CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Schriftelijke bijdrage Roetert en Cornelissen - CE_Delft_230260_Scenariostudie_groengasproductie_rond_2030_Def

Raad Rondetafelgesprek 6 januari 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Ontwikkeling Groen Gas installatie mestvergister21.046 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Gebruik van mest Met circa 75% komt het grootste deel van de runder- en varkensmest in Nederland vrij in de stal, de rest belandt in de wei. In theorie kan die stalmest worden gebruikt in vergisters. Vooral grotere melkveehouders kunnen ervoor kiezen om dat zelf te doen. Veehouders die mest moeten afvoeren kunnen ook aan een vergister leveren maar of dat in de praktijk ook gebeurt hangt af van veel factoren. Bij centrale monovergisting of co-vergisting is verwerking van digestaat bijna altijd noodzakelijk om een haalbare businesscase te creëren. Ook de prijs speelt een belangrijke rol: Zodra betaald gaat worden voor mest kan een groot deel van die 75% beschikbaar komen voor vergisting, maar als veehouders meer dan € 20/ton moeten betalen om van hun mest af te komen zal slechts weinig mest in een vergister belanden. Overheden zijn soms ook terughoudend in het toestaan van de aanvoer van mest vanwege de extra vervoersbewegingen en omdat mesttransporten gevoelig zijn voor fraude. Stijgende groengasprijzen onder een bijmengverplichting die stuurt op CO2-reductie kunnen een gunstig effect hebben op de inzet van mest in vergisters maar zolang niet duidelijk is hoe die prijzen zich ontwikkelen zijn deze projecten niet financierbaar. Om die periode te overbruggen kan een adequate SDE++-regeling helpen om die projecten alsnog financierbaar te maken.

Tot slot is er een relatie met de stikstofcrisis en vergunningverlening; veehouders die gebruik maken van de combinatie dag-/uurontmesting, vergisten en strippen leveren in theorie een belangrijke bijdrage aan het terugdringen van de stikstofuitstoot. Deze reductie kan pas worden meegewogen bij de vergunningverlening zodra die in de praktijk gevalideerd is. Meetprogramma’s daarvoor zijn recent ingezet maar kennen een doorlooptijd van meerdere jaren. Daarna zouden deze projecten eenvoudiger vergund kunnen worden en kan de bijdrage van groengas uit mest verder toenemen.

27

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Gebruik van landbouwgras en energie-, rust- en wisselgewassen Ten opzichte van de berekende economische beschikbaarheid van Nederlandse biogrondstoffen in CE Delft (2020) is de economische beschikbaarheid van landbouwgras teruggebracht van 15% naar 5% van het technisch potentieel, omdat dit gras in principe wordt gebruikt als veevoer, maar de bijmengverplichting wel ertoe kan leiden dat een deel gaat worden ingezet als feedstock voor groengasproductie. Eenzelfde redenering is gevolgd voor energie-, rust- en wisselgewassen: Een akkerbouwer kan kiezen om gewassen te telen voor de productie van energie of voor andere toepassingen zoals bouwmaterialen. De prijs die bepaalde toepassingen kunnen betalen voor de biomassa zullen bepalend zijn voor waar het naar toegaat. De Nationale Aanpak Biobased Bouwen zet in op de teelt van vezelgewassen voor toepassing als grondstof in de bouw, bijvoorbeeld voor isolatie- en plaatmateriaal, gebruik van lignine als vervanging voor bitumen in asfalt en biocomposiet (gemaakt uit vezels en harsen) voor de vervanging van beton. De Nationale Aanpak bevat doelen voor 2030, maar hier zijn geen verplichtingen aan verbonden. De relatief hoge kosten van geteelde biogrondstoffen in relatie tot de beperkte CO2reductie zetten een rem op de inzet voor groengasproductie.

Geteelde biogrondstoffen kunnen echter ook meervoudig verwaard worden door bijvoorbeeld eerst biogas te winnen en vervolgens de vezels te gebruiken. Bovendien zullen groengasprijzen naar verwachting stijgen, waardoor geteelde biogrondstoffen betaalbaarder worden. Daarom is ingeschat dat maximaal 83 miljoen m³ groengas per jaar uit landbouwgras, energie-, rust- en wisselgewassen zal komen.

Afzetmarkten biogrondstoffen Bij de inschatting van de economische beschikbaarheid van biogrondstoffen voor groengas wordt rekening houden met andere toepassingen. De percentages economische beschikbaarheid van biogrondstoffen die we toepassen in de scenarioanalyse zijn weergegeven in Tabel 9. Deze percentages zijn gebaseerd op (CE Delft, 2020). Hiernaast zijn correcties toegepast op mest vanwege krimp van de veestapel en rwzi-slib, zoals toegepast in (CE Delft, 2023). De toepassing van aandelen economische beschikbaarheid van het technische potentieel voor groengasproductie is in lijn met het Nederlandse duurzaamheidskader voor de inzet van biogrondstoffen uit 2020 van de SER, dat aangeeft in welke toepassingen biomassa het beste kan worden ingezet. De inzet van biogrondstoffen voor de productie van warmte staat lager op de ‘maatschappelijkewaardeladder’ dan voedsel en veevoer, materialen, grondstoffen voor de industrie en brandstoffen voor zwaar transport (SER, 2020). Dit rechtvaardigt ook de hantering van de relatief lage aandelen economische beschikbaarheid in Tabel 9. Groengas kan echter ook ingezet worden als grondstof in de chemische industrie, wat een hoogwaardige toepassing is. Tabel 9 – Percentages economische beschikbaarheid biogrondstoffen zoals toegepast in de scenarioanalyse, gebaseerd op

28

Biogrondstof

Aandeel economisch beschikbaar voor groengasproductie

Gft en ONF

34%

Rwzi-slib

75%

Natuurgras

15%

Houtige biomassa uit natuur

38%

Mest (rund en varken)

75%

Stro

34%

Nevenstromen akkerbouw

17%

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Biogrondstof

Aandeel economisch beschikbaar voor groengasproductie

Nevenstromen VGI

42%

Afvalhout huishoudens

40%

Landbouwgras; energie-, rust- en wisselgewassen

5%

Noot: Gft = groente-, fruit- en tuinafval; ONF = organische natte fractie van restafval; VGI = voedings- en genotmiddelenindustrie Bron: (CE Delft, 2020).

5.3

Economisch groengaspotentieel Het uitgangspunt voor de inschatting van het economisch groengaspotentieel uit Nederlandse biogrondstoffen is het technische groengaspotentieel, dat wil zeggen de fysieke beschikbaarheid van biogrondstoffen in Nederland. We gaan uit van het technisch groengaspotentieel zoals ingeschat in (CE Delft, 2020). Het technisch potentieel is hier geschat op 5.082 miljoen m3 groengasequivalenten, uitgaande van vergisting (en vergassing in geval van hout). De economische beschikbaarheid van Nederlandse biogrondstoffen voor groengasproductie, zoals bepaald in deze studie, staat in Tabel 10. Dit telt op tot een totaal van 1,51 bcm groengasequivalenten per jaar, uitgaande van vergisting en thermische vergassing van houtige biomassa. Dit betekent dat ongeveer 30% van de technische beschikbaarheid van biogrondstoffen in Nederland is ingeschat economisch beschikbaar te zijn voor groengasproductie. Dit is een schatting; de ontwikkeling van biogrondstofprijzen, betalingsbereidheid en concurrentie tussen toepassingen zijn onzeker. De aanname dat een beperkt deel van de technisch beschikbare biogrondstoffen economisch beschikbaar zijn voor groengasproductie is in lijn met het Nederlandse duurzaamheidskader voor de inzet van biogrondstoffen uit 2020 van de SER, dat aangeeft in welke toepassingen biomassa het beste kan worden ingezet.

De inzet van biogrondstoffen voor de productie van warmte staat lager op de ‘maatschappelijke-waarde-ladder’ dan voedsel en veevoer, materialen, grondstoffen voor de industrie en brandstoffen voor zwaar transport (SER, 2020). Ook in de afvalhiërarchie van het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) is aangegeven dat afvalstromen zoals biogene reststromen bij voorkeur moeten worden gerecycled en als grondstof worden gebruikt. Op basis van de resultaten van de analyse in (CE Delft, 2020) waarin ook de beschikbaarheid per postcode4-gebied is ingeschat, is de economische beschikbaarheid van mest en andere biomassa (anders dan mest en hout) bepaald. Dit is weergegeven in Figuur 2. Ook hier komt de relatief hoge beschikbaarheid van mest duidelijk naar voren. Friesland, Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant zijn de provincies met de grootste hoeveelheden mest. In Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland is de hoeveelheid beschikbare mest vergelijkbaar met de hoeveelheid beschikbare andere biomassa; in de andere provincies is de hoeveelheid mest duidelijk groter.

29

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Tabel 10 – Schatting van economische beschikbaarheid biogrondstoffen in Nederland voor deze studie, op basis van vergisting (en vergassing van hout) Biogrondstofcategorie

Economische beschikbaarheid (miljoen m3 groengaseq./jaar)

GFT en ONF

55

Afvalhout huishoudens

76

Rwzi-slib

80

Natuurgras

36

Houtige biomassa natuur

28

Dunne mest (rund en varken)

677

Vaste mest (rund en varken)

78

Landbouwgras; energie-, rust- en wisselgewassen

83

Nevenstromen akkerbouw

56

Nevenstromen tuinbouw

14

Nevenstromen glastuinbouw

5

Nevenstromen VGI

318

Totaal

1.507

Mest

755

Hout

104

Andere biomassa

647

Figuur 2 – Economische beschikbaarheid mest, hout en andere biomassa per provincie

30

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

6 Scenarioanalyse 6.1

Introductie In dit hoofdstuk wordt de scenarioanalyse beschreven die de kern vormt van deze verkennende studie. Het startpunt voor het opstellen van de scenario’s is de identificatie van de belangrijkste onzekerheden rond locatie- en realisatiekeuzes voor investeerders in groengasinstallaties, op basis van de kwalitatieve informatie uit de marktconsultatie (Paragraaf 6.2). De scenario’s worden gepresenteerd in Paragraaf 6.3. De uitgevoerde scenarioanalyse lichten we toe in Paragraaf 6.4. De uitgevoerde scenarioanalyse is toegelicht in Paragraaf 6.4. De resultaten van deze analyse staan in Hoofdstuk 7.

6.2

Onzekerheden Uit de marktconsultatie en de afstemming met de provincies volgen de belangrijkste onzekerheden met betrekking tot de nationale ontwikkeling van groengasproductie. In Tabel 11 staat een overzicht hiervan. Deze onzekerheden kunnen invloed hebben op de ontwikkeling van het groengasvolume, maar ook op die van de verhouding tussen kleine en grote productie-installaties. Tabel 11 - Onzekerheden met betrekking tot ontwikkeling van groengasproductie in Nederland richting 2030

31

Onzekerheid

Toelichting

Vergunningverlening gemeentes en provincies

Met de Omgevingswet wordt vergunningverlening door gemeente en provincie een geïntegreerd proces. De doorlooptijd vanaf het moment van aanvragen kan vertraging opleveren door capaciteitsproblemen bij de omgevingsdiensten en is afhankelijk van eventuele lokale weerstand en beleid omtrent groengas.

Zeer groot

Stikstofruimte

Projecten die stikstof uitstoten mogen geen negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden. In de meeste provincies is geen ruimte voor extra stikstofuitstoot en is vergunningverlening alleen mogelijk indien gesaldeerd mag worden, dat wil zeggen, indien een netto-effect van een project op stikstofuitstoot mag worden opgegeven en deze negatief is. Mestvergistingsprojecten hebben waarschijnlijk een negatief netto-effect.

Zeer groot

Beschikbaarheid transportcapaciteit op het elektriciteitsnet

De doorlooptijd van het verkrijgen een elektriciteitsaansluiting en bijbehorende transportcapaciteit is onzeker vanwege de toename van netcongestie in Nederland. In veel provincies is op dit moment de capaciteit van het net beperkt en is er een reële kans dat grootgebruikers lange tijd niet aangesloten kunnen worden in de toekomst (VIVET, 2023). Alliander gaat ervan uit dat dit de komende tien jaar problematisch zal blijven.

Aanzienlijk

Mate van realisatie van vergassing

Het wel/niet realiseren van een enkele grote superkritische vergasser heeft een flinke impact op toekomstige volumes. De geplande superkritische vergasser in Delfzijl heeft bijv. een geschatte productie van 193 miljoen m3 groengas/jaar.

Aanzienlijk

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Indicatie impact op ontwikkeling groengasproductie

Onzekerheid

Toelichting

Indicatie impact op ontwikkeling groengasproductie

Groengasvraag transportsector en buitenland

Naast invoeding van groengas ten behoeve van de bijmengverplichting via GGE’s kan ook geleverd worden aan de mobiliteitssector middels HBE’s (hernieuwbare brandstofeenheden). Ook kunnen certificaten aan het buitenland verkocht worden, wat tot extra invoeding leidt maar niet bijdraagt aan de bijmengverplichting. Met name de ontwikkeling van de vraag naar bio-LNG is onzeker en kan bij grote stijging tot veel extra installaties leiden.

Aanzienlijk tot groot

Bijmengverplichting groengas

Zolang de bijmengverplichting groengas niet is vastgelegd in wetgeving en het ontwerp voor de periode vanaf 2030 onbekend is, is er bij ondernemers onzekerheid over de businesscase van groengasproductie. De hoogte van de buy-out (boete voor het niet voldoen aan de verplichting), de exacte regels voor de berekening van de behaalde broeikasgasreductie per m3 groengas en de hoogte van de verplichting na 2030 zijn nog niet gespecificeerd. Dit zorgt ervoor dat sommige ondernemers afwachten tot er meer zekerheid is of investeren in andere landen.

Beperkt tot aanzienlijk

Kleine vs. grote installaties

Grote installaties hebben schaalvoordelen en renderen momenteel beter dan kleine installaties en hiermee kan de doelstelling van de bijmengverplichting met grote stappen dichterbij komen. Aan de andere kant zijn Provincies over het algemeen meer gericht op kleine monomestvergisting en leidt monomestvergisting en gebruik van lokale biogrondstoffen tot een hogere CO2-reductie. Hiermee is onzeker hoe de verhouding tussen kleine en grote installaties zich zal ontwikkelen. Deze onzekerheid heeft geen directe invloed op de ontwikkeling van het groengasvolume.

Beperkt tot aanzienlijk

Noot: De impact van de onzekerheden is ingeschat op een nominale schaal met de categorieën ‘beperkt’, ‘aanzienlijk’, ‘groot’ en ‘zeer groot’.

6.3

Scenario’s Er zijn veel onzekerheden geïdentificeerd die invloed hebben op de ontwikkeling van groengasproductie (volumes en locaties) in Nederland richting 2030, zoals te zien in de vorige paragraaf. Daartussen zitten zowel onzekerheden die het nationaal productievolume van groengas beïnvloeden als onzekerheden die maken dat de verhouding tussen kleine en grote installaties anders wordt. Zowel het productievolume als de verhouding tussen kleine en grote installaties hebben consequenties voor de gasnetbeheerders en zijn als uitgangspunt genomen voor het ‘assenkruis’ die de scenarioruimte opspant. De onzekerheid over de groei van het nationaal productievolume is geconcretiseerd met het onderwerp ‘inpassingstraject’, waaronder veel onzekerheden samenkomen die van invloed zijn op deze groei. Deze scenarioruimte sluit aan bij het uitgangspunt dat de grootste onzekerheden centraal worden gesteld. Niet door de grootste onzekerheden als basis te nemen, maar door de belangrijkste gevolgen op de assen te zetten. De scenario’s kunnen daarom goed worden gebruikt om de mogelijke effecten op het gasnet te verkennen. In elk van de scenario’s pakken de onzekerheden anders uit en leiden tot een andere ontwikkeling.

32

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

We verwachten niet dat de onzekerheden leiden tot grote mogelijke variatie in de verhouding tussen provincies van aantallen installaties en groengasvolumes, omdat bestaande installaties en een groot deel van de geplande installaties al een locatie hebben en de voorkeur voor lokaal gebruik van biogrondstoffen tot spreiding van installaties leidt nabij lokaal aanbod. En hoewel provinciaal beleid een groot effect op de realisatie van nieuwe groengasinstallaties kan hebben, is de verwachting dat dit beleid niet sterk zal veranderen in de komende jaren. We hebben de volgende set scenario’s opgesteld: — A. Vooral grote nieuwe installaties en moeizaam inpassingstraject. — B. Vooral grote nieuwe installaties en soepel inpassingstraject. — C. Vooral kleine nieuwe installaties en moeizaam inpassingstraject. — D. Vooral kleine nieuwe installaties en soepel inpassingstraject. — E. Zowel kleine als grote nieuwe installaties en gestaag inpassingstraject (middenscenario). De scenario’s zijn gevisualiseerd in Figuur 3. Figuur 3 - Scenario’s voor de ontwikkeling van groengasproductie in Nederland rond 2030

6.4

Analyse In deze paragraaf worden de afbakening, opbouw, belangrijkste aannames van het scenariomodel dat we hebben opgesteld om de scenarioanalyse van groengasproductie richting 2030 uit te voeren. Daarnaast worden de detaillering van installaties uit de SDE-lijst en van nieuwe installaties toegelicht. Deze onderdelen beschrijven we achtereenvolgens hier-

33

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

onder. Een overzicht van model-inputs en aannames is opgenomen in Bijlage C. De resultaten van de scenarioanalyse worden gepresenteerd in Hoofdstuk 7.

Afbakening De scenarioanalyse is als volgt afgebakend: — De analyse is gericht op groengasproductie in Nederland rond 2030, dat wil zeggen, installaties die vlak na 2030 worden gerealiseerd tellen ook mee in de gerealiseerde groengasproductie in de analyseresultaten. — De ontwikkeling van groengasproductie wordt verkend van jaar tot jaar aan de hand van de vijf scenario’s. — Er wordt een beperkte lijst van omvangcategorieën en technieken gehanteerd (zie Hoofdstuk 2). — In het model wordt onderscheid gemaakt tussen individuele installaties, waarbij productievolume, productietechniek, provincie en Postcode4-niveau worden gespecificeerd. — In de analyse wordt gecheckt of er voldoende economisch beschikbare biogrondstoffen in Nederland zijn voor de groei van groengasproductie in Nederland, rekening houdend met aannames over import van biogrondstoffen uit het buitenland. — Productiekosten en prijzen van groengas en GGE’s zijn niet gemodelleerd. — De hoeveelheid CO2-eq.-reductie behorende bij de groengasproductie is niet gemodelleerd.

Opbouw en werking model Het scenariomodel dat is gebouwd voor de uitvoering van de scenarioanalyse is gebaseerd op het rekenmodel uit de vervolgstudie over de bijmengverplichting (CE Delft, 2023). Net als in het rekenmodel onderscheiden we in het scenariomodel voor deze studie een lijst met individuele groengasinstallaties, passen we ontwikkeltijden en realisatiekansen toe en checken we of er voldoende biogrondstoffen beschikbaar zijn voor groengasproductie. Ten opzichte van het model uit CE Delft (2023) hebben we scenario’s toegevoegd waartussen inputwaarden variëren, zijn resultaten uitgesplitst per provincie en is een gedetailleerder onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën installaties. Tot slot hebben we een aanpak toegevoegd waarmee nieuwe installaties waarvoor nog geen plannen zijn kunnen worden gespecificeerd (qua categorie en locatie) met behulp van verzamelde informatie over verschillende perspectieven (zie ‘detaillering nieuwe installaties’). De kosten- en CO2modellering uit het rekenmodel van CE Delft (2023) zijn niet meegenomen, omdat deze scenariostudie is gericht op groengasproductie volume en aantallen en locaties van installaties.

Naast het onderscheid tussen typen installaties en typen locaties wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën installaties: — Huidig: Dit zijn de al gerealiseerde installaties met een SDE-beschikking die momenteel al groengas invoeden op het gasnet. — Gepland: Dit zijn de installaties met een SDE-beschikking die nog niet gerealiseerd zijn. — Upgrade biogas: Dit zijn huidige vergisters waarbij het biogas momenteel niet wordt opgewaardeerd tot groengas. — Nieuw: Dit zijn nieuwe installaties die niet in de SDE-lijst staan. Een deel ervan komt uit de interviews met marktpartijen of gesprekken met netbeheerders, een ander deel bestaat uit hypothetische nieuwe installaties die onderdeel vormen van de scenarioanalyse. Met dit onderscheid tussen categorieën kunnen de analyseresultaten beter worden geduid.

34

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

In de analyse worden ontwikkeltijden en realisatiekansen toegepast, waarmee wordt nagebootst dat het tijd kost om nieuwe installaties te realiseren en dat niet alle projecten worden gerealiseerd. De realisatie van installaties en groengasproductie is hierdoor lager dan het totaal aan groengasprojecten in de meegenomen lijst van installaties. Voor deze studie zijn de ontwikkeltijden en realisatiekansen uit CE Delft (2023) bijgewerkt op basis van expertinschatting.

Aannames In de scenarioanalyse zijn de volgende belangrijke aannames toegepast (gedetailleerde aannames zijn opgenomen in Bijlage C): — huidige groengasinstallaties zijn nog steeds operationeel in 2030; — de mogelijkheid van uitbreiding in productiecapaciteit van bestaande installaties is niet meegenomen; — de groengasinstallaties zijn 8.000 uur per jaar operationeel.

Detaillering SDE-lijst RVO publiceert regelmatig een overzicht van alle installaties die een SDE-subsidie hebben verworven. De lijst van oktober 2023 is gebruikt om een beeld te krijgen van hoeveel installaties al draaien in Nederland en hoeveel in ontwikkeling zijn. Installaties waarvan de maximale looptijd van 12 jaar inmiddels is overschreden en die geen nieuwe beschikking hebben ontvangen zijn uit de lijst gefilterd. Deze lijst bestaat uit installaties die groengas, hernieuwbare warmte en/of elektriciteit produceren. Daarna is voor iedere installatie bepaald hoeveel groengas deze zou kunnen produceren. Aangenomen is dat alle installaties in 2030 groengas produceren.

Detaillering nieuwe installaties Hier beschrijven we de totstandkoming van de lijst met nieuwe groengasinstallaties die zijn meegenomen in de scenarioanalyse. Dit gaat om geïnitieerde groengasprojecten. Het aantal gerealiseerde installaties rond 2030 zal lager zijn. De totale lijst met installaties in het scenariomodel bestaat uit de installaties uit de SDElijst en nieuwe installaties die niet in de SDE-lijst staan. Deze laatste groep is onderverdeeld in vergassers, slibvergisters met opwaarderingsinstallatie, nieuwe installaties waar plannen voor zijn en nieuwe installaties waar geen plannen voor zijn. Voor wat betreft de nieuwe vergassers is uitgegaan van de inschatting uit CE Delft (2023). In combinatie met de vergassers uit de SDE-lijst zijn zeven vergassers opgenomen met een totale potentiële groengasproductie van 357 miljoen m 3/jaar, waarvan drie superkritische vergassers met een totale capaciteit van 245,5 miljoen m3/jaar en vier houtvergassers met een totale capaciteit van 111,5 miljoen m3/jaar. Voor wat betreft slibvergisters hebben we 54 slibvergisters bij rwzi’s opgenomen met een totale potentiële groengasproducie van 49 miljoen m3/jaar (zie Paragraaf 3.4). De opgenomen nieuwe installaties waar plannen voor zijn is gebaseerd op marktinformatie die we hebben verzameld in de interviews.

Dit gaat om dertien installaties met een totale potentiële groengasproductie van 413,7 miljoen m 3/jaar. De opgenomen vergassers, slibvergisters en installaties waarvoor plannen zijn worden niet gevarieerd tussen de scenario’s. De totale capaciteit aan installaties waarvoor geen plannen zijn varieert wel tussen de scenario’s. De volgende aanpak is gebruikt om deze te bepalen. Allereerst hebben we per

35

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

scenario een aanname gedaan van het totaal aan nieuwe plannen die in 2024 worden geïnitieerd als gevolg van de bijmengverplichting groengas en het totaal aan nieuwe plannen die als doel hebben om bio-LNG te produceren via de administratieve route (waarbij het groengas dus wordt ingevoed in het gasnet). Het eerste totaal is los gebaseerd op de bekende marktplannen, maar is onzeker en kan gezien worden als kernonderdeel van de scenarioanalyse. Het tweede totaal ten behoeve van bio-LNG maakt gebruik van de bandbreedte aan bio-LNG-productie die is ingeschat in CE Delft (2023) (zie Bijlage C). Vervolgens worden beide totalen bij elkaar opgeteld en wordt het totaal aan nieuwe installaties waarvoor al plannen zijn en de potentiële groengasproductie bij rwzi’s in mindering gebracht. Het (tussen)resultaat is de totaalcapaciteit aan nieuwe installaties waarvoor nog geen plannen zijn. Dit is weergegeven in Tabel 12. Tabel 12 – Totaalcapaciteit aan nieuwe installaties waarvoor nog geen plannen zijn in de scenarioanalyse Totaalcapaciteit (miljoen m3 groengas/jaar)

Scenario A. Vooral grote nieuwe installaties en moeizaam inpassingstraject

0

B. Vooral grote nieuwe installaties en soepel inpassingstraject

554

C. Vooral kleine nieuwe installaties en moeizaam inpassingstraject

50

D. Vooral kleine nieuwe installaties en soepel inpassingstraject

304

E. Zowel kleine als grote nieuwe installaties en gestaag inpassingstraject

179

De volgende stap in de detaillering van nieuwe installaties waarvoor nog geen plannen zijn is de allocatie van de totaalcapaciteit per scenario aan de vier typen omvangcategorieën, met behulp van een aangenomen verhouding tussen deze categorieën per scenario. Daarna worden de capaciteitswaarden per omvangcategorie gedeeld door een aangenomen typische omvang van een installatie uit deze omvangcategorie. Door afronding naar boven worden de aantallen installaties per omvangcategorie en scenario bepaald. Dit (tussen)resultaat is gepresenteerd in Tabel 13. De aangenomen verhoudingen en typische omvangwaarden staan in Bijlage C. Tabel 13 – Aantallen nieuwe installaties waarvoor nog geen plannen zijn en totale potentiële groengasproductie Scenario Aantal nieuwe installaties waarvoor nog geen plannen zijn

A

B

C

D

E

Klein

0

116

209

571

113

Middelklein

0

31

0

51

25

Middelgroot

0

12

0

7

4

Groot

0

12

0

0

3

Totaal

0

171

209

629

145

0

554

50

304

179

Totale potentiële groengasproductie van nieuwe installaties waarvoor nog geen plannen zijn (miljoen m3/jaar)

Noot: Dit betreft plannen van hypothetische nieuwe installaties. De realisatie is lager.

Tot slot specificeren we de locatie van individuele nieuwe installaties waarvoor nog geen plannen zijn. Dit doen we met behulp van een ‘provinciecheck’, waarin een kwalitatieve score is toegekend aan een aantal criteria voor het bepalen van de aantrekkelijkheid van de provincie als vestigingslocatie voor nieuwe installaties. De toekenning van scores is uitgevoerd met behulp van informatie van de Provincies over het beleidskader (zie Bijlage

36

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

D), geschikte haven- en bedrijventerreinen (Hoofdstuk 3), de analyse van biomassabeschikbaarheid (Hoofdstuk 5) en informatie over beschikbare capaciteit in het stroomnet (zie Bijlage E). Door scores op te tellen (waarbij de aanwezigheid van geschikte bedrijventerreinen het zwaarst weegt bij grote installaties en beschikbaarheid mest en beleidskader bij kleine installaties) is een indicatieve rangschikking van provincies opgesteld. Deze rangschikking is gebruikt om nieuwe installaties toe te delen aan provincies, waarbij provincies met de hoogste indicatieve score als eerste een nieuwe installatie krijgen toebedeeld. Hierbij wordt gecheckt of er voldoende lokale biomassa aanwezig is. Daarbij is rekening gehouden met provinciale beleidskaders op het gebied van energie en groengas, maar ook met het feit dat provincies juridisch gezien geen eisen kunnen stellen aan waar de biogrondstoffen vandaan komen die worden ingezet in installaties binnen de provincie. Dat is echter maar een deel van de puzzel: Provincies maken bij het beoordelen van vergunningen een integrale afweging waarbij ook andere aspecten zoals economie, landbouw en circulariteit een rol spelen. Die aspecten zijn niet meegenomen in dit onderzoek.

37

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

7 Resultaten In dit hoofdstuk worden de resultaten van deze studie gepresenteerd. In Paragraaf 7.1 staan de hoofdresultaten van de scenarioanalyse. In Paragraaf 7.2 zijn de trendlijnen van de ontwikkeling van groengasproductie over de tijd gepresenteerd. Paragraaf 7.3 bevat een gevoeligheidsanalyse. In Paragraaf 7.4 wordt ingegaan op het eventuele risico op lock-in bij de veehouderij als gevolg van de realisatie van mestvergisters. In Paragraaf 7.5 worden beleidsknoppen beschreven waarmee de ontwikkeling van groengasproductie kan worden beïnvloed. Tot slot wordt in Paragraaf 7.6 een doorkijk gegeven van de ontwikkeling van groengasproductie en -vraag in Nederland tussen 2030 en 2050.

7.1

Hoofdresultaten In deze paragraaf worden de hoofdresultaten van de scenarioanalyse besproken.

Aantallen installaties en groengasproductie op nationaal niveau De resultaten van de scenarioanalyse laten zien dat het aantal groengasinstallaties stijgt van 87 in 2023 naar 394 tot 695 installaties rond8 2030. Deze stijging wordt voor een groot deel veroorzaakt door geplande installaties die in de SDE-lijst staan en biogasinstallaties die opgewaardeerd worden tot groengasinstallaties (zie Figuur 4). Het aantal (resterende) nieuwe installaties varieert van 7 in Scenario A tot 413 in Scenario D. Het aantal kleine installaties (monomestvergisters) binnen de groep nieuwe installaties is het hoogst in Scenario D, conform het ontwikkelbeeld dat hoort bij dit scenario (zie Figuur 5).

________________________________ 8

‘Rond 2030’ kan worden gelezen als ‘2030 tot 2032’. In de scenarioanalyse worden installaties die worden gerealiseerd in 2032 meegenomen in de resultaten voor de situatie rond 2030.

38

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Figuur 4 - Aantal installaties per installatiecategorie rond 2030, per scenario

Toelichting scenario’s: A = Groot en moeizaam; B = Groot en soepel; C = Klein en moeizaam; D = Klein en soepel; E= Gebalanceerd en gestaag.

Figuur 5 - Nieuwe installaties per omvangcategorie rond 2030, per scenario

Toelichting scenario’s: A = Groot en moeizaam; B = Groot en soepel; C = Klein en moeizaam; D = Klein en soepel; E= Gebalanceerd en gestaag. Klein = tot 40 m³/uur; middelklein = 40 tot 400 m³/uur; middelgroot = 400 tot 2.500 m³/uur; groot is vanaf 2.500 m³/uur.

De afgegeven SDE- beschikkingen tellen op tot een nationale groengasproductie in 2023 van 323 miljoen m3. Daarnaast zijn er bestaande installaties die geen gebruik maken van een SDE-subsidie; de meeste daarvan staan op rwzi’s. Deze installaties kunnen 88 miljoen m³

39

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

groengas produceren in 2023 zonder SDE-subsidie. De gezamenlijke opgestelde productiecapaciteit bedraagt 411 miljoen m³/jaar. De daadwerkelijk geproduceerde hoeveelheid groengas in 2023 bedroeg 280 miljoen m³, waaruit we kunnen afleiden dat de installaties op 68% van hun vollast hebben gedraaid. De productie tot 2030 varieert tussen de scenario’s. De groengasproductie in 2030 varieert van 1,34 bcm/jaar (miljard kubieke meter per jaar) in Scenario A tot 1,82 bcm/jaar in Scenario B (Figuur 6). De hogere gerealiseerde productie in Scenario B is het resultaat van een hoger aantal nieuwe installaties waarvoor geen marktplannen zijn, maar ook van een hogere realisatiekans en kortere ontwikkeltijd, gerelateerd aan een soepeler inpassingstraject. De scenarioresultaten laten zien dat de doelstelling van de bijmengverplichting in Nederland in 2030 haalbaar is, ook als het inpassingstraject voor nieuwe groengasinstallaties moeizaam verloopt. Hierbij moet echter wel worden bedacht dat een deel van de groengasinvoeding zal gaan naar de mobiliteitsmarkt, omdat de trekkracht hier naar verwachting groter wordt richting 2030.

De bijdrage hiervan is ingeschat op 250 tot 500 miljoen m3 aan groengasvraag in 2030 voor zwaar wegtransport en zeevaart.9 Als dit in mindering gebracht wordt komen we tot een groengasproductie voor de bijmengverplichting groengas van 1,09 bcm tot 1,31 bcm rond 2030 (zie Figuur 7). De groengasproductie van nieuwe installaties is voor het grootste deel afkomstig van grote installaties met een productiecapaciteit van 20 miljoen m3/jaar of meer (Figuur 8). Er zijn al plannen voor zestien (middel)grote installaties opgenomen in de scenario’s gebaseerd op plannen van marktpartijen, met een totale gerealiseerde productie van 494 miljoen m3 rond 2030 in Scenario B. Grote installaties leggen bovendien meer gewicht in de schaal dan kleine: Een grote installatie (met een aangenomen typische omvang van 30 miljoen m3/jaar) produceert evenveel als 125 kleine installaties (met een typische omvang van 240.000 m3/jaar). Figuur 6 - Groengasproductie per installatiecategorie rond 2030, per scenario

Toelichting scenario’s: A = Groot en moeizaam; B = Groot en soepel; C = Klein en moeizaam; D = Klein en soepel; E= Gebalanceerd en gestaag.

________________________________ 9

40

Expertinschatting Robert Goevaers, maart 2024.

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Figuur 7 – Totale groengasinvoeding rond 2030 vs. invoeding ten behoeve van de bijmengverplichting groengas

Noot: BMV = bijmengverplichting groengas.

Figuur 8 - Groengasproductie nieuwe installaties per omvangcategorie rond 2030, per scenario

Toelichting scenario’s: A = Groot en moeizaam; B = Groot en soepel; C = Klein en moeizaam; D = Klein en soepel; E= Gebalanceerd en gestaag. Klein = tot 40 m³/uur; middelklein = 40 tot 400 m³/uur; middelgroot = 400 tot 2.500 m³/uur; groot is vanaf 2.500 m³/uur.

41

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Aantallen installaties en groengasproductie per provincie Een verdeling van het totale aantal groengasinstallaties voor het scenario met de grootste groengasproductie rond 2030, ‘Groot en soepel’ (Scenario B), is weergegeven in Figuur 9. De provincies met het grootste aantal installaties rond 2030 zijn Overijssel, Friesland, Gelderland en Noord-Brabant. Dit geldt voor alle scenario’s, al variëren de onderlinge verhoudingen enigszins tussen de provincies. De variatie blijft beperkt, omdat een groot deel van de installaties bestaat uit huidige en geplande groengasinstallaties uit de SDE-lijst en biogasinstallaties die ‘opwaarderen’ tot groengasinstallaties. Deze installaties hebben allemaal al een locatie. Het maximum aantal nieuwe installaties installatie in een provincie in een scenario is 89. Dit aantal wordt behaald in Gelderland in het scenario ‘Klein en soepel’ (Scenario D), zoals te zien is in Figuur 10. Dit zijn overwegend kleine monomestvergisters. In het scenario ‘Groot en soepel’ (Scenario B) is het maximaal aantal nieuwe installaties in een provincie een stuk lager, namelijk 20 (in de provincie Groningen). De kleine installaties zijn over de provincies verdeeld, zodat gebruik kan worden gemaakt van lokaal beschikbare mest.

Vanwege het grote aandeel van al vastliggende locaties en de spreiding van nieuwe mestvergisters over het land is de verdeling van installaties over de provincies in de scenario’s vergelijkbaar. Figuur 9 - Aantal installaties per installatiecategorie in Scenario B

Noot: Scenario B = relatief veel grote nieuwe installaties en soepel inpassingstraject.

42

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Figuur 10 - Aantal nieuwe installaties per omvangcategorie in Scenario D

Noot: Scenario D = relatief veel kleine nieuwe installaties en soepel inpassingstraject. Klein = tot 40 m³/uur; middelklein = 40 tot 400 m³/uur; middelgroot = 400 tot 2.500 m³/uur; groot is vanaf 2.500 m³/uur.

De groengasproductie per provincie in Scenario B bestaat voor een flink deel uit productie van nieuwe installaties, waarin de nieuwe installaties in Groningen een groot aandeel hebben (zie Figuur 11). De grootste bijdrage leveren een superkritische vergasser (192,6 miljoen m3/jaar), twee houtvergassers (totaal 15,3 miljoen m3/jaar) en een nieuwe allesvergister die wordt gepland (60 miljoen m3/jaar). Dezelfde installaties komen ook in de andere scenario’s terug, omdat voor deze nieuwe installaties al marktplannen en locaties zijn bedacht. De categorie van grote nieuwe installaties met een productie van 20 miljoen m3 groengas per jaar of meer draagt het meeste bij binnen de groep nieuwe installaties, zoals Figuur 12 duidelijk laat zien.

43

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Figuur 11 - Groengasproductie per installatiecategorie in Scenario B

Noot: Scenario B = relatief veel grote nieuwe installaties en soepel inpassingstraject.

Figuur 12 - Groengasproductie nieuwe installaties per omvangcategorie in Scenario B

Noot: Scenario B = relatief veel grote nieuwe installaties en soepel inpassingstraject. Klein = tot 40 m³/uur; middelklein = 40 tot 400 m³/uur; middelgroot = 400 tot 2.500 m³/uur; groot is vanaf 2.500 m³/uur.

44

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Beschikbaarheid en gebruik biogrondstoffen In de scenarioanalyse is ook een vergelijking gemaakt van de economische beschikbaarheid van biogrondstoffen in Nederland voor groengasproductie en de inzet hiervan. Dit is gedaan op nationaal niveau, omdat biogrondstoffen kunnen worden getransporteerd tussen provincies (provincies kunnen niet eisen dat deze uit de eigen provincie moeten komen). De presentatie van de economische beschikbaarheid is te vinden in Paragraaf 5.3. De vergelijking is apart gemaakt voor mest (Figuur 13) en ‘andere biomassa’ (Figuur 14). ‘Andere biomassa’ is hier gedefinieerd als alle biomassareststromen behalve mest en hout. De economische beschikbaarheid van mest voor groengasproductie is hoger dan het verbruik in vergisters en vergassers. De verhouding in mestinzet tussen de scenario’s komt grofweg overeen met de verhouding in groengasproductie (zie Figuur 6). Dit laatste geldt ook voor andere biomassa, maar hier constateren we dat de berekende economische beschikbaarheid van andere biomassa in Nederland mogelijk onvoldoende is om te voorzien in de vraag. We zien dit echter niet als problematisch, omdat er meerdere ‘oplossingen’ zijn om toch in de vraag te voorzien: — Een groot deel kan worden ingevuld met import van biogrondstoffen uit het buitenland.

Bij (middel)grote installaties komt een substantieel deel van de primaire energie uit buitenlandse biogrondstoffen. — De allocatie van biogrondstoffen aan groengasproductie kan toenemen, mede door de stijgende waarde van groengas en de betalingsbereidheid voor biogrondstoffen als gevolg van de bijmengverplichting groengas. — De teelt van energie-, rust- en wisselgewassen als feedstock voor vergisters kan het aanbod van Nederlandse biogrondstoffen voor groengasproductie verhogen. — Een deel zou kunnen worden opgelost met extra inzet van mest of door meer met dagof uurverse mest te werken. — Extra productiecapaciteit van superkritische watervergassing vergroot de groengasproductie bij gebruik van dezelfde hoeveelheid biogrondstoffen. Desondanks is de ontwikkeling van de beschikbaarheid en betaalbaarheid van biogrondstoffen een onzekerheid die van invloed is op de ontwikkeling van groengasproductie in Nederland.

45

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Figuur 13 – Vergelijking economisch beschikbare mest vs. verbruik voor groengasproductie in Nederland in 2030

Toelichting scenario’s: A = Groot en moeizaam; B = Groot en soepel; C = Klein en moeizaam; D = Klein en soepel; E= Gebalanceerd en gestaag.

Figuur 14 - Vergelijking economisch beschikbare andere biomassa (excl. import) vs. verbruik voor groengasproductie in Nederland in 2030

Noot: ‘Andere biomassa’ is exclusief mest en hout.

Voor wat betreft hout constateren we dat de hoeveelheid houtige stromen uit de natuur en uit afvalhout van 104 miljoen m3 groengaseq./jaar bijna voldoende is om in de vraag vanuit houtvergassers van 111 miljoen m3 rond 2030 te voorzien. Het resterende deel van de benodigde houtstromen kan worden geïmporteerd.

46

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

7.2

Trendlijnen In Figuur 15 zijn trendlijnen van de nationale groengasproductie opgenomen die horen bij de resultaten van de verschillende scenario’s. De realisatie van individuele groengasinstallaties is, in navolging van (CE Delft, 2023), gemodelleerd met een geleidelijk oplopend productievolume. Dit geeft een indicatie van het groeipad. Figuur 15 –Trendlijnen van nationale groengasproductie voor elk van de scenario’s

Toelichting scenario’s: A = Groot en moeizaam; B = Groot en soepel; C = Klein en moeizaam; D = Klein en soepel; E= Gebalanceerd en gestaag. De trendlijn van Scenario A ligt verscholen onder die van Scenario C.

7.3

Gevoeligheidsanalyse Er is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd op de scenarioanalyse, waarin het effect van aanpassingen van de realisatiekansen en ontwikkeltijden van nieuwe installaties op de groengasproductie rond 2030 is getest. Dit is gedaan voor de scenario’s ‘Groot en moeizaam’ (Scenario A) en ‘Groot en soepel’ (Scenario B), omdat (middel)grote installaties een lagere realisatiekans en grotere ontwikkeltijd hebben dan kleine installaties en andere inputwaarden hier een grotere invloed op de resultaten hebben dan in de andere scenario’s. De resultaten van deze gevoeligheidsanalyse zijn opgenomen in Tabel 14. We maken hieruit op dat de gerealiseerde nationale groengasproductie rond 2030 relatief robuust is voor tegenvallende realisatiekansen en ontwikkeltijden van nieuwe installaties. Echter, in Scenario B kan een lagere realisatiekans of grotere ontwikkeltijd van installaties tot een substantieel lager groengasproductievolume rond 2030 leiden, omdat minder installaties worden gerealiseerd of installaties na 2030 worden gerealiseerd. Dit laat zien dat het faciliteren van de ontwikkeling van nieuwe groengasinstallaties een groot effect kan hebben op de groei van groengasproductie in Nederland en het behalen van de ambitie van 2 bcm groengasproductie in 2030.

47

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Tabel 14 - Gevoeligheidsanalyse Variant

*

7.4

Groengasproductie in 2030 in Scenario A (miljoen m3/jaar)

Verschil

Groengasproductie in 2030 in Scenario B (miljoen m3/jaar)

Verschil

1.341

-

1.816

-

Realisatiekans nieuwe installaties (klein en groot) 20% groter

1.341

0,0%

1.954

7,6%

Realisatiekans nieuwe installaties (klein en groot) 20% kleiner

1.324

-1,3%

1.580

-13,0%

Reductiewaarde ontwikkeltijd op nul*

1.291

-3,7%

1.638

-9,8%

Ontwikkeltijd met 1 jaar verlengd (bonus/malus)

1.237

-7,8%

1.757

-3,2%

Ontwikkeltijd met 2 jaar verlengd (bonus/malus)

1.235

-7,9%

1.562

-14,0%

Reductiewaarde op nul plus ontwikkeltijd met 2 jaar verlengd

1.235

-7,9%

1.408

-22,5%

In de hoofdanalyse is een reductiewaarde van 2 jaar toegepast op de ontwikkeltijd, zodat installaties die in de analyse in 2032 worden gerealiseerd worden meegenomen in de resultaten voor 2030. Toelichting scenario’s: A = Groot en moeizaam; B = Groot en soepel.

Risico op lock-in bij veehouderij Het beleid van de Nederlandse overheid is er op gericht om de omvang van de veestapel in overeenstemming te brengen met de huidige en toekomstige eisen voor milieu en verduurzaming. Daarvoor is allereerst een krimp van de veestapel noodzakelijk. De mest die na die krimp resteert moet op een verstandige manier worden ingezet. Door de vergister te combineren met dag- of zelfs uurontmesting en een stikstofstripper levert deze een bijdrage aan het verminderen van broeikasgas- en stikstofemissies. Dankzij dit verbeterde toekomstperspectief kan dit in theorie betekenen dat de veehouder zijn bedrijf ook langer in stand kan houden. Omdat de inzet echter is om eerst de veestapel te verkleinen en pas vervolgens de mest die resteert nuttig in te zetten zal monomestvergisting geen negatieve invloed hebben op het al dan niet behalen van de beoogde veestapelreductie. Verder zal de inzet van mest voor groengasproductie naar verwachting aanzienlijk lager zijn de de economische beschikbaarheid van mest. Ter indicatie: De in februari 2024 verschenen Kamerbrief over de bijmengverplichting gaat uit van 0,4 bcm/jaar groengasproductie op basis van mest, bij een reductie van de veestapel van 23% in 2030 en gebruik van 45% van de overgebleven beschikbare mest (Ministerie van EZK, 2024).

De resultaten van de scenarioanalyse bevestigen dat de doelstelling van de bijmengverplichting van 1,1 bcm/jaar in 2030 haalbaar is bij een bijdrage van mestvergisting van rond de 0,4 bcm/jaar (zie Paragraaf 7.1).

7.5

Beleidsknoppen Uit de marktconsultatie hebben we de volgende ‘beleidsknoppen’ afgeleid waarmee overheden de ontwikkeling van groengasinvoeding in Nederland in de gewenste richting kunnen sturen:

48

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Detailontwerp bijmengverplichting (BMV) — Onzekerheid over de detailregels kan maken dat ondernemers afwachten of in een ander land investeren. De recente Kamerbrief helpt om deze onzekerheid te verminderen. Hoe de BMV er na 2030 uit zal zien is hiermee nog niet verduidelijkt. Concretisering hiervan biedt meer investeringszekerheid voor de langere termijn.

Vergunningverlening faciliteren — Het gebrek aan stikstofruimte zorgt er voor dat veel projecten niet vergunbaar zijn terwijl ze een positief effect hebben op het terugdringen van de stikstofuitstoot. Denk hierbij aan de combinatie dagontmesting, vergisten en strippen. Onderzocht moet worden of deze activiteit niet te classificeren is als milieuneutrale wijziging waardoor deze projecten door kunnen gaan en stikstofruimte wordt gecreëerd. Hetzelfde geldt voor ondernemers die afscheid willen nemen van hun wkk, en bijbehorende NOx uitstoot, en groengas willen gaan maken. — Projecten die wel vergund kunnen worden lopen tegen capaciteitsproblemen bij de omgevingsdiensten aan waardoor procedures onnodig lang duren. Wellicht kan hier ruimte gevonden worden door de vergunning te laten opstellen door de ondernemer en de omgevingsdiensten deze te laten toetsen.

Geschikte terreinen voorbereiden — Gemeentes en provincies zouden proactief kunnen zoeken naar geschikte terreinen voor groengasinstallaties, en gemeentes zouden bestemmingsplannen alvast voor geschikte bedrijventerrein kunnen aangeven dat hier een groengasinstallatie van een bepaalde omvang zou kunnen worden gerealiseerd.

Prioriteren groengasinstallaties bij aansluiting op elektriciteitsnet — Vanwege de capaciteitsproblemen op het elektriciteitsnet is behoefte aan prioritering van partijen die een aansluiting aanvragen. Omdat groengasinvoeding bijdraagt aan de energietransitie zou dit een reden kunnen zijn om dit hoger op de lijst te zetten.

Visie op groengas in provinciaal beleid — Sommige provincies hebben groengas niet expliciet opgenomen in hun beleidsvisie, en bij sommige is de informatie verspreid. Een duidelijke provinciale visie en strategie op de ontwikkeling van groengasinstallaties helpt om duidelijkheid te bieden aan ondernemers, omwonenden en andere betrokkenen. Gemeenten moeten hier wel in betrokken worden.

SDE-regeling voor groengas in stand houden — De BMV biedt zekerheid tot 2031, daarna is onduidelijk hoe het vervolg eruit zal zien. Grote projecten hebben langetermijncontracten nodig om gefinancierd te kunnen worden. Energiebedrijven zullen niet snel contracten sluiten met installaties die er over 4 jaar pas staan (als alles meezit) en als ze dat al doen kunnen ze na 2030 geen zekerheid bieden over de prijs.

49

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

7.6

Doorkijk 2050 In deze paragraaf wordt een doorkijk gegeven naar de mogelijke ontwikkeling van groengasproductie en -vraag in Nederland tussen 2030 en 2050.

Nationale volumes De Integrale infrastructuurverkenning 2030-2050 (II3050) (Netbeheer Nederland, 2023b) voorziet een snel afnemende rol van methaan na 2030, welke afloopt van ruim 38 bcm in 2019 naar 1,2 tot 12,3 bcm in 2050 (zie Figuur 16). Waar in de huidige markt het gebruik van aardgas domineert, zal in 2050 alleen nog van groengas gebruik worden gemaakt. De groengasproductie stijgt in de II3050-verkenning van 0,2 bcm in 2019 naar 1,3 tot 8,0 bcm in 2050. Als we de scenario’s voor 2050 uit II3050 vergelijken met de groengasproductie van 1,3 tot 1,8 bcm in 2030 uit de voorliggende studie, dan volgt hieruit dat de nationale groengasproductie tussen 2030 en 2050 ongeveer gelijk zou kunnen blijven maar ook zou kunnen verzesvoudigen naar 8 bcm/jaar. Dit laatste hoort bij het scenario Europese integratie uit II3050, waarin Nederland streeft naar een integraal en efficiënt Europees energiesysteem en waarin groengas op grote schaal wordt geproduceerd in Europa. In dit scenario wordt het merendeel van het groengas in de industrie ingezet, zowel als energiedrager als grondstof (dit onderscheid is niet gekwantificeerd in het II3050-rapport). Figuur 16 – Methaanvraag (links) en methaanaanbod (rechts) in Nederland in de II3050-scenario’s

Noot: GO = gebouwde omgeving; DEC = scenario Decentrale initiatieven; NAT = scenario Nationaal leiderschap; EUR = scenario Europese integratie; INT = scenario Internationale handel. Bron: (Netbeheer Nederland, 2023b)

In de periode na 2030 zal de verwachte vraag naar groengas groter zijn dan het aanbod. In hoeverre dit leidt tot verdere opschaling van groengasproductie in Nederland zal sterk afhankelijk zijn van het op dat moment vigerende beleid en de bijbehorende prijsprikkels, maar ook van biomassaprijzen, de gasdistributiemogelijkheden en de trekkracht vanuit verschillende sectoren. Dit beschouwen we in onderstaande deelparagrafen.

Methaanvraag in sectoren De Nederlands industrie gebruikt aardgas als energiedrager en als grondstof. Dat laatste deel, ook wel niet-energetisch gebruik genoemd, is vrij stabiel en bedraagt de afgelopen jaren 2,8 bcm/jaar. Dit deel is niet te elektrificeren maar kan wel, ten dele, worden vervangen door waterstof.

50

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Voor de verwarming van moeilijk te verduurzamen woningen kan in plaats van groengas ook groene waterstof worden gebruikt op de lange termijn. In de II3050-scenario’s hebben beide duurzame gassen een rol in de levering van warmte aan de gebouwde omgeving. Het methaansysteem levert tussen 2030 en 2050 in toenemende mate flexibiliteit in de voorziening van de warmtevraag op piekmomenten, bijvoorbeeld via hybride warmtepompen of via methaanketels bij collectieve warmtesystemen (Netbeheer Nederland, 2023b). De verwachting is dat het vervoer over de weg in toenemende mate gebruik zal maken van elektrische aandrijving, waarbij alleen voor langdurig en zwaar transport nog een rol is weggelegd voor brandstoffen. In de maritieme sector kan bio-LNG een prominente rol gaan spelen als gevolg van de FuelEU Maritime-wetgeving. Deze Europese regels moeten er voor zorgen dat de CO2-emissies van scheepvaart met 80% worden teruggedrongen in 2050 (op scheepsniveau, en ten opzichte van een referentiebrandstof). De zeevaart kijkt echter ook naar e-fuels zoals ammoniak en methanol, geproduceerd met groene waterstof. Biobrandstoffen zoals biodiesel hebben een hogere energie-inhoud per volume en hoeven niet te worden gekoeld tot -160 graden Celsius om vloeibaar te blijven, zoals het geval is bij bio-LNG. De luchtvaart zal waarschijnlijk harder gaan trekken aan biobrandstoffen dan de scheepvaart.

In de RefuelEU Aviation-regels is een doel van 70% gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen in 2050 opgenomen voor luchthavens en brandstofleveranciers in de EU. Biokerosine is een van de weinige alternatieven voor langeafstandsvluchten. Bio-LNG wordt niet overwogen als verduurzamingsoptie door de luchtvaartsector, omdat dan aanpassingen aan vliegtuigen en brandstofinfrastructuur nodig zijn, in tegenstelling tot de overschakeling op biokerosine.

Beschikbaarheid biogrondstoffen Nederland heeft voldoende biogrondstoffen om zelf ruim 1 bcm groengas per jaar te maken. Uit gesprekken met marktpartijen valt op te maken dat zeker 50% van alle groengas geproduceerd in (middel)grote installaties in Nederland gemaakt wordt uit geïmporteerde biogrondstoffen. De vraag is of deze volumes kunnen meebewegen met een fors groeiende groengasmarkt in Nederland tussen nu en 2030 en in de periode na 2030. Immers ook andere EU-landen hebben forse groengasambities. De EU is voornemens om 35 bcm groengas te produceren in 2030 als onderdeel van het REPowerEU-plan. Daarnaast is het aannemelijk dat op de langere termijn meer biobrandstoffen en andere biobased producten worden geïmporteerd dan biogrondstoffen, omdat deze producten goedkoper kunnen worden geproduceerd in het buitenland en omdat de transport van deze producten efficiënter en dus goedkoper is dan de transport van biogrondstoffen. Dit zal waarschijnlijk ook gelden voor het voorzien van de Nederlandse vraag naar bio-LNG voor de mobiliteitssector, omdat dit efficiënt kan worden verscheept met LNG-tankers.

Ook de groengasvraag zou op goedkopere wijze kunnen worden ingevuld via bio-LNG-import na 2030, maar de mate waarin dit het geval is zal afhankelijk zijn van financieel ondersteuningsbeleid voor Nederlands groengas zoals de SDE++-subsdie en beleid dat import als optie beperkt zoals de bijmengverplichting groengas. Vergassing van biogrondstoffen zal na 2030 een steeds grotere rol van betekenis spelen in de productie van groengas. Hierdoor kunnen houtige biogrondstoffen ontsloten worden, welke nu nog niet gebruikt kunnen worden voor de productie van groengas. Echter, de wereldwijde beschikbaarheid van houtige (en andere) biogrondstoffen voor import zal onder andere afhangen van de realisatie van bioraffinaderijen in andere landen en de betalingsbereidheid van producenten van biobrandstoffen en bio-based producten wereldwijd. Dit

51

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

zal worden beïnvloed door beleid dat tot doel heeft de schaarse biogrondstoffen efficiënter te benutten. De inzet van biogrondstoffen als grondstof in de industrie heeft een hogere maatschappelijke waarde dan de inzet als energiedrager, ook omdat dit een energieefficiënte manier is om industriële productieketens te verduurzamen en hierbij ook sprake kan zijn van langdurige biogene koolstofopslag (‘negatieve emissies’). De verwachting hierbij is dat de industrie voor de verduurzaming van de productie van chemicaliën, plastics en bouwmaterialen vooral direct biogrondstoffen zal gebruiken in plaats van groengas. Voor bedrijven die nu aardgas als grondstof gebruiken is de overstap op groengas weliswaar een gemakkelijke verduurzamingsoptie, maar bioraffinaderijen hebben de lange koolstofketens en het hoge koolstofgehalte van biomassa nodig. De algemene verwachting is dat de betalingsbereidheid voor biogrondstoffen vanuit de industrie (als grondstof) en luchtvaart hoger zal zijn dan vanuit ETS2-sectoren. De potentie van import van biogrondstoffen voor groengasproductie zal hierdoor naar verwachting afnemen over de tijd. Mogelijk ontstaat er wel een kans voor import van biogrondstoffen voor groengasproductie ten behoeve van de vergroening van aardgasgebruik als grondstof in de Nederlandse industrie, maar er zou ook bio-LNG kunnen worden geïmporteerd voor dit doeleinde.

Gasnet In alle II3050-scenario’s blijft tot 2050 een landelijk dekkend hoofdtransportnetwerk voor methaan nodig. Overbodig geworden leidingen kunnen hergebruikt worden voor het transport van waterstof, als verzamelleiding voor biogas10, of voor groengastransport. Hierbij is het belangrijk om keuzes te maken welke regio’s gebruik gaan maken van waterstof en welke groengas zullen gebruiken. Parallelle regionale methaan- en waterstofnetten zullen te duur zijn en bovendien negatieve effecten hebben op veiligheid, uitvoeringscapaciteit en ruimtegebruik (Netbeheer Nederland, 2023b). Een significant deel van de regionale gasnetten raakt echter in onbruik (20 tot 65% van het lagedrukhoofdnet in 2050 in de II3050-scenario’s). Dit kan problemen veroorzaken voor groengasinstallaties, omdat deze veel gebruik maken van deze infrastructuur. De netbeheerders proberen echter zoveel mogelijk om de netten waarop ingevoed wordt te handhaven. Als aardgas wordt uitgefaseerd zal het groengas een steeds groter deel innemen van de algehele methaanvraag. Dan krijg je sneller te maken met vraagtekorten en zal meer opslag nodig zijn. Ook seizoensinvloeden maken dat opslag van groengas noodzakelijk wordt, wat uitdagingen met zich meebrengt inzake de vereiste gaskwaliteit.

Groengas voldoet op dit moment niet aan de gaskwaliteitseisen die gesteld worden aan gas voor een ondergrondse opslag omdat het teveel zuurstof bevat. Groengasproductie en -vraag zullen vaak niet op dezelfde plek aanwezig zijn. Om het aantal benodigde boosters te verminderen (II3050 spreekt van 200 tot 250 benodigde boosters zonder sturing) kunnen aanvullende maatregelen worden ingezet, zoals het stimuleren van biogasclusters en realisatie van biogasverzamelleidingen en uitbreiding van het aantal netkoppelingen (Netbeheer Nederland, 2023b). Ook het stimuleren van realisatie van groengasinvoeding nabij methaanvraag wordt genoemd, maar dit heeft tot nadeel dat biogrondstoffen voor de groengasproductie over langere afstanden moeten worden getransporteerd, wat duurder is dan gastransport en CO2-uitstoot met zich meebrengt. Tot slot kan de realisatie van (middel)grote groengasinstallaties die op een hogeredruknet invoeden hierbij helpen. ________________________________ 10

52

Netbeheerders mogen momenteel wettelijk gezien geen biogasleidingen beheren.

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

Beleid De periode na 2030 wordt gekenmerkt door grote beleidsonzekerheid. Op dit moment is nog niet duidelijk in welke vorm de jaarverplichting voor de transportsector en de bijmengverplichting groengas voor ETS2 gecontinueerd zullen worden na dit jaar. De Kamerbrief van februari 2024 benoemt dat de bijmengverplichting groengas ook na 2030 zal bestaan, maar dat de hoogte van de target nog moet worden bepaald in de komende jaren. Het huidige ETS-systeem zal ook doorlopen na 2030. Om groengasproductie te stimuleren zonder hulp van een bijmengverplichting zou de ETS-prijs moeten stijgen naar bedragen rond de € 450/ton, maar dergelijke bedragen worden pas rond 2045 verwacht. Continuering van de bijmengverplichting groengas na 2030 lijkt daarom een belangrijk middel om verdere opschaling van groengasproductie in Nederland te stimuleren. Ondernemers die nu investeren hebben immers een horizon nodig die verder weg ligt dan 2030 om de investering terug te kunnen verdienen. Het is nu nog te vroeg om te stellen dat de ambitie dan verder verhoogd moet worden of gelijk moet blijven.

53

230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024

8 Conclusies In deze studie wordt de mogelijke ontwikkeling verkend van aantallen groengasinstallaties, locaties van installaties en groengasproductievolumes in Nederland richting 2030. Dit levert input voor netwerkanalyses van gasnetbeheerders en biedt inzichten voor het ministerie, provincies en gemeentes voor de ontwikkeling van groengasbeleid. Er zijn vijf scenario’s meegenomen die staan voor vijf verschillende ontwikkelbeelden: — A) vooral grote nieuwe installaties en moeizaam inpassingstraject. — B) vooral grote nieuwe installaties en soepel inpassingstraject. — C) vooral kleine nieuwe installaties en moeizaam inpassingstraject. — D) vooral kleine nieuwe installaties en soepel inpassingstraject. — E) zowel kleine als grote nieuwe installaties en gestaag inpassingstraject (middenscenario). De scenarioanalyse laat zien dat de groengasproductie kan stijgen van een groengasproductie van 280 miljoen m3 in 2023 naar 1,3 tot 1,8 miljard m3 in 2030. De hogere gerealiseerde productie van 1,8 bcm in 2030 in Scenario B is het resultaat van een hoger aantal nieuwe hypothetische installaties, maar ook van een hogere realisatiekans en kortere ontwikkeltijd, als gevolg van een soepeler inpassingstraject. De scenarioresultaten laten zien dat 1,1 bcm groengasproductie in Nederland in 2030 haalbaar is, ook als het inpassingstraject voor nieuwe groengasinstallaties moeizaam verloopt.

Hierbij moet echter wel worden bedacht dat een deel van het ingevoede groengas, via de administratieve HBE-route, naar de transportsector zal gaan. Als hiervoor gecorrigeerd wordt komen we op een groengasproductie die beschikbaar is voor de bijmengverplichting groengas van 1,09 bcm tot 1,32 bcm rond 2030. De grote bandbreedte van de groengasproductie en het niet behalen van de nationale ambitie van 2 bcm in 2030 in de scenarioresultaten laten zien dat beleidsondersteuning van de ontwikkeling van groengasproductie in Nederland van belang is. Het faciliteren van het inpassingstraject is een belangrijk middel om de groengasproductie in Nederland op te schalen. Er is een directe relatie tussen de groengasvolumes die haalbaar worden geacht en de trekkracht die uitgeoefend wordt door stimuleringsmechanismes en marktwerking. De belangrijkste mechanismen/markten die trekkracht genereren zijn de bijmengverplichting groengas, de jaarverplichting voor de transportsector en de exportmarkt. De eerste is goed te kwantificeren en bedraagt circa 1,1 miljard m³ groengas per jaar. We verwachten dat de transportmarkt tot 0,5 miljard m³ groengas kan gebruiken in 2030, vooral in de vorm van bio-LNG voor de zeevaart. De exportmarkt trekt op dit moment stevig aan het groene gas en de verwachting is dat dit in de toekomst niet minder wordt. Dit deel is echter wel het lastigst te kwantificeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=5375a28d-60dc-4c0d-a96e-f67db271661b