Schriftelijke bijdrage Roetert en Cornelissen - CE_Delft_230260_Scenariostudie_groengasproductie_rond_2030_Def
Tekst van het document
Scenariostudie groengasproductie rond 2030
Scenariostudie groengasproductie rond 2030
Dit rapport is geschreven door: Reinier van der Veen, Marieke Nauta, Emiel van den Toorn, Cor Leguijt (CE Delft) Ruud Paap (New Energy Coalition) Delft, CE Delft, maart 2024 Publicatienummer: 24.230260.037 Opdrachtgevers: Netbeheer Nederland, Ministerie EZK, IPO, VNG, UvW en Platform Groen Gas Alle openbare publicaties van CE Delft zijn verkrijgbaar via www.ce.nl Meer informatie over de studie is te verkrijgen bij de projectleider Reinier van der Veen (CE Delft) © copyright, CE Delft, Delft
CE Delft Committed to the Environment CE Delft draagt met onafhankelijk onderzoek en advies bij aan een duurzame samenleving. Wij zijn toon– aangevend op het gebied van energie, transport en grondstoffen. Met onze kennis van techniek, beleid en economie helpen we overheden, NGO’s en bedrijven structurele veranderingen te realiseren. Al sinds 1978 werken betrokken en kundige medewerkers bij CE Delft om dit waar te maken.
1
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
Inhoud Samenvatting
4
1
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doel 1.3 Afbakening 1.4 Aanpak 1.5 Duiding
8 8 8 8 9 10
2
Installaties, locaties en locatiecriteria 2.1 Introductie 2.2 Typen installaties 2.3 Typen locaties 2.4 Locatiecriteria
12 12 12 13 14
3
Geschikte terreinen 3.1 Introductie 3.2 Haventerreinen 3.3 Bedrijventerreinen 3.4 Rwzi-terreinen 3.5 Agrarische terreinen 3.6 Voormalige mijnbouwlocaties
15 15 15 16 17 18 18
4
Locatie- en realisatiekeuzes 4.1 Introductie 4.2 Inzichten locatiekeuzes 4.3 Inzichten realisatiekeuzes
20 20 20 22
5
Beschikbaarheid biogrondstoffen 5.1 Introductie 5.2 Uitwerkingen 5.3 Economisch groengaspotentieel
26 26 26 29
6
Scenarioanalyse 6.1 Introductie 6.2 Onzekerheden 6.3 Scenario’s 6.4 Analyse
31 31 31 32 33
7
Resultaten 7.1 Hoofdresultaten 7.2 Trendlijnen 7.3 Gevoeligheidsanalyse
38 38 47 47
2
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
7.4 Risico op lock-in bij veehouderij 7.5 Beleidsknoppen 7.6 Doorkijk 2050
48 48 50
Conclusies
54
Bronnen
57
A
Geïnterviewde partijen
59
B
Vragen voor enquête en interviews B.1 Digitale enquête B.2 Interviews
60 60 61
C
Model-inputs en aannames
64
D
Beleidskader provincies
67
E
Indicatie beschikbare capaciteit van elektriciteitsnet
71
F
Haventerreinen
72
3
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
8
Samenvatting Introductie Nederland heeft de ambitie om 2 miljard m³ groengas te produceren in 2030. Om meer zicht te krijgen op de ontwikkeling van groengas richting 2030 hebben CE Delft en New Energy Coalition een verkennende studie uitgevoerd voor het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen, Netbeheer Nederland en Platform Groen Gas. In de studie wordt de mogelijke ontwikkeling verkend van aantallen groengasinstallaties (installaties), locaties van installaties en groengasproductievolumes in Nederland richting 2030, wat input vormt voor netwerkanalyses van gasnetbeheerders en inzichten biedt voor het ministerie, provincies en gemeentes voor de ontwikkeling van groengasbeleid. Deze studie heeft niet als doel om te bepalen of de nieuwe bijmengverplichting groengas voor de ETS2-sector haalbaar is, maar deze verplichting speelt wel een belangrijke rol. Deze verplichting creëert namelijk samen met de jaarverplichting voor de transportsector en ook export trekkracht die bepalend is voor de groei van het groengasvolume. Zodra vanuit de markt geen trekkracht is, zijn exploitatiesubsidies zoals de SDE++ een belangrijk instrument om de groengasproductie verder op te schalen.
Typen installaties Voor het doel van de studie zijn vier omvangcategorieën van groengasinstallaties gedefinieerd, die verschillen in groengasproductiecapaciteit: klein (minder dan 40 m3/uur), middelklein (tussen 40 en 400 m3/uur), middelgroot (tussen 400 en 2.500 m3/uur) en groot (groter dan 2.500 m3/uur). Daarnaast worden vijf productietechnieken onderscheiden: vergasser, monomestvergister, allesvergister, slibvergister en gft-vergister.
Geschikte terreinen We hebben uitgezocht of er voldoende terreinen beschikbaar zijn voor nieuwe groengasinstallaties waarvoor nog geen locatie is voorzien. Hiervoor is gekeken naar vijf belangrijke typen terreinen: haventerreinen, bedrijventerreinen, rwzi-terreinen, agrarische terreinen en voormalige mijnbouwlocaties. Een algemene bevinding is dat de hoeveelheid geschikte haven- en bedrijventerreinen die benodigd zijn voor middelgrote en grote installaties, tot 2030 geen beperkende factor is voor de groei van het groengasvolume in Nederland. Verder constateren we dat er ook voldoende grote veehouderijen in Nederland zijn waar een eigen monomestvergister rendabel zou zijn, wanneer we dit vergelijken met het mogelijke aantal nieuwe kleine installaties voortkomende uit de scenarioanalyse. Bij dergelijke kleine monomestvergisters is geen mesttransport of biogashub nodig. Veehouderijen die te klein zijn voor een eigen groengasinstallatie kunnen samenwerken door te kiezen voor een centrale mestvergister en/of opwaardeerinstallatie.
Locatie- en realisatiekeuzes Er zijn 29 interviews uitgevoerd met groengasondernemers en andere betrokkenen, waarin de rol van locatie- en realisatiecriteria in de besluitvorming over de vestigingslocatie van
4
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
een groengasinstallatie en over de final investment decision (FID) is onderzocht. Bij de locatiekeuze van middelgrote installaties zien ondernemers en andere betrokkenen de afstand tot omwonenden, het vergunningstraject, aansluiting op en capaciteit van het elektriciteitsnet en aansluiting op het aardgasnet als belangrijke criteria. Bij de beslissing over investering in een kleine monomestvergister worden zekerheid over de bijmengverplichting, de minimale grootte van de installatie, de SDE-subsidie en aansluiting op het aardgasnet als belangrijke criteria genoemd. Bij de beslissing over investering in een (middel)grote installatie worden zekerheid over de bijmengverplichting, faciliterend (vergunnings)beleid en weerstand van milieugroepen als belangrijkste criteria genoemd.
Beschikbaarheid biogrondstoffen Voor een inschatting van de economische beschikbaarheid van biogrondstoffen uit Nederland voor groengasproductie, is voortgebouwd op een eerdere scenariostudie, waarbij rekening is gehouden met de verwachte krimp van de veestapel en gedetailleerdere schattingen zijn uitgevoerd van de groengaspotentie uit slib van rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) en uit nevenstromen van de voedings- en genotmiddelenindustrie (VGI). De totale economische beschikbaarheid van biogrondstoffen in Nederland voor groengasproductie is ingeschat op 1,51 bcm/jaar, waarvan 755 miljoen m 3/jaar uit mest, 104 miljoen m3/jaar uit hout en 647 miljoen m3/jaar uit andere biomassa. Door gebrek aan data is de vertaling naar economische beschikbaarheid moeilijk te maken en is de berekening hiervan onzeker. De potentie van import van biogrondstoffen is niet kwantificeerbaar, maar dit vindt al in ruime mate plaats bij grote installaties.
Scenarioanalyse In de verkennende analyse zijn vijf scenario’s meegenomen die staan voor vijf verschillende ontwikkelbeelden: — A) Vooral grote nieuwe installaties en moeizaam inpassingstraject. — B) Vooral grote nieuwe installaties en soepel inpassingstraject. — C) Vooral kleine nieuwe installaties en moeizaam inpassingstraject. — D) Vooral kleine nieuwe installaties en soepel inpassingstraject. — E) Zowel kleine als grote nieuwe installaties en gestaag inpassingstraject (middenscenario). De analyseresultaten laten zien dat de groengasproductie in Nederland kan stijgen van een (potentiële) groengasproductie van 411 miljoen m3 in 2023 (de daadwerkelijke productie was met 280 miljoen m3 om verschillende redenen een stuk lager dan gemodelleerd) naar 1,3 tot 1,8 miljard m3 (bcm) in 2030. Het aantal groengasinstallaties in Nederland neemt toe van 87 in 2023 naar 394 tot 695 installaties in 2030, waarvan 7 tot 413 op dit moment nog geen (huidige of beoogde) locatie hebben. De hogere gerealiseerde productie van 1,8 bcm in 2030 in Scenario B is het resultaat van een hoger aantal nieuwe hypothetische installaties, maar ook van een hogere realisatiekans en kortere ontwikkeltijd, als gevolg van een soepeler inpassingstraject. Echter, een deel van de groengasinvoeding zal gaan naar de mobiliteitsmarkt.
Als hiervoor gecorrigeerd wordt, komen we op een groengasproductie voor de bijmengverplichting groengas van 1,09 bcm tot 1,32 bcm rond 2030. De grote bandbreedte van de groengasproductie en het niet behalen van de nationale ambitie van 2 bcm in 2030 in de scenarioresultaten laten zien dat beleidsondersteuning van de ontwikkeling van groengasproductie in Nederland van belang is. Het faciliteren van het inpassingstraject is een belangrijk middel om de groengasproductie in Nederland op te schalen.
5
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
Het overgrote deel van de installaties bestaat uit huidige en geplande groengasinstallaties uit de SDE-lijst en biogasinstallaties die omgebouwd worden tot groengasinstallaties. Daarnaast zijn er al plannen voor zestien (middel)grote installaties. Deze installaties hebben allemaal al een locatie. Het maximumaantal nieuwe installaties in een provincie in een scenario is 89, wat wordt behaald in een scenario met relatief veel kleine nieuwe installaties en een soepel inpassingstraject (Scenario D). De economische beschikbaarheid van mest voor groengasproductie is groter dan het benodigde volume voor inzet in groengasinstallaties in 2030, maar de berekende economische beschikbaarheid van andere biomassa in Nederland is mogelijk onvoldoende om te voorzien in de groeiende vraag. We zien dit niet als problematisch, omdat er meerdere ‘oplossingen’ zijn om in de vraag te voorzien: de allocatie van biogrondstoffen aan groengasproductie kan toenemen, een deel zou kunnen worden opgelost met extra inzet van mest en teelt en inzet van energie-, rust- en wisselgewassen, en extra productiecapaciteit van superkritische watervergassing kan de groengasproductie verhogen. Tot slot kan een deel worden ingevuld door minder export of meer import van biogrondstoffen.
De mogelijke ontwikkeling van groengasproductie per provincie en de belangrijkste onzekerheden en beleidsknoppen zijn samengevat in de visual hierna.
6
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
7
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
1 Inleiding 1.1
Aanleiding De werkgroep ‘Ruimte, Draagvlak en Netbeheer’ van het Programma Groen Gas, waarin het ministerie van EZK, IPO, VNG, UvW, Netbeheer Nederland en Platform Groen Gas samenwerken, maakt zich sterk voor het mogelijk maken van de ruimtelijke en infrastructurele inpassing van 2 miljard kubieke meter (bcm) groengasproductie in 2030. Hiertoe wordt de bijmengverplichting groengas geïntroduceerd in 2026, welke is gericht op het behalen van ongeveer 1,1 bcm groengasproductie in 2030, een vertaling van het doel van 3,8 megaton CO2-ketenemissiereductie. In de jaarverplichting voor de transportsector (de Nederlandse doorvertaling van de Renewable Energy Directive) speelt groengas ook een rol en vanuit het buitenland wordt ook aan het Nederlandse groene gas getrokken. Door deze mix van stimuleringsmaatregels en marktmechanismen ontstaat een groengasvraag die zal leiden tot opschaling van groengasproductie in Nederland. De werkgroep wil meer inzicht krijgen in de verwachte groengasproductie en de mogelijke locaties van nieuwe groengasinstallaties richting 2030, zodat netbeheerders doelgerichter kunnen investeren in benodigde gasinfrastructuur en zodat overheden rekening kunnen houden met de behoefte aan nieuwe productielocaties bij de ruimtelijke ordening.
CE Delft heeft in opdracht van Netbeheer Nederland een eerdere studie uitgevoerd die inzicht gaf in de groengaspotentie in 2030, maar er was behoefte aan een vervolgstudie waarin tussentijdse beleids- en marktontwikkelingen worden meegenomen en waarin een rijker en realistischer beeld wordt geschetst van locatiekeuzes van ontwikkelaars van groengasinstallaties. Deze vervolgstudie is uitgevoerd door CE Delft en New Energy Coalition (NEC) en de resultaten zijn gepresenteerd in dit rapport.
1.2
Doel Het hoofddoel van de studie is om inzicht te verschaffen in de ontwikkeling van aantallen groengasinstallaties, productielocaties en de hoeveelheid groengasinvoeding richting 2030, waarbij verschillende mogelijke ontwikkelrichtingen (scenario’s) worden meegenomen. De netbeheerders hebben behoefte aan een betrouwbare dataset voor hun analyses van de impact van groengasinvoeding op beschikbare en benodigde gasnetcapaciteit, op basis waarvan zij proactief kunnen investeren in nieuwe gasinfrastructuur. Het ministerie van EZK wil meer inzicht in mogelijkheden om de ontwikkeling van de groengasproductie in Nederland in de gewenste richting te sturen. De provincies hebben behoefte aan een gedeelde visie op de ontwikkeling van groengasproductie in Nederland, zodat zij deze ontwikkeling regionaal in goede banen kunnen leiden.
1.3
Afbakening De studie verkent de ontwikkeling van groengasproductie richting 2030 en brengt nieuwe productielocaties en groengasproductievolumes rond 2030 in beeld. Er wordt niet specifiek naar het jaar 2030 gekeken, omdat de netbeheerders een beeld willen krijgen van de ontwikkeling over de tijd. Daarbij gaat het niet zozeer om het exacte jaartal van realisatie van een installatie (vergister/vergasser), maar juist om de vraag of een installatie daadwerkelijk wordt gerealiseerd en in welk gebied.
8
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
De inschatting van economische beschikbaarheid van biomassa voor groengasproductie rond 2030 richt zich op biomassareststromen uit Nederland, maar de import van biogrondstoffen wordt ook beschouwd op een hoger abstractieniveau. Er wordt ook een doorkijk gegeven naar de verandering van groengasaanbod en -vraag tussen 2030 en 2050. De invloed van beperkingen van invoeding op het gasnet op de ontwikkeling van groengasproductie is niet meegenomen in de analyse. Een uitgangspunt in deze studie is dat seizoensoverschotten in het gasnet tijdig dienen te worden opgelost door de netbeheerder door proactief investeringen te doen zodat lokaal ingevoed groengas voldoende afzetgebied heeft.1 Desondanks wordt dit aspect wel genoemd als barrière door geïnterviewde marktpartijen en komt daarom aan bod bij de beschrijving van locatie- en realisatiekeuzes (Hoofdstuk 4).
1.4
Aanpak In Figuur 1 staat een schematisch overzicht van de onderzoeksstappen en belangrijke elementen die onderdeel vormen van de studie. De elementen kunnen gezien worden als tussenproducten die worden gebruikt om te komen tot de eindresultaten (productielocaties en groengasvolumes per scenario). Figuur 1 – Onderzoekstappen en belangrijke elementen
________________________________ 1
Deze aanname is gemaakt omdat Netbeheer Nederland juist geïnteresseerd is in andere drijfveren en barrières.
9
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
De inhoud en resultaten van de onderzoeksstappen worden afzonderlijk gepresenteerd in de hoofdstukken van dit rapport: — Hoofdstuk 2 – Installaties, locaties en locatiecriteria: In dit hoofdstuk worden de typen installaties, typen locaties en locatiecriteria gedefinieerd. — Hoofdstuk 3 – Geschikte terreinen: Een hoofddoel in deze stap is om concreet te maken welke terreinen per provincie geschikt zijn voor de realisatie van installaties. — Hoofdstuk 4 – Locatie- en realisatiekeuzes: In dit hoofdstuk wordt inzicht verschaft in de totstandkoming van locatiekeuzes en realisatiekeuzes 2 door ontwikkelaars van groengasinstallaties, gebruik makend van marktconsultatie (interviews) als hoofdmethode. — Hoofdstuk 5 – Beschikbaarheid biogrondstoffen: De economische beschikbaarheid van biogrondstoffen voor groengasproductie wordt in dit hoofdstuk ingeschat, waarbij de resultaten van eerdere studies als basis worden gebruikt. — Hoofdstuk 6 – Scenarioanalyse: In dit hoofdstuk worden de tussenresultaten uit eerdere hoofdstukken gebruikt om een set scenario’s op te stellen waarmee de ontwikkeling van groengasinvoeding in Nederland richting 2030 is verkend. Hierna wordt de aanpak van de scenarioanalyse toegelicht. — Hoofdstuk 7 – Resultaten: De hoofdresultaten van de studie bestaan uit groengasvolumes en aantallen installaties per provincie in 2030 voor elk van de scenario’s.
Het hoofdstuk bevat de hoofdresultaten, een indicatie van de trendlijnen (ontwikkeling van de groengasproductie over de tijd), een gevoeligheidsanalyse en een doorkijk naar 2050. — Hoofdstuk 8 – Conclusies: Hier worden de conclusies van het rapport gepresenteerd. Hoofdstuk 3, 4 en 5 beschrijven respectievelijk geschikte terreinen, inzicht in locatie- en realisatiekeuzes en beschikbaarheid van biogrondstoffen. Deze tussenresultaten bieden een blik op verschillende drijfveren en barrières, welke de ontwikkeling van groengasinvoeding begrenzen en sturen. Deze tussenresultaten worden integraal bestudeerd en gebruikt om de scenario’s op te stellen en een scenarioanalyse uit te voeren. Deze analyse wordt uiteengezet in Hoofdstuk 6 en de studieresultaten worden gepresenteerd in Hoofdstuk 7.
1.5
Duiding De studie is een scenariostudie, waarin de scenario’s moeten worden gezien als mogelijke ontwikkelbeelden van hoe de groengasproductie in Nederland zich zou kunnen ontwikkelen tussen nu en 2030. De studie is verkennend van aard. Het aantal groengasinstallaties per provincie moeten daarom worden beschouwd als mogelijke ontwikkelingen, niet als voorspelling. De studie vormt een input voor beleidsvorming omtrent groengasproductie in Nederland en voor netimpactanalyses door gasnetbeheerders. In de scenarioanalyse wordt de ontwikkeling van groengasinstallaties ‘bottom-up’ gemodelleerd, dat wil zeggen, op het niveau van individuele installaties. Om een inschatting te kunnen maken van de ontwikkeling van groengasproductie in verschillende scenario’s zijn aannames gedaan over invloedrijke aspecten waarvan de exacte impact onbekend is, zoals economische beschikbaarheid van grondstoffen en realisatiekansen en ontwikkeltijden van installaties. Bij de bepaling van kansrijke locaties voor hypothetische nieuwe productie-installaties zijn keuzes gemaakt aan de hand van verschillende criteria, maar de werkelijke locatiekeuzes zijn complexer. Bij de interpretatie van de studieresultaten moet in het achterhoofd worden gehouden dat deze tot stand zijn gekomen met gebruik van de afbakening en aannames zoals beschreven in Hoofdstuk 6. ________________________________ 2
Met ‘realisatiekeuze’ bedoelen we de uiteindelijke beslissing om wel of niet in een groengasproductieinstallatie te investeren.
10
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
De studie bevat geen ruimtelijke analyse waarin specifieke bestemmingsplannen, normen en ruimtelijke restricties op gemeenteniveau zijn meegenomen. De locaties van nieuwe geplaatste installaties in de analyse moeten daarom worden gezien als hypothetisch. Wel is verkend in welke mate verschillende typen terreinen geschikt en beschikbaar zijn voor de plaatsing van nieuwe groengasinstallaties.
11
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
2 Installaties, locaties en locatiecriteria 2.1
Introductie In dit hoofdstuk worden de typen installaties, typen locaties en locatiecriteria die we hanteren in de studie gedefinieerd.
2.2
Typen installaties We onderscheiden in de studie verschillende typen installaties op basis van verschil in omvang, techniek en categorie. Dit lichten we hieronder toe.
Omvang Het onderscheid tussen de omvang van nieuwe groengasinstallaties (vergisters of vergassers) wordt gemaakt op basis van de impact op het gasnet met betrekking tot het aansluiten van nieuwe groengasinstallaties. De gedefinieerde omvangcategorieën staan in Tabel 1. Installaties kleiner dan 40 m3/uur zijn kleine monomestvergisters, welke op een lagedruknet worden aangesloten. Deze kleine installaties zijn een relatief nieuwe ontwikkeling. Het zijn kleinverbruikers en de aantallen kunnen snel oplopen. Hierdoor kunnen uitdagingen ontstaan om ze op een goede manier aan te sluiten. Voor groengasinstallaties groter dan 2.500 m3/uur is vaak een aansluiting op het hogedruknet van Gasunie Transport Services (GTS) nodig, omdat het regionale distributienet vaak onvoldoende gasafname heeft. In afstemming met de netbeheerders betrokken bij de studie is de middelste categorie opgedeeld in de categorie ‘middelklein’ (tussen 40 en 400 m3/uur) en ‘middelgroot’ (tussen 400 en 2.500 m3/uur). Deze opdeling is enigszins arbitrair, maar voorkomt een te grote middencategorie en helpt daarmee om de studieresultaten informatiever te maken. Tabel 1 – Omvangcategorieën groengasinstallaties (grenswaarden) zoals gehanteerd in deze studie Omvang Klein Middelklein Middelgroot Groot
Groengascapaciteit (m3/uur)
Groengascapaciteit (m3/jaar)
Kleiner dan 40
Kleiner dan 320.000
40 tot 400
320.000 tot 3.200.000
400 tot 2.500
3.200.000 tot 20.000.000
2.500 en groter
20.000.000 en groter
Noot: De capaciteit per jaar is berekend op basis van 8.000 draaiuren per jaar.
De cijfers in Tabel 1 zijn de grenswaarden die we hanteren in de scenario’s voor nieuwe groengasinstallaties.
Technieken In de scenarioanalyse wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende groengasproductietechnieken: — vergasser;
12
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
— — — —
monomestvergister; allesvergister; slibvergister (bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi)); gft-vergister.
Co-vergisters zijn binnen de SDE-systematiek onder de categorie ‘allesvergister’ gebracht en dit wordt in deze studie ook toegepast. Grotere veehouders (500 koeien of meer) kunnen zelfstandig een rendabele monomestvergister exploiteren. Kleinere monomestvergisters moeten samenwerken om tot een rendabele businesscase te komen. Er zijn daarbij twee configuraties mogelijk: 1. Mest wordt verzameld in een centrale vergister (waarvoor mesttransporten nodig zijn). 2. Biogas wordt via pijpleidingen getransporteerd naar een centrale opwaardeer- en invoedinstallatie; een zogenaamde biogashub. In de scenarioanalyse richten we ons op groengasinstallaties en gebruikte biomassa en maken we dit onderscheid niet.
Categorieën Om de resultaten van de scenarioanalyse te verduidelijken wordt tot slot onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën installaties: — Huidig: Dit zijn de al gerealiseerde installaties met een SDE-beschikking die momenteel al groengas invoeden op het gasnet. — Gepland: Dit zijn de installaties met een SDE-beschikking die nog niet gerealiseerd zijn. — Upgrade biogas: Dit zijn huidige vergisters waarbij het biogas momenteel niet wordt opgewaardeerd tot groengas. — Nieuw: Dit zijn nieuwe installaties die niet in de SDE-lijst staan. Een deel ervan komt uit de interviews met marktpartijen of gesprekken met netbeheerders, een ander deel bestaat uit hypothetische nieuwe installaties die onderdeel vormen van de scenarioanalyse. Een verdere toelichting op deze categorieën staat in Paragraaf 6.4.
2.3
Typen locaties De volgende typen locaties voor installatiegroengasinstallaties worden meegenomen in de studie: — haventerreinen; — bedrijventerreinen; — rioolwaterzuiveringsinstallatie-terreinen (rwzi-terreinen); — agrarische terreinen; — voormalige mijnbouwlocaties. Terreinen van de voedings- en genotmiddelenindustrie (VGI) vallen hierbij onder bedrijventerreinen. Door provincies en andere stakeholders geopperde typen terreinen zijn onder andere militaire terreinen, voormalige NAM-locaties, locaties bij grote bedrijven die groengas nodig hebben, en voormalige vliegvelden. Deze typen terreinen zijn niet verder onderzocht, omdat deze lastig in beeld te brengen zijn en omdat gedurende de studie duidelijk werd dat met geschikte haventerreinen en bedrijventerrein voldoende plekken beschikbaar zijn voor het benodigde aantal nieuwe locaties voor groengasinstallaties.
13
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
2.4
Locatiecriteria Locatiecriteria zijn criteria die een rol spelen in de besluitvorming van investeerders over de locatie van groengasinstallaties. We hebben een lijst opgesteld met belangrijke locatiecriteria per type installatie, op basis van interviews, eigen expertise en die van de opdrachtgevers. Tabel 2 – Locatiecriteria
*
14
Locatiecriterium
Toelichting
Afstand tot omwonenden
De afstand van de vergister/vergasser tot woonhuizen
Afstand tot Natura 2000-gebied
De afstand van de vergister/vergasser tot Natura 2000gebied
Doorlooptijd aansluiting elektriciteitsnet en transportcapaciteit op het elektriciteitsnet
De tijd die het duurt voordat een aansluiting op het elektriciteitsnet verkregen wordt en de beschikbaarheid van capaciteit op het elektriciteitsnet.
Vergunningstraject
De mate waarin factoren in het vergunningstraject de realisatie van een project kunnen vertragen/tegenhouden.
Toegestane activiteiten volgens bestemmingsplan
In het bestemmingsplan wordt aangegeven welke milieucategorieën aan bestemmingen toegestaan zijn. (Middel)grote groengasinstallaties hebben een milieucategorie van minimaal 3.2.
Toegestane bouwhoogte
De vanuit het bestemmingsplan toegestane hoogte van de groengasinstallatie.
Beschikbaar aaneengesloten grondoppervlak
De hoeveelheid grondoppervlak die beschikbaar is voor de groengasinstallatie.
Draagvlak omwonenden
De mate waarin omwonenden de ontwikkeling en het gebruik van een installatie ondersteunen.
Invoedcapaciteit van het aardgasnet bij de locatie*
De (on)mogelijkheid van invoeding van groengas in het aardgasnet. Dit gaat om beperkte beschikbaarheid van transportcapaciteit in verband met gebrek aan gasafname.
Mogelijkheid aanleg biogasleidingen
De mogelijkheid om een leiding aan te leggen om biogas te vervoeren naar een centrale opwerkingsinstallatie.
Lokale beschikbaarheid biogrondstoffen
De lokale beschikbaarheid van biogrondstoffen als input voor de groengasinstallatie.
Lokale afzetmogelijkheden digestaat
De mogelijkheid tot het afzetten van digestaat in de regio.
Toegankelijkheid locatie via weg, water en spoor
De mogelijkheid om het bedrijf te bereiken via de weg, water en spoor (inclusief eventuele beperkingen die vanuit wet- en regelgeving zijn opgelegd aan transporten).
De invloed van beperkte transportcapaciteit op het gasnet op de ontwikkeling van groengasproductie is niet meegenomen in de scenarioanalyse, maar omdat geïnterviewde partijen dit als een locatiecriterium zien is dit criterium wel opgenomen in dit hoofdstuk.
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
3 Geschikte terreinen 3.1
Introductie In dit hoofdstuk gaan we in op de vraag welke terreinen geschikt zijn voor de realisatie van groengasinstallaties en in hoeverre deze terreinen beschikbaar zijn in verschillende provincies. De bevindingen van dit hoofdstuk zijn een input voor de scenarioanalyse die wordt beschreven in Hoofdstuk 6. We hanteren de omvangcategorieën van groengasinstallaties die zijn beschreven in Tabel 1. De geschiktheid van de volgende typen terreinen als vestigingslocatie voor nieuwe groengasinstallaties wordt beschouwd: haventerreinen (Paragraaf 3.2), bedrijventerreinen (Paragraaf 3.3), rwzi-terreinen (Paragraaf 3.4), agrarische terreinen (Paragraaf 3.5), en voormalig mijnbouwlocaties (Paragraaf 3.6).
3.2
Haventerreinen Met name de grote installatieinstallaties die meer dan 2.500 m³/uur groengas produceren zijn erg geïnteresseerd in haventerreinen, dit vanwege de forse schaal van deze installaties en de bijbehorende substantiële materiaalstromen. Haventerreinen en overige bedrijventerreinen worden geregistreerd in de online dataset Integraal Bedrijventerreinen Informatie Systeem (IBIS) (Rijksoverheid, 2022), deze is voor het laatst geactualiseerd op 1 januari 2022. In deze database is een haventerrein een werklocatie van minimaal 1 hectare (ha) bruto waarvan een deel van de kavels een laaden/of loskade heeft en langs diep vaarwater ligt dat toegankelijk is voor grote zeeschepen. Wanneer in deze database gefilterd wordt op terreinen waar minimaal 2 hectare beschikbaar is met minimaal milieucategorie 3 blijven negentien locaties over met samen 1.874 ha aan beschikbare kavels van 2 ha of groter. Een aanzienlijk deel daarvan zal inmiddels reeds uitgegeven zijn of gereserveerd maar dan nog is de verwachting dat er voldoende ruimte over blijft om de installaties uit deze studie te kunnen huisvesten. De haventerreinen zijn als volgt verspreid over de provincies: Tabel 3 – Indicatie van aantal havenlocaties in Nederland op basis van IBIS-database Provincie
Aantal havenlocaties
Groningen
2
Drenthe
1
Friesland
1
Noord-Holland
1
Overijssel
1
Zuid-Holland
6
Noord-Brabant
1
Zeeland
6
Bron: (Rijksoverheid, 2022).
De terreinnaam en plaats van de haventerreinen zijn opgenomen in Bijlage F.
15
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
3.3
Bedrijventerreinen Nieuwe middelgrote en grote installaties zijn over het algemeen afhankelijk van beschikbare ruimte op bedrijventerreinen. Om een goed beeld te krijgen van de beschikbaarheid van geschikte bedrijventerreinen is begonnen met het afnemen van interviews met enkele marktpartijen om zo een beter beeld te krijgen van de criteria die gesteld worden aan dergelijke terreinen. Uit deze interviews is het beeld ontstaan zoals geschetst in Tabel 4. Voor ondernemers spelen andere overwegingen een rol als voor netbeheerders. Daar waar bij netbeheerders vooral het invoedvolume bepalend is zullen ondernemers vooral kijken naar de mogelijkheden van de locatie. Daarbij is ook het type installatie van belang: Een industriële vergasser stelt andere eisen aan een locatie dan een grootschalige vergister. Tabel 4 – Locatiecriteria voor groengasinstallaties op bedrijventerreinen Locatiecriteria
Middelgrote installaties
Grote installaties
Vergassingsinstallaties
Beschrijving
Bijvoorbeeld monomestvergisters die meer dan 25 kton/jaar verwerken of allesvergisters die max. 85 kton/jaar verwerken.
Installaties die meer dan 85 kton/jaar biogrondstoffen verwerken
Grote installaties die biogrondstoffen omzetten in groengas in meerdere stappen. Nieuwe techniek.
Van 400 tot 2.500
Meer dan 2.500
Meer dan 2.500
Minimaal 2 hectare
Minimaal 3 hectare
Minimaal 1,5 hectare (incl. voorbehandeling en opslag biogrondstoffen 3,5 hectare)
Minimaal 3.2
Minimaal 3.2, maar liever 4 of 5
Minimaal 3.2, maar liever 4 of 5
Groengascapaciteit 3
(Nm /uur) Benodigd oppervlakte
Milieucategorie Bouwhoogte
Tot 12 meter
Meer dan 12 meter
Minimaal 15 meter
Ontsluiting
Goede ontsluiting via de weg
Goede ontsluiting via grotere doorgaande wegen
Goede ontsluiting via grotere doorgaande wegen. Via water is een pré.
Afstand tot woningen
Minimaal 100 meter
Minimaal 500 meter
Minimaal 500 meter
Vervolgens is op basis van bovenstaande criteria gezocht naar geschikte terreinen door: — ze te delen met de Provincies en te vragen welke terreinen aan bovenstaande criteria voldoen; — ze te gebruiken om een selectie te maken in de online IBIS-dataset van bedrijventerreinen (Rijksoverheid, 2022). Uit de raadpleging van de IBIS-dataset blijkt dat begin 2022 nog 119 bedrijventerreinen geschikte kavels hadden. In totaal was toen nog 1.927 ha beschikbaar. Daarvan zal inmiddels al een deel zijn uitgegeven en gereserveerd. Ondanks dat is de verwachting dat er nog voldoende bedrijventerreinen beschikbaar zullen zijn om nieuwe (middel)grote groengasinstallaties die tussen nu en 2030 worden gerealiseerd te huisvesten. Het aantal nieuwe (middel)grote installaties in de scenarioresultaten is namelijk maximaal 25. Opgemerkt moet worden dat hier alleen is gekeken naar fysieke geschiktheid van de
16
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
locaties. Voor ieder bedrijventerrein geldt dat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn vastgelegd in een gemeentelijk bestemmingsplan (en inmiddels in het omgevingsplan). In het tijdsbestek van deze opdracht was het niet mogelijk om al deze plannen door te nemen om te kijken of daar zaken in staan die de vestiging van groengasinstallaties kan belemmeren. Ondanks fysieke geschiktheid kan een bedrijventerrein toch afvallen omdat het bestemmingsplan strijdig is en, indien mogelijk, aangepast moet worden. Daarom moet het aantal geschikte terreinen vooral als een indicatie gezien worden. In algemene termen kan echter geconstateerd worden dat de hoeveelheid geschikte bedrijventerreinen tot 2030 niet limiterend zal zijn voor de groei van het groengasvolume in Nederland.
3.4
Rwzi-terreinen De potentie van groengasproductie op rwzi-terreinen in 2030 is gebaseerd op eerder eigen onderzoek, andere bestaande literatuur en een interview met de Unie van Waterschappen (UvW). Rwzi-terreinen zijn potentiële locaties voor de productie van groengas. Nadat afvalwater gezuiverd is blijft er slib over waaruit biogas kan worden gewonnen. Op dit moment hebben 68 van de ruim 300 rwzi-locaties een vergister, welke samen zo’n 90% van de totale hoeveelheid slib vergisten, mede door aanvoer van slib van andere rwzi-locaties (TAUW, 2022). Het grootste deel van het geproduceerde biogas wordt op dit moment ingezet in warmtekrachtkoppelingseenheden (wkk-eenheden) en omgezet in elektriciteit en warmte, voor eigen lokaal gebruik. Een klein deel wordt ingevoed op het net in de vorm van groengas. In de SDE-lijst van oktober 2023 staan 14 slibvergistingsinstallaties (RVO, 2023). Ook hier wordt het grootste deel van het geproduceerde biogas voor eigen gebruik ingezet. Indien deze installaties opwaarderen naar groengas kan ongeveer 30 miljoen m3 groengas per jaar geproduceerd worden. De UvW heeft een strategische visie uitgebracht, waarin zij een doelstelling van 80 miljoen m3 groengas in 2030 heeft opgenomen (Unie van Waterschappen, 2022). Deze doelstelling komt overeen met 75% van het op dit moment geproduceerde biogas. De investeringskeuze is aan de waterschappen zelf.
De verwachting is dat er interesse is vanwege de maatschappelijke waarde en het mogelijke financiële rendement. Wel zijn er ook onzekerheden zoals congestie op het elektriciteitsnet. Hierdoor richten waterschappen hun ogen ook op andere verduurzamingsmogelijkheden zoals energiehubs. Extra groengasproductie door combinatie met andere reststromen is mogelijk, maar zal waarschijnlijk beperkt zijn. Combinatie met mestvergisting is niet vanzelfsprekend vanwege juridische, financiële en praktische barrières. Het digestaat van gft-vergister kan waardevoller (als compost) worden ingezet dan het digestaat van slibvergisting, waardoor combinatie hiervan niet logisch is. Ten slotte is er de mogelijkheid om maaisel toe te voegen in de vergister, maar het potentieel hiervan is naar verwachting beperkt. Bovendien moet hier worden opgemerkt dat een oorspronkelijk doel van slibvergisting juist is om de hoeveelheid slib te verminderen. Ook om deze reden ligt de vergisting van andere stromen niet voor de hand. Voor de potentie van groengasproductie in 2030 gaan we uit van 80 miljoen m3, welke volgt uit een studie van Tauw (TAUW, 2022) en wat de UvW tot doel heeft gesteld. Dit betekent dat naast de potentiële 30 miljoen m3 uit de SDE-lijst nog ongeveer 50 miljoen m3 geproduceerd zou moeten worden.
We hebben deze hoeveelheid naar rato van het groengaspotentieel verdeeld over de verschillende rwzi-installaties waar op dit moment een vergistingsinstallatie staat maar die niet in de SDE-lijst staan (TAUW, 2022) (Arcadis, 2023).
17
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
3.5
Agrarische terreinen Veehouderijen (runderen en varkens) kunnen een prominente bijdrage leveren aan het verhogen van het groengasvolume en de reductie van broeikasgasemissies omdat: — Nederland, ook na een krimp van de veestapel, veel mest heeft dat gebruikt kan worden voor de productie van groengas; — groengas uit mest een hoge broeikasgasreductie met zich mee brengt vanwege vermeden emissies van methaan. Omdat vanuit bestemmingsplannen vaak restricties gelden voor de aanvoer van biogrondstoffen en/of mest is niet iedere veehouderij is geschikt voor de productie van bio- en/of groengas. De kleinst mogelijke vergister op de markt wordt geleverd door Biolectric en wordt aanbevolen vanaf 60 koeien. Deze produceert biogas dat gebruikt kan worden in een wkk of dat via een verzamelleiding naar een opwaardeerinstallatie gebracht kan worden. Veehouderijen met meer dan 250 stuks melkvee, en bijbehorend jongvee, kunnen zelfstandig een rendabele groengasinstallatie exploiteren. In Tabel 5 wordt getoond hoeveel melkveehouderijen er zijn per provincie in de verschillende grootteklassen.
Omdat er rond de 12.000 vleesvarkens nodig zijn om een vergister op basis van varkensmest rendabel te maken (Boerderij, 2023) en de grootste varkenshouderijen (met 5.000 varkens of meer) per locatie gemiddeld 6.500 varkens hebben (CBS, 2022), is het aantal varkenshouderijen dat in een vergister op eigen erf kan investeren waarschijnlijk beperkt. Daarbij komt dat de meeste varkenshouders geen ruimte hebben om de mest of het digestaat toe te passen en het daarom toch afgevoerd moet worden. Tabel 5 – Aantal bedrijven met melkkoeien en vrouwelijk jongvee ouder dan 1 jaar in 2021 Provincie 50 tot 100
Aantal melkkoeien en vrouwelijk jongvee per bedrijf 200 tot 5003 100 tot 200 500 of meer
Groningen
127
374
266
27
Friesland
406
1.237
712
71
Drenthe
164
458
265
15
Overijssel
766
1.431
443
12
Flevoland
34
106
80
13
Gelderland
744
1.194
436
17
Utrecht
393
521
125
7
Noord-Holland
231
401
182
10
Zuid-Holland
316
452
151
8
Zeeland
46
80
57
6
Noord-Brabant
455
971
482
29
Limburg
90
245
89
7
Nederland
3.772
7.470
3.288
222
Bron: (WUR, 2023).
3.6
Voormalige mijnbouwlocaties Voormalige mijnbouwlocaties hebben infrastructureel enkele voordelen ten opzichte van andere locaties en zouden daardoor mogelijk versneld ingezet kunnen worden voor de productie van groengas. ________________________________ 3
De gemiddelde bedrijfsgrootte in deze categorie is 276 melkkoeien en jongvee per bedrijf. Een aanzienlijk deel van deze groep heeft dus meer dan 250 veedieren.
18
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
Energie Beheer Nederland (EBN) heeft dit onderzocht (EBN, 2022) en komt tot de conclusie dat circa 15% van alle mijnbouwlocaties geschikt zouden kunnen zijn voor de productie van groengas. Wanneer ook aspecten als biomassabeschikbaarheid, oppervlakte en datum van uitgebruikname meegenomen worden valt een groot deel af. In de periode tot 2030 zou, bij tijdige start van ontwikkeling, in theorie een totale groengasproductiecapaciteit van 0,2 bcm per jaar gerealiseerd kunnen worden op in totaal 17 mogelijk inzetbare voormalige mijnbouwlocaties. Eén van de geïdentificeerde belemmeringen is de omzetting van vergunningen. Zodra de mijnbouwactiviteiten stoppen vervalt de mijnbouwvergunning en -bestemming en geldt dat ze hun originele bestemming terugkrijgen. Dit is voor grotere locaties vaak industrieel, maar voor kleine en middelgrote (put)locaties vaak agrarisch. Deze laatste bestemming maakt dat voor de inzet van die terreinen voor de vestiging van (middel)grote groengasinstallaties een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is, wat op dit moment een bottleneck is. Om die reden worden deze terreinen niet verder los meegenomen in dit onderzoek. Overigens kan de geschiktheid van voormalige mijnbouwlocaties in de toekomst veranderen als het RePowerEU-idee om ‘go-to-gebieden’ aan te wijzen en strakkere vergunningstermijnen te stellen realiteit wordt.
19
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
4 Locatie- en realisatiekeuzes 4.1
Introductie In dit hoofdstuk wordt inzicht verschaft in de totstandkoming van locatiekeuzes en realisatiekeuzes door ontwikkelaars van groengasinstallaties. De bevindingen van dit hoofdstuk zijn een input voor de scenarioanalyse die wordt beschreven in Hoofdstuk 6. We hebben een marktconsultatie uitgevoerd met behulp van interviews, waarin we inzichten over de locatie- en realisatiekeuzes hebben verzameld. Er zijn 29 interviews uitgevoerd, waarvan: — twee met marktpartijen die investeren in kleine monomestvergisters; — twintig met partijen die investeren in grote monomestvergisters, allesvergisters en vergassers; — zeven met andere betrokkenen zoals vergunningverlenende instanties. In Bijlage A is een lijst van geïnterviewde partijen opgenomen. Ter voorbereiding op de interviews is een digitale enquête uitgevoerd, waarin de mate van belang van de locatiecriteria en realisatiecriteria is uitgevraagd. Vervolgens zijn in de interviews zelf nadere vragen gesteld naar aanleiding van de antwoorden op de enquête, en zijn aanvullende vragen gesteld. De vragen van de enquête en interviews zijn opgenomen in Bijlage B. We hebben gevraagd naar de rol van locatie- en realisatiecriteria in de besluitvorming over de vestigingslocatie van een installatie en over de final investment decision (FID).
Dit leverde kwalitatieve informatie op over de besluitvorming over locatie- en realisatiekeuzes van investeerders in groengasinstallaties. Daarnaast hebben we in de interviews ook naar andere afzetmarkten voor biogrondstoffen en groengas gevraagd en naar de invloed van relevante marktomstandigheden en -onzekerheden, zoals beleidsontwikkelingen op Europees, nationaal en provinciaal niveau.
4.2
Inzichten locatiekeuzes In dit hoofdstuk worden de verschillende aspecten die meespelen in het kiezen van een locatie voor een vergistings-, vergassings- en/of opwerkinstallatie besproken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds kleine monomestvergisting, en anderzijds (middel)grote monomestvergisting, allesvergisting en vergassing.
Kleine monomestvergisting Monomestvergisting vindt over het algemeen plaats op het terrein van boerderijen. Mest geproduceerd door het vee op de locatie zelf wordt eventueel gecombineerd met aanvoer van nabijgelegen boerderijen en vergist in een monomestvergister. Wanneer een kleine monomestvergister op het terrein van een veehouderij wordt geplaatst ligt de locatie al vast en hoeft hier geen keuze over te worden gemaakt. Er zijn rond de 3.500 veehouderijen
20
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
in Nederland met 200 koeien of meer, waar minimaal 2504 koeien nodig zijn om een eigen monomestvergister rendabel te maken zonder mestaanvoer van derden (zie Paragraaf 3.5). Dit laat zien dat er veel potentie is voor monomestvergisters op eigen erf. Er is een aantal initiatieven van biogashubs, waarbij een cluster van een aantal boeren lokaal biogas produceert en dit biogas centraal opgewerkt wordt tot groengas. De locatie van een dergelijk opwerksysteem is voornamelijk afhankelijk van de ligging van aangesloten boerderijen en kan een boerenerf of een industrieel terrein zijn.
(Middel)grote monomestvergisting, allesvergisting en vergassing Grootschalige monomestvergisting, allesvergisting en vergassing vinden over het algemeen plaats op industriële terreinen, omdat een vergunning hier het makkelijkst te krijgen is. Deze terreinen bieden de meeste mogelijkheden in het bestemmingsplan voor wat betreft maximale bouwhoogte en andere eisen. In Tabel 6 staan de criteria die door de geïnterviewden het meest belangrijk werden gevonden voor de locatiekeuze voor een (middel)grote installatie. Tabel 6 – Criteria die als belangrijk worden gezien bij de keuze voor een locatie voor een (middel)grote installatie Criterium
Toelichting
Aansluiting/capaciteit elektriciteitsnet
Over het algemeen hebben groengasinstallaties een grootverbruikaansluiting nodig van elektriciteit. Door de energietransitie ontstaat in Nederland steeds meer (kans op) netcongestie. Hierdoor kunnen partijen op de korte termijn mogelijk niet aangesloten worden op het elektriciteitsnet, of kunnen zij geen (extra) transportvermogen krijgen. De mate van congestie is verschillend in de verschillende regio’s in Nederland (Netbeheer Nederland, 2023a). In sommige gevallen is dit criterium bepalend voor de keuze van een locatie, in andere gevallen niet.
Afstand tot omwonenden
In verband met mogelijke geuroverlast voor omwonenden houden ondernemers bij het zoeken naar een locatie over het algemeen al rekening met een minimale afstand tot woningen. Er wordt minstens een afstand van ongeveer 500 meter aangehouden.
Vergunningstraject
Het doorlopen van een vergunningstraject is van veel lokale factoren afhankelijk, zoals gemak van aanpassing van het bestemmingsplan, lokale weerstand tegen de plaatsing van een vergister en het lokale beleid omtrent het toestaan van vervoersbewegingen. Deze factoren verschillen per provincie/gemeente.
Aansluiting aardgasnet5
De gasvraag is in de zomer lager dan in de winter, doordat er minder gestookt wordt in de zomer. Hierdoor kan gas niet altijd ingevoed worden op de netwerken van de regionale netbeheerder (RNB). Om te kunnen invoeden moet ofwel het afzetgebied van het RNB-net vergroot worden, ofwel moet een compressor geplaatst worden door de ondernemer of netbeheerder zodat het gas ingevoed kan worden op een hogeredruknetwerk. Deze maatregelen kunnen voor de ondernemer vertraging en kosten opleveren. In sommige gevallen zijn
________________________________ 4
Uit de interviews is gebleken dat een groter aantal koeien, namelijk 500, nodig is om een realistischere
5
business-case te verkrijgen. Het locatiecriterium ‘aansluiting aardgasnet’ is niet meegenomen in de scenarioanalyse van deze studie, omdat dit buiten de scope van de opdracht valt.
21
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
Criterium
Toelichting onzekerheden over de invoeding van gas bepalend voor de keuze van een locatie, in andere gevallen niet. Voor grotere installaties is de nabijheid van het gastransportnetwerk van GTS een voorwaarde. Soms wordt bio-LNG overwogen in plaats van groengasproductie omdat hierbij geen aansluiting op het net nodig is.
Naast bovenstaande criteria, zijn er nog meer factoren die invloed kunnen hebben op de locatiekeuze van een ondernemer in een (middel)grote vergister/vergasser. Criteria die soms als belangrijk gezien worden zijn: de hoeveelheid aaneengesloten grondoppervlak, de afstand tot Natura 2000-gebied, de lokale afzetmogelijkheden voor digestaat en de toegankelijkheid van de locatie via het water. Criteria die over het algemeen als niet beperkend gezien worden, zijn: de lokale beschikbaarheid van co-producten en de toegankelijkheid via de weg. De lokale beschikbaarheid van mest wordt door ondernemers in grote monomestvergisting wel als beperkend genoemd. Wanneer een bedrijf een installatie exploiteert voor vergassing, wordt de toegankelijkheid van de locatie via het water relatief vaak als belangrijk gezien vanwege de aanvoer van grondstoffen. Om deze reden zijn havenlocaties interessant.
4.3
Inzichten realisatiekeuzes In dit hoofdstuk worden de verschillende aspecten die meespelen in het besluit voor het realiseren van een vergistings-, vergassings- en/of opwerkinstallatie besproken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds kleine monomestvergisting en anderzijds (middel)grote monomestvergisting, allesvergisting en vergassing.
Kleine monomestvergisting De keuze tot realisatie van een monomestvergister is van verschillende factoren afhankelijk. De realisatiecriteria die uit de interviews als meest belangrijk naar voren kwamen staan in Tabel 7. Tabel 7 – Criteria die als belangrijk worden gezien in de keuze voor realisatie van een monomestvergister
22
Criterium
Toelichting
Zekerheid bijmengverplichting
Het kabinet is voornemens om een bijmengverplichting groengas in te voeren, waarbij gasleveranciers verplicht zijn om een deel van de gasafname af te dekken met certificaten voor groengas geproduceerd in NL (groengaseenheden ofwel GGE’s). Het kabinet heeft hiertoe medio 2023 een wetsvoorstel ingediend (Ministerie van EZK, 2023) en in 2024 een Kamerbrief uitgebracht (Ministerie van EZK, 2024). De bijmengverplichting wordt door partijen gezien als een belangrijke stimulans voor investeringen in vergistings- en opwerkinstallaties. Voor monomestvergisting is specifiek relevant dat het plan is om te sturen op basis van CO2-equivalenten, omdat met monomestvergisting relatief veel uitstoot beperkt wordt. Hoewel partijen enerzijds anticiperen op de komst van de bijmengverplichting, zijn zij ook terughoudend zolang deze nog niet is vastgelegd in wet- en regelgeving en de invulling en tijdsduur ervan onzeker is.
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
Criterium
Toelichting
Minimale grootte installatie
De rendabiliteit van een groengasinstallatie is afhankelijk van de omvang van de installatie. De inzichten over een minimaal benodigde grootte variëren, maar grofweg kan gezegd worden dat dit overeenkomt met de mest van 250 tot 500 koeien. De meeste boerderijen zijn kleiner in omvang; een gemiddelde melkveehouder heeft zo’n 110 koeien (CBS, 2023a). Een mogelijkheid is aanvoer van derden, maar transport over de weg is vaak maar beperkt mogelijk in verband met lokale regelgeving. Een andere mogelijkheid is om op meerdere boerderijen lokaal te vergisten en het biogas te transporteren (via de weg of pijpleidingen), om centraal op te waarderen naar groengas. Een bottleneck hierbij is de organisatiekracht die dit vergt.
SDE-subsidie6
Er bestaan twee categorieën binnen de SDE++: kleinschalige en grootschalige monomestvergisting (PBL, 2023). De SDE++ kent echter elk jaar een beperkt budget en kosten per ton vermeden CO2-uitstoot zijn voor monomestvergisters dusdanig hoog dat er een reële kans is dat een project geen subsidie krijgt. Financiering door de bank wordt hierdoor ook heel moeilijk.
Aansluiting aardgasnet7
Omdat met name in de zomerperiode het gasverbruik lokaal en regionaal lager kan zijn dan de hoeveelheid groengas die wordt ingevoed zijn maatregelen nodig. De capaciteit van het distributienet kan worden vergroot door koppelingen te leggen met andere netten en groengas kan via een boosterstation op een hogere druk gebracht worden om over te kunnen storten op een gasnetwerk met hogere druk. Dat kan een hoger drukniveau zijn van het distributienet of het landelijke gasnetwerk van Gasunie (GTS). Deze maatregelen kunnen voor de ondernemer vertraging en kosten opleveren. Een biogashub/cluster van boeren kan uitkomst bieden omdat dit flexibiliteit biedt in de locatie van invoeding.
Naast bovenstaande criteria spelen nog meer criteria mee in de keuze tot realisatie van een kleine monomestvergister. Criteria die wel meespelen, maar niet beperkend zijn, zijn: de kosten en beschikbaarheid van bouwmaterialen en arbeidskrachten, de termijn van contractering van digestaat en groengas en de juridische borging van stikstofreductie door aanpassing van de stalvloer. Tijdens de interviews werd meermalen genoemd dat de kosten van de afzet van digestaat relevant zijn. Met de afschaffing van de derogatieregeling mogen boeren minder mest afzetten op de eigen grond, en zij moeten betalen voor de afvoer van het overgebleven digestaat. Deze kosten zijn er echter ook zonder vergister en daarom is de invloed op de keuze van plaatsing van een vergister beperkt. De invloed van de mogelijke reductie van de veestapel is naar verwachting beperkt omdat de veestapel dermate groot is dat er genoeg mest ter beschikking is voor vergisting. Medewerking van de lokale overheid heeft ook een beperkte invloed op de realisatiekeuze.
________________________________ 6
7
Na het afnemen van de interviews is bekend geworden dat een extra categorie wordt toegevoegd voor kleinschalige mestmonovergisting. Deze categorie moet de kleinere veehouders met circa 130 koeien ook in staat stellen om groengas te produceren uit mest. Het locatiecriterium ‘aansluiting aardgasnet’ is niet meegenomen in de scenarioanalyse van dit onderzoek, omdat dit buiten de scope van de opdracht valt.
23
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
(Middel)grote monomestvergisting, allesvergisting en vergassing De keuze tot realisatie van een (middel)grote monomestvergister, allesvergister of vergasser is van verschillende factoren afhankelijk. De realisatiecriteria die uit de interviews als meest belangrijk naar voren kwamen, staan in Tabel 8 weergegeven. Tabel 8 – Criteria die als belangrijk worden gezien in de keuze voor realisatie van een (middel)grote installatie Criterium
Toelichting
Zekerheid bijmengverplichting
Het kabinet is voornemens om een bijmengverplichting groengas in te voeren en heeft hiertoe medio 2023 een wetsvoorstel ingediend (Ministerie van EZK, 2023) en in 2024 een Kamerbrief uitgebracht (Ministerie van EZK, 2024). De bijmengverplichting wordt door partijen gezien als een belangrijke stimulans voor investeringen in groengasinstallaties. Hoewel partijen enerzijds anticiperen op de komst van de bijmengverplichting, zijn zij ook terughoudend zolang deze nog niet is vastgelegd in wet- en regelgeving en de invulling en duur ervan onzeker is.
Medewerking van beleid
In verband met de stikstofcrisis is het moeilijk om een stikstofvergunning te krijgen. Dit gaat niet zozeer om de stikstofuitstoot tijdens de bouw, maar meer om de uitstoot van de installatie tijdens bedrijfsvoering en de uitstoot die komt kijken bij vervoersbewegingen.
Weerstand van milieugroepen
Er is met enige regelmaat sprake van weerstand van georganiseerde milieugroepen tegen de bouw van installaties, met name in verband met stikstofuitstoot.
Naast bovenstaande factoren, zijn er nog andere factoren die belangrijk zijn maar die over het algemeen niet beperkend zijn. Dit gaat om: kosten en beschikbaarheid van bouwmaterialen en arbeidskrachten, termijnen voor contractering, beschikbaarheid van SDE++subsidie en verkoop van certificaten (zowel aan het buitenland als in Nederland). Bij het criterium van medewerking van beleid is de toepassing van de nieuwe Omgevingswet een belangrijke factor die invloed heeft op de doorlooptijd van de vergunningsprocedure voor nieuwe groengasinstallaties. De Omgevingswet en de rol van overheden wordt toegelicht in onderstaand kader.
24
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
Tekstkader 1 - Omgevingswet, overheden en verantwoordelijkheden Nagenoeg alle bestaande wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving gaat op in de Omgevingswet. De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. Deze wet bestaat uit een vernieuwend stelsel van instrumenten die met elkaar samenhangen en waarin een gebied als geheel wordt bekeken. De Omgevingswet schrijft voor dat het rijk, de provincies en gemeenten elk een samenhangend, strategisch plan over de leefomgeving vaststellen: een omgevingsvisie. Decentrale overheden brengen al hun regels over de leefomgeving bijeen in één gebiedsdekkende regeling. In deze plannen kunnen ook omgevingswaarden of kaders om vergunningen aan te toetsen opgenomen worden. Het rijk kan algemeen geldende regels stellen voor de bescherming van de leefomgeving om te voorkomen dat bedrijven steeds toestemming moeten vragen aan de overheid. De omgevingsvergunning toetst vooraf of bepaalde activiteiten toegestaan zijn. Via één loket krijgen initiatiefnemers snel duidelijkheid voor de activiteiten die zij willen uitvoeren. Projectbesluiten bieden uniforme procedures voor besluitvorming over complexe projecten die voortvloeien uit de verantwoordelijkheid van rijk of provincies en waterschappen. Deze projectbesluiten laten procedures sneller en beter verlopen en bieden de mogelijkheid om van het omgevingsplan af te wijken.
Ook kunnen ze in de plaats komen van de omgevingsvergunning. Bij zowel de omgevingsvisie, omgevingsplan, programma als bij een projectbesluit moeten overheden aangeven hoe zij participatie hebben ingericht. Het gebrek aan ervaring met de Omgevingswet leidt in de beginperiode mogelijk tot vertraging in vergunningsprocedures.
25
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
5 Beschikbaarheid biogrondstoffen 5.1
Introductie In dit hoofdstuk wordt de economische beschikbaarheid van biogrondstoffen voor groengasproductie ingeschat. De bevindingen van dit hoofdstuk zijn een input voor de scenarioanalyse die wordt beschreven in Hoofdstuk 6. In de scenarioanalyse wordt een vergelijking gemaakt tussen aanbod en gebruik van biogrondstoffen in Nederland voor groengasproductie. Voor de inschatting van de economische beschikbaarheid van biogrondstoffen voor groengasproductie wordt voortgebouwd op onze eerdere scenariostudie over groengasinvoeding (CE Delft, 2020). We maken gebruik van de voortschrijdende inzichten op dat vlak vanuit de vervolgstudie die CE Delft voor het ministerie van EZK heeft uitgevoerd over de inrichting van de bijmengverplichting groengas, waarin de eerdere potentieelcijfers zijn bijgewerkt (CE Delft, 2023). De inschatting uit de vorige studie is verbeterd op de volgende punten: — Potentieel uit landbouwgras is gereduceerd, omdat dit als veevoer wordt ingezet en het als grondstof voor groengasproductie te duur is. — Een nieuwe inschatting van economische beschikbaarheid van reststromen uit de voedings- en genotmiddelenindustrie (VGI), inclusief verdeling over provincies. — Een nieuwere schatting uit CE Delft (2023) van groengasproductie uit runder- en varkensmest is meegenomen, waarin rekening is gehouden met krimp van de veehouderij.
Dit leidt tot een reductie van beschikbare dunne mest van 23% en een reductie van beschikbare vaste mest van 19%. — Een nieuwere schatting uit CE Delft (2023) van groengasproductie uit slib is meegenomen, en deze productie is toebedeeld aan rwzi’s met een slibvergister (zie Paragraaf 3.4). In CE Delft (2023) was het economisch groengaspotentieel uit Nederlandse biogrondstoffen op basis van vergisting en houtvergassing berekend op 1,26 bcm/jaar. In de voorliggende studie komen we uit op 1,51 bcm/jaar. Deze toename heeft onder andere te maken met een groter ingeschat potentieel uit VGI-reststromen in deze studie. In dit rapport moeten we volstaan met een inschatting van de economische beschikbaarheid omdat voor veel stromen gedetailleerde informatie ontbreekt. De totale aanwezigheid van biogrondstoffen (technische beschikbaarheid) is redelijk goed te kwantificeren. Omdat in Nederland geen instantie bestaat die de prijsvorming van en handel in hoeveelheden biogrondstoffen registreert is de vertaling naar economische beschikbaarheid moeilijk te maken.
5.2
Uitwerkingen Reststromen voedings- en genotmiddelenindustrie (VGI) In 2020 waren er in Nederland bijna 7.000 bedrijven actief in de voedings- en genotmiddelenindustrie (VGI) en samen produceerden zij ruim 8.000 ton afval (CBS, 2023b, 2024). Hiervan is het merendeel dierlijk of plantaardig, en daarmee vormt de VGI-sector
26
230260 - Scenariostudie groengasproductie rond 2030 – Maart 2024
een potentieel grote bron van biomassa. Een deel van deze organische reststromen kent nu en ook in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid een andere toepassing dan groengas. Een deel wordt hoogwaardiger ingezet als bijvoorbeeld diervoeding en een deel wordt voor eigen elektriciteit en/of warmte gebruikt. Bij gebrek aan informatie over VGI-reststromen op bedrijfs- of provinciaal niveau zijn we voor een inschatting van het groengaspotentieel uitgegaan van een nationaal economisch beschikbaar potentieel van reststromen gebaseerd op (DNV GL, 2017) en (CE Delft, 2020). We gaan er vanuit dat grofweg een derde van het geproduceerde biogas lokaal omgezet wordt in elektriciteit en warmte. Dit resulteert in een potentieel van 54 miljoen m3 groengas voor invoeding per jaar. De verdeling naar provincies wordt gemaakt op basis van het aantal VGI-bedrijven per provincie (CBS, 2023c).
Import biogrondstoffen uit het buitenland Met name de energierijke biogrondstoffen kennen een internationale markt; Nederland imen exporteert biogrondstoffen. Import kan een belangrijkere rol gaan spelen rond 2030, met name bij de grote vergisters en vergassers. Bij dit soort installaties is vaak een substantieel deel van de primaire energie van de biogrondstoffen afkomstig uit het buitenland. Het economisch potentieel uit import is van veel factoren afhankelijk. Zo zal in een CO2gestuurd systeem de transport van biogrondstoffen enigszins ontmoedigd worden vanwege de broeikasgasuitstoot bij dit transport. Bij stijgende groengasprijzen in Nederland zal de export van biogrondstoffen afnemen en de import toenemen. In de scenarioanalyse is per installatie primair gekeken of er voldoende binnenlandse biomassa beschikbaar is om de installatie te laten draaien. In situaties waarin dat niet het geval is, is ervan uitgegaan dat de input wordt aangevuld met buitenlandse biogrondstoffen.