TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22i Harculo_Bijlagen bij de motivering_Bijlage 12 Wateronderzoek-gecomprimeerd
Tekst van het document
38
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Figuur 4-6: Geotechnisch lengteprofiel kruin tussen 39.0 en 39.8
4.4.2
Voorland
Aan de noord- en zuidzijde van het plangebied grenst de kering aan de Kolenhaven en Materiaalhaven. De voorlandlengte is hier beperkt. Aan de westzijde van het plangebied is sprake van een voorland. Vanuit het KRWproject is grondonderzoek uitgevoerd op de beoogde locatie van de geul. In Figuur 4-7 is de interpretatie van de deklaagdiktes weergegeven. Hieruit blijkt dat het voorland weinig klei bevat. De intredeweerstand van het voorland is beperkt en bestaat voornamelijk uit zand en dunne kleilagen. Het materiaal van de waterbodem ter plaatse van de insteekhavens is onbekend. Op de locatie waar meer klei in het voorland is gevonden, komt overeen met de locatie waar tot en met 1956 de grienden aanwezig waren. Voor de berekening van de stijghoogte wordt uitgegaan van een beperkte intredeweerstand.
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
39 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Figuur 4-7: Interpretatie deklaagdikte vanuit grondonderzoek KRW
4.4.3
Binnendijks – achterland
Vanuit het project IJsselwerken is binnendijks beperkt grondonderzoek beschikbaar. Reales heeft binnen het projectgebied eind 2024 grondonderzoek uit laten voeren. Binnen het gebied zijn 160 boringen uitgevoerd. Binnen het terrein zijn 15 peilbuizen geplaatst. De bijbehorende boringen zijn tot 2,5m-mv uitgevoerd. Daarnaast zijn circa 20 boringen tot 2m-mv geplaatst. De overige boringen gaan tot een diepte van 1m-mv. Van de 160 boringen is bij 10 boringen klei aangetroffen. Hieruit wordt geconcludeerd dat het plangebied voornamelijk uit zand bestaat en doorlatend is. Vanuit boringen uit het DINOloket blijkt dat de kleilaag op een diepte tussen de NAP+1,0m en NAP1,0m van circa 1 meter dikte niet overal aanwezig is. Ook uit de peilbuismetingen wordt geconcludeerd dat er geen doorlopende kleilaag binnen het terrein aanwezig is. De waterstanden in de peilbuizen reageren op de waterstand op de IJssel. Er treedt kwel op waardoor zonder maatregelen het grondwaterpeil stijgt tot boven het huidige maaiveld.
40
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Figuur 4-8: Interpretatie grondonderzoek Reales
4.5
Sterkte parameters
Voor de het berekenen van de stabiliteit zijn sterkte parameters benodigd. De sterkte parameters van de grondlagen zijn overgenomen vanuit de TUN [Ref 7.]. De volledige tabel met parameters is opgenomen in Tabel 4-4. Voor de stabiliteitsberekeningen is een POP van 10kPa toegepast als conservatief uitgangspunt. Tabel 4-4: Geotechnische parameters stabiliteit
yunsat [kN/m3]
ysat [kN/m3]
snc [-]
m [-]
’
Antropogeen-klei
18,5
18,5
0,29
0,83
29
10/20
Antropogeen-zand
18,2
19,2
-
-
31,3
-
Echteld – klei
16,4
16,4
0,29
0,83
Echteld – zand
19,4
19,4
-
-
31,3
-
Nieuwkoop-veen
10,8
10,8
0,39
0,83
22,4
-
Boxtel - klei
14,8
14,8
0,29
0,83
29
10/20
Boxtel – zand
19,7
19,7
-
-
31,3
-
Kreftenheye – zand
19,7
19,7
-
-
31,3
-
Laag
4.6
[°]
POP [kPa]
10/20
Hydraulische belastingen
Voor de IJsselwerken zijn de hydraulische randvoorwaarden bepaald. Dit betreft de waterstand bij de ondergrens. In Figuur 4-9 zijn de berekeningslocaties van de hydraulische randvoorwaarden weergegeven. De berekende waterstand bij de norm (WBN) voor 2075 ligt binnen het plangebied tussen de NAP+5,12m en NAP+5,15m. Ter plaatse van dp39.3 geldt het WBN van NAP+5,13m voor het zichtjaar 2075. De kering voldoet op hoogte bij een overslagdebiet
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
41 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
van 1l/m/s. Er is geen sprake van een significante golfoverslag. Bij de schematisatie van de freatische lijn is geen rekening gehouden met overslag. Voor het project IJsselwerken zijn ook de hydraulische randvoorwaarden voor het zichtjaar 2125 bepaald. De berekende waterstand voor 2125 is NAP+5,40m. Ook in dit geval is er geen sprake van een significante golfoverslag. Voor de bepaling van het leggerprofiel en het PVVR is uitgegaan van de waterstand bij zichtjaar 2125.
Figuur 4-9: Berekeningslocaties hydraulische randvoorwaarden
De dagelijkse waterstand van de IJssel ter plaatse van het plangebied is bepaald op basis van de waterstandsmetingen bij meetpunten Wijhe en Katerveer bij Zwolle. Op basis van de rivierkilometers is deze waterstand geïnterpoleerd naar het plangebied. In 2023 was de gemiddelde waterstand NAP+1,13m. Het minimum was NAP+0,08m op 19-10-23.
Figuur 4-10: Locatie meetpunten RWS, kilometrering IJssel en projectlocatie Harculo
In de berekeningen worden de waterstanden toegepast uit Tabel 4-5. In de stabiliteitsberekeningen van IJsselwerken is het polderpeil bij hoogwater van NAP+0,75m toegepast. Gezien de hoge waterstand in december 2023 is deze waterstand voor de bepaling van het leggerprofiel verhoogd naar NAP+2,2m. Hierdoor is de berekening voor de bepaling van het leggerprofiel en PVVR conservatiever dan de berekeningen die zijn uitgevoerd voor IJsselwerken. 42
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Tabel 4-5: Toegepaste hydraulische randvoorwaarden. De waterstanden uit 2125 zijn toegepast in de berekeningen
Toegepaste waterstanden scenario 2125
Waterstanden 2075 [m+NAP]
Waterstand gebruikt in berekeningen IJsselwerken 2075
WBN
5,42
5,15
5,14
IJsselpeil dagelijks
1,13
1,13
Polderpeil dagelijks
-0,4
-0,4
Freatisch polderpeil WBN
2,2
2,2
0,75
Stijghoogte buitenteen
4,66
4,45
4,11
Stijghoogte binnenteen
4,2
4,13
3,83
In Bijlage G zijn de berekende stijghoogtes op basis van de TRWD opgenomen die in de stabiliteitsberekeningen zijn gebruikt. Voor de stabiliteitsberekening is een grondwaterpeil van NAP+2,2m toegepast. Dit is de beoogde maximale grondwaterstand van Nieuw Harculo.
4.7
Geometrie waterkering
Tussen dijkpaal 38.6 en 39.8 zijn om de 100 meter dwarsprofielen gegenereerd op basis van het AHN4. Hieruit is een maatgevend profiel geselecteerd, waarbij rekening is gehouden met de locatie van de woningbouw nabij de kering. Het profiel ter plaatse van 39.3 is qua geometrie maatgevend voor stabiliteit binnenwaarts. De kerende hoogte is hier representatief en het maaiveldniveau binnendijks ligt relatief laag ten opzichte van de overige profielen. In Figuur 4-11 is de gekozen geometrie weergegeven met de rode lijn ter plaatse van het label CL800. In Figuur 4-12 zijn de dwarsprofielen weergegeven. Dit profiel is maatgevend ten opzichte van de profielen nabij de noordelijke en zuidelijke haven door de ligging van het binnendijkse maaiveld. Het maaiveld bij de havens ligt ruim een meter hoger. Voor piping is het profiel ter plaatse van 39.6 maatgevend. Hier ontbreekt het voorland en is woningbouw gepland op de grens van beschermingszone A en B. De geometrie is vergelijkbaar met het dwarsprofiel van 39.3. Voor beide profielen zijn stabiliteitsberekeningen uitgevoerd. Bij het profiel van 39.6 is de ligging van de waterbodem bepaald op basis van de bathymetrie van de IJssel. Hierbij is het uitgangspunt dat de insteekhaven niet dieper zal zijn dan de IJssel.
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
43 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Figuur 4-11: Bovenaanzicht locatie dwarsprofielen en representatief profiel voor stabiliteit (rood) bij dijkpaal 39.3 en piping (blauw) bij dijkpaal 29.6
Figuur 4-12: Dwarsprofielen en representatief profiel voor stabiliteit (rood) bij dijkpaal 39.3 en piping (blauw) bij dijkpaal 29.6
4.8
Verkeersbelasting
In de stabiliteitsberekening is geen rekening gehouden met verkeersbelasting aangezien het bij de overstromingsbenadering in deze extreme situatie niet realistisch is dat een verkeersbelasting op de kering aanwezig is, zeker omdat op deze locatie geen weg aanwezig is.
44
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
5
Berekeningsresultaten
In paragraaf 5.1 en 5.2 zijn respectievelijk de berekeningsresultaten van macrostabiliteit binnenwaarts en piping opgenomen. Deze resultaten zijn vervolgens vertaald in het leggerprofiel en PVVR in Hoofdstuk 6. Voor de beschermingszones aan de buitenzijde van de kering zijn geen berekeningen uitgevoerd. De ontwikkeling van het plangebied vindt binnendijks plaats. Hierdoor blijven de huidige buitendijkse zoneringen geldig. Voor de pipingberekening is de lengte van de buitenteen tot de grens met beschermingszone A meegenomen als voorland. In de stabiliteitsberekeningen is rekening gehouden met hogere stijghoogtes en een hogere freatische lijn dan bij dijkverbetering IJsselwerken. Door deze conservatisme is de kans dat deze kering de komende 100 jaar versterkt moet worden op basis van de huidige normering verwaarloosbaar. Dit sluit aan bij het feit dat bij het huidige dijkversterkingsproject op deze locatie geen versterkingsopgave is voor zowel stabiliteit als piping. In de berekeningen is ook rekening gehouden met de plannen rondom de nevengeul buitendijks vanuit de KRW. Uit onderzoek van Rijkswaterstaat blijkt dat deze geul geen nadelige effecten heeft op de waterveiligheid.
5.1
Macrostabiliteit binnenwaarts
Voor stabiliteit binnenwaarts zijn op basis van de normering van de kering de (partiele) veiligheidsfactoren uit Tabel 5-1 van toepassing. De waterkering is voldoende stabiel wanneer deze aan de vereiste veiligheidsfactor voldoet. Voor de IJsselwerken is rekening gehouden met een schematiseringsfactor van 1,05. In deze rapportage wordt dezelfde schematiseringsfactor toegepast. Binnen het gebied is voldoende grondonderzoek aanwezig en rekenen we met conservatieve uitgangspunten zoals de schematisatie van de waterspanningen, geometrie en bodemopbouw. Tabel 5-1: Vereiste veiligheidsfactor STBI
Type
Waarde [-]
Schadefactor
1,14
Modelfactor (Uplift-Van)
1,06
Schematiseringsfactor
1,05
Vereiste veiligheidsfactor
1,27
Voor de beschouwing van de binnenwaartse stabiliteit zijn voor het profiel bij dijkpaal 39.3 twee scenario’s berekend, namelijk voor zichtjaar 2075 en 2125. Ook ter plekke van dijkpaal 39.6 is een stabiliteitsberekening uitgevoerd, aangezien op deze plek bijna geen voorland aanwezig is. Voor de bepaling van het profiel van vrije ruimte geldt een ontwerpperiode van 100 jaar. In de berekeningen zijn de uitgangspunten uit Hoofdstuk 4 opgenomen. De grens tussen de beschermingszone A en B wordt onder andere bepaald door de grond die nodig is om de stabiliteit van de waterkering te waarborgen. De grens ligt op de locatie waar veilig een ontgraving mogelijk is van één meter diepte waarbij de kering nog voldoet aan de vereiste veiligheid. Deze grens wordt gevonden door in de berekening een ontgraving te schematiseren en deze ontgraving te verschuiven naar de locatie waarbij de ontgraving geen invloed heeft op de vereiste sterkte van de kering. Het resultaat van het leggerprofiel en PVVR bij zichtjaar 2125 is opgenomen in Hoofdstuk 6. De stabiliteitsberekeningen zijn uitgevoerd met D-Stability 2024.01 met het glijvlakmodel Uplift-Van in combinatie met CSSM-parameters.
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
45 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Tabel 5-2: Resultaat stabiliteitsberekening
Profiel
Zichtjaar Waterstand Vereiste veiligheidsfactor Berekende veiligheidsfactor Oordeel [m+NAP] [-]
39.3
2075
5,14
1,27
2,14
Voldoet zeer ruim
39.3
2125
5,41
1,27
2,08
Voldoet zeer ruim
39.3_C1 2125
5,41
1,27
2,56
Voldoet zeer ruim
39.6
5,41
1,27
2,1
Voldoet zeer ruim
2125
1Bij profiel 39.3_C is het binnendijkse maaiveld opgehoogd naar NAP+3,8m. Hierbij is een ontgraving van 1 meter
geschematiseerd op X=25m vanaf de buitenkruinlijn. Dit ontwerp is in een latere fase toegevoegd.
5.1.1
Conclusie macrostabiliteit
Alle stabiliteitsberekeningen voldoen zeer ruim aan de vereiste veiligheid voor stabiliteit binnenwaarts op basis van de nu geldende normen en waterstanden voor 2125. In Bijlage G zijn de stabiliteitsberekeningen opgenomen. In Figuur 5-1 is de doorsnede weergegeven in combinatie met de ontgraving van 1 meter diepte op 35 vanaf de buitenkruinlijn. Voor beide profielen geldt dat de stabiliteitsfactor niet negatief wordt beïnvloed bij een ontgraving op deze afstand. Ook bij het ophogen van het maaiveld naar NAP+3,8m en een ontgraving van 1 meter op 25 meter van de buitenkruinlijn voldoet de kering zeer ruim. Voor de dijkverbetering van de IJsselwerken liggen de berekende veiligheidsfactoren voor de binnenwaartse stabiliteit zonder overslag rond SF 2,0. Het is belangrijk om te realiseren dat een berekende veiligheidsfactor van 2,08 zeer robuust is. Bij dergelijke veiligheidsfactoren is het niet de verwachting dat hier in de toekomst een dijkversterking nodig is voor het faalmechanisme macrostabliteit binnenwaarts.
Figuur 5-1: Resultaat stabiliteitsberekening zichtjaar 2125, SF=2,076
46
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
5.2
Piping
5.2.1
Beschrijving faalmechanisme piping
Piping is een geotechnisch faalmechanisme, waarbij de dijk faalt als gevolg van terugschrijdende erosie. Hierbij ontstaat een pijp onder de dijk als gevolg van het transport van zand. Piping treedt alleen op bij kleidijken op zand (klei-op-zand) of onder stevige deklagen waar een eventuele zandkering op gefundeerd is. De bestaande primaire waterkering betreft waarschijnlijk een zand-op-zand dijk, maar omdat er rond NAP+0m sporadisch een kleilaag onder de kering wordt aangetroffen, wordt conservatief gecontroleerd op piping Bij piping is sprake van de volgende gebeurtenissen voordat er werkelijk sprake is van het falen van de kering door terugschrijdende erosie: 1. De buitenwaterstand stijgt. 2. De waterspanning in het achterland stijgt en komt boven de grenspotentiaal. 3. De deklaag binnendijks barst op. 4. Er vindt heave plaats. 5. Er ontstaat een erosiekanaal onder de kering. 6. Er ontstaat hydraulische kortsluiting, er ontstaat een doorgaande pipe. 7. Het erosiekanaal verdiept en verbreedt zich. 8. Vervolgens treedt kruinverlaging op wanneer de kering zakt in de holle ruimte. Opbarsten van een deklaag (3) gebeurt alleen als de stijghoogte (waterdruk) in de zandlaag onder de deklaag groter wordt dan de grenspotentiaal (2). De stijghoogte kan alleen boven de grenspotentiaal uitkomen indien er een doorlopende deklaag van voldoende dikte aanwezig is.
Indien deze niet voldoende aanwezig is, dan vloeien de waterspanningen af naar het maaiveld en aanwezig oppervlaktewater. In het plangebied is de binnendijkse bodem erg zandig en de aanwezige kleilaag niet doorlopend. Dit blijkt uit de volgende gegevens: -
Boringen binnendijks (en buitendijks) gebied; Boringen/sonderingen dijk met en zonder kleilaag; De respons in de peilbuizen want die volgen de IJssel, maar de zandlaag staat duidelijk in contact met het polderpeil / freatisch water (geen afsluitende kleilaag).
Hierdoor ontstaat er onvoldoende druk om opbarsten te veroorzaken en de vervolgprocessen mogelijk te maken. Dit maakt het ontstaan van een doorgaande pijp onder de kering zeer onwaarschijnlijk. In het geval er toch een doorlopende deklaag zou zijn, zijn in navolgende paragrafen controleberekeningen uitgevoerd.
5.2.2
Sellmeijer
In het geval er toch een doorlopende deklaag zou zijn, is in deze paragraaf een controleberekening uitgevoerd. Voor het berekenen van piping wordt gebruikt gemaakt van de Sellmeijer methode. Deze methode kent zijn beperkingen. Hierbij wordt onder andere de doorlatendheid van het voorland en achterland slecht meegenomen. Op basis van het OI2014v4 gelden voor piping de veiligheidsfactoren uit Tabel 5-3 voor piping, opbarsten en heave. Daarnaast is sprake van de schematiseringsfactor welke ook bij IJsselwerken is toegepast. Tabel 5-3: Veiligheidsfactoren piping op basis van OI2014v4
Factor
Waarde
Veiligheidsfactor piping
1,41
Veiligheidsfactor opbarsten 1,72 Veiligheidsfactor heave
1,32
Schematiseringsfactor
1,05
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
47 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Met de gegevens van IJsselwerken en de vereiste veiligheidsfactoren is via Sellmeijer berekend hoe groot het kwelwegtekort is bij de waterstanden bij zichtjaar 2125. In de Sellmeijer berekening is niet de WBN 2125 gebruikt, maar de stijghoogte ter plaatse van de buitenteen. Deze waterstand is berekend op basis van het geohydrologisch model van IJsselwerken waarbij de dikte en doorlatendheid van het watervoerend pakket, de intredeweerstand van het voorland bekend zijn bij IJsselwerken. In Tabel 5-4 staan de beknopte resultaten op basis van Sellmeijer waarbij een maaiveld van NAP+2,9m ter plaatse van de binnenteen als uitgangspunt is opgenomen overeenkomstig met de ontgraving van stabiliteit. Dit is de maaiveldhoogte exclusief 1 meter ontgraving. Tabel 5-4: Resultaten Sellmeijer
Dijkpaal
WBN [m+NAP]
Stijghoogte buitenteen [m+NAP]
Maaiveld binnenteen [m+NAP]
OK deklaag
Dijkzate [m]
Kwelweg tekort [m]
38,8
5,42
5,10
2,9
-0,20
48,5
2,3
38,9
5,42
5,29
2,9
-0,20
50,5
9,3
39,0
5,42
5,29
2,9
-0,20
43,5
16,6
39,1
5,41
4,86
2,9
-0,20
52,5
0,0
39,2
5,41
4,59
2,9
-0,30
45,5
0,0
39,3
5,40
4,44
2,9
1,00
43,5
0,0
39,4
5,40
4,72
2,9
1,00
44,5
5,4
39,5
5,39
5,18
2,9
-0,90
45,0
0,0
39,6
5,40
4,81
2,9
-0,90
40,0
0,0
39,7
5,40
5,07
2,9
-0,90
49,0
0,0
Duiding resultaten Sellmeijer De berekende stijghoogte ter plaatse van de buitenteen is bij 38,9 en 39,0 erg hoog. Ten opzichte van de peilbuismetingen die zijn uitgevoerd voor het waterhuishoudig plan en een analyse van aanvullend bodemonderzoek en ontstaansgeschiedenis uit het gebied lijkt deze hoge stijghoogte een overschatting te zijn. Om het risico op piping beter te kunnen beoordelen wordt de pipinganalyse voortgezet met D-GeoFlow. Hierbij worden de maatgevende profielen vanuit de Sellmeijer berekening in de volgende paragraaf verder uitgewerkt. Wanneer de ontgraving voor de maatgevende profielen veilig is, dan geldt dit ook voor de profielen die op basis van Sellmeijer geen kwelweglengte tekort hebben.
5.2.3
D-GeoFlow
Om aan te tonen dat bij een ontgraving van 1 meter in zone B geen piping optreedt, zijn D-GeoFlow berekeningen (een eindige-elementen-model) gemaakt. Bij de berekeningen in D-GeoFlow wordt een combinatie van het Darcystromingsmodel en de Sellmeijer-formule toegepast. De Sellmeijer-formule wordt gebruikt om de kritieke waterhoogte te berekenen waarbij piping optreedt, terwijl D-GeoFlow de grondwaterstroming simuleert om te bepalen waar de hydraulische gradiënt het grootst is. Daarnaast kan D-GeoFlow een pipelengte en pipediameter berekenen. Voor de bepaling van het leggerprofiel is gecontroleerd of piping op kan treden bij een ontgraving op de grens van zone A en B vanuit de stabiliteitsberekeningen. Hieruit is gebleken dat een ontgraving op 35 meter vanaf de buitenkruinlijn de binnenwaartse stabiliteit niet negatief wordt beïnvloed. In de D-GeoFlow berekening is op dezelfde afstand een ontgraving van 1 meter gemodelleerd waarbij de ontgraving voldoet aan de vereiste veiligheidseis voor piping. In Tabel 5-5 en Tabel 5-6 zijn de uitgangpunten voor de D-GeoFlow berekeningen opgenomen. Deze kunnen enigszins afwijken van eerder gerapporteerde waardes uit voorgaande paragrafen. Dit komt omdat binnen het project van grof naar fijn is gewerkt. De uitgangspunten van de D-GeoFlow berekeningen is in deze paragraaf vermeld. 48
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Tabel 5-5: Parameters pipingberekening Parameter
Waarde
d70
327 μm – deze d70 betreft de waarde die is gemeten het dichtst bij het plangebied. Uit de boorbeschrijvingen blijkt dat sprake is van matig grof zand.
Dikte watervoerend pakket – Kreftenheye
30 m
Ondergrondschematisatie
Onderkant van de deklaag is bepaald op basis van sonderingen vanuit IJsselwerken. Bij profiel 38.9 wijkt de onderkant van de deklaag af ten opzichte van de Sellmeijer berekening. Op basis van sondering DKMP53-38.89 ligt de onderzijde van de deklaag op NAP-0,8m.
0,3D
Wordt berekend op basis van de dikte van de deklaag ter plaatse van de ontgraving = 0,3*D + maaiveld
Boundary polderpeil
De binnendijkse boundary is vastgelegd op NAP+2,2m op basis van het waterhuishoudkundige plan van Nieuw Harculo. Dit is de maximale waterstand voor het gebied door de toepassing van het IT-riool
Tabel 5-6: Toegepaste doorlatendheden
Eenheid
Doorlatendheid Bepaling uitgangspunt [m/d]
Zand Kreftenheye
73
IJsselwerken
Zand Boxtel
18,3
IJsselwerken
Zand Antropogeen
8
Infiltratieproef
Slib
1
Iteratief bepaald op basis van de stijghoogte ter plaatse van de buitenteen voor IJsselwerken en peilbuismetingen. Hierbij is de waterstand van december 2023 als buitenwaterstand opgegeven en vervolgens gefit op de gemeten stijghoogte. Uit deze berekening blijkt dat een doorlatendheid van 0,1m/dag met een sliblaag van 1 meter dikte past. Doordat de sliblaagdikte niet gewaarborgd kan worden in de toekomst is een waarde van 1 m/dag toegepast.
Dijkbekleding- 0.1 klei Klei Echteld
De kleibekleding is erg zandig, waardoor een doorlatendheid van 0.01m/dag niet realistisch is
0.05
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
49 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Momenteel is de toepassing van D-GeoFlow in ontwikkeling. Binnen IJsselwerken is ook gebruik gemaakt van deze berekeningen. Hierbij zijn de uitkomsten van de D-GeoFlow berekeningen getoetst op basis van de onderstaande formule.
De veiligheidsfactor voor piping is 1,41 voor dit traject. Deze wordt vermenigvuldigd met een schematiseringsfactor van 1,05, wat resulteert in een vereiste stabiliteitsfactor (Fp) voor terugschrijdende erosie van 1,48. Met deze veiligheidsfactor kan de maximale waterstand berekend worden waarbij de dijk voldoet ten opzichte van NAP (hc). In de software D-GeoFlow wordt deze waarde berekend met de optie "Critical Head". De formule is als volgt: ℎ𝑐 = 𝐹𝑝 ∗ (ℎ − (𝑧𝑒𝑥𝑖𝑡 + 𝑟 ∗ 𝐷𝑑𝑒𝑘𝑙𝑎𝑎𝑔 )) + (𝑧𝑒𝑥𝑖𝑡 + 𝑟 ∗ 𝐷𝑑𝑒𝑘𝑙𝑎𝑎𝑔 )
Hierbij de is zexit de ontgravingsdiepte. De ontgravingsdiepte is bepaald via een iteratief proces, waarbij de berekende "Critical Head" uit D-GeoFlow groter of gelijk is aan de benodigde "Critical Head". Voor elk profiel zijn in eerste instantie twee locaties berekend: 1. Locatie 1: Op 35 meter vanaf de buitenkruinlijn, op de plek waar de ontgraving geen invloed heeft op de macrostabiliteit. 2. Locatie 2: Op 60 meter vanaf de buitenkruinlijn, waarbij de diepte van de ontgraving gevarieerd is om te voorkomen dat een ontgraving verder van de kering piping kan veroorzaken.
50
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Vervolgens zijn voor profielen C en F nog een extra locatie berekend, namelijk op x=25. Dit zijn de dwarsprofielen waar nog optimalisatie van het leggerprofiel mogelijk was doordat hier het maaiveld wordt opgehoogd naar NAP+3,8m. Hierdoor kunnen de tuinen buiten beschermingszone A vallen. Deze locatie is vervolgens weer met een stabiliteitsberekening gecontroleerd en voldoet ruim aan de vereiste veiligheid. De volgende profiellocaties zijn berekend met D-GeoFlow: • • • •
38.9 is het profiel ter plaatse van het geplande kunstatelier 39.0 is de meest maatgevende locatie op basis van de Sellmeijer berekening 39.6 betreft de locatie waarbij het maaiveld niet opgehoogd wordt naar NAP+3,8m aangezien het maaiveld van Harculo weer langzaam aan moet sluiten op het huidige maaiveld. Profiel C en F– overeenkomstig met de dwarsprofielen uit Bijlage D. Op deze locaties is het maaiveld opgehoogd tot NAP+3,8m, wat resulteert in een verlegging van de binnenteen, maar ook in de ontgravingsdiepte van NAP+2,9m, waarvoor de hydraulic head gecontroleerd wordt. .
Resultaat In Tabel 5-7 zijn de resultaten van de berekeningen van deze profiellocaties opgenomen. Tabel 5-7: Resultaten berekening critical head. X = afstand ontgraving ten opzichte van de buitenkruinlijn
Profiel
Afstand vanaf de BUK
Diepte ontgraving [m+NAP]
Onderkant deklaag [m+NAP]
0,3D
Vereiste Hc
Berekende Hc Voldoet
[m+NAP]
[m+NAP]
[m+NAP]
38.9
35
1,75
-0,8
2,52
6,8
6,8
Ja
38.9
60
1,3
-0,8
1,93
7,1
7,1
Ja
39.0
35
2
-0,2
2,66
6,7
6,9
Ja
39.0
60
1,5
-0,2
2,01
7,1
7,1
Ja
39.6
35
2
-0,5
2,75
6,7
7,1
Ja
39.6
60
1,5
-0,5
2,1
7
7,3
Ja
C
25
2,8
-0,2
3,7
6,2
7,5
Ja
F
25
2,8
-0,5
3,79
6,2
8,1
Ja
Op een afstand van 35 meter vanaf de buitenkruinlijn kan een ontgraving veilig worden uitgevoerd met betrekking tot het faalmechanisme piping tot een niveau van NAP+2,0m. Op een afstand van 60 meter is een ontgravingsdiepte van NAP+1,5m veilig. In Figuur 5-2 is met de oranje stippellijn aangegeven tot welke diepte ontgraven kan worden, zonder een risico op piping te veroorzaken. De bruine lijn geeft het toekomstige maaiveld weer. Binnen de ontwikkeling van Nieuw-Harculo zijn geen plannen om ontgravingen uit te voeren die de onder de oranje stippellijn vallen. De werkzaamheden vinden over het algemeen plaats boven het huidige maaiveld. Bovenstaande resultaten zijn verwerkt in de dwarsprofielen in Bijlage D. Op basis van de rekenresultaten is gebleken dat over het gehele gebied een ontgraving van 35 meter van de buitenkruinlijn tot een diepte van NAP+2,0m veilig is. Op een afstand van 60 meter vanaf de buitenkruinlijn kan tot NAP+1,5m veilig worden ontgraven. Deze wordt voor het gehele plangebied toegepast. Daar waar het maaiveld bij de kering wordt opgehoogd naar NAP+3,8m is op 25 meter vanaf de buitenkruinlijn een ontgraving van NAP+2,8m geen probleem. Deze resultaten zijn opgenomen in Tabel 5-8.
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
51 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Tabel 5-8: Veilige ontgravingdieptes in relatie tot piping
Afstand vanaf de buitenkruinlijn
Veilige ontgravingsdiepte
Opmerkingen
35 meter
NAP+2,0 meter
Geldt voor het gehele gebied
60 meter
NAP+1,5 meter
Geldt voor het gehele gebied
25 meter (bij maaiveld ophoging)
NAP+2,8 meter
Waar het maaiveld wordt opgehoogd naar NAP+3,8 meter
Figuur 5-2: Schematische weergave veilige ontgravingsdiepte in Zone B.
Opmerking: De methode waarbij het vereiste kritieke verval wordt berekend is erg conservatief. Er zijn veel veiligheidsfactoren meegenomen. Hierdoor komt het vereiste kritieke verval in alle gevallen binnen het plangebied hoger uit dan de huidige dijkhoogte die op circa NAP+6,5m ligt. Dit zou in principe betekenen dat bij een dergelijk geval geen piping optreedt, maar dat wel een groot deel van het beheergebied van WDOD onder water zou staan.
52
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
6
Leggerprofiel en profiel van vrije ruimte
De berekeningen uit Hoofdstuk 5 resulteren in het leggerprofiel. Bij deze berekeningen is uitgegaan van de huidige geometrie van de waterkering, waarbij sprake is van een flauwe taludhelling van 1:5,5. Het leggerprofiel kent vier zoneringen, deze zijn weergegeven in Tabel 6-1. Tabel 6-1: Omschrijving leggerzoneringen en PVVR
Zone
Omschrijving
Profiel van vrije ruimte Door middel van het profiel van vrije ruimte (PVVR) reserveert het waterschap ruimte bij de waterkering voor toekomstige versterkingen. In het PVVR is het volgens de Keur verboden om zonder vergunning werken te plaatsen, bijvoorbeeld een woning, en infrastructuur. Dit betreft een ruimte 1 meter boven op het waterstaatswerk en beschermingszone A. Waterstaatswerk
Het waterstaatswerk omvat het profiel en een strook van 4 meter aan weerszijden uit de teen. Voor het waterstaatswerk geldt het strengste regime. *Door de ophoging van het binnendijkse maaiveld verschuift de binnenteen. De locatie van de binnenteen moet na de realisatie van het plangebied worden ingemeten. Op basis van de nieuwe binnenteen + een strook van 4 meter bepaald de ligging van het waterstaatswerk.
Beschermingszone A
Beschermingszone deel A beschermt de directe invloedszone van de waterkering. De beschermingszone deel A varieert in breedte. Voor deel A geldt een milder regime dan voor het waterstaatswerk.
Beschermingszone B
Beschermingszone deel B beschermt de waterkering tegen invloeden van grootschaligere handelingen. De beschermingszone deel B varieert in breedte. De breedte is afhankelijk van de breedte van de beschermingszone A. De begrenzing verandert niet, die blijft 96 meter uit het waterstaatswerk. Voor deel B geldt het mildste regime. De grens tussen zone A en B wordt rekenkundig bepaald met een ontgraving van 1m diepte. Zone B mag dus pas beginnen waar die ontgraving geen effect meer heeft op de stabiliteit en piping. Er zijn berekeningen uitgevoerd voor piping en macrostabiliteit met een ontgraving van 1m diep, beginnend 4m vanaf de binnenteen (=grens waterstaatswerk). Als dat geen veilige situatie opleverde werd de berekening herhaald met een ontgraving beginnend 5m vanaf de binnenteen, net zo lang tot de uitkomst veilig genoeg is.
Voor de binnendijkse zoneringen is het leggerprofiel berekend. Op een afstand van 35 meter vanaf de buitenkruinlijn heeft de ontgraving van 1 meter diepte (NAP +1,9 m) geen invloed op de stabiliteit van de kering. Dit betreft de grens tussen beschermingszone A en B. Uit de pipingberekening blijkt dat op deze locatie een ontgraving tot NAP+2,0m het faalmechanisme piping niet lijdt tot een pipe op basis waarvan de waterkering kan falen. Buitendijks zijn de zoneringen niet rekenkundig bepaald, omdat op deze locatie geen plannen zijn met betrekking tot de ontwikkeling van het plangebied. Hier is een afstand van 10 meter vanaf de grens van het waterstaatswerk als grens aangehouden. In Tabel 6-3 en Tabel 6-4 zijn de resultaten van het leggerprofiel en de veilige ontgravingsdiepte opgenomen. Voor het PVVR wordt één meter ruimte ten opzichte van leggerprofiel in rekening gebracht. De dwarsprofielen en overzichtstekening met bijbehorende zoneringen zijn opgenomen in Bijlage D. In Tabel 6-2 zijn de dijkpalen opgenomen die corresponderen met de dwarsprofiellocaties. Tabel 6-2 Profielnamen en dijkpalen
Profiel
Dijkpaal
A
38.7
B
38.9
C
39.1
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
53 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Profiel
Dijkpaal
D
39.2+50
E
39.3+50
F
39.5
G
39.7
Tabel 6-3: Dwarsprofielen A en G (zonder ophoging maaiveld tot NAP+3,8m)
Beschrijving
Afstand t.o.v. buitenkruin [m]
Hoogte legger profiel [m+NAP]
Veilige ontgravingsdiepte [m+NAP]
Beschermingszone B
-112
-
Nvt
Beschermingszone A
-26
2,75
Nvt
Waterstaatswerk
-16
-
Nvt
Buitenkruinlijn
0
6,3
Nvt
Binnenkruinlijn
5
6,3
Nvt
Binnenteen
25
3,0
Nvt
Waterstaatswerk
29
3,0
Nvt
Beschermingszone A
35
3,0
2,0
Beschermingszone B1
60
2,5
1,5
Beschermingszone B2
125
2,5
1,5
Tabel 6-4: Dwarsprofielen B, C, D, E en F (met ophoging maaiveld tot NAP+3,8m)
Beschrijving
Afstand t.o.v. buitenkruin [m]
Hoogte legger profiel [m+NAP]
Veilige ontgravingsdiepte [m+NAP]
Beschermingszone B
-112
-
Nvt
Beschermingszone A
-26
2,75
Nvt
Waterstaatswerk
-16
-
Nvt
Buitenkruinlijn
0
6,3
Nvt
Binnenkruinlijn
5
6,3
Nvt
Binnenteen
20
3,8
Nvt
3,8
Nvt
Waterstaatswerk Beschermingszone A
25
3,8
2,8
Beschermingszone B1
35
3,0
2,0
Beschermingszone B2
60
2,5
1,5
Beschermingszone B3
125
2,5
1,5
In Bijlage D zijn de dwarsprofielen opgenomen in combinatie met het leggerprofiel het PVVR en de geplande inrichting van het plangebied. Hierbij ligt de geplande bebouwing buiten deze zoneringen. Voor de bouw van de woningen is een ontgraving mogelijk van 1m-mv (NAP +2,0 m) voor de realisatie van de funderingen. Uit de berekeningen blijkt dat tijdelijke ontgravingen in beschermingszone B geen negatieve effecten hebben op de waterveiligheid. 54
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
7
Toekomstige ontwikkelingen waterveiligheid
7.1
Actualisatie PVVR vanuit I&W
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) hebben waterschappen de opdracht gekregen om voor 1 januari 2026 een plan van aanpak op te stellen voor het actualiseren van het profiel van vrije ruimte voor de primaire keringen in samenwerking met Provincies en Gemeenten. Met de geactualiseerde profielen van vrije ruimte heeft het Ministerie tot doel om voldoende ruimte te reserveren voor toekomstige dijkversterkingen. De geactualiseerde profielen van vrije ruimte moeten op 31 december 2029 gereed zijn. Voor deze actualisatie is een Beslisdocument en een Handreiking opgesteld. Op basis van deze handreiking wordt het PVVR bepaald door de dijk te ontwerpen voor een periode van 100 jaar waarbij de kering voldoet aan de eisen vanuit het BOI. Hierbij mag eventueel een goed onderbouwde robuustheidstoeslag toegepast worden. Deze toeslag mag niet samenvallen met andere toeslagen zoals bijvoorbeeld het toepassen van de schematiseringfactor. Voor het dijkontwerp behorende bij het PVVR wordt uitgegaan van een verbetering in grond. Daar waar versterking in grond niet mogelijk is, wordt gekeken naar een andere oplossing en het ruimtegebruik daarvan. Wanneer voor piping sprake is van lange bermen, kan hiervoor gekozen worden.
In de praktijk wordt in deze situaties vanuit financiële redenen gekozen voor een verticale oplossing. De methode waarop het PVVR van Nieuw Harculo bepaald is, sluit deels aan bij de uitgangspunten die in de handreiking zijn vermeld. Voor het rivierengebied geldt een periode van 100 jaar. Bij het PVVR van Nieuw Harculo is sprake van een dubbele robuustheidstoeslag. Er geldt een extra ruimtereservering van 1 m boven op het vereiste profiel benodigd voor stabiliteit binnenwaarts. Daarnaast is ook nog een schematiseringsfactor toegepast op de vereiste veiligheidsfactor voor stabiliteit. De extra ruimtereservering van 1 m is mogelijk, maar moet door het waterschap goed worden onderbouwd.
7.2
Toekomstige dijkverbeteringen
Door de aanleg van de woonwijk wordt de ruimte om toekomstige dijkverbeteringen uit te voeren kleiner. WDOD wil weten of over 100 jaar nog voldoende ruimte beschikbaar is om de dijk te kunnen versterken. Ten eerste is het niet waarschijnlijk dat er in de toekomst op deze locatie een dijkverbetering nodig zal zijn, specifiek met betrekking tot binnenwaartse stabiliteit. Dit komt doordat het binnendijkse maaiveld ter hoogte van Nieuw Harculo aanzienlijk hoger ligt dan bij andere dijksecties binnen dit dijktraject. Hierdoor is het risico op instabiliteit aanmerkelijk kleiner. Daarnaast zijn de berekende veiligheidsfactoren op deze locatie al uitzonderlijk hoog. Zelfs met nieuwe inzichten over klimaatverandering of veranderingen in de sterkte van de ondergrond, blijft de kans dat er een versterkingsopgave nodig is, verwaarloosbaar klein. Het toevoegen van een extra robuustheidstoeslag is daarom overbodig. Dit zou enkel leiden tot een opeenstapeling van veiligheidsmarges, zonder dat dit daadwerkelijk bijdraagt aan de waterveiligheid. Bovendien zou het extra ruimte en middelen vereisen die beter kunnen worden ingezet voor andere ruimtevragende ontwikkelingen in het gebied. In deze paragraaf zijn optimalisaties van het huidige dijkprofiel opgenomen, zoals het toepassen van een steiler binnendijks talud en het ophogen van het binnendijkse maaiveld naar NAP+3,8m.
Het is daarbij belangrijk om te beseffen dat bij een dijkversterking de kering moet voldoen aan de vereiste normering. Binnen het project IJsselwerken is de vereiste veiligheidseis 1,27. Bij de hieronder genoemde optimalisaties is deze veiligheidseis dan ook als uitgangspunt genomen.
7.2.1
Optimalisatie 1: talud naar 1:3 en binnenteen op NAP+2,9m
De huidige kering heeft een binnendijks een taludhelling van 1:5 tot 1:6. Dit is een erg flauw talud, waarbij de binnenteen ver weg ligt. Momenteel wordt bij dijkverbeteringen uitgegaan van een taludhelling van 1:3 in combinatie met een stabiliteitsberm. Bij optimalisatie kan het talud aangepast worden naar 1:3. In dit geval is een kleine stabiliteitsberm van 3 meter lang en 0,9 m hoogte nodig. Hiermee komt de binnenteen op een afstand van 18,05m vanaf de buitenkruinlijn te liggen. De berekende veiligheidsfactor is 1,37. Een kortere berm toepassen is niet wenselijk in verband met beheer en onderhoud.
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
55 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Figuur 7-1: rekenresultaat optimalisatie 1, taludhelling 1:3 + berm en ontgraving van 1 m op x=24 Tabel 7-1: Resultaat optimalisatie 1: leggerprofiel en PVVR (afstanden en hoogtes)
Beschrijving
Berekend leggerprofiel [1] [m]
Afstanden Optimalisatie 1 [m]
Hoogte huidig profiel [m+NAP]
Hoogte PVVR [m+NAP]
Buitenkruinlijn
0
0
6,3
7,3
Binnenkruinlijn
5
5
6,3
7,3
Binnenteen
25
18,1
2,9
3,9
Waterstaatswerk
29
22,1
-
-
Beschermingszone A
35
24
2,9
3,9
Beschermingszone B
125
118,1
-
-
7.2.2
Optimalisatie 2: talud naar 1:3 en binnenteen op NAP+3,8m
Bij optimalisatie 1 is uitgegaan van een binnendijkse maaiveldhoogte van NAP+2,9m. Wanneer het maaiveld bij de kering opgehoogd wordt naar NAP+3,8m, dan komt de teen bij een taludhelling van 1:3 op 12,5 m vanaf de buitenkruinlijn te liggen en voldoet de kering op basis van de waterstand van 2125 ruim aan de vereiste veiligheidsfactor van 1,27. De berekende veiligheidsfactor is 1,64. De grens van het waterstaatswerk ligt op een afstand van 16,5 meter (=binnenteen + 4m). Bij een ontgraving van 1m diepte op 22 meter vanaf de buitenkruinlijn wordt de berekende stabiliteit niet negatief beïnvloed.
56
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Figuur 7-2: Rekenresultaat optimalisatie taludhelling van 1:3 en maaiveldhoogte van NAP+3,8m Tabel 7-2: Resultaat optimalisatie 2,leggerprofiel en PVVR (afstanden en hoogtes)
Beschrijving
Afstand t.o.v. buitenkruin [m]
Afstanden Optimalisatie 2 [m]
Hoogte [m+NAP]
Buitenkruinlijn
0
0
6,3
Binnenkruinlijn
5
5
6,3
Binnenteen
25
12,5
3,8
Waterstaatswerk
29
16,5
-
Beschermingszone A
35
24
3,8
Beschermingszone B
125
112,5
-
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
57 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
8
Overstromingsrisicoparagraaf
Voor het wijzigen van een omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) is het vereist om een “Overstromingsrisicoparagraaf” op te nemen wanneer er sprake is van een overstromingsrisico doordat het plangebied binnen een “overstroombaar gebied” ligt. Als er gebouwd wordt in dijkringgebieden, verplicht de Provincie Overijssel in het omgevingsplan een overstromingsrisicoparagraaf op te nemen. Deze paragraaf heeft aandacht voor voorzieningen die zorgen dat er bij een overstroming minder slachtoffers vallen en dat de schade beperkt blijft.
8.1
Risico-inventarisatie overstroming plangebied
Het plangebied ligt in een risicogebied. Het betreft beschermd gebied langs een hoofdwatersysteem, namelijk de IJssel. Voor alle primaire keringen zijn normen opgesteld. Deze normen zijn gebaseerd op de kans op overstromen en de gevolgen van een overstroming. Ze zijn als omgevingswaarde in het Besluit kwaliteit leefomgeving vastgelegd. Voor dijktrajecten 53-2 geldt de omgevingswaarde van 1/3000 per jaar. De overstromingskans wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving als onderdeel van de Omgevingswet toegelicht als: ‘kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject, waardoor het door het dijktraject beschermde gebied zodanig overstroomt, dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade’. Via de site: https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/mijn-waterrisicoprofiel kan per locatie in Nederland het waterrisicoprofiel worden bepaald. Hieruit blijkt dat er een zeer kleine kans bestaat tot een overstroming waarbij de waterdiepte groter is dan 2 meter. Wanneer dit scenario optreedt, is de stijgsnelheid van het water 0,25 m per uur. In Figuur 8-1 is het waterrisicoprofiel weergegeven. In Figuur 8-2 en Figuur 8-3 zijn de waterdiepte en de stijgsnelheid van het water zichtbaar.
De combinatie van de zeer kleine kans dat een overstroming plaatsvindt met een waterdiepte groter dan 2 meter en de bijbehorende stijgsnelheid van het water, zorgt ervoor dat de kans op slachtoffers zeer klein is. In geval van een dergelijke overstroming kan wel schade aan woningen en infrastructuur ontstaan. Deze kans is voor het plangebied kleiner dan voor de omliggende omgeving. Het plangebied ligt hoger dan de directe omgeving.
Figuur 8-1: Risicoprofiel vanuit de klimaateffectatlas voor het plangebied
Figuur 8-2: Waterdiepte extreem kleine overstromingskans
58
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Figuur 8-3: Stijgsnelheid waterrisicoprofiel (https://basisinformatieoverstromingen.nl/#/scenarios/6/13374?center=52.47137,6.07473&zoom=15) Tabel 8-1: Overstromingsscenario's ter plaatse van het plangebied Naam van het scenario
LIWO url
Neerslag eens per 10 jaar
Link
0.10
1/ 6.8
Neerslag eens per 100 jaar
Link
0.15
1/ 67
Dijkring 53 - Salland_Zwolle Zuidwest_kans 1 op 12500
Link
0.28
1/ 560
Neerslag eens per 1000 jaar
Link
0.30
1/ 590
Dijkring 53 - Salland_Wijhe_kans 1 op 12500
Link
0.43
1/ 4200
Dijkring 53 Salland_Windesheim_kans 1 op 12500
Link
0.53
1/ 5200
Dijkring 53 - Salland_Olst_kans 1 op 12500
Link
1.67
1/ 9200
geëxtrapoleerd 1/10000
Link
1.68
1/ 10000
geëxtrapoleerd 1/30000
Link
1.75
1/ 30000
geëxtrapoleerd 1/100000
Link
1.83
1/ 100000
8.2
Waterdiepte in meter
Overschrijdingskans per jaar
Maatregelen
Binnen het plangebied zijn verschillende maatregelen van toepassing om het waterveiligheidsrisico te beperken. Maatregelen die wateroverlast en het overstromingsrisico verminderen zijn onder andere: • Het in acht nemen van regels vanuit de keur van WDOD. De bebouwing blijft buiten het profiel van vrije ruimte, waardoor toekomstige dijkverbeteringen mogelijk blijven en de huidige waterveiligheid gewaarborgd is. • Binnendijks ontstaat kwel in geval van hoogwaterstand in de IJssel; zonder maatregelen kan dit resulteren in (grond)wateroverlast (volle kruipruimtes, natte tuinen). Door de aanleg van een Drainage-Transportriool wordt de situatie beheersbaar door het afvoeren van de kwel. Bij normale IJsselstanden is er geen sprake van kwel en functioneert het systeem als opvang en infiltratie van regenwater. Het systeem voert dan alleen af naar het oppervlaktewater als het systeem gevuld raakt door hevige of langdurige neerslag om zo water op straat te voorkomen. Binnen de zoneringen van de kering worden geen kelders gerealiseerd. • De kering rondom het plangebied voldoet ruim aan de eis vanuit de Omgevingswet. Wanneer in het uiterste geval een overstroming ontstaat door een dijkdoorbraak elders in de dijkring, dan kunnen de bewoners vanuit het plangebied vluchten naar de kering. Deze kering is voldoende hoog en stabiel om slachtoffers te voorkomen.
Omdat bovenstaande maatregelen reeds voldoende waarborgen bieden, zijn geen aanvullende maatregelen bovenop de bestaande noodzakelijk.
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
59 van 49
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
9
Conclusie
Sinds 2023 wordt er onderzoek gedaan naar de herontwikkeling van het terrein van de IJsselcentrale voor woningbouw. In Nederland is er een tekort aan woningen en op dit perceel rust al een woonbestemming. Reales Projecten wil hier graag woningen realiseren en streeft daarbij naar een goede balans tussen woningbouw en waterveiligheid. Als onderdeel hiervan heeft Reales het initiatief genomen om het leggerprofiel en het Profiel van Vrije Ruimte (PVVR) te actualiseren volgens de huidige normen. Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) heeft het jaar 2125 als zichtjaar vastgesteld, met een ontwerpperiode van 100 jaar. Voor dijkverbeteringen in grond geldt normaal gesproken een ontwerpperiode van 50 jaar. Met de langere ontwerpperiode wil WDOD voldoende ruimte reserveren voor toekomstige dijkversterkingen. Arcadis heeft het leggerprofiel en PVVR berekend op basis van de geldende richtlijnen en de actuele geometrie van de waterkering. Hiervoor zijn stabiliteitsberekeningen uitgevoerd met D-Stability en pipingberekeningen met Sellmeijer en D-GeoFlow. De berekeningen zijn gebaseerd op gegevens uit het dijkversterkingsproject IJsselwerken zoals buitenwaterstanden, geotechnische sterkteparameters, locatiespecifieke grondonderzoeken en data uit het geohydrologisch model. Deze gegevens zijn aangevuld met lokaal onderzoek dat is uitgevoerd in het plangebied.
Zowel voor de faalmechanismes stabiliteit als piping voldoen de berekende leggerprofielen aan de vereiste veiligheid voor zichtjaar 2125 op basis van de huidige kennis en inzichten. Hierdoor is de kans dat in de nabije toekomst een dijkverbetering nodig is klein. Daarnaast is in het waterhuishoudkundig plan rekening gehouden met de kwel die ontstaat als gevolg van hoge rivierwaterstanden in de IJssel. Binnen het plangebied wordt het huidige maaiveld naast de kering opgehoogd en wordt een IT-riool aangelegd om overtollig water af te voeren en te voldoen aan de vereiste drooglegging met betrekking tot de inrichting van het terrein. Er is ook gekeken naar de mogelijke effecten van nieuw beleid dat momenteel wordt ontwikkeld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Uitgangspunt van dit beleid is dat het PVVR gelijk moet zijn aan het dijkontwerp met een ontwerpperiode van 100 jaar, waarbij wordt voldaan aan de normering. Een robuustheidstoeslag mag alleen worden toegepast met een duidelijke motivatie. Een cumulatie van robuustheidstoeslagen is niet toegestaan. Het berekende leggerprofiel en PVVR voldoen ruimschoots aan deze voorwaarden. Dit komt mede door de robuustheidstoeslagen, zoals het toepassen van een schematiseringsfactor, de eis dat de veiligheid niet mag afnemen en een extra ruimtereservering van 1m boven het leggerprofiel.
Het voorgestelde leggerprofiel en PVVR voldoen volledig aan de huidige en toekomstige veiligheidsnormen, inclusief de robuustheidseisen en extra reserveringen. Dit biedt een solide basis voor zowel woningbouw als waterveiligheid in het gebied. Ook in de toekomst is er voldoende ruimte beschikbaar voor eventuele dijkversterkingen.
60
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Bijlage A Verhardingshoeveelheden uitgesplitst
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
61 van 49
B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B8 B9 B10 B10 bestaand B11
1.138 35 406 369 100 -
G1 G1b G2 G3 G3b G4 G4b G5 G5b G5b bestaand G6 G7 G7b G8 G8 bestaand G8c G8c bestaand Totaal
994 1.780 237 380 1.256
NATUURBLOKKEN 588 1.242 1.407 375 -
KLIMAATPARK
DE CENTRALE
UITSPANNING
Bebouwd
Half verhard
Verhard
Bebouwd
Half verhard
Verhard
Bebouwd
Half verhard
Verhard
Half verhard
Verhard
Bebouwd
Verhard
Half verhard
Oppervlakte overzicht bebouwd en verhard Nieuw Harculo datum: 13-05-2024
ENTREE
1.967 689 1.871 1.857 2.651 3.118 1.212 1.208 2.446
1.016 991 1.027
2.432 2.460 3.736 2.924 -1.631
887 -362
3.414 -3.415 640
277
1.058 1.170 -1.750 -692 1.810 1.118
360 -467 170 170
390 1.394 1.400 451 739 -463 984 792 681 6.153 -2.130
6.695 10.697
4.002
12.153 12.153
3.245 3.245
-
-
1.543 -2.399
495 -
376 2.138
11.346
5.548 16.894
8.628 8.628
1.569
-331 1.238
494 494
WATERVEILIGHEID EN WATERHUISHOUDKUNDIG PLAN NIEUW HARCULO
Bijlage B Gevoeligheidsanalyse ‘Drainage- en opbollingsberekening Nieuw Harculo’
62
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-3748:2.0 - Datum: 12 maart 2026 - Internal
Memo
ONDERWERP
PROJECTNUMMER
Drainage- en opbollingsberekening Nieuw Harculo
30199276
DATUM
ONZE REFERENTIE
28 mei 2025
5DYPZFHQQ2R3-373810282-2778:3.0
VAN
Sebastian Huizer en Ruud Kloosterman
Aanleiding Op het terrein van de voormalige IJsselcentrale Harculo is het plan om woningbouw te ontwikkelen (Figuur 1). Reales ontwikkelt hier de komende jaren een klimaatbestendig en duurzame woonwijk onder de naam ‘Nieuw Harculo’. Om inzicht te krijgen in de robuustheid van het ontworpen drainagesysteem bij hoge waterstanden in de IJssel is een geohydrologisch (model)onderzoek uitgevoerd. In deze memo zijn de uitgangspunten en resultaten van de uitgevoerde drainage- en opbollingsberekening beschreven.
Figuur 1 Interessegebied Nieuw Harculo (groen) en modelgebied (oranje) en woningbouw (zwart omcirkeld)
Uitgangspunten model Omdat het geohydrologische systeem op de planlocatie complex is, is een 3-dimensionale (3D) modelberekening uitgevoerd om een betrouwbaar en volledig inzicht te kunnen geven. Hiervoor is een (stationair) grondwatermodel ontwikkeld van 6 bij 6,8 km (Figuur 1), met een celgrootte van 20 x 20 m. Bij de definiëring van de randen van het modelgebied zijn de grenzen zo gekozen, dat een betrouwbare uitspraak kan worden gedaan over de invloed in het interessegebied. Dit betekent dat het model voldoende groot is gekozen om de invloed van modelrandvoorwaarden op de grondwaterberekeningen te minimaliseren (tot een verwaarloosbaar effect). De modelberekeningen zijn uitgevoerd met de modelcode MODFLOW 6.
Arcadis Nederland B.V., Amsterdamseweg 13, 6814 CM Arnhem
T +31 (0)88 4261 261
www.arcadis.com
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504 - Internal
De schematisatie van de ondergrond van het model is gebaseerd op boringen en sonderingen in en rondom het interessegebied, en het landelijke hydrogeologisch model REGIS II (v2.2.2). De geohydrologische interpretatie en laagindeling van dit model is samengevat in Tabel 1. Tabel 1 Bodemopbouw en geohydrologische interpretatie ter plaatse van het interessegebied Laag Top Basis Formatie Lithologie Type* KH (m NAP) (m NAP) (m/d)
KV (m/d)
1
2
-0,8
Holoceen
fijn tot matig grof zand, klei
DKL
2,5
0,5
2
-0,8
-1,8
Boxtel
fijn zand
WVL
7
0,7
3
-1,8
-11
Kreftenheye
grof zand, grindig
WVL
60
6
4
-11
-11,5
Kreftenheye
klei (Zutphen)
SDL
0,4
0,04
5
-11
-35
Kreftenheye
grof zand, grindig
WVL
60
6
6
-35
-50
Kreftenheye
Klei (Twello)
SDL
0,004
0,0004
7 (12)
-50
-79
Gestuwd
fijn zand, kleilagen
CX
30
6
8 (13)
-79
-79,5
Peize & Waalre
grof zand, grindig
CX
60
6
9 (14)
-79,5
-101
Peize
fijn zand, kleilagen
WVL
6,5
0,04
10 (15)
-101
-108
Peize & Waalre
grof zand, grindig
WVL
22
2,2
11 (16)
-108
-109
Maassluis
fijn zand
WVL
11
1,1
Maassluis
klei
GHB
0,004
* Geohydrologische interpretatie: DKL = deklaag, CX = complexe eenheid, WVL = watervoerende laag, SDL = scheidende laag, GHB = geohydrologische basis van het model
De samenstelling en doorlatendheid van de Holocene deklaag is onderzocht aan de hand van boringen (Figuur 2). Hierbij gaat het zowel om openbaar beschikbare boringen in en nabij het plangebied (BROloket: B27E0147, B27E0148, B27E0149, B27E204, B27E0071) en boringen en sonderingen die zijn uitgevoerd in het kader van het project. Uit de boor- en sondeergegevens volgt dat binnendijks geen doorlopende kleilaag aanwezig is in de deklaag (tot ca. 3 m – mv), en dat de deklaag bestaat uit zeer fijn tot matig grof zand, met lokaal zandige klei.
Figuur 2 Boringen in het plangebied (gestippeld: zand, gestreept: klei). Voor de locatie van de boringen zie Figuur 5
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-2778:3.0 - Datum: 28 mei 2025 - Internal
2 van 11
De doorlatendheid van de deklaag is bepaald op basis van een infiltratiemetingen, die in een voorgaand project zijn uitgevoerd nabij boorlocaties 1 t/m 4 (Figuur 2). Uit deze infiltratiemetingen volgde een verticale doorlatendheid van 0,2 tot 8,6 m/d. Op basis van het gemiddelde van alle uitgevoerde infiltratiemetingen is de horizontale doorlatendheid van de deklaag geschat op 2,5 m/d, en de verticale doorlatendheid op 0,5 m/d. Voor meer informatie over de uitgevoerde infiltratiemeting verwijzen we naar het rapport ‘Ontwerptoelichting Waterhuishouding Nieuw Harculo, d.d. 13 mei 2024’. Voor de overige modelparameters en randvoorwaarden is het volgende aangenomen of gehanteerd: • De stijghoogten ter plaatse van de modelranden zijn in alle watervoerende modellagen vastgelegd met behulp van isohypsen, die zijn gegenereerd op basis van metingen uit 2015 met grondwatertools.nl. • Voor de grondwateraanvulling (op onverhard terrein) zijn twee varianten gehanteerd, gebaseerd op metingen van het KNMI-neerslagstation in Zwolle: – De gemiddelde langjarige grondwateraanvulling is ca. 0,82 mm per dag. – De gemiddelde neerslag in de periode van oktober 2023 t/m januari 2024: ca. 5 mm per dag. • Voor het peil van de IJssel is uitgegaan van de door het waterschap (WDOD) aangeleverde waterstanden die ter hoogte van gemaal Harculo zijn gemeten (Figuur 3).
• Voor de schematisatie van het oppervlaktewatersysteem is uitgegaan van de legger en peilgebieden van het Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) en Waterschap Vallei en Veluwe. • Voor de bodemweerstand van het oppervlaktewatersysteem is uitgegaan van 2 dagen. • De schematisatie van buisdrainage is overgenomen uit de Buisdrainagekaart 2015 (Alterra WUR).
Figuur 3 Gemeten grondwaterstanden (in cm t.o.v. NAP) in Peilbuis 01 t/m 04 en de gemeten waterstand van de IJssel ter hoogte van gemaal Harculo over de periode oktober 2023 t/m september 2024. Voor de locatie van de peilbuizen zie Figuur 5.
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-2778:3.0 - Datum: 28 mei 2025 - Internal
3 van 11
Kalibratie Het stationaire grondwatermodel is gekalibreerd op basis van openbare peilbuisgegevens (i.e. DINOloket / BROloket) en de gemeten grondwaterstanden in de (project)peilbuizen 01 t/m 04 (zie Figuur 3). De kalibratie is uitgevoerd op de gemeten gemiddelde grondwaterstand en stijghoogte. Het eindresultaat van de stationaire kalibratie – voor het hele modelgebied – is weergegeven in Figuur 4. De gemiddelde afwijking tussen de gemeten en berekende gemiddelde stijghoogte (ME) is 0,103 m en de absoluut gemiddelde afwijking (MAE) 0,467 m. Op de meeste locaties komt de berekende stijghoogte naar benadering goed overeen met metingen. Echter, er zijn ook een aantal duidelijk (grote) uitschieters te zien, die zijn onder te verdelen in 2 groepen. Deze groepen zijn met oranje aangeduid in Figuur 4: 1. Peilbuizen in de stuwwal (gelegen ten zuidwesten van Hattem) 2. Peilbuizen op korte afstand van het Pompstation Het Engelse Werk Voor de peilbuizen die gesitueerd zijn op de stuwwal ten zuidwesten van Hattem is de gemeten stijghoogte enkele meters hoger dan berekend, dit komt naar verwachting door de aanwezigheid van kleischotten die niet afzonderlijk zijn opgenomen in het model. De peilbuizen die op korte afstand van het pompstation Het Engelse Werk gelegen zijn worden sterk beïnvloedt door de (grote) drinkwaterwinning.
Voor beide groepen geldt dat ze zich op relatief grote afstand van het plangebied bevinden, met een filter in het gestuwd complex of net daaronder (in modellaag 12 en 13), dat de (grote) afwijking tussen de gemeten en berekende stijghoogte te verklaren is en een kleine tot verwaarloosbare invloed hebben op de rekenresultaten in het plangebied.
.
Stuwwal (kleischotten)
PS Het Engelse Werk Figuur 4 Eindresultaat stationaire kalibratie voor het volledige modelgebied
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-2778:3.0 - Datum: 28 mei 2025 - Internal
4 van 11
Als aanvullende controle van de betrouwbaarheid van het model, is het model doorgerekend voor de hoogwatersituatie, die is opgetreden in de winter van 2023-2024 (zie Figuur 3). Dit was naar benadering een T10 situatie, met een waterpeil in de IJssel (nabij de planlocatie) van +3,46 m NAP. De gemiddelde grondwateraanvulling tijdens deze periode - oktober 2023 t/m januari 2024 – was 5 mm per dag. De berekende (stationaire) grondwaterstand is vergeleken met de gemeten maximale grondwaterstand in de periode van oktober 2023 t/m januari 2024. Het resultaat is weergegeven in Figuur 5. Hieruit volgt dat de afwijking van de berekende (maximale) grondwaterstand met de meting varieert van +0,12 (te laag / te droog) tot -0,09 (te hoog / te nat). Dit is een relatief kleine afwijking, en dit laat zien dat het model ook betrouwbare resultaten geeft bij hoogwatersituaties.
Positief = de berekende grondwaterstand is te laag (te droog) Negatief = de berekende grondwaterstand is te hoog (te nat) Figuur 5 Bovenaanzicht met de projectpeilbuizen 01 t/m 04 met de afwijking van het model van de gemeten maximale grondwaterstand in de periode oktober 2023 t/m januari 2024.
Uitgangspunten ontwerp Op basis van het stedenbouwkundig ontwerp en de ontwateringsgebieden dat is weergegeven in Figuur 6 is het grondwatermodel doorgerekend. Hierbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Ter plaatse van de IT-riolering (blauwe lijn) en onder wadi’s/ greppels (oranje lijn) is drainage aanwezig. • De ontwateringshoogte van de drainage varieert van +1,8, +2,0 tot +2,2 m NAP (zie Figuur 6). • Het IT-riool heeft een diameter van 600mm. In het model is overal met een drain van 300 mm gerekend en een drainageweerstand van 2 dagen. • De bestaande sloot in het oosten van het plangebied wordt aangepast, het peil blijft ongewijzigd • Het maaiveld in het plangebied wordt opgehoogd naar +2,9 m NAP. N.B. naar aanleiding van de berekeningsresultaten is een aanvullende ophoging van de dijkwoning tot +3,6 m NAP en aanliggende wegen van +3,40 m NAP voorzien. • Voor de grondwateraanvulling in het plangebied is aangenomen dat 50% onverhard terrein is. • Bij hoge grondwaterstanden wordt neerslag op verhard terrein niet via de bodem afgevoerd.
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-2778:3.0 - Datum: 28 mei 2025 - Internal
5 van 11
Figuur 6 Ontwateringsgebieden (drainage) op stedenbouwkundig plan, d.d. 24 november 2024 In Figuur 7 is voor de volledigheid het afwaterings- en waterbergingssysteem op het stedenbouwkundig plan weergegeven. Te zien is dat regenwater van verhardingen via IT-riolen, bermen en wadi’s worden opgevangen. De wadi’s en hebben een overloop op het IT-riool om uiteindelijk over te lopen naar de verbrede watergang. Een stuw zorgt ervoor dat er voldoende regenwater wordt vastgehouden zonder dat het bestaand watersysteem zwaarder wordt belast. Bij extremen (>bergingsnorm) kan de kolk via een bestaande duikerverbinding worden ingezet. Het IT-riool kent interne stuwdrempels om regenwater zoveel mogelijk te laten infiltreren, bij hoge IJsselstanden zorgen de stuwdrempels in het IT-riool voor voldoende ontwatering (zie Figuur 6) in combinatie met de ophoging van het plangebied.
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-2778:3.0 - Datum: 28 mei 2025 - Internal
6 van 11
Figuur 7 Afwatering en Waterbergingssysteem op stedenbouwkundig plan, d.d. 24 november 2024
Onze referentie: 5DYPZFHQQ2R3-373810282-2778:3.0 - Datum: 28 mei 2025 - Internal
7 van 11
Resultaten Om inzicht te krijgen in de robuustheid van het ontworpen drainagesysteem zijn verschillende hoogwatersituaties doorgerekend, met twee varianten voor de grondwateraanvulling: 1. Gemiddeld IJsselpeil (+0,70 m NAP), met gemiddelde neerslag 2. Gemiddeld IJsselpeil (+0,70 m NAP), met 5 mm/dag aan neerslag 3. IJsselpeil in een T10 hoogwatersituatie (+3,46 m NAP), met gemiddelde neerslag 4. IJsselpeil in een T10 hoogwatersituatie (+3,46 m NAP), met 5 mm/dag aan neerslag 5. IJsselpeil in een T30 hoogwatersituatie (+3,86 m NAP), met gemiddelde neerslag 6. IJsselpeil in een T30 hoogwatersituatie (+3,86 m NAP), met 5 mm/dag aan neerslag 7. IJsselpeil in een T100 hoogwatersituatie (+4,17 m NAP), met gemiddelde neerslag 8. IJsselpeil in een T100 hoogwatersituatie (+4,17 m NAP), met 5 mm/dag aan neerslag De resultaten van 8 doorgerekende combinaties van het IJsselpeil en de grondwateraanvulling zijn samengevat in Tabel 2. Voor de T10, T30 en T100 hoogwatersituatie in combinatie met hoge neerslag (5 mm/d) zijn ook de berekende isohypsenkaarten weergegeven (Figuur 8, Figuur 9 en Figuur 10). Tabel 2 Berekende grondwaterstand (west - oost) en het berekende afvoerdebiet in het plangebied (Nieuw Harculo) Variant
Peil IJssel (m NAP)
Grondwaterstand* (m NAP)
Afvoerdebiet drainage (m³/d)
Gem. IJsselpeil + gem. neerslag
+0,70
+0,78 tot +0,73 tot +0,7
-
Gem. IJsselpeil + neerslag 5 mm/d
+0,70
+0,95 tot +0,92 tot +0,9
-
T10 IJsselpeil + gem. neerslag
+3,46
+2,7 tot +2,3 tot +1,9
305
T10 IJsselpeil + neerslag 5 mm/d