CConstaterende datCuijk (tot 2022)
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Toelichting_4.pdf

Mill - raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente Cuijk (tot 2022)Bij agendapunt: BP Mill ’t Kavelt24.519 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hoofdstuk 4

54

Oppervlaktewater Voor het waterschap is de legger, samen met de keur, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn op basis van de leggerkaart van het waterschap Aa en Maas geen waterlopen of plassen gelegen, waarop met de voorgenomen ontwikkeling invloed wordt uitgeoefend. Hemelwater Op basis van de Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta geldt voor plannen met een verhardingstoename kleiner dan 500 m², dat deze zijn vrijgesteld van compensatie. In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de digitale procedure blijkt dat het plan een groot effect heeft (groot waterbelang). Vooroverleg met het waterschap is derhalve noodzakelijk. Het plangebied is momenteel in gebruik als weiland en is voor zover bekend altijd onverhard en onbebouwd geweest.

Ten opzichte van de huidige situatie zal het verhard oppervlak derhalve toenemen met 24.318 m2. Zie onderstaande afbeelding voor een uitsplitsing in de type verhardingen.

Overzicht type verhardingen en oppervlaktes in m 2

Voor wat betreft het hemelwater afkomstig van daken van de toekomstige woningen, alsmede van de toekomstige verharde terreindelen (ontsluiting en parkeren) zal moeten worden voorzien in infiltratievoorzieningen, overeenkomstig de beleidsmatige uitgangspunten. Dit houdt in dat dient te worden voorzien in 60 mm berging per m 2 verhard en bebouwd oppervlak. Tuinen dienen als 50% verhard te worden beschouwd. Op basis van het toekomstig verhard oppervlak bedraagt de waterbergingsopgave voor onderhavig plan in totaal circa 1.460 m 3 (24.318 m2 x 0,06 m). Hemelwater(afvoer)systeem In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op

Hoofdstuk 4

55

het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat binnen de planlocatie worden verwerkt. Hemelwater wordt, indien mogelijk, zo veel mogelijk oppervlakkig en zichtbaar afgevoerd. Het water wordt via het verhard oppervlak en (eventueel) goten naar een groene buffer/wadi afgevoerd. Hiervoor is voldoende hoogteverschil aanwezig (dan wel kan er voldoende hoogteverschil gerealiseerd worden). Bij de afvoer hemelwater van de woningen worden geen uitleggers aangelegd voor het hemelwater om op aan te sluiten. Het water kan op perceelgrens via een kolkconstructie worden geloosd op de openbare weg. De kolk(en) dienen bodemloos of geperforeerd te worden toegepast, eventueel met een laag granulaat 32/16, zodat regenwater bij lage bui intensiteiten lokaal kan infiltreren. Binnen het zuidelijk gelegen groene gebied binnen het plangebied worden twee natuurlijke laagtes aangelegd als waterberging (zie hiertoe de ‘plankaart landschappelijke maatregelen inpassingsplan’ in paragraaf 2.3). Deze laagtes dienen als buffer- en infiltratiezones. De buffers hebben respectievelijk een oppervlak van 2.195 m2 en 650 m2. Wanneer de buffers worden aangelegd met een diepte van 0,6 meter en een talud van 1 op 3 kan, uitgaande van een volledige vulling, zal in totaal ca 1.490 m3 water geborgen worden.

Ter plaatse is derhalve voldoende ruimte aanwezig om de volledige wateropgave te kunnen bergen. In overleg met het wegontwerp/beheerder zal tijdens de verdere planvorming de mogelijkheden omtrent de wijze waarop en hoe hemelwater kan worden afgevoerd richting de groene buffers nader uitgewerkt moeten worden. Voorkomen moet worden dat een langdurige water op straat situatie zal ontstaan en hemelwater tot afstroming komt richting gebouwen en/of aangrenzende percelen. Afvalwater Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van onderhavig plan zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal maximaal 73 woningen/bouwblokken worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van circa 21,9 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving.

De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden. Advies Waterschap Aa en Maas In het kader van het vooroverleg heeft Waterschap Aa en Maas het ontwerpbestemmingsplan ontvangen. In een reactie heeft Waterschap Aa en Maas op 24 december 2020 laten blijken dat de verhardingstoename afdoende wordt gecompenseerd en dat er geen bijzondere waterbelangen spelen in het

Hoofdstuk 4

56

gebied. Vandaar dat Waterschap Aa en Maas op basis van het huidige beleid geen belemmeringen constateert ten aanzien van het planvoornemen. Conclusie Bij de realisatie van de woningen (en infrastructurele voorzieningen) bestaan naar verwachting geen knelpunten tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer. Op basis van de mogelijkheden die het plan biedt voor de verwerking van hemelwater worden er vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging. 4.2.4 Verkeer en parkeren In het kader van onderhavig plan is door Grenspaal12 een verkeersgeneratie en parkeerberekening21 uitgevoerd. Binnen dit onderzoek zijn alle twee de varianten, zoals beschreven in paragraaf 2.2 nader onderzocht. Op basis van de CBS cijfers ‘Gebieden in Nederland 2019’ wordt de gemeente Mill en Sint Hubert getypeerd als ‘Niet stedelijk’ en onderhavig plangebied wordt gedefinieerd binnen de gebiedstypering ‘Rest bebouwde kom’. Deze typeringen zijn derhalve als uitgangspunten genomen. Verkeersgeneratie De berekende verkeersgeneratie is gebaseerd op de vigerende minimum- en maximumnormen, zoals opgenomen in de CROW publicatie 381 en de ASVV 2012 van het CROW.

Variant 1 (71 woningen, 17 vrijstaande woningen in totaal) Voor de berekening van de verkeersgeneratie betekent dit voor variant 1 concreet het volgende:

Verkeersgeneratie variant 1

Uit bovenstaande tabel valt voor variant 1 op te maken dat de totale verkeersgeneratie binnen het gebied stijgt met circa 516 à 582 mvt/etmaal, met een gemiddelde stijging van 549 mvt/etmaal.

21

Grenspaal12, Verkeersgeneratie en parkeerberekening, projectnummer.: 19-0704-02_v3, d.d. 24 augustus 2020

Hoofdstuk 4

57

Variant 2 (73 woningen, 11 vrijstaande woningen in totaal) Voor de berekening van de verkeersgeneratie betekent dit voor variant 2 concreet het volgende:

Verkeersgeneratie variant 2

Uit bovenstaande tabel valt voor variant 2 op te maken dat de totale verkeersgeneratie binnen het gebied stijgt met circa 538 à 596 mvt/etmaal, met een gemiddelde stijging van 567 mvt/etmaal. Verkeersafwikkeling De stijging van de totale verkeersgeneratie binnen het plangebied dient als input voor de berekening van de verkeersafwikkeling op de omliggende infrastructuur. Hierbij worden de toekomstige verkeersintensiteiten ten gevolge van de planontwikkeling relatief beoordeeld ten opzichte van de intensiteiten binnen de huidige situatie. Met betrekking tot de verkeersafwikkeling op de omliggende infrastructuur zijn de volgende wegvakken van belang: de direct op het plangebied aangesloten Wanroijseweg-Noord, de N602 Wanroijseweg-Zuid, de N264 Pastoor Jacobsstraat en de N264 Bosweg. Hiertoe heeft de gemeente Mill en Sint Hubert de volgende representatieve verkeersintensiteiten aangeleverd, gebaseerd op verkeerstellingen uit 2019 en 2020:  Wanroijseweg-Noord: 5.211 mvt/etmaal;  N602 Wanroijseweg-Zuid: 5.786 mvt/etmaal;  N264 Pastoor Jacobsstraat: 11.382 mvt/etmaal.  N264 Bosweg: 11.571 mvt/etmaal; De vier bovenstaande wegvakken worden geclassificeerd als een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 80 km/uur. Als ongeschreven vuistregel wordt gehanteerd dat er op een drukke gebiedsontsluitingsweg gemiddeld tussen de 10.000 en 15.000 mvt/etmaal rijden.

Om het worstcasescenario te simuleren, wordt de grootste stijging van de verkeersgeneratie meegenomen in de berekening voor de verkeersafwikkeling. Het betreft hier de maximumstijging binnen variant 2, te weten 596 mvt/etmaal. Voor de toekomstige situatie betekent dit binnen het worstcasescenario het volgende:  Wanroijseweg-Noord: 5.807 mvt/etmaal;  N602 Wanroijseweg-Zuid: 6.382 mvt/etmaal;  N264 Pastoor Jacobsstraat: 11.978 mvt/etmaal.  N264 Bosweg: 12.167 mvt/etmaal;

Hoofdstuk 4

58

Het plangebied wordt middels een directe aansluiting afgewikkeld via de Wanroijseweg-Noord, waardoor dit wegvak van voornaam belang is. Met 5.807 mvt/etmaal blijft de toekomstige verkeersintensiteit ten gevolge van de planontwikkeling ruim onder de gestelde maximumcapaciteit van 15.000 mvt/etmaal. Ditzelfde geldt ook voor de overige drie wegvakken, waardoor er dan ook geen problemen verwacht worden met betrekking tot de verkeersafwikkeling op de omliggende infrastructuur ten gevolge van de planontwikkeling. Aangezien het worstcasescenario middels de maximumstijging binnen variant 2 is gesimuleerd, heeft ieder ander scenario binnen de varianten 1 en 2 een geringer effect op de verkeersafwikkeling. De verwachting dat er geen problemen zullen optreden met betrekking tot de verkeersafwikkeling geldt dan ook voor zowel variant 1 als variant 2. Parkeren Variant 1 (71 woningen, 17 vrijstaande woningen in totaal) De theoretische parkeerberekening voor variant 1 is zichtbaar in de onderstaande afbeelding. Dit betreft het aantal parkeerplaatsen dat noodzakelijk is om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat middels de ontwikkeling.

Theoretische parkeerberekening (variant 1)

Op basis van de ingetekende parkeerplaatsen op de ontwerptekening en de vigerende parkeernormen binnen CROW publicatie 381 geldt voor variant 1 het navolgende:

Totaal aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied (variant 1)

Hoofdstuk 4

59

Uit de eerste tabel komt naar voren dat er op basis van de CROW parkeerkencijfers in totaal 154,3 ofwel 155 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Op basis van de tweede tabel kan opgemaakt worden dat er 155,5 ofwel 156 parkeerplaatsen zijn ingetekend in de reeds door de gemeente goedgekeurde parkeerbalans. Concreet betekent dit dat de 156 te realiseren parkeerplaatsen binnen variant 1, uitgaande van de gemiddelde parkeerkencijfers, voldoen conform de parkeerkencijfers binnen CROW publicatie 381. Variant 2 (73 woningen, 11 vrijstaande woningen in totaal) De theoretische parkeerberekening voor variant 2 is zichtbaar in de onderstaande afbeelding. Dit betreft het aantal parkeerplaatsen dat noodzakelijk is om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat middels de ontwikkeling.

Theoretische parkeerberekening (variant 2)

Op basis van de ingetekende parkeerplaatsen op de ontwerptekening en de vigerende parkeernormen binnen CROW publicatie 381 geldt voor variant 2 het navolgende:

Totaal aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied (variant 2)

Uit de eerste tabel komt naar voren dat er op basis van de CROW parkeerkencijfers in totaal 158,1 ofwel 159 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Op basis van de tweede tabel kan opgemaakt worden dat er 159,6 ofwel 160 parkeerplaatsen zijn ingetekend in de reeds door de gemeente goedgekeurde parkeerbalans. Concreet betekent dit dat de 160 te realiseren parkeerplaatsen binnen variant 2, uitgaande van de gemiddelde parkeerkencijfers, voldoen conform de parkeerkencijfers binnen CROW publicatie 381.

Hoofdstuk 4

60

Conclusie Op basis van de verkeersgeneratie en parkeerberekening mag geconcludeerd worden dat de reeds door de gemeente goedgekeurde parkeerbalans in beide varianten voldoet conform de gemiddelde parkeerkencijfers binnen CROW publicatie 381. Met betrekking tot de theoretische verkeersgeneratie mag geconcludeerd worden dat deze rondom het plangebied stijgt met gemiddeld 549 mvt/etmaal binnen variant 1 en met gemiddeld 567 mvt/etmaal binnen variant 2. Ten slotte worden er voor beide varianten geen problemen verwacht met betrekking tot de verkeersafwikkeling op de omliggende infrastructuur, aangezien de toekomstige verkeersintensiteiten ook in het worstcasescenario ruim onder de gestelde maximumcapaciteit blijven. Daar dit gebruikelijk is binnen de functie ‘Wonen’ en er geen gegronde redenen zijn om hiervan af te wijken, is er voor zowel de parkeerberekening als de verkeersgeneratie gekozen om te middelen tussen de minima en maxima die uit de berekening volgen. Bovendien ligt de projectlocatie op korte afstand van het centrumgebied van Mill, waarbij sprake is van een goede fiets- en OV-bereikbaarheid middels de nabij gelegen bushalte. Gezien het beperkte aanbod van het openbaar vervoer is de afhankelijkheid van een auto dusdanig groot dat zowel voor de parkeerdruk als de verkeersgeneratie het hanteren van het niveau van de gemiddelde norm een juist uitgangspunt is.

Een aandachtspunt is de directe aansluiting van het plangebied op de Wanroijseweg, welke als gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 80 km/uur geclassificeerd wordt. Het is met betrekking tot de verkeersveiligheid niet wenselijk om een dergelijke uitrit van een woonwijk direct aan te laten sluiten op een 80 km/uur weg. Als oplossingsrichting heeft de gemeente Mill en Sint Hubert aangegeven voornemens te zijn om de komgrens te verleggen tot voorbij de aansluiting van ’t Kavelt op de Wanroijseweg. Een dergelijke voorgenomen ontwikkeling gaat naar verwachting gepaard met de volgende aanpassingen:  de uitrit van het plangebied van ’t Kavelt wordt op een 50 km/uur-weg aangesloten;  deze hoofdontsluiting wordt voorzien van een snelheidsremmende maatregel, waardoor de verkeersveiligheid nog beter gewaarborgd wordt. Daarnaast wordt opgemerkt dat twee woningen (op de kavels 39 en 40) direct op de Van den Bogaardweg ontsloten zullen worden. Aangezien dat de verbinding van het plangebied naar de Van den Bogaardweg alleen voor langzaam verkeer en als calamiteitenweg is bedoeld, zal de gemeente Mill en Sint Hubert binnen deze bestemming een klappaal aanbrengen. Hiermee wordt gewaarborgd dat alle overige woningen binnen het plangebied direct op de Wanroijseweg ontsloten worden.

Omdat de Van den Bogaardweg als gevolg van deze ontwikkeling meer gebruikt zal gaan worden voor ontsluiting van Langzaam Verkeer, is de gemeente voornemens om de aansluiting van de Van den Bogaardweg op de Wanroijseweg en de oversteekbaarheid van de Wanroijseweg voor langzaam verkeer op dit punt verder uit te (laten) werken. De bovenstaande voorgenomen maatregelen dienen voor eenduidigheid en herkenbaarheid aan te sluiten op gerealiseerde maatregelen van het heringerichte traject op de ontsluitingsweg door Mill (route Wanroij – Grave).

Hoofdstuk 4

61

4.2.5 Kabels en leidingen Binnen het plangebied en de directie omgeving liggen geen kabels en/of leidingen met een planologische beschermingszone die van invloed is op het plangebied. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.

4.3 Duurzaamheid Duurzaamheid is een integraal onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu. Gezondheids- en milieuaspecten zijn in alle fasen van de inrichting, de bouw en het gebruik van de gebouwde omgeving van belang. Er wordt gestreefd naar duurzame (stedelijke) ontwikkeling, lage milieubelasting, energieneutrale woningbouw/gemeente en behoud en versterking van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. De ontwikkeling vindt plaats binnen een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, zodat rekening wordt gehouden met een duurzame verstedelijking. In paragraaf 4.1 is onderbouwd dat de ontwikkeling voldoende rekening houdt met milieuaspecten. Binnen het plangebied wordt het regenwater duurzaam afgewikkeld, al het regenwater, zowel daken als verharding, wordt bovengronds getransporteerd naar de diverse te realiseren wadi’s. De wadi’s zorgen daarna voor infiltratie binnen het gebied, hierdoor wordt dit regenwater ook gebruikt om groenvoorzieningen rondom de wadi’s van water te voorzien. Het opgestelde natuurinclusieve beplantingsplan voorziet in deze wadi’s en in de ruimtelijke groene inpassing.

Deze groene inpassing wordt doorgezet tot aan de percelen in de vorm van duurzame groene erfafscheidingen ter plaatse van voor- en zijtuinen van de woningen bij de overgang van de privé tuin van de woning naar het openbaar gebied. Het doorzetten van deze duurzame ambitie wordt vertaald in de uitwerking van de te realiseren woningen. De woningen voldoen aan de eisen met betrekking tot BENG: Bijna Energie Neutrale Gebouwen. BENG kan worden uitgesplitst in onderstaande pijlers (bron rvo.nl): (1) de maximale energiebehoefte in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar, (2) het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m² gebruiksoppervlak per jaar en (3) het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Naast de BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw.

Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend.

Hoofdstuk 4

62

Daarnaast is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woningen niet worden aangesloten op het gasnet. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning wordt per woning gekeken naar het toepassen van zonnepanelen, warmtepompen en mogelijkheden tot warmtewering. Daarmee wordt het uitgangspunt om een gasloze wijk te realiseren haalbaar gemaakt. De ligging en omgeving van het plangebied lenen zich goed voor vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor zowel de huismus, gierzwaluw alsmede vleermuizen. Naast het toepassen van duurzame bouwkundige installaties, zoals hierboven beschreven, wordt ook gekeken naar het toevoegen van natuurinclusieve toepassingen zoals neststenen, vleermuiskasten en/of het toegankelijk maken van dakranden en spouwmuren. Daarmee kan de bebouwing gaan fungeren als rust of verblijfplaats voor deze dieren. De checklist ‘groenbouwen.nl’ biedt hierbij handvatten voor de verschillende oplossingen.

Bij de uitwerking naar de aanvraag omgevingsvergunning worden bovenstaande onderdelen onderzocht en wordt op het gebied van duurzaamheid en natuurinclusiviteit zo goed mogelijk uitvoering gegeven.

4.4 M.e.r.-plicht 4.4.1

Beoordeling directe m.e.r.-plicht

Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht.

Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet

Hoofdstuk 4

63

noodzakelijk. Uit paragraaf 4.2.2 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De omvang van de ontwikkeling (realisatie van een woningbouwlocatie van 71 tot 73 woningen) ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht. 4.4.2

M.e.r.-beoordeling

Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Indien het bevoegd gezag zelf degene is die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, neemt het in een zo vroeg mogelijk stadium, voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp-besluit een beslissing omtrent de vraag of vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In het voorliggende geval is de gemeente initiatiefnemer voor het bestemmingsplan.

Middels deze paragraaf wordt daarom invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.19 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel):

Hoofdstuk 4

64

1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het project richt zich op de realisatie van een woningbouwlocatie bestaande uit 71 tot maximaal 73 woningen, op een terrein dat tot momenteel een agrarische bestemming kent. In het kader van de ontwikkeling zullen daarnaast binnen het plangebied diverse infrastructurele elementen gerealiseerd worden.

Cumulatie met andere projecten

Nee.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

Verontreiniging en hinder

Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.

Hoofdstuk 4

65

Kenmerken van het project Criteria

Toets Bodemkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.1): In het kader van het voorliggend plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In paragraaf 4.1.1 is middels dit onderzoek aangetoond dat er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan géén belemmeringen voor beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied bestaan. Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.1.2): In het kader van voorliggend plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 4.1.2 is middels dit onderzoek aangetoond dat er vanuit akoestisch perspectief geen belemmeringen bestaan ten aanzien van onderhavig planvoornemen. Voor vier woningen zal ten gevolge van de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de Wanroijseweg en de Bosweg gezamenlijk met het bestemmingsplan een hogere waarde bij het college van B&W aangevraagd worden. Binnen onderhavig plan wordt de uitvoering van het onderzoek naar de geluidwering van de gevels gewaarborgd binnen de planregels middels een voorwaardelijke verplichting. Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Geur (zie ook paragraaf 4.1.5): Een klein gedeelte van ‘woonkavel 1’ is gelegen binnen de afstandcontour (à 100 meter) van het agrarische bedrijf aan de Wanroijseweg 79. Binnen dit gedeelte van het plangebied is zodoende niet voorzien in de realisatie van geurgevoelige objecten en is een ‘Groen’ bestemming gehanteerd voor de gronden. Binnen het overige gedeelte van het plangebied is op basis van de achtergronden voorgrondbelasting sprake van een acceptabel niveau. Derhalve is er ter plaatse van de beoogde woonkavels sprake van een acceptabel woon en leefklimaat. Milieuzonering (zie ook paragraaf 4.1.6): In de omgeving van het plangebied zijn twee inrichtingen gelegen. Ten aanzien van beide inrichtingen wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In de toekomstige situatie is sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen de woningen en worden bestaande inrichtingen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Verkeersgeneratie (zie ook paragraaf 4.2.4): Ten aanzien van beide varianten worden geen problemen verwacht met betrekking tot de verkeersafwikkeling op de omliggende infrastructuur, aangezien de toekomstige verkeersintensiteiten ook in het worstcasescenario (bouw van 73 woningen) ruim onder de gestelde maximumcapaciteit blijven.

Risico van ongevallen

Er is sprake van de ontwikkeling van woningen. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobronnen.

Hoofdstuk 4

66

Plaats van het object Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

In de huidige situatie zijn de gronden waar de woningen zijn voorzien, bestemd ten behoeve van ‘Agrarische met waarden’. In de huidige situatie is er sprake van gebruik als grasland en is er geen bebouwing aanwezig binnen het plangebied.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het

N.v.t.

regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: 

gevoelige gebieden (wetlands,

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming

kustgebieden, berg- en bosgebie-

beschermde gebieden. Zie ook paragraaf 4.2.2 ‘Ecologie’.

den, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) 

gebieden waarin bij communau-

Nee.

taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden 

gebieden met een hoge bevol-

N.v.t.

kingsdichtheid 

landschappen van historisch, cul-

Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.2.1): conform de cultuurhistoriekaart van de ge-

tureel of archeologisch belang

meente Mill en Sint Hubert zijn er binnen en buiten het plangebied geen cultuurhistorische elementen gelegen die negatief beïnvloed worden middels onderhavig plan. Archeologie (zie ook paragraaf 4.2.1): het plangebied is middels een selectiebesluit vanuit het aspect ‘archeologie’ vrijgegeven voor de realisatie van bebouwing. Derhalve zijn de dubbelbestemmingen conform het vigerend bestemmingsplan komen te vervallen.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee.

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Nee, zie paragraaf 4.2.2 ‘Ecologie’.

Watergebied van internationale beteke-

Nee.

nis Natuurnetwerk Nederland

Nee, zie paragraaf 4.2.2 ‘Ecologie’.

(voormalige EHS)

Hoofdstuk 4

67

Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Landschappelijk waardevol gebied

Het plangebied maakt onderdeel uit van een ‘aardkundig waardevol gebied’. Binnen het landschappelijk inpassingsplan voor het plangebied zijn de te beschermen waarden voor de ‘Steilrand Mill’ echter gewaarborgd.

Waterwinlocaties. waterwingebieden,

Nee, zie paragraaf 4.2.3 ‘Waterhuishouding’.

en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument

Er zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig. Ook zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig, waarop een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend.

Belvedere-gebied

Nee.

Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische

N.v.t.

zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het

Nee.

effect Waarschijnlijkheid van het effect

Van onevenredige effecten voor de omgeving is echter geen sprake.

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid

Er is sprake van permanente nieuwbouw, waarbij de effecten blijvend zijn. Zoals

van het effect

echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.

Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

4.5 Economische aspecten Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grex-wet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling

Hoofdstuk 4

68

van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. In het voorliggende geval zijn de gronden, waar sprake is van het mogelijk maken van een bouwplan, in eigendom van de gemeente. Hierdoor kan het kostenverhaal plaatsvinden middels de grondverkoop.

4.6 Handhaafbaarheid Een belangrijk aspect in de uitvoering van het bestemmingsplan is van juridische aard. Het gaat hierbij om de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het bestemmingsplan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten te kunnen bewaren. Daarnaast is handhaving van belang uit het oogpunt van rechtszekerheid. Alle gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze aan het bestemmingsplan te worden gehouden. Met deze oogmerken is in het bestemmingsplan gestreefd naar een eenvoud van in het bijzonder de planregels.

Hoofdstuk 4

69

5.

JURIDISCHE PLANOPZET

5.1 Algemeen Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012) en het bestemmingsplan ‘Mill-Zuid’, zoals vastgesteld op 23 april 2015.

5.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden. De opgenomen verklaring is niet juridisch bindend en is op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding.

5.3 Toelichting op de regels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;  Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.

Hoofdstuk 5

70

Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.

De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. ‘Bos’ De voor ‘Bos’ aangewezen gronden zij bestemd voor natuur- en bosgebieden, houtopstanden, bosbeheer en houtproductie. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van de bosgebieden. Tevens zijn de gronden bestemd voor het extensief dagrecreatief medegebruik en het educatief medege-

Hoofdstuk 5

71

bruik. Tot slot zijn op de gronden bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan, alsmede nutsvoorzieningen, wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, straatmeubilair en water en voorzieningen voor de waterhuishouding. ‘Groen’ De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, alsmede nutsvoorzieningen. Daarnaast zijn op de gronden bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, alsmede wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen en ontmoetingsvoorzieningen voor groepen mensen, straatmeubilair en water en voorzieningen voor de waterhuishouding. ‘Verkeer’ De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, nutsvoorzieningen en evenementen. Daarnaast zijn de gronden bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, alsmede wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen en ontmoetingsvoorzieningen voor groepen mensen, straatmeubilair, groenvoorzieningen en water en voorzieningen voor de waterhuishouding. ‘Wonen’ De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en een beroep aan huis. Daarnaast zijn op de gronden bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, alsmede parkeervoorzieningen, water, voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden en het aantal toegestane woningen bedraagt ten hoogste het met de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ aangegeven aantal woningen per bouwvlak. Ter plaatse van de aanduidingen 'vrijstaand', 'twee-aaneen' en 'aaneengebouwd' mogen uitsluitend de aangeduide type(n) worden gebouwd. In afwijking hierop mogen ter plaatse van een combinatie van de reeds benoemde bouwaanduidingen uitsluitend de aangegeven bouwaanduidingen gerealiseerd worden. De goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw mag maximaal 6 respectievelijk 11,50 meter bedragen. Het gebruiken en het (doen) laten gebruiken van de voor 'Wonen' aangewezen gronden, welke direct grenzen aan de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' is uitsluitend toegestaan indien de betreffende inrichtingsmaatregelen '2D' en '4A' conform het inrichtingsplan binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden voor woondoeleinden zijn gerealiseerd ter plaatsen van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing' en vervolgens in stand wordt gehouden en beheerd.

Tot een met de bestemming ‘Wonen’ strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het bouwen van nieuwe bebouwing zonder dat ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt aangetoond dat aan de maximale binnenwaarde van 33 dB voor geluidgevoelige ruimten grenzend aan de figuur 'gevellijn – gevelwering' wordt voldaan.

Hoofdstuk 5

72

5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouw-, gebruiks-, aanduidings- en afwijkingsregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn onder andere regels omtrent ondergeschikte bouwonderdelen en maatvoeringen opgenomen. Daarnaast zijn regels opgenomen omtrent parkeren. Algemene gebruiksregels In deze bepaling is aangegeven wat onder strijdig gebruik van het bestemmingsplan wordt verstaan. Daarnaast is aangegeven wanneer het gebruik van gronden en bouwwerken strijdig wordt geacht en is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot het landschappelijk inpassingsplan. Algemene aanduidingsregels In deze bepaling zijn regels opgenomen met betrekking tot de gebiedsaanduidingen omtrent de luchtvaartverkeerszones. Het gaat hierbij om de ‘IHCS – zone’, ‘ILS – zone’ en het ‘radarverstoringsgebied’.

Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Overige regels In de overige regels zijn algemene nadere eisen opgenomen die burgemeester en wethouders kunnen stellen aan de plaats en afmetingen van bebouwing 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen. Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.

Hoofdstuk 5

73

Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.

Hoofdstuk 5

74

6.

PROCEDURE

6.1 Procedure Een bestemmingsplan doorloopt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure die is vastgelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De wettelijke procedure start met de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:  Vooroverleg met betrokken instanties;  Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om

een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Vooroverleg en inspraak Overleg - artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Bij het voorliggende bestemmingsplan zijn geen belangen van het Rijk in het geding. Het voorontwerp (c.q. concept ontwerpbestemmingsplan) ‘Mill, ’t Kavelt’ is op 16 december 2020 voor vooroverleg toegezonden aan de N.V. Nederlandse Gasunie, het Waterschap Aa en Maas/Watertoets, de Veiligheidsregio/Brandweer Brabant-Noord en de provincie Noord-Brabant. Bij e-mailbericht van 16 december 2020 heeft de N.V. Nederlandse Gasunie te kennen gegeven, dat zij het voorontwerp hebben getoetst aan het huidige veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor

Hoofdstuk 6

75

aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komen zij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Bij e-mailbericht van 24 december 2020 heeft het Waterschap Aa en Maas/Watertoets aangegeven, dat de verhardingstoename wordt gecompenseerd en dat er geen bijzondere waterbelangen in het gebied spelen. Vandaar dat zij op basis van hun huidige beleid geen opmerkingen hebben. Bij brief22 van 7 januari 2020 heeft de Veiligheidsregio/Brandweer Brabant-Noord een veiligheidsadvies uitgebracht, vanwege de ligging van een deel van het plangebied binnen een afstand van 200 meter van de N264 en de Wanroijseweg, waarop vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er dient een beperkte groepsrisicoverantwoording plaats te vinden. In het kader van de beoordeling van de bestrijdbaarheid volgt dat ingezet moet worden op het optimaliseren van de mate van zelfredzaamheid. Dit kan door de ontwikkelaar en de bewoners acties te informeren over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Hierdoor wordt het risicobewustzijn vergroot en zal men sneller en beter op een dreiging reageren. Bij brief23 d.d.

27 januari 2021 heeft de provincie Noord-Brabant aangegeven, dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Inspraak / omgevingsdialoog In het kader van onderhavige ontwikkeling hebben diverse overlegmomenten plaatsgevonden met directe omwonenden. Het verslag24 van de gevoerde omgevingsdialoog is als bijlage opgenomen binnen de separate bijlage. De gemeente concludeert, dat er op een adequate wijze vorm is gegeven aan inspraak via de gevoerde omgevingsdialoog. Daarom is er vanaf gezien om een voorontwerpbestemmingsplan voor inspraak ter inzage te leggen.

6.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 19 maart 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen tot en met 29 april 2021. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad om een zienswijze in te dienen. Er is één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is in de nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassing25 in de separate bijlage samengevat en voorzien van een reactie. Naast de uit de zienswijze voortvloeiende aanpassingen is een tweetal ambtshalve aanpassingen doorgevoerd.

22

Veiligheidsregio Brabant-Noord, Advies: concept ontwerpbestemmingsplan 'Mill, t Kavelt', d.d. 7 januari 2021 Provincie Noord-Brabant, Voorontwerp-bestemmingsplan ‘Mill, ’t Kavelt’, d.d. 27 januari 2021 Omgevingsdialoog ’t Kavelt Mill Globaal overzicht gevoerde gesprekken, d.d. 25 januari 2021 25 Gemeente Mill en Sint Hubert, Nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen in het kader van het bestemmingsplan ‘Mill, ’t Kavelt’ en beeldkwaliteitsplan ‘Molenheide Buiten’, d.d. 8 juli 2021 23 24

Hoofdstuk 6

76

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.BRO.nl

Hoofdstuk 6

1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=CuijkGraveMill&id=b5cc6971-5ab2-437a-b029-a7ae7bd2eecc