheden om de luchtkwaliteit te verbeteren. In 2015 en 2025 bedraagt de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 40 µg/m3. Langs alle onderzochte wegvakken wordt (ruimschoots) aan deze grenswaarde voldaan
7.3
Effecten
7.3.1
Variant 1 Als gevolg van de planontwikkeling neemt het aantal bedrijven toe en als gevolg daarvan ook het verkeer. Hierdoor is ook sprake van een toename van de concentraties NO2 en PM10. In tabel 7.3 zijn, net als in de referentiesituatie, de hoogste concentraties voor NO2 weergegeven. Uit deze tabel blijkt dat met name op de beoordelingspunten dicht bij het nieuwe bedrijventerrein en langs de daarbij gelegen wegen de concentraties NO2 significant toenemen. De hoogste toenamen zijn circa 2 microgram, maar gemiddeld is een concentratietoename van circa 1 microgram zichtbaar. Hierdoor wordt een licht negatieve (-) beoordeling gegeven. De concentraties blijven daarbij wel ruim onder de grenswaarden. tabel 7.3 Hoogst berekende concentraties variant 1 NO2 en verschillen met de referentiesituatie (in µg/m3) Stikstofdioxide (NO2) Concentratie Concentratie Toename Punt referentie variant 1 2 58 1 3 69 4 5 38
24,9 21,8 21,0 18,9 18,8 18,8 18,7 17,9
27,1 22,0 23,0 20,1 19,9 19,8 19,4 19,4
2,2 0,2 2,0 1,2 1,1 1,0 0,7 1,5
In tabel 7.4 zijn de concentraties PM10 voor variant 1 weergegeven. Hieruit blijkt dat de toenamen minder significant stijgen dan bij NO2. Dit komt omdat fijn stof (PM10) minder gevoelig is voor de verandering in verkeerintensiteiten dan NO2. De maximale toename is minder dan 1 microgram en daardoor wordt het effect op de concentraties PM10 als neutraal (0) beoordeeld. tabel 7.4 Hoogst berekende concentraties variant 1 PM10 en verschillen met de referentiesituatie (in µg/m 3) Fijn stof (PM10) Concentratie Concentratie Toename Punt referentie variant 1 2 1 58 3 4 6 5 80
7.3.2
24,4 24,2 23,5 23,5 23,4 23,3 23,3 22,9
24,9 24,9 23,6 24,0 23,8 23,5 23,6 23,0
0,5 0,7 0,1 0,5 0,4 0,2 0,3 0,1
Variant 2 Bij variant 2 is sprake van meer uitstoot doordat een hogere bedrijfscategorie mogelijk wordt gemaakt dan bij variant 1. De verkeerstoename is echter wel gelijk. De verschillen met variant 1 zijn marginaal,
blad 64 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
zie ook tabel 7.5 en tabel 7.6. Voor beide stoffen geldt dezelfde beoordeling als bij variant 1: voor NO2 licht negatief (-) en voor PM10 neutraal (0) tabel 7.5 Hoogst berekende concentraties variant 2 NO2 en verschillen met de referentiesituatie (in µg/m3) Stikstofdioxide (NO2) Toename ten Toename ten Concentratie Concentratie Punt opzichte van opzichte van referentie variant 2 referentie variant 1 2 58 1 3 69 4 5 38
24,9 21,8 21,0 18,9 18,8 18,8 18,7 17,9
27,2 22,0 23,0 20,1 19,9 19,8 19,4 19,5
2,3 0,2 2,0 1,2 1,1 1,0 0,7 1,6
0,1 0,1
tabel 7.6 Hoogst berekende concentraties variant 1 PM10 en verschillen met de referentiesituatie (in µg/m 3) Fijn stof (PM10) Toename ten Toename ten Concentratie Concentratie Punt opzichte van opzichte van referentie variant 2 referentie variant 1 2 1 58 3 4 6 5 80
7.4
24,4 24,2 23,5 23,5 23,4 23,3 23,3 22,9
25,0 24,9 23,6 24,0 23,8 23,5 23,6 23,0
0,6 0,7 0,1 0,5 0,4 0,2 0,3 0,1
0,1 -
Beoordeling van de effecten De effectbeoordeling is als volgt samen te vatten: tabel 7.7 Effectenbeoordeling voorgenomen ontwikkelingen op luchtkwaliteit Criterium Variant 1 Effecten op concentratie stikstofoxiden (NO2) Effecten op concentratie fijn stof (PM10 en PM2,5) 0
Variant 2 0
blad 65 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
8
Externe veiligheid In dit hoofdstuk staan de effecten van de ontwikkeling van Laarakker Zuid op externe veiligheid centraal. De analyse is op kwantitatieve en kwalitatieve wijze uitgevoerd. Het onderzoek externe veiligheid is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.
8.1
Beoordelingskader Wettelijk kader Burgers mogen voor de veiligheid en hun woonomgeving rekenen op: een minimum beschermingsniveau, uitgedrukt als het plaatsgebonden risico (PR) en; een expliciete afweging en verantwoording van de kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers, uitgedrukt als het groepsrisico (GR). In de Wet milieubeheer wordt voor het plaatsgebonden risico een grenswaarde gehanteerd van 10 -6 (kans op een miljoen). De aanvaardbaarheid van het groepsrisico wordt beoordeeld op basis van de kans op een ongeval in relatie tot een aantal dodelijke slachtoffers. De relatie tussen de kans en het effect van een calamiteit wordt de oriënterende waarde, of oriëntatiewaarde (OW) genoemd. Dit is geen harde norm. De gemeente heeft beleidsruimte om hiervan af te wijken. Voor het berekenen van het groepsrisico is het vaststellen van het invloedsgebied van belang. Dit gebied wordt doorgaans bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt (1% letaliteit). Dit geldt zowel voor stationaire bronnen als voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, spoor, water en buisleidingen).
De afweging voor de aanvaardbaarheid van het groepsrisico is gebaseerd op de specifieke invloedsgebieden (inventarisatieafstanden) van de risicobron (vervoer van gevaarlijke stoffen, buisleidingen, opslag en inrichtingen). Wanneer kwetsbare bestemmingen buiten de invloedsgebieden liggen, behoeft het groepsrisico niet te worden vastgesteld (minimale effecten als gevolg van een calamiteit). In de Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Land van Cuijk 2012-2015 is beschreven hoe wordt omgegaan met toekomstige externe veiligheidsvraagstukken binnen het Land van Cuijk en hoe tot een betere rolverdeling tussen interne en externe partners kan worden komen. Toekomstige ontwikkelingen op het terrein van externe veiligheid worden vooral veroorzaakt door wijzigingen in de bedrijvigheid. Het is belangrijk deze te herkennen en goed mee te nemen in de planontwikkeling. Zo is binnen het Regionaal Bedrijventerrein Laarakker de komst van nieuwe risicovolle bedrijven onder voorwaarden mogelijk. Bij de vestiging van dergelijke bedrijven binnen het bedrijventerrein zal worden aangesloten bij de beleidsvisie. Uitgangspunten Er is een apart achtergrondrapport externe veiligheid opgesteld. Hierin worden wet- en regelgeving, uitgangspunten en resultaten in detail toegelicht. De belangrijkste analyses en conclusies hieruit zijn in dit hoofdstuk weergegeven.
Beoordelingskader Bij het thema externe veiligheid gekeken naar de externe veiligheidseffecten en -risico's van de omgeving op de voorgenomen ontwikkelingen en vice versa, de externe veiligheidseffecten en risico's van de voorgenomen ontwikkelingen op de omgeving. Gekeken wordt naar de impact van de plaatsgebonden risicocontouren en de mogelijke toename van het groepsrisico.
blad 66 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
tabel 8.1 Beoordelingskader externe veiligheid Aspect Plaatsgebonden risicocontour Plaatsgebonden risicocontour Groepsrisico Groepsrisico
8.2
Criterium
Impact plaatsgebonden risicocontouren op ontwikkeling RBL Zuid Impact plaatsgebonden risicocontouren van RBL Zuid op omgeving Toename groepsrisico door bestaande risicobronnen Toename groepsrisico door ontwikkeling RBL Zuid
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele risicobronnen, die in deze paragraaf worden toegelicht. In figuur 8.1 zijn deze bronnen opgenomen.
figuur 8.1 Risicobronnen omgeving plangebied
8.2.1
Bevi-inrichtingen Propaantank Stokvoortsestraat 3 In de directe omgeving van het plangebied ligt één inrichting die onder het regime van het Bevi valt. Ten zuiden van het Duits Lijntje, op het adres Stokvoortsestraat 3, is een bovengrondse propaantank aanwezig. De tank heeft een inhoud van 18 m3 en valt daarom niet onder het Activiteitenbesluit milieubeheer (tanks tot 13 m3), maar onder het Bevi. De propaantank staat op de achterzijde van het perceel, op een afstand van ruim 60 meter van het plangebied. Omdat binnen het plangebied een groene/ecologische strook met een breedte van 25 meter wordt aangelegd langs de zuidelijke rand van het plangebied, bedraagt de afstand van de bestemming 'Bedrijventerrein' tot de propaantank minimaal 85 meter. LPG-tankstations A73 Ten zuiden van het plangebied bevinden zich twee tankstations met LPG langs de A73. Het gaat om Texaco-station Lokkant aan de westzijde en Esso-station Hondsiep aan de oostzijde van de A73. Het plangebied bevindt zich op ruim 500 meter van de vulpunten van beide stations. Daarmee ligt het plangebied ook ruim buiten de invloedsgebieden van beide inrichtingen. Nadere toetsing is niet nodig.
blad 67 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
8.2.2
Transportassen A73 Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het invloedsgebied van de A73 en het invloedsgebied van de Oeffeltseweg. Over beide wegen worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Daarom is onderzoek gedaan naar de risico's vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over deze wegen4. Oeffeltseweg (N264) Ten noorden van het plangebied (deellocatie Laarakker Zuid) vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de Oeffeltseweg (N264). Het transport van gevaarlijke stoffen over de N264 betreft in de huidige situatie alleen bevoorrading van tankstations met benzine en diesel (LF1 en LF2) en transport van propaan (GF3) ter bevoorrading van propaantanks.
8.2.3
Buisleidingen Op ruime afstand van het plangebied ligt een aantal aardgastransportleidingen. Op circa 800 meter afstand ten oosten van het plangebied ligt een hogedruk aardgastransportleiding (Z-518) met een diameter van 6 inch en een werkdruk van 40 bar, die parallel aan de spoorlijn ligt. Deze leiding sluit aan op een tweede gasleiding met dezelfde diameter en werkdruk, die op ruim 350 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt.
8.2.4
Autonome ontwikkeling Op basis van het geldende bestemmingsplan voor Laarakker Noord en Noordwest zijn risicovolle inrichtingen onder voorwaarden toegestaan. Vestiging van een risicovolle inrichting (een inrichting die onder het regime van het Bevi valt) is uitsluitend toegestaan als de PR 10-6/jaar contour (of de generieke afstand die voor het betreffende bedrijf is opgenomen in het Revi) binnen de grens van de inrichting of over het openbaar gebied ligt. Hiermee wordt voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten op en rond het bedrijventerrein binnen een PR 10-6/jaar contour komen te liggen. In overleg met Rijkswaterstaat is bepaald dat de aanvoer van gevaarlijke stoffen LF1, LF2 en GF3 voor de gemeente Cuijk en de gemeente Mill & St. Hubert over de nieuwe randweg plaats zal vinden. In het kader van het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010, randweg Haps' is onderzoek uitgevoerd naar de invloed die dit heeft vanuit het aspect externe veiligheid. Hieruit blijkt dat het aantal gevaarlijke transporten over het nieuwe randweg ten opzichte van het bestaande tracé zal toenemen. Middels het onderzoek wordt geconcludeerd dat het toekomstig tracé van de N264 niet zal leiden tot een veiligheidsprobleem. Er is geen sprake van een 10-6 plaatsgebonden risicocontour en het groepsrisico ligt ruimschoots onder 10% van de oriëntatiewaarde.
8.3
Effecten
8.3.1
Bevi-inrichtingen Propaantank Stokvoortsestraat 3 Plaatsgebonden risico Voor een propaantank met een inhoud van meer dan 13 m 3 zijn in het Bevi en het Revi (de Regeling externe veiligheid inrichtingen) geen generieke risicoafstanden opgenomen. In de 'Leidraad Risico Inventarisatie - deel Gevaarlijke Stoffen' (LRI-GS, ministerie van Binnenlandse Zaken, december 2010) en de 'Afstandentabel propaanreservoirs' van het RIVM (juli 2006) zijn wél afstanden opgenomen voor het risico vanwege de opslag van propaan. Voor een bovengrondse propaantank met een inhoud van 20 m 3 geldt volgens de LRI-GS en de afstandentabel - afhankelijk van de doorzet - een risicoafstand PR 10-6/jaar van 30 meter (doorzet 100 m3 per jaar), 45 meter (doorzet 300 m3 per jaar) of 50 meter (doorzet 600 m3 per jaar). De bepalende factor voor de risico's van een propaantank is daarbij niet de aanwezigheid van
4
Externe veiligheid bestemmingsplan Bedrijvenpark Laarakker: beschouwing risiconiveaus vervoer gevaarlijke stoffen, Antea Group, 6 augustus 2014
blad 68 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
de (stationaire) tank, maar de aanwezigheid van de tankwagen die de propaantank bevoorraadt. Bij het bepalen van de PR 10-6 contouren is telkens uitgegaan van 35 lossingen per jaar per 500 m 3 doorzet. Geconcludeerd kan worden dat, zelfs als sprake is van een (hoge) doorzet van 600 m 3 per jaar, ruimschoots wordt voldaan aan de afstand voor het PR 10-6/jaar. Het plaatsgebonden risico van de inrichting Stokvoortsestraat 3 levert dus geen belemmeringen op voor de realisering van Laarakker Zuid. Groepsrisico Op basis van het LRI-GS kan ook een indruk worden gekregen van het invloedsgebied, dat wordt bepaald door de 1% letaliteitsgrens van de grootste tank. In dit geval is de grootte van de tankwagen bepalend voor het invloedsgebied, aangezien de inhoud van de tankwagen groter zal zijn dan de inhoud van de stationaire propaantank op het perceel (20 m3). Uitgaande van een tankwagen met een volume van maximaal 60 m3, ligt de 1% letaliteitsgrens op 285 meter. Deze afstand reikt tot in het plangebied. Een deel van de bedrijfsgebouwen die in het plangebied kunnen worden gerealiseerd, kan dus binnen het invloedsgebied van de propaantank komen te staan. Gezien de ruime afstand van het plangebied tot de tank (minimaal 85 meter) zullen de gebouwen echter grotendeels buiten de 100% letaliteitsafstand staan.
Vanwege de ligging van het bedrijf Stokvoortsestraat 3 in het buitengebied, is het GR zowel in de huidige situatie als in de toekomstige situatie (na realisering van Laarakker Zuid) laag: de oriëntatiewaarde zal niet worden overschreden. Bovendien is op het bedrijventerrein geen sprake van verminderd zelfredzame personen en zullen bij de realisering van het bedrijventerrein maatregelen worden getroffen om een goede bestrijdbaarheid te garanderen, onder andere door voldoende bluswatervoorzieningen aan te leggen. Op grond hiervan wordt het GR verantwoord geacht.
8.3.2
Transportroutes A73 Plaatsgebonden risico In de cRvgs is aangegeven welke veiligheidszone5 voor de Rijksweg A73 geldt. Ter hoogte van het plangebied is de veiligheidszone ten noorden van afrit 5 10 meter en ten zuiden van de afrit 12 meter. Deze zones reiken niet tot het plangebied. Het plaatsgebonden risico levert daarom geen belemmeringen op voor het plangebied. Groepsrisico Om de verandering van het groepsrisico van de A73 inzichtelijk te maken, zijn twee varianten in de risicoberekening doorgevoerd (huidige en toekomstige situatie). In figuur 8.2 is de hoogte van beide groepsrisico's weergegeven ten opzichte van de oriëntatiewaarde.
5
Zone waarbinnen de PR 10-6-contour zich bevindt.
blad 69 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
figuur 8.2 Huidig (blauw) en toekomstig (rood) groepsrisico van de A73 t.o.v. de oriëntatiewaarde (stippellijn)
Uit de figuur kan worden opgemaakt dat het groepsrisico van de A73 zal stijgen door het voorgenomen ruimtelijke besluit, maar dat het groepsrisico zich ook in de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde bevindt. Omdat het groepsrisico toeneemt, is verantwoording van het groepsrisico van de A73 conform de cRvgs verplicht. De daartoe verplichtte elementen zijn nader beschouwd, waaruit is gebleken dat veiligheidsmaatregelen aan de bron, de inrichting aan het bedrijventerrein of aan de bebouwing niet nodig of mogelijk zijn. De mogelijkheden voor de zelfredzaamheid zijn echter voldoende aanwezig, waarmee het groepsrisico verantwoord wordt geacht. Daarnaast worden nadere afspraken gemaakt met de Veiligheidsregio over de bestrijdbaarheid bij eventuele calamiteiten. N264 (huidige Oeffeltseweg en toekomstige Randweg) Plaatsgebonden risico In de bijlage van het concept Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is gesteld dat een weg buiten de bebouwde kom geen PR 10-6-contour heeft wanneer het aantal transporten brandbaar gas (GF3) lager is dan 500 per jaar. Voor de huidige N264 moet, op basis van de transportintensiteit worden gesteld dat er geen sprake is van een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico levert daarom geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling.
Groepsrisico In de bijlage van het concept HART zijn vuistregels opgesteld om de hoogte van het groepsrisico te kunnen benaderen. Uit de vuistregels volgt dat enkel het vervoer van gevaarlijke stoffen uit de stofcategorieën 'brandbare vloeistoffen' (LF1 en LF2) niet leidt tot een groepsrisico. De N264 ter hoogte van het plangebied heeft daarmee geen groepsrisico. Omdat er geen sprake is van een groepsrisico (in zowel de huidige als de toekomstige situatie) is verantwoording van het groepsrisico voor deze weg niet aan de orde. Randweg Haps Na realisatie van de randweg om Haps zal de aanvoer van gevaarlijke stoffen LF1, LF2 en GF3 voor de gemeente Cuijk en de gemeente Mill & St. Hubert over de nieuwe randweg plaatsvinden. Het aantal
blad 70 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
gevaarlijke transporten over het nieuwe randweg ten opzichte van het bestaande tracé zal weliswaar toenemen, maar het toekomstig tracé van de N264 zal niet leiden tot een veiligheidsprobleem. Er is geen sprake van een 10-6 plaatsgebonden risicocontour en het groepsrisico ligt ruimschoots onder 10% van de oriëntatiewaarde.
8.3.3
Buisleidingen Voor gasleidingen met een diameter van 6 inch en een werkdruk van 40 bar geldt een inventarisatieafstand (100% letaliteitsafstand) van 70 meter. Het plangebied ligt ruim buiten deze afstand. De gasleidingen ten oosten van het plangebied leveren daarom geen belemmeringen op voor de ontwikkeling van Laarakker Zuid.
8.3.4
Effecten van Laarakker Zuid op omgeving Binnen Bedrijvenpark Laarakker Zuid wordt ruimte geboden aan grootschalige bedrijven in de hogere milieucategorieën, evenals binnen Bedrijvenpark Laarakker Noord conform het bestemmingsplan 'Regionaal Bedrijvenpark Laarakker'. Risicovolle inrichtingen zijn onder voorwaarden toegestaan op het bedrijventerrein als de PR 10-6/jaar contour (of de generieke afstand die voor het betreffende bedrijf is opgenomen in het Revi) binnen de grens van de inrichting of over het openbaar gebied ligt. Hiermee wordt voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten op en rond het bedrijventerrein binnen een PR 106 /jaar contour komen te liggen. Het groepsrisico zal bij de vestiging van risicovolle activiteiten binnen het plangebied wel toenemen. Gezien de lage personendichtheden in de omgeving van het bedrijvenpark zal deze echter onder de oriëntatiewaarde liggen.
8.4
Beoordeling van de effecten Impact plaatsgebonden risicocontouren op ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Zuid Rondom Bedrijvenpark Laarakker Zuid zijn enkele Bevi-inrichtingen gesitueerd. De daar aanwezige plaatsgebonden risicocontouren liggen buiten het plangebied. De impact van de plaatsgebonden risicocontouren op de ontwikkeling van Laarakker Zuid is daarom neutraal (0) beoordeeld. Dit geldt voor beide varianten. Impact plaatsgebonden risicocontouren van Bedrijvenpark Laarakker Zuid op omgeving De plaatsgebonden risicocontouren op het bedrijventerrein zelf mogen niet verder dan buiten het perceel of over het openbaar gebied vallen. Hierdoor zullen geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de contour kunnen liggen en is de beoordeling neutraal (0), voor beide varianten. Toename groepsrisico door bestaande risicobronnen Als gevolg van de ontwikkeling van Bedrijvenpark Laarakker Zuid is een toename berekend voor het groepsrisico van de A73. De hoogte van het groepsrisico ligt echter in de toekomstige situatie ruim onder de oriëntatiewaarde. Wel is invulling gegeven aan de verplichte verantwoording van het groepsrisico van de A73. Voor de overige bronnen is het groepsrisico niet aan de orde. Er zijn geen belemmeringen, de toename van de groepsrisico door bestaande risicobronnen is daarom neutraal (0) beoordeeld. Tussen de varianten bestaat geen verschil.
Toename groepsrisico door ontwikkeling Bedrijvenpark Laarakker Zuid Doordat sprake is van het onder voorwaarden toestaan van nieuwe risicobronnen in een nieuwe ruimtelijke omgeving zal de toename van het groepsrisico per definitie toenemen. Bij variant 2 zal naar verwachting de stijging groter zijn dan bij variant 1, ervan uitgaande dat risicovolle activiteiten bij variant 2 zwaarder zijn6.
6 In dit geval is verondersteld dat in een bepaalde milieucategorie zwaardere risicovolle activiteiten voorkomen dan bij lagere
milieucategorieën. In principe kunnen risicovolle activiteiten echter in vrijwel alle milieucategorieën voorkomen.
blad 71 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
Daarom is variant 2 negatiever (- -) beoordeeld dan variant 1 (-). De oriëntatiewaarde zal voor beide varianten, op grond van personendichtheden, niet worden overschreden. De effectenbeoordeling is als volgt samen te vatten: tabel 8.2 Effectenbeoordeling voorgenomen ontwikkelingen op externe veiligheid Criterium Variant 1 Impact plaatsgebonden risicocontouren op ontwikkeling RBL Zuid 0 Impact plaatsgebonden risicocontouren van RBL Zuid op omgeving 0 Toename groepsrisico door bestaande risicobronnen 0 Toename groepsrisico door ontwikkeling RBL Zuid -
Variant 2 0 0 0 --
blad 72 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
9
Geur In dit hoofdstuk staan de effecten van de ontwikkeling van Laarakker Zuid op geur centraal. In het hoofdstuk komen de effecten van geur van industriële en agrarische activiteiten aan bod, waarbij een onderscheid is gemaakt in geureffecten vanuit de omgeving op het plangebied en vice versa. De analyse is op basis van liggende informatie en onderzoeken uitgevoerd. De notitie geur Laarakker Zuid is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.
9.1
Beoordelingskader Wettelijk en beleidskader Geurbelasting van industriële bedrijven, agrarische bedrijven of andere geurbronnen kan aanleiding geven tot geurhinder. Of er hinder ontstaat, en in welke mate, hangt af van een aantal factoren, waaronder de aanwezigheid van geurgevoelige objecten (woningen, kantoren), de hoeveelheid geur in de omgeving (frequentie en geurconcentratie), de aard van de geur (‘hinderlijkheid’), maar ook de houding van de waarnemer ten opzichte van de geur en/of geurbron (beleving). Geurhinder industriële activiteiten Het landelijk beleid voor geurhinder is opgenomen in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR). Het algemeen uitgangspunt van het geurbeleid is het zoveel mogelijk beperken van geurhinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van Beste Beschikbare Technieken (BBT) de kern van het geurbeleid. Het geurbeleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op industriële bedrijven die onder het bevoegd gezag van de provincie vallen. De in deze beleidsregel beschreven systematiek wordt door de provincie ook voor ruimtelijke ordening afweging gebruikt. Dit is een invulling van de zogenaamde ‘omgekeerde werking', waarmee voor bestemmingsplannen de aan te houden afstand tot een geurbron uit de milieuregelgeving wordt afgeleid. De gemeente Cuijk kent geen beleid op het gebied van industriële geur.
De betrokken bedrijven vallen onder het bevoegd gezag van de provincie Noord-Brabant. Het is logisch om voor de beoordeling van geur aan te sluiten bij het acceptabele niveau van geurhinder dat is beoordeeld met het Brabants geurbeleid en is vastgelegd in de omgevingsvergunningen (activiteit milieu) van de industriële bedrijven. Geurhinder agrarische activiteiten De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader bij aanvragen om een omgevingsvergunning milieu van veehouderijen. In deze wet zijn geurnormen opgenomen voor de kernen en het buitengebied. Eveneens zijn in deze wet vaste afstanden tot geurgevoelige objecten vernoemd. De Wgv geeft gemeenten de mogelijkheid om, binnen bepaalde grenzen, eigen gemeentelijk geurbeleid met eventueel gebiedsgericht maatwerk toe te passen. De gemeente Cuijk heeft eigen agrarisch geurbeleid. In de gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij 2013 zijn geurnormen opgenomen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. Voor industrieterreinen geldt dat het beschermingsniveau lager is dan de kernen (0,5 odour units). Omdat er toch significante blootstelling kan voor komen, geldt voor industrieterrein een hogere dan in het buitengebied (10 odour units).
Voor industrieterrein Laarakker (Noordwest en Noord) geldt een geurnorm van 14 odour units, voor industrieterrein Laarakker Zuid geldt een geurnorm van 7 odour units. Uitgangspunten Er is een notitie naar de industriële geur in de omgeving van Laarakker Zuid opgesteld. De resultaten van deze analyse zijn in de notitie in detail toegelicht. De belangrijkste analyses en conclusies hieruit zijn in dit hoofdstuk weergegeven. Daarnaast is een analyse van de agrarische geur in het plangebied en
blad 73 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
omgeving uitgevoerd met behulp van gemeente informatie. De resultaten van deze analyse is verwerkt in dit hoofdstuk. Beoordelingskader Om een zo compleet mogelijk inzicht in het thema geur te geven wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de geurbelasting vanuit de omgeving op het plangebied en vice versa, de geurbelasting vanuit het plangebied op de omgeving. De industriële en agrarische activiteiten vormen de belangrijkste geurbronnen in het plan- en studiegebied. De omliggende woningen, maar ook de op te richten kantoren bij bedrijfspanden, vormen de belangrijkste geurgevoelige objecten. Op dit industrieterrein zal met name zwaardere industrie komen, waardoor de acceptatie van geurhinder hoger wordt geacht. In het algemeen wordt in Nederland in de geurbeoordeling ervan uitgegaan dat bij een geurbelasting van minder dan 1 Ge/m3 als 98-percentiel sprake is van een goede milieukwaliteit, en dat bij een geurbelasting van meer dan 10 Ge/m3 als 98-percentiel sprake is van een onvoldoende kwaliteit. De relatie tussen geurbelasting en hinder wordt door locatie-specifieke factoren beïnvloed, zodat niet voor elke situatie dezelfde relatie tussen geurbelasting en geurhinder aanwezig is. Gezien het abstractieniveau behorend bij dit bestemmingsplan, is gekozen voor een meer kwalitatieve benadering van het thema geur.
Er wordt in de effectenstudie- en beoordeling onderscheid gemaakt in geurbelasting van uit het plangebied op de omgeving en geurbelasting vanuit de omgeving op het plangebied. tabel 9.1 Beoordelingscriteria geur Aspect Geurbelasting vanuit plangebied op omgeving Geurbelasting vanuit omgeving op plangebied
Criterium
Effecten op geurbelasting vanuit plangebied op omgeving Effecten op geurbelasting vanuit omgeving op plangebied
9.2
Huidige situatie en autonome ontwikkelingen
9.2.1
Huidige situatie Geurbelasting vanuit omgeving op plangebied Geurbelasting industriële activiteiten Ten noordoosten van het plangebied ligt een aantal bedrijven die een geurbelasting veroorzaken: Milieustraat Haps aan Beijersbos 1 ; Een groencomposteringsbedrijf aan Beijersbos 2; De Rioolwaterzuivering (RWZI) te Haps aan Beijersbos 4; Een stortplaats ten westen van de RWZI.
blad 74 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
A
figuur 9.1 Ligging bedrijven met mogelijke geurinvloed ten noordoosten van Laarakker Zuid (de locaties aan de Beijersbos 1, 2 en 4 en de stortplaats (A)
Geurbelasting agrarische activiteiten De agrarische bedrijven aan in Laarakker Noord, aan de Oeffeltseweg 11 en Mondsetraat 4, zijn eveneens in verband met de bedrijventerreinontwikkeling van Laarakker aangekocht en waarschijnlijk niet meer in bedrijf. In het deelplangebied Laarakker Noordwest zijn aan de Mondsestraat 1 en 3 twee agrarische bedrijven gelegen. Deze zijn in verband met de bedrijventerreinontwikkeling van Laarakker reeds aangekocht en niet meer in bedrijf. De opstallen worden waarschijnlijk eind 2014 gesloopt. In de omgeving van Laarakker Zuid ligt een aantal veehouderijen: ten westen van het plangebied liggen de veehouderijen Oeffeltseweg 6a en 16 en ten zuiden van het plangebied is een veehouderij gevestigd aan De Bengels (zie figuur 9.2).
blad 75 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
Veehouderij De Bengels 8
Veehouderij Oeffeltseweg 6a Veehouderij Oeffeltseweg 16
Veehouderij De Bengels
figuur 9.2 Ligging agrarische bedrijven in en nabij Laarakker Zuid
In het kader van het gemeentelijk agrarisch geurbeleid is de geurbelasting van het jaar 2013 berekend (RMB, 2013). In figuur 9.3 is de achtergrondbelasting geur van de agrarische bedrijven in het studiegebied in 2013 weergegeven. In deze berekening is er reeds vanuit gegaan dat er geen sprake is van geurbelasting van de agrarische bedrijven in Laarakker Zuid in 2013.
figuur 9.3 Achtergrondbelasting geur van agrarische bedrijven 2013 in en nabij Laarakker (RMB, 2013)
De geurbelasting van agrarische bedrijven bedraagt in het deelgebied Laarakker Noordwest tussen de 3 en 10 ouE/m3, waarbij in de noordwesthoek de geurbelasting maximaal 20 ouE/m3 bedraagt. De geurbelasting van agrarische bedrijven bedraagt in het deelgebied Laarakker Zuid minder dan 3 ouE/m3. Dit betekent dat de geurbelasting in het plangebied over het algemeen laag is. In de Geurgebiedsvisie en
blad 76 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
-verordening is het woon- en leefklimaat van Laarakker in relatie tot geur voor de 16 aanwezige geurgevoelige objecten in het industrieterrein ook geclassificeerd als 'optimaal+'. Geurbelasting vanuit plangebied op omgeving Geurbelasting industriële activiteiten In het plangebied zijn geen industriële bedrijven aanwezig die een geurbelasting veroorzaken. Geurbelasting agrarische activiteiten In het deelplangebied Laarakker Zuid ligt één (voormalig) agrarisch bedrijf aan De Bengels 8 (zie figuur 9.2). Dit bedrijf is in verband met de bedrijventerreinontwikkeling aangekocht.
9.2.2
Autonome ontwikkelingen Geurbelasting vanuit omgeving op plangebied Geurbelasting industriële activiteiten Op bedrijvenpark Laarakker Noord zijn (industriële) bedrijven tot maximaal milieucategorie 5.1 voorzien. Het bedrijvenpark Laarakker Noord is inwaarts gezoneerd, overeenkomstig de VNGB-brochure met richtafstanden voor bedrijven tot woningen en gevoelige bestemmingen. Hierdoor wordt hinder (geur, stof, geluid en gevaar) ter plaatse van nabijgelegen woningen of andere gevoelige bestemmingen voorkomen. Hierdoor is in de referentiesituatie geen sprake van relevante geurhinder. Geurbelasting agrarische activiteiten In de autonome situatie zijn geen ontwikkelingen in het studiegebied voorzien die invloed hebben op de geurbelasting van de nabijgelegen agrarische bedrijven. Geurbelasting vanuit plangebied op omgeving In de autonome situatie zijn geen ontwikkelingen in het plangebied voorzien die invloed hebben op de geurbelasting.
9.3
Effecten
9.3.1
Variant 1 Geurbelasting vanuit plangebied op omgeving Geurbelasting industriële activiteiten In variant 1 zijn op bedrijvenpark Laarakker Zuid (industriële) bedrijven tot maximaal milieucategorie 5.1 voorzien. Het bedrijvenpark Laarakker Zuid is, evenals Laarakker Noord, inwaarts gezoneerd, overeenkomstig de VNGB-brochure met richtafstanden voor bedrijven tot woningen en gevoelige bestemmingen. Hierdoor wordt hinder (geur, stof, geluid en gevaar) ter plaatse van woningen of andere gevoelige bestemmingen voorkomen. Daarnaast wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Geurbelasting agrarische activiteiten Vanwege de realisatie van Laarakker Zuid is het agrarisch bedrijf aan De Bengels 8 verplaatst naar de locatie aan de Stokvoortsestraat 5 te Haps. Hierdoor is de geurbelasting van agrarische activiteiten vanuit het plangebied op de omgeving afgenomen. De geurbelasting in de omgeving van dit bedrijf verplaatst zich meer naar het zuiden.
blad 77 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
Veehouderij De Bengels 8
Veehouderij Stokvoortsetraat 5
figuur 9.4 Verplaatsing agrarische bedrijf uit plangebied naar locatie ten zuiden van het plangebied
Geurbelasting vanuit omgeving op plangebied Geurbelasting industriële activiteiten In het kader van het bestemmingsplan is een geuronderzoek uitgevoerd naar de geurinvloed van de bedrijven en de stortplaats in de omgeving op het plangebied (Antea Group, 2014). Onderstaand zijn de resultaten weergegeven: Stortplaats aan Beijersbos 1: Het is aannemelijk dat de Milieustraat, gezien de aard van de activiteiten en de omvang van de inrichting, geen ontoelaatbare geurbelasting veroorzaakt op het plangebied; Het groencomposteringsbedrijf aan Beijersbos 2: uit de verleende omgevingsvergunning milieu d.d. 22 juli 2003 (bij uitspraak van Raad van State d.d. 30 juni 2014 onherroepelijk) blijkt niet welke geurbelasting er optreedt ter hoogte van het plangebied. In de vergunning is met betrekking tot het onderdeel geurhinder gesteld dat de afstandseisen ten opzichte van de te beschermen woningen in het buitengebied worden gerespecteerd. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het plangebied en gezien de verleende omgevingsvergunning is het onwaarschijnlijk dat de geurbelasting ter hoogte van de te realiseren objecten (waaronder kantoren bij bedrijven) in het plangebied hoger is dan de grenswaarde van 1,5 ouE/m3 als 98 percentiel. De grenswaarde van 1,5 ouE/m3 als 98 percentiel wordt op grond van de Nederlandse Emissierichtlijn (NER) beschouwd als 'acceptabel' hinderniveau.
Concluderend, het is aannemelijk dat het groencomposteringsbedrijf geen ontoelaatbare geurbelasting veroorzaakt op het plangebied; De rioolwaterzuiveringsinstallatie aan Beijersbos 4: uit het geurhinderonderzoek dat is verricht in het kader van de vergunningprocedure (omgevingsvergunning verleend op 21 maart 2014) blijkt dat ter hoogte van de te beschermen objecten wordt voldaan aan de grenswaarden. De contour van 1 ouE/m3 als 98 percentiel (grenswaarde als gevolg van RWZI's voor geurgevoelige objecten op een industrieterrein) ligt niet over het plangebied (zie figuur 9.5). De stortplaats: op basis van het onderzoek dat is verricht in het kader van de ontwikkeling van Regionaal Bedrijvenpark Laarakker (Noord en Noordwest) kan worden geconcludeerd dat de geurimmissiecontour van 1,5 ouE/m3 als 98 percentiel niet over het plangebied ligt.
blad 78 van 136
Milieueffectrapport Bedrijvenpark Laarakker Zuid te Haps Projectnr. 275207 18 maart 2015 , revisie 04
figuur 9.5 Geurcontouren RWZI Land van Cuijk, Bijersbos 4 te Haps
Geurbelasting agrarische activiteiten Op de veehouderijen in de omgeving worden geen dieren gehouden waarvoor een gueremissie is vastgesteld; het betreffen melkkoeien waarvoor ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit milieubeheer vaste afstanden gelden. Op grond van de gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij geldt voor veehouderijen tot 300 stuks rundvee een vaste afstand tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom van 50 meter. Voor een geurgevoelige object buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 25 meter. De dichtstbijzijnde veehouderij (Oeffeltseweg 16) ligt op ruim 170 meter afstand van het plangebied. Laarakker Zuid ligt daardoor ruimschoots buiten de vaste afstanden die gelden vanwege de veehouderijen. Uit oogpunt van geurhinder vanwege veehouderijen zijn er derhalve geen belemmeringen voor de ontwikkeling van bedrijvenpark Laarakker Zuid.