CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

04l. Archeologisch rapport juni 2016.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Mill ’t Kavelt32.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

64

hebben gediend in een afgebroken (vakwerk)gebouw. Dit gebouw zou dan in zijn geheel verplaatst kunnen zijn, inclusief houtconstructie en funderingsstenen, met achterlating van de twaalf die hier zijn gevonden. Ze zouden vervolgens samen met het gebroken aardewerk als afval in de kuil zijn gedumpt. Argumenten voor en tegen een interpretatie als funderingsstenen Er zijn drie argumenten die voor een interpretatie als (gedumpte) funderingsstenen spreken: 1) De stenen zijn selectief op grootte en vorm verzameld voor een bepaalde toepassing; met uitzondering van gebruik als funderingsstenen lijken alle toepassingen die relevant zijn voor deze periode af te vallen; 2) Bij een zeer overeenkomstige assemblage te Uden, op een terrein met zeer overeenkomstige sporen en structuren uit dezelfde periode, werd tussen de grote stenen en fragmenten aardewerk ook bouwmateriaal gevonden in de vorm van een baksteen en een aangepunt stuk hout; 3) Uit deze periode is ook van elders het ‘onzichtbaar worden’ bekend van huizen en de stenen waarop ze gefundeerd waren. Er zijn twee argumenten die vraagtekens bij deze interpretatie plaatsen: 1) Beide locaties (’t Kavelt en Uden) bevinden zich op een hoger gelegen deel van het landschap, waar volgens Verspay de stiepenbouw niet moet worden gezocht.

73 Een mogelijke verklaring is dat deze ‘handige’ bouwwijze snel gemeengoed werd en vervolgens ook voor gebouwen op de hogere terreinen is toegepast. 2) Grote stenen kunnen op beide locaties (’t Kavelt en Uden) nabij het maaiveld worden gevonden; waarom zouden deze bij afbraak van een gebouw meegenomen worden? Het antwoord is dat, hoewel het grindhoudende pakket inderdaad dit soort grote stenen bevat, deze daar niet geconcentreerd in voorkomen. Het zou veel tijd en moeite kosten opnieuw de juiste stenen te verzamelen. De belangrijkste conclusie van deze analyse luidt dat bij toekomstig onderzoek meer aandacht voor grote, onbewerkte stenen dringend gewenst is. Op dit moment ontbreekt het vooral aan velddata. Een beter zicht op de stenen die nog wel aanwezig zijn, al dan niet in situ achtergelaten of gedumpt in afvalkuilen, zal zeker bij kunnen dragen aan meer duidelijkheid in deze problematiek van de onzichtbare huizen en hun funderingen.

5.3

Archeobotanisch onderzoek (N. van Asch)

5.3.1 Inleiding Tijdens de opgraving zijn uit diverse sporen en structuren monsters genomen voor botanisch onderzoek. De bemonsterde contexten zijn mogelijke mestkuilen, een waterput en een zestiendeeeuwse waterkuil. De als mestkuilen geïnterpreteerde kuilen zijn op basis van aardewerk gedateerd in de dertiende eeuw. In de humeuze vulling van één van de mestkuilen (S11 in werkput 16) is een pollenbak geslagen (vnr. 8), waaruit vervolgens een tweetal pollenmonsters is genomen. Deze monsters zijn in eerste instantie gewaardeerd, waarbij is gekeken of ze geschikt waren voor het beantwoorden van de vragen in het PvE omtrent de lokale vegetatie en de datering van de vullingen. Na waardering bleken deze beide pollenmonsters geschikt te zijn voor analyse. Naast de pollenmonsters zijn er ook vijf macrorestenmonsters gewaardeerd. Drie van deze monsters (vnrs. 3, 5 en 30) zijn afkomstig uit vermoedelijke mestkuilen, één monster is afkomstig uit de vulling van een waterput (vnr. 40) en één monster is genomen uit een waterkuil. Deze monsters bevatten echter zeer weinig macroresten en zijn om deze reden niet verder geanalyseerd. In dit hoofdstuk worden dan ook alleen de resultaten van de analyse van de beide pollenmonsters besproken.

73

Verspay 2007.

65

5.3.2 Methoden Uit de monsterbak die in het veld verzameld is, zijn twee pollenmonsters van ongeveer 2 cm3 op verschillende diepten (10 en 48 cm, afb. 5.11) genomen. De monsters zijn volgens de standaard methoden van Fægri & Iversen74 door het Laboratorium Sedimentanalyse op de Vrije Universiteit opgewerkt. Van de monsters zijn preparaten gemaakt in glycerine. Dit medium blijft vloeibaar en maakt het mogelijk om pollenkorrels tijdens de analyse nog te draaien zodat een betere determinatie mogelijk is. Aan elk pollenmonster is een marker toegevoegd. Deze marker is een exotische spore (Lycopodium) van welke verwacht wordt dat deze in het materiaal niet van nature voorkomt. Aangezien exact bekend is hoeveel sporen aan het monster toegevoegd worden, kan met behulp van deze marker een indicatie van de pollenconcentratie verkregen worden.

Afb. 5.11. De bemonsterde pollenbak (vnr. 8) in de mestkuil met daarin met een ster aangegeven de geanalyseerde pollenmonsters. In eerste instantie zijn de pollenmonsters gewaardeerd. Deze waardering is uitgevoerd door J.A.A. Bos. Tijdens de waardering is er globaal gekeken welke plantensoorten voorkomen en naar de concentratie en conserveringstoestand van het pollen. Hierna zijn de beide pollenmonsters geanalyseerd. Bij de analyse is het aantal pollenkorrels en sporen van een bepaalde diepte per preparaat geteld. Hierbij is er doorgeteld totdat een pollensom van minstens 300 was bereikt, waarna het preparaat in zijn geheel is gescand op de aanwezigheid van nieuwe soorten. Voor de analyse van het pollen is een microscoop met een vergroting van 400-1000x gebruikt. De pollenanalyse is uitgevoerd door N. van Asch. Pollenkorrels en sporen (van varens, paardenstaarten en wolfsklauwen) zijn gedetermineerd met behulp van verschillende standaard determinatiewerken.75 De naamgeving van de plantensoorten in de pollendiagrammen en tabellen is op deze determinatiewerken gebaseerd. Naast pollen en sporen is er ook naar zogenaamde non-pollen palynomorfen (NPP) gekeken. Onder de non-pollen palynomorfen vallen alle herkenbare resten die in een pollenstaal kunnen voorkomen.

Dit zijn onder andere resten van algen, sporen van varens en levermossen, schimmels (parasitaire fungi en mestschimmels) en andere botanische en dierlijke microfossielen. Deze microfossielen blijven net als stuifmeel bewaard en kunnen met behulp van de microscoop

74 75

Faegri and Iversen 1989. Beug 2004; Moore et al. 1991; Punt 1976-2003.

66

geïdentificeerd worden. Veel van deze NPP-typen hebben in de loop der jaren een Typenummer gekregen.76 Op basis van de pollensom zijn de relatieve pollenpercentages van alle plantensoorten berekend. Over het algemeen wordt er een pollensom van ruim 300 aangehouden waarin bomen en struiken (BP, boompollen) en droge kruiden (NBP, niet boompollen) zijn opgenomen (=regionale vegetatie, sensu Janssen). Deze pollensom wordt op 100% gesteld.77 Planten van natte milieus zoals moeras- en open watervegetatie, maar ook grassen (Poaceae) en zeggen (Cyperaceae) worden over het algemeen niet opgenomen in de pollensom omdat deze hoogstwaarschijnlijk tot de lokale, natte vegetatie behoord hebben en dus vaak oververtegenwoordigd zijn in de pollenmonsters (=lokale vegetatie, sensu Janssen).78 De resultaten van de pollenanalyse zijn in een pollendiagram weergegeven dat is gemaakt met behulp van het computerprogramma TILIA.79 In het pollendiagram zijn de pollentypen in verschillende ecologische groepen ingedeeld. Deze zijn met verschillende kleuren in het hoofddiagram (eerste deel diagram) aangegeven en omvatten de volgende groepen: bomen en struiken (donkergroen), droge kruiden (geel), heidevegetatie (paars) en cultuurgewassen (rood).

In het hoofddiagram wordt dus het bedekkingspercentage weergegeven van de verschillende ecologische groepen die in de regio gegroeid hebben (=regionale vegetatie, sensu Janssen).80 In het tweede deel van het diagram zijn de afzonderlijke pollenpercentages weergegeven. Het relatieve percentage van de verschillende soorten is met een zwarte balk aangegeven. De pollensom wordt weergegeven halverwege het diagram en scheidt de regionale (in de pollensom opgenomen) pollentypen van de lokale pollentypen. 5.3.3 Resultaten Hieronder worden de resultaten besproken van de twee geanalyseerde pollenmonsters. Deze resultaten zijn weergegeven in een pollendiagram (afb. 5.13). Zowel de concentratie als conservering van het pollen in beide monsters is goed. In de beide pollenmonsters is het pollen van struikhei (Calluna vulgaris) dominant met percentages van 70 en 86%. Hiernaast wordt ook pollen van bomen en struiken aangetroffen. Hierbij is hazelaar (Corylus) de belangrijkste soort. Verder zijn enkele pollenkorrels aangetroffen van eik (Quercus), berk (Betula), linde (Tilia), beuk (Fagus), den (Pinus sylvestris), haagbeuk (Carpinus), walnoot (Juglans-type), hennep/hop (Cannabis/Humulus) en iep (Ulmus) en sporen van eikvaren (Polypodium vulgare). In lage percentages is pollen van granen (Cerealia), waaronder rogge (Secale cereale), aangetroffen.

In het bovenste monster (10 cm) is tevens een pollenkorrel gevonden van pastinaak (Pastinaca sativa). Onder het kruidenpollen bevinden zich soorten van akkers en moestuinen als veld-/schapenzuring (Rumex acetosa/ R. acetosella), composieten (Asteraceae liguliflorae, Anthemis-type), kruisbloemigen (Hornungia-type, Sinapis-type) en ganzenvoetachtigen (Amaranthaceae). Verder is pollen aanwezig van de tredplant smalle weegbree (Plantago lanceolata). In het bovenste monster (10 cm) is het percentage kruidenpollen iets hoger (16%), waarbij veld-/schapenzuring de belangrijkste soort is. Van de soorten van vochtige tot natte locaties zijn grassen (Poaceae) en els (Alnus glutinosa) de belangrijkste soorten. Verder zijn enkele pollenkorrels aangetroffen van graslandplanten als boterbloem (Ranunculus acris-type) en blauwe knoop/duifkruid (Succisa/Scabiosa) en soorten van natte struwelen en oevers als zegge (Cyperaceae), torkruid/waterscheerling (Oenanthe fistulosa/Cicuta virosa) en wilg (Salix). Tevens zijn sporen aanwezig van stekelvarens (Dryopteris) en veenmos (Sphagnum). Waterplanten zijn in de monsters vertegenwoordigd door een enkele

76

Pals et al., 1980; Van Geel 1978; Van Geel et al., 1981; Van Geel et al., 1989; Van Geel 2001; Van Geel et al., 2003; Van Geel & Aptroot 2006. 77 Janssen 1973; Janssen 1981; Janssen 1984. 78 Janssen 1973; Janssen 1981; Janssen 1984. 79 Grimm 1992-2004. 80 Janssen 1973; Janssen 1981; Janssen 1984.

67

pollenkorrel van waterdrieblad (Menyanthes trofoliata). Ook zijn resten gevonden van verschillende algensoorten die in ondiep water voorkomen (Debarya, Zygnema). Tot slot zijn in beide monsters houtskool en ascosporen van de schimmel Gelasinospora (T.1/2) en van mestschimmels (Sordariatype, Podospora-type) aangetroffen. De aanwezigheid van de schimmel Gelasinospora wordt in archeologische context vaak in verband gebracht met brand. 5.3.4 Vegetatiereconstructie De beide geanalyseerde pollenmonsters zijn afkomstig uit plaggen in de mestkuil. Het pollen in deze monsters weerspiegelt dan ook waarschijnlijk een combinatie tussen het regionale en lokale landschap rondom de mestkuil en het landschap waar de plaggen uit gestoken zijn. De pollenassociatie van deze monsters geeft een beeld van een zeer open landschap met uitgestrekte heidevelden en akkers. Op de akkers werden granen, waaronder rogge, verbouwd. Mogelijk werd ook pastinaak lokaal in moestuinen geteeld. Op en langs de akkers groeiden verschillende akkeronkruiden als veld-/schapenzuring, composieten, kruisbloemigen en ganzenvoetachtigen. Schapenzuring is kenmerkend voor voedselarme zandgronden en komt vaak voor op roggeakkers.81 In de Middeleeuwen was rogge uitgegroeid tot één van de belangrijkste graansoorten op het menu, mede doordat het geen veeleisend gewas is.

Het werd toen veel als wintergraan gegeten.82 Continue verbouw van winterrogge was echter alleen mogelijk als de akkers goed bemest werden.83 Dit werd met behulp van stal-/plaggenbemesting gedaan. Over het algemeen deed plaggenbemesting in Zuid-Nederland zijn intrede in de veertiende/vijftiende eeuw. 84 In Den Bosch zijn echter aanwijzingen gevonden voor plaggenbemesting en potstallen in de dertiende eeuw.85 Aangezien de onderzochte mestkuil op basis van het aardewerk gedateerd is in de dertiende eeuw, kunnen we stellen dat er ook in de omgeving van Mill zeer waarschijnlijk al plaggenbemesting plaatsvond in de dertiende eeuw. Ook de aanwezigheid van mestschimmels in de pollenmonsters kan een aanwijzing voor bemesting van de akkers zijn. Plaggenbemesting houdt in dat het vee het gehele jaar op stal (zogenaamde potstallen) gehouden werd en de geproduceerde mest gemengd werd met gras- of heideplaggen, humusstrooisel en dergelijke. Dit mengsel werd vervolgens als mest op de akkers gebracht. Het hoge percentage pollen van struikhei in de monsters geeft aan dat hier voornamelijk gebruik gemaakt werd van heideplaggen. Het pollen van struikhei is waarschijnlijk voor een groot deel afkomstig van de heideplaggen zelf en weerspiegelt dan ook grotendeels het landschap waar deze plaggen uit gestoken zijn.

Het is echter zeer aannemelijk dat uitgestrekte heidevelden in de directe omgeving aanwezig waren (afb. 5.12) op de drogere, schrale zandgronden en dat de plaggen dus uit lokale heidevelden gestoken werden. Grote heidegebieden waren namelijk nodig voor het steken van de plaggen, omdat er voor deze manier van bemesting ieder jaar enorme hoeveelheden plaggen nodig waren en de heidevelden minstens tien jaar nodig hadden om weer een dikke humuslaag te vormen.86 Struikhei is kenmerkend voor stikstof- en fosforarme grond en kon zich door verarming en uitputting van de bodems na intensieve akkerbouw waarschijnlijk in de loop van de Middeleeuwen steeds beter ontwikkelen op de zure, droge, zandige gronden in het gebied. In de nattere delen van deze heidevelden kwam veenmos voor. Naast het gebruik van deze heidevelden voor het steken van plaggen werden ze ook vaak begraasd met schapen. Aan het eind van de winter werd dan een deel van de oudere hei, die door de schapen niet meer gegeten werd, afgebrand voor verjonging van de heidevelden. 87 In de geanalyseerde monsters van Mill is veel houtskool aangetroffen. Dit kan erop duiden dat ook in de omgeving van Mill delen van de heidevelden werden afgebrand.

81

Weeda et al. 1985, 146. Van Haaster 1997, 66. 83 Van Haaster 2008, 83. 84 Van Doesburg et al. 2007, 141. 85 Van Haaster 2008, 84. 86 Weeda et al. 1988, 40. 87 Weeda et al. 1988, 40. 82

68

Afb. 5.12. In de omgeving van Mill ‘t Kavelt kwamen uitgestrekte heidevelden voor. Het iets hogere percentage pollen van granen en akkeronkruiden in het bovenste monster kan wijzen op een toename van de akkers in de omgeving van de kuil. Het is echter ook goed mogelijk dat de bovenste plaggen van een andere locatie afkomstig zijn dan de onderste plaggen. Mogelijk zijn de bovenste plaggen afkomstig van een heideveld waar akkers dichter bij in de buurt lagen. Verder kan het zo zijn dat het bovenste monster langere tijd aan het oppervlak van de kuil heeft gelegen en daardoor meer pollen bevat van de omgeving rondom de kuil zelf. Zo kan pollen van grassen ingewaaid zijn in de kuil vanuit het omliggende grasland. Het is dus aannemelijk dat de verschillen tussen beide pollenmonsters ruimtelijke verschillen weerspiegelen en geen verandering door de tijd weergeven. Naast uitgestrekte heidevelden en akkers groeiden er in het landschap ook hier en daar enkele bomen en wat struikgewas. Mogelijk groeiden enkele loofbomen als eik, berk en linde rondom de nederzetting, langs perceelsgrenzen en langs akkers. Hazelaar groeide in struikgewas langs akkers. Den kwam waarschijnlijk aan de randen van de heidevelden en op open zandgronden voor. Walnoot kan in het wild gegroeid hebben of lokaal verbouwd zijn.

Graslanden met typische graslandsoorten als boterbloem en blauwe knoop/duifkruid kwamen in de lager gelegen en nattere delen van het gebied voor. Het grasland vormde op natte plekken een overgangsgebied naar oevervegetatie waarin oeverplanten aanwezig waren als torkruid of waterscheerling. In deze nattere delen van het landschap kwamen tevens struwelen voor met els en een enkele wilg en zeggen en varens in de ondergroei. In ondiepe poeltjes met matig voedselrijk water groeide waterdrieblad. Rondom de nederzetting en langs paden en wegen kwam vegetatie met tredplanten als smalle weegbree voor. 5.3.5 Conclusies en aanbeveling De twee geanalyseerde pollenmonsters zijn afkomstig uit plaggen in een mestkuil. Deze geven waarschijnlijk een beeld van het regionale landschap in de omgeving van Mill in de dertiende eeuw. Het landschap was zeer open in deze periode met uitgestrekte heidevelden in de omgeving. Naast deze heidevelden waren akkers aanwezig waarop granen, waaronder rogge, verbouwd werden. Om de verarmde bodems geschikt te houden voor het verbouwen van rogge werd waarschijnlijk gebruik gemaakt van plaggenbemesting met heideplaggen. Bij de nederzetting en langs de akkers kwamen ook hazelaarstruiken en enkele loofbomen voor. In de vochtige en natte delen van het landschap waren graslanden en elzenstruwelen aanwezig.

In de ondergroei van deze struwelen kwamen zeggen en varens voor.

40 60 80 100

Afb. 5.13. Pollendiagram uit een mestkuil (vnr. 8).

537

8--48 20

482

8--10

20 40 60

Bomen, struiken en ondergroei

Die p te Bo m e n, st r uik e ne He no id e n d e rg roe Kru i Cu i den Ulmlt uur va n dro u ge T sg l i a g l i a ron b r de Co cord a-ty p n a e r t y a Be lus a /T. p ve tu la l t Qu a pu ll ana y ph y b e ll o e r s Pin cus sc en sus rob Ca sy lv u r-g ty pe r e p s roe p Fa i nus tri s g b u e Hu s syl tul us va m Ju ulu s/ tic a gla Ca Po ns-ty n nab l yp pe is Ca o diu ll u na m vu v u lg l gar a ri e-t y s pe

80

Heide

20 20

Kruiden van droge gronden Cultuur

20

Grasland

40 60 80

Analyse: N. van Asch (2013)

20

Vochtige locaties Open water Brand Mest

A s t Amerac e R ara ae u m e nt ha li gul x a cea iflo r Ho c e tos e ae Plarnu n a/R g . ac An ntag oi a-ty e to p t P hem l an e s e t e l i l as a ceo S rid l typ i r u v i n m e ata e Ca api s- a qu nsis r t Ce yoph y pe i lin umt ype Se rea lia yll ac ea c e Pa ale s c po tin ace rea lle a l e ns sa Dip o m tivaty p Po sac a e a c ce ea ae e R a n Su u nc u c Al ci sa lu s a n u s g / Sca cris lu t b io -typ Cy in s e p a Dr erac o sa -t y yp e S o p eae p h ter Oe agn i s-typ n u Ap a nth m e i Po ace a e fist t u e Sa enti ll und l osa a l / t De ix yp iff. Cicu e ta b vi Zy a ry r a o g sa M e ne m (T.2 -ty a 1 n pe ho y an -t yp 4) uts th e e k o o l s trifo Ge lia t a S la s o r in o Po d aria s por d a Ly osp -typ sp . c ( o p ora- e T.1 od t yp /2) ium e (ex oo t)

69

70

6

Synthese (N. Bouma)

6.1

Algemeen

In het plangebied ’t Kavelt is een bijzondere middeleeuwse vindplaats opgegraven. Bijzonder aan dit erf of deze nederzetting uit het midden van de dertiende eeuw is dat er sprake is van een gefaseerd aangelegd greppelsysteem die de bewoning omsloot. Binnen dit gefaseerd aangelegde systeem van greppels zijn vier gebouwplattegronden aangetroffen en hierbuiten twee plattegronden die opvallen door de kleine afmetingen. De exacte afmetingen van structuur 6, buiten de omgreppeling, zijn door verstoringen niet bekend, maar de overige vijf gebouwen zijn niet langer dan 9,6 m. Een duidelijk grotere plattegrond die als een eventueel hoofdgebouw zou kunnen worden aangemerkt, is niet aangetroffen. De vraag is of de structuren van Mill ’t Kavelt op basis van de kleine afmetingen als bijgebouwen moeten worden geïnterpreteerd. Het ogenschijnlijk ontbreken van een hoofdgebouw is wellicht eenvoudig te verklaren doordat meer dan de helft van het door greppels omsloten terrein niet is opgegraven, omdat dit buiten het plangebied valt. Een eventueel hoofdgebouw zou zich direct ten noordoosten van het westelijke opgravingsblok kunnen bevinden. Het aantreffen van enkel kleine gebouwplattegronden zou dan bijvoorbeeld samen kunnen hangen met de inrichting van het erf.

Een andere interpretatie zou kunnen zijn dat er sprake was van aparte gebouwen voor het stallen van vee en aparte gebouwen met alleen een woonfunctie. Als er sprake was van aparte stalling van het vee, dan vervalt de noodzaak van een grote(re) woonstalboerderij. Kleine gebouwen zouden dan ook heel goed als woonhuis kunnen zijn gebruikt. Mocht het resterende deel van het door greppels omsloten terrein in de toekomst ooit worden opgegraven, dan kan hier wellicht meer duidelijkheid over worden verkregen. Naast de zes kleine gebouwplattegronden zijn ook vijf vierpalige, vierkante spiekers aangetroffen. Op basis van oversnijdingen kan worden vastgesteld dat de omgreppeling in meerdere fasen is aangelegd. Op basis van een klein aantal aardewerkfragmenten kan de vroegste fase van het greppelsysteem rond het midden van de dertiende eeuw worden gedateerd. In de oudste fase was enkel sprake van een omgreppeling. In latere fasen is er behalve van een omgreppeling in het noordwesten ook sprake van meerdere, dicht bij elkaar gelegen palenrijen van een palissade of mogelijke landweer. De term landweer is een verzamelterm voor een breed scala aan structuren met een zeer uiteenlopende opbouw, die een veelheid aan functies konden vervullen. Landweren hebben gemeen dat het lineaire afbakeningen van gebiedseigendom of gebiedsbeheer voor militaire, agrarische en/of juridische doeleinden zijn.

Ze zijn meestal aangelegd om territoriale grenzen te markeren en te verdedigen en/of om dorpen en steden te verdedigen. Ze vormden een hindernis voor vijandelijke soldatenbenden, maar dienden gelijktijdig om akkercomplexen en gemeenschappelijke weidegebieden te omheinen. De meeste landweren zijn aangelegd tussen ongeveer 1350 en 1450, maar ook al in 1313 werd een landweer vermeld in historische bronnen. Het uiterlijk van landweren kan sterk verschillen. In het algemeen kan worden gesteld dat landweren met een militaire of territoriale functie veel zwaarder werden uitgevoerd dan die met een overwegend agrarische functie. Bijna altijd bestaan ze uit een wal en een aantal greppels, sloten of grachten. Soms zijn daaraan ook palissaden, paalrijen of struikelkuilen toegevoegd. In sommige gevallen bestaat de landweer alleen uit slotensystemen en/of palissaden. Gebouw 5 en spieker 4 en 5 liggen buiten de omgreppeling, maar mogelijk is hier sprake van een tweede, door greppels omsloten terrein. Ten noorden en zuiden van deze structuren bevinden zich namelijk twee noordoost-zuidwest georiënteerde greppels, terwijl de buitenste greppel in het noordwesten van het opgravingsgebied een bocht maakt in zuidelijke richting. Precies in het verlengde hiervan is in het meest westelijke deel van proefsleuf 36 dezelfde greppel aangetroffen.

Een opvallende groep grondsporen is aangetroffen langs de rand van maar wel binnen het door greppels omsloten terrein. Het betreft relatief grote en diepe kuilen met een donkere, humeuze vulling van plaggen. De grootste van deze kuilen is maar liefst 5,3 bij 1,5 m groot en ongeveer 1,5 m diep. Uit analyse van pollenmonsters komt naar voren dat er uitgestrekte heidevelden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig waren. Het hoge percentage pollen van struikhei in de monsters geeft aan dat hier voornamelijk gebruik gemaakt werd van heideplaggen. Tevens zijn in de monsters sporen van mestschimmels aangetroffen. De vulling met plaggen en

71

mestschimmels vormen samen met de afmetingen en ligging van de kuilen aanwijzingen dat deze kuilen als mestkuilen lijken te zijn gebruikt. Dit wijst er mogelijk op dat men reeds in de dertiende eeuw plaggenbemesting op de akkers heeft toegepast. Eén centraal binnen de opgraving gelegen spoor valt op door de bijzondere inhoud. Het betreft een greppel met enigszins onregelmatig verloop met daarin of onder enkele (paal)kuilen. In één van deze kuilen werden verspreid liggende grote keien aangetroffen met daarboven 38 aardewerkfragmenten. In een tweede kuil daar vlak naast werden nog eens 61 fragmenten keramiek gevonden. In totaal is ruim 6 kg aardewerk en 44 kg aan natuursteen uit deze twee kuilen verzameld. Van de in totaal 120 in het plangebied gevonden laatmiddeleeuwse keramiekscherven komen er maar liefst 101 uit deze twee kuilen. Het betreft 87 fragmenten blauwgrijs aardewerk van het Elmpt-type, dertien stuks proto-steengoed en één steengoedfragment. Het blauwgrijze aardewerk bestaat uit kogelpotten, kannen en kommen. Onder de vondsten bevindt zich een vrijwel complete kom en een groot deel van een kogelpot. Ook een kan van proto-steengoed is voor een groot deel compleet. Het vondstcomplex kan rond het midden van de dertiende eeuw worden gedateerd. De functie van de greppel en de mogelijke relatie met het gebouw zijn niet duidelijk.

Een parallel voor een dergelijke vondstcontext uit deze periode is niet gevonden. Uit het archeobotanisch onderzoek is gebleken dat er in de omgeving van het plangebied granen werden verbouwd, waaronder rogge. Rogge was in de Middeleeuwen uitgegroeid tot één van de belangrijkste graansoorten op het menu en werd in deze periode vaak als wintergraan gegeten. In de geanalyseerde monsters van Mill is ook veel houtskool aangetroffen. Dit kan erop duiden dat in de omgeving van de vindplaats delen van de heidevelden werden afgebrand voor verjonging. Duidelijke parallellen voor een volledig door greppels omsloten vindplaats uit het midden van de dertiende eeuw zijn in deze regio vrijwel niet bekend. Vindplaatsen uit deze periode worden wel vaker in de regio aangetroffen, maar zelden worden deze omgeven door een gesloten systeem van greppels met mogelijke palissade of landweer. In Blixembosch bij Eindhoven is in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw een erf of nederzetting opgegraven waarbij de gebouwplattegronden volledig waren omsloten door een systeem van greppels. 88 Deze vindplaats dateert echter uit de Karolingische en Ottoonse tijd en is dus ouder dan de vindplaats in Mill ‘t Kavelt. De aangetroffen gebouwplattegronden verschillen ook qua vorm en afmetingen met die in Mill. Hetzelfde gaat op voor een twaalfde-eeuwse vindplaats in Bakel Neerakker.

Hier spreken de onderzoekers van een omgracht erf met een opvallend groot huis en zeer grote schuur. Behalve het met greppels omsloten erf vertonen de beide vindplaatsen verder weinig overeenkomsten. In Zeeland in de gemeente Landerd zijn in plangebied Voederheil sporen van een erf uit de 14 e-15e eeuw tezamen met een landweer gevonden.89 De landweer is op basis van vondstmateriaal in de vijftiende eeuw gedateerd. De vindplaats in Zeeland is dus zeker een eeuw jonger dan die in Mill. Buiten het feit dat op beide vindplaatsen een landweer aanwezig was in de Late Middeleeuwen laten de twee vindplaatsen zich slecht vergelijken. In ’t Kavelt zijn uit de veertiende en vijftiende eeuw nauwelijks vondsten aangetroffen. Tevens zijn de twee mogelijk ‘vijftiende-eeuwse’ scherven afkomstig van steengoed uit Raeren, dat weliswaar vanaf circa 1450 voorkomt, maar vervolgens tot omstreeks 1550 in productie blijft. Pas in het derde kwart van de zestiende eeuw zijn er weer duidelijke aanwijzingen voor bewoning en landgebruik in het plangebied. De sporen uit deze periode hangen samen met de watervoorziening en bestaan uit enkele waterkuilen. Mogelijk uit dezelfde periode dateert de Oude Wanroijseweg.

Ongeveer 25 m ten westen van het huidige opgravingsgebied zijn bij het proefsleuvenonderzoek twee rijen greppels gevonden die de zone van houtwallen markeren waarbinnen de Oude Wanroijseweg door het terrein liep. De exacte ouderdom is niet bekend, maar vier scherven roodbakkend aardewerk uit de 14e-16e eeuw uit één van de greppels geven wel een indicatie. Mogelijk vormde de Oude Wanroijseweg de westelijke begrenzing van de nederzetting.

88 89

Arts 1993. Van Dijk 2013.

72

In het meest oostelijke deel van het plangebied zijn sporen van mogelijke grondverbetering aangetroffen in de vorm van strak naast elkaar gelegen lange banen. In de opvulling van deze kuilen is geen vondstmateriaal aangetroffen, maar ze oversnijden wel een plaggenput waarvan het onduidelijk is of deze uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd dateert.

6.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen

De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld, zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het onderzoek. Algemeen: 1. In hoeverre komen de onderzoeksresultaten uit het vooronderzoek overeen met de resultaten uit het proefsleuvenonderzoek? Met deze onderzoeksvraag wordt eigenlijk bedoeld in hoeverre de onderzoeksresultaten van de opgraving overeenkomen met die van het proefsleuvenonderzoek. De conclusies van het proefsleuvenonderzoek kunnen ten dele worden bevestigd en aangescherpt, maar moeten ook voor een deel worden herzien. In het plangebied is inderdaad sprake van een middeleeuws erf of nederzetting die door een gefaseerd aangelegd greppelsysteem wordt omsloten. Er is mogelijk sprake van een tweede terrein met enkele gebouwen die eveneens volledig wordt omsloten door greppels. Op basis van aardewerkvondsten kan de bewoning rond het midden van de dertiende eeuw worden gedateerd. Bij het proefsleuvenonderzoek ging men uit van een datering in de elfde of twaalfde eeuw. De bij het proefsleuvenonderzoek aangetroffen waterput bleek bij de opgraving een waterkuil te zijn. Dit spoor kan op basis van aardewerkvondsten in het derde kwart van de zestiende eeuw worden gedateerd. Het lijkt hier niet te gaan om een uitbreiding van het middeleeuwse erf zoals bij het vooronderzoek werd gesuggereerd.

Uit de veertiende en vijftiende eeuw zijn nauwelijks vondsten aanwezig. Het middeleeuwse erf lijkt dan ook in de dertiende eeuw te zijn opgegeven of verlaten. Enkele waterkuilen kunnen op basis van aardewerkvondsten in het derde kwart van de zestiende eeuw worden gedateerd. Landschap en bodem: 2. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de sites (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? Het plangebied is gelegen op de overgang van de Peelhorst naar de Slenk van Venlo. Dit is de overgang van een relatief hoog gelegen gebied met een sterk zandige ondergrond naar het gebied waar de Maas haar dal heeft gevormd. De ondergrond van het plangebied bestaat uit grofzandige en grindige afzettingen van de Formatie van Kreftenheye. De oorspronkelijke bodem bestaat uit een haarpodzolgrond. Hierboven bevindt zich een plaggendek van 30-80 cm dikte. 3. Wat is het paleo-ecologische potentieel van het onderzoeksgebied? Liggen in de omgeving locaties die voor analyse bemonsterd kunnen worden? In het plangebied zijn geen natuurlijke laagtes of vennen aangetroffen die voor paleo-ecologisch onderzoek in aanmerking zouden kunnen komen. Wel zijn enkele antropogene sporen, waaronder mogelijke mestkuilen, een waterput en waterkuilen gevonden die voor paleoecologisch onderzoek in aanmerking zouden kunnen komen. 4.

Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan op de archeologische resten? In het grootste deel van het plangebied ligt een ca. 50 tot 80 cm dik plaggendek of esdek dat is gevormd door bemesting met plaggen en mest vanaf de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Aangezien dit dikke pakket de middeleeuwse vindplaats afdekt, is deze relatief goed bewaard gebleven. Het meest oostelijke deel van het plangebied is grotendeels verstoord door mogelijke sporen van grondverbetering.

73

Gaafheid en conservering van de vindplaatsen: 5. Heeft het gevormde akker- en/of oud cultuurdek invloed gehad op de archeologische niveaus? Door het relatief dikke esdek van 50 tot 80 cm dikte is de middeleeuwse vindplaats afgedekt geraakt en daardoor relatief goed bewaard gebleven. 6. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? De vindplaats is ruimtelijk goed bewaard gebleven. Enkel in het meest oostelijke deel heeft veel verstoring plaatsgevonden door sporen van mogelijke grondverbetering. De sporen zijn goed geconserveerd. Het anorganische vondstmateriaal is goed bewaard gebleven. In twee kuilen onderin een greppel is bijna 6 kg aardewerk aangetroffen, bestaande uit relatief grote en weinig verweerde fragmenten. Hieruit konden drie bijna complete voorwerpen worden gereconstrueerd. Organisch vondstmateriaal is slecht bewaard gebleven, behalve in de wat diepere, zeer humeuze sporen zoals mogelijke mestkuilen of in sporen die reiken tot in het grondwater. Onderin een plaggenput is een houten karrenwiel bewaard gebleven. 7. Wat kan op basis van de resultaten van het onderzoek aan archeologische resten verwacht worden op de aangrenzende percelen aan de oostkant? De opgraving heeft aangetoond dat de door greppels omsloten middeleeuwse vindplaats ten noorden van de beide opgravingsblokken doorloopt.

Hier kunnen greppels, mogelijk met palissade of landweer, boerderijplattegronden, bijgebouwen, mestkuilen en mogelijk waterputten en waterkuilen uit het midden van de dertiende eeuw worden verwacht. Ook sporen van bewoning en landgebruik uit de zestiende eeuw en later behoren tot de verwachting, bijvoorbeeld een boerderij met bijgebouwen, waterputten, water- of drenkkuilen en greppels. Perioden en sites: 8. Wat is de aard en datering van de gevonden grondsporen? Uit het midden van de dertiende eeuw dateert een zeer bijzonder erf of deel van een nederzetting die volledig wordt omsloten door een gefaseerd aangelegd greppelsysteem met mogelijke palissade of landweer. Binnen het door greppels omsloten terrein en daarbuiten zijn relatief kleine gebouwplattegronden aangetroffen waarbij het de vraag is hoe deze moeten worden geïnterpreteerd. Een eventueel hoofdgebouw zou zich direct buiten het opgravingsgebied kunnen bevinden aangezien nog niet eens de helft van het omgreppelde terrein is opgegraven en voor het grootste deel buiten het plangebied valt. In dat geval kan het aantreffen van enkel relatief kleine plattegronden samenhangen met de indeling van het erf of mogelijke erven. Er is echter ook een andere interpretatie mogelijk, namelijk dat deze kleine gebouwen wel degelijk een woonfunctie kunnen hebben gehad.

Als er sprake was van aparte stalling van het vee, dan was er ook geen noodzaak om grote(re) woonstalboerderijen te bouwen en kon worden volstaan met relatief kleine gebouwen. Er zijn ook vijf vierpalige, vierkante spiekers aangetroffen. Langs de rand maar wel binnen de omgreppeling zijn overwegend grote en diepe kuilen aanwezig met een donkere, humeuze vulling van plaggen die als mogelijke mestkuilen worden geïnterpreteerd. Er zijn ook vier waterkuilen en een waterput aangetroffen, maar slechts twee waterkuilen hebben dateerbaar vondstmateriaal opgeleverd en zijn in het derde kwart van de zestiende eeuw te dateren. In één waterput en één waterkuil is alleen een baksteenfragment gevonden dat niet nader gedateerd kan worden dan in de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd. In het noordoostelijke deel van het plangebied zijn sporen van mogelijke grondverbetering aangetroffen, maar zonder dateerbaar vondstmateriaal. 9. Welke en hoeveel structuren (woonstalhuizen, bijgebouwen, greppels, waterputten, e.d.) kunnen onderscheiden worden? In het plangebied zijn zes relatief kleine gebouwplattegronden aangetroffen die op basis van de kleine afmetingen meer weg hebben van een bijgebouw dan een hoofdgebouw. Bij dit onderzoek wordt echter ook de mogelijkheid opengehouden dat bij gescheiden stalling van het

74

vee een relatief klein gebouw ook heel goed een woonfunctie kan hebben vervuld. Bij gebouw 1 zijn sporen van de binnenindeling aanwezig die mogelijk wijzen op een stalfunctie. Vijf vierpalige, vierkante structuren worden als spieker geïnterpreteerd. Vier gebouwplattegronden en drie spiekers bevinden zich binnen een gefaseerd aangelegd systeem van greppels. Tevens zijn vier waterkuilen en één waterput aangetroffen. 10. Zijn er gebouwplattegronden aanwezig en hoe zien deze eruit? Kunnen er uitspraken worden gedaan met betrekking tot de typen plattegronden en functionele en constructieve aspecten van de gebouwen? In het plangebied zijn zes gebouwplattegronden aangetroffen. de exacte lay-out en afmetingen van gebouw 6 zijn niet bekend, omdat de plattegrond voor een groot deel is verstoord door latere graafactiviteiten. Mogelijk zijn de oostelijke lange wand en de noordelijke kopse kant van de boerderijplattegrond bewaard gebleven. De lange wand kent een licht gebogen vorm en duidt mogelijk op een bootvormige plattegrond. Hoewel incompleet lijkt de plattegrond enige gelijkenis te vertonen met plattegronden van het type Dommelen. Vier plattegronden bevinden zich binnen een volledig door greppels omsloten terrein.

Deze vier plattegronden hebben met elkaar gemeen dat ze relatief klein van afmeting zijn, een kernconstructie hebben van drie gebinten, een rechthoekig grondplan hebben en noordoostzuidwest georiënteerd zijn. De kleinste plattegrond is ca. 6,6 bij 4,28 m groot terwijl de grootste ca. 9,6 bij 5,6 tot 5,9 m meet. De kopse kanten bestaan uit één of twee stijlen. Van de wanden zijn voornamelijk de hoekstijlen teruggevonden. Van twee plattegronden zijn sporen van de binnenindeling aangetroffen. In plattegrond 2 zijn drie zwaar uitgevoerde paalkuilen aangetroffen. De zware uitvoering zou er op kunnen duiden dat dit dragende palen zijn geweest, maar de gebintstijlen zouden het dak van dit relatief kleine gebouw gedragen moeten kunnen hebben. Daarvan getuigen ook de plattegronden van gebouw 1, 3 en 4. Een mogelijke interpretatie zou kunnen zijn dat er sprake was van een tweede verdieping die een zekere last moet hebben kunnen dragen. In gebouw 1 zijn in de westelijke helft twee tegenover elkaar gelegen rijen paalsporen aanwezig. De twee rijen paalkuilen liggen op ongeveer gelijke afstand van de middenas van het gebouw ongeveer 1,95 tot 2,20 m uit elkaar. De paalkuilen van beide rijen liggen onderling ca. 0,5 tot 0,9 m uit elkaar. Mogelijk kan dit deel van de plattegrond als stalgedeelte worden geïnterpreteerd of de structuur als geheel als stal voor het vee.

Als er sprake was van aparte stalling voor het vee zou je kunnen beargumenteren dat relatief kleine gebouwplattegronden ook heel goed een woonfunctie zouden kunnen hebben vervuld. 11. Wat is de datering van de structuren op basis van vondsten, de typologie van de structuren en/of dendrochronologische data van hout uit waterputten? De gebouwplattegronden en het gefaseerd aangelegde systeem van greppels kunnen op basis van aardewerkvondsten in het midden van de dertiende eeuw worden gedateerd. Hoewel bijvoorbeeld de gebouwen 3 en 4 geen vondstmateriaal hebben opgeleverd, kunnen deze op basis van de vergelijkbare constructie en ligging binnen het greppelsysteem in dezelfde periode worden gedateerd. Twee waterkuilen kunnen op basis van aardewerkvondsten in het derde kwart van de zestiende eeuw worden gedateerd. In één waterput en één waterkuil is alleen een fragment baksteen gevonden dat niet nader gedateerd kan worden dan in de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd. 12. Wat is de datering van de vindplaats(en) en is er sprake van een fasering? Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? Het middeleeuwse erf met omgreppeling kan rond het midden van de dertiende eeuw worden gedateerd. Nog in de dertiende eeuw moet de nederzetting of het erf zijn verlaten, maar waarom is niet duidelijk.

Pas rond het derde kwart van de zestiende eeuw zijn er weer aanwijzingen voor bewoning in het plangebied. Uit deze periode dateren ten minste twee waterkuilen.

75

13. Wat is de ruimtelijke inrichting (erven) van het nederzettingsterrein, eventueel in verschillende fasen? Binnen het plangebied is sprake van een volledig door greppels omsloten terrein waarbinnen vier kleine gebouwplattegronden, drie spiekers en een groot aantal mogelijke mestkuilen zijn gevonden. De vier gebouwplattegronden liggen ongeveer centraal binnen het opgegraven deel van de omgreppeling en de drie spiekers wat meer naar de rand hiervan. De mogelijk als mestkuil te interpreteren humeuze kuilen met plaggenvulling liggen wellicht niet geheel toevallig langs de randen van maar wel binnen de omgreppeling. Gebouw 5 en spieker 4 en 5 liggen buiten de omgreppeling, maar mogelijk is hier sprake van een tweede, door greppels omsloten terrein. Ten noorden en zuiden van deze structuren bevinden zich namelijk twee noordoost-zuidwest georiënteerde greppels, terwijl de buitenste greppel in het noordwesten van het opgravingsgebied een bocht maakt in zuidelijke richting. Precies in het verlengde hiervan is in het meest westelijke deel van proefsleuf 36 dezelfde greppel aangetroffen. Op één waterkuil na liggen de waterkuilen en waterput in het laagst gelegen deel van het onderzoeksterrein in het noordoosten van het plangebied. 14.

Wat is op basis van de vondsten en sporen de functie van de erven? Binnen het plangebied is sprake van een gefaseerd aangelegd greppelsysteem waarbinnen verschillende structuren zijn aangetroffen. Hiervan is echter minder dan de helft opgegraven, omdat het grootste deel van het omgreppelde terrein buiten het huidige plangebied valt. Indien dit deel in de toekomst wellicht ooit wordt opgegraven, zou dat kunnen leiden tot het herinterpreteren of aanpassen van de resultaten en interpretaties van dit onderzoek. Zo is bijvoorbeeld opvallend het ogenschijnlijk ontbreken van een grote(re) gebouwplattegrond die als hoofdgebouw zou kunnen worden geïnterpreteerd. Deze zou zich direct buiten het huidige plangebied kunnen bevinden in het resterende deel van het door greppels omsloten terrein. Het aantreffen van enkel relatief kleine gebouwplattegronden zou dan samen kunnen hangen met de indeling van het terrein. Een geheel andere interpretatie is ook mogelijk, namelijk dat kleine gebouwen ook een woonfunctie kunnen hebben gehad. Als er sprake was van het gescheiden stallen van vee, dan was er ook geen noodzaak tot de bouw van een grote(re) woonstalboerderij. Een opvallende groep grondsporen bevindt zich langs de randen van het door greppels omsloten terrein. Deze kuilen vallen op door de grote afmetingen en diepte en door hun humeuze vulling met plaggen.

Op basis van deze kenmerken en het aantreffen van mestschimmels in een pollenmonster van een dergelijke kuil worden ze als mogelijke mestkuilen geïnterpreteerd. Uit ditzelfde monster kwam naar voren dat er waarschijnlijk heideplaggen werden gestoken die vermengd met mest als plaggenbemesting op de akkers werd aangebracht. 15. Wat is de relatie tussen de ligging van (onderdelen van) de vindplaats en hun landschappelijke omgeving? Beredeneer met andere woorden de (paleo)landschappelijke context van de aangetroffen activiteiten en functies (locatiekeuzeanalyse). De vindplaats is gelegen op de overgang van de Peelhorst naar de Slenk van Venlo. Dit is de overgang van een relatief hoog gelegen gebied met een sterk zandige ondergrond naar het gebied waar de Maas haar dal heeft gevormd. Op één waterkuil na zijn alle waterkuilen en de waterput aangelegd in het laagst gelegen deel in het noordoosten van het onderzoeksgebied. Het zwaarst uitgevoerde deel van de omgreppelig met mogelijke palissade of landweer bevindt zich op het hoogst gelegen deel van het onderzoeksgebied in het noordwesten. De ligging van de mogelijke mestkuilen langs de rand van het door greppels omsloten terrein is wellicht ook niet geheel toevallig. De heideplaggen moeten in de omgeving van de vindplaats zijn gestoken.

76

16. Tot welke vondsttypen of vondstcategorieën behoren de vondsten en wat is de vondstdichtheid? Het verzamelde vondstmateriaal bestaat uit aardewerk, natuursteen, baksteen, metaal, een kleipijp en een houten karrenwiel. Voor zowel de middeleeuwse vindplaats als de waterkuilen uit de zestiende eeuw is het aantal vondsten en de vondstdichtheid laag. Van de 120 laatmiddeleeuwse aardewerkfragmenten zijn er 101 fragmenten aangetroffen in twee kuilen of paalkuilen onderin een greppel, tezamen met twaalf grote natuurstenen keien. Uit de zestiende eeuw zijn ten minste twee waterkuilen aangetroffen die vrijwel al het zestiende-eeuwse vondstmateriaal hebben opgeleverd. 17. Kan er op basis van het organische en anorganische vondstmateriaal iets gezegd worden over de datering van de vindplaats, de functie van de vindplaats als geheel en de verschillende onderdelen daarvan? Op basis van het aardewerk kunnen twee verschillende bewoningsfasen worden onderscheiden. Het omgreppelde erf of nederzetting dateert rond het midden van de dertiende eeuw. Uit het derde kwart van de zestiende eeuw dateren ten minste twee waterkuilen. Op basis van het archeobotanisch onderzoek kan een relatief groot aantal donkere, humeuze kuilen met plaggenvulling als vermoedelijke mestkuil worden geïnterpreteerd.

De mest werd vermengd met heideplaggen die in de (directe) omgeving van het plangebied moeten zijn gestoken. 18. Kan er op basis van het vondstmateriaal iets gezegd worden over de materiële cultuur, het voedselpatroon en de bestaanseconomie van de vindplaats? Organisch vondstmateriaal is nauwelijks bewaard gebleven. Het grote aantal mogelijke mestkuilen lijkt erop te wijzen dat men rond het midden van de dertiende eeuw reeds plaggenbemesting op de akkers toepaste. Onder het aardewerk uit het derde kwart van de zestiende eeuw, hoewel gering in aantal, bevinden zich fragmenten die zeer zeldzaam zijn voor deze regio en kunnen erop wijzen dat de toenmalige bewoners behoord kunnen hebben tot de meer welgestelde lieden in de regio. 19. Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang? Het volledig door greppels omsloten terrein loopt buiten het huidige plangebied door. Ten noordoosten van het westelijke opgravingsblok en ten westen van het oostelijke opgravingsblok kunnen sporen hiervan worden aangetroffen. Direct ten westen van de omgreppeling met mogelijke palissade of landweer zijn nog maar weinig sporen aangetroffen, net als in het zuidelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied buiten de omgreppeling.

In hoeverre de vindplaats in oostelijke tot noordoostelijke richting doorloopt of doorgelopen heeft, is niet duidelijk, omdat een groot deel hier verstoord is door sporen van mogelijke grondverbetering. De vindplaats lijkt wel verder in zuidwestelijke richting door te lopen. Hier is mogelijk ook sprake van een door greppels omsloten terrein waarbinnen verschillende structuren zijn aangetroffen, maar van dit deel is onvoldoende opgegraven om goed inzicht te krijgen in de aard van dit deel van de vindplaats. Blijkens de vlakhoogtekaart ligt dit deel ook op het hoogst gelegen deel van het terrein. Nog iets verder in westelijke richting ligt de Oude Wanroijse weg die bij het proefsleuvenonderzoek enkele malen is aangesneden. Vondstmateriaal uit één van de greppels duidt op een mogelijke oorsprong van deze weg tussen de veertiende en zestiende eeuw. Mogelijk vormt de Oude Wanroijse weg de westelijke begrenzing van de vindplaats.

77

20. Wat is per archeologische site in het onderzoeksgebied: a. de ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing b. de geologische en/of bodemkundige eenheid c. de omvang (inclusief verticale dimensies) d. aard /complextype / functie e. de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) f. de vondst- en spoordichtheid g. de stratigrafie h. de ouderdom, periodisering, typechronologische classificatie i. de conserveringstoestand van (a) site en (b) het materiaal en (c) grondsporen De vindplaatsen in plangebied ’t Kavelt liggen op de overgang van de Peelhorst naar de Slenk van Venlo. Dit is de overgang van een relatief hoog gelegen gebied met een sterk zandige ondergrond naar het gebied waar de Maas haar dal heeft gevormd. Uit het midden van de dertiende eeuw is een deel van een erf of nederzetting aangetroffen dat volledig wordt omsloten door een gefaseerd aangelegd greppelsysteem. Hierbinnen zijn verschillende, relatief kleine gebouwen aangetroffen waarbij het de vraag is of deze structuren op basis van de kleine afmetingen als bijgebouwen moeten worden geïnterpreteerd. Het ogenschijnlijk ontbreken van een hoofdgebouw is wellicht eenvoudig te verklaren doordat meer dan de helft van het door greppels omsloten terrein niet is opgegraven, omdat dit buiten het plangebied valt.

Een eventueel hoofdgebouw zou zich direct ten noordoosten van het westelijke opgravingsblok kunnen bevinden. Het aantreffen van enkel kleine gebouwplattegronden zou dan bijvoorbeeld samen kunnen hangen met de inrichting van het erf. Een andere interpretatie zou kunnen zijn dat er sprake was van aparte gebouwen voor het stallen van vee en aparte gebouwen met alleen een woonfunctie. Als er sprake was van aparte stalling van het vee, dan vervalt de noodzaak van een grote(re) woonstalboerderij. Kleine gebouwen zouden dan ook heel goed als woonhuis kunnen hebben gefunctioneerd. De vindplaats lijkt in zuidwestelijke richting door te lopen, waarbij mogelijk ook sprake is van een door greppels omsloten terrein met daarbinnen enkele structuren. De precieze aard en omvang van dit deel van de vindplaats zijn niet duidelijk, omdat hiervan een relatief klein deel is onderzocht. Mogelijk vormt de iets verder westelijk gelegen Oude Wanroijse weg de westelijke begrenzing van de vindplaats. De vondstdichtheid van de dertiende-eeuwse vindplaats is laag, maar ruimtelijk is de vindplaats goed bewaard gebleven. Er zijn één waterput en vier waterkuilen aangetroffen, waarvan er twee op basis van aardewerkvondsten in het derde kwart van de zestiende eeuw kunnen worden gedateerd.

De omvang en begrenzing van de zestiende-eeuwse vindplaats zijn niet bekend, maar de twee waterkuilen uit deze periode liggen in het oosten van het plangebied. Deze sporen zijn goed geconserveerd, maar het aantal vondsten en de vondstdichtheid is relatief laag. In het oostelijke deel van het plangebied zijn sporen van mogelijke grondverbetering aangetroffen. Deze oversnijden een plaggenput waarvan de exacte datering niet bekend is.

78

7

Conclusie (N. Bouma) De opgraving heeft een zeer bijzondere middeleeuwse vindplaats aan het licht gebracht. Bijzonder aan dit erf of deze nederzetting is dat er sprake is van een gefaseerd aangelegd greppelsysteem, met in de laatste fase(n) een mogelijke palissade of landweer in het noordwesten, die de bewoning omsloot. Duidelijke parallellen voor een dergelijke vindplaats uit het midden van de dertiende eeuw zijn vrijwel niet bekend. Vindplaatsen uit deze periode worden wel vaker aangetroffen in de regio, maar niet omsloten door een systeem van greppels met mogelijke palissade of landweer. Van deze vindplaats lijkt minder dan de helft bij dit onderzoek te zijn opgegraven, omdat het resterende, grotere deel zich buiten het huidige plangebied bevindt en verder in noordelijke richting doorloopt. Op basis van het verloop van de greppels lijkt de westelijke en noordelijke begrenzing van de vindplaats vrij goed te bepalen. Dit geldt in mindere mate voor het zuidwestelijke deel van de vindplaats. Hier zijn buiten het door greppels omsloten terrein verschillende structuren aangetroffen die eveneens door greppels lijken te worden omsloten. Met behulp van enkele aanvullende sleufjes is vastgesteld dat de vindplaats zich verder in zuidwestelijke richting uitstrekt op het hoogst gelegen deel van het terrein.

De precieze aard en omvang van dit deel van de vindplaats zijn echter niet geheel duidelijk, omdat hiervan slechts een beperkt deel vlakdekkend is onderzocht. Mogelijk vormt de iets verder (zuid)westelijk gelegen Oude Wanroijse weg de oorspronkelijke begrenzing van de laatmiddeleeuwse vindplaats. Het noordelijke deel van de vindplaats valt buiten het huidige plangebied en wordt derhalve niet bedreigd. Mocht dit deel van de vindplaats in de toekomst ooit alsnog worden opgegraven, dan zou dit kunnen leiden tot aanpassing of herinterpretatie van de hier gepresenteerde resultaten.

Afb. 7.1. Proefsleuven en opgravingsputten geplot op de huidige topografie met in paars omkaderd te beschermen/toekomstig te onderzoeken gebied.

79

Literatuur Arnoldussen, S. (red.), 2003: Middeleeuwse bewoning te Bakel – Achter de Molen (Brabant), Leiden (Archol Rapport 16). Arts, N., 1993: Middeleeuwse hoeven op Blixembosch bij Eindhoven, in: Roymans, N. en F. Theuws (red.), Een en al zand. Twee jaar graven naar het Brabantse verleden, ’sHertogenbosch, 106-115. Arts, N. (red.), 1994: Sporen onder de Kempische stad. Archeologie, ecologie en vroegste geschiedenis van Eindhoven 1225 – 1500. Eindhoven. Arts, N., 1996: Een hoer onder het Eindhovense stadhuisplein. Archeologische verrassingen uit een middeleeuwse stadskern, Brabants Heem 50, 12-21. Arts, N. & J. Deeben, 1982: Opgravingen in een 15e-16e eeuwse nederzetting te Leenderstrijp, Heemkronijk 21-2. Arts, N., & H. Luijten, 1994: Het bodemarchief van een langgevelboerderij te Riel, gemeente Eindhoven, Brabants Heem 46, 87-99. Arts, N., A. Huijbers, K. Leenders et al., 2007: De Middeleeuwen en Vroegmoderne tijd in ZuidNederland, NOaA hoofdstuk 22 (versie 1.0), (www.noaa.nl). Ball, E.A.G., S. Arnoldussen & L. van Hoof, 2001: Aanvullend Archeologisch Onderzoek in de Heeswijkse Kampen te Cuijk. Leiden (Archol 5). Bartels, M., 1999: Steden in scherven. Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250-1900), Zwolle/Amersfoort. Beek, R. van, 2009: Reliëf in tijd en ruimte.

Interdisciplinair onderzoek naar bewoning en landschap van Oost-Nederland tussen vroege prehistorie en middeleeuwen. Wageningen (Proefschrift Wageningen Universiteit). Besteman, J.C., & A.J. Guiran, 1987: An early peat bog reclamation area in medieval Kennemerland. Assendelver Polders. In: R.W. Brandt, W. Groenman-van Waateringe & S.E. van der Leeuw, Assendelver Polder Papers 1. Amsterdam (Cingula 10), 297-332. Beug, H.J., 2004: Leitfaden der Pollenbestimmung für Mitteleuropa und angrenzende Gebiete. München. Boekenoogen, G. & T. d’Hollosy, 2006: Als het kalf ... : inventarisatie van waterputten uit opgravingen binnen de tweede omwalling van Amersfoort. In: Flehite: historisch jaarboek voor Amersfoort en omstreken, 2006, p. 6-27. Boer, E. de & H.A. Hiddink (red.), 2012: Opgravingen in Waterdael III te Someren. Deel 2. Bewoningssporen uit de latere prehistorie, de Vroege en Volle Middeleeuwen. Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 50). Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Bouma, N., 2011a: Sporen en structuren. In: D.A. Gerrets & E. Jacobs (red.), Boeren in de marge. Een middeleeuwse ontginningsenclave op het zand bij Grubbenvorst. Amersfoort (ADC Rapport 2108). Bouma, N. (red.), 2011b: Van begraven oerbos tot vroegste middeleeuwse ontginning en bewoning.

Een archeologische opgraving in de Winkelbuurt in Abcoude Zuid. Amersfoort (ADC Rapport 2400). Dijk, X.C.C. van, 2013: Grenzen overschreden. Een landweer en een erf uit de Late Middeleeuwen in Zeeland, gemeente Landerd; archeologisch onderzoek: een opgraving. Weesp (RAAPRapport 2726). Dijkstra, M.F.P., 2004: Gulle gaven, greppels en waterputten. De opgraving Wijk bij Duurstede – David van Bourgondiëweg. Amsterdam (AAC 26). Doesburg, J. van, M. de Boer, J. Deeben, B.J. Groenewoudt & T. de Groot (red.), 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. (Nederlandse Archeologische Rapporten, 34), Amersfoort. Faegri, K. & J. Iversen, 1989: Textbook of pollen analysis. fourth edition. Chichester. Fokma, A., E.E.A. van der Kuijl, K. Lenting, F. Plasmeijer & F.J. Zeiler, 2009: Rapportage Archeologische Begeleiding. Middeleeuwse waterput Hoek Loostraat/Herckenrathweg te Bemmel. Hoog-Keppel (Synthegra Projectnummer 172006). Gawronski, J., & J. Veerkamp, 2003: Over staal, kleef & stuit. Funderingen in Amsterdam, Amsterdam Monumenten & Archeologie 2, 11-23.

80

Geel, B. van, 1978: A palaeoecological study of Holocene peat bog sections in Germany and The Netherlands. Review of Palaeobotany and Palynology 25: 1-120. Geel, B. van, 2001: Non-Pollen palynomorphs. In: J.P. Smol, et al. (red.), Tracking Environmental Change Using Lake Sediments. Volume 3: Terrestrial, Algal, and Siliceous Indicators. Dordrecht, 99-119. Geel, B. van & A. Aptroot, 2006: Fossil ascomycetes in Quaternary deposits. Nova Hedwigia 82, 313-329. Geel, B. van, S.J.P. Bohncke & H. Dee, 1981: A palaeoecological study of an upper Late Glacial and Holocene sequence from ‘‘De Borchert", The Netherlands. Review of palaeobotany and palynology 31, 367-448. Geel, B. van, Coope, G.R. van der Hammen, T., 1989: Palaeoecology and stratigraphy of the Lateglacial type section at Usselo (The Netherlands). Review of Palaeobotany and Palynology 60: 25-129. Geel, B. van, J. Buurman, O. Brinkkemper, J. Schelvis, A. Aptroot, G.B.A. van Reenen & T. Hakbijl, 2003: Environmental reconstruction of a Roman Period settlement site in Uitgeest (The Netherlands). Journal of Archaeological Science 30, 873-883. Gerrets, D.A. & E. Jacobs (red.), 2011: Boeren in de marge. Een middeleeuwse ontginningsenclave op het zand bij Grubbenvorst, Amersfoort (ADC Rapport 2108). Grimm, E.C., 1992-2004: TILIA, TILA.GRAPH, and TGView. Springfield, USA. Groothedde, M.

1996: Leesten en Eme - Archeologisch en historisch onderzoek naar verdwenen buurtschappen bij Zutphen. Kampen. Haaster, H. van, 1997: De introductie van cultuurgewassen in de Nederlanden tijdens de Middeleeuwen. In: A.C. Zeven (red.), De introductie van onze cultuurplanten en hun begeleiders, van het Neolithicum tot 1500 AD. Vereniging voor Landbouwgeschiedenis, Wageningen, p. 53-104. Haaster, H. van, 2008: Archeobotanica uit 's Hertogenbosch. Milieuomstandigheden, bewoningsgeschiedenis en economische ontwikkelingen in en rond een (post)middeleeuwse groeistad. Barkhuis & Groningen University Library, Groningen, 162 p. Haslinghuis, E.J. & H. Janse, 2001: Bouwkundige termen, Leiden. Heirbaut, E.N.A., 2007: Overige vondsten. In: E.N.A. Heirbaut (red), Cuijk-Groot Heiligenberg. Onderzoek en opgraving van bronstijderven en een middeleeuwse nederzetting. Leiden (Archol 47), 86-94. Hekker, R.C., 1957-1958: De ontwikkeling van de boerderijvormen in Nederland. In: S.J. Fockema Andreae, R.C. Hekker en E.H. ter Kuile, Duizend jaar bouwen in Nederland.Deel II. Amsterdam, 195 - 316. Hiddink, H.A., 2005: Opgravingen op het Rosveld bij Nederweert 1. Landschap en bewoning in de IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen. Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 22). Hiddink, H.A., 2008: Archeologisch Onderzoek op de Groot Bottelsche Akker bij Deurne.

Bewoning uit de Steentijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Vroege en Volle Middeleeuwen. Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 33). Hissel, M., M. Parlevliet & J.P. Flamman, 2004: Begraven Beugen II. Inventariserend veldonderzoek op het toekomstig bedrijvenpark Beugen-Zuid, gemeente Boxmeer. Amsterdam (AAC 21). Hollestelle, J., 1976: De steenbakkerij in de Nederlanden tot omstreeks 1560. Arnhem Hoof, L.G.L. van, & R. Jansen, 2002: Archeologisch Onderzoek A50 te Uden - bewoning uit de ijzertijd en de middeleeuwen. Een verkennend en een definitief archeologisch onderzoek te Uden-Schouwstraat in opdracht van Rijkswaterstaat. Leiden (Archol Rapport 12). Huijbers, A.M.J.H., 2007. Metaforiseringen in beweging. Boeren en hun gebouwde omgeving in de Volle Middeleeuwen in het Maas-Demer-Scheldegebied. Amsterdam (academisch proefschrift Universiteit van Amsterdam). Huijts, C.S.T.J., 1992: De voor-historische boerderijbouw in Drenthe. Reconstructiemodellen van 1300 vóór tot 1300 na Chr., Arnhem. In ’t Ven, I., W. Wouters, T. Debruyne & B. Cooremans, 2005: Middeleeuwse bewoningssporen aan de Groenstraat te Tildonk (Haacht, prov. Vlaams-Brabant), Archeologie in Vlaanderen Monografie 5, 271-282. Jacobs, E., 2008: Locatie ‘Lindekwartier, fase 1’, gemeente Oisterwijk. Een archeologische begeleiding. Amsterdam (STAR 187).

81

Jans, J., 1972. Landelijke bouwkunst in Oost-Nederland. Enschede. Jansen, R. (red.), 2007: Bewoningsdynamiek op de Maashorst. De bewoningsgeschiedenis van Nistelrode van laat-neolithicum tot volle middeleeuwen, Leiden (Archol rapport 48). Janssen, C.R, 1973: Local and regional pollen deposition. In: H.J.B. Birks & R.G. West (red.), Quaternary Plant Ecology. Oxford, 31-42. Janssen, C.R., 1981: On the reconstruction of past vegetation by pollen analysis: a review. Proceedings Koninklijke Nederlandse Akademie Wetenschappen 84 (Serie C), 197-210. Janssen, C.R., 1984: Modern pollen assemblages and vegetation in the Myrtle Lake peatland, Minnesota. Ecological Monographs 54. Janssen, H.L., & P. Zoetbrood, 1983: De uithof en het refugiehuis van de abdij van Postel, in: H.L.Janssen (ed.), Van bos tot stad; opgravingen in 's-Hertogenbosch. 's-Hertogenbosch, 7488. Kars, E.A.K., 2005: Keramisch bouwmateriaal en natuursteen. In: G. Tichelman (ed), Het villacomplex Kerkrade-Holzkuil, Amersfoort (ADC Rapport 155), 257 - 287. Kortlang, F.P., 2012: Programma van Eisen DO Mill ‘t Kavelt. Versie 1, 06-03-2012 definitief. Lanjouw, H. & H. van Westing, 1995: Voorden in Drenthe, Nieuwe Drentse Volksalmanak 112, 3650. Linde, C. van der, 2007: Landweren in verband. Een middeleeuws verdedigingssysteem in het noordoosten van Brabant, circa 1400 na Chr. In: R. Jansen & P.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=0e739a12-c5da-44b9-825e-ec6f2f17e892