Huijsmans, Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle Hierbij doe ik u toekomen...
Tekst van het document
4.7 Kijk op de ‘gewone ambtenaar’ en duiding Gegevens over individuele lagere ambtenaren in Zwolle zijn helaas schaars. Wel weten we vrij veel over de zaak van Hendrik van der Bend. Hoewel hij werkzaam was op de Zwolse Raad van Arbeid, weliswaar geen gemeentelijke dienst maar een tot de rijksoverheid behorende organisatie, geeft zijn geschiedenis wel een beeld van het perspectief van de ‘gewone ambtenaar’. Cornelissen beschrijft Van der Bend als een “vriendelijke, weinig opvallende ambtenaar”.101 Hij woonde met zijn gezin op de Vondelkade, wat bekend stond als nette buurt waar veel ambtenaren en onderwijzend personeel woonden. Voor zijn carrière bij de Raad van Arbeid had Van der Bend een opleiding tot boekhouder genoten en was hij werkzaam geweest bij de bank Van Doyer & Kalff in Zwolle en als korporaal bij de infanterie. Op het kantoor van de Raad sloot hij zich aan bij een tennisclubje waar ook twee joodse collega’s bijzaten: Truus Os en Jaap Rudelsheim. Truus Os woonde eveneens op de Vondelkade, samen met haar man Wouter Cornelissen, die ook bij de Raad van Arbeid werkte als commies.102 Hun zoon Igor Cornelissen beschrijft het clubje, afgaande op de foto’s, als “vrolijk en ontspannen”.
Hij beschrijft Van der Bend als “iemand van lagere komaf die door zelfstudie en hard werken hogerop probeert te komen”.103 Als verklaring voor waarom hij zich in oktober 1940 bij de NSB had aangesloten opperde hij tijdens zijn berechting dat hij van mening was geweest dat er een ‘nieuwe wind moest gaan waaien’. Zijn sympathieën voor het nationaalsocialisme lijken kort voor de oorlog te zijn ontstaan: hij kon zich niet vinden in de maatschappelijke toestanden van die periode en geloofde in de door de NSB beloofde verbetering. Van der Bend werd daarnaast lid van het Nederlands Arbeidsfront en colporteerde met Volk en Vaderland, het blaadje van de NSB.
98
Ribbens, Bewogen Jaren, p. 95.
99
Notulen van de vergaderingen van de raad, 1945 okt-1946. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 19.
100 Notulen van de vergaderingen van de raad, 1945 okt-1946. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 19. 101 Igor Cornelissen, April 1945: de bevrijding van Zwolle (Zwolle: Waanders 2015), p. 81. 102 Mirjam Kan, ‘CORNELISSEN-OS, WOUTER EN TRUUS’, Joods Zwolle. Link: https://www.joodszwolle.nl/cornelissen-os-wouter-en-truus/. Geraadpleegd op 4 juli 2023. 103 Cornelissen, De Bevrijding van Zwolle, p. 81-82.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
33
Zijn naoorlogse berechting verliep niet soepel en hoewel hij niet slecht bekend stond, liepen de meningen over Van der Bend voor en na zijn veroordeling enigszins uiteen. Hij zou tot najaar 1944 lid blijven van de NSB. Naar eigen zeggen bedankte hij omdat hij zich niet meer kon vinden in de werkwijze van de Landwacht en de bezetter, maar volgens zijn vrouw was het omdat de zoon van een buurman was doodgeschoten. Het werd hem ook zwaar aangerekend dat hij in maart 1944 rapport had uitgebracht aan W. Balvers, secretaris van de Bond van Nationaal Socialistische Ambtenaren, over een mislukte viering op kantoor ter gelegenheid van de aanstelling van een nieuwe NSB-directeur. Dat hij wel in maart 1943 via zijn vrouw een Zwolse huisarts wist te waarschuwen over de aanstaande arrestatie van leden van de Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunde was niet goed genoeg. Door zijn collega’s op kantoor werd Van der Bend een licht opportunistisch karakter toegeschreven. Een buurman herinnerde zich dat Van der Bend verklaard zou hebben met de Duitsers tegen de Engelsen te willen strijden, mocht het zover komen.104 Een aantal buren verklaarde echter nooit last van hem te hebben gehad, dat hij niemand had verraden en dat hij in de buurt gunstig bekend stond. Een relatief licht geval als Van der Bend werd disproportioneel zwaar gestraft met een internering tot 17 maart 1948.
Dat was in ieder geval de mening van zijn collega S. Noordhof die voor de oorlog gemeenteraadslid was geweest en na de bevrijding wethouder werd. Op het spectrum van verzet tot verraad viel Van der Bend in ieder geval zeker niet in dezelfde categorie als de Landwachters of de jodenjagers.105 Het bleek bij de naoorlogse berechting lastig om de houding en het gedrag van ambtenaren tijdens de oorlogsjaren te duiden en beoordelen. Ver na de oorlog werden een paar joodse Zwollenaren gevraagd naar hun indruk van de “Zwolse ambtenaar” in oorlogstijd. Zo ook Bram Bakker, die aan Igor Cornelissen over de gemeentepolitie verklaarde: “Gelooft u mij meneer, het kon de politie niets schelen dat de joden werden opgepakt. Ze trapten overal de deuren bij de joden in. Ik kon wegkomen, ik was vroeger erg lenig. Begrijpt u mij goed: de politie in Zwolle was niet fout en niet goed, ‘in ieder geval niet erg slecht’”.106
4.8 Samenvatting Het gemeentelijk beleid van de gemeente Zwolle werd tijdens de oorlogsjaren gekenmerkt door een continue zoektocht naar een houding in een periode van verandering en instabiliteit onder de Duitse bezetter. Onder de totalitaire richting van de gezaghebber verdween de rol van de gemeenteraad, werd vanuit Duitse zijde gepoogd om het lokale bestuur in nationaalsocialistische zin om te vormen en werd de burgemeester geconfronteerd met het dilemma van een ‘burgemeester in oorlogstijd’; aanblijven om erger te voorkomen of ontslag nemen uit protest tegen de steeds verdergaande bevelen van de Duitse autoriteiten. Deze maatregelen richtten zich in het bijzonder tegen de joodse inwoners van de stad. Zij werden systematisch vervolgd in een proces dat begon met isolatie, discriminatie, registratie en uiteindelijk resulteerde in deportatie en moord. De rol van het gemeentebestuur en de burgemeester bij dit proces valt het best te omschrijven als administratief faciliterend. Of een andere houding het
104 Cornelissen, De Bevrijding van Zwolle, p. 83. 105 De in 1943 opgerichte Landwacht was een paramilitaire hulpdienst aan de bezetter en bestond voor het grootste deel uit NSB’ers. 106 Igor Cornelissen, Ode aan een slecht mens: oom Jopie uit de mediene (Amsterdam: Van Gennep (1991), p. 62.
34
verschil had gemaakt is zeer de vraag. Actief verzet had ontslag als resultaat en een burgemeester die aanbleef moest noodgedwongen schipperen. De eerste oorlogsburgemeester Arnoldus van Walsum werd geconfronteerd met de beginfase van de vervolging toen hem in mei en juni 1940 werd gevraagd om inzage in het bevolkingsregister. Omdat hij vermoedde dat het de bezetter te doen was om gegevens van joodse ingezetenen weigerde hij. Deze actieve poging tot verzet kwam hem duur te staan: hij werd vanwege zijn anti-Duitse houding ontslagen. Na een periode onder waarnemend burgemeesterschap van Gustaaf Adolf Strick van Linschoten werd de positie van eerste burger in september 1940 vervuld door Maurits van Karnebeek. Hij zou het grootste deel van de oorlogsjaren aanblijven, stond als resultaat van het leidersbeginsel grotendeels alleen aan het roer en dus kwam hem voornamelijk de taak toe om medewerking te verlenen aan de meest ingrijpende anti-Joodse maatregelen. In de gemeenteraad werden deze voelbaar en zichtbaar met het ontslag van de twee joodse raadsleden. De isolatie en discriminatie van joden kwamen in een verder gevorderd stadium middels de aanmeldingsplicht voor joden, de inperking van hun bewegingsvrijheid, de ‘arisering’ van het slachthuis en de segregatie in het onderwijs.
Van Karnebeek zocht bij deze kwesties ruimte om te manoeuvreren, maar stond toch met zijn rug tegen de muur. Veel meer dan protest aantekenen kon hij niet doen en dat deed hij ook niet: Van Karnebeek beklaagde zich enkele keren bij de Duitse instanties, maar legde zich uiteindelijk wel neer bij het feit dat zijn verzoeken niet gehonoreerd werden. Daarnaast voelde hij zich vaak gepasseerd in zijn gezag: buiten zijn kennis om werd in najaar 1941 en najaar 1942 de assistentie van de gemeentepolitie gevorderd bij het arresteren van joodse stadsgenoten. Hoewel de eerste razzia door waarschuwen van oud-commissaris Lettinck uitliep op een mislukking, slaagde de bezetter er met medewerking van het politiekorps onder leiding van commissarissen Stienstra en De Bouter in om een groot deel van de joodse gemeenschap in hechtenis te nemen en op transport te stellen. Door deze grootschalige deportaties kwamen er veel woningen leeg te staan; de roof op joods bezit kon ongehinderd uitgevoerd worden, wederom met medewerking van het politiepersoneel. Een tweede zaak waar Van Karnebeek niet bij werd betrokken was de keuze van een NSB-wethouder in 1943, als vervanging voor wethouder Lansink. De invloed van het nationaalsocialisme op het gemeentebestuur was hiervoor beperkt gebleven.
Hoe zeer Van Karnebeek ook schipperde, hij kon de vloedgolf niet tegenhouden: in 1944 bood hij zijn ontslag aan omdat hij om op die schaal niet wilde meewerken aan het leveren van arbeidskrachten voor de aanleg van defensiewerken. Van Karnebeek dook onder, en er kwam een NSB’er aan het hoofd: Adriaan Meerkamp van Embden. In zijn korte periode als burgemeester onthield hij zich van het vergroten van de nationaalsocialistische invloed op het gemeentebestuur. Hij zou in functie blijven tot 14 april 1945: de dag dat Zwolle bevrijd werd en Van Karnebeek terugkeerde als waarnemend burgemeester. Deze herwonnen vrijheid smaakte echter naar pijn: 499 van 43.301 Zwollenaren waren vermoord door de Duitse bezetter in de concentratiekampen, enkel omdat zij joods waren.107 Een tragedie voor de stad die eens het thuis was van de grootste joodse gemeenschap in de provincie Overijssel.
107 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 239.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
35
36
5. Achtergrond: roof, onteigening en rechtsherstel
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
37
5 Achtergrond: Roof, onteigening en rechtsherstel 5.1
Inleiding
Toen de deportaties van de joodse bevolking in de zomer van 1942 begonnen, was de registratie van joden voltooid, hadden joodse ambtenaren geen werkkring meer, waren joden geweerd uit publieke ruimtes (mei en september 1941), waren hun persoonsbewijzen voorzien van een ‘J’ (januari 1942) en moesten alle joden ouder dan zes jaar verplicht een ster dragen (mei 1942). De economische strop werd in augustus 1941 aangehaald met de verplichting om joodse banktegoeden over te maken naar de Lippmann-Rosenthal Bank (Liro), “een voormalig joodse bank die door de Duitsers was overgenomen”.108 In dezelfde maand moesten bij Verordening (vo) 154/1941 alle Joodse grondeigendommen en de daarop staande bebouwingen worden aangemeld, inclusief de opbrengsten van dat bezit in de vorm van huur, recht van opstal, erfpacht, hypotheken en andere onroerende rechten.109 Landelijk werden er op basis van deze verordening ongeveer 20.000 percelen en 5.600 hypotheken aangemeld. VO 154/1941 bood tevens de mogelijkheid tot onderbeheerstelling van het aangemelde eigendom.110 De organisatie die hiermee werd belast was de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV,), een stichting die zich na haar oprichting op 16 augustus 1941 vestigde in een pand aan de Juliana van Stolberglaan in Den Haag.
De Nederlandse organisatie die namens de NGV optrad was het Algemeen Nederlandsch Beheer van Onroerende Goederen en deze kende plaatselijke afdelingen, bijvoorbeeld ANBO Groningen en ANBO Rotterdam. Het ‘beheer’ omvatte alle rechtshandelingen “welke een behoorlijk beheer van het joodsch grondbezit met zich meebrengt”. Daarnaast kon de NGV het onroerend goed “geheel of ten deele vervreemden of bezwaren”. Bezit kon worden bezwaard met bijvoorbeeld hypotheekrecht en met vervreemding kan verkoop, ruil of schenking worden bedoeld. Het doel van de onderbeheerstelling was verkoop. Voor de uitvoering van zijn werkzaamheden stelde de NGV beheerders (Verwalters) aan.111 De NGV had tot taak zoveel mogelijk huizen van Joodse eigenaren te verkopen aan ‘arische’ Nederlanders en Duitsers. De opbrengsten van deze verkopen werden overgemaakt aan de Vermögensverwaltungs und Renteanstalt (VVRA), een andere Duitse rooforganisatie belast met het beheren van gelden afkomstig uit andere rooforganisaties.112 Deze verkoop vormde het sluitstuk van de juridischeconomische ontrechting. Na de Duitse nederlaag bij Stalingrad, in februari 1943, stagneerde de huizenverkoop echter. Zo waren de Nederlandse hypotheekbanken in toenemende mate onwillig om hypothecaire leningen aan mogelijke kopers te verstrekken. Hier lagen zeer waarschijnlijk geen morele, maar zakelijke bezwaren aan ten grondslag.
Hadden de banken tot in 1943 nog miljoenen in hypotheken op voormalige Joodse panden geïnvesteerd, zoetjesaan nam de huiver toe om risico te
108 Joods Cultureel Kwartier, ‘Chronologie van de Jodenvervolging’, link: https://www.jck.nl/nl/longread/chronologie-van-de-jodenvervolging. Geraadpleegd op 3 april 2023. 109 Een verordening is een overheidsbesluit van algemene strekking. 110 Hinke Piersma en Jeroen Kemperman, Openstaande rekeningen: De gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel,
1940-1950 (Amsterdam: Boom 2015), p. 64. 111 Ibid., 64. 112 Maarten-Jan Vos en Serge ter Braake, Rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog van geroofd Joods onroerend goed (Amsterdam: Boom 2013), p. 21. 113
38
Piersma en Kemperman, Openstaande rekeningen, p. 67 - 68.
dragen voor ‘verkeerde’ transacties. Mocht Duitsland de oorlog verliezen, dan zouden die transacties wel eens voor flinke problemen kunnen zorgen.113 Banken waren vooral huiverig om betrokken te raken bij de verkoop van een ‘jodenpand’ aan NSB’ers of andere collaborateurs. Als oplossing voor deze stagnatie richtten makelaar Dirk Hidde de Vries en bankier H.C. van Maasdijk - beiden NSB’ers - in de herfst van 1943 de Landelijke Hypotheekbank op. Deze bank vergemakkelijkte het verkoopproces door leningen op joods onroerend goed te verstrekken.114 Het geld om dit mogelijk te maken kwam via Meinoud Rost van Tonningen, president van de Nederlandse bank, uit de staatskas.115 De Duitse bezetter profiteerde het meest van deze handel in panden, maar er was zeker een aantal Nederlandse burgers en autoriteiten die de verleiding moeilijk kon weerstaan om voordelig geprijsd onroerend goed te kopen dat aan joden had toebehoord.116 Deze zogeheten oorlogskopers vormden een diverse groep, van gewone timmermannen tot ideologisch gedreven figuren met NSB-sympathieën. Maar het waren niet alleen individuen die joods bezit kochten. De gemeente Amsterdam bijvoorbeeld hield het joods vastgoed dat op de markt kwam nauwlettend in de gaten, voornamelijk omdat het een perfecte kans was om vooroorlogse plannen omtrent stadsuitbreiding en stadsrenovatie te realiseren.
Onder bezetting van de Duitsers hoefde de aankoop van joods bezit immers geen dure aangelegenheid te worden: de prijzige onteigeningsprocessen met bijkomende schadevergoedingen konden grotendeels omzeild worden. Daarnaast was de aankoopprijs vaak een stuk lager dan voor de oorlog. Dat deze gunstige situatie zich voordeed als resultaat van roof op joodse eigenaren werd nauwelijks ter discussie gesteld.117 Een andere beroepsgroep die de handel in voormalig joods vastgoed mogelijk maakte en er ook aan verdiende waren notarissen en makelaars. Notarissen passeerden de verkoopaktes, en “de NGV en ANBO inden de huur of verkochten percelen via, soms malafide, makelaars”.118 Per transactie ontvingen de makelaars een courtage van 2%; een vergoeding die makelaars rekenen bij een succesvolle verkooptransactie. Daarnaast kwam het niet zelden voor dat zij een pand beneden de marktwaarde verkochten. Notarissen stelden de aktes voor deze transacties op en konden soms dubbel aan één pand verdienen als zij na de oorlog hiervoor ook de rechtsherstelakte opmaakten.119 Met het eind van de oorlog kwam ook een einde aan de ontrechting en begon een proces van rechtsherstel. Inzake rechtsherstel waren de belangrijkste wetsbesluiten Besluit Bezettingsmaatregelen (E 93) en Besluit Herstel Rechtsverkeer (E 100).120 Deze werden in september 1944 uitgevaardigd toen het kabinet nog in Londen was gevestigd.
De Raad voor het Rechtsherstel werd als gevolg van laatstgenoemd wetsbesluit in augustus 1945 opgericht en voorgezeten door P.S. Gerbrandy, de minister-president van het in Londen zetelende oorlogskabinet. Hieronder ressorteerde een aparte
114 Loe de Jong. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 5. Maart ‘41 - juli ‘42. Eerste helft. p. 606. 115 Vos en Ter Braake, Rechtsherstel, p. 21. 116 Hinke Piersma en Jeroen Kemperman, “The ‘Aryanization’ of Jewish Property in Amsterdam and Its Consequences
After World War II” in The Holocaust and European Studies eds. Andrea Löw en Frank Bajohr (2016), p. 324-325. 117 Ibid., 325. 118 Vos en Ter Braake, Rechtsherstel, p. 21. 119 Ibid., p. 22. 120 Hinke Piersma en Marleen van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel. Het Rotterdamse gemeentebeleid inzake ontrechting
en rechtsherstel van Joodse oorlogsslachtoffers 1940-1955 (Amsterdam: NIOD 2020), p. 17.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
39
afdeling Onroerende Goederen, die tot taak had de ‘geschillen door partijen onderling, zij het onder leiding van een deskundige notaris-bemiddelaar’ te regelen. Deze regelingen werden vastgelegd in minnelijke schikkingen tussen de oorspronkelijke joodse eigenaren en de oorlogskopers. Lukte het de betrokken partijen niet om tot een vergelijk te komen, dan kon men een procedure starten bij de afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel. In zijn proefschrift Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezetting en wederopbouw heeft rechtsfilosoof Wouter Veraart laten zien dat het rechtsherstel in deze twee landen op een fundamenteel andere wijze werd benaderd. Anders dan in Frankrijk, waar het rechtsherstel werd opgevat als een “noodzakelijke stap in het project van terugkeer naar de legaliteit en rechtsstatelijkheid van de Franse republiek”, werd de herstelwetgeving door de Nederlandse regering beschouwd “als één van de uitzonderlijke maatregelen die nodig waren in het kader van de (vooral economische) wederopbouw”.121 In de breedste zin van het woord betekende rechtsherstel het herstellen van de vooroorlogse situatie; volgens bovengenoemde wetgeving betekende dit het ongedaan maken van de anti-Joodse maatregelen met terugwerkende kracht.
Dit had als nadelig gevolg dat de oorspronkelijke joodse eigenaar verantwoordelijk kon worden gehouden voor achterstallige belastingen.122 Een onbetaalde erfpachtcanon en bijkomende boete wegens late betaling kon een van die kostenposten zijn: erfpacht werd vanaf het einde van de negentiende eeuw geheven over gebouwen op gronden die gemeentelijk eigendom gebleven waren. Periodiek moest aan deze betaling worden voldaan, maar als dat tijdens de oorlog niet gebeurd was kreeg de berooide teruggekeerde joodse eigenaar na de oorlog een factuur gepresenteerd. Dit kwam geregeld voor, aangezien oorlogskopers en hun bewindvoerders vaak wanbetalers waren geworden tijdens de oorlogsjaren. Voornamelijk na september 1944 bleven er veel rekeningen openstaan: de verwachte bevrijding van Nederland resulteerde in een massale vlucht van collaborateurs en andere uitbuiters.123 De naoorlogse herstelwetgeving had geen rekening gehouden met deze kwestie. Het is mogelijk dat de wetgever ervan uitging dat de oorlogskoper en de oorspronkelijke eigenaar er wel samen uit zouden komen in de minnelijke schikking of dat de afdeling Rechtspraak met een oplossing zou komen. Panden die tijdens de oorlog onverkocht waren en dus onder beheer bleven vormden een uitzonderlijk probleem.
Hoewel ze terugkwamen in het bezit van de oorspronkelijke eigenaar was het bijna onmogelijk om tot een financiële afwikkeling te komen: de NGV had haar financiën niet op orde gehad, met openstaande posten als gevolg.124 Op wie die kosten na de oorlog verhaald moesten worden was een brandende vraag.
5.2 Samenvatting Met de aanvang van de deportaties van de joodse bevolking vanuit Nederland in de zomer van 1942 begon de laatste fase van de Jodenvervolging: deportatie. Een jaar eerder zou al een begin worden gemaakt met de grootschalige roof van joods bezit: banktegoeden moesten worden overgemaakt
121 Wouter Veraart, Ontrechting en rechtsherstel in Nederland en Frankrijk in de jaren van bezetting en wederopbouw (Deventer: Kluwer 2005), p. 376. 122 Piersma en Kemperman, ‘The ‘Aryanization’ of Jewish Property’, p. 328. 123 Ibid., p. 329. 124 Ibid., p. 329.
40
naar de roofbank Lippmann-Rosenthal. Daarnaast moesten hun eigendommen worden aangemeld en werden deze onder beheer gesteld. Het uiteindelijke doel van dit proces was ‘arisering’ en financieel rendement: de verkoop van voormalig joodse huizen aan ‘arische’ Nederlanders en Duitsers en hierop winst maken. De Duitse bezetter was niet de enige die van de situatie profiteerde: oorlogskopers, zowel individuen als organisaties, zowel binnen als buiten hun eigen woonplaats, kochten ‘jodenpanden’ voor een prijs die vaak ver beneden de marktwaarde lag. Makelaars en notarissen speelden een cruciale rol bij deze transacties en sloegen hier ook een slaatje uit. Enige huiver voor ‘foute’ transacties sloop er tijdens het keren van de oorlogskansen in, maar over het algemeen werden veel panden verkocht. Toen de oorlog ten einde kwam konden joden in hun recht hersteld worden: de Raad voor het Rechtsherstel werd in het leven geroepen en de anti-joodse maatregelen werden met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt. Via minnelijke schikkingen werd er getracht tot een vergelijk te komen tussen de oorspronkelijke eigenaar en de oorlogskoper, zonder dat hier een gerechtelijke procedure aan te pas kwam. Waar in de naoorlogse herstelwetgeving geen rekening mee werd gehouden waren de openstaande kostenposten van aan huizen gebonden belastingen, zoals erfpachtcanon, straatbelasting, rioolrecht, etc.
Als resultaat van wanbetalende oorlogskopers en de slordige financiële administratie van de NGV werden sommige joodse huiseigenaren die na de oorlog berooid terugkwamen geconfronteerd met openstaande rekeningen.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
41
42
6. De papieren getuigen van de roof: het bronnenmateriaal
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
43
6 De papieren getuigen van de roof: het bronnenmateriaal 6.1
Inleiding
“Ich liege anbei ein Verzeichniss der Häuser in Besitz von Juden vor und versichere die Richtigkeit und Vollständigkeit dieses Verzeichnisses, vorbehaltlich Änderung des Eigentums laut das Kataster.”125 Op 21 juli 1942 stuurde burgemeester Van Karnebeek op bevel van de Ortskommandant een lijst “van in joods bezit zijnde vaste goederen” aan de Duitse autoriteiten. Deze lijst zou gebruikt worden voor het begin van de handel in joods vastgoed. Zoals in bovenstaand hoofdstuk beschreven was er een aantal spelers actief betrokken bij deze handel. Zij hebben hun sporen achtergelaten in het bronnenmateriaal, wat het mogelijk maakt om te reconstrueren hoeveel panden er in Zwolle in joods bezit waren en hoe het proces van gedwongen verkoop precies verliep. Daarbij is het wenselijk om te specificeren wat er precies onder ‘joods bezit’ wordt verstaan. De meeste joodse en niet-joodse ingezetenen van Zwolle huurden hun woonruimte. Dat het aandeel woningen in eigendom relatief laag lag, strookt met het landelijke beeld: “begin jaren twintig lag dit rond de 18% en vlak na de Tweede Wereldoorlog bestond nog maar 28% van de woningvoorraad uit koopwoningen”.126 Vóór de jaren 40 bestond de opvatting dat het stimuleren van eigenwoningbezit geen overheidstaak was.
Dit werd voor arbeiders zelfs onwenselijk geacht gezien de “grote vermogensrisico’s en de geringe bestaanszekerheid”.127 Het bezitten van een eigen woning werd daarnaast als remmende factor op de arbeidsmobiliteit gezien. Het meebewegen op de golven van de economie was ook voor huiseigenaren een argument om zelf te huren. Als het met de zaken voor de wind ging kon men duurder gaan wonen, en als het minder voorspoedig liep huurde men een goedkoper huis.128 In de context van roof en onteigening gaat het echter enkel over huiseigenaren: mensen die een of meerdere panden in bezit hadden en hier woonden of deze exploiteerden.
6.2 Gedwongen verkoop De Verkaufsbücher Om dit huizenbezit in beeld te krijgen zijn een aantal ‘getuigen van de verkoop’ geraadpleegd: de Verkaufsbücher, het archief van de gemeentesecretarie van Zwolle, het archief van de bewaarders van de Hypotheken en het Kadaster, en het Kadaster zelf. In de achttien Verkaufsbücher, waarvan het eerste deel met nummers 1 tot en met 449 ontbreekt, hielden de Duitse autoriteiten de administratie van de verkoop van joodse panden bij. De informatie in de boeken is afkomstig uit regionale archieven en dus kon men spreken van een centrale registratie.129 De namen van de oorspronkelijke eigenaren, de nieuwe eigenaren (oorlogskopers), de betrokken notarissen en de verkoopprijzen zijn hier onder andere in terug te vinden. Het gaat in totaal om ongeveer 7.500 transacties. Deze boeken zijn, net zoals alle bewaard gebleven papieren van het Duitse bezettingsregime in Nederland, na de bevrijding in beslag genomen en berusten
125 Brief van de burgemeester van Zwolle aan de Ortskommandant. 21 juli 1942. Collectie Overijssel (CO), toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 187. 126 Friso de Zeeuw en Rick Kraan, ‘Eigenwoningbezit in 100 jaar’, Tijdschrift voor de Volkshuisvesting (2001/1), p. 24. 127 Ibid., p. 24. 128 Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel, p. 10. 129 Thomas Mulder, ‘Verkaufsbücher: administratief boekwerk als startpunt voor aangrijpende oorlogsverhalen’, Pointer. Link: https://pointer.kro-ncrv.nl/verkaufsbucher-administratief-boekwerk-als-startpunt-voor-aangrijpende-oorlogsverhalen. Geraadpleegd op 17 december 2022.
44
nu bij het Nationaal Archief te Den Haag. In samenwerking met het Kadaster zijn deze boeken gedigitaliseerd en openbaar te raadplegen.130 Zoals vermeld is de informatie uit de Verkaufsbücher niet compleet. Aanvullend onderzoek in de archieven van Collectie Overijssel en het Kadaster leverde extra informatie op. De Zwolse gemeentesecretarie In de archieven van Collectie Overijssel te Zwolle is in het archief van de gemeentesecretarie gebruik gemaakt van het dossier ‘Verstrekking van inlichtingen op last van Duitse autoriteiten, 1937-1942’. In dit dossier bevindt zich bovengenoemde lijst van joods vastgoed, opgesteld in juli 1942 door de Directeur van Openbare werken, in opdracht van burgemeester Van Karnebeek en op last van de Ortskommandant.131 Er werd verzocht om een gedetailleerde lijst van alle woningen in Zwolle in eigendom en bezit van joden, met daarbij volgnummer, naam, adres, aantal kamers, telefoonnummer, centraalverwarming ja/nee en de aanwezigheid van een bad ja/nee.132 De laatste vier criteria liet de Directeur van Openbare Werken oningevuld.
Bij het toesturen van de lijst verzekerde Van Karnebeek de Ortskommandant van de juistheid en volledigheid van deze lijst, onder voorbehoud van eigendomsoverdracht volgens het Kadaster.133 Hoewel deze lijst is opgemaakt in juli 1942 en dus niet stamt uit 1940, mag ervanuit gegaan worden dat deze lijst waarschijnlijk een vrijwel compleet overzicht geeft van het onroerend goed dat aan het begin van de bezetting in eigendom van joden was. Zeker wanneer deze lijst vergeleken wordt met twee andere lijsten uit het archief van de gemeentesecretarie. Deze werden opgemaakt in 1952 na ontvangst van een circulaire van de Minister van Maatschappelijk Werk waarin hij verzocht om na te gaan en hem te informeren a) welke panden in Zwolle tijdens de bezetting in beslag werden genomen, b) wie de oorspronkelijke eigenaar was van deze vaste goederen en c) naar welke oorlogskopers en opvolgende eigenaren deze eigendommen werden overgeschreven.134 Burgemeester Strick van Linschoten wees deze taak toe aan de Commissaris van Politie I. Bergsma, die op zijn beurt twee lijsten leverde: een “opgave van vaste goederen, destijds door de bezetter inbeslag genomen en door de Nied. Grundstückverwaltung e.a.
verkocht” en een ‘lijst van panden welke in de gemeente Zwolle gedurende de bezetting in beslag werden genomen”.135 Het tijdens de bezetting opgestelde overzicht onderstreept dat het ambtelijk apparaat van Zwolle inclusief burgemeester wist dat de bezetter zijn zinnen had gezet op het joods vastgoed; zij hielp hier op administratieve wijze aan mee. De bewaarders van de Hypotheken en het Kadaster De hypotheekbewaarder Klaas Johan Bes had tijdens de oorlogsjaren ook een lijst bijgehouden van
130 Link: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/open-data/indexen. 131
Brief van de Directeur van Openbare Werken aan de burgemeester van Zwolle. 21 juli 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 187.
132 Brief van de Ortskommandant aan de burgemeester van Zwolle. 9 juli 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 187. 133 Brief van de burgemeester van Zwolle aan de Ortskommandant. 21 juli 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 187. 134 Circulaire van de Minister van Maatschappelijk werk. 18 november 1952. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 189. 135 Brief van de commissaris van politie aan de burgemeester van Zwolle. 4 december 1952. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 189.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
45
joods vastgoed, maar om andere redenen dan burgemeester Van Karnebeek. K.J. Bes was eerst landmeter in Leiden geweest alvorens in 1925 in Zwolle benoemd te worden tot bewaarder der hypotheek-, kadaster- en scheepsbewijzen.136 Bes leidde ook notarissen op.137 Hij was fel gekant tegen het nazibewind en had een periode joodse onderduikers in huis.138 Tijdens de bezetting hield hij in het geheim een schriftje voor Zwolle en omstreken bij met aantekening van “frauduleuze akten”: “akten waarbij NSB’ers e.d. huizen en grond zogenaamd hadden gekocht van Joden”.139 In het archief van de hypotheekbewaarders bevindt zich een “lijst van de in beslag en onder beheer genomen onroerende goederen van joodse eigenaren, met aantekeningen over de beheerders ervan, teneinde in de kadastrale legger te worden verwerkt, 1941” en een “lijst van de nieuwe eigenaren van de in beslag en onder beheer genomen onroerende goederen van joodse eigenaren, met bijlagen, 1942 - 1943, teneinde in de kadastrale legger te worden verwerkt, met aantekeningen inzake het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog, 1946 - 1952”. Zacharias Klaasse, oud-medewerker van het Kadaster, werkte in Zwolle bij het Kadaster van 1966 - 1969 en begin 1972 en schrijft dat “de ouderen” met regelmaat over Mr.
Bes vertelden: hij zou de aantekeningen onder de vloer van Stationsweg 2 te Zwolle (het voormalige kantoor van het Kadaster) verstopt hebben. Klaasse heeft een sterk vermoeden dat de hierboven genoemde “lijst van de nieuwe eigenaren” inderdaad de aantekeningen van Bes zijn.140 Na het vergelijken van het handschrift van Bes met de aantekeningen, is het aannemelijk dat Bes die zelf heeft gemaakt.141 In het dossier is achterin een handgeschreven briefje bijgevoegd waarop (vermoedelijk) Bes heeft geturfd hoeveel aktes per notaris gepasseerd werden.142 Bes zou de handel in joods vastgoed ook na de oorlog blijven volgen: als hypotheekbewaarder maakte hij op verzoek van de Raad voor het Rechtsherstel de dossiers van de minnelijke schikkingen op en als voorzitter van het Tribunaal was hij betrokken bij de zuiveringsprocessen.
Het Kadaster Het Kadaster zelf is ook geraadpleegd bij het reconstrueren van het joodse bezit in Zwolle. Per kadastraal nummer (verkregen uit bovengenoemde lijsten) is het corresponderende leggerartikel opgezocht en gecontroleerd of het aantal panden overeenkomt met bovengenoemde lijsten. Daarnaast bevat een leggerartikel veel interessante informatie over de oorspronkelijke eigenaren en de (oorlogs)kopers, zoals hun beroep, waar ze wonen, en bij gedeeld eigendom een percentage van vruchtgebruik of blooteigendom (eigenaar zijn van vermogen maar er geen gebruik van mogen maken). Wanneer opeenvolgende leggerartikelen chronologisch geraadpleegd worden, valt precies te zien welke veranderingen er per perceel hebben plaatsgevonden: splitsing, samenvoeging, verbouwing, maar ook de verkoop aan een oorlogskoper. Vaak wordt deze transactie vermeld met ‘dj. 1944 Verkoop’, maar het kan ook om een ander jaartal gaan. Het dienstjaar ‘dj.’ verwijst altijd naar het jaar ervoor, dus in bovenstaand geval is een pand in 1943 verkocht. Het is goed om op te merken dat er kleine verschillen in volledigheid of aanduiding kunnen
136 Eindhovensch dagblad, 26-07-1915. Overijsselsch dagblad, 10-06-1925. Beide geraadpleegd via Delpher. 137 Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 03-09-1938. Geraadpleegd via Delpher. 138 Salomon de Jong, Joodse Oorlogsherinneringen 1940-1945 (Franeker: T. Wever 1975), p. 76. 139 Zacharias Klaasse, Het Kadaster in de Tweede Wereldoorlog (Kadaster, 2020), p. 59. 140 Mailcontact met Zacharias Klaasse op 25 februari 2022. 141 De vergelijking is door de auteur van dit rapport gemaakt. 142 Collectie Overijssel, toegang 0145 (Bewaarders van de Hypotheken en het Kadaster in Overijssel), inv. nr. 10781.
46
bestaan tussen de informatie op de leggerartikelen en bovengenoemde lijsten en verdere administratie. De opstellers van deze lijsten waren afhankelijk van de (loodzware) boeken van het Kadaster en moesten alles handmatig overnemen. Kortom: de toegankelijkheid was niet optimaal.143 Daarnaast waren er ook verschillen in werkwijze tussen de kadasterkantoren, want er werden nogal eens eigen regels verzonnen als het niet om hoofdlijnen ging. Zo staat in de Zwolse leggerartikelen geen vermelding dat het pand onder beheer is gesteld, terwijl dat in bijvoorbeeld Arnhem of Assen gebruikelijk was. De NGV stuurde daar per leggerartikel of perceel een briefje waarin stond dat die percelen in beheer genomen waren en dat de hypotheekbewaarder daar een aantekening bij moest zetten.144 Database De vergelijking van alle bronnen met elkaar heeft een op 7 bronnen gebaseerde database opgeleverd. Uitgaande van de volledigheid van de gebruikte bronnen schept de database een vrij compleet beeld van het joodse huizenbezit in Zwolle; een corpus met gegevens over 223 percelen met 73 oorspronkelijke eigenaren. De database, opgemaakt in Excel, vermeldt onder andere het kadastrale nummer, oorspronkelijke eigenaar (niet de eventuele huurders/bewoners), adres, beheerder, oorlogskoper(s), beroep oorlogskoper(s), betrokken notaris en verkoopprijs.
Daarnaast zijn er een aantal filter- en sorteeropties: zo is makkelijk op te zoeken welke panden er onverkocht bleven, wat de meest en minst kostbare panden in de verkoop waren en hoeveel panden een eigenaar in bezit had. Zo was er Maurits Lutteraan die enkel zijn eigen woning Aaplein 13 bezat, maar bestonden er ook grootbezitters als Charles Vecht, die zelf woonde aan de Van Nagellstraat 9 en daarnaast nog 8 andere panden in eigendom had.
6.3 Rechtsherstel Geschillendossiers Aangaande het naoorlogse rechtsherstel is de administratie ook goed bewaard gebleven. Voor de meeste rechtsherstelprocedures geldt dat er minnelijk geschikt is. Deze aktes, ook wel geschillendossiers genoemd, berusten bij het Nationaal Archief. De afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel had richtlijnen opgesteld voor het opstellen van zo’n akte en daarom is de opbouw steeds hetzelfde.145 De inhoud getuigt van een zakelijke reconstructie van de oorspronkelijke situatie, waarbij een aantal zaken verrekend werd tussen de oorspronkelijke eigenaar en de oorlogskoper. De oorlogskoper moest zowel de huren die hij had ontvangen tijdens de oorlogsjaren als eventuele schade terugbetalen aan de joodse eigenaar. De joodse eigenaar moest opdraaien voor de vaste lasten die de oorlogskoper had betaald tijdens de oorlogsjaren, alsmede voor een eventuele vergoeding wanneer het pand in waarde was toegenomen als gevolg van een verbouwing.146 De geschillendossiers zijn bij het Nationaal Archief op te zoeken in de “Inventaris van het archief van de Raad voor het Rechtsherstel, Dagelijks bestuur en secretariaat, Afdeling Beheer, Voorzieningen
143 Gesprek met Herman de Koning op 9 februari 2022. 144 Ibid. 145 Maarten-Jan Vos, Joods vastgoed in Winterswijk 1943-1950 (2022), p. 10. 146 Ibid., p. 10.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
47
voor afwezigen en Voorzieningen voor rechtspersonen en Afdeling Onroerende goederen, 1945 - 1967”. Onderdeel van dit archief is een kaartsysteem, waarin gezocht kan worden op gemeente, sectie en kadastraal nummer (filiatie tot 1940).147 Op de kaarten staat voor elk aangiftenummer een letter, verwijzend naar de gemeente waarin het onroerend goed is gelegen. Zo krijgt Amsterdam de letter C en Zwolle de letter U. Een schuine rode streep betekent dat het geschil is afgehandeld door de Raad voor het Rechtsherstel. Staat er verder niets op de kaart, dan is het geschil geregeld door een notariële acte van minnelijke schikking. Werd het geschil geregeld door een proces-verbaal van zwarigheden (het geschil voor een rechter brengen), een besluit van de afdeling Onroerende Goederen, of een intrekking door de aanvrager, dan is dit op de kaart vermeld. Het aangiftenummer kan vervolgens worden opgezocht in de dossierregisters I en II om te kijken of het dossier al dan niet aanwezig is (opmerking “ dossier in archief”), of is samengevoegd met een ander geschilnummer.
De laatste stap is het opzoeken van het gevonden aangiftenummer tussen de geschillendossiers.148 Achterstallige belastingen Na de oorlog, in 1946, nam de minister van Financiën het standpunt in dat het innen van de landelijke grondbelasting over de oorlogsjaren “over welke de belaste goederen onder beheer waren gesteld en de eigenaar het genot en de vruchten heeft gemist” niet pasten bij het billijkheidsprincipe en daarom na verloop van tijd als oninbaar afgeschreven moesten worden.149 Andere belastingen werden wel geïnd, en hoe groot dat bedrag op de gemeentebalans was hing af van de stad. Waar Amsterdam bijvoorbeeld bekend stond om haar erfpachtstelsel, had Rotterdam dat niet. In Zwolle speelde erfpacht ook geen grote rol.150 Uit de database blijkt dat er in Zwolle drie percelen uitgegeven waren in erfpacht die door joden bewoond werden: Oranje Nassaulaan ongenummerd van Maurits Engers en Flora Anna de Pool (wel joods, niet-Zwols, bleef onder beheer van de NGV), Oranje Nassaulaan 20 van Arnold Citroen en Rembrandtlaan 71 van Abraham de Leeuwe. Uit niets blijkt dat hier problemen waren met achterstallige erfpacht of boetes. Bronnen die iets kunnen vertellen over de inning van achterstallige belastingen en eventuele boetes na de oorlog zijn veelal niet bewaard gebleven, aldus oud-archiefinspecteur Johan Seekles.
In de tweede helft van de jaren ’80 nam in Zwolle de belangstelling voor het bewaren van archiefmateriaal over de oorlogsjaren pas toe, maar het ging voornamelijk om persoonlijk materiaal; dagboeken, foto’s, getuigenissen, etc.151 Aan het bewaren van de financiële administraties werd minder waarde gehecht; voornamelijk “de toplaag (verantwoording) van de financiële administratie (dus jaarrekeningen, begrotingen en
147 Aanwijzingen voor het gebruik van het kadastrale kaartsysteem van de Afdeling Onroerende Goederen. 1959. Nationaal Archief (NA), toegang 2.09.48 (Inventaris van het archief van de Raad voor het Rechtsherstel) inv. nr. 771. 148 Ibid. 149 Piersma en Van den Berg, Ontrechting & rechtsherstel, p.24, citeren Piersma en Kemperman, Openstaande Rekeningen, p. 196. 150 Rapport van de gemeentesecretaris van Soest aan de gemeentesecretaris van Zwolle. 8 mei 1964. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 311. 151 Mailcontact met Johan Seekles op 7 juli 2022. Seekles is oud-archiefinspecteur bij Gemeentearchief Zwolle. Hij begon in 1986 als gemeentelijke archiefinspecteur. Hij was in die hoedanigheid betrokken bij de (advisering) in het kader van de archiefwettelijke overdracht én vernietiging.
48
accountantsrapporten)” kwam in aanmerking, terwijl de reguliere boekhouding (kasboeken, journaals, kohieren, etc.) vernietigd werden.152 Deze vernietiging van uitvoeringsdossiers was gebruikelijk. Uit de processen-verbaal van vernietiging van archiefstukken 1961-1963 blijkt dat er in 1961 enige weerstand bestond tegen het vernietigen van de reguliere boekhouding over de oorlogsjaren.153 Volgens Seekles kan ervan uitgegaan worden dat de vernietiging in de jaren daarna alsnog heeft plaatsgevonden, zeker omdat “uit de onderhavige inventaris blijkt dat hoofdzakelijk archiefstukken van na 1950 bewaard zijn gebleven”.154 In de naoorlogse notulen van de vergaderingen van de raad komt het onderwerp ‘achterstallige heffingen’ ook niet voor.155 De enige bronnen waaruit iets geconcludeerd kan worden over erfpachtcanons zijn de jaarverslagen van het gemeentelijk grondbedrijf met hierin de geldelijke overzichten per oorlogsjaar.156
152 Mailcontact met Johan Seekles op 7 juli 2022. 153 Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 2202. 154 Mailcontact met Johan Seekles op 7 juli 2022. 155 Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nrs. 19 t/m 21. 156 Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 2241.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
49
50
7. De gedwongen verkoop en het naoorlogse rechtsherstel van joods bezit in Zwolle
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
51
7. De gedwongen verkoop en het naoorlogse rechtsherstel van joods bezit in Zwolle 7.1
Onderbeheerstelling
Uit bovengenoemde bronnen blijkt dat de panden van Zwolse joden bijna allemaal eerst onder beheer werden gesteld bij de NGV, alvorens onder beheer gesteld te worden bij de verschillende afdelingen van de ANBO (bijvoorbeeld “Anbo A.”, “Anbo H.” of “Anbo Alm.”).157 Het ANBO kantoor voor de provincie Overijssel was gevestigd te Almelo, aan de Grootestraat 156.158 Het kantoor in Almelo was dus verantwoordelijk voor het beheer van joodse onroerende goederen in Zwolle. Dit blijkt uit een brief van de ANBO Almelo aan Van Karnebeek: “aangezien het voorkomt, dat gegadigden voor die goederen zich tot den burgemeester van hun woonplaats wenden, verzoeken wij u beleefd alle aanvragers steeds naar ons te verwijzen, aangezien elke overeenkomst buiten ons om ongeldig is. Wij hebben daaromtrent zeer nadrukkelijke instructies van de Niederländische Grundstückverwaltung ontvangen.”159 Iets minder dan de helft van de in joods bezit zijnde percelen in Zwolle bleef onverkocht. Deze percelen bleven onder beheer bij de NGV/ANBO, en er kan worden aangenomen dat als gevolg van verordening 154/1941 al het joodse eigendom in Zwolle onder beheer werd gesteld. Slechts vier panden werden verkocht zonder inbeslagname, twee daarvan middels onderhandse akte.160 Naast joods eigendom werd ook ‘vijandelijk vermogen’, d.w.z.
bezittingen van inwoners uit geallieerde landen of van verenigingen, onder beheer gesteld. Vaak was het beheer in handen van de NGV of in een paar gevallen van individuen zoals Carl Dönig uit Arnhem, die als ‘Sammelverwalter’ ging over vijandelijk vermogen in de provincie Gelderland.161 Het ging hier onder meer over vastgoed in eigendom van de vrijmetselarij, dat door de Duitsers als ‘volksvijandig’ en ’joods’ beschouwd werd.162 In Zwolle werd bijvoorbeeld een pand aan de Diezerstraat van het Leger des Heils in beslag genomen door de Volkswohlfahrt Berlijn, werd kastelein Louis van Eijk van de Groote Sociëteit uit het pand Koestraat 8 gezet ten behoeve van de Wehrmacht en moest ook de oudste Zwolse vrijmetselaarsloge Fides Mutua zijn pand aan de Bloemendalstraat 10 afstaan aan de NSB.163
157 Verkaufsbücher; Lijst van de in beslag en onder beheer genomen onroerende goederen van joodse eigenaren, met aantekeningen over de beheerders ervan, teneinde in de kadastrale legger te worden verwerkt, 1941. Collectie Overijssel, toegang 0145 (Bewaarders van de Hypotheken en het Kadaster in Overijssel), inv. nr. 10780. 158 Dagblad van het Oosten: Almelo’s dagblad, 20-10-1942. Geraadpleegd via Delpher. 159 Brief van de ANBO-kantoor Almelo aan de burgemeester van Zwolle. 26 november 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3009. 160 Diezerstraat 91, Kamperstraat 1 (onderhands), Koestraat 16 (onderhands), Melkmarkt 20. Bron: Lijst van de in beslag en onder beheer genomen onroerende goederen van joodse eigenaren, met aantekeningen over de beheerders ervan, teneinde in de kadastrale legger te worden verwerkt, 1941. Collectie Overijssel, toegang 0145 (Bewaarders van de Hypotheken en het Kadaster in Overijssel), inv. nr. 10780. 161 ‘Beheer over Joods onroerend goed’, Oorlog in Nijmegen. Link: https://www.oorloginnijmegen.nl/images/PDF/2_40211_Beheerders_Joodse_panden_selectie_v0100.pdf 162 Maarten Duijvendak en Stefan van der Poel, Lege plekken: Ontvreemding van Joods vastgoed en rechtsherstel in de
gemeente Groningen (1940 - 1955) (Groningen: Rijksuniversiteit Groningen 2021), p. 10. 163 Collectie Overijssel, toegang 0145 (Bewaarders van de Hypotheken en het Kadaster in Overijssel), inv. nr. 10780; toegang 1037 (Groote Sociëteit te Zwolle) inv. nr. 8; toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 189.
52
7.2
Verkoop
In Zwolle vonden de eerste verkopen van onderbeheergesteld joods vastgoed plaats in september tot en met december 1942. Het ging om een vijftal panden, waarvan het duurste pand Melkmarkt 20 van Jacob M. M. Broekman was. Dit pand werd in december 1942 voor 19.000 gulden verkocht aan Johan Nicolaas Brouwer, koopman te Amsterdam. De betrokken notaris J.H. Krom kwam uit dezelfde stad. Gezien het keren van de oorlogskansen voor Duitsland in februari 1943 en de daaropvolgende stagnatie van de huizenverkoop is het opvallend dat de verkoop aan eerste oorlogskopers in Zwolle piekte in 1943 en 1944.164 De oprichting van de Landelijke Hypotheekbank in het najaar van 1943 vormt een mogelijke verklaring. Het was immers voor onbemiddelde NSB’ers voor die tijd niet onmogelijk om te kopen, maar er kon wel flinke vertraging op de lijn zitten. Door de komst van de Landelijke Hypotheekbank konden er weer leningen worden verstrekt en werd de vertraging opgelost, waardoor het aantal transacties opliep in de jaren die volgden. Deze hypothese wordt ondersteund door de constatering dat veel grootkopers kochten in de periode 1943 - 1944.165 Onder ‘grootkoper’ wordt in dit rapport een koper van drie of meer percelen verstaan. Een deel van deze grootkopers kan namelijk gelieerd worden aan nationaalsocialistische organisaties, wat motivatie voor het kopen van een ‘jodenpand’ kan verklaren.
Zo kocht districtvormingsleider van de NSB Dirk Piekaar drie percelen in 1944 en lid van de NSB Johan Geerink acht percelen in 1943 en nog twee in 1944. Er zat veel variatie in de aankoopbedragen. Zo ging Emmawijk 8 van Arthur Troostwijk in de verkoop voor f. 300,- en werd Grote Markt 11 van Levie Cohen verkocht voor f. 27.500,-.166 Het ging hier om de prijs per perceel, aangezien het ook voorkwam dat er meerdere percelen in één koop werden verkocht. De prijs per perceel is bij zo’n transactie moeilijk te achterhalen. Volgens de Verkaufsbücher werd de opbrengst van de Zwolse verkopen in de meeste gevallen overgeschreven naar de VVRA.167 Een enkele keer werd de koopsom naar de Liro overgemaakt, met (vermoedelijk) overschrijving naar de VVRA in het verschiet, aangezien het geld normaliter bij de Liro werd verzameld en vervolgens werd overgeschreven aan de VVRA. Drie keer staat er de bestemming ‘Bank voor Nederlandschen Arbeid’, ook een door de bezetter opgerichte roofbank. In acht gevallen bleef de rubriek oningevuld. Het kwam ook wel eens voor dat de opmerking ‘Kasse im Haus’ in deze kolom werd ingevuld.
Volgens het onderzoeksrapport ‘Lege Plekken’ voor de gemeente Groningen is er geen exacte definitie van dit begrip, maar “mogelijk betrof het hier een transactie ‘met gesloten beurzen’ of ‘om niet’”.168 In Zwolle komt dit twee keer voor, waarbij het bij één geval aannemelijk is dat het om een koper binnen de familie ging. Jan Wouter van Huystee, ambtenaar bij het Provinciaal Electriciteitsbedrijf en de echtgenoot van Hendrika Johanna Stibbe, kocht in 1944 het Diezerplein 9 en 9a van zijn schoonvader Abraham Stibbe.
164 Met ‘eerste oorlogskoper’ wordt de koper bij een ‘eerste’ verkoop van een pand bedoeld, dus niet ‘tweede’ verkoop/doorverkoop. 165 Database door auteur, gebaseerd op informatie uit de Verkaufsbücher en het Kadaster. 166 Database door auteur, gebaseerd op informatie uit de Verkaufsbücher en Lijst van de nieuwe eigenaren van de in beslag en onder beheer genomen onroerende goederen van joodse eigenaren, met bijlagen, 1942-1943. Collectie Overijssel, toegang 0145 (Bewaarders van de Hypotheken en het Kadaster in Overijssel) inv. nr. 10781. 167 Aalders, Roof, p. 130, 164 en 250. 168 Duijvendak en Van der Poel, Lege plekken, p. 69.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
53
7.3
De rol van de gemeente
Als gevolg van de razzia’s op de joodse inwoners van Zwolle bleven hun huizen onbewoond achter, waardoor de ‘arisering’ van dit bezit doorgang kon vinden. Zoals eerder vermeld werd de hulp van de gemeentepolitie Zwolle ingeschakeld bij deze massale arrestaties. Voor de arrestatie van joodse inwoners in Overijssel was een gedragslijn opgesteld door de Befehlshaber der Sicherheitspolizei. In dit document, dat vermoedelijk uit november 1942 stamt, stonden tevens instructies over wat te doen met het pand nadat de inwoners in hechtenis waren genomen.169 De praktische gang van zaken verliep als volgt: 1) bij het verlaten van het perceel moest de betrokken politieambtenaar de waterleiding, het gas en de elektrische stroom afsluiten, 2) daarna werden alle ramen, deuren en andere toegangen tot het perceel (voor, opzij en achter, beneden en boven) gesloten, 3) de sleutels werden op een veilige plaats in het perceel opgeborgen, behalve de sleutel van de hoofdtoegang, 4) deze sleutel werd voorzien van een label met daarop het adres en de plaats van de sleutels, 5) de sleutel met label moest na aankomst in de Wijnbeekschool (verzamelplaats voor joden in afwachting van deportatie) aan de brigadiers van politie H. Lonnee of A.J.
Vosselman of hun vervangers worden afgegeven, 6) bij het aankomen in deze school moest iedere politieambtenaar bij de door hem gearresteerde joden blijven wachten tot het zijn beurt was om ze in te schrijven.170 Zodra de woning eenmaal leegstond hoefde de burgemeester zichzelf niet af te vragen wat de volgende stap moest zijn. De NGV had namelijk voor het gebruik van door joden bewoonde woningen duidelijke instructies opgesteld en via de Commissaris voor de Provincie Overijssel verspreid onder de gemeentebesturen.171 Voordat overgegaan kon worden tot verkoop of verhuur van “aan joden toebehoorende woningen” moest de burgemeester zorgen dat de woning ontruimd werd en dat de inboedel werd opgeslagen. Het kon namelijk zo zijn dat niet-joodse geëvacueerden uit de kuststrook die gedwongen naar Overijssel moesten verhuizen in verband met de aanleg van de Atlantikwall hun meubilair mee wilden brengen. Mocht het zo voorkomen dat de inboedels van verschillende woningen samen werden opgeslagen, moest per inboedel een inventaris worden opgemaakt. De verhuisfirma van expediteur A. Kuijer te Zwolle was verantwoordelijk voor het vervoer van joodse inboedels. In een nota van 1 november 1944 staat bijvoorbeeld “Joden Koningspl: 9-12. 3 uur. f. 4,50”.172 Daarnaast was de Duitse roofinstelling Einsatzstab Rosenberg betrokken bij het inventariseren en weghalen van de inboedels.
Op 16 juni 1942 ging er een instructie uit van de Rijkscommissaris dat alle inboedels, die beschikbaar kwamen door vertrek of deportatie van joden, ter beschikking moesten worden gesteld van de Einsatzstab.173 Twintig jaar later bemoeide het Afwikkelingsbureau Duitse
169 Stukken betreffende een verblijfsverbod, meldingsplicht en een gedragslijn bij arrestatie van Joodse inwoners van Overijssel, 1941, 1943. Collectie Overijssel, toegang 0725 (Gemeentepolitie Zwolle) inv. nr. 77. Dit stuk is ongedateerd, maar daar sprake is van de verzamelplaats ‘Wijnbeekschool’, moet dit stuk betrekking hebben op de razzia’s van november 1942. Zie Ribbens, Bewogen Jaren, p. 235. 170 Ibid. 171 Brief van de Commissaris der Provincie Overijssel aan de burgemeesters van de gemeenten in Overijssel. 8 december 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3009. 172 Nota van A. Kuijer. 1 november 1944. Collectie Overijssel, 0652 (Stichting Collectie Zwolle 1940 – 1945) inv. nr. 1062. 173 Brief van het Hoofd van het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade-Uitkeringen aan de burgemeester en wethouders van Zwolle. 31 augustus 1962. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 4471.
54
Schade-Uitkeringen zich met deze kwestie in het kader van rechtsherstel inzake huisraad. Dit bureau schreef gemeentes aan met het verzoek schade te melden, mits een inboedel in kwestie was weggevoerd door Einsatzstab Rosenberg: “dit brengt met zich mede, dat voor ná de genoemde datum [16 juni 1942] ontruimde woningen in het algemeen kan worden aangenomen, dat de Einsatzstab Rosenberg de ontruiming heeft doen uitvoeren, tenzij uitdrukkelijk blijkt, dat de inbeslagneming is geschied door een andere Duitse instantie (bv. De Duitse Wehrmacht)”.174 De commissaris van politie bracht op 13 september 1962 verslag uit aan de burgemeester van Zwolle over een familie: “van betrouwbare zijde werd vernomen dat vrij korte tijd na hun arrestatie [gezin Simon David van Gelderen en het gezin Paul Moosberg, gearresteerd in september 1942] door een tot nu toe onbekend gebleven instantie de gehele inboedel uit het perceel Rembrandtlaan 27 alhier werd gehaald en naar elders werd vervoerd.”.175 Hoewel niet nader kon worden vastgesteld door welke instantie de woning destijds werd ontruimd, werd - gezien het schrijven van het Afwikkelingsbureau - aangenomen dat “deze ontruiming door of in opdracht van de Einsatzstab Rosenberg heeft plaatsgevonden”.176 Leegstaande huizen die voorheen van joden waren mochten, na verwijdering van de inboedel, door de burgemeester aan derden in gebruik worden gegeven
(verhuurd) na goedkeuring van de Beauftragte. De verkoop en verhuur van deze panden werd in handen gesteld van het Zwolse woningbureau “Het Centrum”.177
7.4 Oorlogskopers, makelaars en notarissen Oorlogskopers Oorlogskopers kochten onroerend goed uit Joods bezit. Uit de database blijkt dat het in Zwolle om ongeveer 60 ‘eerste’ kopers gaat. Circa 11 van hen kunnen als ‘grootkopers’ worden beschouwd. Veel van de kopers waren particulieren die werkzaam waren in de (detail)handel, bijvoorbeeld als koopman, handelaar, slager, caféhouder of fabrikant.178 Het overgrote deel van de kopers was man, al traden vrouwen ook een paar keer op als oorlogskoper; voor zichzelf, maar ook als echtgenote/weduwe van een oorlogskoper. Het gros van de oorlogskopers werd gevormd door ‘doorsnee mannen’ met alledaagse beroepen. Bij een relatief klein deel van de kopers staan er ‘afwijkende’ beroepen als ambtenaar, werknemer of directeur. N. Schuurhuis was bijvoorbeeld ambtenaar bij de Stortingsdienst Zwolle, J. Woudstra was leider van de Radio Centrale Zwolle en voornoemde D. Piekaar was provinciaal leider van de Nederlandse Volksdienst en provinciaal directeur van Winterhulp Nederland.179 Van Piekaar, maar ook van R. Kattenwinkel,
173 Brief van het Hoofd van het Centraal Afwikkelingsbureau Duitse Schade-Uitkeringen aan de burgemeester en wethouders van Zwolle. 31 augustus 1962. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 4471. 174 Ibid. 175 Brief van de commissaris van politie aan de burgemeester van Zwolle. 13 december 1962. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 4471. 176 Ibid. 177 Brief van de Commissaris der Provincie Overijssel aan de burgemeesters van de gemeenten in Overijssel. 8 december 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3009. Zie aantekeningen van de burgemeester in potlood. 178 Database door auteur. 179 Twentsch dagblad Tubantia en Enschedesche courant, 10-09-1942. Geraadpleegd via Delpher.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
55
ambtenaar bij de Nederlandse Landstand Zwolle (een NSB-organisatie) kan gesteld worden dat hun keuze voor koop wellicht gemotiveerd werd door NSB-sympathieën. Bij grootkoper Leendert Gerrit de Noo, die commandant was bij de Landwacht, lijkt dit verband niet meer dan logisch. In het geval van grootkoper Johan Geerink, rijwielhandelaar en fervent NSB’er, speelde ook nabijheid een rol: hij verraadde zijn joodse overbuurman Izaac de Leeuwe zodat hij het pand Luttekestraat 40 ver beneden de marktwaarde kon kopen.180 Naast particulieren traden ook enkele bedrijven op als koper, bijvoorbeeld N.V. De Centrale Arbeiders Levensverzekering Maatschappij gevestigd te ’s Gravenhage. Uit onderzoek blijkt niet dat de gemeente Zwolle als publieke instelling zich schuldig heeft gemaakt aan de aankoop van joods bezit. Wel werd er door wethouder Nantko Schanssema een pand gekocht. Schanssema was NSB’er en verving op 19 januari 1943 wethouder Lansink.181 Op 15 maart 1943 werd hij beëdigd. Op 27 mei 1943 kocht hij voor een prijs van f. 6.000,- het pand Terpelkwijkpark 8 dat aan Joachim Jacob Sanders had toebehoord. Wellicht wilde hij een nieuw huis passende bij zijn nieuwe functie.
De koop kwam hem na de oorlog duur te staan, aangezien het als tweede aanklacht tegen hem werd aangedragen tijdens zijn berechting.182 Makelaars Bij de gedwongen verkoop van joods vastgoed speelden ook bemiddelaars een rol. In de Verkaufsbücher wordt voor de Zwolse transacties vier keer de naam van de Groningse makelaar Koeno Hamminga genoemd. Hamminga registreerde zijn hypotheek- en assurantiekantoor in 1940 bij de Kamer van Koophandel en begon een jaar later als makelaar. Als een van de initiatiefnemers van de landelijke ANBO-organisatie en directeur van het Groningse bijkantoor behandelde hij vele transacties voor Noord-Nederland. Vermoedelijk koesterde hij NSB-sympathieën, gezien zijn advertenties in het blad Storm.183 Volgens het adresbroek van Zwolle 1940 waren er 21 makelaars en woningbureaus actief in Zwolle in deze periode. Er wordt geen melding gemaakt van een gemeentelijk huisvestingsbureau.184 Woningbureau ’t Centrum, gevestigd op Groote Kerkplein 5, droeg zorg voor de verkoop en verhuur van joods vastgoed en stond onder leiding van de beruchte makelaar Klaas Gerrit van Santen. Hij was aangesteld door de ANBO Almelo en was verantwoordelijk voor de bemiddeling van bijna alle verkopen van Joodse huizen in Zwolle, voornamelijk aan NSB’ers.185 Hij ontving hiervoor provisie en inde huren van de bewoners van de huizen, wat resulteerde in een opbrengst van f.
7.000,- per jaar.186 Van Santen werd in 1942 sympathiserend lid van de “partij”, de NSB. Tijdens zijn naoorlogse verhoren beweerde hij dat hij handelde onder dwang en op verzoek van de Duitse F.A. Allmann, de persoonlijke referent van de Beauftragte.187
180 Thomas Mulder, ‘Van fietsenhandelaar tot foute vastgoedeigenaar en Joden-verrader’, Pointer. Link: https://pointer.kro-ncrv.nl/van-fietsenhandelaar-tot-foute-vastgoedeigenaar-en-joden-verrader. Geraadpleegd op 4 december 2022. 181 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 85, 76. 182 Zie voor meer informatie over deze zaak het hoofdstuk over zuiveringen. 183 Duijvendak en Van der Poel, Lege plekken, p. 72. 184 Het adresboek van Zwolle, Jaargang 1940, p. 292. 185 Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant, 03-07-1947. Geraadpleegd via Delpher. 186 Overijsselsch dagblad, 04-07-1947. Geraadpleegd via Delpher. 187 Overijsselsch dagblad, 06-04-1946. Geraadpleegd via Delpher.
56
Notarissen Zonder medewerking van een notaris kon de verkoop van joods vastgoed niet geschieden. De rol van de notaris bij deze processen was het best te omschrijven als ‘lijdelijk’: “een van de eisen die de wet ook toen aan de notaris stelde, is dat deze verplicht is mee te werken als een cliënt hem dat vraagt”.188 Volgens het adresboek van Zwolle waren er in 1940 de volgende notarissen actief: C. C. Hermsen, M. Meppelink, J. Th. H. Minke, Mr. M. Tresling, H.L.M. Willemse en J. Windemuller.189 Van deze zes hebben Hermsen, Minke en Willemse in slechts een paar instanties opgetreden als notaris bij de verkoop van joods vastgoed in Zwolle.190 Een deel van de transacties werd voorgezeten door notarissen buiten de stad, waarvan het gros van de aktes werd opgesteld door de heren G. Nijk en J. Knipscheer te Olst. In de Verkaufsbücher wordt op twee gevallen na Nijk bij alle transacties genoemd. In de lijst van nieuwe eigenaren van joods vastgoed wordt ook notaris Knipscheer veelvuldig genoemd, vaak ook bij transacties die volgens de Verkaufsbücher door Nijk zijn behandeld.