04. Toelichting bp Mill Leeuwerikstraat Gruttostraat en Genieweg - 26mei21.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
29
Risicovol transport over wegen, spoorwegen, water en door buisleidingen Er vindt in de wijde omgeving van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over wegen, spoorwegen, water of door buisleidingen, dat een belemmering kan vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (blauw omcirkeld)
Risicovolle bedrijvigheid In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De meest nabij gelegen inrichtingen liggen op ruim 1 kilometer afstand van het plangebied en hebben geen dusdanige invloedsgebieden, dat deze tot het plangebied reiken. Vanuit de ligging ten opzichte van risicovolle inrichtingen zijn er dan ook geen belemmeringen. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen of transportroutes. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen woningbouw.
Hoofdstuk 4
30
4.1.5 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) stelt kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen dienen plaats te vinden. Enerzijds om geurgevoelige functies geen of zo min mogelijk hinder te laten ondervinden van agrarische bedrijven en anderzijds om de vergunde rechten van deze agrarische bedrijven niet (verder) te beperken door ruimtelijke ontwikkelingen. Onderzocht dient te worden wat de achtergrondbelasting (veroorzaakt door alle veehouderijen) en de voorgrondbelasting (veroorzaakt door individuele veehouderijen in de directe omgeving) op het plangebied is. Beiden moeten een acceptabele waarde hebben om een goed leefklimaat te kunnen waarborgen voor nieuw te bouwen woningen. Op 13 december 2007 heeft de gemeenteraad de ‘Verordening geurhinder en veehouderij 2007’ voor de gehele gemeente Mill en Sint Hubert vastgesteld. Hierin is lokaal geurbeleid ontwikkeld, dat recht doet aan de integrale zonering van de intensieve veehouderij, met behoud van een afdoende beschermingsniveau tegen geuroverlast voor burgers. De verordening is in de afgelopen jaren enkele malen geactualiseerd. Ten aanzien van de achtergrondbelasting geldt dat het plangebied op basis van de meest recente geurnormenkaart is gelegen in de bebouwde kom stedelijk gebied, waarvoor een geurnorm van 2 Ou/m³ geldt. Op basis van de geursituatiekaart geldt binnen het plangebied een acceptabel geurniveau.
Ten aanzien van de voorgrondbelasting geldt dat, gezien de ligging van het plangebied in de bebouwde kom, op basis van artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij een afstand van 100 meter dient te worden aangehouden tussen de woningen en emissiepunten van veehouderijen. Aan deze afstand wordt in de huidige situatie ruimschoots voldaan. In de omgeving bevinden zich namelijk geen veehouderijbedrijven die in het plangebied een geurbelasting hoger dan de geurnorm van 2 Ou/m³ kunnen veroorzaken. Het plangebied bevindt zich niet binnen de voorgrondcontour van de veehouderijbedrijven. Ook zijn tussen de veehouderijen en het plangebied nog andere geurgevoelige objecten gelegen, waardoor de ontwikkeling binnen het plangebied geen belemmering vormt voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de betreffende bedrijven. Ook voldoet de voorgrondbelasting aan de geldende geurnormen uit de geurverordening van de gemeente. Conclusie Vanuit het aspect geurhinder zal in de toekomstige situatie sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat in het plangebied. Tevens worden er geen bedrijven in hun bedrijfsuitvoering belemmerd. Vanuit het aspect geurhinder bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.6 Milieuzonering Algemene uitgangspunten Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar.
Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te
Hoofdstuk 4
31
voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG- publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen voor de ruimtelijk relevante aspecten geluid, stof, geur en gevaar. Toetsing De beoogde woningen zelf vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. Te midden van het plangebied ligt het wijkgebouw De Wester aan de Havikstraat 1. In het kader van de beoogde woningbouw is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsuitstraling van het wijkcentrum op de beoogde woningen.
In paragraaf 4.1.2 (‘geluidhinder’) is hier reeds uitgebreid op ingegaan en is geconcludeerd dat door het realiseren van voldoende geluidwerende gevels in de woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Voor het overige zijn er in de omgeving van het plangebied hoofdzakelijk woningen gelegen. Op circa 95 meter ten noorden van het plangebied ligt een horecabestemming, waarbinnen horecabedrijven in categorieën 1 en 2 zijn toegestaan. Dit betreffen horecavoorzieningen als cafés en restaurants. Deze activiteiten vallen in milieucategorie 1, waarvoor op basis van de bedrijvenlijst bij de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 10 meter wordt geadviseerd. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast ligt op circa 110 meter ten noorden van het plangebied een bedrijfsbestemming, waarbinnen bedrijven van milieucategorie 1 en 2 zijn toegestaan. Voor dit type bedrijvigheid wordt een richtafstand van 10 respectievelijk 30 meter geadviseerd, waaraan ruimschoots wordt voldaan. Conclusie Kort samengevat zal in de toekomstige situatie voor de beoogde woningen dus sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en worden bestaande inrichtingen in de omgeving niet in hun bedrijfsuitvoering belemmerd. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de te realiseren woningen.
4.1.7 Luchtvaartverkeerzone Gelet op de nabijheid van het militaire luchtvaartterrein ‘Vliegbasis Volkel’, is het van belang om aandacht te besteden aan de luchtvaartverkeerzone.
Hoofdstuk 4
32
Funnels Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de zogenaamde funnel van de militaire vliegbasis Volkel. Dit is een obstakelvrij start- en landingsvlak met zijkanten dat ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid is vastgesteld. Voor het plangebied geldt een maximale bouwhoogte van 40 meter boven NAP. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan deze hoogtebeperking.
IHCS Het plangebied ligt binnen de zogenaamde Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS) van de vliegbasis Volkel. Dit gebied is vastgesteld ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid. Rondom de gehele luchthaven ligt een obstakelvrij vlak van 45 meter hoog met een straal van 4 kilometer rond de landingsdrempels, dat overgaat in een conisch vlak met een helling van 5% tot 145 meter over een afstand van 2 kilometer. Voor het plangebied geldt een maximale bouwhoogte van 64 meter boven NAP. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan deze hoogtebeperking. ILS De militaire vliegbasis Volkel beschikt over een Instrument Landing System (ILS) ten behoeve van het nauwkeurig uitvoeren van naderingen door vliegverkeer. Het plangebied is gelegen in het oplopende gebied met een zonder meer toelaatbare hoogte van 68,9 meter boven NAP. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan deze hoogtebeperking. Radarverstoringsgebied Het plangebied is tot slot gelegen in het radarverstoringsgebied behorende bij de radar die is gepositioneerd op de vliegbasis Volkel. Ter bescherming van eventuele verstoring van radarbeelden bedraagt de maximale bouwhoogte binnen dit verstoringsgebied 72 meter boven NAP. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan deze hoogtebeperking.
Conclusie Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de luchtvaartverkeerzone geen belemmeringen bestaan voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.2 Fysieke aspecten 4.2.1 Cultureel erfgoed Archeologie De gemeente Mill en Sint Hubert heeft voor het gehele gemeentelijke grondgebied een archeologische beleidskaart laten vervaardigen, welke is vastgesteld door de gemeenteraad op 10 mei 2012. Het belangrijkste doel hiervan is om ten behoeve van toekomstige planvorming inzicht te verschaffen in de (te verwachten) aanwezigheid en het karakter van de archeologische resten binnen het grondgebied van de gemeente. Door aan de verwachte en bekende archeologische en historische resten een
Hoofdstuk 4
33
concreet beleidsadvies te koppelen, vormt de kaart een eerste praktisch handvat bij de inpassing van de archeologie bij planvorming en uitvoering. Op basis van de archeologische beleidskaart geldt voor het deel plangebied dat is gelegen aan de Leeuwerikstraat/Gruttostraat een hoge archeologische verwachting (categorie 4). De gronden die zijn gelegen aan de Genieweg zijn aangewezen als gebieden zonder een archeologische verwachting of archeologisch vrijgegeven (categorie 7). Voor deze categorie geldt geen archeologische onderzoeksplicht. Voor categorie 4 geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². Bij de voorliggende ontwikkeling zullen deze ondergrenzen worden overschreden. Econsultancy heeft daarom een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied. De resultaten staan hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage 7. Gespecificeerde archeologische verwachting plangebied Op basis van een eerder uitgevoerd archeologisch bureauonderzoek uit 2014 en de aanvulling/actualisatie hiervan in het voorliggende onderzoek blijkt dat voor het plangebied een lage verwachting geldt voor het Paleolithicum en Mesolithicum.
Gelet op de landschappelijke situatie van het plangebied wordt niet verwacht dat archeologische resten uit deze perioden zullen worden aangetroffen. Voor de landbouwers, Neolithicum tot en met de Middeleeuwen, is het plangebied een gunstige bewoningslocatie en geldt een hoge verwachting. Voor de Nieuwe tijd geldt eveneens een hoge verwachting. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied deels intact is, en deels licht tot matig verstoord is. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels bevestigd. Op basis van het behoud van een hoge trefkans van in ieder geval een groot deel van het plangebied blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Advies Gezien de in het onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen.
Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
7
Econsultancy, Oplegnotitie en verkennend booronderzoek Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill, rapportnummer 10780.001, 13 december 2019
Hoofdstuk 4
34
Proefsleuvenonderzoek Het Programma van Eisen8 voor het proefsleuvenonderzoek is op 30 september 2020 goedgekeurd door het bevoegd gezag. Op 24 en 25 november 2020 heeft het proefsleuvenonderzoek9 plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen aar de volledige onderzoeksrapportage. De bodemopbouw in de proefsleuven bestond uit een bouwvoor, op recent opgebrachte/geroerde zandpakketten, op dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden), op vroeg- en middenpleistocene rivierafzettingen van de Rijn en Maas (Formatie van Beegden). Alleen in het noordelijke deel van het plangebied lagen de bouwvoor en recent opgebrachte/geroerde zandpakketten direct op de rivierafzettingen. In het dekzand was een restant van een podzolprofiel aanwezig. Deze kon als haarpodzolgronden geïnterpreteerd worden, vanwege de aanwezigheid van humeuze fibers in de BChorizont. In één proefsleuf was nog een relatief intact podzolprofiel aanwezig met een E-horizont, Bhorizont, BC-horizont en C-horizont. In de overige delen van het plangebied was het podzolprofiel tot in de BC-horizont of C-horizont verstoord. In het plangebied zijn geen (behoudenswaardige) archeologische resten gevonden. Wel zijn 21 sporen gedocumenteerd, die als recent gedateerd kunnen worden.
Dit betroffen natuurlijke sporen (boomen plantgaten), uitbraaksleuven van funderingen, kabel- en leidingsleuven, en verstoringen deels veroorzaakt door de bak van een graafmachine. Deze sporen kunnen in verband gebracht worden met de aanleg van een nieuwbouwwijk en de bebouwing binnen het plangebied in de jaren ’70 en ’80 van de 20e eeuw, en vervolgens de afbraak van de zuidelijke bebouwing (schoolgebouw) binnen het plangebied rond 2015. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is geen (behoudenswaardige) archeologische vindplaats aangetroffen in het plangebied. Op basis hiervan wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven in deze fase van de Archeologische Monumentenzorg-cyclus. Het bevoegd gezag, de gemeente Mill en Sint Hubert, heeft in haar selectiebesluit10 het bovenstaande selectieadvies overgenomen en het plangebied archeologisch vrijgegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het bijgevoegde selectiebesluit. In lijn met dit selectiebesluit is de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ niet meer opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Vanuit het aspect archeologie zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. Cultuurhistorie Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht gemeenten om het aspect cultuurhistorie uitdrukkelijk mee te wegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
Cultuurhistorische waarden worden vaak in één adem genoemd met archeologische waarden. Deze waarden verschillen echter van archeologische waarden. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die zichtbaar zijn in het landschap en ‘iets vertellen’ over het (cultuurhistorische) verleden van het gebied. 8
Econsultancy, Programma van Eisen Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill in de gemeente Mill en Sint Hubert, rapportnummer 10780.006, 28 september 2020 9 Econsultancy, Proefsleuvenonderzoek Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill in de gemeente Mill en Sint Hubert, rapportnummer 10780.007, 4 januari 2021 10 Gemeente Mill en Sint Hubert, Selectiebesluit Archeologie, Leeuwerikstraat-Genieweg-Havikstraat-Gruttostraat, documentnr. D/21/256239, 28 januari 2021
Hoofdstuk 4
35
De gemeente Mill en Sint Hubert heeft een cultuurhistoriekaart opgesteld voor haar gehele grondgebied. De cultuurhistoriekaart bestaat uit een inventarisatiekaart, een beleidsadvieskaart en een toelichting waarin de voor de gemeente kenmerkende cultuurhistorische waarden worden beschreven en toegelicht. Het belangrijkste doel van de cultuurhistoriekaart is het inzichtelijk maken van de cultuurlandschappelijke en historisch-bouwkundige waarden binnen de gemeentegrenzen van Mill en Sint Hubert. Hiermee kan de toegevoegde waarde van cultuurhistorie tijdig worden erkend en herkend. Het doel is niet om alle cultuurhistorische waarden te behouden en nieuwe ontwikkelingen tegen te gaan. Het doel is juist om te streven naar ‘behoud door ontwikkeling’. Een bewuste omgang met het cultuurhistorisch erfgoed staat voorop. Binnen het plangebied zelf is aan de zuidoostzijde een monumentale boom aanwezig. Deze boom blijft behouden in inrichtingsplan voor het woongebied en wordt ingepast in de groenstrook die daar is geprojecteerd. Enkele wegen in de omgeving rond het plangebied, te weten de Leeuwerikstraat, de Bastaardstaat en de Genieweg, zijn op de cultuurhistorische waardenkaart aangewezen als weg van vóór 1832. Op deze wegen wordt middels de voorgenomen plannen geen invloed uitgeoefend.
Daarnaast zijn in de directe omgeving van het plangeUitsnede cultuurhistorische waardenkaart met ligging plangebied (blauw omlijnd) bied enkele historische nederzettingen aangeduid. Deze zijn net buiten de grenzen van de woningbouwlocatie gelegen en zijn in het landschap niet meer zichtbaar. Als gevolg van de woningbouw worden deze niet negatief beïnvloed. Het plangebied is volgens de cultuurhistorische waardenkaart en de beleidsadvieskaart gelegen binnen het landschapstype ‘oude kampontginning’. De meeste oude kampontginningen hadden in het verleden een onregelmatige blokken- of strokenverkaveling. De kavelgrootte liep sterk uiteen. De percelen werden hoofdzakelijk gebruikt als akker- of grasland. Omdat sprake is van een herontwikkelingslocatie in een woonwijk, is dit historische beeld inmiddels verdwenen en zijn de oude perceelstructuren niet meer in het landschap zichtbaar. Als gevolg van de voorliggende ontwikkeling wordt er dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op het ontginningslandschap.
Hoofdstuk 4
36
Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen voor de ontwikkeling van de woningen. 4.2.2 Ecologie Wetgeving De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Projecten, plannen en activiteiten die een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Hoofdstuk 4
37
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Toetsing gebiedsbescherming en soortenbescherming Om te kunnen beoordelen of de beoogde ontwikkelingen in het plangebied in overeenstemming met de natuurwetgeving en het natuurbeleid kunnen plaatsvinden, heeft Econsultancy een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage 11.
Het plangebied is niet gelegen binnen of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 11 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (woningbouw) niet te verwachten. Wat betreft het onderdeel stikstofdepositie heeft de ontwikkeling van 50 woningen op 10 kilometer afstand tot een Natura 2000-gebied volgens de Handreiking woningbouw en AERIUS van de Rijksoverheid een indicatieve stikstofdepositie van 0,00 mo/ha/jaar tot gevolg, zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase. Aangezien de voorliggende ontwikkeling de realisatie van 18 woningen betreft op circa 11 kilometer afstand van een Natura 2000gebied, zijn negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is op circa 180 meter afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast.
Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. De bomen binnen het plangebied vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand 11
Econsultancy, Quickscan flora en fauna Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill, rapportnummer 10780.003, 17 oktober 2019
Hoofdstuk 4
38
geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Een van de bomen op de onderzoekslocatie betreft een monumentale boom. Deze blijft bij de herinrichting behouden. De aanwezigheid van geschikt habitat in het plangebied voor verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in de navolgende tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Overzicht geschiktheid plangebied voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen
Conclusie Vanuit het aspect ecologie bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling, mits rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de zorgplicht in acht genomen wordt.
Hoofdstuk 4
39
4.2.3 Waterhuishouding Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Milieu- en Waterplan 20162021, het Waterbeheersplan van waterschap Aa en Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Het belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening.
De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden – bergen – afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen – scheiden – zuiveren (waterkwaliteit). In de Keur van drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta is aangegeven dat bij een toename van het verhard oppervlak en het afkoppelen van hemelwater, het uitgangspunt geldt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. De invloed van de voorliggende ontwikkeling op het watersysteem is onderzocht door middel van een watertoets12. De belangrijkste bevindingen zijn hieronder beschreven, voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Water voor (menselijke) consumptie Het plangebied is blijkens de kaarten bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant niet gelegen binnen een waterwinlocatie, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen. Water voor natuur Op basis van de Keurkaart van het waterschap Aa en Maas ligt het plangebied niet binnen beschermingsgebieden, attentiegebieden of zoekgebieden voor beekherstel en ecologische verbindingszones.
12
Econsultancy, Watertoets Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill, rapportnummer 10780.002, 27 oktober 2020
Hoofdstuk 4
40
Oppervlaktewater Op basis van de leggerkaart van waterschap Aa en Maas is in de directe omgeving van de planlocatie geen oppervlaktewater gelegen. Hemelwater Op basis van de gegevens van grondwaterpeilputten in de omgeving, alsmede de grondwaterstromingsrichting, wordt voor de planlocatie uitgegaan van een Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) van circa 14,0 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich van zuidwest naar noordoost tussen de 1,0 en 1,5 m –mv bevinden. De ontwatering zal ten aanzien van de (bouw)peilen in de toekomstige situatie voldoende zijn. Als vloerpeil van (nieuwe) bouwwerken wordt door de gemeente Mill en Sint Hubert minimaal 0,15 m boven wegpeil gehanteerd. Het straatprofiel wordt bij voorkeur zodanig ingericht dat tijdelijk ‘water’ op straat kan worden geborgen. Door middel van een infiltratieonderzoek is de doorlatendheid van de bodem bepaald. Op basis van de resultaten uit dit waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem binnen de planlocatie, mede op basis van de textuur, geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Geadviseerd wordt om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van 2,0 m/dag. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,5.
Het voorgenomen ruimtelijk initiatief heeft een toename van het verhard oppervlak tot gevolg ten opzichte van de huidige situatie. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 3.285 m2. Op basis van de toekomstige verharde oppervlakte en de bergingseis bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal circa 200 m3 (3.285 m2 x 0,06 m). Voor de verwerking van hemelwater is binnen het planvoornemen een betonnen infiltratieriool (Ø 600) voorzien. Als ondergrens voor een bergingsvoorziening wordt normaliter uitgegaan van de GHG. Deze is op basis van de beschikbare informatie ingeschat op 14,0 m +NAP (1,0 tot 1,5 m -mv). Wanneer wordt uitgegaan van een riool met diameter 600 mm zal, uitgaande van een gronddekking van 0,8 m, de onderzijde van het riool op een diepte van 1,4 m -mv komen te liggen. De civieltechnische uitwerking van het infiltratieriool wordt in het verdere planproces verder vormgegeven en vastgesteld. Afvalwater Het afvalwater wordt geloosd in het bestaande rioolstelsel in de omgeving. In de rondom de planlocatie gelegen wegen is een gemengd rioolstelsel gelegen. Voor nieuwe ontwikkelingsgebieden binnen de bebouwde kom wordt een gescheiden rioolsysteem aangelegd. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE.
Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 18 woningen/bouwblokken worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod van circa 5,4 m³/dag. De berekening is gebaseerd op
Hoofdstuk 4
41
basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Tijdens de verdere planvorming zullen de mogelijkheden omtrent en de wijze waarop en hoe aangesloten kan worden op de riolering nader bepaald worden. Conclusie Bij de realisatie van de woningen bestaan naar verwachting geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer. Er zijn dan ook geen negatieve consequenties te verwachten ten aanzien van de waterhuishouding. 4.2.4 Verkeer en parkeren Verkeer De nieuwe woningen worden deels georiënteerd op de Gruttostraat en deels op de Leeuwerikstraat. Twee woningen worden georiënteerd op de Genieweg. Tussen de twee blokken met rijwoningen aan de Gruttostraat wordt een interne toegangsweg gerealiseerd. Deze weg leidt naar een achterterrein, waarlangs een deel van de woningen via een achterom bereikbaar is. Op basis van de ‘Rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren’ van het CROW is een berekening gemaakt van de verkeersgeneratie van de 18 woningen. Voor de nieuwe woningen zal de verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag 134 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedragen. Hierbij is als uitgangspunt genomen 12 rijwoningen (koop tussen/hoek) en 6 twee-onder-een-kapwoningen (koop twee-onder-een-kap) in de rest van de bebouwde kom van Mill (niet-stedelijk gemeente).
Om de daadwerkelijke verkeerstoename te berekenen dient de verkeersgeneratie van de voorheen aanwezige basisschool berekend te worden. In oktober 2013 (laatste schooljaar vóór de sluiting van de school) had de school in totaal 187 leerlingen. Uitgaande van 4 klassen onderbouw en 4 klassen bovenbouw bedraagt de verkeersgeneratie van de basisschool op basis van de ‘Rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren’ van het CROW circa 260 motorvoertuigbewegingen per openingsdag. Het bestaande plein aan de Genieweg heeft geen afzonderlijke verkeersgeneratie. Wanneer de verkeersgeneratie in de oorspronkelijke situatie en de toekomstige situatie met elkaar worden vergeleken, dan is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen op weekdagen. Kortom kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. De omliggende wegen hebben daarnaast voldoende capaciteit om de verkeersbewegingen in de toekomstige situatie te verwerken. Vanuit verkeerskundige aspecten bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied. Parkeren Het uitgangspunt bij de herontwikkeling van het plangebied is dat het parkeren grotendeels binnen het plangebied zelf wordt opgevangen, zodat er geen extra parkeerdruk voor de omgeving ontstaat. Bij het uitwerken van het ontwerp is hiermee dan ook rekening gehouden.
Bij een aantal van de woningen wordt op eigen terrein in één of twee parkeerplaatsen voorzien. Voor het overige zullen in de openbare ruimte parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 4
42
Voor wat betreft de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen worden de parkeerkencijfers van het CROW gehanteerd. Bij deze parkeerkencijfers wordt onder meer rekening gehouden met het aantal woningen, de ligging van het plangebied, het bebouwingstype van de woningen (in dit geval rij- en twee-onder-een-kapwoningen) en de typering van de woningen (huur of koop). Uitgaande van twaalf koopwoningen van het type tussen-/hoekwoning en zes koopwoningen van het type twee-onder-een-kap, gelegen in de rest van de bebouwde kom van Mill, zijn voor het voorliggende plan tussen de 30 en 45 parkeerplaatsen benodigd. In het kader van het stedenbouwkundig plan is een berekening geParkeren Benodigd maakt van de benodigde parkeer6 x 2,1 (norm tweekapper) 12,6 PP plaatsen en de aanwezige c.q. te 12 x 2 (norm rijwoning) 24,0 PP realiseren parkeerplaatsen. Deze 2 x 2 (bestaande woningen Gruttostraat) 4,0 PP staat hiernaast weergegeven. Voor Totaal 40,6 PP de tweekappers is hierbij uitgegaan van een parkeernorm van Parkeren Aanwezig 2,1 parkeerplaatsen per woning en Gruttostraat 12,0 PP voor de rijwoningen is een norm Genieweg 2,0 PP van 2 parkeerplaatsen per woning Leeuwerikstraat (t.o. nrs. 1-4 4,0 PP gehanteerd. Deze aantallen vallen Eigen terrein (14 x + 7 x 1,3) 23,1 PP binnen de bandbreedte van de Totaal 41,1 PP CROW-normen.
Op basis van Tabel 1 Berekening aantal parkeerplaatsen benodigd en aanwezig deze berekening zijn 40,6 (afgerond 41) parkeerplaatsen benodigd. Binnen het plangebied wordt voorzien in 41 parkeerplaatsen, deels op eigen terrein en deels in de openbare ruimte. Dit aantal valt binnen de bandbreedte van de CROW-normen en is daarmee voldoende om de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen te kunnen opvangen. Tot slot geldt dat de definitieve toetsing van het aantal benodigde parkeerplaatsen zal plaatsvinden in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag. In de regels van dit bestemmingsplan zijn hiertoe voorwaarden opgenomen. 4.2.5 Kabels en leidingen Binnen het plangebied en de directe omgeving liggen geen kabels en/of leidingen met een planologische beschermingszone die van invloed is op het plangebied. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.
Hoofdstuk 4
43
4.3 Duurzaamheid Duurzaamheid is een integraal onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu. Gezondheids- en milieuaspecten zijn in alle fasen van de inrichting, de bouw en het gebruik van de gebouwde omgeving van belang. Er wordt gestreefd naar duurzame (stedelijke) ontwikkeling, lage milieubelasting, energieneutrale woningbouw/gemeente en behoud en versterking van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied, zodat rekening wordt gehouden met een duurzame verstedelijking. Ter plaatse van de voormalige schoollocatie en een bestaand plein vindt nieuwbouw van woningen plaats, waarbij de stedenbouwkundige en ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd en op lange termijn behouden blijft. In paragraaf 4.1 is onderbouwd dat de ontwikkeling voldoende rekening houdt met milieuaspecten. Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. De belangrijkste eis daarvoor is de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Voor woningen geldt als eis een EPC-waarde van 0,4. Hieraan zullen ook de woningen binnen het plangebied moeten voldoen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat voor nieuwe woningen vanaf 31 december 2020 de eis gaat gelden dat deze bijna energieneutraal zijn.
Dit houdt in dat sprake dient te zijn van gebouwen met een zeer hoge energieprestatie, waarbij de dicht bij nul liggende of zeer lage hoeveelheid energie die is vereist in zeer aanzienlijke mate wordt geleverd uit hernieuwbare bronnen die deels ter plaatse of dichtbij wordt geproduceerd. Naast de Energie Prestatie Coëfficiënt zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend. Daarnaast is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen.
Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woningen niet worden aangesloten op het gasnet. De genoemde duurzaamheidsaspecten worden verder uitgewerkt bij de planuitwerking ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen.
Hoofdstuk 4
44
4.4 M.e.r.-plicht 4.4.1
Beoordeling directe m.e.r.-plicht
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht.
Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.2.2 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht. 4.4.2
M.e.r.-beoordeling
Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden
Hoofdstuk 4
45
gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken en bureaustudies die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4
46
Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 4.800 m². Het project richt zich op de realisatie van 18 woningen, op gronden waar voorheen een basisschool gevestigd was en een bestaand plein is gelegen.
Cumulatie met andere projecten
Nee.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.
Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geluid (zie ook paragraaf 4.1.2): In het kader van de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai van de omliggende wegen en de geluidinvloed van de activiteiten van het wijkcentrum De Wester, dat te midden van de woningbouwlocatie is gelegen. Daaruit is geconcludeerd dat op diverse woningen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Door middel van voldoende geluidwerende gevels kan het vereiste binnenniveau van maximaal 33 dB conform het Bouwbesluit worden gehaald. In de woningen zal hiermee sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Geur (zie ook paragraaf 4.1.5): Het betreft een stedelijke locatie, veehouderijen of andere geurhinder veroorzakende inrichtingen zijn in de directe omgeving niet aanwezig. Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.2.4): Het project leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen indien de oorspronkelijke situatie met een basisschool wordt vergeleken met de toekomstige situatie. Risico van ongevallen
Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie zijn de gronden waar de woningen zijn voorzien, grotendeels bestemd tot ‘Maatschappelijk’ met de nadere functieaanduiding ‘onderwijs’. In de huidige situatie is sprake van een braakliggend terrein dat is begroeid met gras, met langs de randen enkele bomen. Het perceel aan de Genieweg is bestemd tot ‘Verkeer’ met de nadere functieaanduiding ‘plein’ en is in gebruik als plein. Dit perceel is grotendeels verhard en er zijn enkele bomen aanwezig.
Hoofdstuk 4
47
Plaats van het object Criteria
Toets
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming
kustgebieden, berg- en bosgebie-
beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.2.2 ‘Ecologie’.
den, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
gebieden waarin bij communau-
Nee.
taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkings-
N.v.t.
dichtheid Landschappen van historisch, cultureel
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.2.1): binnen het plangebied en de directe omge-
of archeologisch belang
ving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang die door de ontwikkeling negatief worden beïnvloed. Archeologie (zie ook paragraaf 4.2.1): het archeologisch belang is door middel van archeologisch onderzoeken betrokken in het plan. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van het proefsleuvenonderzoek is geconcludeerd dat het plangebied geen behoudenswaardige archeologische waarden bevat en wordt daarom geadviseerd het plangebied vrij te geven voor archeologie.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, als gevolg van de ontwikkeling zijn significant negatieve effecten op habitaten vogelrichtlijngebieden op voorhand uitgesloten, zie paragraaf 4.2.2 ‘Ecologie’.
Watergebied van internationale beteke-
Nee.
nis Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Ne-
(voormalige EHS)
derland (NNN). Zie paragraaf 4.2.2 ‘Ecologie’.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.
Hoofdstuk 4
48
Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Waterwinlocaties. waterwingebieden,
Nee, zie paragraaf 4.2.3 ‘Waterhuishouding’.
en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Er zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig. Ook zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig waarop een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend.
Belvedère-gebied
Nee.
Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische
N.v.t.
zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het
Nee.
effect Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
Er is sprake van permanente nieuwbouw, waarbij de effecten blijvend zijn. Zoals
van het effect
echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
4.5 Economische aspecten Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grex-wet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente.
Hoofdstuk 4
49
In het voorliggende geval zijn de gronden, waar sprake is van het mogelijk maken van een bouwplan, in eigendom van de gemeente. Hierdoor kan het kostenverhaal plaatsvinden middels de gronduitgifte.
4.6 Handhaafbaarheid Een belangrijk aspect in de uitvoering van het bestemmingsplan is van juridische aard. Het gaat hierbij om de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het bestemmingsplan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten te kunnen bewaren. Daarnaast is handhaving van belang uit het oogpunt van rechtszekerheid. Alle gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze aan het bestemmingsplan te worden gehouden. Met deze oogmerken is in het bestemmingsplan gestreefd naar een eenvoud van in het bijzonder de planregels. Door de toegankelijkheid en de leesbaarheid daarvan worden de mogelijkheden om toe te zien op de naleving vergroot.
Hoofdstuk 4
50
5.
JURIDISCHE PLANOPZET
5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en het bestemmingsplan ‘Mill-West 2019’, zoals vastgesteld op 24 september 2020.
5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden. De opgenomen verklaring is niet juridisch bindend en is op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding.
5.3 Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels omvatten de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
Hoofdstuk 5
51
Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken en percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.
De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Groen De bestemming ‘Groen’ is opgenomen voor de openbare groenstroken binnen het plangebied. Binnen deze bestemming zijn o.a. groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, bermen, beplanting en nutsvoorzieningen toegestaan.
Hoofdstuk 5
52
Tuin De bestemming ‘Tuin’ is opgenomen voor de gronden die zijn gelegen vóór de voorgevels van de beoogde woningen. Binnen deze bestemming zijn tuinen toegestaan met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en erven. Verkeer Voor interne toegangsweg binnen het plangebied is de bestemming ‘Verkeer’ opgenomen. Binnen deze bestemming zijn voorzieningen voor verkeer en verblijf, nutsvoorzieningen en evenementen toegestaan, met inbegrip van bijbehorende voorzieningen als wegen, paden, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen. Wonen De bestemming ‘Wonen’ is opgenomen voor de beoogde woonpercelen, inclusief de zij- en achtertuinen. Binnen deze bestemming zijn bouwvlakken opgenomen, waarbinnen het op de verbeelding aangegeven aantal en type woningen gerealiseerd mag worden. De maximaal toegestane goot- en bebouwingshoogte zijn middels de maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’ op de verbeelding weergegeven. Daarnaast is het geluidscherm, dat wordt gerealiseerd tussen de nieuwe speelplek en de direct daarnaast geprojecteerde rijwoningen, op de verbeelding aangeduid middels de functieaanduiding ‘geluidscherm’. In de regels is de realisatie en instandhouding van dit scherm door middel van een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd.
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en een beroep aan huis. Daarnaast zijn parkeervoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen en erven toegestaan. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen, te weten de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks-, aanduidings- en afwijkingsregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn onder andere regels opgenomen ten aanzien van maatvoering, ondergeschikte bouwonderdelen en parkeergelegenheid. Algemene gebruiksregels In deze bepaling is aangegeven wat onder strijdig gebruik van het bestemmingsplan wordt verstaan.
Hoofdstuk 5
53
Algemene aanduidingsregels In deze bepaling zijn regels opgenomen voor de luchtvaartverkeerzones in verband met de ligging nabij vliegbasis Volkel, waaronder de IHCS-zone, de vliegfunnel, de ILS-zone en het radarverstoringsgebied. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan het bevoegd gezag de mogelijkheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Overige regels In dit artikel zijn algemene nadere eisen opgenomen die het bevoegd gezag kan stellen aan de plaats en afmetingen van bebouwing. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Hoofdstuk 5
54
6.
PROCEDURE
6.1 Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Vooroverleg met betrokken instanties; Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om