CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

04l. Archeologisch rapport juni 2016.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Mill ’t Kavelt32.467 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Richting het noordoosten wordt de greppel smaller en minder diep. In werkput 4 is de greppel ca. 1 m breed en 14 tot 20 cm diep bewaard gebleven. In het westen lopen vanuit de omgreppeling drie parallel aan elkaar gelegen greppels in zuidwestelijke richting tot buiten het onderzoeksgebied. De meest noordelijke van deze greppels S15.3 is 1,2 à 1,4 m breed, komvormig in de coupe en maximaal 33 cm diep bewaard gebleven. Evenwijdig aan deze greppel loopt S9.13, ongeveer 43 m ten zuiden hiervan. Deze greppel is maximaal 1,06 m breed, komvormig en ca. 28 cm diep bewaard gebleven. Ongeveer 9 m ten zuiden hiervan loopt ook een greppel met eenzelfde oriëntatie. Greppel S7.9 is 30 tot 70 cm breed en slechts enkele centimeters diep bewaard gebleven. Waar de omgreppeling in het noorden met een ronde bocht richting het noordoosten afbuigt, wordt deze oversneden door twee parallel aan elkaar lopende greppels met een noordoost-zuidwest oriëntatie. De meest noordelijke greppel heeft op het eerste vlak een breedte van maximaal 4,15 m. De greppel die hier evenwijdig en direct ten zuiden van loopt, is ca. 2,3 à 2,5 m breed. De noordelijke greppel oversnijdt de zuidelijke greppel aan de oostkant in werkput 17. Bij het couperen van de greppels kwamen hierlangs en onderin meerdere rijen paalkuilen tevoorschijn. De zuidelijke van de twee begrenzingen bestaat uit een ca.

0,8 tot 1,0 m brede greppel met onderin en ten zuiden hiervan een rij paalkuilen. De paalkuilen langs de greppel zijn rond van vorm, tussen de 44 en 60 cm in doorsnee en liggen op een onderlinge afstand van ca. 1 m. De paalkuilen zijn komvormig in de coupe en maximaal 30 cm diep bewaard gebleven. De greppel met paalkuilen

38

onderin is komvormig in de coupe en maximaal 28 cm diep bewaard gebleven. De paalkuilen onderin de greppel zijn rond van vorm, hebben een diameter van 40 tot 50 cm en liggen op een onderlinge afstand van ongeveer 80 à 90 cm. De paalkuilen zijn komvormig in de coupe en tussen de 10 en 19 cm diep bewaard gebleven. De meest noordelijke greppelstructuur bestaat uit meerdere greppels en palenrijen. Geheel in het noorden ligt een ca. 1,0 tot 1,3 m brede greppel, komvormig in de coupe en tussen de 24 en 36 cm diep bewaard gebleven. Ongeveer 30 tot 50 cm ten oosten hiervan bevindt zich een relatief smal greppeltje van 20 à 40 cm breed met daaronder een rij paalkuilen. In totaal zijn hier vier rijen paalkuilen aanwezig, inclusief de rij paalkuilen onderin de smalle greppel. De meest naar binnen gelegen rij paalkuilen, dit is de meest oostelijke rij, is opvallend lichter van kleur dan de andere drie rijen. Mogelijk behoort deze tot een oudere fase. De paalkuilen zijn rond en ovaal van vorm, 34 tot 60 cm in doorsnede, komvormig in de coupe en tussen de 8 en 32 cm diep bewaard gebleven. De buitenste en tevens grootste greppel is van noordoost naar zuidwest over een lengte van meer dan 80 m te volgen en maakt geheel in het westen van werkput 23 een bocht in zuidelijke richting. De greppels bevatten weinig vondstmateriaal.

De oudste vondsten betreffen enkele fragmenten blauwgrijs aardewerk van het Elmpt-type. Deze dateren uit de periode 1200-1350, maar in combinatie met andere aardewerkbaksels moeten deze rond het midden van de dertiende eeuw worden gedateerd. Twee fragmenten dateren onmiskenbaar uit de eerste helft van de veertiende eeuw. Het betreft een fragment van een steengoed kan uit Siegburg (1325-1350) en van een steengoed kan met zoutglazuur uit Langerwehe (1300-1350). Deze vondsten duiden erop dat de greppels in de eerste helft van de veertiende eeuw nog (gedeeltelijk) open moeten hebben gelegen of wellicht in deze periode buiten gebruik zijn geraakt. In greppel S15.1 is geheel bovenin één fragment van een steengoed voorraadkan met zoutglazuur uit Raeren gevonden, gedateerd rond 1450-1550. Door de vondstlocatie bovenin de greppel is het niet geheel zeker of de vondst daadwerkelijk uit de greppel komt of als nazak van de bovengelegen akkerlagen moet worden beschouwd. De datering past wel binnen de fasering van de greppels. Gebouw 5 en spieker 4 en 5 liggen buiten de omgreppeling, maar tussen de greppels S15.3 en S9.7 in. Ten noordwesten van deze structuren ligt een aantal greppels waarvan de buitenste in werkput 23 precies een bocht naar het zuiden maakt. Mogelijk is er binnen deze vindplaats sprake van een tweede terrein dat door greppels wordt omsloten.

Een extra aanwijzing hiervoor is gevonden bij het proefsleuvenonderzoek. In het meest westelijke deel van proefsleuf 36 is namelijk dezelfde greppel aangetroffen als die in werkput 23 een bocht naar het zuiden maakt (afb. 4.28). In de oudste fase is enkel sprake van een omgreppeling. In latere fasen is er in het noordwesten sprake van greppels met meerdere palenrijen. Het voorkomen van meerdere palenrijen dicht bij elkaar zou als palissade geïnterpreteerd kunnen worden, maar een andere interpretatie zou een landweer kunnen zijn. De term landweer is een verzamelterm voor een breed scala aan structuren met een zeer uiteenlopende opbouw, die een veelheid aan functies konden vervullen. Landweren hebben gemeen dat het lineaire afbakeningen van gebiedseigendom of gebiedsbeheer voor militaire, agrarische en/of juridische doeleinden zijn. Ze dateren voornamelijk uit de veertiende en vijftiende eeuw en zijn vooral bekend uit Noord-, Oost- en Zuid-Nederland, zoals Drenthe, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. In de zestiende en zeventiende eeuw werden voornamelijk bestaande landweren hersteld of versterkt in verband met Spaanse of Staatse oorlogsdreiging.17 Ze zijn meestal aangelegd om territoriale grenzen te markeren en te verdedigen en/of om dorpen en steden te verdedigen.

Ze vormden een hindernis voor vijandelijke soldatenbenden, maar dienden gelijktijdig om akkercomplexen en gemeenschappelijke weidegebieden te omheinen. De meeste landweren zijn aangelegd tussen ongeveer 1350 en 1450, maar ook al in 1313 werd een landweer vermeld in historische bronnen.18 Het uiterlijk van landweren kan sterk verschillen. In het algemeen kan worden gesteld dat landweren met een militaire of territoriale functie veel

17 18

Van der Linde 2007. Van der Linde 2007.

39

zwaarder werden uitgevoerd dan die met een overwegend agrarische functie. Bijna altijd bestaan ze uit een wal en een aantal greppels, sloten of grachten. Soms zijn daaraan ook palissaden, paalrijen of struikelkuilen toegevoegd. In sommige gevallen bestaat de landweer alleen uit slotensystemen en/of palissaden. Samenvattend kan gesteld worden dat er sprake is van een gefaseerd aangelegd greppelsysteem die de bewoning omsloot. In de oudste fase was enkel sprake van een omgreppeling. In latere fasen is er behalve van een omgreppeling in het noordwesten ook sprake van meerdere, dicht bij elkaar gelegen palenrijen van een palissade of mogelijke landweer. Nederzettingen of erven uit de dertiende eeuw die volledig door greppels worden omsloten, zijn geen alledaagse vondst in het Brabantse zandgebied. Mogelijke parallellen voor deze vindplaats zijn dan ook schaars. 4.1.8 Overige greppels Zowel binnen als buiten het greppelsysteem zijn enkele greppels aangetroffen die geen onderdeel hebben uitgemaakt van de omgreppeling. De meest opvallende greppel betreft S14.13. De greppel is ca. 14,9 m lang en heeft een onregelmatig verloop. De greppel is 0,5 tot 1,0 m breed, komvormig in de coupe, tussen de 30 en 57 cm diep bewaard gebleven en heeft een donkere humeuze vulling. De greppel ligt binnen structuur 2 en loopt tot aan de noordelijke kopse kant van gebouw 1.

Onderin de greppel zijn vier kuilen aangetroffen. Deze zijn komvormig of rechthoekig van vorm en tussen de 18 en 52 cm diep. In één van deze kuilen werden verspreid liggende grote keien aangetroffen met daarboven 38 aardewerkfragmenten. In een tweede kuil daar vlak naast werden nog eens 61 fragmenten keramiek gevonden. In totaal is ruim 6 kg aardewerk uit deze twee kuilen verzameld. Van de in totaal 120 laatmiddeleeuwse keramiekscherven komen er maar liefst 101 uit deze twee kuilen. Het betreft 87 fragmenten blauwgrijs aardewerk van het Elmpt-type, dertien stuks proto-steengoed en één steengoedfragment. Het blauwgrijze aardewerk bestaat uit kogelpotten, kannen en kommen. Onder de vondsten bevindt zich een vrijwel complete kom en een groot deel van een kogelpot. Ook een kan van proto-steengoed is voor een groot deel compleet. Het vondstcomplex kan rond het midden van de dertiende eeuw worden gedateerd. De functie van de greppel en de relatie met gebouw 2 zijn niet duidelijk. De ligging binnen gebouw 2 langs de oostelijke lange wand, de breedte en diepte van de greppel en de donkere humeuze vulling zouden mogelijk op een functie als mestgoot kunnen duiden. Een parallel voor een dergelijke vondstcontext uit deze periode is niet gevonden. Er is één greppel aangetroffen die uit de Nieuwe tijd dateert. Het betreft greppel S5.13 met een noordwest-zuidoost oriëntatie.

De greppel heeft op het vlak een wat onregelmatig liniair verloop en varieert in breedte van ca. 1,5 tot 2,5 m. De greppel heeft een zeer rommelige, gevlekte en brokkige vulling, is komvormig in de coupe en ca. 70 cm diep bewaard gebleven.

40

Afb. 4.23. Fasering van het greppelsysteem in het noordwesten van de vindplaats. In lichtblauw de oudste fase, in donkerblauw de jongste fase.

Afb. 4.24. Buitenste greppel in het noordwesten van het plangebied.

41

Afb. 4.25. Dezelfde greppel na verdiepen. Aan de oostzijde komen meerdere palenrijen van een mogelijke palissade tevoorschijn.

Afb. 4.26. Overzicht van de greppels met palissaden in werkput 17.

42

Afb. 4.27. Doorsnede van de greppels en palenrijen in werkput 17.

43

Afb. 4.28. Allesporenkaart gecombineerd met nabijgelegen proefsleuven.

4.2

Waterputten en waterkuilen

Er zijn vijf structuren aangetroffen die als waterput of waterkuil kunnen worden geïnterpreteerd (afb. 4.29). Eén is als waterput gedefinieerd en de andere vier als waterkuil. Het verschil tussen een waterput en een waterkuil ligt vooral in de aan- of afwezigheid van een houten bekisting in de kuil. Daarnaast zijn de sporen die als waterkuil zijn benoemd over het algemeen minder diep dan de waterputten. Kuilen waren wellicht voornamelijk gebruikt om hemelwater in op te vangen, al dan niet mede gevoed door greppels. Opvallend aan de waterkuilen is namelijk dat drie van de vier zijn aangelegd in een greppel. Mogelijk was er sprake van een verschil in functie, waarbij waterputten vooral werden gebruikt voor het verkrijgen van drinkwater, terwijl de waterkuilen mogelijk (ook) werden gebruikt voor het drenken van vee. Op één waterkuil na liggen al deze sporen relatief dicht bij elkaar in het lager gelegen oostelijke deel van het plangebied.

44

Afb. 4.29. Overzicht van de waterput en waterkuilen in het plangebied.

Waterput S4.23 De waterput is aangetroffen in werkput 4 met de bovenkant van het spoor op ca. 14,95 m +NAP. De bovenkant van de waterput is aan de oostzijde deels verstoord tot ca. 60 cm diepte door sporen van mogelijke grondverbetering. De waterput heeft bovenin een doorsnede van ca. 2,5 m. De waterput is opgebouwd uit gestapelde plaggen (afb. 4.30 en 4.31). Binnen de plaggenwanden heeft de waterput een diameter van ongeveer 80 tot 90 cm. De plaggenwanden waren onderin de put gefundeerd op een karrenwiel met een doorsnede van ca. 1,2 m. De spaken waren hier tussenuit gezaagd, maar dit waren er oorspronkelijk tien. Het betreft een volledig eikenhouten wiel, bestaande uit vijf velgonderdelen die onderling met elkaar waren verbonden door blinde deuvelverbindingen. Deze deuvels zijn op hun beurt weer vastgezet met kleine pennen dwars op de deuvel door de velg heen. Het karrenwiel lag op een diepte van ca. 2,24 m oftewel 12,71 m +NAP. De waterput was opgevuld met donkergrijs humeus zand en bevatte een deel van een baksteen en wat grindjes. Het baksteenfragment is onderin de waterput gevonden en is ca. 12,5 cm breed en 5,5 cm dik. Het betreft een hardgebakken exemplaar met een vleesroze kleur. Op basis van enkel dit baksteenfragment zonder aanvullende dateerbare vondsten is geen nauwkeuriger datering van de waterput mogelijk dan in de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd.

De aanleg en het gebruik van plaggenputten wordt in Nederland echter over het algemeen in de periode van ca. 1250 tot in de zestiende eeuw geplaatst.19 In het centrum van Oisterwijk zijn recentelijk vergelijkbare plaggenputten aangetroffen die in de periode 1450 -1550 gedateerd konden worden en ook in Eindhoven zijn plaggenputten met karrenwielen uit de Late Middeleeuwen opgegraven. 20

19 20

Boekenoogen & d’Hollosy 2006. Jacobs 2008; Arts 1994.

45

Afb. 4.30. Plaggenput S4.23.

Afb. 4.31. Waterput S4.23 met plaggenwanden.

Waterkuil S2.14 Deze waterkuil is in het noordoosten van het plangebied aangetroffen in werkput 2. De waterkuil is ovaal van vorm en meet ca. 5,6 x 3,1 m. De waterkuil doorsnijdt greppel S2.13 die waarschijnlijk de oostelijke begrenzing van het omgreppelde erf uit de dertiende eeuw heeft gevormd. In dit deel van de omgreppeling zijn geen vondsten aangetroffen, maar vermoed wordt dat de greppel uit de dertiende eeuw dateert. De waterkuil bevond zich op ca. 14,52 m +NAP en was ca. 1,4 m diep. De diepste vulling bevatte enkele zandige lagen die als spoelbanden worden geïnterpreteerd en deze wijzen op het natuurlijk dichtraken van de onderkant van de waterkuil. De bovenste vulling bestond uit een donker pakket humeus zand en bevatte een redelijke hoeveelheid vondstmateriaal. In totaal zijn 21 aardewerkfragmenten uit deze waterkuil geborgen die gedateerd kunnen worden in de zestiende eeuw. Onder de vondsten zijn verschillende fragmenten van versierde steengoed kannen. Meer uitzonderlijk is de hals van een baardmankruik (cat. 2) die eveneens uit Raeren afkomstig is, specifiek in het derde kwart van de zestiende eeuw te dateren. Dergelijke rijkversierde Raerense steengoed kannen vormen zeldzame vondsten. Ze behoren tot de eerste generatie van versierd steengoed dat in Raeren is gemaakt.

Wanneer ze worden gevonden in stedelijke vondstcontexten, zoals beerputten, zijn ze vaak te relateren aan de rijkere stedelijke middenklasse

46

of de elite. De vondst van dit soort scherven in een plattelandscontext zou kunnen worden opgevat als aanwijzing voor een meer dan gemiddelde welstand van de vroegere bewoners van de onderzoekslocatie (zie paragraaf 5.1). Waterkuil S4.3 (afb. 4.32) Deze waterkuil ligt op minder dan 10 m ten zuidoosten van waterkuil S2.14. Deze waterkuil doorsnijdt dezelfde greppel als S2.14, maar is zelf voor een groot deel verstoord door een recente drain. De waterkuil heeft een doorsnede van minimaal 4,06 m. De waterkuil werd aangetroffen op ca. 14,55 m +NAP en was maximaal 1,06 m diep. De bodem van de kuil was vlak. De waterkuil had meerdere donkere humeuze vullingen en bevatte ook enkele grote zware stenen. Er is geen dateerbaar vondstmateriaal in de waterkuil aangetroffen.

Afb. 4.32. Coupe van waterkuil S4.3.

Waterkuil S5.1 (afb. 4.33 en 4.34) Deze waterkuil is in tegenstelling tot de andere drie niet aangelegd in of verbonden met een bestaande greppel. De bovenkant van de waterkuil bevond zich op ca. 14,54 m +NAP. Op het vlak heeft de waterkuil een zeer onregelmatige vorm en een doorsnede van ongeveer 8,1 m. De kuil heeft een vlakke bodem en is ca. 1,06 m diep. De waterkuil heeft een groot aantal rommelige vullingen waarin vondstmateriaal is aangetroffen uit het derde kwart van de zestiende eeuw. Het betreft veertien aardewerkfragmenten. De meest opvallende vondst betreft een uit het tweede of derde kwart van de zestiende eeuw daterende papkom van roodbakkend aardewerk, die waarschijnlijk in Brabant is gemaakt (cat. 3). Op de papkom is in sgrafitto-techniek een (pseudo)tekst aangebracht. Hoewel er van dit soort papkommen met een (pseudo)tekst wel meer voorbeelden bekend zijn, betreft ook dit een zeldzame vondst voor een Brabantse plattelandscontext. De meeste parallellen voor dit soort papkommen zijn te vinden in het destijds sterk verstedelijkte Zeeland. De teksten van dit soort voorwerpen zijn vaak van religieuze aard. Ze roepen Maria of andere heiligen ter bescherming of voor zielenheil. Soms zijn de inscripties echter onleesbaar en lijkt er eerder sprake van een pseudotekst.

Dit soort voorwerpen wijst erop dat de eigenaar geletterd was of in ieder geval de schijn wilde wekken dat dit het geval was (zie verder paragraaf 5.1).

47

Afb. 4.33. Coupe van waterkuil S5.1.

Afb. 4.34. Foto van de coupe van waterkuil S5.1.

Waterkuil S9.20 Deze waterkuil ligt in werkput 9, op grote afstand van de andere waterkuilen en de waterput. Deze waterkuil is gegraven op het kruispunt van twee greppels (afb. 4.35 en 4.36). De kuil heeft een ovale vorm en meet ca. 4,5 x 3,15 m. De bovenkant van de waterkuil bevindt zich op ca. 16,01 m +NAP. De kuil is komvormig en ongeveer 1,7 m diep. De kuil bevat drie rommelige en brokkige vullingen die duiden op het dichtgooien van de waterkuil toen deze buiten gebruik raakte. In de opvulling zijn twee fragmenten van een hardgebakken, donkerrode baksteen gevonden. Van één fragment kon een dikte van ca. 6 cm worden bepaald. Op basis van het harde baksel en de kleur lijkt een datering van de baksteen in de Nieuwe tijd meer plausibel dan een laatmiddeleeuwse datering.

Afb. 4.35. Coupe van waterkuil S9.20.

48

Afb. 4.36. Waterkuil S9.20 op het kruispunt van twee greppels.

4.3

(Sub)recente sporen van grondverbetering?

In het meest oostelijke en laagstgelegen deel van het plangebied zijn sporen van mogelijke grondverbetering aangetroffen. Bijna de gehele werkput 6 is hierdoor verstoord, maar ook in de drie aangrenzende werkputten zijn sporen hiervan aanwezig. Deze sporen bestaan uit banen van ongeveer 70 à 80 cm breed en liggen noordwest-zuidoost georiënteerd. De lengte van deze banen ligt ongeveer tussen de 5 en 6 m. In de opvulling van deze kuilen is geen vondstmateriaal aangetroffen, maar ze oversnijden wel waterput S4.23.

Afb. 4.37. Plot van de ASK op de kadastrale minuut van ca. 1832.

49

5

Vondstmateriaal Bij de opgraving zijn in totaal 192 vondsten verzameld met een gezamenlijk gewicht van meer dan 60 kg. De meeste vondsten betreffen aardewerkfragmenten. Het grootste gewicht wordt echter ingenomen door het natuursteen. Tabel 5.1. Overzicht van het totaal aantal verzamelde vondsten per vondstcategorie. INHOUD

Totaal aantal Totaal gewicht (gr)

Indet.

1

0,1

Aardewerk

166

9027

Baksteen

3

2522

Bouwmateriaal

4

415

Huttenleem

1

3

Metaal

2

1303

Kleipijp

1

1

Natuursteen

14

47000

Totaal

192

60271,1

5.1

Aardewerk (S. Ostkamp)

5.1.1 Inleiding Bij de opgraving zijn in totaal niet meer dan 164 scherven aangetroffen. Deze scherven zijn bovendien afkomstig uit een gering aantal sporen. Ze dateren met name uit twee periodes: (het midden van) de dertiende eeuw en het derde kwart van de zestiende eeuw. Het aardewerk is beschreven conform de standaard van het Deventer-systeem.21 Tabel 5.2. Overzicht van het aantal aardewerkfragmenten per baksel. blauwgrijs (bg)

100

roodbakkend (r)

20

steengoed zonder oppervlaktebehandeling (s1)

1

steengoed met oppervlaktebehandeling (s2)

29

proto-steengoed (s5)

14

Totaal 164

Tabel 5.3. Begindateringen van de aardewerkbaksels. 1200 105 1225 9 1300 5 1325 1 1450 2 1500 14 1550 23 1600 2 1800 3 Totaal 164

21

Bartels 1999.

50

5.1.2 Aardewerk uit de dertiende eeuw Van de 164 scherven behoren er niet minder dan 100 tot het blauwgrijze aardewerk van het Elmpttype. De meeste van deze scherven kregen 1200 als begindatering. Deze datering is gebaseerd op een combinatie van factoren. Enerzijds verschijnt het Elmpter aardewerk in deze regio in de loop van de twaalfde eeuw. Het gaat daarbij dan vooral om kogelpotten en voorraadvaten. Omstreeks 1200 doen enkele nieuwe vormen hun intrede, zoals kannen (bg-kan-3) en kommen (bg-kom-2). Daarnaast doen zich in dezelfde periode enkele veranderingen voor in de vormgeving van onder meer de kogelpotten. Zo zijn de randen van deze potten vanaf dat moment aan de bovenzijde afgeplat en veelal voorzien van een groef in de bovenzijde (bg-kog-3). Daarnaast hebben de latere kogelpotten op de schouder vaak één of enkele ribbels en/of groeven. Het gegeven dat er onder de herkenbare vormen van het blauwgrijze aardewerk alleen van dit soort late vormen zijn, geeft aan dat de datering omstreeks of na 1200 moet worden geplaatst. Zo zijn er diverse scherven van een incomplete kan met een geknepen standring (vnr. 33) en een vrijwel complete kom (afb. 5.1 en cat. 5). Daarnaast is er een groot fragment van een groot formaat kogelpot (afb. 5.2 en cat. 4). Ook nu wijzen de afgeplatte bovenzijde en de door twee groeven afgezette ribbel op de schouder op een datering na 1200.

Met uitzondering van één randscherf van een kogelpot zijn alle kogelpotranden afkomstig van late kogelpotten (bg-kog-3). De afwijkende rand (vnr. 43) is afkomstig van een kogelpot van het type bg-kog-2, een model dat weliswaar al in de twaalfde eeuw op de markt verschijnt, maar ook in de vroege dertiende eeuw nog volop in productie bleef. Hoewel het blauwgrijze aardewerk dus wijst op een datering na 1200 is het moeilijk om de looptijd van deze vondsten scherp af te bakenen. Zo komen zowel de kannen als de kommen voor tot omstreeks het midden van de veertiende eeuw. De kogelpotten van het type bgkog-3 komen vooral voor in (de eerste helft van) de dertiende eeuw, maar ook nu is een ruimere datering zeker niet uit te sluiten. Alle hier besproken vondsten zijn afkomstig uit dezelfde context. Het betreft een kuil onderin een greppel (werkput 14, vlak 1, spoor 13, vulling 2). Dit spoor in werkput 14 betreft een bijzondere context. In het vlak betreft het een ietwat onregelmatig lopende greppel. In of onder deze greppel zijn meerdere kuilen aangetroffen (vulling 2). In één zo’n kuil is ruim 6 kg aardewerk aangetroffen op een ‘bed’ van twaalf natuurstenen (keien). Vooralsnog is de functie van de kuil niet bekend. Naast het blauwgrijze aardewerk leverde dit spoor ook scherven op van een tweetal kannen van proto-steengoed.

Van één van deze kannen kon het profiel volledig worden gereconstrueerd (afb. 5.3 en cat. 1). De kan is afkomstig uit het Duitse Rijnland (Siegburg?) en dateert uit het tweede kwart van de dertiende eeuw. Deze datering vindt plaats op grond van de randvorm. De kraagrand waarvan de kan is voorzien, volgt namelijk rond 1225 de veel plompere manchetranden op die we vinden op de vroeg-dertiende-eeuwse proto-steengoed kannen. Na het midden van de dertiende eeuw worden de kannen geleidelijk aan slanker, hetgeen bij dit exemplaar nog niet het geval is. Op de rand van de kan is een radstempelversiering aangebracht. De vervormde hals laat zien dat de kan een B-keus product moet zijn geweest. De kan is de meest betrouwbare vondst om de context te dateren in het tweede kwart van de dertiende eeuw, hoewel een iets latere datering natuurlijk ook mogelijk is.

Afb. 5.1. Vrijwel complete wijde kom van blauwgrijs aardewerk, Elmpt-type.

51

Afb. 5.2. Groot fragment van een grote kogelpot van blauwgrijs aardewerk, Elmpt-type.

Afb. 5.3. Compleet profiel van een kan van proto-steengoed. 5.1.3 Aardewerk uit het derde kwart van de zestiende eeuw Uit de veertiende en vijftiende eeuw zijn nauwelijks vondsten aangetroffen. Daar komt nog bij dat de twee ‘vijftiende-eeuwse’ scherven afkomstig zijn van steengoed uit Raeren, dat weliswaar vanaf circa 1450 voorkomt, maar vervolgens tot omstreeks 1550 in productie blijft. Wanneer we kijken naar de overige vondsten dan ligt een zestiende-eeuwse datering ook meer voor de hand. Enkele herkenbare steengoedvormen zijn afkomstig uit een waterkuil (vnr. 25 – put 2, vlak 1, spoor 14, vulling 1). Onder de vondsten zijn verschillende fragmenten van versierde steengoed kannen van het type s2-kan-63. Deze kannen zijn vergelijkbaar met het hier afgebeelde exemplaar dat in de gemeente Alkmaar werd gevonden (afb. 5.4 linksboven). Meer uitzonderlijk is de hals van een baardmankruik (afb. 5.4 onder, cat. 2) die eveneens uit Raeren afkomstig is. In volledige toestand moet de kan verwant zijn geweest aan het hier afgebeelde exemplaar uit de collectie van het Victoria and Albert Museum in Londen (afb. 5.4 rechtsboven). Dergelijke rijkversierde Raerense steengoed kannen uit het derde kwart van de zestiende eeuw vormen zeldzame vondsten. Ze behoren tot de eerste generatie van versierd steengoed dat in Raeren is gemaakt.

Wanneer ze worden gevonden in stedelijke vondstcontexten, zoals beerputten, zijn ze vaak te relateren aan de rijkere stedelijke middenklasse of de elite. De vondsten van dit soort scherven in een plattelandscontext kunnen dus worden opgevat als aanwijzing voor een meer dan gemiddelde welstand van de vroegere bewoners van de onderzoekslocatie.

52

Afb. 5.4. Raerense baardmankruik uit Alkmaar (linksboven), uit de collectie van het Victoria and Albert Museum in Londen (rechtsboven) en het fragment uit Mill (onder).

Ook een stuk roodbakkend aardewerk wijst in deze richting. De vondst kwam eveneens tevoorschijn uit een waterkuil (werkput 5, vlak 2, spoor 1, vulling 3). Het betreft een uit het tweede of derde kwart van de zestiende eeuw daterende papkom van roodbakkend aardewerk, die waarschijnlijk in Brabant is gemaakt (afb. 5.5 en cat. 3). De binnenzijde en de rand zijn voorzien van een witte sliblaag, waarna de binnenzijde is bedekt met een laag loodglazuur die door toevoeging van koperoxide groen gekleurd is. Opvallend is dat de rand geel bleef. De reden hiervoor is de in sgrafitto-techniek aangebrachte (pseudo)tekst. Door letters door de laag witte klei heen te krassen, kwam de onderliggende roodbakkende klei weer tevoorschijn. De rode letters staken zo af tegen een gele ‘ondergrond’. Hoewel er van dit soort papkommen met een (pseudo)tekst wel meer voorbeelden bekend zijn, betreft ook dit een zeldzame vondst voor een Brabantse plattelandscontext. De meeste parallellen voor dit soort papkommen zijn te vinden in het destijds sterk verstedelijkte Zeeland. Een voorbeeld daarvan is de hier afgebeelde papkom uit de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam (afb. 5.5 boven). De teksten van dit soort voorwerpen zijn vaak van religieuze aard. Ze roepen Maria of andere heiligen ter bescherming of voor zielenheil.

Soms zijn de inscripties echter onleesbaar en lijkt er eerder sprake van een pseudotekst. Dit soort voorwerpen wijst erop dat de eigenaar geletterd was of in ieder geval de schijn wilde wekken dat dit het geval was.

53

Afb. 5.5. Papkom met (pseudo)tekst uit de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen (boven) en het exemplaar uit Mill (links). 5.1.4 Conclusie De vondsten uit het onderzoek in Mill wijzen erop dat de bewoning op de onderzoekslocatie in de loop van de dertiende eeuw op gang moet zijn gekomen. Voor bewoningscontinuïteit vanaf dat moment leverde het aardewerkonderzoek geen bewijzen op. In ieder geval is de locatie vanaf de (eerste helft van de) zestiende eeuw (opnieuw) bewoond. Hoewel het aantal vondsten uit deze periode gering is, leveren ze genoeg aanwijzingen op om te veronderstellen dat de toenmalige bewoners behoord moeten hebben tot de rijkere lieden in de regio. Het is overigens opvallend dat er op het Brabantse platteland wel vaker contexten uit deze periode worden aangetroffen met daarin onder meer rijkversierd steengoed.22 Blijkbaar was het destijds een welvarende periode voor deze regio. Aan de voorspoed zal een eind zijn gekomen na het uitbreken van de Opstand (de Tachtigjarige Oorlog) in 1568. Vanaf dat moment verplaatste de welvaart zich van Antwerpen en de Zuidelijke Nederlanden naar Amsterdam en de noordelijke gewesten.

22

Zie bijvoorbeeld: Arts en Deeben 1982.

54

5.2

Natuursteen: een concentratie van grote stenen (M.J.A. Melkert)

5.2.1 Inleiding Bij de opgraving is nauwelijks natuursteen aangetroffen. Des te opvallender waren twaalf grote stenen en keien met een gewicht van 44 kg die, tezamen met ruim 6 kg grote fragmenten aardewerk, werden aangetroffen in een kuil onder een greppel (vnr. 49, S14.13). Tijdens een eerste scan bleken bij geen van de stenen sporen van bewerking of verbranding aanwezig. Ze zijn vooral groot en zwaar en zullen vermoedelijk om die reden zijn verzameld. Het aardewerk uit de kuil wordt in het tweede kwart van de dertiende eeuw gedateerd. 5.2.2 Doel van het onderzoek Voor onbewerkt natuursteen bestaat meestal niet veel belangstelling, ook niet als het om grote stenen gaat of steenconcentraties. Vaak wordt nog steeds alleen het bewerkte natuursteen geselecteerd voor verdere uitwerking, soms al in het veld, en niet zozeer het (onbewerkte maar wel) gebruikte natuursteen.

Aan de ene kant leeft de gedachte dat, zeker in een gebied waar de grindrijke, Pleistocene ondergrond dagzoomt of dicht onder het maaiveld voorkomt, zulke stenen op natuurlijke wijze op de vindplaats terecht zijn gekomen, wat in het geval van grote stenen of steenconcentraties niet erg waarschijnlijk is.23 Aan de andere kant zijn solitaire keien of steenconcentraties meestal niet dateerbaar, wordt aan de stenen zelf het gebruik niet afgelezen en kan in feite alleen de context informatie geven over een mogelijke toepassing. In dit geval zijn de twaalf grote stenen in een kuil onder een greppel aangetroffen en het eveneens aanwezige aardewerk plaatst ze in de Late Middeleeuwen, een periode waarin zich (onder andere) ingrijpende veranderingen voordeden in de bouwwijze van huizen. 24 Bij deze nieuwe bouwwijze worden de palen niet langer ingegraven, maar rusten de gebintstijlen op een stiep (of poer) en de wandpalen op een houten onderregel, of wordt het geheel gedragen door een doorlopende voetplaat die zelf vaak weer gefundeerd is op stenen.25 Dat betekent dat de stevigheid van het bouwwerk niet langer ontleend wordt aan het vastzetten van palen in de grond, maar dat het houten geraamte zelf de krachten- en lastenverdeling opvangt. De open vakken van dit houtskelet werden gedicht met vlechtwerk en leem en zo ontstonden de vakwerkhuizen (afb. 5.6).

Als de palen niet langer worden ingegraven en het huis als het ware los op de grond komt te staan, verdwijnen de huisplattegronden (tijdelijk) uit het archeologische gezichtsveld. Ook al omdat de stenen van de fundering meestal niet in situ achterblijven na afbraak van het huis maar worden meegenomen voor hergebruik elders. Als ze al blijven liggen, is de kans groot dat ze op een later moment worden opgeraapt om op de één of andere manier gebruikt te worden, want (grote) stenen kennen tal van toepassingen: als filter op de bodem van een waterput, als stepping-stones in drassige gebieden, voor het afbakenen van een terrein of als markeringspunt in het landschap, als gewicht of barricade, als wegverharding of plaveisel of als verwarmingselementen in bijvoorbeeld een badtobbe (afb. 5.7). Grote, onverbrande zwerfstenen komen ook wel voor in associatie met rituele deposities, maar in dat geval gaat het meestal ofwel om een enkele, zeer grote steen op bijvoorbeeld een begraven voorwerp, ofwel om een bedje van zwerfstenen waarop bijzondere voorwerpen zijn geplaatst.26

23

Ook in het plangebied is aan de basis van de stratigrafie een sterk grindhoudend pakket waargenomen (zie hoofdstuk 3). Het kan echter worden uitgesloten dat concentratie van alleen grote stenen en keien (zonder grind en met aardewerk), zoals hier aangetroffen, een natuurlijke oorsprong heeft. 24 Trefois 1950; Schols 1958; Voskuil 1979, 50 e.v.; Theuws 1989; Mekking & De Vries 2007, 222; Verspay 2007. 25 De begrippen stiep en poer zijn zeer slecht gedefinieerd (zie bijvoorbeeld Haslinghuis & Janse 2001). In het algemeen wordt stiep gebruikt voor grote stenen die op het maaiveld liggen en poer voor ondergrondse funderingen, bijvoorbeeld een kuil gevuld met stenen of grind of een gemetseld steunpunt. 26 Zie Van Beek 2009. Volgens deze auteur vinden rituele deposities zeker nog plaats tot in de Late Middeleeuwen. Uit de historische bouwkunde is vervolgens bekend dat met name bouwoffers, rituele gebruiken bij haardplaatsen en drempels ook in meer recente tijden nog zeer algemeen waren (zie Trefois 1950, 255 e.v.).

55

Afb. 5.6. Vakwerk met leemvullingen (Jans 1972, 69).

Afb. 5.7. Voorraad grote stenen voor het verwarmen van het badwater (badhuis te Riga uit de negentiende eeuw).

56

Met betrekking tot deze problematiek worden in de NOaA de volgende aanbevelingen gedaan: 27 Aanbeveling 8: het is van belang onderzoek te doen naar de bouw van huizen op stiepen of andere archeologisch moeilijk grijpbare funderingstechnieken; Aanbeveling 9: het is van belang onderzoek te doen naar transformatiemomenten in de huisbouw in relatie tot andere (agrarische, sociale) activiteiten. Het doel van dit onderzoek is na te gaan of de aangetroffen concentratie van grote stenen wellicht gerelateerd is aan de stiepenbouw of, als dat niet het geval is, wat dan het mogelijke gebruik geweest zou kunnen zijn. 5.2.3 Methode van onderzoek Het onderzoek heeft langs twee lijnen plaatsgevonden. Allereerst is onderzocht of vergelijkbare steenconcentraties of het gebruik van grote stenen voor deze regio en deze periode bekend zijn van andere opgravingen en of dit dan in verband kan worden gebracht met stiepenbouw, een andere funderingswijze, of wellicht een geheel andere toepassing. Daarnaast is gekeken wat in het algemeen de stand van zaken is met betrekking tot de kennis en kennislacunes van het funderen in deze periode en meer specifiek het funderen op stiepen of poeren. Daardoor is deze analyse in eerste instantie een vergelijkende literatuurstudie geworden, met als uitgangspunt de steenconcentratie zoals die bij ‘t Kavelt in een kuil is aangetroffen.

In paragraaf 5.2.4 worden de verschillende veranderingen belicht die zich in deze periode bij de boerderijbouw voordoen, waarbij steeds gekeken wordt vanuit het perspectief van het natuursteen. In paragraaf 5.2.10 en 5.2.11 wordt de aangetroffen steenconcentratie in zijn context beschouwd en vergeleken met een soortgelijke concentratie van grote stenen bij Uden. De bij Mill aangetroffen stenen zelf zijn per individu beschreven met nadruk op afmetingen, vorm en steensoort. 5.2.4 Van ingegraven palen naar poeren en stiepen De omslag in de bouwwijze van boerderijen die zich in de Late Middeleeuwen voltrok, is op verschillende niveaus aanwijsbaar, maar archeologisch niet altijd zichtbaar. Naast het wel of niet funderen, bovengronds of ondergronds, vindt rond dezelfde tijd een transformatie plaats van bootvormige naar rechthoekige huizen, komen verbeteringen tot stand bij de houtconstructie, evolueren de gevlochten wanden naar vakwerkbouw en krijgen de huizen een groter oppervlak en/of een hogere zolder. Op welke wijze de diverse ontwikkelingen elkaar opvolgen of hebben beïnvloed, is niet altijd duidelijk.

Zo stelt Trefois (en met hem Hekker) dat door de overstap naar meer grootschalige landbouw in deze periode ook meer opslagruimte bij de boerderijen nodig was, waardoor een steviger houtconstructie noodzakelijk werd, wat op zijn beurt weer plaatsing op stiepen mogelijk maakte.28 Verspay onderschrijft het eerste deel van deze aanname, maar bestrijdt dat hier een relatie ligt met de stiepenbouw.29 Deze auteur meent dat de versteviging van het houtskelet al eerder in gang was gezet en dat het bouwen op stiepen een rechtstreeks gevolg was van de trek naar de lager gelegen gebieden en de beekdalen. In die natte omgeving was dit de enige manier om houtrot te voorkomen. Als dit laatste inderdaad het geval is, lijkt er geen reden om aan te nemen dat bij de hoger gelegen gebieden de huizen onzichtbaar worden omdat ze op stiepen komen te staan – dan verdwijnen ze letterlijk naar elders. Aan de andere kant, de nieuwe bouwwijze zou een algemene trend kunnen worden, die dan wellicht ook werd toegepast bij nieuw op te richten gebouwen op de hogere terreinen. In feite doen zich dus min of meer gelijktijdig drie verschillende ontwikkelingen voor: de bewoning verplaatst zich, het houten geraamte van de huizen wordt een star, zelfstandig geheel en de palen van dit skelet worden niet meer ingegraven maar komen bovengronds op stiepen te staan.

Alle drie ontwikkelingen zullen geleidelijk hebben plaatsgevonden.

27

Arts et al. 2007, 55. Trefois 1950; Hekker 1957-1958. 29 Verspay 2007. 28

57

Bij een geleidelijke verplaatsing van de huizen naar elders zijn weliswaar steeds minder huisplattegronden te vinden op de hoger gelegen terreinen, maar deze komen dan nog wel voor. Ook bij plaatsing op stiepen zal dit niet direct voor alle huizen gelden. Tegelijkertijd zal de versteviging van het houtskelet ertoe leiden dat de palen minder diep ingegraven hoeven te worden, wat de leesbaarheid van deze huisplattegronden bemoeilijkt. Dit fenomeen lijkt zich inderdaad voor te doen.30 Desondanks kunnen aan die huisplattegronden nog wel diverse vormveranderingen worden afgelezen, zoals van bootvormige naar rechthoekige huizen. 31 5.2.5 Funderingen Gebouwen kunnen wel of niet aardvast gefundeerd zijn.32 Aardvast wil zeggen dat de palen in de grond worden ingegraven en dat de structuur daar zijn stabiliteit aan ontleent (gedeeltelijke inklemming). Of de paalkuil na het plaatsen van de paal gewoon weer wordt dichtgegooid met de uitgehaalde grond of dat dit met een speciale vulling gebeurt, en of de paal in die kuil op een steen wordt geplaatst, een plank of andere stabiele ondergrond, zijn slechts details en draagt relatief weinig bij aan een grotere stabiliteit. Bij de niet-aardvaste bouwwijze komt de stevigheid van het houtskelet zelf, door dwars- en langsverbindingen en de aanwezigheid van schoren, de schuine balken die stijlen en dwarsbalken verbinden (afb. 5.8).

De constructie vormt een star geheel, waarbij de krachtenafdracht geconcentreerd wordt in die punten die dit het beste op kunnen vangen, zoals de dragende stijlen. Deze gebintstijlen kunnen vervolgens op een stiep worden geplaatst, maar ook op een ondergrondse poer. In dat laatste geval zou het huis archeologisch wel weer zichtbaar worden.

Afb. 5.8. Draagstijlen en schoorstukken; fundering op stenen (Trefois 1950, 45).

30

Hiddink 2005, 2008, Huijbers 2007, 138. Theuws et al. 1988, Theuws 1989; Huijbers 2007, 138; Verspay 2007, 103 e.v.; en hierin genoemde literatuur. 32 Zie Zimmerman 2006, afb.1. 31

58

5.2.6 Ingegraven palen Huizen met ingegraven palen hebben duizenden jaren lang het beeld bepaald. Dat palen het meest in de grond en er vlak boven rotten, zal bij de huizenbouwers al ver voor de Middeleeuwen bekend zijn geweest en er is geen reden om aan te nemen dat niet diverse technieken zijn toegepast om de palen tegen deze rotting te beschermen. Zo blijkt uit Japans onderzoek dat aantasting van de paal vanaf de onderzijde kan worden voorkomen door deze op een steen te plaatsen. 33 Platte stenen in paalkuilen zijn bij opgravingen in Nederland bepaald geen zeldzaamheid en komen al voor vanaf de prehistorie.34 Meestal wordt aangenomen dat ze voor een steviger fundering werden aangewend, maar het tegengaan van rot kan evenzeer het doel zijn geweest. Het in de grond gestoken deel van de paal kan ook op een andere wijze beschermd worden, bijvoorbeeld door de bast daar ter plaatse niet te verwijderen of door dit deel van de paal ‘in te pakken’ in stenen of leem. Hiervan zijn eveneens voorbeelden bekend uit Japan. 35 In dit verband is het interessant dat in paalsporen in Nederland regelmatig brokken (hutten)leem worden aangetroffen, soms verspreid over de hele lengte van de uitgetrokken paal.36 Zeker in dat laatste geval zou gedacht kunnen worden aan een oorspronkelijke lemen mantel van de paal.

Bovendien zou de paalkuil omwille van een betere bescherming met speciale, voorbewerkte grond opgevuld kunnen worden: vermengd met mest bijvoorbeeld, zoals dat ook wel werd toegepast bij huttenleem.37 Daarmee wordt een zuur milieu gecreëerd dat het rottingsproces tegengaat. Het ‘mageringen’ van de paalkuilvulling zou verklaren waarom deze soms per structuur of per tijdsperiode (IJzertijd versus Middeleeuwen) zo verschilt.38 De twee belangrijkste manieren om de levensduur van palen te verlengen zijn echter het vergroten van de diameter en het vermijden van contact met de grond. Beiden werden in de Middeleeuwen vanaf circa 1000 n. Chr. in heel Nederland toegepast, hoewel het moment waarop dat gebeurde per regio erg verschilt. Zo blijken in Drenthe tussen de tiende en twaalfde eeuw al spiekers voor te komen die gefundeerd zijn op en onderkelderd met veldkeien, 39 en is een tufstenen huis uit de tiende-elfde eeuw in Deventer al gefundeerd op grote keien in mortel. 40 5.2.7 Ontwikkelingen in het funderen van de palen Dat er in deze periode gezocht is naar de beste funderingswijze blijkt duidelijk wanneer op één en dezelfde locatie de resten van opeenvolgende huizen bewaard zijn gebleven.

Zo zijn palen van huizen uit de tiende–twaalfde eeuw in het steen-arme westen van Nederland achtereenvolgens gefundeerd op turfblokken, op houten planken en op stukken hout bedekt met klei.41 Bij Bergen op Zoom waren de oudste lemen huizen gefundeerd op plaggen of veenblokken en de eerste stadshuizen (uit de tweede helft van de dertiende eeuw) op poeren van baksteen, houten balken of een vlijlaag van klei, gebroken aardewerk of ander afval.42 Ook bij ’s-Hertogenbosch werd voor de vakwerkhuizen mogelijk direct overgegaan van zware, ingegraven staanders met daartussen regels op maaiveldniveau (dertiende eeuw) naar een fundering van bakstenen poeren voor de staanders en dunne bakstenen muurtjes voor de (vakwerk)wanden (begin veertiende eeuw). 43 In de steden worden daarnaast sporadisch funderingen op natuursteen of een grindlaag aangetroffen.44

33

Zie Zimmerman 2006, 294. Melkert 2012 (in paalkuilen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Late Middeleeuwen); Melkert 2015 (in paalkuilen uit de IJzertijd en Late Middeleeuwen A). Deze periode en regio: Parlevliet & Flamman 2003 (in twee paalkuilen aan de kopse kant van het gebouw); Sam et al. 2005 (tufsteen); Heirbaut 2007. 35 Zimmerman 2006, 298 e.v. 36 Hissel et al. 2004, 54 (fig. 24). 37 In Limburg werd het vlechtwerk soms volledig met mest afgesmeerd (Schols 1958). 38 Zimmerman 2006, 299. De auteur merkt op dat de analyse van de verschillende vullingen mogelijk nog een interessant onderzoekspotentieel biedt. 39 Van Westing 1993; het gaat hier mogelijk om een tiendschuur. 40 Mittendorf 2007. 41 Besteman & Guiran 1987. 42 Vermunt & Van der Kallen 2012. 43 Janssen & Zoetbrood 1983. 44 Gawronski & Veerkamp 2003; Sarfatij 2007. 34

59

5.2.8 Funderen op ondergrondse poeren In Drenthe valt de overgang van de bootvormige, volmiddeleeuwse huizen met ingegraven palen naar het rechthoekige Drentse hallehuis, gefundeerd op poeren, samen met de opkomst van vakwerkbouw.45 In het Maas-Demer-Schelde gebied lijkt echter een overgangsvorm aanwezig, waarbij het huis al wel een star houtskelet en een rechthoekige vorm kreeg, maar nog steeds ingegraven palen bezat.46 Omdat de paalkuilen van dit rechthoekige huis vaak vierkant zijn, zien sommigen deze bouwwijze als de voorloper van een hallehuis op (vierkante, bakstenen) poeren.47 Van die mogelijke opvolger zijn er tot nu toe echter nog weinig gevonden. Twee voorbeelden komen uit Vessem en Hilvarenbeek. Vooral het huis in Vessem is interessant, aangezien dit zowel ingegraven palen heeft als een ondergrondse fundering op baksteenpoeren en blokken ijzeroer. 48 IJzeroer is een lokale grondstof die op veel plaatsen in laagtes kan worden aangetroffen. Brokken van deze lagen zijn daardoor relatief goedkope bouwstenen en ze werden dan ook in de beginfase van de steenbouw, in de tiende–twaalfde eeuw, veel toegepast in de funderingen van kerken en kastelen.49 Mogelijk zien we bij het Vessemse huis daarom een invloed van de steenbouw die rond deze tijd in de steden de houtbouw gaat verdringen.

Dat poeren in het zuiden van Nederland bij opgravingen in het rurale gebied (nog) nauwelijks zijn aangetroffen, zou kunnen betekenen dat deze ontwikkeling zich pas heeft voltrokken na de verplaatsing van de bewoning naar de lager gelegen terreinen. Niet alleen vinden daar minder opgravingen plaats, ook is het niet ondenkbaar dat de laatmiddeleeuwse boerderijen zich op dezelfde plek bevonden als hun huidige opvolgers.50 Poeren van natuursteen in de vorm van met stenen of grind opgevulde kuilen zijn voor zover bekend uit deze periode nooit teruggevonden. 51 Concentraties van grote stenen in de bouwvoor zouden mogelijk kunnen wijzen op ontmantelde, vroege funderingen,52 maar deze stenen zouden evenzeer voor andere doeleinden gebruikt kunnen zijn (zie paragraaf 5.2.2). Het wordt anders wanneer zulke grote stenen in de directe omgeving van een (laatmiddeleeuwse) boerderijplattegrond worden aangetroffen, en bij voorkeur in grondsporen, zoals het geval was bij de vindplaats Venlo-Trade Poort Noord. 53 Hier zijn grote, platte brokken ijzeroerconglomeraat geborgen uit kuilen, greppels en een waterput bij een boerderij die in de vijftiende eeuw is afgebroken en verlaten. De grondsporen met de stenen dateren allemaal tussen 1350 en 1500; de stenen hebben afmetingen tot 23 cm en diktes tussen 6,5 en 9,5 cm.

Het lijkt aannemelijk dat de brokken ijzeroer daar zijn gedumpt na afbraak van de boerderij en dat deze tot de fundering hebben behoord. De boerderijplattegrond was niet overal even duidelijk te lezen, maar het rechthoekige hoofdgebouw had een rij middenstaanders in vierkante kuilen van sterk wisselende diepte. In geen van de paalkuilen zijn overigens ijzeroerbrokken aangetroffen. 5.2.9 Funderen op stiepen Dat op het platteland in het zuiden nauwelijks poeren worden teruggevonden uit deze periode, zou ook een andere reden kunnen hebben: wellicht werden de huizen hier toen bij voorkeur op stiepen gebouwd. Dat beeld komt in ieder geval naar voren uit de afbeeldingen op schilderijen uit die tijd. 54 Bovendien zijn diverse nog bestaande oude boerderijen op stiepen en niet op poeren gefundeerd. 55 Een interessante casus betreft een afgebrande bakstenen boerderij te Riel, die gebouwd zou zijn op de funderingen van een ‘veel oudere’ voorganger. 56 Van deze voorganger werd echter tijdens een archeologisch onderzoek in het geheel niets teruggevonden, ook de funderingen niet. De afgebrande boerderij zelf was gefundeerd op bakstenen poeren en onder twee daarvan, precies ter

45

Huijts 1992. Huijbers 2007. 47 Ibid, 441. 48 Olst 1999. 49 Slinger et al. 1980. 50 Groothedde 1996. 51 Deze zijn wel bekend uit de Romeinse tijd (Kars 2005; Melkert 2010) en tevens uit het noorden van Nederland (Van der Mark 2006). 52 Ball et al. 2001; Dijkstra 2004. 53 Melkert 2011. 54 Vooral Voskuil (1979) maakt hier dankbaar gebruik van. 55 Ruhe 1962. 56 Arts & Luijten 1994. 46

60

plaatse van de voordeur, bleken paalsporen aanwezig met aardewerk uit de periode 1350 en 1500. Aanwijzingen voor gebruik van het terrein in de zestiende en zeventiende eeuw ontbraken verder volledig. De bewoning werd pas weer zichtbaar met de komst van de bakstenen boerderij in het laatste kwart van de achttiende eeuw. Deze werd dus blijkbaar op dezelfde plek gebouwd als de laatmiddeleeuwse boerderij met de ingegraven palen. Van de mogelijke opvolger die er na 1500 en voor 1875 moet hebben gestaan (volgens de overleveringen) ontbrak elk spoor. Mogelijk was deze archeologisch onzichtbare boerderij niet gefundeerd op poeren, maar op stiepen.57 Een derde argument voor stiepen in plaats van (bakstenen) poeren zou kunnen zijn dat de baksteenbouw in deze contreien pas vanaf de achttiende eeuw de vakwerkbouw is gaan verdringen.58 Daarbij ging het overigens in eerste instantie niet om dragende muren: aanvankelijk werden alleen de lemen vakken uitgebroken en met bakstenen gevuld (afb. 5.9). Zelfs bij nieuw te bouwen huizen werd nog wel aan de oude vakwerkconstructie vastgehouden. Aan de andere kant gingen de boeren mogelijk al vanaf de zestiende eeuw zelf bakstenen bakken. 59 Dit waren erg zachte stenen, vermoedelijk gebakken in veldbrandovens, waarvan niet bekend is of deze ook voor poeren werden gebruikt.

Afb. 5.9. Vakwerkskelet met baksteenvullingen; fundering op veldstenen (Jans 1972, 107).

Zo onzeker als de ondergrondse poeren dus zijn, zo zeker lijkt het dat in het zuiden de vakwerkhuizen op stiepen stonden. Toch zijn bij opgravingen nooit huisplattegronden herkend op basis van de configuratie van grote keien of zwerfstenen. De reden zal voor een deel liggen in het simpele feit dat deze stenen er niet meer zijn, meegenomen voor de funderingen elders of, in latere perioden, voor andere toepassingen.60 Het is echter wel zeker dat ook de vaak geringe belangstelling voor onbewerkte natuursteen hier debet aan is.

57

Er worden bij de vondsten geen meldingen gemaakt van (grote) stenen. Voskuil 1979, 44 e.v., 122. 59 Ruhe 1962. Ook Hollestelle (1976) maakt, in zeer algemene zin, opmerkingen in die richting (pagina’s 111 en 127). 60 Het is overigens de vraag of huisplattegronden op basis van alleen stenen snel herkend zouden worden. 58

61

5.2.10 Een concentratie van grote stenen uit de Late Middeleeuwen Mill ’t Kavelt: context van de steenconcentratie Het plangebied bevindt zich op een horstachtig plateau, dus op een hoger gelegen deel van het landschap.61 De twaalf grote stenen en de overwegend grote fragmenten aardewerk zijn aangetroffen in twee vlak naast elkaar gelegen kuilen die zich onderin een greppel bevonden. De scherven bestaan uit proto-steengoed, kogelpot- en Elmpter aardewerk uit het midden van de dertiende eeuw; zowel de stenen als het aardewerk lagen onderin deze kuilen. De greppel boven de kuil lijkt in de lengte een plattegrond te volgen van een rechthoekig gebouw en loopt buiten deze plattegrond naar het zuiden door tot aan een tweede rechthoekige structuur. De relatie tussen de greppel en de gebouwen is onduidelijk. De kuilen met de steen- en aardewerkconcentratie bevinden zich onder het deel van de greppel dat tussen de twee structuren in ligt. De kuilen en rechthoekige structuren bevinden zich in het westelijke opgravingsblok; ze maken deel uit van een terrein dat in meerdere fasen is omgreppeld en dat rond het midden van de dertiende eeuw in gebruik is geweest. De stenen en keien uit de steenconcentratie (afb. 5.10) De twaalf stenen wegen samen 44 kg en vormen daarmee in gewicht het grootste deel van het vondstmateriaal.

Op twee middelgrote exemplaren na vallen ze in de klasse ‘groot’ (vijf stuks) of zeer groot (vijf stuks).62 Alle stenen zijn op natuurlijke wijze afgerond of bezitten oude breukvlakken; het zijn zwerfstenen van diverse steensoorten: conglomeraat, kwartsiet, gangkwarts, vuursteen en drie verschillende typen zandsteen. Geïmporteerde steensoorten zijn niet aanwezig, sporen van bewerking of verbranding evenmin. Als geheel heeft deze steenconcentratie een duidelijke Maassignatuur; de stenen zijn overwegend hard en massief in grijstonen. Ook de aanwezigheid van caverneuze vuursteen en van grijze kwartsiet van het type Revinien (met uitgeweerde kubische ertskristalletjes) wijst op aanvoer via de Maas. Het lijkt daarom waarschijnlijk dat de stenen lokaal zijn verzameld, mogelijk uit de grindhoudende laag die ter plaatse van het plangebied is aangetroffen. Deze laag bevat stenen en keien tot enkele decimeters groot. 63

Afb. 5.10. De stenen uit kuil S14.13.

61

Weterings & Miedema 2011. Klasse groot (categorie steen): tussen 10 en 20 cm; klasse zeer groot (categorie kei): meer dan 20 cm. Twee individuen vallen in de categorie middelgrote stenen; hun grootste lengte bedraagt respectievelijk 8 en 8,5 cm. 63 Zie hoofdstuk 3. 62

62

De grootste steen uit de kuil meet 30 x 28 x 14,5 cm en weegt 17 kg (vnr. 49-1). De steen heeft een min of meer platte basis die gradueel overgaat in een bolvormig bovenvlak. Vier andere, zeer grote stenen zijn tussen 21 en 30 cm groot en wegen 3 tot 7,5 kg. Van de twaalf stenen uit de kuil bezitten er acht minimaal één of twee min of meer platte, brede vlakken. Toch kan in de meeste gevallen niet over plaatvormige of platte stenen worden gesproken. 5.2.11 Vergelijking met een steenconcentratie bij Uden Bij de vindplaats Uden-Schouwstraat werd in 2001 een zeer vergelijkbare steenconcentratie in een kuil aangetroffen.64 Omdat de context relevant lijkt voor de interpretatie van deze grote stenen, wordt deze hier iets uitgebreider besproken. De vindplaats ligt op de westelijke rand van de Peelhorst; net als bij ’t Kavelt komen ook hier sterk grindhoudende lagen aan het oppervlak. Bij Uden zijn, naast sporen van bewoning uit voorgaande perioden, aanwijzingen voor gebruik van het terrein in de Late Middeleeuwen. Terwijl in de Volle Middeleeuwen nog een nederzetting van verspreid liggende boerderijen aanwezig is, wordt deze in de dertiende eeuw blijkbaar verplaatst en is het terrein daarna vooral als akkerland in gebruik. Er wordt in meerdere fasen een rechthoekig greppelsysteem aangebracht rond een laagte.

Deze greppels lijken een ontwateringssysteem te vertegenwoordigen, bedoeld om ook de natte laagte geschikt te maken voor akkerbouw. Binnen de omgreppelingen bevindt zich tevens een zespalige, rechthoekige structuur, mogelijk een laat huis. 65 Deze fase met greppels en het mogelijke huis wordt op basis van het aardewerk in de dertiende/begin veertiende eeuw geplaatst. Het greppelsysteem wordt afgedekt door een ophogingslaag en daarboven bevindt zich het esdek, dat tussen de veertiende en zestiende eeuw is opgebracht. De kuil waar het hier om gaat, bevindt zich ten zuiden van drie opeenvolgende oost-west georiënteerde greppels en direct ten noorden van de zespalige structuur. Het is een losliggende kuil rijk aan grote stenen en grote scherven Elmpter aardewerk. Stenen en aardewerk liggen in één vulling door elkaar heen; daartussen is ook nog een baksteen gevonden en een aangepunt stuk eikenhout met een diameter van 7 cm. De stenen zijn plaatvormig en zeer groot met lengtes tussen 25 en 50 cm. Het lijkt bij de inhoud van de kuil te gaan om primair gestort afval uit de periode 1225-1300. Daaronder bevindt zich dus blijkbaar ook bouwafval (baksteen en aangepunt hout). Hoewel het voor de grote stenen onduidelijk is of deze ook tot het bouwafval behoren, wordt de mogelijkheid van een voormalige stiep wel aangestipt.

5.2.12 Discussie Bij Mill ’t Kavelt is op een laatmiddeleeuwse vindplaats, waar nauwelijks natuursteen in grondsporen is aangetroffen, een concentratie van twaalf grote zwerfstenen en -keien aanwezig in twee kuilen. Deze kuilen hebben tevens 6 kg aan overwegend grote fragmenten aardewerk opgeleverd met een datering in het tweede kwart van de dertiende eeuw. De kuilen bevinden zich onder een greppel tussen twee kleine, rechthoekige structuren in. Van deze gebouwen is het de vraag of ze als bijgebouw geïnterpreteerd moeten worden of dat ze toch als woonhuis gefunctioneerd kunnen hebben. De structuren, de greppel en de kuilen met de grote stenen bevinden zich in het midden van een terrein dat in meerdere fasen is omgreppeld. Deze kuilen lijken niet bij de rechthoekige structuren te horen. Vanwege de onregelmatigheid van de kuilen (mogelijk beïnvloed door het graven van de greppel?) is de oorspronkelijke positie van de stenen daarin niet duidelijk en evenmin kan gezegd worden of de kuilen al aanwezig waren, bijvoorbeeld als werkkuil, of dat deze speciaal zijn gegraven voor het deponeren van de stenen en het aardewerk. De stenen liggen verspreid in de kuil, zijn niet bewerkt en tonen geen sporen van verhitting. Door hun grootte, aantal en de context is duidelijk dat ze voor één of ander doel geselecteerd en vermoedelijk gebruikt zijn.

Daarna zijn ze, tezamen met het aardewerk, in de kuil terechtgekomen. Aangezien er geen aanwijzingen zijn voor een rituele depositie (geen verhittingsverschijnselen, geen bijzondere artefacten, te verschillend van vorm voor een vloertje), zal het hier inderdaad om afval gaan. Gezien de grootte van zowel de stenen als de aardewerkscherven zou gedacht kunnen worden aan het opruimen van de laatste inboedel c.q. het leegruimen van een gebouw dat wordt afgebroken.

64

Van Hoof & Jansen 2002. Uit één van de paalkuilen van de zespalige structuur komt een scherf hoogversierd Vlaams aardewerk, wat te kostbaar lijkt voor gebruik en verlies bij een schuur. Bovendien staat ten zuiden van dit mogelijke huis nog een vierpalige spieker. 65

63

Mogelijke toepassingen Voor selecties van grote stenen is in deze periode een aantal mogelijke toepassingen bekend; ze kunnen globaal in twee groepen worden ingedeeld. Bij de ene groep vallen de stenen onder het bouwmateriaal (inclusief aanverwante toepassingen) en bij de tweede groep onder de gewichten, meestal in een ambachtelijke setting. Voor een serie van grotere stenen die als gewicht zijn gebruikt, gaat het vaak om het onder water houden van bepaalde materialen, bijvoorbeeld vlas of hennep in rootkuilen, 66 of huiden ten behoeve van de leerlooierij.67 Ook het impregneren van weefsels voor de lakenindustrie vond plaats in grote, komvormige kuilen, de zogeheten volkuilen.68 In deze kuilen, gevuld met vollersaarde en urine, werd het weefsel ‘betrappeld’. Over het gebruik van stenen is hier niets bekend, maar als de materialen enige tijd moesten weken zonder dat ze door mensenvoeten ‘onder’ werden gehouden, zullen ook hier stenen aan te pas zijn gekomen. Na afloop van een dergelijk ambachtelijk gebruik zullen stenen en eventueel gebruikt en gebroken aardewerk ongetwijfeld in de kuil zijn gegooid.69 De enige reden om bij de stenen van ’t Kavelt aan zo’n soort toepassing te denken zijn de relatief grote en diepe kuilen onderin de greppel waarin ze zijn aangetroffen. Deze zouden wellicht als werkkuilen geïnterpreteerd kunnen worden.

Verder ligt een interpretatie als gewichten bij een ambachtelijke activiteit echter niet zo voor de hand, omdat het daarbij meestal om nogal vuile arbeid gaat, die zijn sporen zeker zou hebben nagelaten. Toepassing als bouwmateriaal Bij het gebruik als bouwmateriaal in algemene zin kan onder andere gedacht worden aan drainage, bijvoorbeeld als filter op de bodem van een waterput. 70 Andere toepassingen voor (grind en) zwerfstenen zijn als plaveisel,71 of als stepping stones in voorden, de doorwaadbare plaatsen bij beekjes en moerassige delen.72 Tenzij de kuil vroeger een drassige laagte is geweest, komen geen van deze toepassingen hier in aanmerking. De belangrijkste toepassing voor een serie grote stenen is in funderingen. Dat geldt zeker voor de tijdsperiode waar het hier om gaat, een periode die gekenmerkt wordt door grote veranderingen, waaronder ook veranderingen in de bouwwijze van boerderijen. Uit het overzicht in paragraaf 5.2.4 is al naar voren gekomen dat met name de nieuwe funderingswijze, bovengronds op stiepen, bijna niet meer te traceren is als het gebouw eenmaal is afgebroken. De boerderij bij Riel, die er volgens de overleveringen gestaan moet hebben, maar die archeologisch volledig onzichtbaar is geworden, is hier een goed voorbeeld van. De aangetroffen stenen zouden zeker geschikt zijn als fundering, maar daarvoor zijn het er wel wat weinig.

Met andere woorden: de meeste grote stenen zijn dan verdwenen – zoals dus meestal het geval is bij de stenen van de stiepenbouw. Dit brengt ons terug naar de oorspronkelijke interpretatie: afval van het leegruimen en afbreken van een gebouw. 5.2.13 Conclusies Uit het feit dat de twaalf grote, onbewerkte en niet verbrande stenen in een kuil zijn aangetroffen, op een terrein dat verder zo goed als ‘steenloos’ is, kan worden afgeleid dat deze stenen ooit bewust zijn verzameld voor een specifiek gebruik. Ze bevinden zich nu echter in een secundaire context en kunnen als afval worden betiteld; het oorspronkelijke gebruik valt niet meer aan de stenen zelf af te lezen. Wanneer voor deze periode de mogelijke toepassingen van een concentratie grote stenen op een rijtje worden gezet, vallen de meeste af. Wat resteert is de optie dat ze ooit als funderingsstenen

66

Deze rootkuilen zijn onder andere aangetroffen bij een opgraving te Abcoude (Bouma 2011b). Vermunt & Van der Kallen 2012. 68 Arts 1996. 69 Ook bij de volkuilen werd een aantal scherven Elmpter aardewerk aangetroffen (Arts 1996). 70 In ‘t Ven et al. 2005. 71 Van der Straaten & Van der Weem 1986 (het betreft hier een zeventiende-eeuwse boerderij te Mill waarvan de voorhof is geplaveid met zwerfstenen ‘vermoedelijk uit de ontginningentijd’); Fokma et al. 2009. Zie ook Schols 1958 met betrekking tot plaveisels in vakwerkhuizen in Limburg. 72 Stoepker 2007. Zie ook Lanjouw & Van Westing 1995. 67

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=0e739a12-c5da-44b9-825e-ec6f2f17e892