04l. Archeologisch rapport juni 2016.pdf
Tekst van het document
Redactie N. Bouma
Een omgreppelde nederzetting uit de 13e eeuw in Mill ’t Kavelt rapport 4125
Een omgreppelde nederzetting uit de 13e eeuw in Mill ’t Kavelt
Onder redactie van
N. Bouma
Een omgreppelde nederzetting uit de dertiende eeuw met mogelijke landweer in Mill ’t Kavelt Een archeologische opgraving
Onder redactie van N. Bouma
Auteurs: N. van Asch N. Bouma J.M. Brijker M.J.A. Melkert S. Ostkamp
Colofon ADC Rapport 4125 Een omgreppelde nederzetting uit de dertiende eeuw met mogelijke landweer in Mill ‘t Kavelt Een archeologische opgraving Onder redactie van: N. Bouma In opdracht van: Gemeente Mill en St. Hubert Directievoering: ArchAeO Archeologische Advisering en Ondersteuning Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, juni 2016 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Autorisatie door: E. Jacobs
ISSN 1875-1067
ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel 033 299 8181 Fax 033 299 8180 Email info@archeologie.nl
Inhoudsopgave Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied 4 Samenvatting 5 1 Inleiding (N. Bouma) 7 1.1 Algemeen 7 1.2 Vooronderzoek 8 1.3 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen 9 1.4 Opzet van het rapport 9 2 Methoden (N. Bouma) 11 3 Fysisch geografisch onderzoek (J.M. Brijker) 14 3.1 Inleiding 14 3.2 Methoden 14 3.3 Geologische opbouw 14 3.4 Resultaten en interpretatie 15 3.5 Conclusies 16 4 Sporen en structuren (N. Bouma) 17 4.1 Een omgreppeld erf met mogelijke landweer uit het midden van de dertiende eeuw 21 4.1.1 Gebouwplattegronden 21 4.1.2 Functie van de gebouwen 28 4.1.3 Vierpalige spiekers 30 4.1.4 Een palenrij in werkput 2 33 4.1.5 Opvallende paalkuilparen 34 4.1.6 Mogelijke mestkuilen 34 4.1.7 Een gefaseerd aangelegd greppelsysteem 36 4.1.8 Overige greppels 39 4.2 Waterputten en waterkuilen 43 4.3 (Sub)recente sporen van grondverbetering? 48 5 Vondstmateriaal 49 5.1 Aardewerk (S. Ostkamp) 49 5.1.1 Inleiding 49 5.1.2 Aardewerk uit de dertiende eeuw 50 5.1.3 Aardewerk uit het derde kwart van de zestiende eeuw 51 5.1.4 Conclusie 53 5.2 Natuursteen: een concentratie van grote stenen (M.J.A.
Melkert) 54 5.2.1 Inleiding 54 5.2.2 Doel van het onderzoek 54 5.2.3 Methode van onderzoek 56 5.2.4 Van ingegraven palen naar poeren en stiepen 56 5.2.5 Funderingen 57 5.2.6 Ingegraven palen 58 5.2.7 Ontwikkelingen in het funderen van de palen 58 5.2.8 Funderen op ondergrondse poeren 59 5.2.9 Funderen op stiepen 59 5.2.10 Een concentratie van grote stenen uit de Late Middeleeuwen 61 5.2.11 Vergelijking met een steenconcentratie bij Uden 62 5.2.12 Discussie 62 5.2.13 Conclusies 63 5.3 Archeobotanisch onderzoek (N. van Asch) 64 5.3.1 Inleiding 64 5.3.2 Methoden 65 5.3.3 Resultaten 66 5.3.4 Vegetatiereconstructie 67 5.3.5 Conclusies en aanbeveling 68
Synthese (N. Bouma) 70 6.1 Algemeen 70 6.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 72 7 Conclusie (N. Bouma) 78 Literatuur 79 Lijst van afbeeldingen 83 Lijst van tabellen 84 Bijlage 1 Coupes van humeuze kuilen met plaggenvulling 85 Bijlage 2 Allesporenkaart Los achterin bijgevoegd Bijlage 3 Enkele aardewerkvondsten uit het onderzoek in Mill (S. Ostkamp) 88 Verklarende woordenlijst 90 Afkortingen in de database 91 6
Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Provincie: Noord-Brabant Gemeente:
Mill en St. Hubert
Plaats:
Mill
Toponiem:
‘t Kavelt
Kadastrale gegevens:
Mill sectie R 822, 824, 826, 829, 830, 985 en 1031.
Kaartblad: 46C Coördinaten:
182.775/409.646; 183.091/409.935; 182.882/409.471; 183.336/409.741.
Projectverantwoordelijke:
Drs. N. Bouma
Bevoegde overheid:
Gemeente Mill en St. Hubert
Deskundige namens de bevoegde overheid:
ArchAeO Archeologische Advisering en Ondersteuning
ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer (CIS-code):
51699
ADC-projectcode: 4140342 Complex en ABR codering:
Nederzetting onbepaald (NX), mogelijke landweer
Periode(n):
Volle en Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd
KNA versie:
3.2
Geomorfologische context:
(plateauachtige) horst met rivierafzettingen aan de
NAP hoogte maaiveld:
Tussen ca. 15,36 en 17,40 m +NAP
Maximale diepte onderzoek:
Ongeveer 1,20 m onder maaiveld
Uitvoering van het veldwerk:
9 tot en met 29 mei 2012
oppervlakte
Beheer en plaats documentatie:
Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Noord-Brabant
e-depot link:
http://dx.doi.org/10.17026/dans-xza-9fp8
5
Samenvatting In opdracht van de gemeente Mill en St. Hubert heeft ADC ArcheoProjecten een archeologische opgraving uitgevoerd in plangebied Mill ’t Kavelt. In het plangebied is de gemeente voornemens om nieuwbouw te realiseren in de vorm van woningbouw. Archeologisch vooronderzoek had aangetoond dat in het gebied mogelijk sprake was van een erf uit de Volle en/of Late Middeleeuwen. Uitvoering van de nieuwbouwplannen zou tot gevolg hebben dat deze archeologisch waardevolle vindplaats ernstig zou worden verstoord of mogelijk zelfs volledig zou worden vernietigd. De gemeente had een selectiebesluit genomen waarin werd gesteld dat de behoudenswaardige vindplaats in het oostelijke deel van het plangebied ex situ, door middel van een vlakdekkende opgraving, moest worden veiliggesteld. De opgraving heeft een zeer bijzondere vindplaats uit het midden van de dertiende eeuw aan het licht gebracht. Bijzonder aan dit erf of deze nederzetting is dat er sprake is van een gefaseerd aangelegd greppelsysteem dat de bewoning omsloot. In de oudste fase was enkel sprake van een omgreppeling. In de laatste fase(n) is er behalve van een omgreppeling in het noordwesten ook sprake van meerdere, dicht bij elkaar gelegen palenrijen van een palissade of mogelijke landweer.
Binnen dit gefaseerd aangelegde systeem van greppels zijn vier gebouwplattegronden aangetroffen en hierbuiten twee plattegronden die opvallen door de kleine afmetingen. De exacte afmetingen van structuur 6, buiten de omgreppeling, zijn door verstoringen niet bekend, maar de overige vijf gebouwen zijn niet langer dan 9,6 m. Een duidelijk grotere plattegrond die als een eventueel hoofdgebouw zou kunnen worden aangemerkt, is niet aangetroffen. De vraag is of de structuren van Mill ’t Kavelt op basis van de kleine afmetingen als bijgebouwen moeten worden geïnterpreteerd. Het ogenschijnlijk ontbreken van een hoofdgebouw is wellicht eenvoudig te verklaren doordat meer dan de helft van het door greppels omsloten terrein niet is opgegraven, omdat dit buiten het plangebied ligt. Een andere interpretatie zou kunnen zijn dat er sprake was van aparte gebouwen voor het stallen van vee en gebouwen met een aparte woonfunctie. Als er sprake was van aparte stalling van het vee, dan vervalt de noodzaak van een grote(re) woonstalboerderij en kunnen kleine gebouwen ook heel goed als woonhuis hebben gefunctioneerd. Behalve deze zes gebouwen zijn ook vijf vierpalige, vierkante spiekers aangetroffen. Een opvallende groep grondsporen bevindt zich langs de rand van maar wel binnen het door greppels omsloten terrein.
Het betreft relatief grote en diepe kuilen met een donkere, humeuze vulling van plaggen. Uit analyse van pollenmonsters uit een dergelijke kuil komt naar voren dat er uitgestrekte heidevelden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig waren. Het hoge percentage pollen van struikhei geeft aan dat hier voornamelijk gebruik gemaakt werd van heideplaggen. Tevens zijn in de monsters sporen van mestschimmels aangetroffen. De vulling met plaggen en mestschimmels vormen samen met de afmetingen en ligging van de kuilen aanwijzingen dat deze kuilen mogelijk als mestkuilen zijn gebruikt. Eén centraal binnen de opgraving gelegen grondspoor valt op door de bijzondere inhoud. Het betreft een greppel met enigszins onregelmatig verloop met daarin of onder enkele (paal)kuilen. In twee van deze kuilen werden in totaal ruim 6 kg aardewerk en 44 kg aan natuursteen verzameld. Van de in totaal 120 in het plangebied gevonden laatmiddeleeuwse keramiekscherven komen er maar liefst 101 uit deze twee kuilen. Het blauwgrijze aardewerk bestaat uit kogelpotten, kannen en kommen waaronder een vrijwel complete kom en een groot deel van een kogelpot. Ook een kan van proto-steengoed is voor een groot deel compleet. Het vondstcomplex kan rond het midden van de dertiende eeuw worden gedateerd. De functie van de greppel en de mogelijke relatie met gebouw 2 zijn niet duidelijk.
Een parallel voor een dergelijke vondstcontext uit deze periode is niet gevonden. In het zuidwesten zijn buiten het door greppels omsloten terrein verschillende structuren aangetroffen die eveneens door greppels lijken te worden omsloten. Met behulp van enkele aanvullende sleufjes is vastgesteld dat de vindplaats zich verder in zuidwestelijke richting uitstrekt op het hoogst gelegen deel van het terrein. De precieze aard en omvang van dit deel van de vindplaats zijn echter niet geheel duidelijk, omdat hiervan slechts een beperkt deel vlakdekkend is onderzocht. Ook is niet duidelijk welke rol de Oude Wanroijseweg hierin speelt. Ongeveer 25 m ten westen van het huidige opgravingsgebied zijn bij het proefsleuvenonderzoek twee rijen greppels gevonden die de zone van houtwallen markeren waarbinnen de Oude Wanroijseweg door het
6
terrein liep. De exacte ouderdom is niet bekend, maar vier scherven roodbakkend aardewerk uit de 14e-16e eeuw uit één van de greppels geven wel een indicatie. Mogelijk vormde de Oude Wanroijseweg de westelijke begrenzing van de nederzetting. In ’t Kavelt zijn uit de veertiende en vijftiende eeuw nauwelijks vondsten aangetroffen. Pas in het derde kwart van de zestiende eeuw zijn er weer duidelijke aanwijzingen voor bewoning en landgebruik in het plangebied. De sporen uit deze periode hangen samen met de watervoorziening en bestaan uit ten minste twee waterkuilen. In één plaggenput en één waterkuil is alleen een fragment baksteen gevonden dat niet nader kan worden gedateerd dan in de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd. In het meest oostelijke deel van het plangebied zijn sporen van mogelijke grondverbetering aangetroffen in de vorm van strak naast elkaar gelegen lange banen. In de opvulling van deze kuilen is geen vondstmateriaal aangetroffen, maar ze oversnijden wel een plaggenput waarvan het onduidelijk is of deze uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd dateert. Duidelijke parallellen voor een dergelijke vindplaats uit het midden van de dertiende eeuw zijn vrijwel niet bekend. Vindplaatsen uit deze periode worden wel vaker aangetroffen in deze regio, maar nooit omsloten door een systeem van greppels met mogelijke palissade of landweer.
Het noordelijke deel van de vindplaats valt buiten het huidige plangebied en wordt derhalve niet bedreigd. Mocht dit deel van de vindplaats in de toekomst ooit alsnog worden opgegraven, dan zou dit kunnen leiden tot aanpassing of herinterpretatie van de hier gepresenteerde resultaten.
Tabel 1.1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode
Tijd in jaren 1500 - heden
Nieuwe tijd Nieuwe tijd C
1850 - heden
Nieuwe tijd B
1650 - 1850 na Chr.
Nieuwe tijd A
1500 - 1650 na Chr. 450 - 1500 na Chr.
Middeleeuwen: Late Middeleeuwen B / Late Middeleeuwen
1250 - 1500 na Chr.
Late Middeleeuwen A / Volle Middeleeuwen
1050 - 1250 na Chr.
Vroege Middeleeuwen D / Ottoonse periode
900 - 1050 na Chr.
Vroege Middeleeuwen C / Karolingische tijd
725 - 900 na Chr.
Vroege Middeleeuwen B / Merovingische tijd
525 - 725 na Chr.
Vroege Middeleeuwen A / Volksverhuizingstijd
450 - 525 na Chr.
Romeinse tijd:
12 voor Chr. - 450 na Chr.
Laat-Romeinse tijd
270 - 450 na Chr.
Midden-Romeinse tijd
70 - 270 na Chr.
Vroeg-Romeinse tijd
12 voor Chr. - 70 na Chr. 800 - 12 voor Chr.
IJzertijd: Late IJzertijd
250 - 12 voor Chr.
Midden-IJzertijd
500 - 250 voor Chr.
Vroege IJzertijd
800 - 500 voor Chr. 2000 - 800 voor Chr.
Bronstijd: Late Bronstijd
1100 - 800 voor Chr.
Midden-Bronstijd
1800 - 1100 voor Chr.
Vroege Bronstijd
2000 - 1800 voor Chr.
Neolithicum (Jonge Steentijd):
5300 - 2000 voor Chr.
Mesolithicum (Midden-Steentijd):
8800 - 4900 voor Chr.
Paleolithicum (Oude Steentijd):
tot 8800 voor Chr.
Bron: Archeologisch Basis Register 1992
7
1 Inleiding (N. Bouma)
1.1
Algemeen
In opdracht van de gemeente Mill en St. Hubert heeft ADC ArcheoProjecten een Archeologische Opgraving uitgevoerd in het plangebied ‘t Kavelt (afb. 1.1). De gemeente heeft woningbouwplannen voor deze locatie, bestaande uit de bouw van ca. 116 duurzame woningen. Vooronderzoek (zie §1.2) had aangetoond dat in het oostelijke deel van het plangebied sporen en vondsten uit de periode 1000-1200 aanwezig zijn die mogelijk tot een middeleeuws erf behoren (zie voor periodisering tabel 1.1). De voorgenomen bouwplannen zouden deze middeleeuwse vindplaats ernstig beschadigen en mogelijk zelfs geheel vernietigen. De gemeente Mill en St. Hubert heeft op 14 februari 2012 het selectiebesluit genomen om de behoudenswaardige archeologische resten in de oostelijke zone van het plangebied door middel van een opgraving ex situ veilig te stellen.
Afb. 1.1. Locatie van het onderzoeksgebied.
Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 9,8 ha en is momenteel in gebruik als weiland voor koeien en paarden. Het onderzoeksgebied bevindt zich in het oostelijke deel van het plangebied en beslaat een oppervlak van ca. 8.600 m2. Het gebied ligt aan de zuidoostzijde van Mill. De locatie wordt aan de oostzijde begrensd door de Wanroijseweg, in het westen door de Van den Bogaardweg, in het zuidwesten door de Gerritsweg en in het zuiden door de Bosweg (N264). In het opgravingsgebied zijn 23 werkputten aangelegd met een totale oppervlakte van ca. 9.046 m 2.
8
Het veldwerk is uitgevoerd van 9 tot en met 29 mei 2012. In die periode zijn de werkputten aangelegd en onderzocht conform het Programma van Eisen (PvE), dat door drs. F.P. Kortlang van ArchAeO, Archeologische Advisering en Ondersteuning, is opgesteld.1 De vondsten en bijbehorende documentatie die tijdens de opgraving zijn verzameld, zijn gedeponeerd in het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Noord-Brabant. Het veldteam bestond uit de volgende personen: N. Bouma (projectverantwoordelijke en veldarcheoloog), B. Van der Veken (veldarcheoloog), J. Warmerdam (senior veldtechnicus), B. Weekers-Hendrikx (junior archeoloog), E. van de Lagemaat (veldassistent) en T. Vercammen (kraanmachinist van de firma Luyten archeologisch grondwerk). De bij dit project betrokken fysisch geograaf was J.M. Brijker. Senior archeoloog en wetenschappelijk begeleider was E. Jacobs. Het vondstmateriaal is bestudeerd door S. Ostkamp (aardewerk), M.J.A. Melkert (natuursteen), C. Moolhuizen (waardering botanische macrorestenmonsters) en N. van Asch (pollenmonsters). Hun bevindingen zijn in de betreffende deelrapporten beschreven. Controle en coördinatie van documentatie en vondstverwerking is uitgevoerd door M.G. Nieuwenhuijsen en J.W. Beestman. De contactpersoon bij de gemeente Mill en St. Hubert was tijdens het veldwerk mevr. J. Zeeuwen, thans mevr. A. Kruijzen. Namens de gemeente treedt F.P.
Kortlang van ArchAeO Archeologische Advisering en Ondersteuning op als extern archeologisch adviseur.
1.2
Vooronderzoek
In verband met toekomstige ontwikkelingen in het plangebied ’t Kavelt is een eerste archeologische inventarisatie in het onderzoeksgebied uitgevoerd tussen mei en september 2009 door Grontmij Nederland bv.2 Dit onderzoek bestond uit een bureauonderzoek. Hieruit is naar voren gekomen dat zich in het plangebied grotendeels hoge zwarte enkeerdgronden bevinden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand met grondwatertrap VII. In een klein deel van het plangebied in het zuidoosten bestaat de bodem uit holtpodzolgronden van grof zand met grondwatertrap VII. In archis waren tot aan het opstellen van het bureauonderzoek geen waarnemingen bekend uit het plangebied. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek was er een lage verwachting voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen uit de vroege prehistorie (vuursteenvindplaatsen), een middelhoge voor vindplaatsen uit de late prehistorie en Romeinse tijd en een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Door middel van milieuboringen is vastgesteld dat de bodemopbouw in het plangebied grotendeels onverstoord was. Op een aantal plaatsen was alleen het esdek verstoord en op verschillende locaties was nog een intacte B-horizont aanwezig. In oktober 2010 heeft BAAC bv vervolgens een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven in het plangebied uitgevoerd (afb.
1.2).3 De aangetroffen archeologische resten in het plangebied konden worden verdeeld in een westelijke, centrale en oostelijke zone. De westelijke zone bevatte enkel drie paalsporen en twee greppels. De paalsporen dateren mogelijk uit de prehistorie, maar door het ontbreken van vondstmateriaal kon dit niet bevestigd worden. De greppels in deze zone zijn waarschijnlijk in de Nieuwe tijd te dateren. In de centrale zone werden twee noordwest-zuidoost georiënteerde greppelbundels aangetroffen die te relateren zijn aan de Oude Wanroijseweg die ooit het plangebied doorkruiste. Vondstmateriaal uit één van de greppels geeft aan dat de oorsprong ervan mogelijk tussen de veertiende en zestiende eeuw te dateren is. Echter, er waren ook greppels afgedekt door het esdek die mogelijk een oudere datering kennen. Het oostelijke deel van het plangebied bevat sporen en vondsten uit de periode 1000-1200 na Chr. (afb. 1.3). Het betreft paalsporen, kuilen, een 2,5 m brede sloot en een mogelijke waterput. Mogelijk betreft het omsloten sporencluster een middeleeuws erf. De mogelijke waterput werd buiten deze omsluiting aangetroffen en zou bij een latere of eerdere fase van het erf gehoord kunnen hebben. Het sporenniveau bevond zich ca. 75 tot 120 cm onder het maaiveld en werd afgedekt door een
1
Kortlang 2012. Versie 1, 06-03-2012 definitief. Schutte 2009. 3 Weterings & Miedema 2011. 2
9
laatmiddeleeuws plaggendek. Onder dit plaggendek bevond zich soms een restant van de oorspronkelijke (begraven) podzolbodem.
Afb. 1.2. Aangelegde proefsleuven met ligging van de op te graven plandelen (paars) op de GBKN.
1.3
Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen
De archeologische opgraving had tot doel het materiaal van de vindplaats veilig te stellen en de gegevens te documenteren om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. De opgraving diende inzicht te geven in de omvang, aard, datering, karakter, conservering en fysieke gaafheid van de middeleeuwse grondsporen. In het PvE zijn verschillende onderzoeksvragen gesteld die in dit rapport worden beantwoord op basis van hetgeen in de werkputten is aangetroffen. De onderzoeksvragen en de beantwoording daarvan staan in paragraaf 6.2.
1.4
Opzet van het rapport
Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 3.2 -specificatie OS15). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Na de samenvatting en dit inleidende hoofdstuk volgt een omschrijving van de onderzoeksmethoden in hoofdstuk 2. Vervolgens zullen de verschillende deelonderzoeken aan de orde komen. De auteurs staan telkens bij de betreffende hoofdstukken vermeld. Allereerst wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de resultaten van het fysisch geografisch onderzoek. Hoofdstuk 4 behandelt de aangetroffen sporen en structuren en in hoofdstuk 5 komt het vondstmateriaal aan bod. Hier wordt achtereenvolgens ingegaan op het aardewerk, natuursteen en botanisch onderzoek. In hoofdstuk 6 volgt de synthese van het onderzoek en worden de onderzoeksvragen uit het PvE zo nauwkeurig mogelijk beantwoord op basis van de onderzoeksresultaten. Tot slot staat in hoofdstuk 7 de conclusie van het onderzoek. Achterin het rapport staan alle bijlagen en hier is een verklarende woordenlijst opgenomen, evenals een verklaring van in de database gebruikte afkortingen.
Afb. 1.3. Detail van de middeleeuwse vindplaats in het oostelijke deel van het plangebied.
10
11
2
Methoden (N. Bouma) De vlakdekkende opgraving is uitgevoerd conform de KNA 3.2 en het PvE. In het plangebied zijn eerst negentien opgravingsputten aangelegd met een totaal oppervlak van 8.600 m2 (werkput 1 t/m 19). Alle werkputten zijn noordoost zuidwest georiënteerd (afb. 2.1 en 2.2). Voor een optimaal overzicht zijn zo groot mogelijke werkputten met een minimale omvang van 30 x 15 m aangelegd, met uitzondering van enkele opgravingsputten die zich langs de begrenzingen van de op te graven behoudenswaardige vindplaats bevonden. Na overleg met en toestemming van het bevoegd gezag en diens archeologisch adviseur zijn uitbreidingen en aanvullende sleuven gegraven. Het betreft vier werkputten met een gezamenlijk oppervlak van 446 m2 (werkput 20 t/m 23). Deze uitbreidingen komen verderop aan bod. Op vrijdag 4 mei zijn door de landmeter de vaste meetpunten en de opgravingsputten uitgezet. Het graafwerk is vanaf maandag 7 mei verricht door een rupskraan met gladde bak. De eerste twee dagen is enkel bovengrond afgegraven tot ca. 20 cm boven het verwachte vlakniveau. Tijdens het afgraven van de bovengrond zijn eventuele vondsten per laag en per vak verzameld en gedocumenteerd. Tevens is intensief met de metaaldetector gezocht naar metalen objecten. Eventuele bijzondere vondsten zijn als puntvondst ingemeten.
Vanaf woensdag 9 mei zijn de archeologische vlakniveaus aangelegd door de senior archeoloog. Het vlak is voorzichtig laagsgewijs verdiept tot op het niveau waarop grondsporen zich begonnen af te tekenen. Waar nodig is het vlak handmatig opgeschaafd. Vondsten zijn verzameld per spoor, vulling of laag. Vondsten die niet gekoppeld konden worden aan een spoor, zijn verzameld in vakken van 5 x 5 m. Tijdens en na de vlakaanleg zijn het vlak en de stort met de metaaldetector afgezocht naar metalen objecten. Metalen objecten en eventuele andere bijzondere vondsten zijn als puntvondst ingemeten. In elke opgravingsput is in principe één vlak aangelegd, met uitzondering van het traject van enkele greppels waar plaatselijk een tweede of zelfs derde vlak is aangelegd (zie hieronder). Grondsporen zijn direct ingekrast en voorzien van een spoornummer. Van het vlak zijn vlakfoto’s gemaakt en alle sporen zijn digitaal ingemeten met de robotic Total Station (rTS) en beschreven (afb. 2.3). Van de vlakken en het maaiveld zijn hoogtes ingemeten met de rTS. Alle grondsporen, behoudens (sub)recente sporen, zijn gecoupeerd en afgewerkt. Alle coupes zijn gefotografeerd, getekend op schaal 1:20 en beschreven. Grondsporen die tot een structuur behoorden, zijn gelijktijdig gecoupeerd en gefotografeerd.
Bij structuren die niet volledig in één werkput werden aangetroffen, heeft eerst uitbreiding van de werkput of aanleg van het naastgelegen vlak plaatsgevonden, voordat sporen zijn gecoupeerd. Structuren zijn op het vlak in detail gefotografeerd. Greppels zijn zowel in doorsnee als over de lengte gecoupeerd. Dit om te controleren of er mogelijk paalkuilen in of onder de greppel aanwezig waren. In de werkputten 15, 17 en 19 zijn onder enkele greppels paalkuilen aangetroffen. Ter hoogte van deze greppels is over de lengte van de greppels plaatselijk een tweede of zelfs een derde vlak aangelegd. Deze vlakken zijn ingekrast, gefotografeerd, digitaal ingemeten en alle sporen zijn beschreven. Ook op deze vlakken zijn coupes gezet en afgewerkt. De coupes zijn volledig gedocumenteerd. In elke werkput zijn profielopnames gemaakt en gedocumenteerd van de voor de werkput meest representatieve wand. Profielkolommen zijn geschaafd, ingekrast, gefotografeerd, getekend en beschreven. Eventuele vondsten uit profielen zijn per laag verzameld en geadministreerd. Uit kansrijke sporen, bijvoorbeeld met veel verbrand materiaal, met een humeuze vulling, of die tot onder het grondwaterpeil reikten, zijn 10 liter monsters genomen ten behoeve van botanisch onderzoek. Ook zijn er pollenbakken geslagen in enkele potentieel kansrijke sporen.
Na afronding van het veldwerk zijn organische vondsten en andere kwetsbare vondsten en monsters direct opgeslagen in de koelcel om eventueel verval tegen te gaan. In overleg met de opdrachtgever en diens extern archeologisch adviseur heeft een uitbreiding van het onderzoek plaatsgevonden in het westelijke deel van het plangebied aangezien duidelijk was dat de aangetroffen sporen en structuren nog verder in deze richting doorliepen. Middels de uitbreiding is getracht meer inzicht te krijgen in de hier aanwezige structuren en het eventueel
12
vaststellen van de begrenzing van de vindplaats aan de (zuid)westzijde. Tevens is getracht door middel van deze uitbreiding vast te stellen hoever de greppel met palenrijen die in werkput 17 en 19 was aangetroffen, doorliep in westelijke richting. In totaal zijn vier uitbreidingssleuven (werkput 20 t/m 23) aangelegd met een totale oppervlakte van ca. 446 m2.
Afb. 2.1. Locatie van de opgravingsputten geprojecteerd op de topografische ondergrond.
13
Afb. 2.2. Aangelegde werkputten met putnummer.
Afb. 2.3. Inmeten van het sporenvlak met de robotic Total Station.
14
3
Fysisch geografisch onderzoek (J.M. Brijker)
3.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de opbouw en de genese van het plangebied ’t Kavelt te Mill besproken. Hierbij wordt gebruik gemaakt van literatuurgegevens, informatie verkregen bij het vooronderzoek en het uitgevoerde veldonderzoek. Bij het veldbezoek is de profielopbouw van de opgravingsputten gedocumenteerd en bestudeerd, teneinde een beeld te verkrijgen van de bodemopbouw, de gaafheid van de bodem en de (geologische) opbouw en genese van het plangebied.
3.2
Methoden
Voor het fysisch geografisch onderzoek is gebruik gemaakt van gedocumenteerde profielwanden en kolomopnamen in de opgravingsputten. De profielen zijn handmatig opgeschaafd en vervolgens ingekrast en gedocumenteerd. Hierbij zijn zowel lithologische lagen als archeologisch relevante lagen onderscheiden, zoals vegetatiehorizonten, cultuurlagen en eventuele sporen. Alle lagen zijn bemonsterd en beschreven op textuur, kleur, gehalte organische stof en andere lithologische en bodemkundige verschijnselen. De profielen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode4 die de lithologische beschrijving conform NEN51045 hanteert. De kolomopnames zijn gedaan in representatieve delen van het profiel.
3.3
Geologische opbouw
Het plangebied is gelegen in het Brabantse zandgebied op de noordelijke rand van de Peelhorst. Brabant wordt doorsneden door meerdere zuidoost-noordwest lopende breuken, waarlangs afschuivingen hebben plaatsgevonden. Hierdoor zijn er relatief hoger gelegen en lager gelegen gebieden ontstaan. Het plangebied is gelegen op een dergelijk hoger gelegen gebied. Direct ten noordoosten van het plangebied bevindt zich de Slenk van Venlo, een relatief laag gelegen gebied. Beide gebieden worden begrensd door de zogenaamde Tegelen breukzone. 6 De overgang van de Peelhorst naar de Slenk van Venlo bevindt zich direct naast het huidige plangebied, ter hoogte van de N206, en is duidelijk zichtbaar op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN, afb. 3.1). Op de Peelhorst bestaat de ondergrond uit grofzandige en grindige rivierafzettingen van de Maas en de Rijn. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. 7 In de lager gelegen Slenk van Venlo heeft de Maas haar dal gevormd en bevinden zich meer kleiige afzettingen aan de oppervlakte.
4
Bosch 2005. Normalisatie-Instituut 1989. 6 Bodemkaart 46WO. 7 De Mulder et al. 2003. 5
15
415000 415000 415000
Maas
405000 405000 405000
410000 410000 410000
rst ho el Pe Roerdalslenk Roerdalslenk
400000 400000 400000
0 00 00 0
5000 5000 5000 m m m m 5000 5000 5000 m
© © ADC ADC 2015 2015 175000 175000 175000 175000 175000 175000
180000 180000 180000 180000 180000 180000
185000 185000 185000 185000 185000 185000
190000 190000 190000 190000 190000 190000
Legenda Opgravingsterrein Breuklijn
Afb. 3.1. Locatie van het plangebied op het AHN.
3.4
Resultaten en interpretatie
De basis van het profiel wordt gevormd door een pakket van zwak siltig, matig tot zeer grof witgrijs slecht gesorteerd zand. Dit pakket is zeer sterk grindhoudend en bevat keien van enkele decimeters in doorsnede. Binnen dit pakket komen enkele grijsgroene leemlagen voor, maar deze zijn niet in elke werkput waargenomen. Dit zijn beddingafzettingen van een vlechtende rivier en worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. In dit zand heeft zich een haarpodzolbodem ontwikkeld. Afbeelding 3.2 laat een dergelijke bodem zien, aangetroffen in werkput 14. Deze bodem bestaat uit een vaalgrijze uitspoelingshorizont (Ehorizont) van enkele centimeters dikte. Hieronder is een donkerbruine, zwak humeuze inspoelingshorizont (Bh) en een oranjebruine inspoelingshorizont van ijzer en aluminium (Bs) aanwezig. Deze loopt geleidelijk over in het onderliggende moedermateriaal. Deze overgang wordt gekenmerkt door horizontale, humeuze inspoelings’haren’ tot op grote diepte. De oorspronkelijke Ahorizont en het grootste deel van de E-horizont zijn opgenomen in het bovenliggende plaggendek. De bovenste 50-80 centimeter van het profiel wordt gevormd door een homogeen donkerbruin tot zwart matig humeus pakket zand. Dit is een plaggendek of esdek dat is gevormd door bemesting met plaggen en mest. Er zijn geen fasen in het esdek herkend. Gezien de dikte van het plaggendek
16
van meer dan 50 cm is er bodemkundig sprake van een hoge zwarte enkeerdgrond. Een dergelijke bodemopbouw is al eerder herkend bij het proefsleuvenonderzoek.8 In het noordoostelijke deel van het plangebied, ter hoogte van werkput 5 en 6, is het plaggendek duidelijk dunner (<50 cm) dan in de rest van het plangebied en is er geen bodem meer aanwezig onder het plaggendek. Hier is er bodemkundig sprake van een laarpodzol.
Plaggendek Plaggendek
E E Bh Bh Bs Bs BC BC
Afb. 3.2. Bodemopbouw binnen het plangebied: een hoge zwarte enkeerdgrond boven een haarpodzol.
3.5
Conclusies
Het plangebied is gelegen op de overgang van de Peelhorst naar de Slenk van Venlo. Dit is de overgang van een relatief hoog gelegen gebied met een sterk zandige ondergrond naar het gebied waar de Maas haar dal heeft gevormd. De ondergrond van het plangebied bestaat uit grofzandige en grindige afzettingen van de Formatie van Kreftenheye. De oorspronkelijke bodem bestaat uit een haarpodzolgrond. Hierboven bevindt zich een plaggendek van 30-80 cm dikte.
8
Weterings & Miedema 2011.
17
4
Sporen en structuren (N. Bouma) In totaal zijn binnen het onderzochte areaal bijna 600 grondsporen aangetroffen. Afbeelding 4.2 toont een overzicht van alle aangetroffen sporen en in afbeelding 4.3 en 4.4 is de allesporenkaart van het westelijke en oostelijke opgravingsblok in meer detail weergegeven (zie bijlage 2 voor een overzicht met alle spoornummers). In afbeelding 4.1 is de ASK geprojecteerd op het hoogtemodel van de natuurlijke ondergrond, gebaseerd op de vlakhoogtes van alle werkputten. De grootste groep sporen wordt gevormd door paalkuilen die kunnen worden toegeschreven aan verschillende kleine gebouwplattegronden en spiekers. Verder bestaan de grondsporen uit greppels, kuilen, mogelijke mestkuilen, een waterput, water- of drenkkuilen, mogelijke sporen van grondverbetering, (sub)recente sporen waaronder drains en sporen van natuurlijke aard. Deze laatste groep bestaat uit boomvallen, diergangen, plantgaten en wortelgangen. Deze sporen hadden in de coupe vaak zeer onregelmatige vormen met weinig duidelijke begrenzingen. Soms was tijdens het aanleggen en documenteren van het vlak niet direct vast te stellen of het om natuurlijke of antropogene sporen ging en hebben natuurlijke sporen toch een spoornummer gekregen. Op basis van aardewerkvondsten kunnen zeker twee verschillende bewoningsfasen worden onderscheiden.
De vroegste bewoningsfase dateert rond het midden van de dertiende eeuw. Bijzonder aan dit erf of deze nederzetting is dat er sprake is van een gefaseerd aangelegd greppelsysteem dat de bewoning omsloot. De tweede bewoningsfase dateert uit het derde kwart van de zestiende eeuw en bestaat vooral uit sporen die met watervoorziening te maken hebben, zoals waterkuilen.
Afb. 4.1. Allesporenkaart geprojecteerd op het hoogtemodel van de natuurlijke ondergrond.
Afb. 4.2. Allesporenkaart van het onderzoeksgebied.
18
19
Afb. 4.3. Allesporenkaart van het westelijke opgravingsblok: werkput 7 t/m 23.
20
Afb. 4.4. Allesporenkaart van het oostelijke opgravingsblok: werkput 1 t/m 6.
21
4.1
Een omgreppeld erf met mogelijke landweer uit het midden van de dertiende eeuw
4.1.1 Gebouwplattegronden Binnen een volledig door greppels omsloten gebied zijn vier relatief kleine gebouwplattegronden aangetroffen. Een vijfde plattegrond bevindt zich direct ten zuidwesten van deze omgreppeling in de werkputten 11, 13 en 21 en een mogelijk zesde structuur is aangetroffen in het zuidoosten van het plangebied in werkput 5. De vier binnen de omgreppeling gelegen gebouwplattegronden hebben met elkaar gemeen dat ze relatief klein van afmeting zijn, een kernconstructie hebben van drie gebinten, een rechthoekig grondplan hebben en noordoost-zuidwest georiënteerd zijn. De kleinste plattegrond is ca. 6,6 bij 4,28 m groot terwijl de grootste ca. 9,6 bij 5,6 tot 5,9 m meet. GEBOUW 1 / werkput 11, 12, 14 (afb. 4.5 tot en met 4.7) Onderzoek De structuur is in het veld herkend. Constructie De kern van deze structuur is opgebouwd uit een drietal gebinten met een breedte variërend van 5,6 tot 5,9 m. De gebintstijlkuilen zijn 22 tot 36 cm diep en de traveeën meten achtereenvolgens 3,5 en 2,9 m, waarmee de lengte van de kern uitkomt op ca. 6,4 m. Naast de sporen van de kern zijn op ca. 0,9 m uit het eerste gebint en ca. 2,3 m uit het laatste gebint twee kopse kanten aangetroffen. De totale lengte van de plattegrond bedraagt dan ook 9,6 m. De kopse kanten zijn opgebouwd uit twee stijlen, in de westelijke kopse kant dubbel uitgevoerd.
De diepte van de kopse paalkuilen bedraagt 14 tot 32 cm. Wanden Van de wanden zijn drie hoekstijlen gevonden met een diepte tussen de 22 en 38 cm. De noordwestelijke hoekstijl zou wellicht gemist kunnen zijn op de putgrens van werkput 13 en 14. Van de noordelijke lange wand zijn drie paalkuilen aangetroffen. Deze zijn tussen de 3 en 24 cm diep. Bijzondere elementen Tussen het tweede en derde gebint en net iets ten oosten van het derde gebint liggen op de middenas van het gebouw twee paalkuilen. Mogelijk hangen deze paalkuilen samen met de binnenindeling van het gebouw. In de westelijke helft zijn tussen het eerste en tweede gebint negen paalkuilen en iets ten oosten van het tweede gebint een tiende paalkuil aangetroffen die onderdeel uitmaken van twee tegenover elkaar gelegen rijen paalsporen. De tegenhanger van S14.45 in de noordelijke rij lijkt te ontbreken ter hoogte van kuil S14.40 evenals de zuidelijke tegenhanger van S14.35. De twee rijen paalkuilen liggen op ongeveer gelijke afstand van de middenas van het gebouw ongeveer 1,95 tot 2,20 m uit elkaar. De paalkuilen van beide rijen liggen onderling ca. 0,5 tot 0,9 m uit elkaar. De diepte van de paalkuilen bedraagt 10 tot 29 cm. Ook deze paalkuilen lijken samen te hangen met de binnenindeling en zijn mogelijk te interpreteren als stalgedeelte of stalling voor vee.
Tussen de noordelijke palenrij en de lange wand in ligt een opvallend grote en diepe ovale kuil S14.40. De kuil is maximaal 1,95 m lang, 1,17 m breed en ca. 66 cm diep en heeft een donkere humeuze vulling. Op basis van de ligging, grootte, diepte en vulling kan de kuil mogelijk als mestkuil worden geïnterpreteerd. Tegen de oostelijke korte wand aan of net binnen de gebouwplattegrond ligt greppel S14.13. Of er een relatie is tussen beide en zo ja welke, is niet duidelijk. Verdwijnen van het gebouw In vier paalkuilen is een kern aanwezig. Vondsten en datering In hoekstijl S14.25 is een fragment blauwgrijs aardewerk van het type Elmpt gevonden met een datering in de periode 1200-1350.
22
Afb. 4.5. Thematisch overzicht van de aangetroffen sporen en structuren.
Afb. 4.6. Overzicht van gebouwplattegrond 1 tot en met 4.
23
Afb. 4.7. Gebouwplattegrond 1.
GEBOUW 2 / werkput 14 (afb. 4.5, 4.6 en 4.8) Onderzoek De structuur is in het veld herkend. Constructie De kernconstructie bestaat uit drie gebinten en heeft een lengte van 4,70 m. De breedte van de gebinten bedraagt 5,5 à 5,6 m. De traveeën meten 2,5 m, 2,3 m, 2,4 m en 2,0 m, waarmee de totale lengte van het gebouw op 9,2 m komt. De westelijke kopse kant bestaat uit één stijl terwijl de oostelijke kopse kant uit twee stijlen lijkt te bestaan. De drie bij elkaar gelegen paalkuilen S14.8, S14.9 en S14.10 zijn echter slechts 2 tot 3 cm diep, terwijl stijl S14.11 een diepte heeft van 32 cm. De westelijke kopse stijl is 30 cm diep. De gebintstijlen variëren in diepte van 34 tot 48 cm. Wanden Van de wanden zijn drie hoekstijlen gevonden. De zuidoostelijke hoekstijl is mogelijk verstoord door of niet gezien vanwege de ligging van greppel S14.13. De hoekstijlen zijn tussen de 4 en 18 cm diep. Bijzondere elementen Binnen de gebouwplattegrond zijn drie zwaar uitgevoerde paalkuilen aangetroffen iets oostelijk van het midden van de plattegrond. Twee paalkuilen langs de noordelijke lange wand en één paalkuil langs de zuidelijke lange wand. Een verwachte tegenhanger van paalkuil S14.15 is aan de zuidzijde niet aangetroffen. Over de lengte van de plattegrond liggen deze stijlen ca. 3,7 m uit elkaar en over de breedte ongeveer 3,15 m.
De zuidwestelijke stijl werd aangetroffen in een greppel S14.13. De paalkuilen zijn ca. 60 cm in doorsnede en 30 tot 40 cm diep. De zware uitvoering van de paalkuilen zou er op kunnen duiden dat dit dragende palen zijn geweest, maar de gebintstijlen zouden het dak van dit relatief kleine gebouw gedragen moeten kunnen hebben. Daarvan getuigen ook de plattegronden van gebouw 1, 3 en 4. Een mogelijke interpretatie zou kunnen zijn dat er sprake was van een tweede verdieping die een zekere last moet hebben kunnen dragen. Opvallend binnen gebouwplattegrond 2 is de ligging van greppel S14.13. Deze begint namelijk in de noordoosthoek van de plattegrond, lijkt de zuidelijke lange wand te volgen en buigt vervolgens iets zuidelijker af naar de noordoosthoek van gebouw 1. De greppel is in het noordoosten het diepst met ca. 57 cm en neemt in zuidwestelijke richting in diepte af tot ongeveer 30 cm. Onderin de
24
paalkuil in de greppel is een grotendeels compleet kannetje van proto-steengoed gevonden samen met bijna 6 kg aan natuursteen. Reparaties en verbouwingen De paalkuilen S14.8 en S14.9 zijn mogelijk ter versteviging van paalkuil S14.10 geplaatst. Verdwijnen van het gebouw Slechts in één paalkuil is een kern aanwezig. Vondsten en datering Onderin de paalkuil in de greppel is een grotendeels compleet kannetje van proto-steengoed gevonden samen met bijna 6 kg aan natuursteen. Het proto-steengoed kan worden gedateerd in de 13e eeuw. Er zijn echter ook fragmenten blauwgrijs aardewerk van het Elmpt-type en steengoed gevonden die tussen 1300 en 1350 worden gedateerd.
Afb. 4.8. Gebouwplattegrond 2.
GEBOUW 3 / werkput 16 (afb. 4.5, 4.6, 4.9 en 4.10) Onderzoek De structuur is in het veld herkend. Constructie De kernconstructie meet ca. 3,6 bij 4,3 m en bestaat uit drie gebinten. De traveelengte is achtereenvolgens 1,30 m, 1,90 m, 1,70 m en 1,60 m, waarmee de totale lengte van het gebouw uitkomt op ongeveer 6,50 m. In de westelijke kopse kant zijn twee stijlen aangetroffen en in de oostelijke kopse kant één stijl. De kopse stijlen zijn tussen de 16 en 30 cm diep. De gebintstijlen zijn tussen de 14 en 33 cm diep. Wanden Van de wanden zijn alleen de vier hoekstijlen teruggevonden. De hoekstijlen zijn 12 tot 23 cm diep. Reparaties en verbouwingen De precieze functie van paalkuil S16.26 is niet duidelijk, maar was wellicht voor de versteviging van de constructie. Verdwijnen van het gebouw In twee paalkuilen is een kern aanwezig. Vondsten en datering Er zijn geen vondsten aangetroffen in de sporen van gebouw 3.
25
Afb. 4.9. Gebouwplattegrond 3.
Afb. 4.10. Gebouwplattegrond 3 in het vlak. GEBOUW 4 / werkput 10 (afb. 4.5, 4.6 en 4.11) Onderzoek De structuur is in het veld herkend. Constructie De kern bestaat uit drie gebinten en meet 4,5 bij 4,6 à 4,9 m. De totale lengte bedraagt 7,5 m, waarbij de traveeën achtereenvolgens 1,4 m, 2,25 m, 2,25 m en 1,6 m lang zijn. De oostelijke kopse kant bestaat uit twee stijlen terwijl aan de westkant slechts één stijl aanwezig is. De westelijke kopse stijl is 8 cm diep, terwijl de twee oostelijke kopse stijlen 38 en 44 cm diep zijn. De gebintstijlen zijn 18 tot 40 cm diep. Wanden Beide kopse stijlen worden geflankeerd door twee hoekstijlen. Van de noordelijke lange wand is een greppel aangetroffen die als wandgreppel of als eavesdrip kan worden geïnterpreteerd. In de greppel zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van paalkuilen waardoor een interpretatie als
26
eavesdrip wellicht plausibeler is. Een eavesdrip ontstaat als gevolg van het druppende water van de dakrand. De greppel is 12 cm diep en de hoekstijlen zijn tussen de 4 en 12 cm diep. Verdwijnen van het gebouw In geen enkel spoor is een kern aangetroffen. Alle sporen bevatten een homogene vulling. Vondsten en datering Er zijn geen vondsten aangetroffen in de sporen van gebouw 4.
Afb. 4.11. Gebouwplattegrond 4.
GEBOUW 5 / werkput 10 (afb. 4.5 en 4.12) Onderzoek Reeds in het veld was duidelijk dat er sprake moest zijn van een structuur, maar pas in de uitwerking is deze herkend. De mogelijkheid bestaat dat deze plattegrond in zuidwestelijke richting buiten het opgravingsgebied doorloopt. Constructie Het gebouw bestaat uit acht stijlen die samen vier gebinten vormen en meet ongeveer 9,1 bij 5,9 à 6,1 m. De diepte van de paalkuilen varieert sterk en loopt uiteen van 6 tot 46 cm. Wat hierbij opvalt, is dat de paalkuilen in het zuidelijke deel van de plattegrond slechts 6 tot 14 cm diep zijn terwijl de stijlen in de noordelijke helft van de plattegrond gemiddeld 38 cm diep zijn met dieptes tussen 22 en 46 cm. Op het hoogtemodel is te zien dat de natuurlijke ondergrond hier over relatief korte afstand vrij snel afloopt in zuidelijke richting. Bijzondere elementen In de oostelijke helft van het gebouw bevindt zich iets ten noorden van de middenas één paalkuil met een diepte van 30 cm. Mogelijk hangt deze paalkuil samen met de binnenindeling van het gebouw. Aan de binnenzijde van de noordelijke lange wand van het gebouw bevinden zich tussen het tweede en derde gebint twee paalkuilen dicht op elkaar waarvan het niet duidelijk is of deze tot de constructie van het gebouw behoren. Verdwijnen van het gebouw In drie paalkuilen is een kern aanwezig.
Bij paalkuil S11.51 wijst de langgerekte vorm van de kuil wellicht op het uitwrikken of uitgraven van de paal. Vondsten en datering Er zijn geen vondsten aangetroffen in de sporen van gebouw 5. In één van de paalkuilen langs de noordelijke lange wand waarvan het niet duidelijk is of deze tot de constructie behoren, is een fragment blauwgrijs aardewerk van het Elmpt-type gevonden met een datering in de dertiende eeuw.
27
Afb. 4.12. Gebouwplattegrond 5.
GEBOUW 6 / werkput 5 (afb. 4.5 en 4.13) Onderzoek De mogelijke gebouwplattegrond is reeds in het veld herkend. Een groot deel van de plattegrond is verstoord door sporen van mogelijke grondverbetering, het graven van een greppel in de Nieuwe tijd en de aanleg van een diepe drain. Constructie Het gebouw lijkt uit ten minste drie gebinten en één kopse kant te bestaan. De lange wand kent een licht gebogen vorm en duidt mogelijk op een bootvormige plattegrond. De minimale lengte van de plattegrond kan gereconstrueerd worden op ca. 11,8 m. De breedte heeft minimaal ca. 5,3 m bedragen. De stijlen van de oostelijke lange wand zijn slechts 2 tot 10 cm diep bewaard gebleven. De stijlen van de noordelijke kopse kant zijn 12 en 18 cm diep, terwijl de twee mogelijke stijlen van de westelijke lange wand 18 en 28 cm diep zijn. Hoewel incompleet lijkt de plattegrond enige gelijkenis te vertonen met plattegronden van het type Dommelen.9 Verdwijnen van het gebouw Alle sporen van de constructie lijken te zijn uitgegraven of uitgewrikt. Vondsten en datering Er zijn geen vondsten aangetroffen in de sporen van gebouw 6. Plattegronden van het type Dommelen worden veelal in de elfde en twaalfde eeuw gedateerd. In Venlo TPN zijn echter soortgelijke plattegronden aangetroffen die mogelijk in de dertiende of zelfs veertiende eeuw gedateerd kunnen worden.10
9
Zie bijvoorbeeld Dommelen huis 13 en Dommelen huis 31 (Van Hoof & Jansen 2002); Arnoldussen 2003, 58-63. Bouma 2011a.
10
28
Afb. 4.13. Gebouwplattegrond 6.
4.1.2 Functie van de gebouwen Bij de interpretatie van structuren is één van de eerste vragen of men kan spreken van hoofd- en bijgebouwen. Een onderscheid tussen de twee wordt in veel gevallen gemaakt op basis van de grootte van de plattegrond, zeker wanneer grote en kleinere plattegronden in de nabijheid van elkaar worden aangetroffen. 11 Tevens kan de vraag worden gesteld of hoofdgebouwen gezien moeten worden als woon-stalhuizen of dat men er alleen heeft gewoond. In de opbouw van moderne boerderijen neemt het stalgedeelte (en ook de losse bijgebouwen) bijvoorbeeld een veel groter vloeroppervlak in beslag dan het woongedeelte. Dezelfde vraag heeft men zich gesteld bij de uitwerking van de opgravingen in Dommelen en daar viel op dat de grotere gebouwen vaak vergezeld gaan van één of meerdere wat kleinere structuren. 12 Daaruit kon men volgens de opgravers tenminste opmaken dat de grote gebouwen een centrale positie op het erf innamen. Daarbij vroegen zij zich echter wel meteen af of deze structuren dan niet hebben gediend als opslagplaats of stal, terwijl er in de kleinere gebouwen werd gewoond. Toch gaan zij er uiteindelijk van uit dat de grote structuren een functie hadden als woonhuis, mogelijk in combinatie met het stallen van dieren. De kleinere gebouwen zijn dan in gebruik geweest als extra stal of schuur.
Vaak wordt de aanwezigheid van een haard opgevat als indicatie voor de plaats van het woongedeelte of voor een woonfunctie van de structuur als geheel. Haarden zijn in de gebouwplattegronden van Mill ’t Kavelt niet aangetroffen. Vaak zijn aanwijzingen die iets zouden kunnen zeggen over de indeling of de functie van een gebouw zeer schaars.13 Aanwijzingen voor het gebruik als stal, in de vorm van bijvoorbeeld mestkuilen, zijn eveneens vaak schaars.14 Bij de opgravingen in Someren-
11
Zie bijvoorbeeld Roessingh & Blom 2012; De Boer & Hiddink 2012. Theuws et al. 1988, 280. 13 Bijvoorbeeld in Someren-Waterdael III waren aanwijzingen hiervoor zeer schaars. 14 De Boer & Hiddink 2012, 115. 12
29
Waterdael III stelden de onderzoekers dat over het algemeen slechts de ligging van de structuren ten opzichte van elkaar en hun afmetingen gebruikt konden worden als aanwijzing voor het bepalen van hun mogelijke functie. Bij de opgravingen in Someren-Waterdael III is een groot aantal gebouwplattegronden aangetroffen met een kernconstructie van drie gebinten. Deze zijn door de onderzoekers onderverdeeld in enkele subgroepen. De eerste groep betreft structuren met een lengte tussen 15,2 en 17,2 m en een tweede groep bestaat uit structuren met een lengte die varieert van 10 tot 12,4 m. Op basis van de geringe afmetingen schrijven de onderzoekers deze structuren een meer ondergeschikte functie op het erf toe. De gebouwplattegronden van Mill ’t Kavelt zijn nog kleiner dan de groep met kleine structuren met drie gebinten van Someren-Waterdael III. Opvallend aan de gebouwplattegronden van Mill ‘t Kavelt zijn de geringe afmetingen. De exacte afmetingen van structuur 6 zijn door verstoringen niet bekend, maar de overige vijf gebouwen zijn niet langer dan 9,6 m. Een duidelijk grotere plattegrond die als een eventueel hoofdgebouw zou kunnen worden aangemerkt, is niet aangetroffen. Deze zou zich echter buiten het huidige plangebied kunnen bevinden ten noordoosten van gebouwplattegrond 1 tot en met 4.
Van het door greppels omsloten terrein is namelijk nog niet eens de helft opgegraven, omdat het grootste deel buiten het huidige plangebied valt. Meer zekerheid hierover kan alleen worden verkregen wanneer dit resterende deel in de toekomst ooit wordt opgegraven. In twee plattegronden zijn sporen aangetroffen van de binnenindeling. In structuur 1 zijn in de zuidelijke helft twee rijen paalsporen aangetroffen waarbij de paalkuilen 0,5 tot 0,9 m uit elkaar liggen en buiten de noordelijke rij bevindt zich een relatief grote diepe kuil met een humeuze vulling. De palenrijen en de humeuze kuil zouden mogelijk op een stalfunctie van (dit deel van) de structuur kunnen wijzen. Binnen plattegrond 2 zijn drie paalkuilen aangetroffen, waarvan één (onder)in een greppel. De grote diameter van de kuilen en de diepte lijkt te wijzen op een zware uitvoering van de palen, mogelijk om een zware last te kunnen dragen. Of de greppel gelijktijdig is met de structuur is niet duidelijk. Op basis van de locatie, diepte en humeuze vulling van de greppel zou mogelijk gedacht kunnen worden aan een soort mestgoot, al ontbreken voor deze interpretatie aanvullende gegevens zoals bijvoorbeeld mestschimmels of botanische resten. Bij gebouwplattegrond 3 en 4 ontbreken sporen van een eventuele binnenindeling, maar dat hoeft niet te betekenen dat er geen binnenindeling is geweest.
Ondiep ingegraven sporen blijven vaak niet of nauwelijks bewaard. Het ontbreken hiervan zou ook kunnen duiden op een andere functie van het gebouw. De vraag is of de structuren van Mill ’t Kavelt op basis van de kleine afmetingen als bijgebouwen moeten worden geïnterpreteerd. Het ogenschijnlijk ontbreken van een hoofdgebouw is wellicht eenvoudig te verklaren doordat meer dan de helft van het door greppels omsloten terrein niet is opgegraven, omdat dit buiten het plangebied valt. Een eventueel hoofdgebouw zou zich direct ten noordoosten van het westelijke opgravingsblok kunnen bevinden. Het aantreffen van enkel kleine gebouwplattegronden zou dan bijvoorbeeld samen kunnen hangen met de inrichting van het erf. Een andere interpretatie zou kunnen zijn dat er sprake was van aparte gebouwen voor het stallen van vee en aparte gebouwen met enkel een woonfunctie. Als er sprake was van aparte stalling van het vee, dan vervalt de noodzaak van een grote woonstalboerderij. Kleine gebouwen zouden dan ook heel goed als woonhuis gebruikt kunnen zijn.
30
4.1.3 Vierpalige spiekers Spiekers, ook wel graanopslagplaatsen genoemd, zijn kleine op palen gebouwde opslagruimten voor verbouwde gewassen en veevoer. Er wordt vanuit gegaan dat ze een overdekt platform hebben gedragen waarop graan, hooi of andere producten konden worden bewaard.15 De vloer van een spieker bevond zich op een bepaalde hoogte om te voorkomen dat het product door vocht ging rotten en maakte het voor knaagdieren lastiger om de inhoud aan te vreten. Dergelijke structuren worden veelvuldig in middeleeuwse nederzettingen in het Brabantse zandgebied aangetroffen.16 In plangebied ’t Kavelt zijn vijf vierpalige, vierkante spiekers aangetroffen.
Afb. 4.14. Overzicht van spieker 1 tot en met 3.
SPIEKER 1 / werkput 11 (afb. 4.14 en 4.16) Onderzoek De structuur is in het veld herkend. Constructie Het betreft een vier-palen spieker van 3,5 bij 3,5 m. De diepte van de paalkuilen varieert van 20 tot 32 cm. Verdwijnen van het gebouw Alle sporen bevatten een homogene vulling. Datering In de sporen van de spieker is geen vondstmateriaal aangetroffen.
15 16
Waterbolk 2009, 125. Ufkes 2010, 107, 129; Huijbers 2007, 157-162.
31
SPIEKER 2 / werkput 11 (afb. 4.14 en 4.16) Onderzoek De spieker is in deze vorm pas bij de uitwerking gereconstrueerd, maar al in het veld was duidelijk dat zich hier één of meerdere structuren moesten bevinden. Constructie Het grondplan van deze spieker is vierkant en heeft zijden van 3,5 m. De diepte van de sporen varieert van 25 tot 38 cm. Reparaties en verbouwingen Aan de westzijde van de spieker zijn mogelijk twee extra palen geplaatst ter versteviging van de constructie. Deze paalkuilen zijn 34 en 40 cm diep. Verdwijnen van het gebouw Paalkuil S11.12 lijkt uitgegraven te zijn, maar dit is mogelijk gerepareerd met het zetten van paalkuil S11.14. Datering Er is geen vondstmateriaal aangetroffen in de sporen van de spieker.
SPIEKER 3 / werkput 9, 11 (afb. 4.14 en 4.16) Onderzoek De spieker is in het veld herkend. Constructie Het betreft een spieker met een vierkant grondplan met gelijke zijden van 3,1 m. De zuidoostelijke paalkuil is vermoedelijk verstoord door de aanleg van een mogelijke mestkuil S9.2. De stijlen zijn 20 tot 40 cm diep. Bijzondere elementen Binnen het grondplan van de spieker bevindt zich een paalkuil S11.15 , maar deze lijkt geen relatie te hebben met de constructie van de spieker. Verdwijnen van het gebouw Paalkuil S9.12 lijkt te zijn uitgegraven. Datering In de paalkuilen van de spieker is geen vondstmateriaal aangetroffen.
SPIEKER 4 / werkput 15 (afb. 4.15 en 4.16) Onderzoek De structuur is in het veld herkend. Constructie De spieker heeft een vierkant grondplan met zijden van 3,5 m en bestaat uit vier palen. De paalkuilen zijn tussen de 12 en 32 cm diep. Bijzondere elementen Langs de westkant ligt parallel aan spieker 4 en 5 een ca. 32 cm brede greppel. De greppel is over een lengte van bijna 8,5 m te volgen en ligt precies ter hoogte van spieker 4 en 5. De greppel heeft een vlakke bodem en is maximaal 12 cm diep bewaard gebleven. De ligging is opvallend, maar of er daadwerkelijk een relatie is met de constructie van de twee spiekers is niet duidelijk. Datering In de sporen van de spieker is geen vondstmateriaal aangetroffen.
32
SPIEKER 5 / werkput 13, 15 (afb. 4.15 en 4.16) Onderzoek De spieker is in het veld herkend. Constructie Deze vierpalige spieker meet 3,6 bij 3,6 m en de paalkuilen variëren in diepte van 4 tot 32 cm. Wat hier opvalt is dat de twee oostelijke paalkuilen slechts 4 en 10 cm diep zijn, terwijl de twee westelijke stijlen 22 en 32 cm diep zijn. Bijzondere elementen Langs de westkant ligt parallel aan spieker 4 en 5 een ca. 32 cm brede greppel. De greppel is over een lengte van bijna 8,5 m te volgen en lijkt precies ter hoogte van spieker 4 te beginnen. De greppel heeft een vlakke bodem en is maximaal 12 cm diep bewaard gebleven. De ligging is opvallend, maar of er daadwerkelijk een relatie is met de constructie van de twee spiekers is niet duidelijk. Verdwijnen van het gebouw In één paalkuil is een kern aanwezig. Datering Er zijn geen vondsten aangetroffen in de sporen van de spieker.
Afb. 4.15. Overzicht van spieker 4 en 5.
33
Afb. 4.16. Overzicht van spieker 1 tot en met 5 met dieptes van de paalkuilen.
4.1.4 Een palenrij in werkput 2 In het noordoosten van het plangebied is in werkput 2 een palenrij aangetroffen van negen paalkuilen (afb. 4.17). De palenrij komt vanuit de westelijke putrand en loopt met een bocht in zuidelijke richting tot aan greppel S2.13. De paalkuilen zijn rond en ovaal van vorm en hebben een diameter tussen de 22 en 30 cm. Ze zijn veelal niet dieper dan 6 cm bewaard gebleven. Eén paalkuil S2.4 wijkt hier van af. Deze paalkuil heeft een rechthoekige vlakvorm en is ca. 38 cm diep bewaard gebleven. De ligging ten opzichte van de greppel met waterkuil is opvallend, maar of ze uit dezelfde periode dateren en verband met elkaar houden is niet zeker. In de palenrij is geen vondstmateriaal aangetroffen.
34
Afb. 4.17. Palenrij in werkput 2.
4.1.5 Opvallende paalkuilparen In werkput 4 zijn drie opvallende paren van telkens twee paalkuilen aangetroffen (afb. 4.18). De onderlinge afstand tussen de twee kuilen bedraagt telkens ca. 0,5 m. De paalkuilen hebben een ronde vlakvorm met diameters tussen de 23 en 40 cm. Ze zijn vierkant in de coupe en tussen de 16 en 30 cm diep bewaard gebleven.
Afb. 4.18. Paalkuilparen in werkput 4.
4.1.6 Mogelijke mestkuilen In het onderzoeksgebied is een groot aantal kuilen aangetroffen met een donkere, humeuze vulling van plaggen (afb. 4.19 t/m 4.21). Deze kuilen vallen op door de grote afmetingen en diepte en ook
35
de ligging is opvallend. Al deze kuilen liggen namelijk langs de rand van het door greppels omsloten terrein. Binnen het opgravingsgebied zijn drie duidelijke clusters te onderscheiden. Een cluster met de drie grootste kuilen is aangetroffen in werkput 16. Een tweede cluster bevindt zich in de werkputten 9 en 10 en het derde cluster ligt op de grens van werkput 1 en 2. De verschijningsvorm van de kuilen op het vlak is divers. Er komen zowel ronde, ovale, rechthoekige en grote langwerpige kuilen met afgeronde hoeken voor. Ronde kuilen komen slechts sporadisch voor. De meeste van deze kuilen zijn ovaal of langwerpig. De grootte van de kuilen varieert sterk. De ronde kuilen hebben diameters tussen de 1,12 en 1,38 m. De ovale en rechthoekige mestkuilen zijn ongeveer 1,0 tot 1,9 m lang en ca. 0,6 tot 1,0 m breed. In werkput 10 liggen vier langwerpige kuilen ongeveer op één lijn. Deze zijn tussen de 1,5 en 2,7 m lang en 0,6 à 0,7 m breed. De kuilen in werkput 16 vallen op door hun bijzonder grote afmetingen. Kuil S16.1 is 3,6 x 1,1 m groot, S16.2 meet 2,7 bij 1,1 m en S16.11 is maar liefst 5,3 m lang en 1,5 m breed. De diepte van de kuilen verschilt ook sterk. Deze loopt uiteen van ca. 40 cm tot bijna 1,5 m diepte. Op twee kuilen van ca. 40 cm diep na zijn al deze kuilen meer dan een halve meter diep bewaard gebleven.
Twee kuilen, waaronder de grootste S16.11, zijn bijna 1,5 m diep bewaard gebleven. De opvulling van deze kuilen is vrij uniform. Deze is veelal opgebouwd uit drie vullingen. De diepste vulling bestaat uit een donkergrijze tot bijna zwarte humeuze vulling met plaggen. De middelste vulling bestaat uit een grijsgeel gevlekt pakket zand Zs1 met grind. Deze natuurlijke afzettingen van zand en grind zijn ofwel door de mens in de kuilen gestort of (voor een deel) in de kuil gewaaid of gezakt. De jongste opvulling van de mestkuilen bestaat uit een grijze tot donkergrijze, homogene vulling die mogelijk als nazak van de bovengelegen akkerlagen geïnterpreteerd kan worden. In drie verschillende kuilen met een humeuze plaggenvulling is elk één aardewerkfragment gevonden. Het betreft alle drie fragmenten van blauwgrijs aardewerk van het Elmpt-type en zijn te dateren tussen 1200 en 1350. In relatie tot andere vondsten binnen deze vindplaats kunnen deze kuilen gedateerd worden rond het midden van de dertiende eeuw. In de grootste kuil met humeuze plaggenvulling S16.11 zijn twee pollenbakken geslagen en bemonsterd. Uit de analyse van de pollenmonsters komt naar voren dat er uitgestrekte heidevelden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig waren. Het hoge percentage pollen van struikhei in de monsters geeft aan dat hier voornamelijk gebruik gemaakt werd van heideplaggen.
Tevens zijn in de monsters sporen van mestschimmels (Sordaria-type, Podospora-type) aangetroffen. De plaggen en mestschimmels vormen samen met de afmetingen en ligging aanwijzingen dat deze kuilen als mestkuilen zijn gebruikt. Dit wijst er mogelijk op dat men reeds in de dertiende eeuw plaggenbemesting op de akkers heeft toegepast. De uitgebreide analyse van de pollenmonsters staat in paragraaf 5.3.
Afb. 4.19. Overzicht van alle mogelijke mestkuilen met humeuze plaggenvulling.
36
Afb. 4.20. Doorsnede van mestkuil S16.11.
Afb. 4.21. Coupes van enkele mestkuilen met plaggenvulling. Boven: S10.11; linksonder S9.3 en rechtsonder S1.6.
4.1.7 Een gefaseerd aangelegd greppelsysteem Bijzonder aan dit erf of deze nederzetting is dat er sprake is van een gefaseerd aangelegd greppelsysteem die de bewoning omsloot (afb. 4.22 t/m 4.27). Het verloop van de greppels in het noorden, tussen de beide opgravingsblokken in, is niet geheel duidelijk. Deze zone wordt niet verstoord en is daarom niet archeologisch onderzocht. Van zuidoost naar noordwest gemeten, bedraagt de ruimte binnen de omgreppeling ca. 71 m. Van zuidwest naar noordoost gemeten, lijkt
37
de afstand binnen de omgreppeling bijna 125 m te bedragen. De fasering is grotendeels gebaseerd op oversnijdingen. In de greppels is nauwelijks vondstmateriaal aangetroffen.
Afb. 4.22. Overzicht van alle aangetroffen greppels. De vermoedelijk oudste greppelfase wordt gevormd door S17.1, S17.4 en S16.4 in het noordwesten van het plangebied. Qua ligging lijken ze goed in het systeem te passen, maar beide greppels zijn lichter van kleur, smaller en minder goed bewaard gebleven dan de andere greppels. De greppels lijken verder in zuidwestelijke richting doorgelopen te hebben, maar zijn hier niet meer bewaard gebleven. De greppels zijn tussen de 28 en 50 cm breed. Tevens wordt greppel S16.4/S17.4 oversneden door mestkuil S17.3. Deze greppel wordt aan de noordzijde geflankeerd door vijf ronde en ovale paalkuilen, maar deze zijn slechts 6 tot 14 cm diep bewaard gebleven. De onderlinge afstand tussen de paalkuiltjes bedraagt 0,8 tot 1,2 m. In het centrale deel van werkput 13, 11, 9 en 7 loopt een greppel die ook tot een oudere fase van de omgreppeling moet behoren. De greppel is noordwest-zuidoost georiënteerd en over een lengte van bijna 36 m te volgen. De greppel is ca. 1,06 tot 1,30 m breed, komvormig in de coupe en tussen de 28 en 40 cm diep bewaard gebleven. Deze greppel wordt doorsneden en lijkt te worden opgevolgd door een bredere en diepere greppel op korte afstand ten zuiden hiervan. Deze greppel is ca. 1,8 à 2,1 m breed, komvormig in de coupe, tussen de 37 en 44 cm diep bewaard gebleven en heeft een vlakke bodem.