Huijsmans, Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle Hierbij doe ik u toekomen...
Tekst van het document
Dit valt te verklaren door het feit dat Knipscheer als kandidaat-notaris vanaf maart 1943 plaatsvervanger van notaris Nijk te Olst was.191 Na de oorlog werd tijdens de behandeling van zijn zaak door het Tribunaal aan Nijk gevraagd of hij kon verklaren waarom hij zo in trek was geweest bij zovelen voor “de transporten van Joodse bezittingen”.192 Hij probeerde zichzelf te verdedigen met het argument dat andere notarissen ook akten van die soort hadden gepasseerd, maar gaf uiteindelijk toe dat het misschien ook wel kwam omdat hij NSB-notaris was. Hoewel hij in april 1943 bedankt had voor de NSB, werd hem door de president verweten: “maar al die joodse transporten van bezit, waaraan u hebt medegewerkt, dat was toch roof!”, waarop Nijk antwoordde: “ ’t Sprak weinig tot mij. Ik was niet vrij van anti-semitisme”.193 Hoewel Nijk berouw toonde en zijn advocaat de zaak probeerde te redden met o.a. het argument dat Nijk wel aan de joodse transporten verdiend had maar zijn salaris als waarnemend burgemeester van Hengelo flink tegenviel, mocht het allemaal niet baten. Nijk werd ontslagen en geïnterneerd. Zijn vervanger L. van de Wal, kandidaat-notaris, werd op 8 mei 1947 benoemd.194 Na de oorlog zouden van de voornoemde notarissen onder meer Meppelink, Willemse, Minke en Windemuller betrokken zijn bij de rechtsherstelprocedures of optreden als bewindvoerder van joodse boedels.
Willemse en Minke waren dus zowel betrokken bij de ontrechting als het rechtsherstel. Dit was niet verwonderlijk, aangezien notarissen dubbel konden verdienen aan een pand als zij na de oorlog voor het pand dat onder hen verkocht was ook de rechtsherstelakte opstelden.195
188 Duijvendak en Van der Poel, Lege plekken, p. 70, verwijzen naar Raymund Schütz,
Kille mist: Het Nederlandse notariaat en de erfenis van de oorlog (Amsterdam: Boom 2016), p. 130-131, 239-264. 189 Het adresboek van Zwolle, Jaargang 1940, p. 295. 190 Database door auteur; Handgeschreven lijst van notarissen in potlood. Collectie Overijssel, toegang 0145 (Bewaarders van de Hypotheken en het Kadaster in Overijssel) inv. nr. 10781. 191 De koerier, 20-03-1943. Geraadpleegd via Delpher. Zie ook het briefje van Knipscheer in het Duits aan de gemeente Zwolle over de verkoop van panden, bron: Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 5463. 192 Deventer dagblad, 27-11-1947. Geraadpleegd via Delpher. 193 Ibid. 194 Nederlandsche Staatscourant, 20-05-1947. Geraadpleegd via Delpher. 195 Vos en Ter Braake, Rechtsherstel, p. 22.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
57
7.5
Rechtsherstel
Het initiatief voor het aanvragen van een rechtsherstelprocedure berustte na de oorlog bij de oorspronkelijke joodse eigenaar of diens erven. Na de bevrijding van Zwolle bleek de joodse gemeenschap van de stad fors geslonken. Onder de overlevenden vormden de voormalige onderduikers de grootste groep; slechts vier overlevenden waren teruggekeerd uit de concentratiekampen.196 Begin mei 1945 richtten vijf joodse mannen zich tot burgemeester Van Karnebeek met de oproep om een commissie “tot behartiging van de bijzondere Joodsche belangen” in het leven te roepen en deze te voorzien van “behoorlijke bevoegdheden”.197 Dit verzoek werd niet gehonoreerd: Van Karnebeek antwoordde dat dit geen aangelegenheid van de overheid was, maar maakte eveneens kenbaar graag van dienst te zijn indien een dergelijke commissie op eigen initiatief werd opgericht. ‘Op eigen initiatief’ bleek een terugkerend thema te zijn voor de berooide joodse overlevenden. Zij kregen amper steun van het lokale bestuur en moesten ook hun eigen rechtsherstelprocedure aanvragen om hun huis terug te krijgen. Het rechtsherstel in Zwolle vond grotendeels plaats in de jaren van 1945 tot 1950. In de eerder vermelde “opgave van vaste goederen, destijds door de bezetter inbeslag genomen en door de Nied. Grundstückverwaltung e.a.
verkocht” uit 1952 staat bij de meeste percelen de opmerking “Rechtsherstel verleend.”198 In totaal vermeldt deze naoorlogse ‘rechtsherstel’ lijst 116 vaste goederen en bij 17 panden ontbreekt de opmerking dat rechtsherstel verleend zou zijn; dat is 14,7%. Onderzoek in het Kadaster wees uit dat over deze percelen alsnog rechtsherstel verleend is, echter wat later: tussen 1950 en 1954. Het is dan ook zeer waarschijnlijk te achten dat de rechtsherstelprocedures nog niet geheel waren afgerond toen deze lijst met verkocht onroerend goed in 1952 werd opgesteld. Voor ingewikkelde zaken of zaken waarbij het niet meteen duidelijk was wie de nabestaanden waren had de Raad voor het Rechtsherstel langer de tijd nodig. Voor de meeste rechtsherstelprocedures geldt dat er minnelijk geschikt werd. Hypotheekbewaarder Bes maakte de geschillendossiers op verzoek van de Raad voor het Rechtsherstel op. Hierin staat aangegeven welke transacties er vanaf het begin van de bezetting plaatsvonden met betrekking tot het onroerend goed. Als waarmerk ondertekende Bes de dossiers op de laatste bladzijde.199
7.6
Achterstallige belastingen
Zoals hierboven vermeld was de overheid niet erg behulpzaam bij de wederopbouw van de joodse gemeenschap. Sterker nog, elke achterstallige cent over de oorlogsjaren werd teruggevorderd. In haar artikel over het harde rechtsherstel van de Nederlands Israëlitische Gemeente te Zwolle 1945 - 1948 brengt historica Iet Erdtsieck een opvallende zaak aan de oppervlakte. De ontvanger van de directe belastingen te Zwolle had namelijk op 6 oktober 1945 een aanmaning aan het adres van de joodse gemeente gestuurd: “hierbij doe ik u een duplicaataanslagbiljet toekomen betreffende den aanslag Grondbelasting 1944 art. 7853 ten bedrage van f. 3,98 met verzoek dit bedrag spoedig te willen
196 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 343. 197 Ibid., p. 343. 198 Opgave van vaste goederen, destijds door de bezetter inbeslag genomen en door de Nied. Grundstückverwaltung e.a. verkocht. 18 november 1952. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 189. 199 Mailcontact met Herman de Koning op 18 april 2023.
58
voldoen”.200 Het ging om grondbelasting voor de joodse begraafplaats, wat de zaak een wrang karakter gaf. Grondbelasting was echter een rijksbelasting en geen gemeentebelasting.201 Erdtsieck wist zich desgevraagd te herinneren dat de aanmaning wel door de gemeente Zwolle was gestuurd, wellicht dus namens het rijk. Straatgeld en erfpacht waren wel kostenposten die onder gemeentebelastingen vielen. Achterstallig straatgeld vormde na de oorlog geen probleem in Zwolle, aangezien de mogelijke invoering van een straatbelasting ter vervanging van rioolrecht pas in 1946 werd besproken tijdens de raadsvergaderingen.202 Als er al sprake zou zijn geweest van achterstallige erfpacht over de oorlogsjaren, zou het aandeel van de joodse erfpachters klein zijn geweest: er waren slechts drie percelen in Zwolle in erfpacht uitgegeven die door joden bewoond werden. Hoewel ze zelf in Rotterdam woonden, hadden Maurits Engers en Flora Anna de Pool een pand in de Oranje Nassaulaan. In diezelfde straat woonde Arnold Louis (Nol) Citroen. Hij werd in Amsterdam geboren op 6 september 1888 als zoon van Louis Citroen en Rosetta van Crevel. Hij had een jongere zus, Anna Citroen.203 Hij was elektrotechnisch ingenieur bij de IJsselcentrale in Zwolle.
In de jaren 1941 - 1942 ging hij werken als “leraar natuurkunde, mechanica en wiskunde aan het Joods Lyceum aan de Thorbeckegracht”.204 Hij was gemengd gehuwd met de niet-joodse Johanna Wilhelmina Jolink, geboren te Wijhe op 21 februari 1895. Het kinderloze stel woonde aan de Oranje Nassaulaan 20; Nol had het pand gekocht op 1 juni 1933. Tijdens de oorlog werd het pand onder beheer gesteld bij de NGV en in 1944 verkocht aan Johannis Vallen, caféhouder te Zwolle, voor een prijs van f. 6.250,-. Notaris Nijk passeerde deze akte.205 Met ingang van 1 mei 1945 nam Nol Citroen he t beheer van het perceel weer op zich. Op 1 juni 1949 werd er minnelijk geschikt tussen de weduwe van Citroen (Nol overleed op 27 november 1945) en de (anonieme) gemachtigde van Vallen.206 De derde joodse erfpachter was Abraham de Leeuwe. Zijn pand Rembrandtlaan 71 werd niet verkocht en bleef tijdens de oorlog onder beheer van de NGV. Hier is dan ook geen geschillendossier van aanwezig. De familie De Leeuwe bestond grotendeels uit kooplieden en woonde in de wat armere delen van de stad. Abraham de Leeuwe werd in 1888 geboren in Zwolle als zoon van Louis de Leeuwe en Vrouwtje Polak. Hij was getrouwd met Jaantje en had een succesvolle grossierderij in bananen.207 Hij overleefde de oorlog, in tegenstelling tot zijn zoon Louis, die in Auschwitz werd vermoord.
200 Iet Erdtsieck, ‘Het harde rechtsherstel van de Nederlands Israëlitische Gemeente te Zwolle 1945 - 1948’,
Zwols Historisch Tijdschrift (1998), p. 61. 201 Piersma en Kemperman, Openstaande rekeningen, hoofdstuk 5. 202 Uittreksel uit brief Gedeputeerde Staten der provincie Overijssel, 20 januari 1948. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 2876. 203 Mirjam Kan, CITROEN, ARNOLD LOUIS. Link: https://www.joodszwolle.nl/472-2/. Geraadpleegd op 4 juli 2023. 204 Ibid. 205 Geschillendossier zaak Citroen. Nationaal Archief, toegang 2.09.48 (Inventaris van het archief van de Raad voor het Rechtsherstel), inv. nr. 885. 206 Ibid. 207 Toespraak van Meriam de Leeuwe bij de onthulling van Stolpersteine, o.a. voor Louis de Leeuwe, zoon van Abraham de Leeuwe, Rembrandtlaan 71.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
59
In de jaarverslagen van het gemeentelijk grondbedrijf werden de geldelijke overzichten per oorlogsjaar opgenomen.208 In 1940 werd gemeld dat er geen achterstand bestond in de betaling der erfpachtcanons en dat het raadsbesluit van 1937 om geen in erfpacht uitgegeven terreinen te verkopen van kracht bleef. In het overzicht over 1941 werd dit raadsbesluit opnieuw bekrachtigd. In het overzicht over 1942 (opgemaakt in 1943) staat het volgende: “De verschenen erfpachtscanons ten laste van F.A. Engers-de Pool (groep I) en A. de Leeuwe (groep IV), onderscheidenlijk groot f. 85,30 en f. 48,30, konden, wegens nog niet plaatsgehad hebbende kadastrale overschrijving van dit joodsche bezit, niet geind worden; mitsdien zijn zij alsnog te vorderen op de balans gebracht”.209 Daarnaast bleef bovengenoemd raadsvoorstel nog steeds van kracht. Dit correspondeert met de situatie destijds: de panden van F.A. Engers-de Pool en A. de Leeuwe stonden op dat moment onder beheer en bleven onverkocht. Er vond dus geen kadastrale overschrijving plaats. Het geldelijk overzicht van 1943 meldde dat er “in de betaling van de erfpachtcanons geen achterstand meer bestaat”.210 Daaruit kan geconcludeerd worden dat de achterstand waarschijnlijk is betaald door de NGV. Hetzelfde geldt voor het pand van A.
Citroen, waar geen achterstand in betaling bij stond vermeld: waarschijnlijk zijn de erfpachtcanons betaald door de NGV toen het nog onder beheer stond, en vervolgens door de oorlogskoper van 1944 tot 1945. Het geldelijk overzicht over 1944 getuigde overigens wel van achterstand in een drietal erfpachtcanons, maar dit ging niet over joods bezit. In de overzichten over 1945 en 1946 werd niets over erfpacht vermeld.
7.7
Gevorderde panden en landbouwgronden
Aan het begin van de oorlogsjaren werden er al joodse panden gevorderd ten behoeve van de Wehrmacht of andere instanties van de bezetter. Daarnaast werden landbouwgronden in eigendom van joden ‘geariseerd’: gedwongen verkocht aan niet-joodse pachters. Deze twee processen verliepen niet volgens het gebruikelijke stramien van gedwongen verkoop en rechtsherstel en vormden daarmee een uitzondering. Gevorderde panden Met de komst van verordening VO 144/1940 konden panden gevorderd worden ten behoeve van de bezetter. Zowel joods als niet-joods vastgoed viel onder deze regeling. In Zwolle werden van de circa 223 panden van joodse eigenaren 19 panden gevorderd. In de archieven zijn lijsten van gevorderd vastgoed nauwkeurig per maand bijgehouden door de burgemeester van Zwolle.211 De eigenaren zijn met voor- en achternaam terug te vinden en de datum van vordering werd vermeld (zie onderstaande tabel). Onderstaande panden zijn allemaal tussen maart 1941 en november 1942 gevorderd.
208 Gemeentelijk grondbedrijf, Jaarverslagen 1940 - 1950, 1941 - 1951. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 2241. 209 Ibid. 210 Ibid. 211 Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nrs. 5462 en 5463.
60
Gevorderde panden van joodse eigenaren in Zwolle212:
Adres
Naam
Datum van vordering
1
Terborchstraat 8
S. Hompes
01/03/1941
2
Emmawijk 23
A. Troostwijk
15/10/1941
3
Melkmarkt 45
H. Hes
01/01/1942
4
Frederikstraat 12
M. Troostwijk
14/05/1942
5
Van Nagellstraat 9
C. Vecht
17/07/1942
6
Emmawijk 61
A. Troostwijk
25/07/1942
7
Groot Weezenland 22
E. A. Spanjaard
08/08/1942
8
Jufferenwal 22
A. en R. Bilderbeek
11/08/1942
9
Melkmarkt 43a
L. de Jong
17/08/1942
10
Roodetorenplein 8
L. Vomberg
20/08/1942
11
Ter Pelkwijkpark 8/1
J. Sanders
27/09/1942
12
Oranje Nassaulaan 20
J.W. Citroen-Jolink
02/10/1942
13
Veenestraat 2 (huis + inv.)
F. Broekman-Rozeboom
02/10/1942
14
Brederostraat 1 (huis + inv.)
J. Polak
02/10/1942
15
Rhijnvis Feithlaan 3 (huis + inv.)
J. Vecht
06/10/1942
16
Luttekestraat 40 (huis + inv.)
J. de Leeuwe
07/10/1942
17
Brederostraat 95 (inv.)
E. Anholt
12/10/1942
18
Westerlaan 48 (huis)
A. Troostwijk
28/10/1942
19
Sassenstraat 39 (huis + inv.)
M. Bakker
04/11/1942
212 Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nrs. 5462 en 5463.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
61
In delen van de correspondentie en in de lijsten zelf wordt meerdere keren benoemd dat het om joods eigendom gaat; een paar keer wordt er tussen haakjes “Jude” toegevoegd en af en toe wordt er in de lijsten per maand van de gevorderde panden “Eigentuemer von Juden” bij opgemerkt. Dit is niet even consistent, soms staat het er wel en soms staat het er niet. Verder is het bij bovenstaande tabel interessant om op te merken dat er zowel huizen als inventarissen of allebei konden worden gevorderd. Zo blijkt uit een bijlage bij een maandelijkse lijst dat het pand Brederostraat 95 eigendom is van de niet-joodse M. Assies maar dat de inventaris toebehoort aan de joodse E. Anholt. Het omgekeerde kwam ook voor, zo meldde de bijlage over Westerlaan 48: “Das Haus ist Eigentum von A. Troostwijk, ein Jude. Das Inventar ist Eigentum von J.J.H. Bodewes, ein nicht-Jude.”213 Verder werden panden soms maar kort gevorderd; Oranje Nassaulaan 20 van J.W. Jolink (de vrouw van A. Citroen) werd op 2 oktober 1942 inbeslaggenomen en 31 oktober 1942 alweer vrijgegeven.214 De vordering begon met een brief van de Ortskommandant aan de burgemeester van Zwolle. Voor het pand Jufferenwal werd het volgende geschreven op 6 augustus 1942: “In den Anlagen erhalten Sie die Beschlagnahmeverfügung über das Wohngebäude Jufferwal 22, Besitzer: A. u. R. Bilderbeck (Jude)”.215 De eigenaressen waren de dames Bilderbeek.
Aaltje Bilderbeek woonde op Roggenstraat 9 en Reintje op Willemskade 15. Zij werden aangeschreven door Van Karnebeek met de mededeling dat hun pand vanaf 11 augustus 1942 gevorderd zou worden ten behoeve van de Weermacht. De aanhef luidde als volgt: “Hierbij deel ik u mede, dat heden aan mij is afgegeven een bewijs, waarbij overeenkomstig het bepaalde in de verordening van den rijkscommissaris no. 144/1940 ten behoeve van de Duitsche weermacht wordt gevorderd het perceel...”.216 Daarnaast was een formulier bijgevoegd waarmee de gerechtigde eigenaar om schadeloosstelling kon vragen. Dit formulier moest in tweevoud bij de burgemeester ingeleverd worden. De dames Bilderbeek gaven hier gehoor aan, want de burgemeester zond op 18 september 1942 een brief terug waarin hij schreef dat het bedrag voor schadeloosstelling was vastgesteld en goedgekeurd door de Wehrmachtbezirksverwaltung. Het bedrag werd bepaald op f. 206,- voor het perceel en f. 15,- voor de inventaris. De Weermacht betaalde immers maar tweederde van de huurprijs f. 312,-, het overige deel werd vergoed door de afdeling Bezettingsschade van het Departement van Financiën. Uiteindelijk werd de vordering van het pand op 3 oktober 1942 opgeheven, aangezien het huis ter beschikking van de gemeente gesteld werd ter onderbrenging van een schippersgezin.
Dit werd eerst door de Ortskommandant medegedeeld aan de burgemeester, en de burgemeester lichtte op zijn beurt de dames Bilderbeek in.217 Bij dit hele proces kan de rol van de gemeente beschreven worden als faciliterend. Het kwam ook voor dat een vordering niet doorging. Eenzelfde mededeling van de burgemeester over toekomstige vordering was gericht aan Charles Vecht: zijn pand Thorbeckegracht 17 met inventaris zou 213 Bijlage bij lijst. 7 december 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 5463. 214 Ibid. 215 Brief van de Ortskommandant aan de burgemeester van Zwolle. 6 augustus 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 5459. 216 Brief van de burgemeester aan de dames Bilderbeek, 8 augustus 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 5459. 217 Brief van de burgemeester aan de dames Bilderbeek. 7 oktober 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 5459.
62
met ingang van 31 augustus 1942 gevorderd worden. De tekst op deze brief is doorgestreept met rood potlood en draagt een aantekening van 25 september “Vecht medegedeeld dat vordering niet doorgaat. Vorderingsbewijzen teruggezonden aan de Ortskommandant”.218 Daarnaast staat ook in potlood de inventaris beschreven: “Hoogere klassen labor. en lich. oef. Zijn in n. 17. Meubilair (tafels voor scheikundeproeven enz) zijn speciaal ervoor gemaakt”. Dit klopt, want Charles Vecht stond destijds vrijwillig zijn panden af om daarin het Joods Lyceum onder te brengen toen joodse kinderen naar aparte scholen moesten in augustus 1941.219 Wellicht heeft de burgemeester een stokje voor de vordering gestoken omdat hij de noodfunctie van het pand erkende; waar anders moesten de joodse scholieren immers heen? Het pand Melkmarkt 45 van Hartog Hes werd gevorderd maar bleef onverkocht, wat resulteerde in een relatief soepele herintrede na de oorlog. Het pand was immers niet officieel van eigenaar gewisseld, dus er hoefde geen rechtsherstelprocedure aan te pas te komen. Harry Hes, kleinzoon van Hartog, beschrijft in een interview dat zijn vader Michel Leo Hes het pand binnen afzienbare tijd weer in bezit had toen hij terugkwam in Zwolle.220 Een aantal panden die onder vordering hebben gestaan, zijn uiteindelijk wel verkocht aan een oorlogskoper. Dit was het geval bij Emmawijk 23 van Arthur Troostwijk.
Dit pand werd op 15 oktober 1941 gevorderd en op 17 juli 1943 voor f. 12.500,- verkocht aan de heer M.F. Martin, werkzaam als referent bij de Beauftragte.221 Dat Van Karnebeek van deze verkoop op de hoogte was blijkt uit zijn brief aan de Liro: “Blijkens mededeling van het “Algemeen Nederl. Beheer van Onroerende goederen”, kantoor Almelo, is het perceel Emmawijk 23 - eigenaar A. Troostwijk - per 18 juli 1943 verkocht aan den Heer M.F. Martin, Willem de Zwijgerstraat 49, alhier. Aangezien het perceel destijds is gevorderd door de Duitsche weermacht en aan u per maand f. 30,56 werd uitbetaald zijnde het 1/3 gedeelte der huurwaarde, welke door de afdeeling Bezettingsschade van het Departement van Financiën wordt vergoed, stel ik mij voor het bedrag der schadeloosstelling, te rekenen vanaf 17 juli 1943, te doen toekomen aan den Heer Martin voornoemd”.222 Aangezien Martin Rijksduitser was, kreeg hij de volle huurwaarde door de Wehrmachtbezirksverwaltung uitbetaald. Vanaf juli 1943 tot en met januari 1945 werd er maandelijks een bedrag van f. 83,33 aan hem uitgekeerd.223 Landbouwgronden De roof van joodse landbouwgronden begon al ver voordat de handel in joodse huizen een aanvang maakte.
Dat was zo omdat de onteigening van landbouwgronden gebeurde in het kader van de Entjudung van het Nederlandse economische leven in 1941, terwijl de gedwongen verkoop van onroerend goed volgde op de deportaties vanaf zomer 1942.224 Omdat de ‘arisering’ van de landbouwgronden nog enige schijn van legaliteit ophield verliep de rechtsherstelprocedure na de oorlog anders dan bij onroerend goed.
218 Brief van de burgemeester. 1 september 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 5462. 219 Mirjam Kan, Joodse Scholen. Link: https://www.joodszwolle.nl/scholen/. Geraadpleegd op 4 juli 2023. 220 Interview met Harry Hes op 18 november 2021. 221 Database door auteur. 222 Brief van de burgemeester aan de Liro. 19 oktober 1943. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 5458. 223 Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 5458. 224 Vos en Ter Braake, Rechtsherstel, p. 20.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
63
In Zwolle en Zwollerkerspel ging het om de volgende percelen landbouwgrond.225 Onteigende landbouwgronden van joodse eigenaren in Zwolle en Zwollerkerspel:
Eigenaar Woonplaats Gemeente, sectie + nummer
Oorlogskoper
1 Andries Troostwijk Zwolle
Zwollerkerspel, S250 en S251
De Staat der Nederlanden
2 Arthur Troostwijk Zwolle
Zwollerkerspel, 2 G2039 en G204
J.W. van der Linde te Kerk-Avezaath
3 Arthur Troostwijk Zwolle
Zwollerkerspel, N139
Wed. H. Esselink te Spoolde
4 Arthur Troostwijk Zwolle
Zwollerkerspel, N140
F.H. Roskam te Westenholte
5 Emile Arend Spanjaard Zwolle
Zwollerkerspel, F365-67, F369, F390 en F372
A.H. de Munnink te Herfte
6 Hartog Levie van der Sluis Zwolle
Zwollerkerspel, V965 en V966
W. van der Kolk te Genemuiden
7 Leo en David van Tijn Zwolle
Zwollerkerspel, T92-94
De Staat der Nederlanden
8 Louis de Jong Zwolle
Zwolle, C242
W.J. Nijenhuis te Zwollerkerspel
9 Simon Bilderbeek Zwolle
Zwolle, E1191
A. Boer te Spoolde
10 Simon Bilderbeek Zwolle
Zwollerkerspel, N2224
W.A. Horsman te Spoolde
225 Database door Serge ter Braake.
64
Op 27 mei 1941 werd verordening 102/1941 door de bezetter uitgevaardigd: het betrof de aangifte en gedwongen verkoop van landbouwgronden in joodse handen. De aangifte van deze gronden moest worden gedaan bij de regionale pachtbureaus (later werden deze grondkamers genoemd). De grondkamers voor Overijssel waren gevestigd aan de Terborchstraat 4 en de Burgemeester Van Roijensingel 22 in Zwolle.226 Deze pachtbureaus stonden onder verantwoording van het ministerie van Landbouw en Visserij.227 Dit ministerie, onder leiding van waarnemend secretaris-generaal Hans Hirschfeld (die ondanks zijn half-joodse status de hele oorlog op zijn post bleef), werkte efficiënt mee en hierdoor was het proces nagenoeg binnen een jaar klaar.228 Er bestonden drie soorten aangifteformulieren, waarvan enkel A en B relevant zijn in het kader van ontrechting: A) voor “joodse landbouwgrondbezitters die de grond ook zelf in gebruik hadden, of de grond lieten bewerken door een andere jood” en B) voor “joodse landbouwgrondbezitters die grond verpachtten of lieten bewerken door niet-joden”.229 Na aangifte moest het land zo snel mogelijk, in ieder geval voor 1 september 1941 worden verkocht aan niet-joden, met uiterlijke overdracht voor 1 januari 1942.
Het soepel laten verlopen van de verkoop was taak voor de pachtbureaus, terwijl het Bureau voor de Goedkeuring van overdracht van joodse landbouwgronden al dan niet groen licht gaf voor de transactie. In eerste instantie kwamen de bestaande pachters/huurders van de percelen in aanmerking voor koop. Als deze er niet waren, werd gekeken naar de boeren van aangrenzende stukken land. Zelden werd er land aan niet-boeren verkocht, dit was een uitzondering op de regel.230 Animo voor de gronden was er in overvloed en dit leidde geregeld tot geschillen over wie mocht kopen.231 In het bronnenmateriaal komt deze chaotische toestand naar voren: het intrekken van goedkeuring voor verkoop, het beoordelen van potentiële nieuwe kopers en het opstellen van de nieuwe koopakten. Dit was ook het geval bij het perceel C242 gelegen te Zwolle van Louis de Jong, eigenaar van vijf panden in de stad. Hij woonde zelf op Melkmarkt 43a en had er met zijn zoon een slagerij en worstenfabriek.232 Het tweetal kocht koeien in, die na een paar maanden grazen op hun eigen weilanden aan de Issel klaar waren voor de slacht.233 De Jong had bovenstaand weiland C242 dus zelf in gebruik, en dit komt terug op zijn aangifteformulier A: “voor landbouwgronden, welke door joden of joodsche ondernemingen worden geëxploiteerd”.234 Naast perceel C242 had hij nog twee weilanden in Heino en Wijhe.
Op 29 augustus 1941 schreef De Jong aan het Pachtbureau voor Overijssel dat hij ten kantore
226 Nationaal Archief, toegang 2.11.08.01 (Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw: Afdeling Grond- en Pachtzaken, (1906) 1935-1964 en de Stichting Pachtbureau van Noord-Brabant, 1938-1941) inv. nr. 114. 227 Vos en Ter Braake, Rechtsherstel, p. 13. 228 Ibid., 14. 229 Ibid., 34. 230 Ibid., 14. 231 Ibid., 15. 232 Coen van Harten, De zorg. Louk Israëls’ onderduikgeschiedenis (Amsterdam: Aksant 2005), p. 116 233 Onno Havermans, ‘Stilstaan bij Melkmarkt 43 in Zwolle’, Trouw (7 april 2014). Link: https://www.trouw.nl/nieuws/stilstaan-bij-melkmarkt-43-in-zwolle~be681092/. Geraadpleegd op 26 september 2023. 234 Aangifteformulier van perceel C242 van Louis de Jong. Nationaal Archief, toegang 2.11.08.01 (Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw) inv. nr. 114.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
65
van notaris Willemse perceel C242 had verkocht en overgedragen aan G.J. Schrijver uit Zwolle en vroeg hij het bureau om goedkeuring. Dit werd door het pachtbureau afgewezen, aangezien Schrijver op dat moment pachter was van een grote boerderij in de buurt van het perceel. De voorkeur werd gegeven aan H.H. Kemerink te Zwollerkerspel, “een flinke jonge boer, die wel in staat geacht kan worden, het perceel op de juiste wijze te exploiteeren”.235 Uiteindelijk zag Kemerink ook van de overname af en werd in april 1942 J. Schottert te Zwollerkerspel voorgesteld als koper. Hij had een klein bedrijfje met wat land in eigendom en wenste wat land bij te pachten. Zowel de grondkamer als het Bureau voor de Goedkeuring verklaarden in april en mei 1942 zich in dit voorstel te kunnen vinden.
Perceel C242 ‘De oude mars’ van Louis de Jong236
235 Brief van het Pachtbureau voor Overijssel aan het Bureau voor de Goedkeuring. 3 november 1941. Nationaal Archief, toegang 2.11.08.01 (Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw) inv. nr. 114. 236 Nationaal Archief, toegang 2.11.08.01 (Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw) inv. nr. 114.
66
De verkoop leek rond, maar het zou nog veel gecompliceerder worden. In september 1943 bemoeide notaris Nijk zich met de zaak ten behoeve van zijn cliënt Wilhelmus Johannes Nijenhuis, veehandelaar te Zwollerkerspel. Nijk schreef het Bureau voor de Goedkeuring met de vraag “wanneer de Niederl. Grundstücksverwaltung landbouwgrond in joodsche handen verkoopt, heeft deze dan voor de overdracht uw goedkeuring noodig?”.237 Wat bleek: perceel C242 was hypothecair verbonden met het perceel Melkmarkt 43 te Zwolle, ook eigendom van Louis de Jong. Aangezien de Grundstücksverwaltung alle percelen van De Jong in één koop aan Nijenhuis had verkocht, wilde Nijk weten of het weiland ook aan zijn cliënt verkocht zou kunnen worden. Nijenhuis zou het perceel in verband met zijn beroep goed kunnen gebruiken, aldus de notaris. Als antwoord liet het Departement van Landbouw en Visserij in oktober 1943 weten dat het Bureau voor de Goedkeuring toestemming had verleend tot overdracht van C242 aan Schottert en dat het bureau niet instemt met verkoop door de NGV aan Nijenhuis. Notaris Knipscheer, plaatsvervanger van Nijk, stuurde als antwoord een briefje dat de ANBO hem had toegezonden, waarin Schottert zelf in mei 1943 schrijft zelf geen gebruik te willen maken van de aan hem verleende toestemming.
Uiteindelijk zou blijken dat het perceel twee jaar gevorderd was geweest door de grondkamer en dat Schottert daarom afzag van de koop. Het schijnt daarna een tijdje stil geweest te zijn aan de kant van het Bureau voor de Goedkeuring, want Knipscheer drong in november 1943 nogmaals aan op spoedige verkoop gezien de samenhang met de aankoop van verschillende panden te Zwolle. Nijk, teruggekeerd op zijn post, wond er in februari 1944 wat minder doekjes om. Hij opperde dat Schottert de koopsom niet kon betalen (Schottert was op verzoek van de grondkamer bij Nijk langs geweest) en dat Nijenhuis wel vermogend genoeg is. Daarnaast wees Nijk op het feit dat Schottert ook handelaar was en geen landbouwer, dus het argument ‘land voor degene die er het meest in aanmerking voor komt’ ging ook niet op. Nijk besloot zijn pleidooi door te zeggen dat het geenszins zijn bedoeling was om Schottert in kwaad daglicht te zetten.
Doch: “ik kan mij echter niet aan de indruk onttrekken, dat de zaak een bijsmaakje heeft en in ieder geval wordt hier - mijns inziens zonder voldoende reden - de liquidatie van het bezit van de Jong wel erg moeilijk gemaakt”.238 Nijenhuis zelf deed ook nog een duit in het zakje met een handgeschreven brief gedateerd 17 april 1944 waarin hij schreef dat hij “in juni 1943 in Zwolle 5 Joden Panden met 2,5 hectare weiland kocht” en dat het “weiland jaarlijks werd verhuurd aan een zekere Schottert, een handelaar die toevallig stond ingeschreven als landbouwer.”239 Uiteindelijk besloot het Bureau voor de Goedkeuring de zaak neer te leggen bij de Landstand, aangezien de NGV het perceel wilde verkopen aan Nijenhuis, de grondkamer tegen Nijenhuis bezwaren had en “dat noch zij [de grondkamer] noch de Rijkslandbouwconsulent een geschikten anderen kooper heeft kunnen vinden, zoodat overdracht aan den Staat de meest aangewezen weg zou zijn”.240 De Landstand besloot de zaak door te adviseren het land en de
237 Brief van Nijk aan het Bureau voor de Goedkeuring. 24 september 1943. Nationaal Archief, toegang 2.11.08.01 (Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw) inv. nr. 114. 238 Brief van Nijk aan het Departement van Landbouw en Visserij. 15 februari 1944. Nationaal Archief, toegang 2.11.08.01 (Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw) inv. nr. 114. 239 Handgeschreven brief van Nijenhuis. 17 april 1944. Nationaal Archief, toegang 2.11.08.01 (Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw) inv. nr. 114. 240 Brief van het Bureau voor de Goedkeuring aan de Landstand. April 1944. Nationaal Archief, toegang 2.11.08.01 (Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw) inv. nr. 114.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
67
huizen aan Nijenhuis te verkopen, maar dat de onvermogende pachter garantie kreeg om het land te kunnen blijven gebruiken. Zo werd C242 uiteindelijk door oorlogskoper Nijenhuis gekocht na instemming van het Bureau voor de Goedkeuring in juni 1944. Het kon echter ook voorkomen dat de Staat der Nederlanden optrad als koper. Dit was de rijksoverheid, dus niet het provinciale of gemeentelijke bestuur. Dit was het geval bij de percelen T92-94 te Zwollerkerspel van de broers Leo en David van Tijn. Beide broers waren veehandelaren en woonden aan de Nieuwe Haven 4 te Zwolle. Op 1 september 1942 stuurt de grondkamer een brief aan het Bureau voor de Goedkeuring, waarin staat dat de verkoop van de percelen moeizaam verliep: eerst zouden de percelen verkocht worden aan de heren Vlaskamp en Aalberts, maar omdat zij relatief grote bedrijven exploiteerden werd door de grondkamer geadviseerd de verkoop niet goed te keuren. Daarna werden door het Bureau voor de Goedkeuring vier potentiële kopers (“kleine landbouwers, die de perceelen zeer goed zouden kunnen exploiteeren”) aangedragen, maar zij zagen van de koop af. Daarna werden drie nieuwe kopers aangedragen en beoordeeld, waarbij al dan niet nabije ligging van hun bedrijf ten opzichte van de percelen een grote rol speelde.
Ten slotte nam de grondkamer het volgende standpunt in: “de landbouwbelangen zouden het beste gediend worden, indien de perceelen niet aan deze 3 personen, doch door den staat werden overgenomen”.241 De redenering was als volgt: kleine landbouwers namen deel aan de jaarlijkse grasverkopingen en op de percelen T92-94 werd ook jaarlijks het grasgewas verkocht en of vee ingeschaard. Jammer genoeg konden kleine boeren het niet veroorloven om de percelen te kopen. Het verkopen van de percelen aan grotere boeren zou de percelen onttrekken aan de grasverkopingen. Vandaar dat als oplossing verkoop aan de staat werd geopperd, zodat kleine landbouwers voorlopig nog konden deelnemen aan de grasverkopingen. In april 1943 werd de overdracht van de percelen aan de staat goedgekeurd. Uit het geschillendossier blijkt dat de percelen middels onderhandse akte in opdracht van de Omnia werden verkocht voor f. 20.294,-. Ongeveer vier jaar later, in maart 1947, vond het rechtsherstel plaats en werd er minnelijk geschikt. De broers Van Tijn overleefden de oorlog en waren aanwezig bij het proces; de staat werd vertegenwoordigd door Ir. Johannes Kluytenaar, waarnemend rentmeester der domeinen Zwolle.
7.8
Casus: Praubstraat 1-3
Zoals eerder vermeld trad de gemeente Zwolle zelf niet op als oorlogskoper tijdens de oorlogsjaren, maar huurde en kocht uiteindelijk wel in de eerste jaren na de oorlog het pand Praubstraat 1-3 dat eigendom was geweest van de joodse bakker David Spanjar. Spanjar werd op 12 juni 1886 geboren in Zwolle en was een bekende Zwolse bakker. Hij had een koosjere bakkerij aan huis, samen met zijn broer Henri. Hun vader was de zaak in 1884 begonnen. In 1916 overleed hij en werd de zaak overgenomen door zijn weduwe, tot de overname van de twee zoons op 1 januari 1932.242 In 1942 werd David Spanjar door de
241 Brief van de Grondkamer voor Overijssel aan het Bureau voor de Goedkeuring. 1 september 1942. Nationaal Archief, toegang 2.11.08.01 (Inventaris van het archief van de Directie van de Landbouw) inv. nr. 114. 242 Piet den Otter, ‘David Spanjar’. Link: https://www.joodsmonument.nl/nl/page/118923/david-spanjar. Geraadpleegd op 2 september 2023.
68
Zwolse politie gearresteerd en op 18 november van dat jaar gedeporteerd naar Westerbork.243 Hij werd op 27 november 1942 op 56-jarige leeftijd vermoord in Auschwitz. De bakkerszaak werd krachtens VO 48/1941, de verordening tot verwijdering van joden uit het bedrijfsleven, geliquideerd in februari 1943 en op 12 mei 1944 volledig opgeheven.244 In de zaak van Spanjar werden matses, koekjes en challe verkocht. De familie van het half-joodse meisje Sippora Stibbe kocht er op zondag altijd brood, totdat de joodse winkels op last van de Duitsers niet meer open mochten op zondag.245 Sippora geeft in haar memoires niet alleen een inkijk in het interieur van het pand - “een prachtige woonkamer met uitzicht op het Grote Kerkplein” - maar beschrijft ook de huurders die er introkken voordat het pand op 30 maart 1944 voor een prijs van f. 6.000,- verkocht werd aan Johan Geerink. Het eigendom van Spanjar zal in 1941 onder beheer van de NGV zijn gekomen, maar de verkoop liet nog op zich wachten tot 1944. Het pand is niet gevorderd geweest en heeft volgens Sippora een tijdlang leeg gestaan.246 Een jonge vrouw kwam er op een zeker moment met haar dochtertje wonen. Martha Meuleman was van oorsprong een Zwolse, maar kwam nu vanuit Utrecht. Eerst betrok zij een kamertje van huurbaas Ter Maar elders in de stad.
Sippora werd al gauw de vaste oppas van het dochtertje Hennie en kwam er dus regelmatig over de vloer. Ze wist te achterhalen dat de man van mevrouw Meuleman als chauffeur in Duitsland werkte. Van haar zus hoorde ze dat mevrouw “er een was van Bolleman” en dat was “nou niet direct een fijne familie”. Dat kwam als een schok voor Sippora, aangezien ze zo haar eigen fantasieën om mevrouw Meuleman met haar fijne spulletjes en mooie kleren heen had geweven.247 Mevrouw Meuleman lag al snel in scheiding met haar man en ontving daarna regelmatig Duitse soldaten thuis. Daar was de huurbaas niet van gediend en dus moest mevrouw verhuizen. Aangezien mevrouw duidelijk blijk had gegeven van haar Duitse gezindheid kon zij snel haar intrede doen in een ‘jodenpand’: het bovengedeelte van de woning van Spanjar. De benedenverdieping van het pand kreeg intussen ook nieuwe bewoners: de familie Berger. Vader Berger had de woonlaag kunnen bemachtigen vanwege zijn werk als commandant bij de Arbeidsdienst, waarvoor jonge mannen en vrouwen zich aanvankelijk vrijwillig konden aanmelden, maar later verplicht werden opgeroepen. Het samengestelde gezin bestond uit een weduwnaar met zijn zoontje en een weduwe met haar dochtertje: grote Jan en kleine Jan en grote Mia en kleine Mia. De vrouw kwam uit Groningen.
Sippora nam ook de kleine Mia onder haar hoede; het meisje kwam vaak thuis langs bij de familie Stibbe. Leo, de achttienjarige broer van Mia, bracht regelmatig een bezoek aan zijn zus en dit ging niet onopgemerkt. Riekie, de zus van Sippora, werd verliefd op hem en hij op haar. Dat de liefde van korte duur was had alles te maken met de vondst van zijn matrozenmuts waar “Kriegsmarine” opstond.248
243 Piet den Otter, ‘David Spanjar’. Link: https://www.joodsmonument.nl/nl/page/118923/david-spanjar. Geraadpleegd op 2 september 2023.; Collectie Overijssel, toegang 0725 (Gemeentepolitie Zwolle) inv.nr. 76. 244 Piet den Otter, ‘David Spanjar’. Link: https://www.joodsmonument.nl/nl/page/118923/david-spanjar. Geraadpleegd op 2 september 2023. 245 Sippora Stibbe, Hoe zorgeloos is de kindertijd: jeugdherinneringen van een halfjoods meisje in oorlogstijd (Groningen: Xeno 1994), p. 73. 246 Stibbe, Hoe zorgeloos is de kindertijd, p. 115. 247 Ibid., p. 114. 248 Ibid., p. 117 - 119.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
69
Op 16 juli 1945 schreef commissaris Lettinck een brief aan de burgemeester van Zwolle en deed hierin zijn beklag over het krappe politiekantoor, waarin nauwelijks ruimte was voor de politie-ambtenaren om hun werk goed te kunnen doen.249 Daarnaast was er groot gebrek aan opslagmogelijkheden en vond de Commissaris zijn eigen werkkamer te klein, slecht geventileerd en hekelde hij het kunstlicht. Hij onderschreef het belang van een adequate werkruimte voor de politie met het argument dat haar taak in de samenleving veelomvattend was. Hij droeg hiervoor een oplossing aan: het winkelhuis en de bakkerij aan de Praubstraat grensden direct aan het politiebureau en stonden leeg. Lettinck was zich bewust van de bijzondere omstandigheid dat “D. Spanjar, Israëliet, die in die perceelen een Joodsche broodbakkerij uitoefende en door de bezettende macht is weggevoerd tot op heden niet is teruggekeerd” en “zoo zou ik UEdelachtbare willen voorstellen van deze gelegenheid gebruik te willen maken om de betrokken perceelen voor de gemeente zoo spoedig mogelijk in handen te zien krijgen”.250 Zich bewust van de omstandigheden stelde Lettinck voor om in ieder geval het pand alvast te huren, voordat overgegaan kon worden tot een officiële verbouwing. De beheerder van het vermogen van Geerink (in wiens bezit het pand nog verkeerde) verklaarde zich bereid Praubstraat 1-3 te verhuren aan de gemeente.
De uiteindelijke koop liet echter nog een tijd op zich wachten. Er werd contact gezocht met de beheerder van het perceel: B. Mellink, accountant te Zwolle. Mellink werd “overwegende, dat zich hier een zeer dringend geval voordoet, waarin zonder uitstel dient te worden voorzien” op 5 juli 1945 benoemd tot bewindvoerder voor David Spanjar door het Militair Gezag.251 Mellink adviseerde eerst te wachten tot rechtsherstel over het pand had plaatsgevonden, alvorens tot een dergelijke transactie over te gaan en verbeteringen aan te brengen. Het perceel was namelijk nog steeds niet overgeschreven naar de erven Spanjar en behandelend notaris Minke kon niet met zekerheid zeggen wanneer de zaak afgehandeld zou zijn. Het was namelijk voor lange tijd onduidelijk wie de erven precies waren. Daarnaast werd David Spanjar voor aanzienlijke tijd als ‘afwezig’ beschouwd. Het Nederlandse Rode Kruis gaf uiteindelijk de verklaring dat “hij op 24/11/1942 naar Gosel/Auschwitz gedeporteerd werd, waaraan de conclusie verbonden werd dat hij tussen 24/11/1942 en mei 1945 overleden is, zonder dat het tijdstip van overlijden echter nauwkeurig vastgesteld kan worden”.252 Deze informatie bleek echter te vaag om aan de hand ervan over te gaan op beëindiging van het bewind.
Uiteindelijk werd het een slepende zaak met rechtsherstel in 1948, waarbij het geduld van de gemeente meer dan eens op de proef werd gesteld. Tussen 1947 en 1955 stuurde de gemeente herinnering na herinnering, tot in 1955 een van de erfgenamen terugschreef met de mededeling dat hij zelf geen bezwaar had tegen verkoop. Wel adviseerde hij de gemeente contact op te nemen met notaris Minke, aangezien er veel erfgenamen van Spanjar waren en Minke alle rechthebbenden met adres kon opgeven. Minke informeerde de gemeente op zijn beurt dat Praubstraat 1 en 3 vermoedelijk publiekelijk verkocht zouden worden, aangezien nog niet alle erfgenamen bekend waren en een onder-
249 Brief van Lettinck aan de burgemeester van Zwolle. 16 juli 1945. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 2460. 250 Brief van Lettinck aan de burgemeester van Zwolle. 16 juli 1945. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 2460. 251 Beheersdossier van David Spanjar. Nationaal Archief, toegang 2.09.16.13 (Nederlandse Beheersinstituut), inv. nr. 162945. 252 Ibid.
70
handse verkoop daarom op moeilijkheden zou stuiten. Het pand werd uiteindelijk in 1956 geveild door makelaar Klomp, waarop de gemeente Zwolle ook een bod deed. Besloten werd om Praubstraat 1 en 3 te kopen voor f. 9.105,-. Op 20 september 1956 werd de koop vastgelegd in een akte, opgemaakt door notaris Minke. Rond 1960 werd het pand uiteindelijk gesloopt.
7.9
Samenvatting
De houding van de gemeente Zwolle in de strijd om de Praubstraat 1-3 was zakelijk: er werd geprofiteerd van de uitzonderlijke situatie dat de voormalige bakkerij leegstond omdat de joodse eigenaar ‘afwezig’ was. Dat uitgerekend commissaris Lettinck, die zich als geen ander bewust was van het lot van de joden, met het voorstel tot huur van het pand kwam is verwonderlijk en roept vragen op. De gemeente komt in de vele herinneringsbrieven die ze richting de beheerders van het pand stuurde naar voren als een ongeduldige partij: het ging de gemeente er enkel om het pand zo spoedig mogelijk in handen te krijgen en te kopen, wat uiteindelijk ook lukte. Hoewel dit de gemeente Zwolle tot ‘oorlogskoper na de oorlog’ maakt, staat in dit rapport een ander onderwerp ter discussie: het kopen van joods bezit tijdens de oorlog en het naheffen van belastingen. Er zijn geen aanwijzingen dat de gemeente inzake het onderwerp dat hier ter tafel ligt iets heeft gedaan wat in de huidige discussie als verkeerd handelen wordt gezien. Er is niks gekocht, er zijn geen naheffingen geweest, in ieder geval niet voor zover is na te gaan. Dat wil niet zeggen dat de gemeente Zwolle als vanzelfsprekend sensibiliteit voor het onderwerp toonde, getuige het optreden inzake de Praubstraat.
Dat is ook niet meteen reden om tot veroordeling over te gaan, aangezien zakelijke discussies en administratieve processen niet de plek vormen om persoonlijke compassie te uiten - in ieder geval niet in de correspondentie en officiële stukken. Wat er wel uit de stukken naar voren komt is een gemeente die zich bij de processen van onteigening en verkoop van joods onroerend ondersteunend opstelde. Hoewel de gemeente Zwolle tijdens de oorlog geen panden heeft gekocht, was zij wel op de hoogte van wat er gebeurde met het voormalig joods bezit tijdens de oorlogsjaren. Het gemeentebestuur en haar ambtenaren waren hierdoor de stille getuigen van de onteigening en leverden zonder al te veel protest de nodige inlichtingen aan. Actievere deelnemers aan deze diefstal waren de Duitse bezetter en zijn organisaties, oorlogskopers, makelaars en notarissen. Zij profiteerden van de situatie waarin joden rechteloos werden: als aasgieren deden ze zich te goed aan wat hun weggevoerde medeburgers gedwongen achterlieten. Toen er een einde kwam aan de terreur van het naziregime en Nederland was bevrijd kwamen de joodse inwoners van Zwolle berooid terug. ‘Op eigen initiatief’ moesten ze hun leven weer vorm zien te geven en hun bezit zien terug te krijgen.
Zij die terugkwamen werden geconfronteerd met (soms slepende) rechtsherstelprocedures waarin ze met de oorlogskoper (of diens bewindvoerder) rond de tafel moesten om samen tot een minnelijke schikking te komen. In alle verkoopzaken in Zwolle is naoorlogs rechtsherstel verleend. Of er daarmee ook moreel rechtsherstel plaatsvond, is zeer de vraag. Bij de eerste naoorlogse reflectie op het eigen handelen werd er weinig aandacht besteed aan de algemene medewerking van de gemeente en haar ambtenaren bij de processen van onteigening. Hoewel deze reflectie ontbrak, werd er wel gezuiverd.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
71
72
8. De zuivering van het gemeentebestuur en -organisatie
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
73
8. De zuivering van het gemeentebestuur en -organisatie 8.1
Inleiding “Als men een hond wil slaan, is het veelal niet moeilijk een stok te vinden, doch dit zou men dan op elke politie-agent in toepassing kunnen brengen, daar aan ieder wellicht daden kunnen worden ten laste gelegd, die in opdracht van de Duitse S.D. of N.S.B.-superieuren, ten behoeve van de Duitse overheersing moesten worden uitgevoerd.”253
Aldus P. Hoekstra op 23 mei 1945. Hoekstra was wachtmeester bij de politie te Zwolle geweest en had zijn politieopleiding in Schalkhaar gevolgd. Deze school was opgericht door de Duitse bezetter om het politieapparaat te nazificeren: leerling-agenten kregen een militaristische opleiding in SS-stijl.254 Niet zo vreemd wellicht dat hij het hele politieapparaat van medeplichtigheid betichtte in een poging zijn houding te verdedigen.255 Op 14 april 1945, de dag waarop Zwolle bevrijd werd, werd Hoekstra gearresteerd door leden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS). Deze organisatie was in september 1944 gevormd uit een bundeling van de belangrijkste verzetsgroepen. Op 27 april werd Hoekstra door de zuiveringscommissie gehoord; er werd hem gevraagd of hij wist waarom hij was gearresteerd. Op het uitblijven van een antwoord suggereerde de voorzitter of het kon zijn dat Hoekstra zich eens vrijwillig had aangeboden om personen naar een concentratiekamp over te brengen. Hoekstra antwoordde dat dit wel mogelijk was, “doch dat dit toch in overleg was geschied, daar ik nimmer vrijwillig daaraan had meegewerkt”. In zijn dossier is te lezen dat hij zich meerdere malen beriep op het argument altijd in opdracht van superieuren te hebben gehandeld. Daarnaast beklaagde hij zich rijkelijk over de gang van zaken bij de zuivering.
De stok om de hond mee te slaan was volgens Hoekstra snel gevonden: “ach ja, ik heb het nu gevoeld, er was gemakkelijk iets te vinden, wanneer men iemand wilde duperen”. Hoekstra zag zichzelf als slachtoffer. De commissie zag het anders en de wachtmeester werd wegens “het verleenen van te vergaande medewerking aan maatregelen van den vijand” gestaakt in zijn functie.256 Hoekstra moest voor een zuiveringscommissie verschijnen, die de houding van personeel binnen de eigen gelederen van verschillende maatschappelijke organisaties beoordeelde, waaronder de politie. De strafrechtelijke vormen van berechting werden gedaan door tribunalen (beoordeelde de lichte vormen van collaboratie) en het “Bijzondere Gerechtshof” (beoordeelden de zware gevallen van collaboratie).257 Het tribunaal van Zwolle stond onder presidium van de eerdergenoemde K.J. Bes. In een van de door hem behandelde zaken werd een politieagent oneervol ontslagen omdat hij zich schuldig had gemaakt aan het zich toe-eigenen van joodse inboedels. Verder lijkt de Jodenvervolging in de berechting een ondergeschikt thema te zijn geweest. In de bredere studie zal dit nog nader worden onderzocht.
253 Proces-verbaal van P. Hoekstra, 23 mei 1945. Collectie Overijssel (CO), toegang 0397 (Militair Gezag, Commissaris van Overijssel) inv. nr. 371. 254 Jan Jaap Kelder, De Schalkhaarders. Nederlandse politiemannen naar nationaal-socialistische snit (Utrecht: Veen 1990). 255 Proces-verbaal van P. Hoekstra, 23 mei 1945. Collectie Overijssel (CO), toegang 0397 (Militair Gezag, Commissaris van Overijssel) inv. nr. 371. 256 Brief van de Militaire Commissaris J.A. Baart aan de Politieadviseur van het Militair Gezag. 17 mei 1945. Collectie Overijssel (CO), toegang 0400.7 (Districts Militaire Commissaris te Zwolle) inv. nr. 8. 257 Zie voor de berechting van collaborateurs, Peter Romijn, Snel, streng en rechtvaardig (1989). Zie over de berechting in Zwolle, Kees Ribbens, Bewogen Jaren (1995).
74
Na de bevrijding was burgemeester Van Karnebeek teruggekeerd op zijn post als waarnemend burgemeester. Samen met wethouders Boden en Lansink regelde hij het gemeentebestuur tijdens de eerste naoorlogse maanden, terwijl de zuivering van het gemeenteapparaat in volle gang was.258 Tot aan de instelling van de gemeenteraad op 29 oktober 1945 (tot die tijd functioneerde een tijdelijke gemeenteraad) stond de gemeente Zwolle onder toezicht van het Militair Gezag. Deze organisatie was door de Nederlandse regering in ballingschap opgericht en moest zorgen voor een soepele samenwerking tussen het geallieerde opperbevel en de burgerlijke overheden. Wat voorop stond was het herstellen van de openbare orde, een verantwoordelijkheid die na de oorlog initieel toekwam aan de NBS.259 Voor de opsporing van collaborateurs werd de Politieke Opsporingsdienst (POD) opgericht. De POD in Zwolle begon haar werkzaamheden met vier politiemannen sterk en zou uitgroeien tot een orgaan met daarin achttien politieambtenaren en negen burgers. De leiding van de POD was in handen van de commissaris van politie Lettinck, die na de oorlog weer op zijn post was teruggekeerd. Hij deed zijn best om alle onderzoeken zoveel mogelijk binnen de eigen afdeling te houden.
Het relatief grote aantal dossiers dat deze onderzoeken opleverde (ruim 3.500 eind 1946) zegt wellicht iets over de grondige werkwijze van de Zwolse POD omtrent mogelijke politieke verdachten. Deze verhoren werden vastgelegd in processen-verbaal, die voor uitspraken over verdachten door de Bijzondere Gerechtshoven, de tribunalen en de zuiveringsprocessen werden geraadpleegd.
8.2 De gang naar de rechter Leo de Noo, oorlogskoper van vijf panden van Joodse huiseigenaren werd door het Arnhemse Bijzonder Gerechtshof - waar Zwolle onder viel - in 1947 veroordeeld tot de doodstraf.260 De Noo had bij de Zwolse Landwacht als commandant gewerkt en had schuld aan het mishandelen van gevangenen en het overdragen van gevangenen aan de Duitse autoriteiten, waardoor hij directe verantwoordelijkheid droeg voor de liquidaties van die gevangen. Of zijn verleden als oorlogskoper meewoog in het vonnis is niet duidelijk. Uiteindelijk zou zijn straf worden omgezet in levenslang. Minder zware gevallen werden zoals gezegd behandeld tijdens zittingen van het Tribunaal. De verdachten die daar berecht werden hadden meestal “onvaderlandslievend” gehandeld: gedrag dat volgens de vooroorlogse wetten niet strafbaar was, maar dat wel berecht kon worden op grond van een noodwet.261 Zwolle kende een eigen Tribunaal met drie tribunaalkamers dat eind 1945 het levenslicht zag. Ieder tribunaal kon bestaan uit een of meerdere kamers en bestond uit drie personen waarvan de voorzitter jurist moest zijn en de overige twee burgers zonder juridische kennis waren.262 Tot voorzitter van de eerste kamer en tevens president van het Tribunaal werd jhr. mr. F.A. Groeninx van Zoelen benoemd. Hij was ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de kantongerechten in het arrondissement Zwolle.263
258 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 331, 333, 304. 259 Ibid., p. 318. 260 Ibid., p. 320 - 327. 261 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 327. 262 Gelders Archief, archiefbeschrijving van inventaris 1151 (Hoge Autoriteit te Arnhem). 263 Strijdend Nederland, 14-09-1945. Geraadpleegd via Delpher.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
75
Tot voorzitter van de tweede kamer werd de hypotheekbewaarder te Zwolle mr. K.J. Bes benoemd en met directeur van de N.V. Sallandsche Bank te Deventer mr. S.H. van Groningen als voorzitter van de derde kamer was het Tribunaal compleet.264 De meest gangbare straffen waren “ontzetting uit het kiesrecht, verbeurdverklaring van het vermogen en een veroordeling tot enkele maanden of jaren internering”.265 De lengte van een opgelegde internering kon verschillen en veel veroordeelden zaten uiteindelijk slechts gedeeltelijk hun straf uit. Voormalig politiecommissaris De Bouter werd in 1947 veroordeeld tot levenslang, terwijl voormalig wethouder van Openbare Werken en Volkshuisvesting Schanssema volgens zijn vonnis kon rekenen op drie jaar gevangenisstraf. Naast het feit dat hij kringleider van de NSB was geweest en hulp aan de vijand had verleend had hij zich schuldig gemaakt aan het kopen van joods vastgoed: Terpelkwijkpark 8, eigendom van Joachim Jacob Sanders. Dit werd hem door voorzitter van het Tribunaal mr. J.
Boom verweten als tweede aanklacht: “voorts, dat hij in Zwolle een Joodsch huis aan het Terpelkwijkpark had gekocht”.266 Het oordeel kwam erop neer dat Schanssema “in zijn soort geen onfatsoenlijk man is geweest”, maar dat hij wel een van de steunpilaren van de nationaalsocialistische zaak was geweest.267 Hij werd veroordeeld tot ontzetting uit het kiesrecht en internering tot april 1950.268 Belangrijk is hierbij wel om op te merken dat zijn verleden als oorlogskoper niet de doorslaggevende factor bij zijn veroordeling was, maar wel bijdroeg aan de karakterisering van Schanssema als ‘fout persoon’. Ook lagere ambtenaren, zowel van de gemeente als van andere in de stad gevestigde overheidsdiensten, verschenen voor het Tribunaal. Een berucht geval was Berend Koek, opsporingsambtenaar bij de Crisis Controle Dienst (C.C.D.) en sinds 1939 lid van de NSB. Koek was in 1944 aangesteld als beheerder van joodse goederen en had een slechte reputatie.269 Leo de Noo, mogelijk in een poging strafvermindering te verkrijgen, verklaarde aan de POD dat Koek het bij inbeslagname en constateren van overtredingen niet zo nauw nam.
Hij eigende zich graag wat toe uit de opgeslagen inboedels en ook de kennissenkring van Koek kon rekenen op “een meubeltje hier en een meubeltje daar” als tegenprestatie voor diensten, aldus De Noo.270 Volgens hem was Koek belast geweest met “het toezicht op enige panden, o.a. de synagoge, Thorbeckegracht nr. 17 en een pand in de Luttekestraat, waarin inbeslaggenomen goederen waren opgeslagen. Ik meen, dat het hier speciaal Joodsche goederen betrof”.271 Het toe-eigenen van goederen uit joodse panden kwam vaker voor: politieagent eerste klas Willem Kuik was belast met het vervoer en opslaan van deze goederen, maar vervoerde wel eens wat meubels richting zijn eigen huis.272 Kuik zou bij dit vervoer hulp van twee jongens hebben ingeschakeld die in dienst waren van Koek.
264 Strijdend Nederland, 14-09-1945. Geraadpleegd via Delpher. 265 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 327. 266 Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 5 februari 1947. Geraadpleegd via Delpher. 267 Ibid. 268 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 327 - 328. 269 Overijsselsch dagblad, 05-07-1946. Geraadpleegd via Delpher. 270 Rapport over Berend Koek, 7 augustus 1945. Collectie Overijssel (CO), toegang 0726 (POD/PRA) inv. nr. 229. 271 Ibid. 272 Proces-verbaal van Willem Kuik, 8 juni 1945. Collectie Overijssel (CO), toegang 0397 (Militair Gezag, Commissaris van Overijssel) inv. nr. 371.
76
Berend Koek verscheen in april 1946 voor het Tribunaal, waar hem door president Bes een internering tot november 1950 werd opgelegd. De kous was voor Koek echter nog niet af: hij moest in juli 1946 alsnog verschijnen voor het Bijzonder Gerechtshof te Arnhem. Hier werd hem ten laste gelegd dat hij illegale werkers had verraden en dat hij zich “voor de bezetters verdienstelijk had gemaakt door de naasting van joodse goederen en het toezicht hierop”.273 Als verdediging bracht Koek op dat hij vanaf 1944 gematigder was geworden. Hij was, zo verklaarde hij, bereid geweest op Dolle Dinsdag de sleutels van de opslagplaatsen aan de politie te overhandigen, aangezien er gevaar bestond dat de Duitsers deze plaatsen in brand wilden steken. Hij zou zelfs ter preventie de benzineblikken met water hebben gevuld.274 Hoe geloofwaardig deze anekdote werd bevonden bleek uit de uitspraak. Ondanks een pleidooi van Koeks advocaat mr. Gratama om ook het goede te zien dat de verdachte had gedaan werd Koek veroordeeld tot 10 jaar gevangenisstraf voor landverraad.275 Onder presidium van Bes behandelde het Tribunaal in 1946 een groot aantal diverse zaken en zocht hier en daar de ruimte om aandacht te besteden aan de Jodenvervolging. Zo ook in het geval van Pieternella G. Schaap, die van 1941 tot 1945 aangesloten was bij de NSB en de Nationaal-Socialistische Vrouwenorganisatie (NSVO).
Zij verklaarde zichzelf niet pro-Duits, maar ook niet pro-Engels te zijn geweest en had de mening gekoesterd dat de Beweging veel goeds voor Nederland zou brengen. Toen Bes haar ondervroeg over het lot van de joden antwoordde zij slechts: “met dien toestand was ik niet op de hoogte”.276 In diezelfde zitting werd ook Hendrika Overink besproken, die als dienstmeisje vrijwillig met een Duitser omgegaan was. Martha Meuleman, huurster van de Praubstraat, werd hetzelfde ten laste gelegd. Bes zorgde er ook voor dat het kopen en verkopen van voormalig joods bezit bij de zitting onder de aandacht kwam, bijvoorbeeld tijdens de zaak van Hendrikus Sleeuw. Hij had zich in 1935 bij de NSB aangesloten en had het tot kringleider van Wijhe geschopt. Toen zijn café verliep verhuisde hij naar Zwolle, waar hij via bemiddeling van de foute makelaar Van Santen een “Joodsch huis” in de Oosterstraat kreeg toegewezen dat hij later kocht.277 Van Santen zelf werd ongeveer twee maanden later door Bes berecht en wegens het “verkwanselen van Joodse huizen” veroordeeld tot 10 jaar internering, verbeurdverklaard vermogen en ontzetting uit het recht om het beroep van makelaar in onroerende goederen uit te oefenen.278
273 Opregte Steenwijker courant, 05-07-1946. Geraadpleegd via Delpher. 274 Overijsselsch dagblad, 05-07-1946. Geraadpleegd via Delpher. 275 Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 10-07-1946. Geraadpleegd via Delpher. 276 Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 04-03-1946. Geraadpleegd via Delpher. 277 Ibid. 278 Overijsselsch dagblad, 23-04-1946. Geraadpleegd via Delpher.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
77
8.3 Zwolle gezuiverd Na de oorlog werden er op rijksniveau, provinciaal niveau en lokaal niveau zuiveringscommissies ingesteld. Voor de provincie ging het om de beoordeling van de burgemeesters, de marechaussee en het onderwijs. Voor de gemeente werden onder andere commissies opgezet voor het gemeentepersoneel, de politie, het telefoondistrict, het huis van bewaring, het Centraal Distributiekantoor, het Gewestelijk Arbeidsbureau en de spoorwegen.279 Het ging bij de zuivering niet om strafrechtelijke zaken, maar om iemands houding tegenover de bezetter. De processen-verbaal die opgemaakt werden door de POD werden wel door zuiveringscommissies gebruikt om tot een oordeel te komen. De zuiveringscommissies brachten een zwaarwegend advies uit; het was aan het Militair Gezag om over te gaan tot berispingen, schorsing of ontslag. Wanneer men in Zwolle wenste over te gaan tot ontslag moest dit nog worden voorgelegd aan Binnenlandse Zaken. Na de bevrijding werd aangevangen met het zuiveren van het politiekorps. Vijf leden, onder wie de eerdergenoemde agent Hoekstra, werden in hun werkzaamheden gestaakt wegens te verregaande medewerking aan de Duitse bezetter. Het werd hen verboden hun werkzaamheden langer uit te voeren, maar zij behielden wel hun salaris.
De beruchte nationaalsocialistische leden van de gemeentepolitie Zwolle voelden de komende zuiveringsbui al hangen en hadden tijdig de benen genomen: onder andere De Bouter was aan de vooravond van de bevrijding gevlucht.280 Zijn vertrek leverde hem op de lange termijn niets op: in juni 1945 werd hij met terugwerkende kracht geschorst (beëindiging werkzaamheden en intrekking salaris) en uiteindelijk in mei 1946 definitief ontslagen. Een andere politieagent werd oneervol ontslagen omdat hij zich meubels uit joodse inboedels had toegeëigend. Uiteindelijk werden er geen vijf, maar drie korpsleden in hun werkzaamheden gestaakt en dertien korpsleden geschorst, elf daarvan wegens NSB-lidmaatschap. Over verregaande medewerking aan de Jodenvervolging werd weinig vermeld. Oud-agent Poeles blikte na de oorlog terug op de verantwoordelijkheid van de gemeentepolitie en dan voornamelijk de rol van de afdeling Economische Dienst: “toen zijn er wel eens werkzaamheden door de Dienst gedaan, die beter niet gedaan hadden kunnen worden als Nederlandse politiemannen. Wat betreft het van huis halen van de joden deed niemand graag mee. Het gehele corps werd ingeschakeld”.281 Hoewel er wel enkele agenten bij het korps waren die joden adviseerden om onder te duiken en agenten die belangrijk verzetswerk leverden werkte een groot deel van het korps mee aan de anti-joodse maatregelen.