CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Raad Besluitvormingsronde 16 december 2024, gemeente ZwolleBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui36.847 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Verdere reductie van de maximale geluidniveaus is mogelijk door toepassing van een luifel boven het terras. Omdat de hinder beperkt zal zijn vanwege de aard van de horeca en alleen overdag plaatsvindt, is de horeca op deze locaties inpasbaar. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat de terrassen deels voldoen aan de ambitiewaarde en deels aan de basiswaarde van het gemeentelijk beleid. Door het beperken van de openingstijden van enkele terrassen zijn de beoogde terrassen inpasbaar op de beoogde locatie.

4.8

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Een aantal stoffen die in de lucht kunnen voorkomen hebben na inademing een schadelijk effect op de gezondheid. Het gezondheidseffect is afhankelijk van de aard van de stof, de concentratie van de stof en de blootstellingsduur. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer (Wm). In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor de concentraties fijn stof, stikstofdioxide, benzeen, zwaveldioxide, koolmonoxide en lood in de buitenlucht. Het aspect luchtkwaliteit wordt bij de besluitvorming van ruimtelijke plannen betrokken. In dat kader wordt een plan of ontwikkeling getoetst aan de voorschriften van Titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Centraal daarbij staat artikel 5.16, eerste lid, van de wet. Daarnaast moet het plan voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op grond van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is altijd van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen, ook wanneer besluiten op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm niet beoordeeld hoeven te worden. Tot slot heeft het bevoegd gezag volgens Algemene wet bestuursrecht (Awb) als taak om belangen op een evenwichtige wijze af te wegen (art. 3.4) en besluiten deugdelijk te onderbouwen (art. 3.46).

Gemeentelijk beleid luchtkwaliteit Het luchtkwaliteitsplan gemeente Zwolle 2007-2011 beschrijft de luchtkwaliteitssituatie in Zwolle, de

75/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

opgave, de ambitie en de aanpak om de vastgestelde doelen te bereiken. Zwolle wil binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit. Om dat te bereiken zijn de volgende doelen geformuleerd: voldoen aan wet- en regelgeving; anticiperen op de toekomst; knelpunten in de toekomst moeten voorkomen worden. Dit betekent dat de luchtkwaliteit in het planvormingsproces van ruimtelijke plannen en verkeersplannen wordt meegenomen; beleid ten aanzien van luchtkwaliteit inbedden in bestaand gemeentelijk beleid. De gemeente streeft ernaar dat het aspect door gaat werken in het verkeers- en vervoersbeleid, het ruimtelijke ordeningsbeleid en het beleid van vergunningen en handhaving. Plangebied en conclusie In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van de beoogde ontwikkelingen in het gebied (Bijlage 29) Op basis van het luchtkwaliteitsonderzoek wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied Spoorzone (en daarbuiten) wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Figuur 4.22 Resultaten luchtkwaliteit In bovenstaande tabel is de hoogste berekende concentratie gegeven ter hoogte van alle gridpunten. Uit de berekeningen blijkt duidelijk dat de normen voor luchtkwaliteit niet worden overschreden door het plan. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied.

4.9

Externe veiligheid

Kader De regelgeving op het gebied van de externe veiligheid heeft als doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; buisleidingenbesluit), en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regels voor transport en voor buisleidingen kennen dezelfde pijlers en dezelfde systematiek als de regelgeving voor inrichtingen. Het externe veiligheidsbeleid kent twee pijlers: Het plaatsgebonden risico; Het groepsrisico

76/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Het plaatsgebonden risico Dit wordt bepaald op basis van de risicobron en wordt gebruikt om het minimum beschermingsniveau waar de samenleving recht op heeft aan te geven. Dit minimum beschermingsniveau wordt uitgedrukt in een grenswaarde en kan ruimtelijk worden weergegeven als een contour. Het ruimtebeslag van deze contour is veelal beperkt. Het groepsrisico Met het groepsrisico wordt aangegeven welk beschermingsniveau ontstaat als mensen (omdat ze wonen, werken, recreëren in de nabije omgeving) en industriële risico's bij elkaar in de buurt komen. Verder dient het groepsrisico om een afweging te kunnen maken over de wenselijkheid van de voorgenomen activiteit (herbestemming, verdichting, etc.) in relatie tot de risicobron. Dit wordt de verantwoordingsplicht genoemd. Het groepsrisico wordt uitgerekend voor het invloedsgebied, en berekent de kans op 10 of meer slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt niet een grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Gemeentelijk beleid externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Zwolle is vastgelegd in de Omgevingsvisie. De gemeente streeft ernaar voor haar gehele grondgebied te voldoen aan de basisveiligheid.

Dit betekent dat: Overal voldaan wordt aan de normen voor plaatsgebonden risico; Een gebiedsgericht invulling wordt gegeven aan groepsrisicobeleid met een gebiedsgericht kader externe veiligheid; Veiligheidsdoelstellingen passend bij de typering van het gebied worden ontwikkeld; Zoveel mogelijk geanticipeerd wordt op de landelijke beleidsontwikkeling die een ongunstige invloed kunnen hebben op de veiligheidssituatie in Zwolle met als doel het bewaken van een optimaal veiligheidsniveau. De gemeente heeft een gebiedsgerichte milieubeleid. Voor externe veiligheidsbeleid is op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico. De Spoorzone valt onder het Gebiedstype 7 Stroomzone, wat de hoofdinfrastructuur (weg en spoor) en de directe omgeving hiervan omvat. Bij de mogelijkheden voor het gebruik worden zogenaamde veiligheidszones toegepast die middels het gemeentelijk beleid zijn aangeduid. Deze zijn: ZONE 01: Wettelijke norm, plaatsgebonden risico (6m) en plasbrandaandachtsgebied (30 m) ZONE 02: Aandachtsgebied explosie (250 m) ZONE 03 :Aandachtsgebied toxisch (1.500 m) Binnen deze zones bestaan beperkingen aan gebruiksmogelijkheden, dan wel te nemen maatregelen om een bepaald gebruik mogelijk te maken.

Deze zijn verwoord in het "Inspiratieboek milieu voor een levendige spoorzone - integrale aanpak milieu en stedenbouw" van de Gemeente Zwolle van oktober 2015. De zone-indeling en maatregelen uit het inspiratieboek ten aanzien van externe veiligheid zijn opgenomen in bijlage III bij het onderzoek Externe veiligheid (zie Bijlage 15).

77/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Figuur 4.23 Zones externe veiligheid Plangebied In de directe omgeving van het plangebied zijn twee transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig: Het spoor (Basisnet spoor) De IJsselallee (N337) Voor het plangebied is onderzoek gedaan naar het aspect externe veiligheid (zie Bijlage 15). Plaatsgebonden risico Binnen de plaatsgebonden risico contour (10-6 contour) zijn geen kwetsbare bestemmingen voorzien. Groepsrisico Voor het groepsrisico geldt geen strikte grenswaarde, zoals voor het plaatsgebonden risico, maar een oriëntatiewaarde (OW)1. Dat is een streefgetal, waarvan de gemeente mag afwijken als daar goede redenen voor zijn. Bijvoorbeeld omdat het realiseren van de functies stedenbouwkundig wenselijk is en er maatregelen zijn genomen om risico's beperken. De resultaten van het groepsrisicoberekeningen zijn als volgt. GR Weg (N337, IJsselallee): Huidig situatie: 0,1 x OW Plansituatie: 0,1 x OW Het groepsrisico door de IJsselallee vormt geen knelpunt. Voor de plansituatie is er afgerond geen verandering van het groepsrisico, bovendien blijft het groepsrisico beperkt tot 10% van de oriëntatiewaarde. GR Spoor: Huidig situatie: 0,4 x OW Plansituatie: 0,8 x OW Voor de plansituatie, is er een toename van het groepsrisico tot 0,8 maal de oriëntatiewaarde. Er is dus geen overschrijding van de oriëntatiewaarde. Verantwoording Groepsrisico

78/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

De Spoorzone is in het gebiedsgerichte milieubeleid aangewezen als Stroomzone. In deze zones zijn ontwikkelingen, ondanks het externe veiligheidsrisico mogelijk. Wel gelden er gebruiksbeperkingen en moeten maatregelen genomen worden bij de nieuwe ontwikkeling. Zone 01 Het plan Spoorzone ziet niet op de ontwikkeling van gebruiksfuncties binnen de plaatsgebonden risicocontour van 6 m. Binnen het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter zal zich wel een deel van de deelgebieden Lurelui en Werkplaatsen bevinden. Voor Lurelui betreft het een deel van de noordelijke hub. Dit wordt een parkeergarage met ook mogelijkheden voor sport, leisure, (creatieve)bedrijven. Voor deelgebied Werkplaatsen gaat het om het huidige gebouw van Wärstilä dat gehandhaafd blijft. Dit bevindt zich op een afstand van minimaal 18 meter. In het deel dat binnen de 30 meter is gelegen worden alleen bedrijven en kantoren ontwikkeld. Deze invulling van functies binnen het plasbrandaandachtsgebied is verenigbaar met de gebruiksbeperkingen uit bijlage IV van het onderzoek Externe veiligheid. Naast eventuele verplichtingen ten aanzien van ontwerp, bouwkundige maatregelen en voorzieningen die vanuit het Bouwbesluit 2012 gelden voor plasbrandaanachtsgebieden, zijn de overige maatregelen zoals opgenomen in bijlage IV uitvoerbaar. Zone 02 Zone 02 reikt tot 250 meter en beslaat daarmee het volledige plangebied Spoorzone.

Uit de gebruiksbeperkingen in bijlage V van het onderzoek Externe veiligheid blijkt dat het gemeentelijk beleid niet verenigbaar is met toestaan van de gebruiksfuncties Gezondheid (geen dagzorg), Basisonderwijs en Kinderdagverblijf. Begeleid wonen behoort wel tot de mogelijkheden binnen zone 02, maar zal niet gevestigd worden in hoogbouwdelen. Voor alle overige functies die voorzien zijn in de drie deelgebieden, bestaan geen gebruiksbeperkingen en de maatregelen uit bijlage IV die van toepassing zijn, worden uitgevoerd. De exacte toe te passen maatregelen worden ingevuld tijdens de ontwerpfase van de betreffende deelprojecten. Hotelfunctie Maatregel 5, het beperken/voorkomen van (nachtelijke) verblijfsgebieden aan de kant van de risicobron, zal voor een hotelfunctie moeilijker uitvoerbaar zijn, en is een gelijkwaardige invulling benodigd. In de huidige plannen is een hotelfunctie voorzien in DistrictZ, naast de Rode hal. Voor het spoor is het maatgevende scenario t.a.v. maatregel 5 een BLEVE van een LPG ketelwagen. De effecten van een warme BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Vanaf een afstand van 50 m vanaf het spoor is bij dit scenario de overdruk afgenomen tot het niveau waarop lichte gebouwschade optreedt.

Deze minimale afstand dient te worden aangehouden indien een hotelfunctie overwogen wordt met (nachtelijke) verblijfsgebieden aan de kant van het spoor. Zie onderstaande figuur in welke vrijwaringszone dit resulteert. De afstand van 50 meter ziet erop toe dat het gebouw in tact blijft, zodat het gebouw bescherming biedt aan de personen die er zich in bevinden. Het hotel is beoogd buiten de 50 m van het spoor. Er is aanvullend aandacht nodig voor de gevolgen van warmtestraling (ontbranding van brandbare objecten, en weerstand tegen branddoorslag en -overslag) en scherfvorming. Hierbij is het noodzakelijk dat de gebouwschil voldoende en lang genoeg bescherming kan bieden zodat in het gebouw geschuild kan worden en het gebouw later ontruimd kan worden.

79/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Figuur 4.24 Effectafstand overdruk (50 m vanaf binnenste spoor, oranje lijn) waarbij nog lichte schade optreedt, geprojecteerd op Wärtsilä gebouw.

De maatregelen die genomen moeten worden om te voorkomen dat branddoorslag- en overslag optreedt zijn: Toepassen van brandwerend metselwerk/gevelbekleding Gebruik maken van minerale isolatie Toepassen van brand- en hittewerende beglazing Gebruik maken van houten en/of stalen kozijnen (of kunststof kozijnen met stalen vulling). De maatregel die genomen moeten worden om te voorkomen dat scherfvorming optreedt het toepassen van scherfvrij glas in de gevel én in de binnenwanden. In het ontwerp van een gebouw met hotelfunctie in Zone 02 zal nadere afstemming met gemeente en veiligheidsregio plaatsvinden. Zone 03 Zone 03 reikt tot 1.500 meter, maar legt geen specifieke beperkingen van de gebruiksfuncties op die in het plangebied voorzien zijn. Omdat deze zone in verband staat met de verspreiding van toxische stoffen, gelden binnen deze zone dezelfde maatregelen, zijnde verantwoordingsplicht én uitschakelbare ventilatievoorzieningen die ook voor Zone 02 gelden. Evenementen In het plangebied zijn ook locaties voor evenementen beoogd. Zie onderstaand figuur voor de locaties.

80/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Figuur 4.25: Boogde locaties evenementen Deze evenementen vinden nu ook al plaats binnen het plangebied, zodat vanuit dat opzicht er niets verandert met de planvorming. De evenementen bevinden zich alle in Zone 02. Uit bijlage IV van het onderzoek externe veiligheid blijkt dat de evenementen onder de noemer Tijdelijk Gebruik binnen Zone 02 inpasbaar zijn. Daarbij zal invulling gegeven worden aan maatregelen 1, 6, 7, 8 en 10 van bijlage IV, in aanvulling op de voorschriften die zullen gelden vanuit evenementenvergunningen. Zelfredzaamheid en bestrijding Bijlage V van het onderzoek Externe veiligheid geeft ten aanzien van zelfredzaamheid en bestrijding voor het plangebied een invulling van het beleidskader. Wat betreft zelfredzaamheid voorziet het plan niet in groepen verminderd zelfredzame personen (zoals ouderen, zieken, gehandicapten). Vluchtroutes voor personen die zich in hoogbouw bevinden worden ontworpen conform de daarvoor van toepassing zijnde wet- en regelgeving (Bouwbesluit 2012) en richtlijnen (handreiking Brandveiligheid in hoge gebouwen). Bij het ontwerpproces wordt de Veiligheidsregio betrokken. Voor bestrijdbaarheid zijn de aspecten bereikbaarheid (calamiteitenroutes en toegang voor hulpdiensten) en voldoende bluswatervoorzieningen van belang. Het plangebied is voldoende open en van wegen voorzien waarover hulpdiensten het gebied kunnen bereiken.

In onderstaande figuur zijn de gebiedsontsluitingswegen en de calamiteitenroutes aangegeven.

81/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Fig uur 4.26 Calamiteitenroutes In het inrichtingsplan worden blusvoorzieningen en de routes voor hulpdiensten in overleg met debetreffende instanties uitgewerkt, conform de Handleiding bluswater en bereikbaarheid. Voorhoogbouw vanaf 70 meter hoogte gelden aanvullende maatregelen. In de Spoorzone is hoogbouw tot 70 meter hoogte voorzien. Conclusie Binnen de plaatsgebonden risico contour (10-6 contour) zijn geen kwetsbare bestemmingen voorzien. Het groepsrisico door de IJsselallee vormt geen knelpunt. Voor de plansituatie is er afgerond geen verandering van het groepsrisico, bovendien blijft het groepsrisico beperkt tot 10% van de oriëntatiewaarde. Als gevolg van het spoor is er een toename van het groepsrisico van 0,6 tot 0,8 maal de oriëntatiewaarde. Er is geen overschrijding van de oriëntatiewaarde. Op basis van het externe veiligheidsbeleid gelden er beperkingen voor bepaalde functies in het plangebied. Binnen de plasbrandaandachtszone (zone 1) zijn geen woningen en bijeenkomstfuncties toegestaan. Binnen zone 2 zijn de gebruiksfuncties Gezondheid (geen dagzorg), Basisonderwijs en Kinderdagverblijf niet toegestaan. Voor het hotel in deze zone geldt dat deze op minimaal 50 m van het spoor gerealiseerd moet worden en er gevelmaatregelen nodig zijn. Er is voorzien in diverse calamiteitenroutes.

Bij de verdere uitwerking van de plannen moet rekening gehouden worden met goede vluchtroutes. Hierover zal afstemming plaatsvinden met de veiligheidsregio.

4.10

Trillingen

Kader Voor trillingen geldt er geen wettelijk kader. Voor de beoordeling van de in de woning te verwachten trillingen kan worden uitgegaan van de streefwaarden voor de maximaal optredende trillingssnelheden zoals opgenomen in de Richtlijn deel B "Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn" van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006.

82/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Plansituatie Er is onderzoek verricht naar de te verwachten trillingniveaus vanwege railverkeer in geprojecteerde woningen in DistrictZ, Werkplaatsen en Lurelui. Verspreid over het plangebied liggen potentiële woonlocaties ruim binnen het standaard aandachtsgebied van 100 m waar conform de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van I & W van mei 2019 nader onderzoek naar trillinghinder wenselijk is. Het uitgevoerde trillingsonderzoek (zie Bijlage 27) geeft een eerste beoordeling van de verwachte trillingen in woningen (vooronderzoek). Ten behoeve van het onderzoek zijn trillingmetingen ter plaatse uitgevoerd. Metingen De metingen hebben tot doel inzicht te verkrijgen met betrekking tot de trillingniveaus vanwege railverkeer. Binnen de systematiek van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van I & W van mei 2019 wordt gezien de verwachte variatie in passerende treinen, met name goederentreinen, vaak uitgegaan van meting gedurende één week om een representatief beeld te krijgen. In de periode van 10 augustus 2022 tot 25 augustus 2022 zijn binnen het plangebied op een 6-tal locaties trillingmetingen verricht. Hierbij zijn ter hoogte van de dichtstbij het spoor gelegen woonbestemmingen trillingmetingen uitgevoerd. Onderstaande figuur toont de ligging van de meetlocaties.

Figuur 4.27 Ligging meetlocaties

De metingen West 1 en 2 en Oost 1 en 2 zijn verricht in de bodem. Midden 1 en 2, waar een bestaande bedrijfsgebouw gehandhaafd blijft waarboven een woongebouw mogelijk wordt gemaakt, zijn verricht op de fundatie van het bestaande bedrijfsgebouw. Gemeten is in de twee horizontale richtingen, aangeduid met X (parallel aan het spoor) en Y (loodrecht op het spoor), en de verticale richting, aangeduid met Z. Toetsing

83/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Bij de beoordeling is aansluiting gezocht bij de richtlijn B 'Hinder voor personen in gebouwen' van de Stichting Bouwresearch (SBR B). Tabel PM toont de van toepassing zijnde streef- en grenswaarden conform de SBR B (nieuwe situaties, herhaald voorkomende trillingen).

Tabel PM Overzicht streefwaarden conform SBR B Volgens de SBR dient de maximale trillingssterkte Vmax in eerste instantie getoetst te worden aan A1. Indien hieraan voldaan wordt is sprake van een acceptabele situatie. Indien niet wordt voldaan aan A1 dient de maximale trillingssterkte getoetst te worden aan A2. Bij overschrijding van A2 is sprake van een conform de SBR hinderlijke situatie. In het geval dat wordt voldaan, dient de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor de betreffende ruimte (Vper) getoetst te worden aan A3. Bij overschrijding van A3 is wederom sprake van een conform de SBR hinderlijke situatie. Opgemerkt wordt dat de streefwaarden van de SBR in principe geen wettelijke grenswaarden zijn. Volledigheidshalve nog de kanttekening dat het voldoen aan de streefwaarden van de SBR niet inhoudt dat geen sprake zal zijn van voelbare trillingen. De waarde van 0,1 wordt normaliter gezien als de voelbaarheidsgrens. Een streefwaarde van Vmax van 0,2 in woningen sluit derhalve niet uit dat bepaalde passages voelbaar kunnen zijn. Voor woningen geldt een zogenaamde onderste streefwaarde A1 van 0,1. Deze waarde wordt, gezien de worst case maximale trillingsterkte tot 0,3 in de geprojecteerde woningen, overschreden. Bij overschrijding van de onderste streefwaarde wordt in eerste instantie toetsing aan de bovenste streefwaarde A2 relevant.

Omdat ook in de nacht sprake is van passerende treinen geldt een maatgevende A2 van 0,2. Aan deze waarde wordt, behoudens in West 1, voldaan. Met een worst case verwachte trillingsterkte Vmax in geprojecteerde woningen nabij West 1 van maximaal ca. 0,3 bij een na te streven waarde van 0,2 kan worden geconcludeerd dat in die woningen een reductiedoelstelling van ca. 30 % aan de orde is. Volledigheidshalve is ook de verwachte (gemiddelde) trillingsterkte over de beoordelingsperiode (Vper) in de woningen bepaald. De trillingsterkte Vper,meet in de bodem bedraagt worstcase 0,064. Uitgaande van een vergelijkbare verhouding als bij de maximale trillingsterkte tussen bodem en woning wordt een (gemiddelde) trillingsterkte over de beoordelingsperiode (Vper) in de woning verwacht van maximaal 0,022 waarmee wordt voldaan aan de streefwaarde A3 van 0,05. Hiermee kan gesteld worden dat de grootheid Vmax bepalend zal zijn bij toetsing aan de SBR Conclusie Op basis van de verrichte trillingmetingen in de bodem en de op basis daarvan worst case te verwachten trillingsterkten in de te projecteren woningen kan niet worden uitgesloten dat de in eerste aanleg te hanteren na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B "Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn" van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006 worden overschreden.

De mogelijke overschrijdingen, die overigens beperkt zullen zijn, doen zich voor aan de westzijde van het beschouwde plangebied. De eventueel te treffen maatregelen kunnen pas in een later stadium worden gedimensioneerd als de constructieve opzet bekend is. Daarom is in de regels voor dit gebied een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarbij eerst aangetoond moet worden dat aan de richtlijn voldaan moet worden voordat de omgevingsvergunning verleend kan worden. Op basis van onderhavig onderzoek kan wel reeds worden geconcludeerd dat op deze locatie het voorziene plan realiseerbaar is op een manier waarbij een trillingtechnisch acceptabel woonklimaat kan worden

84/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

gewaarborgd. 4.10.1 Spooronderdoorgangen Voor de ontwikkelingen in het plangebied is reeds een trillingsonderzoek door Peutz uitgevoerd (rapport O 16621-4-RA, datum 10-10-2022). Hierin wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de Koggetunnel trillingen zijn gemeten die zonder reducerende maatregelen over de grenswaarden van de richtlijn SBR gaan. Aanvullend wordt benoemd dat de mogelijke verklaring voor de verhoogde trillingen de ter plaatse liggende fietstunnel (Koggetunnel) is. Er is een notitie (Bijlage 28) opgesteld die inzicht geeft in de mate waarin de onderdoorgang Koggetunnel bijdraagt aan mogelijke trillingshinder in het plangebied. De gemeten trillingsniveaus conform SBR-B zijn dicht bij de Koggetunnel lager dan bij de 100 meter noordelijke gelegen referentieraai. Dit terwijl de snelheid ter plaatse van de referentieraai over het algemeen lager is dan bij de onderdoorgang vanwege het nabijgelegen station. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn: 1. de meetlocatie is gelegen in een bocht in het spoor, dit heeft mogelijk nadelig effect op de trillingsniveaus met name ter plaatse van de referentieraai waarbij de kromming het grootst is. Het verplaatsen van de trein door de bocht veroorzaakt mogelijk hogere trillingsniveaus dan op een recht stuk spoor.

Daarnaast verplaatst de trein (=trillingsbron) zich in een boog rondom de meetlocatie waardoor de invloed van de trein op de trillingen over een langer traject aanwezig is. De trillingen worden hierbij mogelijk versterkt door interferentie van trillingen veroorzaakt door verschillende delen van de trein. Dit geldt dan met name voor de lange treinen; 2. lokale verschillen in de ondergrond tussen de twee meetraaien. Op locatie is vastgesteld dat ter plaatse van de referentieraai de ondergrond voornamelijk uit losgepakt zand bestaat, terwijl nabij de onderdoorgang de ondergrond duidelijk meer uit vast gepakt zand bestond en hier ook meer begroeiing aanwezig was. Over het algemeen geldt hoe stijver de grond des te hoger de demping[Ref 6.]. Vast gepakt zand is stijver dan lost gepakt zand, dus worden de trillingen nabij de onderdoorgang mogelijk meer gedempt ten opzichte van de referentieraai; Zowel in de meetraai bij de Koggetunnel als bij de referentieraai lijken de trillingsniveaus niet of amper af te nemen bij toenemende afstand (loodrecht op het spoor). Voor diverse passages is er juist een toename met afstand te zien. Dit is afwijkend ten opzichte van de algemeen bekende afstandsrelatie, de zogenaamde Barkan-Curve. Ook deze observatie zou mogelijk verklaard kunnen worden door dehierboven genoemde argumenten (bocht in het spoor of lokale verschillen in de ondergrond).

Er kan hierdoor dus geconcludeerd worden dat de onderdoorgang geen dominant effect heeft op de trillingen in het plangebied.

4.11

Water

Kader Bij ruimtelijke planvorming dient de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder in het kader van de zogenaamde watertoets. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Drents Overijsselse Delta , verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.

85/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Europa Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal Nationale Waterplan (NW) Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal Provinciaal Waterplan 2010-2015 Waterschapsbeleid Het algemene beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta is verwoord in het Waterbeheerplan 2022-2027 , de beleidsnota Leven met Water in Stedelijk Gebied, de Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Het beleid van het waterschap sluit nauw aan bij de uitgangspunten van WB21. In 2007 is de nota "Leven met Water in stedelijk gebied" vastgesteld. Deze nota beschrijft de voor het waterschap gewenste situatie in bestaand en nieuw stedelijk gebied. Om deze situatie te bereiken heeft het waterschap in 2015 het beheer en onderhoud van deze wateren overgenomen van de gemeente Zwolle. Op watergangen van Waterschap Drents Overijsselse Delta is de keur van toepassing. In de keur is aangegeven wat wel en niet mag bij watergangen, waterkeringen en kernzones. Bijvoorbeeld regels voor bouwwerken op of langs watergangen. De genoemde beleidsdocumenten liggen ter inzage op het hoofdkantoor van Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ook zijn deze te raadplegen op de website: www.wdodelta.nl.

Gemeentelijk beleid De gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van hemelwaterinfiltratie vastgelegd in de gemeentelijke bouwverordening. Verder zijn in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 ontwerprichtlijnen en beleidskeuzes beschreven waaraan voldaan moet worden. Plangebied Voor de ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd (zie Bijlage 30). Hieronder de belangrijkste bevindingen uit de watertoets. Maaiveldhoogte Aan de hand van de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN 3) is een inschatting gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Het maaiveld ter plaatse van het plangebied bevindt zich tussen de circa 1,25 en 2,5 m+NAP. De zuidwestkant van het plangebied is relatief het laagst gelegen. Watersysteem Het plangebied is gelegen in het stroomgebied Zandwetering. Op basis van de legger bevindt zich direct grenzend aan het plangebied een primaire A-watergang (betreft de codes WV 11, WV 11.4, WV 11.6. WV 11.8 en WV 11.12) die in het beheer is van waterschap Drents Overijsselse Delta. Op de locatie zelf bevinden zich geen watergangen. Helofytenfilter Oostzeelaan In de nabijheid van de Oostzeelaan in Zwolle (binnen het plangebied) vindt een onttrekking plaats van grondwater dat verontreinigd is met vinylchloride (VC).

Dit gebeurt om de drinkwaterwinning het Engelse Werk (gelegen ten zuiden van het plangebied) ook voor de langere termijn te beschermen tegen een grondwaterverontreiniging afkomstig uit het stedelijk gebied. Verplaatsing van het helofytenfilter is noordzakelijk. Hierbij moet aan de functionaliteit van de zuiverende werking (kwantitatief en kwaliteit) worden voldaan. Bij de toekomstige herinrichting dient afstemming plaats te vinden met de gemeente Zwolle en Vitens over de verplaatsing van dit systeem. Een voorwaardelijke

86/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

verplichting is opgenomen om dit te borgen. Grondwater De gemiddelde grondwaterstand bevindt zich op circa op 1,7 m-mv. Op basis van de grafieken wordt de gemiddeld hoogste grondwaterstand verwacht op circa 1,0 - 1,25 m-mv. Dit betekent dat er in combinatie met de aanwezige grondsoort voldoende bergingscapaciteit beschikbaar is in de bodem. De grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket is overwegend in de richting van het noorden/noordoosten. De stromingsrichting van het freatisch grondwater kan beïnvloed worden door lokale omstandigheden zoals waterlopen, drainagesystemen en dergelijke. In nieuw te ontwikkelen gebied worden de waterstanden binnen het in te richten gebied tijdens of na het bouwrijp maken niet structureel verlaagd. Afhankelijk van het bouwpeil en de eventuele aanleg van een ondergrondse constructie (zoals een parkeerkelder, tunnel, riolering etc.) is waarschijnlijk een bemaling nodig. Voor een tijdelijke grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet een melding of vergunning van het waterschap nodig. Grondwateroverlast Het gebied van de Spoorzone niet extra kwetsbaar is voor grondwateroverlast (vanwege een te hoog peil). Tevens is niet de verwachting dat het grondwater (GHG) op of direct onder het maaiveld is te verwachten.

Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een aanleghoogte van de vloer geadviseerd van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast. Blokkeren grondwaterstroom Indien een constructie onder de grondwaterstand wordt aangelegd dan bestaat de kans op blokkering van de grondwaterstroming met als gevolg een permanente beïnvloeding van de grondwaterstand. Ter plaatse bedraagt de dikte van het (goed doorlatend) watervoerend pakket circa 100 m. Het pakket wordt over maximaal 5 m afgesloten. Dit is 5% van de totale dikte van het pakket. Indien onder de constructie goed doorlatende zandlagen met voldoende dikte aanwezig blijven, dan kan het grondwater onder de constructie door stromen. Uit studies bij vergelijkbare projecten is bekend dat negatieve effecten pas merkbaar zijn indien het pakket voor minimaal de helft wordt afgesloten. Dat is hier niet het geval.

Daarom worden geen negatieve effecten verwacht. Koggetunnel en nieuwe realisatie fietsentunnel De Koggetunnel is momenteel in gebruik als fietstunnel, in de toekomst wordt het een autotunnel. Daarnaast ligt het plan om een nieuwe fietsentunnel te realiseren onder het spoor aan de noordkant van het plangebied. Een onderdoorgang kan worden voorzien van een waterkelder waarin water in eerste instantie wordt gebufferd en een pompkelder van waaruit het water vervolgens naar het oppervlaktewater wordt gepompt. Wel zal eerst de first-flush (met daarin mogelijk verontreinigingen) moeten worden leeggepompt. Daarnaast dienen kolken gerealiseerd te worden die onderdeel uitmaken van het afwateringssysteem. Om dit technisch nader uit te werken zal een adviesnota / rapportage moeten worden opgesteld ten behoeve van de riolering en afwatering van de aangepaste en nieuwe onderdoorgang. Toekomstige flexibeler peilbeheer Voorheen werkte het waterschap met een vast zomer- en winterpeil. Klimaatverandering en technische vooruitgang maken het noodzakelijk en mogelijk om met flexibel waterpeilbeheer te werken. Dit betekent

87/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

dat zoveel mogelijk wordt gewerkt met een minimum- en maximumpeil. Bij de ontwikkeling binnen Spoorzone Zwolle dient hier rekening mee te worden gehouden. Er zijn nog geen kwantitatieve gegevens bekend, dus in welke mate het freatisch grondwater wordt beïnvloed is nog onbekend. Deelgebieden District Z en Werkplaatsen In beide deelgebieden binnen het plangebied wordt geen grondwateroverlast verwacht, tevens zijn geen natte gebieden aanwezig. Het hemelwater kan infiltreren in de bestaande bodem, er zijn voldoende bergingsmogelijkheden rekening houdend met de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Voor deelgebied Lurelui is de situatie anders, in onderstaande paragrafen wordt dit nader toegelicht. WKO-systeem De provincie Overijssel is de bevoegde overheid voor grote (open) bodemenergiesystemen in de ondergrond. De gemeente Zwolle is de bevoegde overheid voor kleinere (gesloten) bodemenergiesystemen. De gemeente Zwolle heeft per 30 november 2021 een verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen vastgesteld. Royal Haskoning DHV heeft in opdracht van de gemeente Zwolle een studie uitgevoerd met als titel Verdieping haalbaarheid wko Bronnet. Daarmee wordt de technische en financiële haalbaarheid van een collectief wko-systeem in Spoorzone Zwolle onderzocht.

Door Royal Haskoning is specifiek gekeken naar de nieuwbouw voor Spoorzone Zwolle en is geconcludeerd dat er per deelgebied een zelfstandig te realiseren collectief wko-systeem mogelijk is. Een nadere toelichting hierop staat in paragraaf 4.16. Grondwaterbeschermingsgebied Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Aan de zuidwestkant is er een minimale overlap met het grondwaterbeschermingsgebied. Het grondwaterbeschermingsgebied bevindt zich aan de zuidwestkant van het plangebied.

Figuur 4.28 Ligging grondwaterbeschermingsgebied (blauw gearceerd)

88/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Intrekgebied drinkwater Het plangebied ligt wel (deels) in een intrekgebied van een drinkwaterwinning. De provincie Overijssel is bevoegd gezag om deze gebieden te beschermen. In deze gebieden is het beleid gericht op het verminderen van de risico's op verontreiniging van het grondwater. Het provinciale grondwaterbeschermingsbeleid voor de drinkwaterwinning is terug te vinden in de Omgevingsverordening van de provincie.

Figuur 4.29 Ligging intrekgebied (grijze arcering) Een van de voorwaarden voor ontwikkelingen in het intrekgebied is dat de waterhuishouding niet mag verslechteren, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. Voor grondwater beschermingsgebieden geldt op grond van de Omgevingsverordening het stand still-beginsel. De volgende artikelen uit de Omgevingsverordening zijn o.a. van toepassing op intrekgebieden: Artikel 2.13.3 Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden Bestemmingsplannen voorzien in een aanduiding voor grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden waarbij alleen functies worden toegestaan die harmoniëren met de functie voor de drinkwatervoorziening. Artikel 2.13.5 Niet-risicovolle functies en grote risicovolle functies in intrekgebieden In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 Grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden kunnen in intrekgebieden ook nieuwe niet-risicovolle en grote risicovolle functies worden toegestaan, mits daarbij wordt voldaan aan het stand still-principe.

Artikel 2.13.6 Grote of grootschalige risicovolle functies In afwijking van het bepaalde in artikel 2.13.3 en onverlet het bepaalde in artikel 2.13.4 en artikel 2.13.5, kunnen nieuwe grote of grootschalige risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden en nieuwe grootschalige risicovolle functies in intrekgebieden alleen worden toegestaan als dit noodzakelijk is vanuit een zwaarwegend maatschappelijk belang, waarvoor redelijke alternatieven ontbreken en mits voldaan wordt aan het stap vooruit-principe. In dit geval is er sprake van een grootschalige risicovolle functie in een intrekgebied. Dat betekent dat moet worden voldaan aan de eisen in artikel 2.13.6 van de verordening: zwaarwegend maatschappelijk belang, ontbreken redelijke alternatieven en voldoen aan stap-vooruit-principe. Zwaarwegend maatschappelijk belang Zwolle is aangewezen als NOVI-gebied in het kader van de Nationale Omgevingsvisie. Het Rijk heeft 89/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

daarnaast de Spoorzone in Zwolle geïdentificeerd als één van de veertien prioritaire gebieden waar het meer regie op verstedelijking wil nemen. Spoorzone Zwolle is een van de veertien nationale versnellingsgebieden. Door het inzetten op plekken rondom bestaande OV-knopen en infrastructuur wordt de bestaande stedelijke omgeving in Nederland zoveel mogelijk benut. Overijssel heeft een woondeal gesloten, die erop gericht is om tot 2030 tenminste 42.000 woningen te bouwen. De Spoorzone Zwolle maakt deel uit van deze woondeal. Ontbreken redelijke alternatieven In de Structuurvisie Ons Zwolle van Morgen 2030 is een afweging gemaakt welke locaties binnen Zwolle nog voor herontwikkeling in aanmerking komen. De Spoorzone is een van de grote ontwikkelingslocaties en maakt onderdeel uit van de StadsRuit. In de Stadsruit wordt het overgrote deel van de nieuwe woningen in Zwolle gebouwd. Het worden gemengde stedelijke gebieden waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Telkens afhankelijk van de kwaliteit van het gebied en de behoeften uit de omgeving en voor de stad. De gebieden hebben gemeen dat ze liggen aan de stadsring. Ze vormen als het ware een ruit over een deel van de stad; de StadsRuit Stap vooruit principe Tot 2021 is Lurelui een onontwikkeld terrein waar sprake is van moestuinen, tijdelijke woningen, tijdelijke opslag van materialen en parkeerplaatsen.

Deze activiteiten hebben de volgende risico´s opgeleverd voor het grondwater: weglekken van stoffen, uitlogen materialen en parkeren van auto´s. Onlangs is dit terrein functievrij en bouwrijp gemaakt. De nadere uitwerking is het aantonen van de stap-vooruit. Dit gebeurt in deze fase middels een kwalitatieve uitwerking van de belastingen voor het grondwater waarbij de huidige functies worden vergeleken met de toekomstige functies. Kiwa en Iwaco hebben voor een dertigtal landgebruiksvormen scores vastgesteld waaruit het risico wordt bepaald. Het risico wordt gevormd door drie factoren: Diffuse belasting (onderverdeeld in drie stofklassen en negen stofgroepen); Calamiteiten (onderscheiden in vier typen); Handhaafbaarheid (gebaseerd op vier aspecten). In onderstaande tabellen is de potentiële diffuse belasting van het grondwater uitgewerkt waarbij de huidige functie is vergeleken met de toekomstige functie. De kleuren zijn als volgt: rood = kans aanwezig, oranje = kans is klein en groen = kans is niet aanwezig. In tabel PM is per stofgroep de beoordeling uitgevoerd. Voor vijf van de negen stofgroepen treedt een verbetering op bij verandering van de functie. In tabel PM is het risico van calamiteiten beoordeeld. Bij twee van de vier type calamiteiten treedt een verbetering op bij verandering van de functie.

Binnen het vigerende bestemmingsplan is op het terreindeel van Lurelui de bestemming "bedrijf" en "cultuur en ontspanning" aanwezig. De toekomstige bestemming is woningbouw. De toekomstige woonfunctie draagt een beperkt risico op het ontstaan van bodemverontreinigingen. De belasting en kans op calamiteiten nemen toe naarmate de woondichtheid toeneemt.

Tabel PM Niveaus voor de belasting van het grondwater per functie

90/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Tabel PM Niveaus voor het bepalen van de score voor het risico van calamiteiten per functie In tabel PM zijn de risicovolle deelactiviteiten beschreven binnen het intrekgebied en worden beheersmaatregelen voorgesteld die de initiatiefnemer kan nemen.

Tabel: Activiteiten met risico´s voor grondwater binnen het intrekgebied en beheersmaatregelen In de toekomstige situatie zijn de risico´s, voor de activiteiten zoals benoemd in tabel PM, voor het intrekgebied van het grondwater minder groot vergeleken met de huidige situatie. Door verandering van functie, namelijk van industrie naar woningbouw, vervallen een aantal potentiële risico´s, zie hiervoor de tabellen PM en PM. Dit geldt echter niet voor de activiteit grondwateronttrekking. Dit vanwege de aanwezige grondwaterverontreinigingen (met name VOCL) en het feit dat scheidende lagen in de ondergrond beperkt aanwezig zijn. Hierdoor is een risico op vermenging en/of verplaatsing van de grondwaterverontreiniging onder invloed van een toekomstige WKO niet uit te sluiten. In de regels van het bestemmingsplan is een regeling opgenomen om negatieve effecten van de WKO-bronnen op VOCL te voorkomen. Er wordt pas een vergunning verleend als aangetoond is dat de VOCL-beheersing niet negatief beïnvloed wordt. De aanleg van een ondergrondse parkeergarage binnen het intrekgebied lijkt minder een probleem, aangezien er bouwmethodes zijn die onttrekken van grondwater minimaliseren, bijvoorbeeld toepassing van onderwaterbeton of injectie met waterglas.

91/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Verhard oppervlak Voor de toename van verharding bij ruimtelijke ontwikkelingen heeft het waterschap beleid vastgesteld. Het plan wordt zo ontworpen dat kortstondige hevige buien zonder problemen kunnen worden opgevangen in de openbare ruimte en worden afgevoerd naar het oppervlaktewater of een infiltratievoorziening. In de huidige situatie is sprake van een totaal verhard oppervlak van circa 128.615 m2. In de nieuwe situatie is sprake van totaal verhard oppervlak van circa 107.650 m2. Rondom o.a. de beoogde nieuwbouw en een lange groenstrook parallel aan het spoor komt meer ruimte voor groen. Dit verbetert de sponswerking, water kan infiltreren en worden vastgehouden. Er is sprake van een afname van het verhard oppervlak in de toekomstige situatie. De herontwikkeling leidt daarom niet tot een toename van versnelde hemelwaterafvoer en compenserende maatregelen zijn daarom niet benodigd. Waterkwaliteit Ten aanzien van hemelwater ligt het uitgangspunt bij het gescheiden afvoeren van afval- en hemelwater en wanneer mogelijk aansluiten op een gescheiden rioolstelsel. Gescheiden afvoeren leidt tot een vermindering van vuilwateroverstorten en ten gunste van de waterkwaliteit. Tevens is er daardoor ook een vermindering van water dat wordt afgevoerd naar de AWZI. Riolering De nieuw te ontwikkelen gebouwen zullen worden aangesloten op de bestaande riolering en waterleiding.

Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het gescheiden rioolstelsel. Het advies is om bij de nieuwe gebouwen geen materialen te gebruiken die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. De gemeente Zwolle werkt aan een rioolstructuurplan voor de gehele Spoorzone. De ontwikkeling van Spoorzone District Z, Werkplaatsen en Lurelui zullen gestemd worden op dit rioolstructuurplan. Wateroverlast In Zwolse adaptatiestrategie en hemelwaterverordening 2022 stelt de gemeente dat een bui van 60 mm in één uur geborgen moet kunnen worden binnen het plangebied en dat een bui van 90 mm in één uur niet tot waterschade mag leiden. De belangrijkste maatregelen hiervoor zijn het verbeteren van de sponswerking door verharding te ontnemen. De verwachte groenere invulling van het gebied zal deze sponswerking laten toenemen. Bij concretere invulling van de groene ruimte dient ook rekening gehouden te worden met een tijdelijke waterberging. De toename van het aantal gebouwen vraagt ook specifieke maatregelen voor die gebouwen zodat daken een eigen bergende functie krijgen. Hittestress De groene invulling van het plangebied gaat ervoor zorgen dat de omgeving een stuk koeler gaat zijn op hete dagen. Dit volgt ook de Zwolse adaptatiestrategie waarin de toevoeging van groen als belangrijkste pijler wordt gezien om hittestress tegen te gaan.

Daarbij is het wel belangrijk dat in deze groene gebieden veel bomen worden toegevoegd die voor schaduw gaan zorgen, alleen dan zal de hittestress aanzienlijk lager zijn. Een extra aandachtspunt voor het te ontwikkelen plan is de positionering en vormgeving van de gebouwen. Deze kunnen windvorming mogelijk stimuleren of tegenhouden. Wanneer er niet voldoende ventilatie is zal hittestress alsnog aanwezig kunnen zijn bij deze gebouwen. Droogte De Spoorzone kent een gemiddeld laagste grondwaterstand van meer dan 2 meter onder maaiveld. Tot nu toe heeft een daling van het grondwater in Zwolle nog niet geleid tot problemen zoals verzakkingen onder gebouwen. Grondwaterstand kan tijdens landelijke droge periodes wel sterk zakken. Het plangebied heeft met de groene invulling al gezorgd voor meer bergend vermogen. Bij het kiezen van vegetatie in het gebied dient er rekening te houden met deze grondwaterstand.

92/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Overstromingsrisico Het plangebied ligt in een dijkringgebied. Als er gebouwd wordt in dijkringgebieden (gebieden met een risico op overstromingen) verplicht de provincie Overijssel in het bestemmingsplan een overstromingsrisicoparagraaf op te nemen. Deze paragraaf heeft aandacht voor voorzieningen die zorgen dat er bij een overstroming minder slachtoffers vallen en dat de schade beperkt blijft.

Figuur 4.30: Overstromingsdiepte met een middelgrote kans. Bron: Klimaateffectatlas De ligging van Zwolle tussen de IJssel en de Vecht zorgt ervoor dat Zwolle mogelijk te maken krijgt met overstromingsrisico. Dit geldt ook voor het plangebied. Hier is een middelgrote kans (1/30 - 1/300 per jaar) dat er overstroming zal optreden. In het gebied kan het water tijdens een dergelijke overstroming tot wel anderhalve meter boven maaiveld reiken. De gebouwen in het gebied dienen rekening te houden met deze overstromingskans door tenminste +2,6 m+NAP waterbestendig te bouwen. Mogelijkheden voor gevolgbeperking zijn voornamelijk gericht op schade beperken. Vitale en kwetsbare functies kunnen in dit gebied beter op hoogte worden geplaatst zodat deze niet belast worden. Ook kan overwogen worden de gebouwen een hogere drempelhoogte te geven. Conclusie Vanuit veiligheid en het intrekgebied zijn de volgende maatregelen nodig. Veiligheid De gebouwen in het gebied dienen rekening te houden met deze overstromingskans door tenminste +2,6 m+NAP waterbestendig te bouwen. Dit wordt geborgd in de planregels. Vitale en kwetsbare functies worden bij voorkeur op grotere hoogte geplaatst zodat deze niet belast worden. Ook kan overwogen worden de gebouwen een hogere drempelhoogte te geven. Deze maatregel worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de uitgangspunten voor de inrichting van het gebied.

Grondwaterbeschermingsgebied/intrekgebied Eisen aan materiaalgebruik (ondergrondse) constructies, gebouwen en straatmeubilair; geen uitlogende stoffen. Bescherming van diep gelegen grondwater ten aanzien van WKO. Parkeerplaatsen voorzien van gesloten verharding ter voorkoming van lekken van olie/PAK. Lekdetectie voor riolering. Conclusie De ontwikkelingen in het plangebied zorgen voor een afname van het verhard oppervlak. Er zijn geen compenserende maatregelen benodigd. Het deelgebied Lurelui is gelegen binnen het intrekgebied van een drinkwaterwinning. Bij de toekomstige ontwikkeling is sprake van een grootschalige risicovolle activiteit binnen het intrekgebied. Aandachtspunten zijn grondwateronttrekkingen en de positionering en diepte van

93/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

het aan te leggen WKO systeem. Binnen het plangebied vindt een onttrekking plaats van grondwater dat verontreinigd is met vinylchloride (VC). Dit gebeurt met een helofytenfilter om zo de drinkwaterwinning het Engelse Werk ook voor de langere termijn te beschermen tegen grondwaterverontreiniging afkomstig uit het stedelijk gebied. Verplaatsing van het helofytenfilter is (hoogstwaarschijnlijk) noodzakelijk, hierbij moet aan de functionaliteit van de zuiverende werking (kwantitatief en kwaliteit) voldaan worden.

4.12

Bodemkwaliteit

Kader Wet ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodemkwaliteit een planontwikkeling in de weg staat, is/ wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op vermoedelijk van (sterk) verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan/BUS-melding; er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren. Wet bodembescherming (Wbb) Als er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming. In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden (bij zogenaamde "spoed- of risicolocaties")).

Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Het Besluit bodemkwaliteit geeft de lokale bevoegde gezagen de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen hun gebied actief te gaan beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe projecten op het gebied van natuur, wonen en industrie. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijk intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het Bbk staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Gemeentelijk beleid Het bodembeleidsplan (2017) kent in overeenstemming met het gemeentelijk milieubeleid een gebiedsgerichte benadering. In het plan wordt onderscheid gemaakt tussen de bovengrond en de ondergrond. Bovengrond Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. In dat kader heeft de gemeente Zwolle een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld, waarop voor de hele gemeente wordt aangegeven welke functie de bodem heeft of welke functie in de toekomst wordt nagestreefd. De functieklassenindeling is gebaseerd op het gebiedsgericht milieubeleid van de gemeente. De volgende functies worden onderscheiden: wonen, industrie, water, buitendijksgebied, landbouw/natuur en hoofdwegen. Met de invoering van het Besluit bodemkwaliteit zijn de kwaliteitsklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingevoerd.

Deze zijn weergegeven op de Bodemkwaliteitskaart van de Gemeente Zwolle (2021).

94/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Volgens het gemeentelijke Bodembeleidsplan mag de bodemkwaliteitskaart als kwaliteitsbewijs worden gebruikt bij het ontwikkelen van een locatie. Een onderzoek is dan niet nodig. Eventueel vrijkomende grond mag volgens het bodembeleid binnen de gemeente worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als kwaliteitsbewijs. Voorwaarde hiervoor is dat de bodem niet verdacht is van verontreiniging op basis van het huidige of historische gebruik, en er geen (al dan niet gesaneerd) geval van bodemverontreiniging bekend is. Indien er aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de functie, kan een bodemonderzoek nodig zijn om te bepalen of de locatie gesaneerd dient te worden. In principe worden verontreinigingen in de bovengrond functiegericht gesaneerd.

Ondergrond In juni 2007 heeft de gemeenteraad van Zwolle ingestemd met de Visie op de Ondergrond en besloten de volgende vijf basisprincipes vast te stellen en te gaan toepassen in projecten: Werken met ondergrondse bestemmingen / functies; Structureel en georganiseerd gebruik maken van WKO (warmte- / koudeopslag) en WKO koppelen aan grondwatersanering en waterwinning en peilbeheer; Bodemsanering gebiedsgericht benaderen; Natuur, recreatie, agrarische activiteiten, waterwinning en bescherming van kwalitatief hoogwaardig grondwater met elkaar te combineren in één gebied; Structureel en georganiseerd afstemmen van vraag en aanbod van (grond)water, koude en warmte. Deze vijf basisprincipes vormen ook het vertrekpunt voor de beleidsmatige invulling voor het omgaan met de ondergrond. Het bodembeleidsplan levert een bijdrage aan de implementatie van de basisprincipes door: Het kader te geven voor gebiedsgericht benadering van de bodemsanering; De doelstelling voor sanering te koppelen aan de beoogde functies in de ondergrond De mogelijkheid te creëren om de aanpak van bodemverontreiniging integraal af te wegen tegen en af te stemmen met koude-warmte opslag, peilbeheer en/of grondwaterwinning. Plangebied en conclusie De locatie Spoorzone te Zwolle maakt(e) deel uit van het emplacement Zwolle.

Op het emplacement Zwolle zijn bij bodemonderzoeken meerdere gevallen van bodemverontreiniging in grond en grondwater vastgesteld. Een (groot) deel van de gevallen is reeds gesaneerd (Bijlage 11): Briefrapport Bodemkwaliteitskaarten spoorzone te Zwolle). De binnen de locatie Spoorzone aanwezige (rest)verontreinigingen worden afhankelijk van de herinrichting en noodzaak nog gesaneerd. Voor enkele verdachte locaties is nog geen bodemonderzoek beschikbaar. Ter plaatse van deze gebieden worden in het kader van de omgevingsvergunning alsnog bodemonderzoeken uitgevoerd. Na bekend worden van de resultaten van aanvullend (verkennend / nader) bodemonderzoek wordt, indien de onderzochte locatie op basis van deze onderzoeksresultaten niet geschikt is voor de toekomstige bestemming, aanvullend gesaneerd.

4.13

Natuur

Kader De bescherming van natuur is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soortenbescherming en de gebiedsbescherming zijn in Nederland geregeld in de Wet Natuurbescherming. Soortenbescherming De soortenbescherming is gericht op het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wet Natuurbescherming kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van

95/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen de Natura 2000-gebieden. Een belangrijk onderdeel van de Wet Natuurbescherming is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet. Plangebied In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is een quickscan en gebouwinspectie uitgevoerd (Bijlage 21). Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (wnb). Tevens is onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken, en daarmee of een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet noodzakelijk is en verkregen kan worden.

Uit de quickscan en gebouwinspectie volgt dat nader onderzoek nodig is naar de betekenis van het plangebied voor huismus, gewone en ruige dwergvleermuizen en egel. Indien het plangebied van betekenis is voor deze soort(en), kan naar het oordeel van het bevoegd gezag een ontheffing van de Wnb noodzakelijk zijn. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. Nader onderzoek egels, vleermuizen en vogels wordt uitgevoerd. Naar verwachting zijn de resultaten in het voorjaar van 2024 beschikbaar. Gebiedsbescherming Natura 2000 Activiteiten in Natura 2000-gebieden mogen geen significante gevolgen hebben op beschermde waarden van deze gebieden. Echter, ook activiteiten in de buurt van Natura 2000-gebieden mogen als gevolg van zogenaamde 'externe werking' geen significante gevolgen hebben op deze gebieden. De uiterwaarden van de IJssel zijn onderdeel van het Natura 2000-gebied Rijntakken en liggen op circa 900m afstand van de Spoorzone. Het tussenliggende gebied bestaat uit hoge bebouwing (bedrijven, wooncomplexen), de provinciale weg IJsselallee (N337) en graslanden met bospercelen die aansluiten op de uiterwaarden. Er is geen sprake van directe invloed van de voorgenomen ingreep door activiteiten zoals verstoring door licht, geluid, beweging en areaalverlies.

De Spoorzone heeft een functie voor werken dat wordt uitgebreid met wonen, het ligt te midden van stedelijk gebied met dezelfde functies. Een nadere toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden van de realisatie en gebruiksfase van Spoorzone (anders dan van stikstof) wordt niet nodig geacht. Het plangebied maakt geen deel uit van en grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland. Een nee/tenzij toets wordt niet nodig geacht. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de mogelijke gevolgen voor stikstofdepositie tijdens gebruiksfase en aanlegfase berekend (Bijlage 25). Binnen het plangebied zijn nu bedrijven operationeel die onlosmakelijk met het plan gaan verdwijnen, waardoor de stikstofemissie blijvend afneemt. Uit de resultaten blijkt een toename tijdens aanlegfase en gebruiksfase op maximaal zes Natura 2000-gebieden. Na saldering met de referentiesituatie is er geen sprake van depositietoenamen op Natura 2000. De ontwikkeling zorgt voor een afname van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Conclusie

96/120

16 december 2024 bestemmingsplan Spoorzone - District Z, Werkplaatsen en Lurelui

Op basis van de quickscan en gebouwinspectie kan geen uitsluitsel worden gegeven over de betekenis van het plangebied voor huismus, gewone en ruige dwergvleermuizen en egel. Om hierover uitsluitsel te kunnen geven wordt nader onderzoek uitgevoerd. Het plangebied maakt geen deel uit van en grenst niet aan het Natuurnetwerk Nederland. Er is geen sprake van directe invloed van de voorgenomen ingreep op Natura 2000-gebieden door activiteiten zoals verstoring door licht, geluid, beweging en areaalverlies. Uit de stikstofberekeningen blijk dat er na interne saldering sprak is van een afname van stikstof op de relevante nabijgelegen Natura 2000-gebieden. 4.13.1 Spooronderdoorgangen Voor de ontwikkelingen in het plangebied voor wat betreft de Spooronderdoorgangen is een quick scan ecologie uitgevoerd door Witteveen en Bos (rapport D-12, datum 01-09-2023). Dit rapport is als Bijlage 22 opgenomen. 4.13.1.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=6f5a6f42-d29f-4f0d-a67c-48e93f5328ec