04. Toelichting_4.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Mill, ’t Kavelt” Gemeente Mill en Sint Hubert Vastgesteld
Bestemmingsplan “Mill, ’t Kavelt” Gemeente Mill en Sint Hubert Vastgesteld
Identificatienummer:
NL.IMRO.0815.BPKavelt-VA01
Rapportnummer BRO:
P02086
Datum:
19 mei 2021
Contactpersonen opdrachtgever:
GM (CGM)
Projectteam BRO:
LNi / HLe
Ontwerp:
9 maart 2021
Vaststelling:
8 juli 2021
Trefwoorden:
Bestemmingsplan, ‘t Kavelt, woningbouwlocatie, Mill, gemeente Mill en Sint Hubert.
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 4
Beknopte inhoud:
Toelichting ten behoeve van het bestemmingsplan voor de realisatie van 71 tot maximaal 73 woningen nabij de Wanroijseweg en Van den Bogaardweg te Mill.
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Toelichting
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Ligging en grens van het plangebied 1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader 1.4 Leeswijzer
4 4 6 6 7
2. PROJECTOMSCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige ontwikkeling 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
8 8 9 12
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
16 16
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
16 16 17 19
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Regionaal en gemeentelijk beleid
19 20 25
3.3.1 Woningbouwbeleid 3.3.2 Structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’
25 26
4. UITVOERINGSASPECTEN 4.1 Milieuaspecten
28 28
4.1.1 Bodem 4.1.2 Geluidhinder 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Externe veiligheid 4.1.5 Geur 4.1.6 Milieuzonering 4.1.7 Luchtvaartverkeerzone 4.2 Fysieke aspecten
28 32 36 37 41 42 44 45
4.2.1 Cultureel erfgoed 4.2.2 Ecologie 4.2.3 Waterhuishouding 4.2.4 Verkeer en parkeren
45 47 53 57
Inhoudsopgave
1
4.2.5 Kabels en leidingen 4.3 Duurzaamheid 4.4 M.e.r.-plicht
62 62 63
4.4.1 Beoordeling directe m.e.r.-plicht 4.4.2 M.e.r.-beoordeling 4.5 Economische aspecten 4.6 Handhaafbaarheid
63 64 68 69
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemeen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de regels
70 70 70 70
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
70 71 73 73
6. PROCEDURE 6.1 Procedure 6.2 Vooroverleg en inspraak 6.3 Zienswijzen
75 75 75 76
SEPARATE BIJLAGEN 1. BRO, Landschappelijke inpassing ’t Kavelt, projectnummer.: P02086, d.d. 30 juli 2020 2. BRO, Beplantingsplan ’t Kavelt, projectnummer.: P02086, d.d. 31 juli 2020 3. Pauwert Architectuur, Beeldkwaliteitsplan, projectnummer.: 3482, d.d. 26 april 2021 4. Welstandscommissie Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, advies/instemming, 26 november 2020 5. Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Van den Bogaardweg (ong.) te Mill, projectnummer.: 10886.001, d.d. 19 februari 2021 6. Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Van den Bogaardweg (ong.) te Mill, projectnummer.: 10886.002, d.d. 19 februari 2021 7. Econsultancy, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ’t Kavelt te Mill, projectnummer: 2251.002, 21 juli 2020 8. Gemeente Mill en Sint Hubert, Besluit Hogere Waarden Geluidhinder, d.d. 25 mei 2021 9. Veiligheidsregio Brabant-Noord, Advies: concept ontwerpbestemmingsplan 'Mill, t Kavelt', d.d. 7 januari 2021 10. RMB, Beoordeling Geurbelasting bestemmingsplanwijziging, projectnummer.: 74000751, d.d. 30 mei 2011. 11. ArchAeO B.V, Beoordeling en advies Archeologische onderzoeksrapporten, projectnummer.: P13191 / P16040, d.d. 31 mei 2016 12. ADC Archeoprojecten, Een omgreppelde nederzetting uit de 13e eeuw in Mill ’t Kavelt, projectnummer.: 4125, d.d. juni 2016 13.
Gemeente Mill en Sint Hubert, Vrijgeven projectgebied 't Kavelt in het kader van archeologie, zaaknr.: Z/M/15/22743, d.d. 7 februari 2017
Inhoudsopgave
2
14. BRO, Quickscan flora en fauna ‘Woningbouwlocatie Mill, ’t Kavelt’, projectnummer.: P02086, d.d. 29 oktober 2019 15. M-Tech, Depositieberekening voor de aanleg en het gebruik van bestemmingsplan “t’ Kavelt” – variant 2 - te Mill, projectnummer.: Kav.Mil.21.DO WB-01, d.d. 27 januari 2021 16. BRO, Notitie jaarrond beschermde nesten 't Kavelt te Mill, projectnummer.: P02086, d.d. 16 maart 2020 17. Econsultancy, Watertoets ’t Kavelt (fase 1) te Mill, projectnummer.: 1698.001, d.d. 15 april 2021. 18. Grenspaal12, Verkeersgeneratie en parkeerberekening, projectnummer.: 19-0704-02_v3, d.d. 24 augustus 2020. 19. Provincie Noord-Brabant, Voorontwerp-bestemmingsplan ‘Mill, ’t Kavelt’, d.d. 27 januari 2021 20. Omgevingsdialoog ’t Kavelt Mill Globaal overzicht gevoerde gesprekken, d.d. 25 januari 2021 21. Gemeente Mill en Sint Hubert, Nota van zienswijzen en ambtshalve aanpassingen in het kader van het bestemmingsplan ‘Mill, ’t Kavelt’ en beeldkwaliteitsplan ‘Molenheide Buiten’, d.d. 8 juli 2021
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding en doelstelling Aanleiding In 2012 is door Strootman Landschapsarchitecten het rapport ‘Verkenning Mill Zuid’ opgesteld. Een van de aanleidingen voor deze rapportage was de gemeentelijke ambitie om bijzondere, groene woonmilieus te realiseren binnen de gemeente. Hiermee wil de gemeente Mill en Sint Hubert zich onderscheiden van kernen in de omgeving. Deze nieuwe woonmilieus moeten passen in het landelijke karakter dat Mill voor ogen staat. Nieuwe woonmilieus moeten zodoende landelijke woonmilieus betreffen. Een van de nieuwe woonmilieus die wordt erkend binnen de rapportage is ’t Kavelt dat is gelegen tegen de bosrand van Molenheide, net ten noorden van de Bosweg. Voor dit gebied is in 2010 al een stedenbouwkundig plan opgesteld door Strootman Landschapsarchitecten & Faro Architecten. Met de ontwikkeling van nieuwe woongebieden wordt de aansluiting op de bestaande kern van Mill, waar alle voorzieningen liggen, steeds actueler voor de gemeente Mill en Sint Hubert. De gemeente Mill en Sint Hubert heeft het rapport ‘Verkenning Mill Zuid’ tevens laten opstellen om te onderzoeken hoe het gebied tussen de Bosweg en Wanroijseweg zich kan ontwikkelen tot een gebied met meer eenheid, samenhang en kwaliteit. Binnen de rapportage van Strootman Landschapsarchitecten uit 2012 is het gebied ’t Kavelt aangemerkt voor de functie ‘Groen wonen’.
De functie ‘Groen wonen’ binnen het gebied ’t Kavelt wordt gezien als een gebied waar op een ontspannen manier in het groen gewoond kan worden. Naast het feit dat het gebied ’t Kavelt wordt aangemerkt als een gebied voor ‘Groen wonen’ binnen de het rapport ‘Verkenning Mill Zuid’ (Strootman Landschapsarchitecten, 2012) wordt het gebied ook binnen andere beleidsmatige documenten erkend als een locatie voor potentiële woningbouwontwikkelingen. Op 29 september 2011 heeft de gemeenteraad de structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ vastgesteld, waarin de gemeente haar toekomstvisie op de gemeente Mill en Sint Hubert beschrijft. Hierbinnen wordt het gebied ’t Kavelt aangeduid als ‘Mill-Zuid / zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling’. Daarnaast is op 25 oktober 2019 de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld (geconsolideerd op 01 maart 2020). Conform kaart 3 ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant wordt het gebied ’t Kavelt op provinciaal niveau hierbinnen aangemerkt als ‘verstedelijking afweegbaar’. Op gemeentelijk en provinciaal niveau wordt het gebied ’t Kavelt derhalve reeds al een geruime tijd erkend als een gebied waar woningbouwontwikkelingen plaats kunnen vinden.
Tot slot maakt het gebied ’t Kavelt onderdeel uit van het vigerend bestemmingsplan ‘Mill-Zuid’, zoals vastgesteld op 23 april 2015 door de gemeenteraad van Mill en Sint Hubert. Binnen de toelichting van dit bestemmingsplan wordt verwezen naar de reeds voornoemde ‘Verkenning Mill Zuid’ en wordt beschreven dat de voorziene woningbouwontwikkeling in het gebied ’t Kavelt niet in het bestemmingsplan ‘Mill-Zuid’ zijn meegenomen. De woningbouwontwikkeling zullen zodoende middels een aparte
Hoofdstuk 1
4
bestemmingsplanprocedure geregeld moeten worden. Derhalve is dan ook onderhavig bestemmingsplan opgesteld voor de beoogde woningbouwontwikkeling binnen het gebied ’t Kavelt. Doelstelling Het voornemen bestaat om op het perceel kadastraal bekend als de gemeente Mill sectie R, nummer 1214 in totaal 71 tot maximaal 73 woonkavels te ontwikkelen ten behoeve van fase 1 van de woningbouwlocatie ’t Kavelt. In het vigerende bestemmingsplan ‘Mill-Zuid’ is het perceel momenteel bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’. De realisatie van woningen (tevens toegangswegen, groenvoorzieningen en parkeergelegenheden) is zodoende niet toegestaan binnen deze bestemming. Gezien de strijdigheid van het initiatief met het vigerend bestemmingsplan dient er een nieuw planologisch-juridisch kader opgesteld te worden. Door middel van het voorliggende bestemmingsplan wordt zodoende de realisatie van de beoogde woningen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Doel van dit bestemmingsplan is om te beschikken over een actueel bestemmingsplan voor de beoogde woningbouwlocatie, waarin de volgende aspecten zijn opgenomen: ontwikkelingsmodelijkheden worden vastgesteld; een juridisch systeem wordt gekozen, dat past bij deze tijd; passende zorg wordt gegeven aan milieu componenten; beschikt kan worden over een digitale verbeelding, conform IMRO-model, waardoor het plan ook digitaal geraadpleegd kan worden.
Uitsnede topografische kaart met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
5
1.2 Ligging en grens van het plangebied Het plangebied ligt aan de Wanroijseweg en Van den Bogaardweg in Mill, in de Gemeente Mill en Sint Hubert. Het plangebied betreft een gedeelte van het perceel kadastraal bekend als de gemeente Mill sectie R, nummer 1214.
Begrenzing plangebied geprojecteerd op een kadastrale ondergrond
1.3 Vigerend juridisch-planologisch kader Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Mill-Zuid’, zoals vastgesteld op 23 april 2015 door de gemeenteraad van Mill en Sint Hubert. Voor het gehele plangebied geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’. De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor duurzaam agrarisch grondgebruik, behoud en ontwikkeling van natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden, recreatief medegebruik. Daarnaast zijn op deze gronden bijbehorende bouwwerken en bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en paden, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding toegestaan. De beoogde ontwikkeling van de 71 tot 73 woonkavels op deze gronden is derhalve conform het vigerend bestemmingsplan niet toegestaan. Daarnaast geldt voor een gedeelte van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 2’. In paragraaf 4.2.1 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie. Daarnaast gelden binnen het plangebied de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone - ihcs zone’, ‘luchtvaartverkeerzone - ils - zone 6’ en ‘luchtvaartverkeerzone - radarverstoringsgebied’. Deze
Hoofdstuk 1
6
aanduidingen zijn opgenomen vanwege de ligging van het plangebied binnen het obstakelbeheergebied van het militaire luchtvaartterrein ‘Vliegbasis Volkel’. In paragraaf 4.1.7 wordt hier nader op ingegaan. Tot slot geldt voor een gedeelte van het plangebied de gebiedsaanduiding en ‘overige zone aardkundig waardevol gebied’. Het is ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone - aardkundig waardevol gebied’ verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning grond te verzetten of vergraven, waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² of met meer dan 0,4 m wordt gewijzigd of waarbij de maaiveldniveaus van steilranden worden gewijzigd. In paragraaf 3.2.2 wordt nader ingegaan op de doorwerking vanwege de ligging in de ‘overige zone – aardkundig waardevol gebied’.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Mill-Zuid' met kadastrale ondergrond (plangebied rood omlijnd)
1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan wordt gevormd door de regels en de verbeelding tezamen. De toelichting is een beschrijving van hetgeen middels het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Daarnaast onderbouwt het de haalbaarheid van de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt allereerst een beschrijving van zowel de bestaande situatie als de toekomstige ontwikkeling gegeven. De hoofdlijnen van beleid zijn vervolgens beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de uitvoeringsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische planopzet wordt beschreven. In hoofdstuk 6 vindt tot slot een beschrijving van het (voor)overleg, inspraak en van de procedure plaats.
Hoofdstuk 1
7
2.
PROJECTOMSCHRIJVING
2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan de zuidoostzijde van de kern Mill. Ten zuiden van het plangebied begint aan de overzijde van de weg ‘Bosweg’ het buitengebied van de gemeente Mill en Sint Hubert. Het plangebied is momenteel niet bebouwd en bestaat uit grasland. Het plangebied grenst in noord- en westelijke richting aan enkele woonpercelen. Daarnaast grenst het plangebied in oost- en zuidelijke richting aan een bosschage die onderdeel uitmaakt van het NNB (Natuurnetwerk Brabant).
Uitsnede luchtfoto met kadastrale ondergrond en begrenzing plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 2
8
2.2 Toekomstige ontwikkeling De gewenste ontwikkeling voorziet in de realisatie van 71 (tot maximaal 73) woningen binnen het plangebied. Het plangebied kent specifiek gezien ten aanzien van uitwerking van onderhavig plan twee varianten. Deze varianten hebben betrekking op de functionele invulling van de gemeentelijke woonkavels binnen het plangebied. De uitwerking van de woonkavels binnen de twee varianten vindt aan het eind van deze paragraaf plaats. Groenstructuren Naast de woonkavels worden binnen plangebied verschillende groenstructuren gerealiseerd. Zo is er een robuuste groenstructuur gelegen aan de noordoostzijde van het plangebied, alsmede aan de zuidwestzijde. Binnen beide groenstructuren zal een voetpad worden aangebracht. Daarnaast wordt aan de oost- en zuidoostzijde van het plangebied voorzien in de realisatie van een groenstructuur die aansluit op de reeds bestaande bosschage (bosrand) ten oosten van het plangebied. Verspreid binnen het plangebied liggen enkele kleinere openbare groenstroken. Tot slot wordt binnen de groenstructuur aan de westzijde van het plangebied voorzien in de realisatie van een natuurlijke laagte die als waterberging zal dienen. Verkeer en parkeren Het verkeer binnen het plangebied wordt middels een toegangsweg hoofdzakelijk ontsloten op Wanroijseweg.
Enkel twee woonkavels aan de noordwestzijde van het plangebied worden ontsloten op de Van den Bogaardweg. Al het verkeer afkomstig van de overige woonkavels wordt derhalve ontsloten op de Wanrojjseweg. Binnen het plangebied wordt daarnaast aan de noordzijde voorzien in de realisatie van drie openbare parkeerkoffers. Naast de parkeerkoffers worden tevens openbare parkeerplaatsen voorzien aan straatzijde binnen het plangebied. Ook worden er op het eigen terrein van de woonkavels parkeerplaatsen gerealiseerd. Ten aanzien van de exacte verdeling met betrekking tot de realisatie van parkeerplaatsen op het eigen terrein en binnen het openbaar gebied vindt een gedetailleerde uitwerking plaats in paragraaf 4.2.4. Woningen De maximum goothoogte van de beoogde woningen bedraagt 6 meter en de maximum bouwhoogte 11,5 meter. Binnen het plangebied zijn verschillende type woningen gelegen, waaronder aaneengeschakelde woningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Aangezien onderhavig bestemmingsplan enige flexibiliteit voorziet ten aanzien van de woningtypes die voorzien worden op de gemeentelijke kavels is er sprake van twee mogelijke varianten. Ten aanzien deze twee varianten wordt onderstaand een toelichting gegeven op diens uitwerking en volgt een inrichtingstekening met hierop de functionele indeling van het plangebied.
Variant 1 Binnen variant 1 wordt voorzien in de realisatie van in totaal 71 woningen. Dit betreffen 58 woningen/woonkavels die ontwikkeld worden door Cedrus Vastgoed en 13 woningen/woonkavels die gelegen zijn op de gemeentelijke kavels. Op gemeentelijke kavels wordt hierbij voorzien in de realisatie
Hoofdstuk 2
9
van 13 vrijstaande woningen. De woningen op de gemeentelijke kavels zijn in het wit aangeduid en de woningen op de kavels die ontwikkeld worden door Cedrus Vastgoed zijn in het grijs aangeduid.
Functionele indeling plangebied variant 1 (13 woningen, vrije kavels gemeente)
Variant 2 Binnen variant 2 wordt voorzien in de realisatie van in totaal 73 woningen. Dit betreffen 58 woningen/woonkavels die ontwikkeld worden door Cedrus Vastgoed en 15 woningen/woonkavels die gelegen zijn op de gemeentelijke kavels. Op de gemeentelijke kavels wordt hierbij voorzien in de realisatie
Hoofdstuk 2
10
van 7 vrijstaande woningen en 8 twee-onder-een-kapwoningen. De woningen op de gemeentelijke kavels zijn in het wit aangeduid en de woningen op de kavels die ontwikkeld worden door Cedrus Vastgoed zijn in het grijs aangeduid.
Functionele indeling plangebied variant 2 (15 woningen, vrije kavels gemeente)
Hoofdstuk 2
11
2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Ruimtelijke en stedenbouwkundige voorgeschiedenis De voorgenomen ontwikkeling past goed in de omgeving, aangezien hier sprake is van een locatie die conform het gemeentelijk (Structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’) en provinciaal beleid (Interim omgevingsverordening Noord-Brabant) is aangewezen als een zoekgebied voor stedelijke ontwikkelingen. Met de ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van een kwalitatief hoogwaardige woningbouwlocatie aan de zuidoostzijde van de kern Mill. De beoogde woningbouwlocatie grenst hierbij in noordelijke richting aan bestaand stedelijk gebied (kern Mill). De eerste ruimtelijk verkenning en basis voor het plan is gelegd in ‘Verkenning Mill Zuid’ door Strootman landschapsarchitecten uit 2012. Hierbinnen is het gebied ’t Kavelt aangeduid als een gebied dat geschikt is voor ‘Groen wonen’. Daarnaast komt de basis van het plan voort uit het stedenbouwkundig plan voor ’t Kavelt uit 2010.
Uitsnede kaart met 'Identiteit' gebieden (links) en uitsnede kaart met toekomstige bestemmingsplannen (rechts), Strootman Landschapsarchitecten, 2012. Locatie ’t Kavelt aangeduid met rode pijl.
Landschappelijk inpassingplan Het concept dat centraal staat binnen onderhavig plan betreft wonen rond een groene verbinding, waarbij het versterken van de bestaande bosrand en het inrichten van een centrale (ecologische) parkzone belangrijke uitgangspunten zijn. Om het groen wonen en de versterking van de bestaande bosrand en inrichting van een centrale parkzone te waarborgen is in het kader van onderhavig plan een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld. Binnen het landschappelijk inpassingsplan heeft een afweging plaatsgevonden ten aanzien van diverse beleidskaders, waaronder de ‘Provinciale Interim omgevingsverordening’, ‘Investeringsregeling ruimtelijke kwaliteit Mill en Sint Hubert’ en het bestemmingsplan ‘Mill-Zuid’. Om de planontwikkeling mogelijk te maken is een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld die op basis van het stedenbouwkundig plan, de beleidskaders en kennis van het landschap en locatie zijn vormgegeven. Zie hiertoe
1
BRO, Landschappelijke inpassing ’t Kavelt, projectnummer.: P02086, d.d. 30 juli 2020
Hoofdstuk 2
12
de inrichtingsmaatregelen op de onderstaande afbeelding. Voor een verdere toelichting op de inrichtingsmaatregelen wordt verwezen naar het volledige landschappelijk inpassingsplan in de separate bijlagen.
Plankaart landschappelijke maatregelen inpassingsplan
Onderhavige woningbouwlocatie wordt gekenmerkt door drie plandelen, met ieder een eigen openbare ruimte en woonkarakter. Op basis hiervan zijn de volgende uitgangspunten te onderscheiden die van invloed zijn op deze plandelen en daarmee het landschappelijk inpassingsplan. Plandeel Bosrand De straat langs de bosrand is met zijn aantakking aan de Wanroijseweg de belangrijkste ontsluitingsweg voor het gebied Molenheide Buiten. De straat ligt aan de rand van het bestaande bomencluster dat als een uitloper van de Molenheidse bossen tot aan de Wanroijseweg reikt. Dit ‘bossige’ karakter dient tot uiting te komen in de inrichting van de straat; Het profiel van deze straat bestaat uit één rechte rijbaan met aan de oostzijde de bestaande bosrand. Opgaande beplanting wordt aan de westzijde en voor een deel aan de oostzijde van de rijbaan geplaatst. Samen met de bestaande bosrand kenmerkt dit het groene karakter van de straat. De sfeer van het bos is voelbaar aan deze straat. De woningen staan middels een voortuin en haag terug van het wegprofiel. Plandeel Brink wonen De sfeer in dit plandeel wordt medebepaald door de inrichting van de centrale openbare ruimte en het wegprofiel. Het profiel is breed opgezet met ruimte voor groen (de Brink);
Hoofdstuk 2
13
Het groen wordt vanuit de bosrand smaller naar het einde van de straat, dit zorgt voor een afwisseling in profielbreedte. Karakteriserend voor de openbare ruimte in dit plandeel is de groene middenzone.
Plandeel Park wonen Het wonen aan het park kenmerkt zich door veranda’s die uitkijken over een parklandschap. Het weidse zicht richting de naastgelegen velden en bossen wordt zo veel mogelijk onbelemmerd gelaten; Het profiel van de straat is zo minimaal mogelijk ingericht, de veranda’s staan zo dicht mogelijk aan het park. De smalle private voortuin voorziet in minimale overgang tussen openbare ruimte en privaat domein. Middels het landschappelijk inpassingsplan worden de woningen binnen het plangebied vanuit ruimtelijke en stedenbouwkundig opzicht zorgvuldig ingepast in de omliggende omgeving. Daarnaast worden bestaande structuren rondom en binnen het plangebied, zoals het Natuurnetwerk Brabant en aanwezige microreliëf gewaarborgd middels de opgenomen inrichtingsmaatregelen. Er kan kortom geconcludeerd worden dat het plan vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt goed inpasbaar is in de omgeving. Beplantingsplan In het kader van onderhavig bestemmingsplan worden de landschappelijke voorstellen, zoals verwoord in het landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt tot concrete maatregelen in een beplantingsplan2. Het beplantingsplan bestaat uit een overzichtstekening, een overzicht van alle toe te passen beplanting en referenties van de plantsoorten. Daarnaast zijn richtlijnen voor beheer van de plantvakken opgenomen. Het beplantingsplan bouwt voort op het landschapsplan.
De landschappelijke maatregelen zijn derhalve gebaseerd op de vijf deelgebieden uit het landschapsplan. Voor de realisatie van het beplantingsplan dient het Handboek openbare ruimte (nov. 2018) van de werkorganisatie CGM in acht te worden genomen. Hierin staan alle eisen met betrekking tot de realisatie van de groenstructuur in ‘t Kavelt. Beeldkwaliteitsplan Onderhavig bestemmingsplan vormt de juridische verankering van het stedenbouwkundig plan (en geeft daarnaast een toelichting op het planvoornemen). Het stedenbouwkundig plan betreft het gewenste eindbeeld voor onderhavige ontwikkeling. Naast het bestemmingsplan, waarin het stedenbouwkundig plan is opgenomen, is een beeldkwaliteitsplan 3 opgesteld, dat door de gemeenteraad van de gemeente Mill en Sint Hubert gelijktijdig met het bestemmingsplan zal worden vastgesteld (conform de Woningwet/Welstandsbeleid). De Welstandscommissie Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft ingestemd4 met dit beeldkwaliteitsplan.
BRO, Beplantingsplan ’t Kavelt, projectnummer.: P02086, d.d. 31 juli 2020 Pauwert Architectuur, Beeldkwaliteitsplan, projectnummer.: 3482, d.d. 26 april 2021 4 Welstandscommissie Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, advies/instemming, 26 november 2020 2 3
Hoofdstuk 2
14
Het beeldkwaliteitsplan zal fungeren als welstandstoetsingskader voor de vergunningsaanvragen binnen onderhavig plangebied. Voor de woningen en de openbare ruimte worden hierin uitgangspunten opgenomen om het gewenste eindbeeld te kunnen realiseren.
Hoofdstuk 2
15
3.
BELEIDSKADER
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief zijn gezien de schaal en aard geen nationale belangen in het spel. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen, zoals verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de AMvB als bijlage bij de SVIR gepubliceerd. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.
De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Van de bovengenoemde onderwerpen is uitsluitend het onderwerp ‘Defensie’ van belang. Het plangebied is namelijk gelegen binnen het obstakelbeheergebied van het militaire luchtvaartterrein ‘Vliegbasis Volkel’. Afweging In het kader van de ligging binnen het obstakelbeheergebied, zijn in het vigerend bestemmingsplan ‘Mill-Zuid’, de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone – radarverstoringsgebied’, ‘luchtvaartverkeerszone – ihcs zone’ en ‘luchtvaartverkeerszone – ils - zone 6’ opgenomen, ter bescherming van de belangen van de militaire luchthaven.
Hoofdstuk 3
16
De gronden die als zodanig zijn aangeduid, zijn mede bestemd voor een onverstoorde instandhouding van het radarverstoringsgebied en de in- en uitvliegtunnel van vliegtuigen. Concreet betekent dit dat ter plaatse de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 72 m + NAP (radarverstoringsgebied) respectievelijk 64 m + NAP (IHCS-zone) en 68,9 m + NAP (ILS-zone).
Plangebied
Kaart militair luchtvaartterrein - Vliegbasis Volkel, bijlage 3.8 bij de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, met als inzet lrechtsboven de situatie ingezoomd op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn5.
5
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
17
Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging In het voorliggende geval worden 71 tot maximaal 73 woningen mogelijk gemaakt. Het toevoegen van meer dan 11 woningen is in lijn met de uitspraak6 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Dit betekent dat artikel 3.1.6, lid 2 Bro van toepassing is. Het beoogde initiatief voorziet in de realisatie van 71 tot maximaal 73 woningen, hetgeen een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking vereist.
Het voorliggende initiatief maakt reeds deel uit van de gemeentelijke en regionale woningbouwprogrammering en voorziet zowel kwalitatief en kwantitatief in de woningbouwbehoefte (zie uitwerking in paragraaf 3.3). De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Er is namelijk sprake van een ontwikkeling, waarbij binnen een gebied dat conform de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ is aangeduid als ‘verstedelijking afweegbaar’ invulling wordt gegeven aan de bestaande woningbouwbehoefte binnen de regio Land van Cuijk in z’n algemeenheid en de gemeente Mill en Sint Hubert en de kern Mill in het bijzonder. Conform artikel 3.43 ‘afwijkende regels verstedelijking afweegbaar’ uit de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ geldt dat in afwijking van artikel 3.42 ‘Duurzame stedelijke ontwikkeling’, lid 1, een bestemmingsplan ter plaatse van ‘verstedelijking afweegbaar’ mag voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling.
Hierbij dient dan wel voldaan te worden aan de navolgende voorwaarden: binnen ‘stedelijk gebied’ feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Onderhavige ontwikkeling voldoet aan de bovenstaande voorwaarden (zie paragraaf 3.2.2), waardoor onderhavig plan in overeenstemming is met artikel 3.43. 6
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017
Hoofdstuk 3
18
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De omgevingsvisie bevat de ambities voor de Brabantse leefomgeving tot 2050. Daarnaast zijn mobiliserende tussendoelen opgesteld voor de periode tot 2030. De basisopgave van de omgevingsvisie is werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn de volgende vier hoofdopgaven geformuleerd: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie. De provincie blijft inzetten op duurzame verstedelijking door middel van herbestemming en transformatie in het bestaand bebouwd gebied. Hier liggen tevens kansen voor het toekomstbestendig maken van het stedelijk gebied en voor het creëren van ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen en woningbouw. De komende 10 jaar ligt er een forse woningbouwopgave van circa 120.000 woningen, daarna loopt de woningbouwopgave in omvang terug.
De provincie ziet deze opgave als kans om invulling te geven aan de energieopgave in het stedelijk gebied, het stedelijk gebied klimaatbestendig te maken en de kwaliteit van het stedelijk gebied op orde te brengen. Daarnaast zet de provincie in op een energieneutrale gebouwde omgeving in 2050. De provincie zet zich in voor de transitie van de woningvoorraad en andere gebouwen naar energie-neutraal, te beginnen met energiebesparing. Afweging De voorliggende ontwikkeling omvat de realisatie van 71 tot maximaal 73 woningen binnen het plangebied. Het plangebied is conform de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ reeds aangewezen als ‘verstedelijking afweegbaar’. Als er vanuit kwaliteit of kwantiteit in ‘stedelijk gebied’ onvoldoende ruimte aanwezig is, dan bestaat er de mogelijkheid dat een stedelijke ontwikkeling binnen het werkingsgebied ‘verstedelijking afweegbaar’ wordt gerealiseerd. De gebieden die momenteel onder het werksgebied ‘verstedelijking afweegbaar’ vallen zijn in het verleden (2004) na toepassing van de lagenbenadering en afweging aangeduid als gebieden waar - onder voorwaarden - verantwoorde uitbreidingsmogelijkheden (kunnen) liggen. Daarbij worden de aspecten uit paragraaf 3.1.2 ‘Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies’ betrokken. Onderhavige ontwikkeling voldoet aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.
Daarnaast wordt middels onderhavig plan invulling gegeven aan de woningbouwopgave voor de komende tien jaar. De ontwikkeling is dan ook in lijn met het door de provincie Noord-Brabant voorgestane beleid.
Hoofdstuk 3
19
3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’ vastgesteld (geconsolideerd op 01 maart 2020). In de Interim omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de huidige regels zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. De verordening bestaat uit tekst en kaartmateriaal. De tekst bevat regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het nemen van ruimtelijke besluiten. Aan de hand van de kaarten kan vastgesteld worden waar welke regels van toepassing zijn. Conform kaart 3 ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (zie onderstaande afbeelding) is het plangebied gelegen binnen de aanduidingen: ‘verstedelijking afweegbaar’ (geheel). ‘aardkundig waardevol gebied’ (gedeeltelijk);
Uitsnede Kaart 3: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed
Conform kaart 2 ’Rechtstreeks werkende regels: landbouw’, kaart 6 ‘Instructieregels gemeenten: basiskaart Landelijk gebied’ en kaart 7 ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is het plangebied daarnaast gelegen binnen de aanduidingen: ‘landelijk gebied’ (geheel); ‘beperkingen veehouderij’ (geheel); ‘stalderingsgebied’ (geheel).
Hoofdstuk 3
20
Afweging De regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant zijn er, in lijn met het beleid van de Omgevingsvisie Noord-Brabant, op gericht om het leeuwendeel van de stedelijke ontwikkelingen plaats te laten vinden in de stedelijke regio’s, in het bestaand stedelijk gebied en in de werkingsgebieden ‘verstedelijking afweegbaar’. Verstedelijking afweegbaar Artikel 3.43 ‘afwijkende regels verstedelijking afweegbaar’ In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van ‘verstedelijking afweegbaar’ voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: binnen ‘stedelijk gebied’ feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het ‘stedelijk gebied’. Gezien de omvang van de ontwikkeling is er binnen ‘stedelijk gebied’ onvoldoende ruimte om onderhavige ontwikkeling plaats te laten vinden.
Daarnaast kan de ontwikkeling niet plaatsvinden door de transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed. De te realiseren woningbouwaantallen passen binnen de regionale en lokale woningbouwkaders (zie paragraaf 3.1.3 en 3.3.1). Tot slot is bij de stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting van onderhavig plan rekening gehouden met de omgevingskwaliteit en structuren in het omliggende gebied (zie paragraaf 2.3). Onderhavige ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met de voorwaarden uit artikel 3.43 uit de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’. Aardkundig waardevol gebied Ten aanzien van de ligging van het plangebied binnen het werkingsgebied van de aanduiding ‘aardkundige waardevol gebied’ geldt het navolgende.
Hoofdstuk 3
21
Artikel 3.28 ‘aardkundige waarden’ Een bestemmingsplan dat van toepassing op ‘aardkundig waardevol gebied’: is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de ‘Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant’; stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Artikel 5.10 ‘nadere regels cultuurhistorische- en aardkundige waarden’ Gedeputeerde Staten stellen nadere regels vast waarin zij voor de toepassing van deze verordening het volgende beschrijven: de aardkundige waarden en kenmerken van de aangewezen gebieden als onderdeel van de ‘Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant’; de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de aangewezen gebieden als onderdeel van de ‘Cultuurhistorische Waardenkaart’. Om ruimtelijke plannen goed te kunnen beoordelen heeft de provincie Noord-Brabant de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ ontwikkeld en deze bestuurlijk vastgesteld ter behoud van de ecologische en cultuurhistorische betekenis van deze waarden. Zo kunnen gemeenten en waterschappen bepalen met welke aardkundige waarden zij rekening moeten houden. Onderhavig plangebied is conform de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ gelegen binnen het aardkundig waardevol gebied de ‘Steilrand Mill’.
Zie hiertoe onderstaande afbeelding.
Uitsnede Aardkundige waardevolle Gebiedenkaart Provincie NoordBrabant (globale aanduiding plangebied rood omlijnd)
Op de 'Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ staan begrenzingen en omschrijvingen van onder meer samenstelling en opbouw van de aardkorst, reliëfvormen aan het oppervlak, bodemtypen en (grond)waterstromingen. De te beschermen waarden ten aanzien van de ‘Steilrand Mill’ worden omschreven in de onderstaande afbeelding.
Hoofdstuk 3
22
Overzicht te beschermen waarden 'Steilrand Mill'
In het kader van onderhavig plan is conform paragraaf 2.3 een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor het beoogde planvoornemen. De uitwerking van dit landschappelijk inpassing is afgestemd op de vastgestelde te beschermen waarden binnen het gebied van de ‘Steilrand Mill’. De realisatie en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is gewaarborgd binnen de bestemmingsplanregels middels een voorwaardelijke verplichting. Derhalve wordt hiermee voldaan aan de gestelde eisen conform artikel 3.28 ‘aardkundige waarden’ uit de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’. Landelijk gebied Artikel 3.9 ‘kwaliteitsverbetering landschap’ Een ruimtelijke ontwikkeling in ‘landelijk gebied’ gaat gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Voor de stedelijke ontwikkeling van onderhavig plan betekent dit zowel een landschappelijke inpassing als een kwaliteitsverbetering conform het gemeentelijk kwaliteitskader. Binnen de rapportage omtrent de landschappelijk inpassing in de separate bijlage is aangegeven op welke wijze onderhavig plan voorziet in een dergelijke kwalitatieve investering. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.
Artikel 3.16 externe werking Natuurnetwerk Brabant Gezien de ligging van het plangebied tegen het Natuurnetwerk Brabant (oostzijde) in ‘landelijk gebied’, dient onderzocht te worden wat de verwachtende effecten zijn van de woningbouwontwikkeling op de aanwezige natuurwaarden van naastgelegen NNB-gronden. Bij een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur door verstoring zal worden onderzocht op welke manier de negatieve effecten kunnen worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. Als onderdeel van de quickscan flora en fauna (zie paragraaf 4.2.2.) die is uitgevoerd in het kader van onderhavig bestemmingsplan is een effectenscan naar de externe werking op het NNB uitgevoerd. De resultaten en adviezen uit dit document zijn meegenomen als input voor het landschappelijke inpassingsplan. Tevens is een notitie jaarrond beschermde nesten (zie paragraaf
Hoofdstuk 3
23
4.4.2) opgesteld. Uit deze notitie zijn geen beperkingen ten aanzien van onderhavig woningbouwplan naar voren gekomen. Beperkingen veehouderij Artikel 3.51 afwijkende regels beperkingen veehouderij In afwijking van artikel 3.49 Veehouderij in Landelijk gebied, eerste lid aanhef, en artikel 3.50 Aanvullende regels nieuw dierenverblijf, eerste lid onder a, geldt binnen Beperkingen veehouderij dat: uitbreiding van, vestiging van en omschakeling naar een veehouderij zijn uitgesloten; een toename van de bestaande oppervlakte van gebouwen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten; een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is uitgesloten. Onderhavig plan voorziet niet in de realisatie van bebouwing die gebruikt wordt voor veehouderij(en). Deze aanduiding heeft derhalve geen belemmerende werking op onderhavig planvoornemen.
Stalderingsgebied Artikel 3.52 aanvullende regels stalderen Een bestemmingsplan van toepassing op Stalderingsgebied regelt dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel alleen is toegestaan als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw naar een dierenverblijf voor hokdieren, bewijs is overlegd dat: binnen het Stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt: o ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; o ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling. Binnen Stalderingsgebied gelden dus extra voorwaarden voor de ontwikkeling van veehouderijen gericht op het voorkomen van een verdere regionale concentratie van vee en het tegengaan van (verdere) leegstand. De toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel is alleen mogelijk als er elders dierenverblijven verdwijnen; het zogenaamde stalderen.
Onderhavig plan voorziet niet in de realisatie van bebouwing die gebruikt wordt voor veehouderij(en). Deze aanduiding heeft derhalve geen belemmerende werking op onderhavig planvoornemen. Conclusie provinciaal beleid In navolging van de voorgaande bevindingen is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Omgevingsvisie Noord-Brabant’ en de regels uit de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’.
Hoofdstuk 3
24
3.3 Regionaal en gemeentelijk beleid 3.3.1 Woningbouwbeleid Regionale woningbouwafspraken In september 2020 heeft de provincie Noord-Brabant haar bevolkings- en behoefteprognose geactualiseerd. De prognose is een belangrijk richtinggevend kwantitatief instrument voor het volkshuisvestelijke beleid van de gemeente. In de provinciale prognose wordt rekening gehouden met een uitbreiding van de woningvoorraad over de periode 2020-2030 met 325 woningen. Gelet op de aantallen woningen volgens de provinciale prognose(s), respectievelijk de in regionaal verband gemaakte afspraken, is het aantal in dit bestemmingsplan opgenomen woningen (71 tot maximaal 73) in overeenstemming met de bedoelde afspraken. Daarnaast dient vastgesteld te worden, dat het bestemmingsplan er niet toe zal leiden dat de voor de gemeente Mill en Sint Hubert toegestane harde plancapaciteit voor woningbouw wordt overschreden. Regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk In 2018 hebben de vijf gemeenten in het Land van Cuijk de Regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk vastgesteld. In de woonmarktstrategie zijn zes uitgangspunten (zogeheten ankers) benoemd die de kern vormen van de visie. Per anker is een doel gesteld. 1. Een vitale regio. Doel: tot 2030 nog met 3.000 tot 4.000 extra woningen groeien. 2. Een gezonde woningmarkt. Doel: met gezond verstand optimaal inspelen op de woonwensen van mensen.
Gemeenten sturen lokaal en stemmen regionaal af. 3. De juiste woning op de juiste plek in dit Land van kernen. Doel: het Land van Cuijk doet recht aan de eigenheid en vitaliteit van kernen. Hierbij wordt verschil gemaakt in de wijze van gebiedsontwikkeling tussen grotere en kleinere kernen. 4. Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal. Doel: kwaliteit bestaande voorraad: van goed naar excellent. 5. Een levensloopvriendelijke regio. Doel: kwetsbare inwoners met lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen wonen zoveel mogelijk in hun eigen leefomgeving. Is dat niet mogelijk dan is er in de grotere kernen een goede woonzorginfrastructuur. 6. Een duurzame regio. Doel: vanaf 2050 zijn alle woningen (bestaand en nieuw) grotendeels energieneutraal. De vijf gemeenten in het Land van Cuijk zorgen voor een gelijk speelveld. De voorliggende ontwikkeling van 71 tot maximaal 73 woningen draagt bij aan het doel om tot 2030 met 3.000 tot 4.000 woningen te groeien. Daarnaast draagt het plan gezien de realisatie van verschillende woningtypes bij aan een gezonde woningmarkt binnen de regio. Tot slot draagt de ontwikkeling bij aan de vitaliteit van kern Mill en is sprake van de ‘juiste woning op de juiste plek’.
De ontwikkeling vindt namelijk plaats op een locatie die is aangewezen als ‘verstedelijking afweegbaar’ en voldoet aan het bepaalde in artikel 3.43 uit de ‘Interim omgevingsverordening Noord-Brabant’. Het plan is kortom passend binnen de uitgangspunten van de Regionale woningmarktstrategie Land van Cuijk.
Hoofdstuk 3
25
Gemeentelijk woningbouwprogramma Jaarlijks stelt de gemeenteraad als ‘lokaal uitvoeringsplan’ van de Regionale woningmarktstrategie een gemeentelijk (woon)programma vast. Dit programma wordt bestuurlijk besproken/afgestemd met de andere gemeenten in het Land van Cuijk in het zogeheten voorjaarsoverleg. Daarin worden de gemeentelijke woningbouwprogramma’s van de vijf gemeente in het Land van Cuijk met elkaar gedeeld en besproken, in bijzijn van de woningcorporaties Mooiland en Wonen Vierlingsbeek en de provincie. Ook wordt regionaal met elkaar gesproken over de kwalitatieve invulling van het programma en de trends die we zien in de veranderende belangstelling voor verschillende woonproducten (bijvoorbeeld de stijgende vraag naar middelhuur of meer appartementen in plaats van vrijstaande woningen). Deze cyclus herhaalt zich jaarlijks, waarmee wordt bereikt dat het woningbouwprogramma dynamisch blijft en zo actueel mogelijk aansluit op de actueel waargenomen behoefte. Het laatstgehouden overleg (april 2021) gaf geen aanleiding tot het plaatsen van opmerkingen tot aanpassing van het voorliggende plan. Afweging De geprogrammeerde woningen op de locatie ‘t Kavelt zijn opgenomen in het door de gemeenteraad vastgestelde gemeentelijk woningbouwprogramma.
Hierover heeft regionale afstemming plaatsgevonden in het bestuurlijk overleg met de gemeenten in Land van Cuijk, woningcorporaties en provincie. 3.3.2 Structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ Op 29 september 2011 heeft de gemeenteraad de structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ vastgesteld, waarin de gemeente haar toekomstvisie op de gemeente Mill en Sint Hubert beschrijft. In de structuurvisie zijn verschillende doelen geformuleerd voor de toekomstige ontwikkeling van de gemeente. Deze doelen kunnen worden samengevat in het volgende missiestatement: “De gemeente Mill en Sint Hubert wil zich ontwikkelen tot een eigentijdse en authentieke woon-, werk- en leefgemeente van hoogwaardige en duurzame kwaliteit, waar mensen thuis zijn in een gastvrije gemeenschap gelegen in een aangename landelijke en dorpse omgeving, die is geïnspireerd op de grote diversiteit aan natuur, landschap en cultuurhistorie.” De gemeente wil voor alle kernen integraal inzetten op vitale, duurzame en toekomstgerichte dorpsontwikkeling. Thema’s zijn welzijn (de kwaliteit en diversiteit van zowel de bestaande als de nog te realiseren woningvoorraad, de kwaliteit van het totale voorzieningenniveau en de kwaliteit van de leef omgeving in dorp en ommeland) en welvaart (economische bedrijvigheid, gastheerschap voor toeristen).
Volgens de structuurvisiekaart ligt het plangebied in de zone ‘Peelzoom’ en binnen het ‘Dorpslandschap’ en ‘Mill-Zuid / zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling’. Ten aanzien van het gebied MillZuid wordt aan de zuidkant van het deelgebied nieuwe woongebieden ontwikkeld, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de realisatie tussen de nieuwe woongebieden en het centrum van Mill. Binnen de Peelzoom is en blijft de bosgordel hoofdstructuurdrager. De bosgordel is van provinciaal belang als een essentiële schakel in een reeks natuurgebieden van noord naar zuid. De belangrijkste functie voor de toekomst ligt dan ook in het robuust verbinden van twee grootschalige natuurkerngebieden van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het gemeentelijk beleid is erop gericht de gewenste
Hoofdstuk 3
26
robuuste verbindingszone (RVZ) gaandeweg te realiseren en in te richten als doorgaande migratieroute voor fauna en flora van nationaal belang. Om dat te concretiseren is een langgerekt, aaneensluitend maar vooral kansrijk ontwikkelingsgebied ‘Natuurlandschap Peelzoom’ aangewezen, dat dwars door de gemeente loopt van noord naar zuid en dat een duidelijke afbakening heeft. Het plangebied is niet gelegen binnen het ontwikkelingsgebied ‘Natuurlandschap Peelzoom’.
Uitsnede kaart Structuurvisie ‘In duurzaam perspectief’ met globale ligging plangebied rood omlijnd
Afweging De voorliggende ontwikkeling omvat de realisatie van een kwalitatief hoogwaardige woningbouwlocatie (bestaande uit 71 tot maximaal 73 woonkavels). Deze ontwikkeling komt overeen met aanduiding ‘Mill-Zuid / zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling’, welke is opgenomen voor het plangebied binnen de zone ‘Peelzoom’ op de Structuurvisiekaart. De ontwikkeling is derhalve passend en in overeenstemming met de structuurvisie.
Hoofdstuk 3
27
4.
UITVOERINGSASPECTEN
4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Bodem In het kader van een bestemmingswijziging dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen (woonbestemmingen), dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Het onderzoeksbureau Econsultancy heeft derhalve een verkennend bodemonderzoek 7 uitgevoerd voor een gedeelte van het plangebied. Hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek samengevat. Voor een volledige weergave van het onderzoek wordt verwezen naar de separate bijlagen. Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Ten behoeve van het bodemonderzoek is, op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, een aantal deellocaties geïdentificeerd binnen het plangebied. In de onderstaande afbeelding zijn de onderzoeksstrategieën, die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties, weergegeven
Onderzoeksstrategieën deellocaties binnen het plangebied
De bovengrond binnen het plangebied bestaat voornamelijk uit matig siltig, matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus en zwak grindig. De ondergrond bestaat voornamelijk uit matig siltig, zeer fijn tot uiterst grof zand. De ondergrond is matig tot uiterst grindig. De bovengrond is tevens zwak baksteenhoudend. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. PFAS Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt, dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” gebied wordt gekenmerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten van dit PFAS voorkomen. PFAS komt diffuus in Nederland voor. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. 7
Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Van den Bogaardweg (ong.) te Mill, projectnummer.: 10886.001, d.d. 13 maart 2020
Hoofdstuk 4
28
Uit het vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Deellocatie A: gehele plangebied Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "grootschalig onverdacht" (ONV-GR). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Zintuiglijk is de bovengrond zwak baksteenhoudend. In zowel de boven- als ondergrond zijn analytisch geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater ter plaatse is licht verontreinigd met barium en cadmium. Het grondwater ter plaatse van A05b is licht verontreinigd met zink. Ter plaatse van A06 is een matige nikkelverontreiniging geconstateerd. Binnen de onderzoeklocatie bestaan geen aanwijsbare bodemverontreinigende bronnen en uit de analyseresultaten blijkt dat er geen verontreinigingen in de boven- en ondergrond zijn geconstateerd. Daarom is het aannemelijk dat de lichte en tot matige metaalverontreinigingen in het grondwater te relateren zijn aan het regionaal voorkomen van verhoogde achtergrondconcentraties met metalen in het grondwater.
In de bovengrond zijn verhoogde gehalten aan PFOS en PFOA boven de detectielimiet aangetroffen. In de ondergrond zijn de gehalten PFOS en PFOA eveneens boven de detectielimiet aangetroffen. Getoetst aan het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” en aan het “Handreiking toepassing PFAS houdende grond en baggerspecie Noord-Brabant” voldoet de onderzochte bovengrond voor de parameter PFOS en PFOA op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur”. De onderzochte ondergrond voldoet op indicatieve basis aan de kwaliteitsklasse “Landbouw/Natuur”. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoeklocatie ter plaatse van deellocatie A als "grootschalig onverdacht " dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Deellocatie B: voormalige weg Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). In het opgeboorde materiaal is zintuiglijk verontreinigd met baksteen. In zowel de boven- als ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en koper.
Zowel de aangetoonde zintuiglijke verontreinigingen als ook de lichte verontreiniging van het grondwater worden ook elders op de locatie aangetroffen. Derhalve kan de locatie als onverdacht ten opzichte van zijn omgeving worden beschouwd en wordt de hypothese “heterogeen verdacht” verworpen. Deellocatie C: voormalige boomgaard Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL).
Hoofdstuk 4
29
Het opgeboorde materiaal is zintuiglijk verontreinigd met baksteen. In de OCB verdachte laag zijn geen verontreinigingen aangetoond die met OCB te relateren zijn. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie C als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen. Naast het voorgaande bodemonderzoek heeft Econsultancy nog een verkennend bodemonderzoek 8 uitgevoerd voor een gedeelte van het plangebied aan de zuidzijde. In combinatie met het voorgaande onderzoek is hiermee het gehele plangebied onderzocht. Hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek samengevat. Voor een volledige weergave van het onderzoek wordt verwezen naar de separate bijlagen. Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Ten behoeve van het bodemonderzoek is, op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, een aantal deellocaties geïdentificeerd binnen het plangebied. In de onderstaande afbeelding zijn de onderzoeksstrategieën, die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties, weergegeven De bovengrond bestaat voornamelijk uit matig siltig, zeer fijn zand en is bovendien zwak humeus. De ondergrond bestaat voornamelijk uit zwak siltig tot matig siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De ondergrond is plaatselijk sterk gleyhoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen.
Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
Onderzoeksstrategieën deellocaties binnen het plangebied
PFAS Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt, dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” gebied wordt gekenmerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten van dit PFAS voorkomen. PFAS komt diffuus in Nederland voor. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Uit het vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden.
8
Econsultancy, Verkennend bodemonderzoek Van den Bogaardweg (ong.) te Mill, projectnummer.: 10886.002, d.d. 4 augustus 2020
Hoofdstuk 4
30
Deellocatie A: gehele onderzoekslocatie/ PFAS onderzoek Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "grootschalig onverdacht" (ONV-GR). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Zintuiglijk zijn in de bodem geen verontreinigingen aangetroffen. De bovengrond (MM2) is licht verontreinigd met kwik en PAK. In de ondergrond zijn analytisch geen verontreinigingen geconstateerd. Het grondwater ter plaatse is licht verontreinigd met barium, cadmium en zink. Binnen de onderzoeklocatie bestaan geen aanwijsbare bodemverontreinigende bronnen en uit de analyseresultaten blijkt dat er slechts lichte verontreinigingen met kwik en PAK in de bovengrond en geen verontreinigingen in ondergrond zijn geconstateerd. Daarom is het aannemelijk dat de lichte metaalverontreinigingen in het grondwater te relateren zijn aan het regionaal voorkomen van verhoogde achtergrondconcentraties met metalen in het grondwater. In de bovengrond zijn verhoogde gehalten aan PFOS en PFOA boven de detectielimiet aangetroffen. In de ondergrond voldoen de gehalten PFOS en PFOA aan de detectielimiet.