04. Toelichting_4.pdf
Tekst van het document
Getoetst aan het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” en aan de “Handreiking toepassing PFAS houdende grond en baggerspecies Noord-Brabant” voldoet de onderzochte bovengrond voor de parameter PFOS en PFOA op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur”. De onderzochte ondergrond voldoet op indicatieve basis eveneens aan de kwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur”. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie A als "grootschalige onverdacht" dient te worden beschouwd, wordt aanvaard. Deellocatie B: voormalige weg Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie een "verdachte locatie met diffusie bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, lijnvormig” (VED-HE-L). In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. Aangezien er geen zintuiglijk verontreinigingen zijn aangetroffen is er geen aanleiding om te stellen dat er resten van de voormalige weg aanwezig zijn. Aangezien er geen zintuiglijke bijmengingen ter plaatse van de voormalige weg zijn aangetroffen zijn er geen analyses uitgevoerd ter plaatse van deze deellocatie.
Conclusie Gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Gezien het ontbreken van puin(resten) binnen het plangebied is het niet noodzakelijk om een verkennend onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 plaats te laten vinden. Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem binnen het plangebied géén belemmeringen voor beoogde ontwikkelingen (woningbouw) binnen het plangebied. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 2 juli 2020) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
Hoofdstuk 4
31
4.1.2 Geluidhinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. De geluidgevoelige bestemmingen binnen onderhavig plan zijn gelegen in de geluidszone van de Van den Bogaardweg, Meidoornweg, Bremweg, Sportweg, Wanroijseweg, Pastoor Jacobstraat en de Bosweg. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt tevens de nabijgelegen 30 km/uur weg (binnenplanse weg) in de afweging betrokken. Daarnaast dient de geluidbelasting op geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld te worden.
Tevens dient het akoestisch effect van het plan op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen rondom het plangebied inzichtelijk gemaakt te worden. Hiervoor is inzicht in zowel de autonome ontwikkeling (toekomstig zonder realisatie plan) als de situatie na planontwikkeling noodzakelijk. In navolging van de bovenstaande bevindingen is door M-Tech een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai9 uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Voor een volledige weergave van het onderzoek wordt verwezen naar de separate bijlagen. Binnen het onderzoek zijn de reeds benoemde varianten uit paragraaf 2.2 toegelicht. Voor de berekening van de verkeersgeneratie van het plan is uitgegaan van de situatie zoals genoemd in variant 2, omdat deze qua verkeersbewegingen maatgevend zijn (dit is de variant met 73 woningen). Berekeningsresultaten wegverkeer De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 52 dB. Ten gevolge van de Wanroijseweg en de Bosweg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt met 4 dB overschreden. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Wanroijseweg en de Bosweg is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk.
In onderstaande afbeelding zijn de woningen aangegeven binnen het plangebied waar een overschrijding optreedt van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De situering van de aangegeven woningen zijn bij variant 1 (71 woningen) en 2 (73 woningen) hetzelfde.
9
M-Tech, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ’t Kavelt te Mill, rapportnr.: 2251.002, 21 juli 2020
Hoofdstuk 4
32
Woningen met overschrijding hoogste toelaatbare geluidbelasting
Verkeersaantrekkende werking De geluidsbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking vanwege de realisering van de woningen zijn berekend ter plaatse van de gevels van de meest kritisch gelegen geluidsgevoelige bestemmingen (zie onderstaande afbeelding). De situaties met en zonder het verkeer vanuit het plan zijn hierbij onderling vergeleken. De woningen aan de Van den Bogaardweg zijn niet meegenomen vanwege de beperkte toename aan verkeersbewegingen. Bij een toename van 16 verkeersbewegingen op een totale intensiteit van 180 voertuigen per etmaal bedraagt de toename circa 0,37 dB. Er is geen sprake van een verslechtering van het woon- en leefklimaat voor de woningen aan de Van den Bogaardweg.
Hoofdstuk 4
33
Bestaande geluidgevoelige bestemmingen
De geluidsbelastingen bij maatgevende geluidgevoelige bestemmingen vanwege de Wanroijseweg zijn weergegeven in de onderstaande tabel (na aftrek conform artikel 110g Wgh).
Berekeningsresultaten Wanroijseweg
Uit de bovenstaande tabel is op de maken dat de maximale toename 0,39 dB bedraagt op de woningen aan de Wanroijseweg. Het akoestisch verschil tussen de situatie zonder en met het verkeer vanuit het plan is lager dan 1,50 dB en is er geen significante toename van 2 dB. Ook hier geldt dat er geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat.
Hoofdstuk 4
34
Maatregelenafweging Ten gevolge van de Wanroijseweg en de Bosweg wordt de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB overschreden. Conform de Wet geluidhinder dient een maatregelenonderzoek plaats te vinden. Hierbij dienen achtereenvolgens bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen te worden overwogen. Het beperken van de verkeersintensiteiten van de Wanroijseweg en de Bosweg zijn onder andere vanuit verkeerskundig oogpunt geen reële maatregelen. Verder is een verplaatsing van de woningen gezien de beperkte ruimte op de kavels niet efficiënt. De gemeente heeft wel het voornemen om de komgrens aan de Wanroijseweg te verleggen tot voorbij de aansluiting van ’t Kavelt op de Wanroijseweg. Hiermee kan een reductie van 1 à 2 dB behaald worden. De woningen (blok 36 variant 1, blok 34 variant 2) zullen voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De geluidsbelasting vanwege de Wanroijseweg op de woning (blok 37 variant 1, blok 35 variant 2) zal 50 dB bedragen. Bronmaatregelen De Wanroijseweg beschikt over een referentiewegdek (AC 16 surf). Met een stiller wegdektype (zoals de dunne deklaag B) kan de benodigde reductie voor de woning (blokken 36 en 37 variant 1, blokken 34 en 35 variant 2) behaald worden om te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting.
Voor een efficiënte bronmaatregel dient over minstens 380 meter lengte van de Wanroijseweg het wegdektype te worden vervangen. De vervanging van het wegdek over een beperkte lengte zal in verband met beheer en onderhoud op overwegende bezwaren stuiten. Bij een eenheidsprijs van € 35,per m² bedragen de totale kosten voor het vervangen van het wegdek circa € 86.450,-. Een dergelijke investering is gezien de beperkte overschrijding van een drietal woningen financieel niet doelmatig. De Bosweg beschikt over een referentiewegdek (AC 16 surf). Met een stiller wegdektype (zoals SMANL5) kan de benodigde reductie van 1 dB behaald worden. Voor een efficiënte bronmaatregel dient over minstens 485 meter lengte van de Bosweg het wegdektype te worden vervangen. De vervanging van het wegdek over een beperkte lengte zal in verband met beheer en onderhoud op overwegende bezwaren stuiten. Bij een eenheidsprijs van € 35,- per m² bedragen de totale kosten voor het vervangen van het wegdek voor beide wegen circa € 136.000,-. Een dergelijke investering is gezien de beperkte overschrijding van één woning financieel niet doelmatig. Overdrachtsmaatregelen Het plaatsen van een geluidsscherm of -wal kan een effectief middel zijn om het geluid in de woonomgeving terug te dringen.
Het realiseren van geluidsschermen of -wallen langs de Wanroijseweg en de Bosweg voor een viertal woningen zal op overwegende bezwaren van financiële aard stuiten. Aanvraag hogere waarden Voor de vier reeds benoemde woningen (blokken 36, 37 en 41 variant 1, blokken 34, 35 en 39 variant 2) zal ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wanroijseweg en de Bosweg gezamenlijk met onderhavig bestemmingsplan een hogere waarde 10 bij het college van burgemeester en wethouders aangevraagd worden.
10
Gemeente Mill en Sint Hubert, Besluit Hogere Waarden Geluidhinder, d.d. 25 mei 2021
Hoofdstuk 4
35
Conclusie Voor de vier reeds benoemde woningen binnen het plangebied dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) gegarandeerd te worden. In het kader van de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen dient derhalve een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels plaats te vinden. Binnen onderhavig plan wordt de uitvoering van het onderzoek naar de geluidwering van de gevels gewaarborgd binnen de planregels middels een voorwaardelijke verplichting. Voor de overige woningen bestaan er vanuit akoestisch perspectief geen belemmeringen. Verder is er geen sprake van een significante toename van 2 dB vanwege de verkeersaantrekkende werking van het plan ’t Kavelt te Mill. Vanuit akoestisch oogpunt gelden er geen belemmeringen voor de bestaande woningen rondom het plangebied. 4.1.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen.
Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Voor woningbouwlocaties geldt een NIBM-grens (3% criterium) van ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het voorliggende project betreft de realisatie van maximaal 73 woningen.
Dit betekent dat binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. Het project draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in
Hoofdstuk 4
36
Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Grenswaarden Wlk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2019 ter plaatse tussen de 12 en 14 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 18 en 20 µg/m³ en de concentratie NO2 in tussen de 15 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Vanuit het aspect ‘luchtkwaliteit’ bestaan er zodoende geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. 4.1.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden.
Hoofdstuk 4
37
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit.
Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Woningen zijn kwetsbare objecten. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.
Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Uitsnede Risicokaart Nederland met globale aanduiding plangebied (blauw omlijnd)
Hoofdstuk 4
38
Risicovol transport over wegen, spoorwegen, water en door buisleidingen Een deel van het plan ligt binnen een afstand van 200 meter van de N264 en binnen een afstand van 200 meter van de Wanroijseweg. Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van deze wegen, waar vervoer van gevaarlijke stoffen over plaats vindt dient conform artikel 8 Bevt het groepsrisico te worden verantwoord. Er kan in deze situatie volstaan worden met een beperkte verantwoording (conform Bevt artikel 8 lid 2a), omdat het groepsrisico < 10% van de oriënterende waarde bedraagt. Ten aanzien van de beperkte verantwoording van het groepsrisico zie hiertoe het advies vanuit de Veiligheidsregio Brabant-Noord. Daarnaast is op een afstand van circa 225 meter ten oosten van het plangebied een buisleiding van de Gasunie gelegen. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 ligt op het hart van de leiding en vormt geen belemmering voor het beoogde planvoornemen. Risicovolle bedrijvigheid Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn op basis van de risicokaart geen risicovolle inrichtingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting betreft ‘Gasontvangststation Z-166’ aan Pastoor Jacobsstraat op circa 335 meter ten oosten van het plangebied. Het gasdrukregelstation beschikt over een veiligheidsafstand van 15 meter, gemeten vanaf het gebouw.
Deze veiligheidsafstand wordt niet weergegeven als de 10-6 contour op de risicokaart. Gezien de afstand tussen het Gasontvangststation en het plangebied vormt de inrichting geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Advies Veiligheidsregio Brabant-Noord (Brandweer Brabant-Noord) In het kader van onderhavig plan is advies11 gevraagd aan de Veiligheidsregio Brabant-Noord. Hieronder worden de conclusies uit dit advies weergegeven. Uit tellingen uitgevoerd door de wegbeheerder blijkt dat alleen brandbare vloeistoffen en brandbare gassen over de wegen (N264 en Wanroijseweg) worden vervoerd. Het relevante scenario in relatie tot het plangebied is een BLEVE. Een BLEVE kan veroorzaakt worden door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing of door blootstelling van de tank aan hitte veroorzaakt door een externe brand. Hierdoor scheurt de tank open. Brandbaar gas komt vrij en ontsteekt direct. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. De mate en omvang van letsel en schade is afhankelijk van de afstand tussen de incidentlocatie en de plaats waar objecten of personen zich bevinden. In de tabel in de bijlage worden deze effecten zichtbaar gemaakt.
Als gevolg van veiligheidsmaatregelen rondom het vervoer van gevaarlijke stoffen en de relatief lage transportfrequenties van brandbare gassen over de beide wegen is het risico op een incident erg klein.
11
Veiligheidsregio Brabant-Noord, Advies: concept ontwerpbestemmingsplan 'Mill, t Kavelt', d.d. 7 januari 2021
Hoofdstuk 4
39
Beoordeling zelfredzaamheid Voor het scenario BLEVE geldt vluchten als beste handelingsperspectief. Het is hierbij van belang dat mensen snel gealarmeerd en geïnstrueerd worden en er voldoende vluchtwegen beschikbaar zijn. Middels interne wegen kan het plangebied voldoende snel via twee zijden ontvlucht worden. Door middel van NL Alert en social media kunnen personen gealarmeerd en geïnstrueerd worden. Gezien de aard en opzet van het plan mag aangenomen worden dat de mate van zelfredzaamheid van de personen van het plangebied voldoende is. Beoordeling bestrijdbaarheid De mate van bestrijdbaarheid van dit type incidenten is afhankelijk van de technische uitvoering van de tank waarin brandbare gassen worden vervoerd. LPG wordt vervoerd in tankwagens voorzien van extra isolatie waardoor deze langer bestand zijn tegen hittestraling. Hierdoor heeft de brandweer de mogelijkheid om een effectieve koeling te starten. Dit geldt niet voor het vervoer van propaan. Deze tankwagens zijn niet geïsoleerd waardoor deze na ca. 12 minuten kunnen exploderen. Het is voor de brandweer niet mogelijk om binnen dit tijdsbestek een effectieve koeling te starten. Om deze reden zal defensief worden opgetreden en richt de inzet zich op het ontruimen van het gevaar gebied.
Voor de bestrijdbaarheid in relatie tot de reguliere hulpverlening geldt dat op basis van het beeldkwaliteitsplan de bereikbaarheid in voldoende mate is gegarandeerd. De hoofdontsluiting vindt plaats via de Wanroijseweg. In een calamiteitenontsluiting richting de Van den Bogaardweg is voorzien. Voor de bluswatervoorziening geldt dat binnen 200 meter van de toegang tot een woning een bluswatervoorziening met een capaciteit van 60m 3/uur beschikbaar moet zijn. Uit de beschrijving van het scenario en de beoordeling van de bestrijdbaarheid volgt dat ingezet moet worden op het optimaliseren van de mate van zelfredzaamheid. Dit kan door de ontwikkelaar en de bewoners actief te informeren over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Hierdoor wordt het risicobewust vergroot en zal men sneller en beter op een dreiging reageren. Advies N.V. Nederlandse Gasunie In het kader van het vooroverleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 Bro, heeft de Gasunie het ontwerpbestemmingsplan ontvangen. Onderhavig bestemmingsplan is door de Gasunie getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor onze aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Op grond van deze toetsing heeft de Gasunie op 16 december 2020 geconcludeerd dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtstbij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Conclusie Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het beoogde planvoornemen.
Hoofdstuk 4
40
4.1.5 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) stelt kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen dienen plaats te vinden. Enerzijds om geurgevoelige functies geen of zo min mogelijk hinder te laten ondervinden van agrarische bedrijven en anderzijds om de vergunde rechten van deze agrarische bedrijven niet (verder) te beperken door ruimtelijke ontwikkelingen. Onderzocht dient te worden wat de achtergrondbelasting (veroorzaakt door alle veehouderijen) en de voorgrondbelasting (veroorzaakt door individuele veehouderijen in de directe omgeving) op het plangebied is. Beiden moeten een acceptabele waarde hebben om een goed leefklimaat te kunnen waarborgen voor nieuw te bouwen woningen. In 2011 is door RMB een geuronderzoek 12 uitgevoerd naar eventuele geurhinder vanuit bedrijvigheid in de omliggende omgeving. Hieruit is gebleken dat het agrarische bedrijf aan de Wanroijseweg 79 een vaste afstandcontour heeft van 100 meter, die deels over het plangebied valt. Aangezien de afstandcontour gedeeltelijk over het plangebied valt mogen er binnen deze contour kunnen geen geurgevoelige objecten (woningen) worden opgericht. In het kader van onderhavig plan valt de vaste afstandcountour (à 100 meter) enkel over een gedeelte van ‘woonkavel 1’ aan de noordzijde van het plangebied.
Derhalve zal voorkomen moeten worden dat op dit gedeelte van de betreffende woonkavel geurgevoelige objecten opgericht mogen worden. Zodoende is binnen onderhavig plan voor dit gedeelte van het plangebied de bestemming ‘Groen’ aangehouden. Ter plaatse van deze bestemming mag geen bebouwing worden opgericht die gebruikt wordt voor woondoeleinden (zijnde een gevoelig object). Hiermee wordt voorkomen dat het agrarische bedrijf aan de Wanroijseweg 79 belemmerd wordt in haar bedrijfsvoering.
12
RMB, Beoordeling Geurbelasting bestemmingsplanwijziging, projectnummer.: 74000751, d.d. 30 mei 2011.
Hoofdstuk 4
41
Bestemming ‘Groen’
Functionele indeling plangebied met vaste afstandcontour (à 100 meter) aangegeven middels een stippellijn. Rode omlijning betreft de gronden met de aanduiding
Ten aanzien van overige gedeelte van het plangebied is binnen het onderzoek beoordeeld dat de achtergrond- en voorgrondbelasting een acceptabel niveau heeft. Derhalve is er voor het overige gedeelte van het plangebied sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woonkavels binnen het plangebied. Conclusie Vanuit het aspect ‘geurhinder’ zal in de toekomstige situatie sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woonkavels. Daarnaast worden er geen bedrijven in hun bedrijfsuitvoering belemmerd. Vanuit het aspect ‘geurhinder’ bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.6 Milieuzonering Algemene uitgangspunten Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant
Hoofdstuk 4
42
dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG- publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In deze publicatie zijn richtafstanden opgenomen, die gelden voor een rustige woonwijk of rustig buitengebied. Toetsing De beoogde woningen zelf vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven (functies) in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. In de directe omgeving van het plangebied ligt één bedrijf en één maatschappelijke bestemming die mogelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de beoogde ontwikkeling. Deze worden in de onderstaande tabel toegelicht. Hierbij is gekeken naar de maximaal toelaatbare milieucategorie ter plaatse volgens het vigerend bestemmingsplan ‘Mill-Zuid’. Bestemming
Milieucategorie
Richtafstand
Afstand tot projectlocatie13
‘Bedrijf’: maximaal milieucategorie 2
2
30 meter
190 meter
‘Maatschappelijk’: begraafplaats
1
10 meter
13 meter
Omliggende bedrijvigheid en diens richtafstanden conform de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009)
Bestemming ‘Maatschappelijk’ dit betreft een begraafplaats
Bestemming ‘Bedrijf’ tot maximaal milieucategorie 2
Ligging omliggende inrichtingen conform vigerend bestemmingsplan ‘Mill-Zuid’
13
Afstanden gebaseerd op de afstand tussen de perceelgrens van de inrichting en perceelgrens van het plangebied (worst-case).
Hoofdstuk 4
43
Conclusie Conform bovenstaande tabel wordt ten aanzien van beide inrichtingen voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Kort samengevat zal in de toekomstige situatie voor de beoogde woningen sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en worden bestaande inrichtingen in de omgeving niet in hun bedrijfsuitvoering belemmerd. Vanuit het aspect ‘milieuzonering’ bestaan er kortom geen belemmeringen voor de te realiseren woningen. 4.1.7 Luchtvaartverkeerzone Gelet op de nabijheid van het militaire luchtvaartterrein ‘Vliegbasis Volkel’, is het van belang om aandacht te besteden aan de luchtvaartverkeerzone. IHCS Het plangebied ligt binnen de zogenaamde Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS) van de vliegbasis Volkel. Dit gebied is vastgesteld ten behoeve van de vliegverkeersveiligheid. Rondom de gehele luchthaven ligt een obstakelvrij vlak van 45 meter hoog met een straal van 4 kilometer rond de landingsdrempels, dat overgaat in een conisch vlak met een helling van 5% tot 145 meter over een afstand van 2 kilometer. Voor het plangebied geldt een maximale bouwhoogte van 64 meter boven NAP. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan deze hoogtebeperking. ILS De militaire vliegbasis Volkel beschikt over een Instrument Landing System (ILS) ten behoeve van het nauwkeurig uitvoeren van naderingen door vliegverkeer.
Het plangebied is gelegen in het oplopende gebied met een zonder meer toelaatbare hoogte van 68,9 meter boven NAP. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan deze hoogtebeperking. Radarverstoringsgebied Het plangebied is eveneens gelegen in het radarverstoringsgebied behorende bij de radar die is gepositioneerd op de vliegbasis Volkel. Ter bescherming van eventuele verstoring van radarbeelden bedraagt de maximale bouwhoogte binnen dit verstoringsgebied maximaal 72 meter boven NAP. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan deze hoogtebeperking. Conclusie Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de luchtvaartverkeerzone geen belemmeringen bestaan voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Hoofdstuk 4
44
4.2 Fysieke aspecten 4.2.1 Cultureel erfgoed Archeologie Voor een groot gedeelte plangebied geldt op basis van het vigerend bestemmingsplan ‘Mill-zuid’ de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’. De voor ‘Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en de bodemingrepen dieper gaan dan 0,4 m beneden maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Voor een klein gedeelte van het plangebied (zuidwestelijk) geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’.
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m² en de bodemingrepen dieper gaan dan 0,4 m beneden maaiveld, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld. Op 31 mei 2016 heeft ArchAeO B.V. een advies 14 uitgebracht over een reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek15 van ADC Archeoprojecten (ADC) binnen het projectgebied ’t Kavelt. ArchAenO B.V. adviseert op basis van het uitgevoerde onderzoek het projectgebied ’t Kavelt voor het aspect archeologie voor bebouwing vrij te geven. Een belangrijke constatering in het uitgevoerde archeologisch onderzoek is dat de vindplaats tot buiten de grenzen van het plangebied door loopt. Het uitgevoerde archeologisch onderzoek heeft vastgesteld dat de omgreppelde middeleeuwse vindplaats zich richting het noordwesten en noordoosten voortzet (gebied tussen Van den Bogaardweg en Wanroijseweg). Om deze reden is aangeraden om dit gebied op een te herziene beleidskaart op te waarderen naar een categorie 1 (gemeentelijk monument) of 2.
De ondergrens onderzoeksverplichting zou voor dat deel moeten worden teruggebracht tot bijvoorbeeld maximaal 10 m² en 40 cm diepte. Aanvullend wordt geadviseerd om bij toekomstige ontwikkelingen in de directe omgeving tijdig het archeologische onderzoekstraject in te zetten. Dit is iets om bij bodemingrepen in de nabijheid of direct grenzen aan het plangebied in de toekomst rekening mee te houden. In 2017 is het projectgebied ’t Kavelt voor het aspect ‘archeologie’ middels een selectiebesluit16 door het college van Burgemeester en Wethouders van Mill en Sint Hubert vrij gegeven voor bebouwing. 14
ArchAeO B.V, Beoordeling en advies Archeologische onderzoeksrapporten, projectnummer.: P13191 / P16040, d.d. 31 mei 2016 15 ADC Archeoprojecten, Een omgreppelde nederzetting uit de 13e eeuw in Mill ’t Kavelt, projectnummer.: 4125, d.d. juni 2016 16 Gemeente Mill en Sint Hubert, Vrijgeven projectgebied 't Kavelt in het kader van archeologie, zaaknr.: Z/M/15/22743, d.d. 7 februari 2017
Hoofdstuk 4
45
De dubbelbestemming – en daarmee de archeologische onderzoeksplicht – kan bij een nieuw bestemmingsplan voor het gebied derhalve komen te vervallen. Het vrij te geven gebied is blauw omkaderd in de onderstaande afbeelding (afkomstig uit het advies d.d. 31 mei 2016 van ArchAeO B.V.).
Archeologische beleidskaart met archeologisch vrij te geven gebied is aangegeven met een blauwe omlijning
Gezien het feit dat het plangebied middels een selectiebesluit is vrijgegeven voor het aspect ‘archeologie’ komen de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ te vervallen en is in het kader van onderhavig plan geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Cultuurhistorie Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht gemeenten om het aspect cultuurhistorie uitdrukkelijk mee te wegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Cultuurhistorische waarden worden vaak in één adem genoemd met archeologische waarden. Deze waarden verschillen echter van archeologische waarden. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die zichtbaar zijn in het landschap en ‘iets vertellen’ over het (cultuurhistorische) verleden van het gebied. De gemeente Mill en Sint Hubert heeft een cultuurhistoriekaart opgesteld voor haar gehele grondgebied. De cultuurhistoriekaart bestaat uit een inventarisatiekaart, een beleidsadvieskaart en een toelichting waarin de voor de gemeente kenmerkende cultuurhistorische waarden worden beschreven en toegelicht. Het belangrijkste doel van de cultuurhistoriekaart is het inzichtelijk maken van de cultuur-
Hoofdstuk 4
46
landschappelijke en historisch-bouwkundige waarden binnen de gemeentegrenzen van Mill en Sint Hubert. Hiermee kan de toegevoegde waarde van cultuurhistorie tijdig worden erkend en herkend. Het doel is niet om alle cultuurhistorische waarden te behouden en nieuwe ontwikkelingen tegen te gaan. Het doel is juist om te streven naar ‘behoud door ontwikkeling’. Een bewuste omgang met het cultuurhistorisch erfgoed staat voorop. Binnen het plangebied zelf zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Er is wel een monumentale boom gelegen aan de oostzijde. Deze monumentale boom wordt behouden binnen onderhavig planvoornemen. Daarnaast is aan de noordwestzijde van het plangebied ook een monumentale boom gelegen. De noordwestelijk gelegen monumentale boom maakt géén deel uit van het plangebied, waardoor onderhavig planvoornemen géén negatieve invloed heeft op deze monumentale boom. Daarnaast is een weg (voor 1832) weergegeven binnen het plangebied die is aangemerkt als ‘verdwenen’. Hiertoe wordt er middels onderhavig plan dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op deze historische infrastructuur. Ten noordoosten van het plangebied zijn twee historische nederzettingslocaties (boerderij en huisplaatsen) weergegeven en één monumentale boom.
Deze locaties en de monumentale boom zijn echter buiten het plangebied gelegen, waardoor onderhavig planvoornemen geen negatieve invloed heeft op deze historische elementen. Tevens worden de bosschages aan de oost- en zuidoostzijde van het plangebied aangemerkt als ‘bos 1850 - 1915’ en ‘bos voor 1850’. Deze bosschages zijn echter buiten het plangebied gelegen waardoor deze niet negatief beïnvloed worden door de ontwikkelingen binnen onderhavig plan. Verder zijn er binnen of buiten het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Middels de voorgenomen ontwikkeling wordt geen negatieve invloed uitgeoefend op de cultuurhistorische elementen, zoals weergegeven op de cultuurhistoriekaart van de gemeente Mill en Sint Hubert. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen. Conclusie Vanuit de aspecten ‘archeologie’ en ‘cultuurhistorie’ bestaan er een belemmeringen ten aanzien van het initiatief. 4.2.2 Ecologie Wetgeving De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan.
De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
Hoofdstuk 4
47
Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan (bestemmingsplan) in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2.
het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Hoofdstuk 4
48
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.
Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Ten noordoosten van het plangebied, ter plaatse van de te maken aansluiting van ’t Kavelt met de Wanroijseweg, bevinden zich ongeveer acht door middel van de Bomenverordening gemeente Mill en Sint Hubert 2015 beschermde bomen (Qurobur), waarvan is aangegeven dat deze in beheer zijn van CGM. Via een Boom Effect Analyse (BEA) zal nader worden onderzocht welke van deze bomen duurzaam behouden kunnen blijven, zulks mede met het oog op een duurzaam en veilige verkeersituatie. De overige bomen zullen - na een daartoe te verlenen omgevingsvergunning voor de activiteit kappen - worden gekapt. Binnen het plangebied van ’t Kavelt vindt hiervoor via het in paragraaf 2.3 vermelde landschappelijk inpassingsplan en beplantingsplan ruimschoots voldoende (natuur)compensatie plaats.
Toetsing gebiedsbescherming en soortenbescherming In het kader van onderhavig bestemmingsplan is voor het plangebied door BRO een quickscan flora en fauna17 uitgevoerd, alsmede heeft een effectenonderzoek ten aanzien van het NNB (Natuurnetwerk Brabant) plaatsgevonden. Hieronder worden de bevindingen uit deze quickscan en het effectenonderzoek toegelicht. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen.
17
BRO, Quickscan flora en fauna ‘Woningbouwlocatie ‘t Kavelt’ te Mill, projectnummer.: P02086, d.d. 29 oktober 2019
Hoofdstuk 4
49
Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000- gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Oeffelter Meent”, bevindt zich op circa 10,2 kilometer afstand ten noordoosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 71 (tot maximaal 73) woningkavels betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Derhalve dient in het kader van voorliggend bestemmingsplan aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebied inzichtelijk. Met de uitspraak van de Raad van State (d.d.
29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zonder meer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavige bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de aanleg- en gebruiksfase18. Binnen deze berekening is uitgegaan van variant 2 (73 woningen), omdat deze variant zal zorgen voor het hoogste aantal verkeersbewegingen en bouwactiviteiten. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlage. Uit de berekening blijkt dat de bouwfase ten behoeve van het plan een depositie van 0,01 mol N/ha/jaar veroorzaakt. Dit is minder dan 0,1 mol/ha in 1 jaar. Kleine tijdelijke deposities van tijdelijke bronnen binnen het project en in cumulatie kunnen op voorhand niet leiden tot significant negatieve effecten. Hierbij kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningplichtig is voor het aspect stikstofdepositie. Een equivalent van 0,05 mol N gedurende maximaal 2 jaar is 0,1 mol gedurende maximaal 1 jaar.
Tijdens de gebruiksfase worden in het geheel geen verhoogde depositie waarden geconstateerd hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Geconcludeerd kan worden dat, voor wat betreft het aspect stikstof, geen sprake is van een significant storend effect op de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan ’t Kavelt in Mill. Het project is niet vergunningplichtig voor het aspect stikstofdepositie. Daarnaast is het plangebied is niet gelegen binnen het NNB (Natuurnetwerk Brabant). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt aansluitend ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zijn indirecte en externe effecten niet uit te sluiten. Om in beeld te brengen of de realisatie van de woonwijk negatieve effecten heeft op de NNB, en zo ja welke effecten dit zijn, is
M-Tech, Depositieberekening voor de aanleg en het gebruik van bestemmingsplan “t’ Kavelt” – variant 2 - te Mill, projectnummer.: Kav.Mil.21.DO WB-01, d.d. 27 januari 2021 18
Hoofdstuk 4
50
een effectenonderzoek NNB uitgevoerd. In het kader van het effectenonderzoek blijkt dat het aangrenzende NNB is gelegen in een gebied wat reeds veel verstoring ondervindt. Er zijn lokale bewoners die hier regelmatig wandelen, gezien de redelijk uitgesleten wandelpaden. Ook is tijdens het veldbezoek waargenomen dat het geluid van het verkeer van de N264 veelvuldig te horen is, wat de rust en stilte niet bevordert. Echter wanneer in het kader van onderhavige ontwikkeling voldaan wordt aan onderstaande eisen om effecten op de donkerte en rust binnen het NNB-gebied te voorkomen, zal er geen significant effect optreden op de wezenlijke waarde en kenmerken van het NNB: Licht gericht en uitschijnend op de bosrand dient te worden vermeden, waar er een noodzaak is tot het plaatsen van verlichting in die richting dient deze door aanpassingen in armaturen en kleur natuurvriendelijk te worden gerealiseerd; Betreding van de NNB tussen zonsondergang en zonsopkomst dient te worden vermeden. Het natuurinclusieve beplantingsplan zoals opgesteld door BRO voorziet in diverse te realiseren wadi’s, waarin het regenwater binnen het plangebied duurzaam wordt afgewikkeld, en in de ruimtelijke groene inpassing.
Deze groene inpassing wordt doorgezet tot aan de percelen in de vorm van duurzame groene erfafscheidingen ter plaatse van voor- en zijtuinen van de woningen bij de overgang van de privé tuin van de woning naar het openbaar gebied. Aan de zuidoostzijde grenst de wijk aan de bosrand van de Molenheidse bossen. Deze bosrand vormt het uitgangspunt voor de vormgeving van het aangrenzende plandeel. De inpassingsmaatregelen zijn er op gericht het bosachtige karakter te behouden en te versterken in opbouw van kern – mantel zoomvegetatie. Deze opbouw zorgt voor een passende en gelaagde afronding van de Molenheidse bossen en creëert hierdoor tevens een groen decor voor het naastgelegen park. Soortbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kunnen de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Met betrekking tot roofvogelnesten dient duidelijk te worden of binnen 75 meter van de werkzaamheden nesten van soorten als buizerd, sperwer of ransuil aanwezig zijn. Hiervoor dient, wanneer het blad van de bomen is, een controle te worden uitgevoerd of er potentiele nestlocaties van een dergelijke soort aanwezig zijn.
Is dit het geval dan dient volgens protocollair onderzoek tijdens het broedseizoen het gebruik van het nest te worden getoetst; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Hoofdstuk 4
51
Conform bovenstaande bevindingen heeft BRO in het kader van onderhavig plan een veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving. Binnen dit veldbezoek is gecontroleerd of er nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermd nest aanwezig zijn, conform de soorten van categorie 1-4 uit de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’. Het veldonderzoek is tekstueel toegelicht in een notitie jaarrond beschermde nesten 19. Uit het veldonderzoek is gebleken dat binnen 75 meter van het plangebied geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Tijdens de werkzaamheden binnen het plangebied zal geen verstoring plaatsvinden van een soort met een jaarrond beschermd nest. Overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 lid 2 en 4 Wnb is daarmee uitgesloten. De ligging en omgeving van het plangebied lenen zich goed voor vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor zowel de huismus, gierzwaluw alsmede vleermuizen. Naast het toepassen van duurzame bouwkundige installaties, wordt ook gekeken naar het toevoegen van natuurinclusieve toepassingen zoals neststenen, vleermuiskasten en/of het toegankelijk maken van dakranden en spouwmuren. Daarmee kan de bebouwing gaan fungeren als rust of verblijfplaats voor deze dieren. De checklist ‘groenbouwen.nl’ biedt hierbij handvatten voor de verschillende oplossingen.
Bij de uitwerking naar de aanvraag omgevingsvergunning worden bovenstaande onderdelen onderzocht en wordt op het gebied van duurzaamheid en natuurinclusiviteit zo goed mogelijk uitvoering gegeven. Met de inrichting van de buitenruimte is gebruik gemaakt van het aanwezig microreliëf. De aanwezige laagtes in het terrein worden gebruikt voor de berging van hemelwater en vormen potentiële leefgebieden voor amfibieën. Op de hogere delen zijn clusters met boomgroepen met onderbegroeiing aangebracht. Door de aanleg van de nieuwe landschapselementen ontstaan er nieuwe schuilgelegenheden en voedselbronnen voor insecten (bijen, vlinders), vogels en andere fauna. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van inheemse beplanting, waarbij er zo veel mogelijk vruchtdragende en bloeiende soorten worden toegepast. Deze natuurlijke, kleurrijke inrichting met de verscheidenheid van open en gesloten delen draagt bij aan de biodiversiteit van de locatie zelf én aan de verlenging van het natuurgebied Molenheidse Bos. Houtopstanden Er worden binnen het plangebied er geen (onderdelen van) houtopstanden gekapt, hierdoor is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Conclusie Vanuit het aspect ‘ecologie’ bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied.
19
BRO, Notitie jaarrond beschermde nesten 't Kavelt te Mill, projectnummer.: P02086, d.d. 16 maart 2020
Hoofdstuk 4
52
4.2.3 Waterhuishouding Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Milieu- en Waterplan 20162021, het Waterbeheersplan van waterschap Aa en Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Het belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening.
De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: vasthouden – bergen – afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen – scheiden – zuiveren (waterkwaliteit). In de Keur van drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta is aangegeven dat bij een toename van het verhard oppervlak en het afkoppelen van hemelwater, het uitgangspunt geldt dat plannen zo veel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Het (hemel)waterbeleid van de gemeente Mill en Sint Hubert is onder meer vastgelegd in het Gemeentelijk Rioleringsplan Mill en Sint Hubert 2019-2023. Beleidskaders voor de omgang met hemelwater zijn opgenomen in bijlage F van het hemelwaterbeleidsplan. De gemeente Mill en Sint Hubert streeft naar een duurzame toekomst waarbij geanticipeerd wordt op klimaatverandering. Rekening houdend met het wettelijke kader en de toekomstige uitdagingen hanteren de gemeente Mill en Sint Hubert de volgende hoofdprincipes bij de verwerking van hemelwater: Beperken hoeveelheid ingezameld hemelwater. Scheiden schone en vuile waterstromen. Verwerken hemelwater zo veel mogelijk lokaal en bovengronds (“vasthouden waar het water valt”). Afvoeren indien nodig. Beperken risico’s tijdens extreme neerslag.
Hoofdstuk 4
53
De zorgplicht hemelwater (Waterwet, artikel 3.5) betekent dat de gemeente zorgt voor een doelmatige inzameling en verwerking van hemelwater, dat perceelseigenaren redelijkerwijs zelf niet kunnen verwerken in de bodem of naar het oppervlaktewater. De zorgplicht benadrukt dat de perceelseigenaar in beginsel zelf verantwoordelijk is voor de hemelwaterverwerking. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt met betrekking tot de omgang met hemelwater een onderscheid gemaakt in de volgende situaties: Ongewijzigde situatie; Nieuwbouw; Herbouw; Verbouw en uitbreiding. In het kader van onderhavig plan zal de situatie ‘nieuwbouw’ van belang zijn. Onder nieuwbouw valt de nieuwe aanleg van gebouwen, parkeerplaatsen, trottoirs en andere soorten van verharding. Nieuwe bebouwing dient, conform het Bouwbesluit, te worden voorzien van een gescheiden afvoer/verwerking van schoon hemelwater en afvalwater. Voor de toename van het verhard oppervlak eist de gemeente de aanleg van een waterbergingsvoorziening van 60 mm per vierkante meter nieuw verhard oppervlak op eigen terrein. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn.
De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Daarnaast zal het ook van belang zijn om een inzicht te hebben in het hemelwater(afvoer)systeem binnen het plangebied. In het kader van onderhavige ontwikkeling heeft Econsultancy een watertoets20 uitgevoerd voor onderhavig plangebied. De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in de separate bijlage. Water voor (menselijke) consumptie Verspreid over de provincie Noord-Brabant is een aantal waterwinlocaties gelegen. Dergelijke waterwinlocaties zijn beschermd op basis van de Provinciale Milieuverordening (PMV). Rondom waterwinlocaties zijn beschermingszones aangewezen in de PMV, te weten waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. Binnen het plangebied liggen echter geen van dergelijke gebieden. Water voor natuur Op basis van de Keurkaart van het waterschap Aa en Maas ligt het plangebied niet binnen beschermingsgebieden, attentiegebieden of zoekgebieden voor beekherstel en ecologische verbindingszones. Het plangebied wordt aan de oostzijde wel begrensd door een beschermd gebied volgende de keur. Ingrepen met een negatief effect op de waterhuishouding van dit beschermd gebied zijn niet toegestaan. Onderhavig plan oefent echter geen direct invloed uit op dit gebied.
20
Econsultancy, Watertoets ’t Kavelt (fase 1) te Mill, projectnummer.: 1698.001, d.d. 15 april 2021.