CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Toelichting bp Mill Leeuwerikstraat Gruttostraat en Genieweg - 26mei21.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Mill , Leeuwerikstraat, Gruttostraat en Genieweg18.316 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan “Mill, Leeuwerikstraat, Gruttostraat en Genieweg” Gemeente Mill en Sint Hubert Vastgesteld

Bestemmingsplan “Mill, Leeuwerikstraat, Gruttostraat en Genieweg” Gemeente Mill en Sint Hubert Vastgesteld

Identificatienummer:

NL.IMRO.0815.BPMiGruttostraat-VA01

Rapportnummer BRO:

P02301

Datum:

8 juli 2021

Opdrachtgever:

Gemeente Mill en Sint Hubert

Projectleider BRO:

SD

Ontwerp:

10 februari 2021, 2 maart 2021

Vaststelling:

8 juli 2021

Trefwoorden:

Bestemmingsplan, Leeuwerikstraat, Gruttostraat, Genieweg woningbouw, Mill, gemeente Mill en Sint Hubert.

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

Toelichting ten behoeve van het bestemmingsplan voor de realisatie van 18 woningen ter plaatse van de voormalige basisschool aan de Leeuwerikstraat/Gruttostraat en de Genieweg in Mill.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en grens van het plangebied 1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader 1.4 Leeswijzer

4 4 5 6 8

2. PROJECTOMSCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Stedenbouwkundige uitgangspunten 2.3 Toekomstige ontwikkeling 2.4 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

9 9 10 10 11

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

13 13

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

13 13 15 17

3.2.1 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Regionaal en gemeentelijk beleid

17 18 19 20

3.3.1 Woningbouwbeleid 3.3.2 Structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ 3.3.3 Investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit Mill en Sint Hubert

20 21 23

4. UITVOERINGSASPECTEN 4.1 Milieuaspecten

24 24

4.1.1 Bodem 4.1.2 Geluidhinder 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Externe veiligheid 4.1.5 Geur 4.1.6 Milieuzonering 4.1.7 Luchtvaartverkeerzone 4.2 Fysieke aspecten

24 25 27 28 31 31 32 33

4.2.1 Cultureel erfgoed

33

Inhoudsopgave

1

4.2.2 Ecologie 4.2.3 Waterhuishouding 4.2.4 Verkeer en parkeren 4.2.5 Kabels en leidingen 4.3 Duurzaamheid 4.4 M.e.r.-plicht

37 40 42 43 44 45

4.4.1 Beoordeling directe m.e.r.-plicht 4.4.2 M.e.r.-beoordeling 4.5 Economische aspecten 4.6 Handhaafbaarheid

45 45 49 50

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels

51 51 51 51

5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels

51 52 53 54

6. PROCEDURE 6.1 Procedure 6.2 Vooroverleg en inspraak 6.3 Omgevingsdialoog 6.4 Zienswijzen

55 55 55 56 57

Onderzoeksrapporten  Archimil BV, Verkennend bodemonderzoek Leeuwerikstraat 1 Mill, rapportnummer 3001R003-5, 20 januari 2016  Ortageo, Aanvullend bodemonderzoek PFAS Gruttostraat - Havikstraat in Mill, rapportnummer 211557/R01, 10 december 2019  Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Genieweg (ong.) te Mill, rapportnummer 10780.005, 9 oktober 2020  Omgevingsdienst Brabant Noord, Akoestisch onderzoek Havikstraat en Leeuwerikstraat (nabij het wijkcentrum De Wester) in Mill, projectnummer Z/114346, 24 juni 2020  Econsultancy, Oplegnotitie en verkennend booronderzoek Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill, rapportnummer 10780.001, 13 december 2019  Econsultancy, Programma van Eisen Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill in de gemeente Mill en Sint Hubert, rapportnummer 10780.006, 28 september 2020  Econsultancy, Proefsleuvenonderzoek Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill in de gemeente Mill en Sint Hubert, rapportnummer 10780.007, 4 januari 2021

Inhoudsopgave

2

   

Gemeente Mill en Sint Hubert, Selectiebesluit Archeologie, Leeuwerikstraat-Genieweg-Havikstraat-Gruttostraat, documentnr. D/21/256239, 28 januari 2021 Econsultancy, Quickscan flora en fauna Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill, rapportnummer 10780.003, 17 oktober 2019 Econsultancy, Watertoets Havikstraat en Leeuwerikstraat te Mill, rapportnummer 10780.002, 27 oktober 2020 Gemeente Mill en Sint Hubert, Omgevingsdialoog woningbouwlocaties Havikstraat en Leeuwerikstraat/Genieweg te Mill, 3 februari 2021

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel Het voornemen bestaat om ter plaatse van de voormalige basisschool de Leeuwerik aan de Leeuwerikstraat/Gruttostraat in Mill en in het aansluitende gebied woningbouw te realiseren. Op de gronden ten zuiden van het wijkcentrum De Wester is de nieuwbouw van zestien woningen voorzien aan de Leeuwerikstraat en de Gruttostraat. Aan de Havikstraat, ten westen van het wijkcentrum, worden acht woningen gerealiseerd en aan de Genieweg, ten noordwesten van het wijkcentrum, is de ontwikkeling van twee woningen voorzien.

Topografische kaart met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)

Op basis van het momenteel vigerende bestemmingsplan ‘Mill-West 2019’, vastgesteld op 24 september 2020, zijn niet alle onderdelen van deze ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Ter plaatse van

Hoofdstuk 1

4

de Genieweg, Leeuwerikstraat en Gruttostraat is woningbouw op basis van dit bestemmingsplan namelijk niet toegestaan. De gemeente Mill en Sint Hubert heeft aangegeven in principe bereid te zijn medewerking te verlenen aan het initiatief tot de realisatie van de woningen. Hiertoe is een herziening van het juridisch-planologisch kader noodzakelijk. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemmingen voor de gronden binnen het plangebied wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan, waarbinnen de beoogde ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. De woningen die zijn geprojecteerd aan de Havikstraat zijn passend binnen de kaders van het vigerende bestemmingsplan en worden daarom niet meegenomen in het voorliggende nieuwe bestemmingsplan. Het voorliggende bestemmingsplan ziet daarmee uitsluitend op de woningbouw aan de Leeuwerikstraat, Gruttostraat en Genieweg.

1.2 Ligging en grens van het plangebied Het plangebied ligt in het westelijk deel van de kern Mill, aan de wegen Leeuwerikstraat, Gruttostraat en Genieweg. De locatie bestaat uit het voormalige schoolterrein van de basisschool De Leeuwerik, dat is gelegen op de gronden tussen de Leeuwerikstraat en de Gruttostraat, en uit een perceel aan de Genieweg. Het voormalige schoolterrein wordt aan de noordzijde begrensd door het wijkgebouw De Wester en de Havikstraat. Aan de oostzijde vormt de Leeuwerikstraat de plangrens en aan de zuidwestzijde de Gruttostraat. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Bastaardstraat. Het perceel aan de Genieweg grenst aan de noordoostzijde aan de Genieweg en aan de oost- en zuidzijde aan een bestaand parkeerterrein. Ten zuidwesten van dit perceel ligt een onderwijslocatie en aan de westzijde grenst de locatie aan woningen. De omgeving van het plangebied betreft een woongebied. Het plangebied bestaat uit een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als Mill, sectie F, nummer 4686. Daarnaast maakt een klein deel van het perceel Mill, sectie F, nummer 4434 deel uit van het plangebied.

Hoofdstuk 1

5

Begrenzing plangebied (blauw omlijnd) geprojecteerd op een kadastrale ondergrond

1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Mill-West 2019’, zoals is vastgesteld door de gemeenteraad van Mill en Sint Hubert op 24 september 2020. Het plangebied ter plaatse van het voormalige basisschoolterrein is in dit bestemmingsplan bestemd tot ‘Maatschappelijk’ met de nadere functieaanduiding ‘onderwijs’. Deze gronden zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en onderwijs. Daarnaast zijn hierbij behorende wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding toegestaan. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen, dat voor 75% bebouwd mag worden met bebouwing met een maximum goothoogte van 7 meter en een maximum bouwhoogte van 10 meter. De beoogde ontwikkeling van woningen is binnen deze bestemming niet mogelijk. Het perceel aan de Genieweg is in dit vigerende bestemmingsplan bestemd tot ‘Verkeer’ met de nadere functieaanduiding ‘plein’. Deze gronden zijn bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf,

Hoofdstuk 1

6

een plein, nutsvoorzieningen en evenementen. Daarnaast zijn met hierbij behorende gebouwen en bouwwerken, parkeer-, speel-, groen en waterhuishoudkundige voorzieningen, straatmeubilair, water en ontmoetingsvoorzieningen voor groepen mensen toegelaten. De beoogde woningbouw is volgens de geldende verkeersbestemming niet toegestaan.

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Mill-West 2019’ met ligging plangebied (rood omlijnd)

Daarnaast is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ van toepassing op een groot deel van het plangebied, met uitzondering van het perceel aan de Genieweg. Op basis van deze dubbelbestemming geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m² en dieper dan 0,4 m beneden maaiveld. In paragraaf 4.2.1 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.

Hoofdstuk 1

7

Tot slot zijn de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone – ihcs-zone’, ‘luchtvaartverkeerzone – ilszone 6’ en ‘luchtvaartverkeerzone – radarverstoringsgebied’ van toepassing op het gehele plangebied. De gebiedsaanduiding ‘luchtvaartverkeerzone – funnel 3’ geldt voor het zuidoostelijke deel van de locatie. Deze aanduidingen zijn opgenomen vanwege de ligging van het plangebied binnen het obstakelbeheergebied van het militaire luchtvaartterrein ‘Vliegbasis Volkel’. In paragraaf 3.1.2 wordt hier nader op ingegaan.

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt allereerst een beschrijving van zowel de bestaande situatie als de toekomstige ontwikkeling gegeven. De hoofdlijnen van beleid zijn vervolgens beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de uitvoeringsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische planopzet wordt beschreven. In hoofdstuk 6 vindt tot slot een beschrijving van de procedure plaats.

Hoofdstuk 1

8

2.

PROJECTOMSCHRIJVING

2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in het westelijk deel van de kern Mill en omvat een perceel gelegen tussen de Leeuwerikstraat en de Gruttostraat en een perceel aan de zuidwestzijde van de Genieweg. Het perceel aan de Leeuwerikstraat was in het verleden deels bebouwd met de voormalige basisschool De Leeuwerik. Dit schoolgebouw is inmiddels gesloopt en de gronden zijn, na overleg met de omgeving, ingericht als tijdelijk speelveld. Langs de randen zijn enkele bomen aanwezig. Het perceel aan de Genieweg is in de huidige situatie in gebruik als plein en is deels verhard en deels begroeid met enkele bomen.

Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en directe omgeving

Het voormalige schoolterrein wordt aan de noordzijde begrensd door het wijkgebouw De Wester en de Havikstraat. Aan de oostzijde vormt de Leeuwerikstraat de plangrens en aan de zuidwestzijde de

Hoofdstuk 2

9

Gruttostraat. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Bastaardstraat. Het perceel aan de Genieweg grenst aan de noordoostzijde aan de Genieweg en aan de oost- en zuidzijde aan een bestaand parkeerterrein. Ten zuidwesten van dit perceel ligt een voormalige onderwijslocatie en aan de westzijde grenst de locatie aan woningen. De omgeving van het plangebied betreft een woongebied, dat hoofdzakelijk bestaat uit grondgebonden woningen, erftoegangswegen en enkele groenstroken.

2.2 Stedenbouwkundige uitgangspunten In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk grondgebonden woningen gelegen in de vorm van rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt hierbij aangesloten. Gelet op de vorm en omvang van het plangebied en de woningtypen in de omgeving is de realisatie van grondgebonden woningen met tuinen een passende invulling. Van belang is een goede aansluiting op de bouwmassa’s van de directe omgeving. De meeste woningen in de omgeving bestaan uit twee bouwlagen met een schuine kap. De beoogde woningen sluiten hierbij aan. Daarnaast is een passende overgang van de nieuwe woningen naar het wijkcentrum De Wester van belang. Het wijkcentrum, dat tussen de locatie aan de Leeuwerikstraat/Gruttostraat en het perceel aan de Genieweg ligt, blijft in zijn huidige vorm en functie behouden. De buitenruimte behorend bij het wijkcentrum blijft eveneens in haar huidige vorm en functie behouden. Aan de zuidwestzijde van dit buitenterrein, op de hoek Havikstraat/ Gruttostraat, wordt een nieuwe speelplek gerealiseerd. Tussen deze speelplek en de direct daarnaast geprojecteerde rijwoningen zal een geluidscherm met een hoogte van 2,5 meter worden gerealiseerd, om eventuele geluidhinder van de speelvoorzieningen op deze woningen te beperken.

De gronden binnen het plangebied zullen daarnaast worden ingericht met tuinen bij de woningen, een ontsluitingsweg, groen- en speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Het parkeren zal deels op eigen terrein bij de woningen plaatsvinden en deels in het openbare gebied worden opgelost.

2.3 Toekomstige ontwikkeling Binnen het plangebied zullen grondgebonden woningen worden gerealiseerd. Qua situering, typologie en maatvoering wordt aangesloten bij de woningen in de omgeving. In de omgeving zijn hoofdzakelijk rijwoningen en twee-onder-een-kapwoningen gelegen. De voorliggende ontwikkeling sluit hierbij aan, aangezien hierbij in totaal twaalf rijwoningen en zes twee-onder-een-kapwoningen worden gerealiseerd. Het merendeel van deze woningen is op de locatie van de voormalige basisschool geprojecteerd. Deze woningen worden deels georiënteerd op de Gruttostraat en deels op de Leeuwerikstraat.

Hoofdstuk 2

10

Op het perceel aan de Genieweg worden twee twee-onder-een-kapwoningen gerealiseerd. Deze woningen worden op de Genieweg georiënteerd. Op de navolgende situatietekening is de beoogde inrichting van het plangebied weergegeven. De rijwoningen zullen in drie blokken van vier woningen worden gerealiseerd. Tussen de twee blokken met rijwoningen aan de Gruttostraat wordt een interne toegangsweg gerealiseerd. Deze weg leidt naar een achterterrein, waarlangs een deel van de woningen via een achterom bereikbaar is. Via deze toegangsweg zal ook een aantal parkeerplaatsen bereikbaar zijn, die voor het merendeel op het eigen terrein bij de woningen worden gerealiseerd. Twee parkeerplaatsen zijn in de openbare ruimte, aan het einde van de toegangsweg geprojecteerd en zullen gebruikt worden ten behoeve van de twee aansluitend gelegen nieuwe woningen. Daarnaast worden langsparkeervakken gerealiseerd langs de Gruttostraat en zal bij een aantal woningen een oprit worden gerealiseerd met ruimte om twee auto’s achter elkaar te parkeren. Dit zal onder andere bij de twee woningen aan de Genieweg het geval zijn. Alle woningen krijgen een maximum goothoogte van 6 meter en een maximum bouwhoogte van 11 meter. Deze hoogtes bieden voldoende ruimte voor het realiseren van twee bouwlagen met een schuine kap, in lijn met de woningen in de omgeving.

Aan de zuidoostzijde van het plangebied, aan de Bastaardstraat, wordt een openbare groenstrook gerealiseerd. Ter plaatse is een monumentale boom aanwezig, die blijft behouden en in deze groenstrook wordt ingepast. Aan de westzijde van het plangebied, op de hoek van de Havikstraat en de Gruttostraat en in aansluiting op het buitenterrein van De Wester, wordt een speelvoorziening gerealiseerd.

2.4 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De voorgenomen woningen passen goed in de omgeving, aangezien hier reeds meerdere grondgebonden woningen aanwezig zijn. Er is sprake van een herstructureringslocatie binnen het stedelijk gebied in een bestaande woonwijk, geheel in lijn met de beleidsuitgangspunten van zowel de provincie Noord-Brabant als de gemeente Mill en Sint Hubert. Vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig opzicht worden de woningen zorgvuldig ingepast. Qua situering, typologie en maatvoering wordt aangesloten bij de woningen in de omgeving. In de omgeving zijn hoofdzakelijk rijwoningen en twee-onder-een-kapwoningen gelegen, met een vergelijkbare goot- en bouwhoogte. Er kan kortom geconcludeerd worden dat het plan vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt goed inpasbaar is in de omgeving.

Hoofdstuk 2

11

Stedenbouwkundig plan woningbouw Leeuwerikstraat, Gruttostraat en Genieweg

Hoofdstuk 2

12

3.

BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Op 11 september 2020 is de NOVI naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI wordt geanticipeerd op de Omgevingswet, die op 1 januari 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kan men in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Voor de voorliggende ontwikkeling is met name de prioriteit ‘sterke en gezonde steden en regio’s’ van belang.

Middels de voorliggende woningbouw op een herontwikkelingslocatie in de kern Mill wordt een bijdrage geleverd aan het nationale belang om te zorgen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Voor het overige zijn gezien de aard en schaal van deze ontwikkeling geen nationale belangen uit de NOVI in het geding. De ontwikkeling is kortom in overeenstemming met de NOVI. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland,

Hoofdstuk 3

13

erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Van de bovengenoemde onderwerpen is uitsluitend het onderwerp ‘Defensie’ van belang. Het plangebied is namelijk gelegen binnen het obstakelbeheergebied van het militaire luchtvaartterrein ‘Vliegbasis Volkel’. In het kader van de ligging binnen het obstakelbeheergebied, zijn in het geldende bestemmingsplan ‘Mill-West 2019’, de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone – radarverstoringsgebied’, ‘luchtvaartverkeerszone – ihcs-zone’, ‘luchtvaartverkeerszone – funnel 3’ en ‘luchtvaartverkeerszone – ILSzone 6’ opgenomen, ter bescherming van de belangen van de militaire luchthaven. De gronden die als zodanig zijn aangeduid, zijn mede bestemd voor een onverstoorde instandhouding van het radarverstoringsgebied en de in- en uitvliegfunnel van vliegtuigen. Concreet betekent dit dat ter plaatse de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 72 m + NAP (radarverstoringsgebied) respectievelijk 64 m + NAP (IHCS-zone), 40 m + NAP (funnel) en 68,9 m + NAP (ILS-zone). Binnen dit bestemmingsplan worden dergelijke hoogtes niet mogelijk gemaakt.

Kaart militair luchtvaartterrein - Vliegbasis Volkel, bijlage 3.8 bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, met als inzet linksboven de situatie ingezoomd op het plangebied.

Hoofdstuk 3

14

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). In het voorliggende geval worden 18 woningen mogelijk gemaakt op een locatie waar voorheen een basisschool en een plein aanwezig waren. Blijkens jurisprudentie betreft het toevoegen van meer dan 12 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is vereist. In januari 2019 is in de gemeente Mill en Sint Hubert een quickscan2 uitgevoerd naar de kwalitatieve woningbehoefte in de kernen. Ten aanzien van de kwantitatieve woonbehoefte is gebruik gemaakt van de woningbouwbehoefteprognose van de Provincie Noord-Brabant uit 2017. Hierbij is onderscheid gemaakt in een ‘hoog’ en een ‘laag’ scenario.

Het verschil tussen beide scenario’s is het wel of niet inlopen van het bestaande woningtekort. De gemeente Mill en Sint Hubert is uitgegaan van het ‘hoge’ scenario, op basis waarvan er in de periode tot en met 2030 behoefte is aan 490 woningen. De harde plancapaciteit in de gemeente ligt met 258 woningen beduidend lager. Wanneer ook de zachte plancapaciteit wordt meegenomen, is er nog ruimte om 65 woningen toe te voegen. In de kern Mill, met uitzondering van het centrum, bedraagt de totale plancapaciteit 172 woningen, waarvan 86 woningen harde plancapaciteit betreffen en eveneens 86 woningen zachte plancapaciteit.

1 2

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). Companen, Quick Scan woningbehoefte Mill en Sint Hubert, Gemeente Mill en Sint Hubert, projectnummer 815.101, 18 januari 2019

Hoofdstuk 3

15

In Mill ligt de totale plancapaciteit (inclusief de zachte plannen, waarvan nog niet zeker is of deze zullen doorgaan) hoger dan de woningbehoefte, die is bepaald op basis van de autonome groei per kern. Als echter alleen naar de harde plancapaciteit wordt gekeken ligt in deze kern (net als in de andere kernen van de gemeente) de plancapaciteit lager dan de verwachte behoefte. Daarnaast is de verwachting dat de daadwerkelijke woningbehoefte in Mill hoger uit zal vallen dan de autonome groei, omdat Mill de kern met het grootste voorzieningenniveau is, en daardoor aantrekkelijk voor vestigers. Wat betreft de kwalitatieve woonbehoefte is in de quickscan de kwalitatieve behoefte per kern aan diverse typen woningen inzichtelijk gemaakt. In de navolgende afbeelding is deze kwalitatieve behoefte weergegeven.

De woningtypen die in het plangebied worden gerealiseerd zijn koopwoningen, in de vorm van tweeonder-een-kap en rijwoningen. De 12 rijwoningen vallen in het prijssegment € 185.000,- tot € 250.000,-. De 6 tweekappers vallen deels in het prijssegment € 250.000,- tot € 350.000,- (3 woningen) en deels in de categorie > € 350.000,- (eveneens 3 woningen).

Hoofdstuk 3

16

Blijkens de bovenstaande tabel bestaat er in de kern Mill een kwalitatieve behoefte aan dit type woningen. Voor rij- en hoekwoningen in het prijssegment € 185.000,- tot € 250.000,- is in Mill behoefte aan circa 20 woningen. Middels het voorliggend plan wordt voorzien in 12 woningen van dit type. Bij tweeonder-een-kapwoningen is met name behoefte in de prijssegmenten € 250.000,- tot € 350.000,- (20 wooneenheden) en > € 350.000,- (15 wooneenheden). Middels de voorliggende ontwikkeling wordt voorzien in een deel van deze behoefte, doordat in elk van de genoemde prijssegmenten drie tweeonder-een-kapwoningen worden gerealiseerd. Samengevat voorziet de voorliggende ontwikkeling qua aantallen en woningtypen in de kwantitatieve en de kwalitatieve behoefte aan woningen in de kern Mill. De ontwikkeling vindt plaats op een herontwikkelingslocatie binnen de kern Mill, waar voorheen een basisschool en een plein aanwezig waren. Hiermee is sprake van een transformatie binnen bestaand stedelijk gebied, hetgeen in overeenstemming is met de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1

Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014

De Structuurvisie Ruimtelijke ordening (vastgesteld door Provinciale Staten d.d. 1 oktober 2010) geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Op 7 februari 2014 hebben de Provinciale Staten de Structuurvisie 2010, partiële herziening 2014 vastgesteld. Hierin is een aantal wijzigingen opgenomen ten opzichte van de structuurvisie uit 2010. In de structuurvisie geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. Met als doel een goede woon-, werk- en leefomgeving voor de inwoners en bedrijven in Brabant. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de meest recente Structurenkaart (zie onderstaande afbeelding) geldt voor het gebied de aanduiding ‘Groenblauwe mantel’. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water.

Het zijn meestal gebieden grenzend aan het kerngebied natuur en water die bijdragen aan de bescherming van de waarden in het kerngebied. Ook de groene gebieden door én nabij de stedelijke omgeving zijn onderdeel van de groenblauwe mantel. Binnen de groenblauwe mantel is de agrarische sector een grote en belangrijke grondgebruiker. Het is nodig deze positie te behouden en/of een ontwikkeling in grondgebonden agrarisch gebruik te bevorderen. Er zijn ook diverse recreatieve en toeristische bedrijven binnen de groenblauwe mantel aanwezig. Nieuwe ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel zijn mogelijk, als deze bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap.

Hoofdstuk 3

17

In de Structuurvisie zijn geen specifieke aandachtspunten voor Mill-West benoemd. Het voorliggende bestemmingsplan maakt woningbouw mogelijk op een herontwikkelingslocatie binnen het bestaand stedelijk gebied, ter plaatse van een voormalige schoollocatie en een plein. Het plangebied bevindt zich in de kern Mill en bevat geen bijzondere natuurlijke of landschappelijke waarden die als gevolg van deze ontwikkeling worden aangetast. Bovendien wordt in het plangebied voorzien in openbaar groen en blijft de bestaande, monumentale boom in het plangebied bij deze ontwikkeling behouden. Hierdoor heeft het project geen negatief effect op de groenblauwe mantel. Het bestemmingsplan voldoet hiermee aan de Provinciale Structuurvisie.

Structurenkaart structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 Noord-Brabant met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)

3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De omgevingsvisie bevat de ambities voor de Brabantse leefomgeving tot 2050. Daarnaast zijn mobiliserende tussendoelen opgesteld voor de periode tot 2030. De basisopgave van de omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn de volgende vier hoofdopgaven geformuleerd:  Werken aan de Brabantse energietransitie;  Werken aan een klimaatproof Brabant;  Werken aan de slimme netwerkstad;

Hoofdstuk 3

18

Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

De provincie blijft inzetten op duurzame verstedelijking door middel van herbestemming en transformatie in het bestaand bebouwd gebied. Hier liggen tevens kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en woningbouw. De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave van circa 120.000 woningen, daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug. De provincie ziet deze opgave als kans om invulling te geven aan de energieopgave in het stedelijk gebied, het stedelijk gebied klimaatbestendig te maken en de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen. De voorliggende ontwikkeling omvat de realisatie van 18 woningen op een perceel in de kern Mill, op braakliggende gronden die in het verleden bebouwd waren met een basisschool en ter plaatse van een plein. Er is dus sprake van een herstructureringslocatie binnen bestaand bebouwd gebied, waarmee wordt aangesloten bij het principe van duurzame verstedelijking. Tevens wordt invulling gegeven aan de woningbouwopgave voor de komende tien jaar. De ontwikkeling is dan ook in lijn met het door de provincie Noord-Brabant voorgestane beleid. 3.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld.

In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Het plangebied is volgens de kaarten bij de Interim omgevingsverordening binnen het stedelijk gebied gelegen. Volgens artikel 3.42 ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’ dient een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen binnen het stedelijk gebied te zijn gelegen en een onderbouwing te bevatten dat:  de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, zoals bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken;  het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen:  bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving;  bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;  geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;  houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water;  geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit;  draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Hoofdstuk 3

19

Wat betreft stedelijke ontwikkeling is het plangebied blijkens de kaarten bij de Interim omgevingsverordening gelegen binnen een landelijke kern in het stedelijk gebied. De voorliggende ontwikkeling van in totaal 18 wooneenheden is passend binnen de regionale afspraken. Daarnaast betreft het een duurzame stedelijke ontwikkeling, omdat deze een positieve invloed heeft op de omgevingskwaliteit. De momenteel braakliggende, voormalige onderwijslocatie en het bestaande pleintje aan de Genieweg worden vervangen door een kwalitatief hoogwaardig woongebied. In het stedenbouwkundig plan wordt voorzien in een hoge omgevingskwaliteit, waarbij zoveel mogelijk invulling wordt gegeven aan een veilige en gezonde leefomgeving. Aangezien de ontwikkeling plaatsvindt op een herstructureringslocatie binnen bestaand stedelijk gebied is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De woningen dienen te voldoen aan de wettelijke duurzaamheidseisen, en worden daarom o.a. gasloos uitgevoerd. In het stedenbouwkundig plan is voorzien in openbaar groen en in de opvang/infiltratie van hemelwater, waardoor hittestress en wateroverlast zoveel mogelijk worden voorkomen. Wat betreft mobiliteit wordt voorzien in nieuwe infrastructuur en parkeerplaatsen om het woongebied optimaal bereikbaar te maken voor zowel autoverkeer als langzaam verkeer.

Samengevat betreft de voorliggende ontwikkeling hiermee een duurzame stedelijke ontwikkeling. Voor het voorliggende plangebied zijn daarnaast enkele regels met betrekking tot natuur (afdeling 2.6 van de verordening) relevant. Uit de uitgevoerde quickscan flora en fauna (zie paragraaf 4.2.2 ‘ecologie’) is geconcludeerd dat het voorliggende plan geen negatieve invloed heeft op beschermde natuurwaarden en soorten, waardoor het plan niet in strijd is met afdeling 2.6 van de Interim omgevingsverordening. Ten aanzien van de overige onderwerpen die in de verordening worden geregeld, zijn geen regels opgenomen die van toepassing zijn op het voorliggende plan. Conclusie provinciaal beleid De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het provinciale beleid, aangezien er woningen worden toegevoegd op een herstructureringslocatie die is aangewezen als bestaand stedelijk gebied.

3.3 Regionaal en gemeentelijk beleid 3.3.1 Woningbouwbeleid Regionale woningbouwafspraken In mei 2017 heeft de provincie Noord-Brabant haar bevolkings- en behoefteprognose geactualiseerd. De prognose is een belangrijk richtinggevend kwantitatief instrument voor het volkshuisvestelijke beleid van de gemeente. In de provinciale prognose wordt gewerkt met een ‘hoog scenario’ (490) en een ‘laag scenario’ (365). Het verschil tussen beide scenario’s zit in het al dan niet inlopen van het thans bestaande woningtekort (125). Vooruitlopend op en in afwachting van de nieuwe prognose heeft het Regionaal ruimtelijk overleg (RRO) Noordoost-Brabant in december 2016 besloten om, voor de betrokken gemeenten, de (kwanti-

Hoofdstuk 3

20

tatieve) woningbouwafspraken voor de periode 2016-2026 nog vast te stellen op basis van de provinciale Bevolkings- en woningbehoefteprognose 2014. Het in de Regionale Agenda Wonen 2017 (deel A) vastgelegde groeicijfer voor de gemeente Mill en Sint Hubert is daarbij vastgesteld op 455. Gelet op de aantallen woningen volgens de provinciale prognose(s), respectievelijk de in regionaal verband gemaakte afspraken, is het aantal in dit bestemmingsplan opgenomen woningen (18) in overeenstemming met de bedoelde afspraken. Daarnaast dient opgemerkt te worden, dat het bestemmingsplan er niet toe zal leiden dat de voor de gemeente Mill en Sint Hubert toegestane harde plancapaciteit voor woningbouw wordt overschreden. Regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk In 2013 hebben de vijf gemeenten in het Land van Cuijk een gezamenlijke regionale woningmarktstrategie vastgesteld. In 2018 is deze woningmarktstrategie geactualiseerd, rekening houdend met de meest actuele volkshuisvestelijke ontwikkelingen. In de woonmarktstrategie zijn zes uitgangspunten (zogeheten ankers) benoemd die de kern vormen van de visie. Per anker is een doel gesteld. 1. Een vitale regio. Doel: tot 2030 nog met 3.000 tot 4.000 extra woningen groeien. 2. Een gezonde woningmarkt. Doel: met gezond verstand optimaal inspelen op de woonwensen van mensen. Gemeenten sturen lokaal en stemmen regionaal af. 3.

De juiste woning op de juiste plek in dit Land van kernen. Doel: het Land van Cuijk doet recht aan de eigenheid en vitaliteit van kernen. Hierbij wordt verschil gemaakt in de wijze van gebiedsontwikkeling tussen grotere en kleinere kernen. 4. Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal. Doel: kwaliteit bestaande voorraad: van goed naar excellent. 5. Een levensloopvriendelijke regio. Doel: kwetsbare inwoners met lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen wonen zoveel mogelijk in hun eigen leefomgeving. Is dat niet mogelijk dan is er in de grotere kernen een goede woonzorginfrastructuur. 6. Een duurzame regio. Doel: vanaf 2050 zijn alle woningen (bestaand en nieuw) grotendeels energieneutraal. De vijf gemeenten in het Land van Cuijk zorgen voor een gelijk speelveld. De voorliggende ontwikkeling van 18 woningen draagt bij aan het doel om tot 2030 met 3.000 tot 4.000 woningen te groeien. Daarnaast draagt het plan bij aan een gezonde woningmarkt en wordt ingespeeld op de woonwensen van de inwoners van Mill, omdat qua woningtypen wordt aangesloten bij de behoefte rij- en twee-onder-een-kap koopwoningen (zie ook paragraaf 3.1.3). Tot slot draagt de ontwikkeling bij aan de vitaliteit van de kern Mill en is sprake van de ‘juiste woning op de juiste plek’. De ontwikkeling vindt namelijk plaats op een herstructureringslocatie binnen de kern.

Het plan is kortom passend binnen de uitgangspunten van de Regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk. 3.3.2 Structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ Op 29 september 2011 heeft de gemeenteraad de structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ vastgesteld, waarin de gemeente haar toekomstvisie op de gemeente Mill en Sint Hubert beschrijft.

Hoofdstuk 3

21

In de structuurvisie zijn verschillende doelen geformuleerd voor de toekomstige ontwikkeling van de gemeente. Deze doelen kunnen worden samengevat in het volgende missiestatement: “De gemeente Mill en Sint Hubert wil zich ontwikkelen tot een eigentijdse en authentieke woon-, werk- en leefgemeente van hoogwaardige en duurzame kwaliteit, waar mensen thuis zijn in een gastvrije gemeenschap gelegen in een aangename landelijke en dorpse omgeving, die is geïnspireerd op de grote diversiteit aan natuur, landschap en cultuurhistorie.” Het plangebied ligt binnen de zone ‘Peelzoom’. De Peelzoom is een langgerekte door windwerking ontstane wal, die in breedte varieert van één tot twee kilometer. Deze zoom wordt doorsneden door diverse beken, die allemaal min of meer haaks op de Peelrand het Maasterras in stromen. Sleutelwoorden voor deze zone zijn natuur- en cultuurlandschap, statisch en aardkundige waarden.

Uitsnede kaart Structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ met globale ligging plangebied (rode pijl)

De gemeente wil voor alle kernen integraal inzetten op vitale, duurzame en toekomstgerichte dorpsontwikkeling. Thema’s zijn welzijn (de kwaliteit en diversiteit van zowel de bestaande als de nog te realiseren woningvoorraad, de kwaliteit van het totale voorzieningenniveau en de kwaliteit van de leefomgeving in dorp en ommeland) en welvaart (economische bedrijvigheid, gastheerschap voor toeristen). De voorliggende locatie is in de structuurvisie aangewezen voor de realisatie van woningbouw.

Hoofdstuk 3

22

De voorgenomen ontwikkeling past binnen het streven naar vitale, duurzame en toekomstgerichte dorpsontwikkeling en het streven naar een goede kwaliteit en diversiteit van de woningvoorraad binnen de kern Mill. De beoogde woningbouw vindt plaats op een herstructureringslocatie binnen de kern waar in de structuurvisie reeds woningbouw is voorzien. De nieuwe woningen sluiten qua aantallen en woningtypen aan bij de woningbehoefte in Mill. De plannen zijn hiermee passend binnen de structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’. 3.3.3 Investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit Mill en Sint Hubert Op 27 september 2012 heeft de gemeenteraad van Mill en Sint Hubert de beleidsregel ‘Investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit (IRK) Mill en Sint Hubert’ vastgesteld en op 3 september 2013 is de IRK gewijzigd en aangevuld. Met de IRK wordt uitvoering gegeven aan paragraaf 8.4 van de structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ (fonds ruimtelijke ontwikkelingen voor de kernen en voor het buitengebied). De IRK gaat er, evenals de structuurvisie, van uit dat een initiatief moet bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid van de kernen en het buitengebied. Met het oog hierop wordt bij een ruimtelijke ontwikkeling met een aanzienlijke impact een redelijke (financiële) bijdrage gevraagd, die is gebaseerd op een percentage van de vastgestelde grondwaardevermeerdering.

De ontvangen financiële bijdragen komen ten goede aan de fondsen ruimtelijke ontwikkelingen voor de kernen en het buitengebied en worden ook besteed aan de toegewezen projecten van deze fondsen. De bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit is onlosmakelijk onderdeel van de afweging ten aanzien van een ruimtelijk initiatief. De IRK is een instrument dat alle handvatten biedt om in het proces van (particulier) initiatief tot contractvorming de compensatieregeling vorm te geven. Het gaat dan onder meer om:  een processchema met daarin alle te doorlopen stappen in de procesgang van initiatief tot contractvorming;  een grondwaardemethodiek om tot een objectieve en consistente manier de gewenste tegenprestatie per initiatief te bepalen;  een limitatieve lijst met mogelijke tegenprestaties bij ‘zelfrealisatie’ (met name een vergoeding voor natuurontwikkeling en voor sloop) met een waarderingssystematiek. Met het oog op een praktische uitvoerbaarheid van de regeling, is het doorvoeren van wijzigingen van de IRK overgelaten aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Mill en Sint Hubert. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de IRK niet van toepassing omdat de gemeente zelf eigenaar is van de grond en het kostenverhaal en de (eventueel gewenste) kwaliteitsbijdrage via de gronduitgifte geregeld wordt en daarmee dus anderszins verzekerd is.

Hoofdstuk 3

23

4.

UITVOERINGSASPECTEN

4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Bodem In het kader van een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, dient aangetoond te worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor woondoeleinden. In januari 2016 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het plangebied aan de Leeuwerikstraat/Gruttostraat. De onderzoeksresultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage 3. Uit het onderzoek is gebleken dat de grond uit de bovenlaag (0-0,6 m-mv) en de grond uit de onderlaag (0,5-2,1 m-mv) niet verontreinigd zijn met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater is matig verontreinigd met zink. Gelet op de aangetroffen concentratie aan zink in het grondwater en de vermoedelijk verhoogde achtergrondwaarden is het uitvoeren van een nader onderzoek naar de herkomst volgens de Circulaire Interventiewaarden Bodemsanering niet noodzakelijk. Aangezien direct contact met het grondwater niet te verwachten is, blijft het risico vanuit het oogpunt van volksgezondheid en milieuhygiëne beperkt. In het plangebied is op maaiveldniveau en in de mengmonsters geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De hypothese onverdacht voor asbest is hiermee bevestigd.

In aanvulling op dit verkennend bodemonderzoek heeft in december 2019 een aanvullend bodemonderzoek naar PFAS4 plaatsgevonden in dit deel van het plangebied, met als doel om de indicatieve hergebruiksmogelijkheden van de grond in beeld te brengen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is het volgende geconcludeerd:  Ter plaatse van één deellocatie is een overschrijding van de achtergrondwaarde voor PFOS (som) aangetoond in de humeuze bovengrond. Het aangetoonde gehalte ligt marginaal hoger dan de achtergrondwaarde.  De overige gehalten aan PFAS liggen beneden de achtergrondwaarden. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen bouwactiviteiten en graafwerkzaamheden. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage.

3 4

Archimil BV, Verkennend bodemonderzoek Leeuwerikstraat 1 Mill, rapportnummer 3001R003-5, 20 januari 2016 Ortageo, Aanvullend bodemonderzoek PFAS Gruttostraat - Havikstraat in Mill, rapportnummer 211557/R01, 10 december 2019

Hoofdstuk 4

24

Daarnaast is in 2020 een verkennend bodemonderzoek inclusief PFAS5 uitgevoerd op de locatie aan de Genieweg. De resultaten zijn hieronder samengevat, voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. In de zintuiglijk schone boven- en ondergrond zijn analytisch géén verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium en zink. De aangetoonde lichte metaalverontreiniging is hoogstwaarschijnlijk te relateren aan het regionaal voorkomen van verhoogde concentraties van metalen in het grondwater. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie als ‘heterogeen verdacht’ dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Wat betreft het onderdeel PFAS zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan PFOS en PFOA boven de detectielimiet aangetroffen. In de ondergrond zijn de gehalten PFOS en PFOA niet boven de detectielimiet aangetroffen. Getoetst aan het ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecies’ voldoet de onderzochte bovengrond voor de parameter PFOS en PFOA op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/Natuur’. De onderzochte ondergrond voldoet op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur’.

De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie B als ‘homogeen verdacht’ dient te worden beschouwd, wordt verworpen. Naar aanleiding van de bovenstaande onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de milieuhygienische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik voor woondoeleinden. Een aanvullend bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt, dan dient de bodemkwaliteit hiervan bepaald te worden in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. 4.1.2 Geluidhinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Woningen zijn geluidgevoelige objecten.

De wegen in de omgeving van het plangebied betreffen allen 30 km/uur-wegen. Voor deze wegen geldt daarom in principe geen onderzoeksplicht op basis van de

5

Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Genieweg (ong.) te Mill, rapportnummer 10780.005, 9 oktober 2020

Hoofdstuk 4

25

Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is desalniettemin wel een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. De resultaten zijn hieronder beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage 6. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de nieuw te bouwen woningen maximaal 61 dB Lden bedraagt. De woningen in blok 3 en 5 (gesitueerd aan de Leeuwerikstraat) hebben de hoogste geluidbelasting. Deze zijn dicht op de Leeuwerikstraat gelegen, hetgeen de hoge geluidbelasting verklaart. De berekende waarde is hoger dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) zoals genoemd in de Wet geluidhinder, maar lager dan de maximaal toelaatbare grenswaarden (63 dB). Bij alle woningen is sprake van een zijde waar de geluidbijdrage vanwege wegverkeerslawaai lager is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zoals genoemd in de Wet geluidhinder. Naast geluidhinder van wegverkeerslawaai is in hetzelfde akoestisch onderzoek tevens onderzoek verricht naar de geluidbelasting van het wijkcentrum De Wester op de beoogde woningen. Dit wijkcentrum ligt te midden van het plangebied aan de Havikstraat 1. Het merendeel van de activiteiten die worden ontplooid in het wijkcentrum De Wester zijn akoestisch niet relevant. In het onderzoek zijn alleen de relevante activiteiten meegenomen.

Dit zijn het gebruik van de gymzaal voor dans en muziek en het oefenen van de harmonie. Naast deze inpandige activiteiten vinden activiteiten plaats op het buitenterrein ten westen van het gebouw en de nog te realiseren speelplek. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting vanwege deze buitenactiviteiten tevens meegenomen in het onderzoek. Tijdens ‘reguliere’ activiteiten in de gymzaal van het wijkcentrum De Wester (dans en ballet) kan voldaan worden aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit. Tijdens het oefenen van de harmonie wordt deze normstelling overschreden. Hierbij kan de gemeente gebruik maken van de bevoegdheid zoals opgenomen in de gemeentelijke verordening en de activiteiten van de harmonie wel toestaan en daarmee uitsluiten van toetsing aan het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit kent geen geluidnormen voor het buitenterrein en de speelplek. Vervolgens zijn de cumulatieve geluidbelastingen op de woningen als gevolg van wegverkeer en de activiteiten van De Wester inzichtelijk gemaakt. Omdat de voorkeursgrenswaarde op een aantal gevels wordt overschreden, heeft in de onderzoeksrapportage een afweging van geluid reducerende maatregelen plaatsgevonden.

In het onderzoek is uitgegaan van de realisatie van een scherm met een hoogte van 2,5 meter tussen woonblok 1 (het meest noordelijk gelegen blok van rijwoningen aan de Gruttostraat) en het speelterrein. Bij dit voorgestelde scherm ontstaat in de tuinen van woonblok 1 een geluidbelasting van circa 50 dB Lden en een piekniveau van 66 dB(A). Pas bij grotere hoogten van het scherm (circa 5 meter) wordt een relevante geluidreductie bereikt. Het verhogen van het scherm wordt echter niet kosteneffectief en

6

Omgevingsdienst Brabant Noord, Akoestisch onderzoek Havikstraat en Leeuwerikstraat (nabij het wijkcentrum De Wester) in Mill, projectnummer Z/114346, 24 juni 2020

Hoofdstuk 4

26

niet wenselijk beschouwd. Met het voorgestelde scherm met een hoogte van 2,5 meter wordt de geluidbelasting in de tuin van de woning grenzend aan het speelterrein gereduceerd tot 50 dB. Onder deze geluidbelasting is in de tuinen nog sprake van een redelijk woon- en leefklimaat. De realisatie en instandhouding van dit geluidscherm is door middel van een voorwaardelijke verplichting gewaarborgd in het voorliggende bestemmingsplan. Het toepassen van verdere bron-, verkeers- en overdrachtsmaatregelen stuit op bezwaren van o.a. financiële en stedenbouwkundige aard. Wat betreft overdrachtsmaatregelen is het stedenbouwkundig ontwerp reeds zodanig vormgegeven dat zoveel mogelijk afscherming in het achterliggende gebied (ter plaatse van de achtertuinen bij de woningen) wordt gerealiseerd. In de tuinen zal hierdoor sprake zijn van een goed woon en leefklimaat. Bij de nadere bouwkundige uitwerking van de woningen moet worden voorzien in voldoende geluidwerende gevels. Voor de overige gevels kan worden volstaan met een standaard gevel met een geluidwering van 20 dB conform het Bouwbesluit. In de wijde omgeving van het plangebied zijn daarnaast geen spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen gelegen. Vanuit het aspect geluidhinder zijn er dan ook geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw.

4.1.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2 μg/m3).

Voor woningbouwlocaties geldt een NIBM-grens (3% criterium) van ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het voorliggende project betreft de realisatie van 18 woningen. Dit betekent dat

Hoofdstuk 4

27

ruimschoots binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het project draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM2,5)

jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Grenswaarden Wlk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) ligt de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 18 en 20 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 4.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke

Hoofdstuk 4

28

stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit.

Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Woningen zijn kwetsbare objecten. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.

Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=ab6dd44e-ef08-4f2a-9889-cd57ea7c73fc