CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

07 Ontwerpbestemmingsplan Cuijk Centrum Grotestraat Zuid

Cuijk - commissie Ruimte 29 november 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: (ter bespreking) Voorstel inzake Ontwerpbestemmingsplan Grotestraat Zuid Bestemmingsplan Cuijk Centrum, locatie Merlet19.824 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

48

5.1.3

Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt voor het deelgebied Merlet geen planologische belemmering voor het plan. In de uitwerkingsregels van de bestemming 'Woongebied - Uit te werken' is een verplichting voor een verkennend bodemonderzoek en eventuele maatregelen opgenomen zodat ook dit gebied voor uiteindelijke bestemming wordt onderzocht.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

5.2.1

Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of: 

de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;

bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen. In de handreiking wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen: een rustige woonwijk en gemengd gebied. In een gemengd gebied mag een kleinere richtafstand dan in een rustige woonwijk worden aangehouden. De richtafstanden mogen dan met één 'afstandstap' worden teruggebracht.

5.2.2

Analyse

Omgevingstype Het omgevingstype van voorliggend plangebied is een rustige woonwijk. In de (toekomstige) omgeving is slechts van beperkte functiemenging sprake en er is weinig verstorend verkeer. Invloed plan op de omgeving Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

49

Invloed omliggende inrichtingen op plan Merletbuurt Detailhandelscluster Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving van het deelgebied Merletbuurt, zoals dit na voltooiing van het plan zal zijn. De SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied. bedrijf

categorie

richtafstand werkelijke afstand

Grotestraat detailhandelscluster

2

30 m

30 m

Begraafplaats

1

10 m

9m

Er liggen geen milieugevoelige onderdelen binnen de richtafstanden van het detailhandelscluster. Formeel ligt 1 woning binnen de richtafstand van de begraafplaats, gerekend vanaf de bestemmingsgrens 'Maatschappelijk'. Direct grenzend aan de plangrens zijn binnen de bestemming 'Maatschappelijk' nu echter geen functies aanwezig die hinder kunnen veroorzaken voor of worden belemmerd door de nieuwe woningbouw. Het betreft namelijk de afschermende groenstrook. Gezien de huidige situatie worden geen belemmeringen verwacht. Nutricia Naast de bedrijfsactiviteiten in het detailhandelscluster is ook Nutricia ten noorden van het deelgebied Merletbuurt nog in bedrijf. Enkele bedrijfsactiviteiten van Nutricia kunnen hinder naar de omgeving veroorzaken. Dit geldt voor de aspecten geluid, geur en stof. Omdat de geluidsbelasting de grootste hinder veroorzaakt zijn er twee geluidzones (industrie en industrieterrein Wet geluidhinder) op genomen op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan. De 'geluidzone-industrieterrein Wet geluidhinder' ligt precies óp de gronden van het Nutriciaterrein en de 'geluidzone - industrie' ligt ook daarbuiten op een deel van de Merletbuurt.

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrieterrein Wet geluidhinder' mogen géén nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten worden gebouwd en binnen de aanduiding 'geluidzone - industrie' mogen geen woningen en andere geluidsgevoelige objecten worden gebouwd/bewoond zonder dat aangetoond is dat de geluidsbelasting niet hoger zal zijn dan 50 dB(A) etmaalwaarde. Zonder het verdwijnen van Nutricia mogen daardoor in de Nutriciabuurt en aan de Maasboulevard geen woningen worden gebouwd en in de Merletbuurt niet worden bewoond zonder onderzoek naar de geluidsbelasting.

50

Om voorliggende ontwikkeling te realiseren is er daarom voor gekozen om de bedrijfsactiviteiten van Nutricia hier te beëindigen. Daarmee vormen vanaf de beëindiging de geluidzones geen belemmering meer. Omdat de bedrijfsactiviteiten zullen verdwijnen is er nu geen onderzoek naar de werkelijke geluidsbelasting op de geprojecteerde woningen uitgevoerd. Dit betekent, omdat de bedrijfsactiviteiten van Nutricia later worden beëindigd dan de bouw van de woningen in de Merletbuurt kan starten, dat een deel van de woningen in de Merletbuurt wordt gebouwd binnen de bestaande 'geluidzone - industrie'. Deze woningen kunnen wel gebouwd worden, maar mogen niet bewoond worden voordat alle activiteiten van Nutricia die geluidhinder veroorzaken beëindigd zijn. Hiervoor is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen (artikel 5.4.6). Nutriciabuurt en Maasboulevard Hier kan pas gebouwd worden als Nutricia echt weg is. In de directe omgeving van het deelgebied Nutriciabuurt is geen bedrijvigheid aanwezig. Ten noorden van het plangebied is de moskee en een detailhandelsvestiging aanwezig. In de nabijheid van het zuidelijk deel van de Maasboulevard zijn nu de hiervoor genoemde bedrijven in het detailhandelscluster aanwezig. In het nu voorliggende concept ontwerp liggen er woningen binnen de richtafstanden van deze activiteiten.

Ten tijde van de uitwerking van deze deelgebieden dient aangetoond te worden dat er geen belemmeringen vanuit omliggende bedrijvigheid aanwezig zijn óf door buiten de richtafstanden te bouwen óf middels onderzoek aan te tonen dat er geen beperking van de bestaande activiteiten plaatsvindt.

5.2.3

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.3

Externe veiligheid

5.3.1

Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

51

Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit: 

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening. Kernbegrippen In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal: 

Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, van overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op een kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten met eenzelfde plaatsgebonden risico verbinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is de risicocontour van 10-6/jaar het meest relevant. Binnen deze contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde.

Grenswaarde: Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

52

Bron

Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico

Inrichtingen (Bevi)

Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

Transportroutes (Bevt) Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

5.3.2

Analyse

Door AVIV is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 5 (Notitie / Externe veiligheid Grotestraat Zuid in Cuijk', 22 februari 2019, kenmerk 193846). Hierna zijn de conclusies opgenomen. De locatie ligt in het invloedsgebied van de Maas en de Hapsebaan/Heerstraat. Voor geen van deze twee risicobronnen is geen toename van het groepsrisico te verwachten. In tegenstelling tot wat beschreven is in de notitie zal door de gewijzigde planningen de woningen gebouwd worden terwijl de gasleiding nog in gebruik is. De woningen worden echter pas in gebruik genomen worden na vertrek van Nutricia en daarmee de buitengebruikstelling van de gasleiding. De conclusie met betrekking tot de gasleiding verandert hierdoor niet.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

53

Voor de risicobronnen Maas en de Hapsebaan/Heerstraat dient in de toelichting bij het besluit conform het Bevt ingegaan te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Hierna is deze verantwoording opgenomen.

5.3.3

Verantwoording groepsrisico

De verantwoording van het groepsrisico heeft betrekking op de in 5.3.2 beschreven relevante risicobronnen. Bevt - Water-, weg- en spoorwegtransport Het Bevt geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. De adviestaak omvat de mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Voor zover mogelijk wordt in deze paragraaf invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht. De aanvullende adviezen van de regionale brandweer/ Veiligheidsregio dient de gemeente Cuijk mee te wegen in haar besluitvorming. In artikel 7 en 8 van het Bevt is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht. In een beperkte verantwoording worden de volgende aspecten beschouwd: a. mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; b. zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten. c.

Risicocommunicatie

Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland.

54

Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies gerealiseerd die specifiek voor verminderd zelfredzame personen bedoeld zijn. Dit betekent dat het uitgangspunt is dat de aanwezige personen zich bij een eventuele dreigende situatie zelfstandig (of met hulp van overige aanwezigen) in veiligheid kunnen brengen. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten.

Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de eerder genoemde scenario's). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio's uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen.

5.3.4

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

55

5.4

Geurhinder veehouderijen

5.4.1

Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.4.2

Analyse

De gemeente Cuijk heeft in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij eigen geurbeleid vastgesteld. Daarin is opgenomen dat de voorgrondbelasting binnen het plangebied niet meer mag bedragen dan 0,5 Ou/m³. Voorts geldt dat de achtergrondbelasting voor de woonkern maximaal 10 Ou/m³ mag zijn.

GEURBELASTING REFERENTIESITUATIE 2013 MET PLANGEBIED IN RODE CIRKEL (GEURGEBEDSVISIE 2013 CUIJK)

56

Op bovenstaande kaart is zichtbaar dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied minder dan 3 Ou/m³ bedraagt. Hiermee is de geurbelasting door de agrarische bedrijven binnen de gemeente Cuijk ruim onder de gestelde norm. Zoals te zien op onderstaande afbeelding liggende veehouderijen binnen de gemeente Mook en Middelaar allen op grote afstand van het plangebied. Er wordt dan ook geen geurhinder verwacht. De nieuwe woningen liggen daarnaast niet dichterbij dan bestaande woningen en zorgen dus niet voor een belemmering voor de aanwezige agrarische bedrijven.

VEEHOUDERIJEN BINNEN 600 m EN 2 KM VAN HET PLANGEBIED

5.4.3

Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

57

5.5

Volksgezondheid

5.5.1

Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid. Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

5.5.2

Veehouderijen

Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 - die bedoeld is bij de nieuwvestiging of verandering van veehouderijen - biedt een stappenplan dat ook deels geschikt is voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijen. Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een giftig effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. Conform stap 5 van het stappenplan moet de ligging van het initiatief ten opzichte van veehouderijen worden beoordeeld. Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen. Het Bestand Veehouderijbedrijven biedt de benodigde gegevens van de veehouderijen. Analyse Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 1000 meter rondom het plangebied zijn geen (intensieve) veehouderijen actief, zie onderstaande afbeelding binnen de gele arcering. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.

58

De werkelijke afstand tot de relevante intensieve veehouderijen bedraagt meer dan de afstand bijhorende bij de advieswaarde van 30 EU/m³. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen. Geitenhouderijen Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. Analyse Na contact met de provincie Limburg en de gemeente Mook en Middelaar is gebleken dat er geen geitenhouderijen zijn gevestigd binnen een straal van 2 km van het plangebied. De provincie Limburg heeft daarnaast in de Omgevingsverordening Limburg (artikel 2.14 'Houden van geiten') een algemeen verbod (vanaf 10 geiten of meer) op nieuwvestiging opgenomen. Geitenhouderijen kunnen daarmee geen belemmering vormen voor voorliggende ontwikkeling.

5.5.3

Boom- en fruitteelt

Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar personen gedurende langere tijd verblijven. Maar de gronden rondom het plangebied zijn thans niet in gebruik voor boom- en fruitteelt en bovendien ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

59

5.5.4

Hoogspanningsverbindingen

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen en transformatorhuisjes kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Analyse Het plan leidt tot het toevoegen van woningen of andere functies waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Maar er is sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 1,5 kilometer, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek naar de hoogspanningsverbinding nodig. Aan Het Zand 3a staat een transformatorhuisje. In de regels en op de verbeelding wordt een zone van 4 meter rondom het bouwvlak van het transformatorhuisje vrijgehouden van woondoeleinden. Er worden mogelijk wel nieuwe transformatorhuisjes geplaatst. Dit betekent dat er een middenspanningskabel naar zo'n huisje toeloopt. De GGD adviseert een passende afstand van een transformatorhuisje en kabels tot de gevoelige objecten, zoals woningen en tuinen/speelplein te houden. In het nader ontwerp wordt dit aspect meegenomen.

5.5.5

Gezondheidskansen bij een gezonde leefomgeving

Effect natuurlijke groene omgeving Een natuurlijke leefomgeving kan op verschillende manieren bijdragen aan de gezondheid van de mens, van kinderen tot ouderen. Natuur kan bijdragen aan: 

herstel van stress

aanzetten tot sociaal contact

optimale ontwikkeling van kinderen

bevorderen en stimuleren tot beweging

zingeving

persoonlijke ontwikkeling

sociale veiligheid

Naast groen kan hierbij ook gedacht worden aan het plaatsen van speeltoestellen of informele zitgelegenheden en goede loop- en fietsroutes.

60

Daarnaast kan groen een indirect positieve invloed hebben op de gezondheid. Denk hierbij aan: 

groen geeft schaduw, absorbeert water en heeft een isolerende werking

gevelgroen en groene daken hebben een isolerende werking

groen beschermt tegen wind

meer groen draagt in perioden van extreme hitte bij aan minder hitteoverlast in de steden

voldoende waterbergend vermogen van de (minder versteende( bodem zorgt bij extreme hoeveelheden neerslag voor minder wateroverlast en voor minder verdroging.

Belangrijk daarbij is dat bij de keuze van de beplanting rekening gehouden wordt met mogelijke overlast in de vorm van eikenprocessierups, teken en allergieën. Sociale veiligheid Daarnaast dient er aandacht te zijn voor het creëren van een gevoel van veiligheid. Dit kan bevorderd worden of beschermd worden door in de ontwikkeling rekening te houden met openheid en verlichting. Een goede verlichting van fiets- en wandelpaden kan een significante bijdrage leveren aan de ervaren veiligheid. Dit heeft effect op de woonbeleving van de inwoners. Participatie (toekomstige) bewoners Reserveer ruimte in het proces voor participatie van de bewoners. Laat hen meepraten over hun leefomgeving. Dit zorgt voor een positief effect op de ervaring van de woonomgeving. Geluid Blootstelling aan geluid kan leiden tot gezondheidseffecten, zoals hinder en slaapverstoring. Hierbij wordt doorgaans rekening gehouden met de externe geluidsbronnen zoals wegverkeer of spoor, maar er dient ook aandacht te zijn voor de mogelijke geluidbronnen in de woning, zoals mechanische ventilatiesystemen of warmtepompen. Ook dient niet alleen zorg te zijn voor de binnenwaarden, maar is het ook belangrijk dat mensen ook buiten in hun tuin/ op hun balkon kunnen ontspannen in een rustige omgeving. Analyse In het ontwerp van de Merletbuurt is in ruime mate groen aanwezig.

Enerzijds in het bestaande pad langs de begraafplaats, maar anderzijds ook in het middengebied waar een grote groene zone is gepland voor spelen en ontmoeting. Een deel van de nieuwe bewoners is al bekend en kan meegenomen worden in de keuze van de invulling.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

61

Hier is door de open binnenruimte ook veel zicht op het hele gebied, wat de sociale veiligheid kan bevorderen. De GGD vraagt aandacht voor de overschrijding van de gezondheidskundige advieswaarde voor de woningen aan de Grotestraat en vraagt, zo mogelijk, maatregelen aan de bron te treffen. In het ontwerp voor de Nutriciabuurt en Maasboulevard zullen de genoemde aspecten meegenomen worden.

5.5.6

Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.6

Geluid

5.6.1

Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.

5.6.2

Analyse

Merletbuurt Door Cauberg Huygen B.V. een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeer ten behoeve van het plangebied ‘Grotestraat Zuid’ te Cuijk. De rapportage is opgenomen als bijlage 6 ('Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Plangebied Grotestraat Zuid te Cuijk', 13 februari 2019, kenmerk 04835-45824-02). Hierna is een samenvatting en de conclusies opgenomen. Omdat uitgangspunt is dat er pas gebruik gemaakt wordt van de woningen nadat de bedrijfsactiviteiten van Nutricia zijn gestaakt zal de geluidzone van Nutricia zijn vervallen. In het onderzoek is daarom hier geen rekening mee gehouden.

62

De geplande geluidgevoelige bestemmingen (woningen) betreffen een nieuwe situatie in de zin van de Wet Geluidhinder. Eén of meerdere plangebieden bevindt zich volgens de Wet geluidhinder binnen de zone van de Hapsebaan, Maasboulevard en Hagelkruis. Om die reden is voor de planlocatie een akoestisch onderzoek noodzakelijk. De locatie is niet gelegen binnen de zone van een spoorweg of gezoneerd industrieterrein. Verder zijn de planlocaties omgeven door verschillende 30 km/u wegen. 30 km/uur wegen hebben geen geluidzone volgens de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening (en ten behoeve van de bouwvergunning) is het desalniettemin noodzakelijk om de invloed van de nabijgelegen 30 km/uur inzichtelijk te maken. Hierbij gaat het met name om de Grotestraat en Het Zand. Ten behoeve van dit geluidonderzoek is gebruik gemaakt van de Wet geluidhinder, zoals deze geldt per 1 mei 2017. De geluidbelastingen vanwege wegverkeer zijn berekend conform de Standaard Rekenmethode II uit bijlage III van het ‘Reken- en meetvoorschrift geluid 2012’. De berekende geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeerslawaai zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder: Stedelijke wegen: voorkeursgrenswaarde 48 dB maximale ontheffingswaarde 63 dB.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

63

OVERZICHT INDELING CLUSTERS IN AKOESTISCH ONDERZOEK

64

Conclusies: 

Ten gevolge van wegverkeer op de Hapsebaan wordt voor cluster I niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (maximaal 50 dB). De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de overige clusters wordt voldaan aan de voorkeurswaarde.

Ten gevolge van wegverkeer op de Maasboulevard wordt voor de clusters A, B en C niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (maximaal 56 dB). De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt iet overschreden. Voor de overige clusters wordt voldaan aan de voorkeurswaarde.

Ten gevolge van wegverkeer op de Hagelkruis wordt overal voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Vanuit de Wet geluidhinder vormt de voornoemde weg geen belemmering voor het plan.

Ten gevolge van wegverkeer op de Grotestraat (niet-gezoneerd, 30 km/u) bedraagt de geluidbelasting maximaal 59 dB Lden (geen aftrek). De geluidbelasting is hoger dan 48 dB (voorkeursgrenswaarde indien deze van toepassing zou zijn), en tevens boven 53 dB. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt geadviseerd deze geluidbelasting mee te nemen in de berekening naar de gevel geluidwering.

Ten gevolge van wegverkeer op Het Zand (niet-gezoneerd, 30 km/u) bedraagt de geluidbelasting maximaal 48 dB Lden (geen aftrek). De geluidbelasting is lager dan of gelijk aan 48 dB (voorkeursgrenswaarde indien deze van toepassing zou zijn). In het kader van een goede ruimtelijke ordening vormt de voornoemde weg geen belemmering voor het bouwplan.

Ten gevolge van wegverkeer op de nieuw te realiseren wegen binnen het plangebied (niet-gezoneerd, 30 km/u) bedraagt de geluidbelasting maximaal 53 dB Lden (geen aftrek). De geluidbelasting is hoger dan 48 dB (voorkeurswaarde indien deze van toepassing zou zijn), maar beneden of gelijk aan 53 dB. In het kader van een goede ruimtelijke ordening vormen de voornoemde wegen geen belemmering voor het bouwplan (geen verhoogde geluidbelasting). Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient een akoestisch onderzoek gevelgeluidwering bijgevoegd te worden. De karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies dient te worden bepaald conform NEN 5077. Hiermee wordt een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Iedere woning met een hogere waarde heeft een geluidluwe (achter)gevel.

Indien maatregelen ter reductie van het geluid ten gevolge van de relevante geluidbronnen in relatie tot het onderhavige project vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige of financiële aard, niet realiseerbaar zijn, is het realistisch om hogere waarden aan te vragen voor de in het plan opgenomen woningen vanwege de Hapsebaan en Maasboulevard.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

65

In de bouwregels bij de bestemming 'Woongebied' is een regeling opgenomen ten aanzien van het realiseren van voldoende geluidwerende voorzieningen aan de gevels. Industrielawaai Uitgangspunt is dat er pas gebruik gemaakt wordt van de woningen nadat de bedrijfsactiviteiten van Nutricia zijn gestaakt. Daarmee zal de geluidzone van Nutricia zijn vervallen. Verder zijn geen bedrijven in de omgeving aanwezig die geluidshinder veroorzaken. Er is daarom geen onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd.

5.6.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.7

Luchtkwaliteit

5.7.1

Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.7.2

Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat 165 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Goed woon- en leefklimaat Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie (op basis van uitgangspunt dat Nutricia weggaat), (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.

66

In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Jan van Cuykstraat, Cuijk, 163221'. categorie

grenswaarde

2018

2020

2030

jaargemiddelde concentratie NO2

40 µg/m³

19,7

17,2

10,1

jaargemiddelde concentratie PM10

40 µg/m³

19,5

17,8

14,8

jaargemiddelde concentratie PM2.5

25 µg/m³

12,1

10,8

7,9

35

7,2

6,2

6,0

overschrijdingsdagen per jaargemiddelde concentratie PM10

Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.7.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.8

Archeologie

5.8.1

Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

67

5.8.2

Analyse

Merletbuurt Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Door ArcheoPro is een archeologisch onderzoek voor dit deelgebied uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 9 ('Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek', 10 januari 2020, kenmerk 19-202). Hierna zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor resten van bewoning uit de steentijd tot en met de nieuwe tijd. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied 18 verkennende boringen gezet in een dichtheid van tien boringen per hectare. Uit de resultaten van het met een guts verrichte verkennende booronderzoek blijkt dat de bodem binnen het grootste deel van het plangebied uit een overstromingspakket bestaat dat is opgebouwd uit sterk kleiig zand en sterk zandige klei met daarboven een dik pakket geroerde grond dat waarschijnlijk is ontstaan bij het bouwrijp maken van het terrein voorafgaande aan de bouw van de schoolgebouwen. Langs de zuid- en de zuidoostrand van het plangebied bestaat de bodem echter uit dekzand waarin tenminste plaatselijk podzolvorming lijkt te hebben plaatsgevonden. Met name in de zuidoosthoek van het plangebied is een nog grotendeels intacte dekzandbodem aangetroffen waarin plaatselijk bovendien houtskool voorkomt.

Hier is de bodem over het algemeen ook aanmerkelijk minder diep verstoord dan op de overige delen van het plangebied. Langs de zuidrand van het plangebied en binnen het zuidoostelijke deel hiervan moet derhalve rekening worden gehouden met de eventuele aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten. Voor deze delen van het plangebied wordt dan ook geadviseerd om graafwerkzaamheden die dieper reiken dan de huidige verstoringsdiepte, vooraf te laten gaan door nader archeologisch onderzoek. Op de overige delen van het plangebied geven de resultaten van het verkennend booronderzoek geen aanleiding tot het adviseren van vervolgonderzoek.

68

In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, deze direct gemeld dienen te worden bij de minister conform de Erfgoedwet 2016. Programma van Eisen Proefsleuvenonderzoek (IVO-P) Zoals hierboven beschreven is voor het zuidoostelijk deel van het plangebied nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. Op onderstaande afbeelding is het onderzoeksgebied afgebeeld.

ONDERZOEKSGEBIED PROEFSLEUVENONDERZOEK

Door The missing Link is een Programma van Eisen voor het proefsleuvenonderzoek opgesteld. De rapportage is opgenomen als bijlage 10 ('Programma van Eisen Proefsleuvenonderzoek (IVO-P) Plangebied Merlet College, Gemeente Cuijk', 29 oktober 2020, kenmerk TML 2396-422).

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

69

Proefsleuvenonderzoek Door BAAC is een proefsleuvenonderzoek voor het plangebied Merletcollege uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 11 ('Cuijk – Merlet College Proefsleuven (IVO-p)', januari 2021, kenmerk A-20.0350). Hierna zijn de conclusies opgenomen. Op basis van dit proefsleuvenonderzoek is te concluderen dat slechts in geringe mate archeologische resten aanwezig zijn. Het gaat om één spoor en enkele vondsten, uitsluitend in proefsleuf 1. In dit deel van het gebied is de bodem lokaal intact, maar op sommige plaatsen is de bodem verstoord door plant-/ boomgaten. De twee noordelijke proefsleuven zijn leeg, omdat uit deze sleuven blijkt dat daar egalisatie heeft plaatsgevonden en dat het oorspronkelijk bodemprofiel volledig weg is. Op basis van het waarderingsschema van de KNA is dan ook geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats. Er wordt daar dan ook geen archeologische opgraving geadviseerd. Tegelijkertijd behoud een gebied rondom proefsleuf 1 een hoge verwachting op archeologie, op basis van de volgende punten: 

een grote, rechthoekige houtskoolrijke kuil S1001 uit de Romeinse tijd (1e of begin 2e eeuw na Chr.);

de vondsten uit de late prehistorie – middeleeuwen;

de deels intacte bodemopbouw en de gemiddelde gaafheid en conservering;

de locatie ten opzichte van bekende archeologische waarnemingen in de omgeving.

Op basis van deze punten wordt geadviseerd om eventuele graafwerkzaamheden in een blok van ca 32 x 30 m (950 m 2) rondom proefsleuf 1 te begeleiden, mits de graafwerkzaamheden dieper gaan dan 11 m + NAP (ca. 0,9 m - mv tot 0,6 m - mv). Deze diepte vertegenwoordigt het niveau vanaf waar prehistorische en Romeinse vondsten en hooggelegen sporen aangetroffen kunnen worden. Vanaf 10,7 m + NAP kan een goed leesbaar sporenvlak verwacht worden (1,2 tot 0,9 m - mv). In dit advies is de locatie ten opzichte van de Grotestraat (150 m) en de oever van de Maas (300 m) en de daarvan bekende archeologische waarden meegewogen. Bovenstaand advies is beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Cuijk) en heeft geleid tot een selectiebesluit op 15 juni 2021. Een groot gedeelte van het Merletterrein is daarmee vrijgegeven van verder archeologisch onderzoek. In het vrijgegeven gebied kan reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten.

70

LOCATIE PROEFSLEUF MET VONDSTEN EN OMLIGGEND GEBIED MET HOGE VERWACHTINGSWAARDE (LICHTBLAUW)

Op de verbeelding en regels is ter bescherming van de archeologische waarden een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie Merlet' opgenomen, waarin graafwerkzaamheden dieper dan 11m +NAP onder maaiveld onder begeleiding dienen plaats te vinden. Nutriciabuurt en Maasboulevard Door BAAC is een archeologisch onderzoek voor het gehele plangebied uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 8 ('Archeologisch bureauonderzoek plangebied Grotestraat Zuid in Cuijk', december 2017, kenmerk V-17.0276). Hierna is het advies voor vervolgonderzoek opgenomen. Om meer inzicht te krijgen in de aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied is vervolgonderzoek noodzakelijk. Op basis van deze verwachting adviseert BAAC bv om eerst vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een bureauonderzoek naar de bouwdossiers, om diepe en ingrijpende verstoringen in kaart te brengen. Aan de hand van dit onderzoek kan de archeologische verwachting voor delen van het plangebied

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

71

wellicht naar beneden worden bijgesteld. Waar mogelijk kunnen proefsleuvenonderzoeken worden uitgevoerd om de vindplaatsen te waarderen. Op plaatsen waar een proefsleuvenonderzoek praktisch niet mogelijk is adviseert BAAC bv archeologische begeleidingen onder protocol opgraven. Omdat bouwplannen tot op heden niet definitief zijn en verstoringsdiepten nog niet in kaart zijn gebracht is het echter nog niet mogelijk een advies op maat te geven waarin vervolgstrategieën per deelgebied zijn uitgewerkt.

5.8.3

Conclusie

Omdat het archeologisch onderzoek nog niet volledig is afgerond, is op die delen van het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde-Archeologie' opgenomen. Daarmee is verzekerd dat dient te worden aangetoond dat er geen archeologische waarden worden verstoord bij de ontwikkeling. Het aspect archeologie vormt daarmee geen planologische belemmering voor het plan.

72

5.9

Cultuurhistorie

5.9.1

Inleiding

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.9.2

Analyse

Merletbuurt In het deelgebied Merletcollege zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Nutriciabuurt en Maasboulevard Binnen deze deelgebieden liggen enkele karakteristieke objecten en monumentale bomen. Hierna zijn de objecten kort beschreven. Grotestraat 89 - Gevel fabriekspand

Gedeelte gevel circa 1880 (noord) Kenmerken: 

platdak

wit geverfde bakstenen

betonnen lateinen segentbogen boven vensters

rondbogen met rood geverfde sluistenen in topgevel

Gevel circa 1930 (zuid) Kenmerken: 

Art Deco

getrapte sierrand van rode bakstenen in nok

drie verticale lichtvensters in topgevel

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

73

Grotestraat 91 - Woonhuis/villa De oudste onderdelen zijn 18e eeuws

Kenmerken: 

zadeldak gedekt met Hollandse pannen

baksteen, wit geverfd, muurvlakken ten dele gestuct

muizentandversiering

vlechtingen in topgevel

ramen, vensters, deuromlijsting en voordeur vernieuwd

bovenlicht met lamphouder

middenrisaliet

Zowel de villa als de gevel van het fabriekspand zijn aangeduid met de aanduiding 'karakteristiek'. In de regels is een regeling opgenomen waarmee deze karakteristieke objecten beschermd worden. Monumentale bomen De monumentale bomen bij de villa Ulperhof, ten noorden van Grotestraat 132 en ter hoogte van de entree van Nutricia aan de oostzijde van de Grotestraat zijn ook beschermd in de regels middels een aanduiding 'monumentale boom'. Zie ook paragraaf 4.3.4 Monumentale Bomennota gemeente Cuijk 2009-2019. Voor de 5 monumentale bomen is een Boomeffectanalyse uitgevoerd. Resultaten/conclusie boomeffectanalyse P.M.

5.9.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

74

5.10

Natuurwaarden

5.10.1 Inleiding Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen: 

gebiedsbescherming;

soortenbescherming;

bescherming van houtopstanden.

5.10.2 Gebiedsbescherming Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en de aard van de voorgenomen plannen is het, uitgezonderd stikstofdepositie, uit te sluiten dat negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Sint Jansberg, welke op circa 2,8 kilometer afstand ten noordenoosten van het plangebied ligt. Uit de kaarten van de kaartbank op de website van de Provincie Noord-Brabant, blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNB. Aangezien het plangebied van hoge bedrijvigheid overgaat naar woonfunctie, hebben de voorgenomen plannen geen negatief effect hebben op het nabij gelegen NNB. Stikstof Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Conform de Wet natuurbescherming mag de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden namelijk niet toenemen. Er geldt dan ook een grenswaarde van 0,00 mol/hectare/jaar. Er is opdracht gegeven voor het opstellen van een notitie Stikstofdepositie en zijn in afwachting van de resultaten. Indien mogelijk (en nodig) worden de resultaten nog verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan, anders bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

De voorlopige conclusie is dat op basis van de Aeriusberekening geen vergunningplicht bestaat voor de gebruiksfase (depositie op natura-2000 is 0,00 mol N/ha/jaar) en derhalve kan op basis van de partiële vrijstelling voor bouwactiviteiten (opgenomen in artikel 2.9a Wnb) deze bouwfase worden vrijgesteld van beoordeling.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

75

5.10.3 Soortenbescherming Merletbuurt Quickscan In verband met de gewenste - en reeds uitgevoerde - sloop van het Merletcollege is door Bureau Waardenburg bv voor het deelgebied Merletcollege een Quickscan beschermde soorten uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 13 ('Quickscan beschermde soorten Merletcollege te Cuijk, 12 november 2018, kenmerk 18-0750/18.09004/IngHR). De conclusie was dat de bebouwing van het Merletcollege mogelijk betekenis had als verblijfplaats voor vleermuizen. Nader onderzoek moest uitwijzen of vleermuizen verblijfplaatsen hebben in het gebouw. Nader onderzoek vleermuizen Door Ekoza Ecologisch Advies is voor het deelgebied Merletcollege een nader onderzoek vleermuizen uitgevoerd, rapport: ''Nader onderzoek vleermuizen Grotestraat 144 Cuijk'' (25 september 2019, 19.085). De rapportage is als bijlage 14 opgenomen in de toelichting. Ekoza Ecologisch Advies concludeert dat één gecombineerde zomer- en paarverblijfplaats en drie paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis zijn vastgesteld binnen het plangebied. Activiteitenplan voor de gewone dwergvleermuis Naar aanleiding van het nader onderzoek vleermuizen heeft Ekoza Ecologisch Advies voor het deelgebied Merletcollege een activiteitenplan voor de gewone dwergvleermuis opgesteld, rapport: ''Activiteitenplan gewone dwergvleermuis Grotestraat 144 te Cuijk'' (20 november 2019, 19.186).

De rapportage is als bijlage 15 opgenomen in de toelichting. Ontheffingsbesluit Hierop is door de Provincie Noord-Brabant (via Omgevingsdienst Brabant Noord) een ontheffingsbesluit Wet natuurbescherming afgegeven. Deze is toegevoegd als bijlage 16 Een van de voorwaarden verbonden aan de ontheffing betreft het realiseren van 24 vleermuiskasten in/aan de nieuwbouwwoningen binnen de Merletbuurt. Deze voorwaarde is als voorwaardelijke verplichting in de regels (artikel 5.4.7) opgenomen. Nutriciabuurt en Maasboulevard Ecologisch onderzoek Door Averti Ecologisch Advies is voor het deelgebied Nutriciabuurt en Maasboulevard een ecologisch onderzoek uitgevoerd, rapport: ''Ecologisch onderzoek Nutriciaterrein te Cuijk'' (9 oktober 2020, 20.20.1). De rapportage is opgenomen als bijlage 17.

76

Averti Ecologisch Advies concludeert dat: 

Tijdens het onderzoek in en nabij het projectgebied beschermde functies van twee vleermuissoorten zijn aangetroffen. Voor de gewone dwergvleermuis gaat het hierbij om één zomer- en twee paarverblijfplaatsen in een woning net buiten het projectgebied. Daarnaast is een vliegroute van de laatvlieger vastgesteld in het projectgebied. Ter plaatse van de vliegroute is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor een beplantings- en verlichtingsplan ter behoud van de vliegroute.

Het amoveren van de bestaande bebouwing in het projectgebied geen negatieve invloed op functies van het projectgebied van beschermde diersoorten levert zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming. Wel kunnen de realisatie van de plannen voor nieuwbouw een verslechtering van de kwaliteit van de vliegroute van laatvliegers betekenen. Om overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van de werkzaamheden te voorkomen is het noodzakelijk om een verlichting- en beplantingsplan op te stellen. In dit plan moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van de vliegroute van laatvliegers. Dit plan moet mede opgesteld worden door een ter zake kundige op het gebied van laatvliegers. Ook tijdens de uitvoering van de maatregelen moet een ter zake kundige betrokken zijn.

5.10.4 Conclusie Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan. Wel dienen de aangegeven welke mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden.

5.11

Waterparagraaf

5.11.1 Inleiding Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Aa en Maas. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

77

5.11.2 Beleid De verschillende overheidslagen hebben hun waterbeleid vastgelegd in diverse beleidsdocumenten. De algemene strekking met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen betreft: 

het scheiden van het schone hemelwater en het vuile afvalwater;

het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein, of middels een gezamenlijke voorziening heeft de voorkeur boven afvoer via het oppervlaktewater.

5.11.2.1

Waterschap Aa en Maas

Het beleid van Waterschap Aa en Maas schrijft de volgende stappen voor, voor de afhandeling van regenwater: hergebruiken, infiltreren, bufferen en afvoeren. De keur van het waterschap schrijft voor dat voor plannen met een toename aan verhard oppervlak van maximaal 500 m2, groene daken en afkoppelplannen van maximaal 10.000 m 2 een vrijstelling geldt voor de realisatie van een hemelwater compensatie. Wanneer deze vrijstelling niet gegeven wordt dient er 60 mm berging te worden gecreëerd. Daarnaast worden nieuwe ontwikkelingsplannen worden getoetst aan de acht uitgangspunten. Deze zijn hierna benoemd en onderbouwd waarom daaraan wordt voldaan. 1. Wateroverlastvrij bestemmen Het betreft hier een herontwikkeling van de locatie van Nutricia en het Merletcollege binnen stedelijke gebied. Herontwikkeling van deze locaties voorkomt nieuwe verharding in het buitengebied. Mogelijk extra benodigde maatregelen wegen op tegen extra verharding. 2. Vuil water en hemelwater scheiden Binnen het plangebied zal een gescheiden stelsel worden aangelegd. Het hemelwater zal apart verzameld worden en, indien mogelijk, op eigen terrein of binnen het plangebied worden opgevangen. 3.

Hergebruik > infiltratie > buffering > afvoer Zoals bij vorig punt benoemd zal het hemelwater eerst op eigen terrein worden opgevangen en daarna ook op eigen terrein of in de wadi's of infiltratievoorzieningen worden gebufferd en daarna geïnfiltreerd. Uit het Geohydrologisch onderzoek blijkt dat de ondergrond ter plaatse van de Merletbuurt geschikt is voor infiltratie. 4. Hydrologisch neutraal Ontwikkelen (HNO) Het plangebied is voor het grootste deel verhard. Door de herontwikkeling wordt het verhard oppervlak verminderd door de aanleg van de groenzones en privétuinen.

78

5. Water als kans In alle deelgebieden zal beleefbaar water worden opgenomen. Soms tijdelijk in de vorm van wadi's die maar een deel van het jaar vol met water staan of een waterplein/partij. 6. Meervoudig ruimtegebruik De wadi's binnen de groenzones worden ook als speel/verblijfsplek ingericht. Hiermee wordt een dubbel gebruik van de gronden voorzien. 7. Voorkomen van vervuiling Er zullen in de gebouwen en bouwwerken geen uitlogende materialen worden gebruikt. 8. Waterschapsbelangen Het deelgebied maasboulevard ligt deel tegen de dijk van de Maas. Voor dit gedeelte zal in nauwe samenwerking met Waterschap Aa en Maas een stedenbouwkundig plan worden ontwikkeld waarin de waterschapsbelangen worden gerespecteerd. Voor de deelgebieden Merletbuurt en Nutriciabuurt zijn geen waterschapsbelangen in het geding.

5.11.2.2

Gemeente Cuijk

Het gemeentelijke water- en rioleringsbeleid is vastgelegd in het ''Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan, Gemeente Cuijk 2019-2023'', dat op 23 oktober 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld. Gescheiden riolering in Cuijk In totaal ligt in de gemeente circa 170 kilometer vrijvervalriolering (vuil- en hemelwaterriolen). Nagenoeg overal ligt naast het vuilwaterriool ook een hemelwaterriool. Afvalwaterstromen moeten gescheiden blijven. Het is niet toegestaan hemelwater en afvalwater gemengd af te voeren. Dit geldt zowel voor het stedelijk gebied als voor het buitengebied. Hemelwater mag niet op het vuilwaterriool worden geloosd. Relatie met Kouwenberg Kortgezegd is de belasting op het riool door vuilwater vanuit de geplande woningen in het plangebied vergelijkbaar met het voormalige Merlet College. Het Nutriciaterrein heeft een eigen afvalwaterzuivering en is niet aangesloten op het rioolstelsel. De totale hoeveelheid verharding zal minder worden ten opzichte van de huidige situatie en de infiltratie van hemelwater zal in het plangebied zelf opgelost worden. Het woningbouwplan heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor het riool- en waterbergingsstelsel van de Kouwenberg.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

79

Hemelwater Hemelwater moet op een verstandige wijze worden behandeld bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Met behulp van de afvoernormen kan de benodigde waterberging en/of retentievoorziening worden berekend. Conform de landelijke uitgangspunten is de voorkeursvolgorde voor de te treffen compenserende maatregel: vasthouden - bergen afvoeren. Op eigen terrein vasthouden en bergen (infiltreren) heeft de voorkeur. In eerste instantie is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk voor de verwerking op zijn/haar terrein. De zorg voor het verwerken van schoon hemelwater rust (in elk geval) op de perceeleigenaar. De gemeente Cuijk volgt het beleid van Waterschap Aa en Maas en eist voor een toename van verhard oppervlak 60 mm berging.

5.11.3 Watertoets Middels een watertoets is de waterhuishoudkundige situatie beoordeeld en is inzichtelijke gemaakt of er negatieve effecten van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie zijn te verwachten. De watertoets (Kragten, 28 juli 2021, VKL003) is opgenomen als bijlage 19. Kragten concludeert dat er geen vergroting van het verhard oppervlak zal plaatsvinden en dat alle extra voorgenomen maatregelen een positief effect hebben op de waterhuishouding in het gebied. Het plangebied ligt binnen beschermingszone A en B, met één uitzondering, namelijk een smalle strook met de bestemming ‘Bedrijventerrein’ die binnen de zone van de waterkering zelf ligt. Daar wordt de plangrens op de grens van de bestemming ‘Bedrijventerrein’ gelegd en worden de bestemming ‘Groen’ en de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. De bestemming ‘Woongebied – Uit te werken’ gelegen binnen de beschermingszones A en B is middels regels gebonden aan de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone – waterstaatswerk’. Hierdoor is een initiatiefnemer verplicht een advies van het waterschap te vragen en het waterschap te betrekken in de besluitvorming bij aanvragen om een omgevingsvergunning. Hiermee worden de waterschapsbelangen geborgd.

80

5.12

Niet-gesprongen explosieven

Voor geheel Cuijk is een inventarisatie uitgevoerd naar de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven. Op basis van de inventarisatie kan worden geconcludeerd dat binnen het plangebied de locatie Merletbuurt en het noordelijk deel van de Nutriciabuurt verdacht is op de aanwezigheid van niet gesprongen geschutmunitie. Dit betekent dat bij diepere grondwerkzaamheden dan van de bestaande/voormalige gebouwen men geadviseerd wordt nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van niet-gesprongen munitie.

UITSNEDE CE BODEMBELASTINGSKAART CUIJK

5.13

Trillingen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor goede ruimtelijke ordening benoemd en is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. In onderhavige situatie heeft dit betrekking op het wegverkeer over de Grotestraat.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

81

Door het verdwijnen van Nutricia en de afwaardering van de Grotestraat tot wijk ontsluitingsweg zal globaal het aantal verkeersbewegingen en specifiek het aandeel vrachtverkeer wat trillingen veroorzaakt dusdanig afnemen dat er geen trillingshinder wordt verwacht en daarom geen extra onderzoek of maatregelen (regels) nodig worden geacht.

82

5.14

Milieueffectrapportage

5.14.1 Inleiding Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Andere activiteiten zijn in principe niet m.e.r.(beoordelings)plichtig.

5.14.2 Analyse Het plan valt onder de activiteit D11.2 [De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen] zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage. Het plan is niet m.e.r. (-beoordelings) plichtig. Aan de hand van de onderstaande toetsingscriteria (conform bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn) vindt hiervan een motivering plaats: 1. kenmerken van het project; 2. plaats van het project; 3. kenmerken van het potentiële effect. ad 1.

Het plan omvat maximaal 165 woningen daar waar de drempelwaarde 2000 woningen is.

ad 2.

In de nabije omgeving van het plangebied liggen geen gevoelige gebieden, zoals Natura 2000-gebieden, waterwingebieden, of landschappelijk waardevolle gebieden.

ad 3.

Uit paragrafen 5.2 tot en met 5.10 is gebleken dat het plan geen significante milieueffecten op de omgeving heeft onder voorbehoud stikstof

5.14.3 Conclusie Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen. Een m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.

BESTEMMINGSPLAN CUIJK CENTRUM, GROTESTRAAT ZUID | ONTWERP

83

5.15

Beperkingen in verband met militair vliegveld Volkel

Het plangebied ligt op relatief korte afstand van het militaire vliegveld Volkel. Voor een goed functioneren van het vliegveld zijn middels het Luchthavenbesluit Volkel en het Barro beperkingen gelegd op het gebruik van en het bouwen in de omgeving. De beperkingen zijn vervat in: 1. een geluidzonering; 2. een obstakelbeheergebied; 3. een radarverstoringsgebied; 4. een vogelbeheersgebied; 5. een risicogebied vanwege de opslag van munitie. Daarnaast gelden er beperkingen als gevolg van het industrielawaai op het vliegveldterrein, zoals opgenomen in de Wet geluidhinder.

5.15.1 Geluidzonering De geluidbelasting van het vliegverkeer is uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). In gebieden met een belasting lager dan 35 Ke is het toevoegen van geluidgevoelige objecten toegestaan. In gebieden met een hogere belasting is een nadere afweging nodig. Het plangebied ligt in een gebied waar de geluidbelasting lager is dan 35 Ke. Er zijn geen geluidstechnische belemmeringen. Het plan voldoet aan de voorwaarden van de geluidzonering.

5.15.2 Obstakelbeheergebied Het obstakelbeheergebied bevat drie verschillende obstakelvlakken: 1. de funnel is gerelateerd aan de ligging van de start- en landingsbanen ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen. De funnel is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken, waarvan de hoogte onder een hoek van 1,2° oploopt tot 45 meter. Het plangebied ligt binnen het obstakelvlak van de funnel. Echter betreft het plangebied het einde van deze funnel, waardoor kan worden aangenomen dat de bouwhoogtenorm 40 meter bedraagt. Het initiatief laat zien dat deze hoogte niet bereikt wordt. Een nadere toetsing is niet nodig.

84

2. het Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS) is eveneens gerelateerd aan de ligging van de start- en landingsbanen ter waarborging van veilige vliegprocedures voor startende en landende vliegtuigen. Dit wordt berekend vanaf elk van de landingsdrempels, ligt boven de omgeving van het luchtvaartterrein en sluit aan op de funnel. Het IHCS bestaat uit een horizontaal vlak op een hoogte van 64 meter boven NAP met een straal van 4 km rond de landingsdrempel, met aansluitend een conisch vlak waarvan de hoogte oploopt met een helling van 3,6° over een afstand van 2 km tot een hoogte van 164 meter boven NAP. Het plangebied buiten het gebied van het IHCS. Er is geen nadere toetsing nodig. 3. het Instrument Landing System-gebied (ILS) beschermt het goed functioneren van navigatiehulpmiddelen voor het nauwkeuriger uitvoeren van naderingen, ook onder slechtere weersomstandigheden. Dit gebied bestaat uit een rechthoekig deelgebied waar de maximaal toelaatbare hoogte 0 meter bedraagt, twee aansluitende deelgebieden waar de maximale hoogte 20 m bedraagt en twee trechtervormige deelgebieden in het verlengde van de landingsbaan waarin de toelaatbare hoogte over een afstand van 6 km oploopt tot een hoogte van 70 meter. Het plangebied buiten het gebied van het ILS. Er is geen nadere toetsing nodig. Het project voldoet aan de voorwaarden van het obstakelbeheergebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=9aaf8391-aa53-4e7d-910a-a2491a7365e5