Huijsmans, Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle Hierbij doe ik u toekomen...
Tekst van het document
[Titel] “ Hierbij doe ik u toekomen...” De opstelling van het gemeentebestuur van Zwolle inzake ontrechting en rechtsherstel van joodse oorlogsslachtoffers. Meta Huijsmans MA
2024
[Aanvullende tekst]
Colofon Publicatiedatum: 2024 Auteur: Meta Huijsmans, NIOD Instituut voor Oorlogs-,
Holocaust- en Genocidestudies Design: Lennart van Zanten, www.vanvanzanten.nl Beeld cover: Foto van de Zwolse burgemeester Maurits van Karnebeek achter zijn bureau in zijn werkkamer op het stadhuis aan de Sassenstraat. Bron: Collectie Overijssel. Collectie: Stichting Collectie Zwolle 1940 - 1945. Beeld achterzijde: Foto van een gedeelte van de Zwolse gemeenteraad in september 1930. Vanwege het ontbreken van fotomateriaal van de gemeenteraad in 1940 is gekozen voor deze foto, aangezien hierop twee joodse raadsleden staan: J. Rudelsheim (tweede van links) en A. Troostwijk (tiende van rechts). Bron: Collectie Overijssel. Vervaardiger: Vereenigde Fotobureaux. Dit rapport is tot stand gekomen onder supervisie van dr. Hinke Piersma en prof. dr. Kees Ribbens. Het onderzoek is geïnitieerd en gefinancierd door de gemeente Zwolle. NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies
Herengracht 380, 1016 CJ Amsterdam. www.niod.nl
2
Inhoudsopgave
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
3
Inhoudsopgave 1. Aanleiding
7
2. Inleiding
11
3. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Zwolle
15
4. De Jodenvervolging in Zwolle en de rol van de gemeente 4.1 Inleiding 4.2 Het begin van de oorlog onder Arnoldus van Walsum 4.3 Waarnemend: Gustaaf Adolf Strick van Linschoten 4.4 De eerste oorlogsjaren onder Maurits van Karnebeek 4.5 De betrokkenheid van de gemeentepolitie bij razzia’s, deportatie, roof 4.6 Wisseling van de wacht: Van Karnebeek stapt op, Meerkamp van Embden aan het roer 4.7 Kijk op de ‘gewone ambtenaar’ en duiding 4.8 Samenvatting
23 24 24 26 26 29 32 33 34
5. Achtergrond: roof, onteigening en rechtsherstel 5.1 Inleiding 5.2 Samenvatting
37 38 40
6. De papieren getuigen van de roof: het bronnenmateriaal 6.1 Inleiding 6.2 Gedwongen verkoop 6.3 Rechtsherstel
43 44 44 47
7. De gedwongen verkoop en het naoorlogse rechtsherstel van joods bezit in Zwolle 7.1 Onderbeheerstelling 7.2 Verkoop 7.3 De rol van de gemeente 7.4 Oorlogskopers, makelaars en notarissen 7.5 Rechtsherstel 7.6 Achterstallige belastingen 7.7 Gevorderde panden en landbouwgronden 7.8 Casus: Praubstraat 1-3 7.9 Samenvatting
51 52 53 54 55 58 58 60 68 71
4
8. De zuivering van het gemeentebestuur en -organisatie 8.1 Inleiding 8.2 De gang naar de rechter 8.3 Zwolle gezuiverd 8.4 Samenvatting
73 74 75 78 79
9. Conclusie
81
10. Literatuur
85
11. Archieven
89
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
5
6
1. Aanleiding
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
7
1. Aanleiding 10 mei 1940 betekende voor Nederland het begin van de Tweede Wereldoorlog; toen zette Duitsland de aanval in op Nederland, België en Luxemburg. Na de roerige meidagen werd bezet Nederland onderworpen aan het regime van de Nazi’s, wat middels verordeningen – algemeen bindende regelingen voor burgers – de samenleving aan banden legde. Een aantal van deze verordeningen was antisemitisch van aard en leidde tot de sociale en economische uitsluiting van de joodse inwoners van Nederland. Zij werden geconfronteerd met maatregelen die gericht waren op exploitatie en roof van hun eigendommen. Deze roof werd door de bezetter met eufemismen verhuld: “ze ‘boeken over’ en ‘schreven over’, ze ‘beheerden’, ‘bestierden’, en ‘administreerden’”.1 Alles om te voorkomen dat het echte doel, het plunderen en vernietigen van het joodse volk, duidelijk kon worden aangetoond. Deze roof had, net als de moord op bijna zes miljoen Europese joden, een systematisch karakter en werd in de praktijk gebracht door middel van verordeningen.2 Recent is in de media en daarbuiten aandacht besteed aan de rol van Nederlandse gemeenten bij de roof en restitutie van onroerend goed van joodse burgers.
Het gevolg is dat steeds meer gemeentebesturen onderzoek hebben geïnitieerd naar de wijze waarop het rechtsherstel en de voorafgaande ontrechting tijdens de bezetting in hun gemeente heeft plaatsgevonden en wat de rol van de gemeente zelf daarin is geweest. De aandacht voor de houding van de lokale overheden past in een bredere ontwikkeling van hernieuwde aandacht voor ontrechting en rechtsherstel, aandacht die zich met name richt op specifieke organisaties en instituties. In 2013 kwam in Amsterdam aan het licht dat de gemeente na de oorlog boetes over achterstallige erfpachtcanons bij joodse burgers in rekening had gebracht. Dit zorgde voor veel ophef en toenmalig burgemeester Eberhard van der Laan belastte het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies met de opdracht om de zaak uit te zoeken. Op grond van de resultaten van dit onderzoek besloot de gemeente Amsterdam om zowel de destijds opgelegde boetes als de tegoeden op gemeentelijke girorekeningen aan nabestaanden terug te betalen. In 2015 volgde Den Haag met een verwant onderzoek; ook deze gemeente had achterstallige erfpachtcanons en straatgeld geïnd. Daarnaast kocht de gemeente Den Haag net als de gemeente Amsterdam omwille van stadsvernieuwing panden die van joodse eigenaren geroofd waren.
In 2020 verscheen het onderzoeksrapport in opdracht van de gemeente Rotterdam; ook hier trad de gemeente op als ‘oorlogskoper’ van joods eigendom. De gemeente Rotterdam week af van Amsterdam en Den Haag waar het ging om het innen van achterstallige belastingen; daar zijn geen aanwijzingen voor gevonden. In september 2020 werd Zwolle opgeschrikt door het nieuws dat een Zwolse fietsenhandelaar en NSB’er genaamd Johan Geerink zijn joodse overbuurman Izaac de Leeuwe had verraden en vervolgens diens huis ver beneden de marktwaarde had gekocht. Het onderzoeksjournalistieke tv-programma Pointer, dat al onderzoek deed naar geroofd joods vastgoed, bracht de Zwolse zaak onder de aandacht. Naar aanleiding van deze vondsten besloot ook Zwolle een onderzoek in te stellen naar deze roof van joods eigendom. Door het toegenomen besef dat de naoorlogse terugkeer van vervolgde joodse ingezetenen gekenmerkt werd door bureaucratische kilte is meer aandacht ontstaan voor de tekortschietende afhandeling van de ontrechting van joodse burgers.
1
Gerard Aalders, Roof: De ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog (Den Haag: Sdu 1999), p. 125.
2
Ibid., p. 125.
8
De omgang met het onteigende bezit (van kleine erfstukken tot complete inboedels, van kunstvoorwerp tot woning) zowel tijdens als na de Duitse bezetting vraagt om aandacht, niet alleen in Zwolle maar ook elders in Nederland. Aandacht voor de ambtelijke en administratieve gang van zaken, maar ook aandacht voor de ervaringen en herinneringen van degenen die tijdens de oorlog in allerlei opzichten werden uitgesloten en waarvan slechts een klein aantal terugkeerde uit concentratiekampen of de onderduik. Zij belandden in een situatie die overheerst werd door gevoelens van verlies gecombineerd met een drang om toch op enigerlei wijze gestalte te geven aan de toekomst, in Zwolle of elders. Met de beëindiging van de vijandelijkheden was de oorlog bepaald geen afgesloten geschiedenis en de nadruk in vroege oorlogsherdenkingen op eensgezindheid en heroïek, op een collectief doorstane periode, deed onvoldoende recht aan moeilijk voorstelbare ervaringen van joodse overlevenden die niet zelden met onbegrip werden benaderd. Om deze reden wilde de gemeente Zwolle deze geschiedenis laten onderzoeken vanuit meerdere perspectieven en invalshoeken. Het NIOD kreeg opdracht van de gemeente Zwolle om haar bestuurlijk beleid ten aanzien van joodse oorlogsslachtoffers te onderzoeken.
Overeengekomen werd dat in de zomer van 2021 een promotieonderzoek start dat na 2,5 jaar na aanvang van het onderzoek resulteert in een tussenrapportage en na 4 jaar in een publieksboek over de joodse gemeenschap van Zwolle voor, tijdens en na de oorlog.3 In het boek zal meer ruimte zijn voor verdieping door in te gaan op de bredere aspecten van ontrechting en rechtsherstel en de gevolgen hiervan voor de joodse Zwollenaren. De essentie van het onderzoek, zo staat in de beslisnota, “is dat onderzoek wordt gedaan naar wat er met de Zwolse joodse bevolkingsgroep tijdens en na de bezetting is gebeurd. Dus niet alleen vervreemding van eigendom, maar ook het heffen van belastingen, de kille ontvangst bij terugkeer uit de kampen etc. Het onderzoek richt zich in de volle breedte op de rol van de gemeente Zwolle hierin. Het gaat om het krijgen van het ‘totale beeld’, waarbij het collectieve belang zwaarder weegt dan het individuele belang van getroffenen.
Voorkomen moet worden dat het onderzoek gefragmenteerd raakt, waardoor de samenhang verloren gaat en zaken onderbelicht blijven.”4 De onderzoeksvragen die aan dit rapport ten grondslag liggen zijn: (1) in hoeverre zijn er in Zwolle gemeentelijke heffingen geweest of rekeningen gepresenteerd die achteraf als onbillijk kunnen worden beschouwd en (2) heeft er na 1945 rechtsherstel plaatsgevonden van door de gemeente gekocht of geëxploiteerd joods eigendom? Het onderzoek voor het rapport is begeleid door een Maatschappelijke Klankbordgroep (MKG). Deze klankbordgroep had een adviserende rol en is tijdens het onderzoek drie keer bijeengekomen: op 23 september 2021, 24 november 2022 en 2 november 2023. Voorzitter van de MKG was Peter Snijders, burgemeester van Zwolle. De leden waren: Jaap Hagedoorn, voorzitter St. Voortbestaan synagoge en voorzitter stichting Zwolse Stolpersteine; Martin Hemmink, directeur Hanzestrohm, penningmeester St. Zwolse Stolpersteine; Ingrid Petiet, voorzitter Joodse Gemeente Zwolle; Jacob Raap, raadslid gemeente Zwolle met affiniteit voor de historie van Zwolle (monument Bollebieste); en Vincent Robijn, directeur Collectie Overijssel. Liselotte Bredie, beleidsadviseur Kabinet en Representatie bij de gemeente Zwolle, verzorgde de ambtelijke ondersteuning bij het onderzoek.
3
Informatienota voor de gemeenteraad van Zwolle. Overeenkomst NIOD-Gemeente Zwolle inzake onderzoek naar ontrechting en rechtsherstel mbt geroofd Joods (on)roerend goed in Zwolle. 6 april 2021.
4
Ibid.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
9
10
2. Inleiding
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
11
2. Inleiding “Wij hebben allemaal wel iets gedaan, maar er zijn toch grenzen.”5 Kort na de Tweede Wereldoorlog werden agenten van de gemeentepolitie Zwolle verhoord over hun rol tijdens de bezettingstijd en werden verklaringen over hun gedrag afgegeven. Bovenstaande werd door voormalig inspecteur van politie Dirk Hoek uitgesproken in een verhoor door de zuiveringscommissie. Hoek, geen nationaalsocialist, werd op dat moment gevraagd om zijn mening te geven over een van zijn leidinggevenden. Feitelijk ging het hierbij om de vraag of de persoon in kwestie kon aanblijven. Dat was des te meer van belang omdat men binnen de politie kampte met personeelskrapte en er dus moest worden gekeken naar wie een relatief zuivere lei had en wie te veel op zijn kerfstok had. Er waren dringend mensen nodig om Nederland op te bouwen, maar wat kon door de beugel en wat niet? Iedereen had immers wel wat gedaan, maar er zijn toch grenzen. Dat was destijds in ieder geval het uitgangspunt. Wat deed de gemeente Zwolle precies? Ten behoeve van dit onderzoek is het optreden van de gemeente Zwolle tijdens de bezettingstijd onderzocht, met als uitgangspunt de twee voornoemde hoofdvragen. Het resultaat is een rapport waarin wordt aangetoond dat de gemeente schipperde tussen de bevelen van de bezetter en de belangen van ingezetenen.
Uit de bronnen is niet gebleken dat de gemeente Zwolle tijdens de bezetting zelf initiatief nam tot ontrechting van joden en de onteigening van hun bezit. De gemeente heeft tijdens de oorlog geen panden uit joods bezit gekocht en er zijn geen aanwijzingen gevonden voor naheffingen van belastingen of erfpachtcanons. Een grensgeval is wel gevonden: de huur en uiteindelijke aankoop van de panden Praubstraat 1-3 in het eerste jaar na de oorlog. Deze panden waren eigendom van de joodse bakker David Spanjar en werden in gebruik genomen door de gemeente om de uitbreiding van het politiebureau te realiseren, dit alles terwijl Spanjar nog ‘afwezig’ was. In de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zwolle van maandag 10 december 1945 werd een voorstel besproken van het College van Burgemeester en Wethouders tot het huren van de percelen Praubstraat nummers 1 en 3 voor f. 1.000,- per jaar en tot het verlenen van een krediet van f. 2.500,- voor het verbouwen van die percelen.6 Tijdens de oorlog waren deze panden geroofd van Spanjar, onder beheer gesteld en uiteindelijk in 1944 gekocht door eerdergenoemde oorlogskoper Johan Geerink.
De gemeente besloot tot het huren van deze panden van de beheerder van het vermogen van Geerink voor een periode van 5 jaar.7 Anders dan de door Pointer benadrukte grote verantwoordelijkheid van gemeentebesturen, blijkt de roof en onteigening in Zwolle voornamelijk een particuliere aangelegenheid tussen joodse eigenaren en niet-joodse beheerders, oorlogskopers, notarissen en makelaars. Het rapport begint met een beschrijving van de joodse gemeenschap te Zwolle van voor de oorlog. In het tweede hoofdstuk wordt nader ingegaan op de betrokkenheid van het Zwolse gemeentebestuur
5
Proces-verbaal van kapitein Smit. Collectie Overijssel, toegang 0397 (Militair Gezag, Commissaris van Overijssel) inv. nr. 371.
6
Dit perceel staat vandaag de dag bekend als Grote Kerkplein 14.
7
Openbare vergadering van den raad der gemeente Zwolle, 10 december 1945. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie), inv. nr. 19.
12
bij de Jodenvervolging. Daarna worden de begrippen onteigening en rechtsherstel uiteengezet en het geraadpleegde bronmateriaal geïntroduceerd. In het vijfde hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de Zwolse casus inzake roof van voormalig joods bezit en naoorlogs rechtsherstel gepresenteerd. Het laatste deel gaat verder in op de eerste naoorlogse berechting en zuiveringsprocessen. Het rapport wordt afgesloten met een conclusie.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
13
14
3. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Zwolle
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
15
3. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Zwolle “Het is niet eenvoudig de betekenis van zo’n provinciale gemeenschap te schilderen. Vast staat in ieder geval, dat Zwolle de toonaangevende ressortale hoofdplaats van Overijssel is geweest, tot in de oorlog geleid door een Opperrabbijn van formaat.”8 Voor de Tweede Wereldoorlog vormde Zwolle het thuis van een relatief grote joodse gemeenschap in de provincie Overijssel, met eigen gebruiken, verenigingsleven en organisaties. Een eigen ‘joodse zuil’ in verzuild Nederland, waarin de maatschappij als het ware was opgedeeld op basis van geloofsovertuiging en/of maatschappelijke opvattingen.9 In 1940 telde de Zwols-joodse gemeenschap 805 leden, wat relatief gezien een ‘kille’ van formaat was, zeker gezien het feit dat de joodse gemeenschappen in de mediene veel kleiner waren dan die van bijvoorbeeld Amsterdam.10 Aan het einde van de negentiende eeuw was de joodse gemeenschap dusdanig gegroeid dat er een ruimere synagoge gebouwd moest worden aan de Schoutensteeg, sinds 1989 de Samuel Juda Hirschstraat. De naamgever van deze straat werd in 1902 opperrabbijn van Overijssel. Met hem ging een orthodoxe wind waaien door het religieuze landschap van joods Zwolle.
Samuel Juda Hirsch was ook buiten Zwolle een autoriteit: “iemand naar wiens stem werd geluisterd als het ging om interne problemen van het jodendom, in de authentieke rabbijnse zin van het woord”.11 Naast het orthodoxe geloof werd het Zwolse jodendom ook gekleurd door de stromingen liberalisme, socialisme en zionisme.12 Deze smeltkroes aan religieuze en seculiere opvattingen leidde af en toe tot meningsverschillen en conflicten, want aan koppigheid was er onder de Zwolse joden geen gebrek, aldus Igor Cornelissen. Cornelissen was journalist en auteur en schreef veel over de joodse gemeenschap in Zwolle. Qua samenstelling verschilde de gemeenschap in Zwolle niet veel van die van andere provinciale gemeenschappen. Ze bestond in belangrijke mate uit middenstanders, al was het proletariaat groot en de elite klein. Het armste deel van de joodse bevolking woonde voornamelijk in de buurt Achter de Broeren, het Eiland, de Waterstraat en de Drietrommeltjessteeg: “een buurt die als mini-Jodenhoek kan worden bestempeld”.13 Zo’n twintig procent was aangewezen op financiële steun. In de binnenstad woonden de relatief welgestelden in straten als de Koestraat en de Melkmarkt. Ook in de Diezerstraat en de Nieuwstraat woonden een aantal joodse gezinnen.
Minder welgestelde gezinnen woonden veelal in de Roggestraat en de Bitterstraat.14 In de Stationsbuurt/Assendorp, aan de betere kant qua welgesteldheid, woonde ook een aantal joden, bijvoorbeeld in de Venestraat en aan de Oosterlaan.15
8
Igor Cornelissen, Joods levensbeeld als Joods tijdsbeeld: ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van
9
Kees Ribbens, Bewogen Jaren: Zwolle in de Tweede Wereldoorlog (Zwolle: Waanders 1995), p. 219.
Leo Marcus (Zwolle: Nobbpless 1981), p. 5. Jaap Hagedoorn en Marco Groen. Gids langs de geschiedenis van joods Zwolle (Zwolle: Stichting Judaica Zwolle 1999) p. 7. 10 ‘Kille’ is het Jiddisch-Hebreeuwse word voor ‘joodse gemeente’; Cornelissen, Joods levensbeeld, p. 5, 19. 11 Cornelissen, Joods levensbeeld, p. 5. 12 Hagedoorn en Groen, Gids langs Joods Zwolle, p. 15. 13 Cornelissen, Joods levensbeeld, p. 8, 15. 14 Interview met Jaap Hagedoorn op 19 december 2022. Zie ook: “Holocaustslachtoffers uit Zwolle en Zwollerkerspel op adres - augustus 2022”, Stichting Zwolse Stolpersteine.
16
Er woonden ook veel Duits-joodse vluchtelingen, die waren uitgeweken vanwege het in 1933 gevestigde nationaalsocialistische bewind in Duitsland. In het Herinneringsboek Joods Zwolle 1940 - 1945 is een overzicht opgenomen van hen die het joodse volksdeel in Zwolle vormden na 1 januari 1940. Deze lijst is opgesteld aan de hand van deportatielijsten, van de registers van de burgerlijke stand en ander archiefmateriaal.16 Uit deze lijst blijkt dat 330 van de geschatte 805 inwoners van Zwolle een beroep uitoefenden, de meesten daarvan in de handel; er waren handelsreizigers, grossiers, veehandelaren en rijwielhandelaren. Daarnaast waren er veel koopmannen en winkeliers. Deze beroepen waren voor joden destijds traditioneel te noemen, aangezien de meesten zich conformeerden aan de door de eeuwen heen gevormde verhoudingen.17 De Zwolse verdeling strookt met het landelijke beeld: “tot de belangrijkste kenmerken behoorde een blijvende oververtegenwoordiging in de handel en ondervertegenwoordiging in de agrarische sector”.18 In het industriële veld waren niet veel joden werkzaam, behalve in de diamantindustrie en textielnijverheid. Een bekend voorbeeld uit Zwolle was de textielfirma Hes & Co. van Hartog Hes. Wat opviel in de voedings- en genotmiddelensector is een concentratie van joodse slagers en bakkers; er moest immers koosjer geconsumeerd worden.
In Zwolle waren de joodse slagers sinds de achttiende eeuw al goed vertegenwoordigd; de familie Marcus stond bijvoorbeeld bekend als een echte slagersfamilie, en Louis de Jong had een slagerij en worstenfabriek op de Melkmarkt. Er waren ook twee koosjere bakkers: bakkerij Wolf en bakkerij Spanjar aan de Praubstraat.19 De relatief eenzijdige joodse beroepsstructuur wordt aangeduid met de frase ‘hak, pak en zak’. Het mes van de slager kwam terug in ‘hak’, het beroep van marskramer in ‘pak’ en de handel in textiel en lompen in ‘zak’. Hoewel deze verdeling duidt op relatief grote armoede waren er zeker ook joodse ondernemers met succesvolle bedrijven en waren joden in de intellectuele beroepen zeker niet schaars.20 Zo bekleedde David Sanders de functie van advocaat en was Abraham Emanuel Marcus huisarts (laatstgenoemde is geen familie van de slagersfamilie Marcus). De Zwols-joodse gemeenschap kende een bruisend verenigingsleven voor jong en oud. Deze verenigingen vonden in de bovenzaal van het koosjere Hotel Wijnberg aan de Veemarkt 23 een vast adres voor feesten, waarbij dankbaar gebruik werd gemaakt van het aanwezige podium om op te dansen, zingen en toneelspelen.21 Dit hotel vormde de spil van het joodse (culturele) leven in vooroorlogs
15 Interview met Jaap Hagedoorn op 19 december 2022. Zie ook: “Holocaustslachtoffers uit Zwolle en Zwollerkerspel op adres - augustus 2022”, Stichting Zwolse Stolpersteine. 16 David Stibbe en Jaap Hagedoorn, Herinneringsboek Joods Zwolle (Zwolle: Nederlands-Israelitische Gemeente Zwolle 1995), p. 4. 17 J.C.H. Blom e.a., Geschiedenis van de Joden in Nederland (Amsterdam: Balans 1995), p. 259. 18 Ibid., p. 259. 19 Cornelissen, Joods levensbeeld, p. 7. 20 Blom, Geschiedenis van de Joden in Nederland, p. 259. 21 Interview met Selma Wijnberg door Selma Leydesdorff voor het project ‘Late gevolgen van Sobibor. Interviews met nabestaanden en overlevenden’, 2009. Link: http://getuigenverhalen.nl/interview/overlevenden-interview-04-selma-engel-wijnberg. Geraadpleegd op 11 mei 2022.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
17
Zwolle.22 In 1930 werd in het hotel de herdenking van het 25-jarig bestaan van het Genootschap Reisjies Chogmo - een Theologisch Genootschap en joodse leervereniging - gevierd. Het Nieuw Israelietisch Weekblad van 28 maart 1930 berichtte er het volgende over: “een zeer aanzienlijke schare van dames en heeren, waaronder het Kerkbestuur onzer Gemeente, was aanwezig”.23 Hier waren onder meer familieleden van de prominente joods-Zwolse families Frank, Stibbe, Troostwijk, Davidson en Sanders van de partij. “In de meest harmonische stemming” werd er “een echt Joodsch feest gevierd”, aldus het tijdschrift.24 Veel joodse middenstanders waren aangesloten bij de Zwolse voetbalverenigingen. Leo Marcus, zoon uit bovengenoemde slagersfamilie, voetbalde bijvoorbeeld bij ZAC (Zwolsche Athletische Club), en de familie Veterman was een echte “PEC-familie” (‘Prins Hendrik’ en ‘Ende Desespereert Nimmer’ Combinatie Zwolle).25 Henri Zilverberg, neef van de familie Veterman, voetbalde ook bij PEC en zeker niet onverdienstelijk.26 In het voetbaloverzicht van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 1927 werd hij omschreven als “misschien wel de beste van het veld”.27 In de jaren dertig ontstond er een toename van anti-joodse gevoelens in de Nederlandse samenleving, onder meer door de komst van Duits-joodse vluchtelingen en de onheilspellende ontwikkelingen in het Duitse buurland.
De Zwolse joden reageerden op de uiteindelijke vijandelijke inval met ontsteltenis. Zo schreef ambtenaar Nico Herschel in april 1939 al in zijn dagboek: “omringd zijn wij door daemonen, die slechts onze ondergang willen” en later noteerde hij over de meidagen van 1940: “bij de Joden was er naast de algemeene beduusdheid een panische ontzetting aanwezig”.28 Naast verslagenheid was er ook een zoektocht naar manieren om bij de bezetter nog de belangen van de joodse gemeenschap te behartigen. Zo nam Leo Marcus een actieve houding aan toen hij in augustus 1941 namens de joodse kerkenraad naar de Ortskommandantur stapte om voor elkaar te krijgen dat de overleden opperrabbijn Hirsch in alle waardigheid begraven zou worden. Dat lukte hem en “er werd zelfs een extra trein ingezet naar het nu niet meer bestaande stationnetje Herfte, dichtbij de joodse begraafplaats in de Watersteeg”.29 Toen de eerste razzia in Zwolle plaatsvond in oktober 1941 was de joodse gemeenschap hierop voorbereid door inlichtingen van voormalig commissaris van politie Lettinck. Hij wist tijdig zijn joodse kennissenkring te informeren, waardoor de razzia uitliep op een mislukking.
De precieze gang van zaken was als volgt: Lettinck waarschuwde huisarts en politiedokter Abraham Marcus, die het sein doorgaf aan Leo Marcus, die vervolgens vanuit zijn functie als kerkbestuurder alle joodse mannen inlichtte of liet inlichten.30 Het gros van deze mannen kon tijdig onderduiken en ontliep hierdoor arrestatie. Een
22 Ad van Liempt, Selma: de vrouw die Sobibor overleefde (Almere: Verbum 2010), p. 16 23 Nieuw Israelietisch weekblad, 28-03-1930. Geraadpleegd via Delpher. 24 Ibid. 25 Interview Jaap Hagedoorn, 19 december 2022. Hagedoorn, Jaap. “Omgekomen leden Zwolse voetbalverenigingen 1940 - 1945”, 2021. 26 Jaap Hagedoorn, “Omgekomen leden Zwolse voetbalverenigingen 1940 - 1945”, 2021. 27 Ibid., Originele bron uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant van 24-01-1927. Geraadpleegd via Delpher. 28 “Nico voorzag het noodlot - Portret van een twintiger”, Stichting Judaicia Zwolle. Link: https://www.judaica-zwolle.nl/article.php?articleID=168. Geraadpleegd op 24 januari 2023. 29 Cornelissen, Joods levensbeeld, p. 21. 30 Ibid., p. 21. NB: er bestaat geen familieverband tussen Abraham Marcus en Leo Marcus.
18
kleinere provinciale joodse gemeenschap had hierbij dus zowel een nadeel als een voordeel: aan de ene kant was het individu zichtbaarder en daardoor kwetsbaarder, aan de andere kant was de persoonlijke contactenkring beperkter, waardoor er sneller onderling gewaarschuwd kon worden. Een nadeel aan ‘ons kent ons’ is dat persoonlijke vetes en onderliggende wonden nog lang hun weerslag kunnen hebben op een gemeenschap. De houding van de Zwolse afdeling van de Joodse Raad tijdens de bezetting zou na de oorlog bijvoorbeeld problematisch blijken voor de onderlinge verhoudingen. In de bezette Europese landen werden in 1941 Joodse Raden ingesteld als vertegenwoordigende lichamen van de joodse gemeenschap.31 De leiders van deze organen hoorden vaak bij de sociale bovenlaag en vormden gezien het grote aantal arme joden dus geen inclusieve afspiegeling van de joodse samenleving. Desalniettemin waren zij wel een bewijs van de toenemende secularisatie van de joodse samenleving in Nederland.32 Deze raden moesten sturing bieden aan de door de Duitse maatregelen geïsoleerde joodse gemeenschap.
“Der Judenrat ist in erster Linie Befehlsempfänger für die Judenschaft”, aldus Arthur Seyss-Inquart, de Rijkscommissaris van bezet Nederland, hoogste Duitse ambtenaar in bezet gebied.33 In november 1941 breidden de bevoegdheden van de Joodse Raad voor Amsterdam zich uit tot joodse gemeenschappen buiten de hoofdstad. In Zwolle werd ook een afdeling opgericht onder leiding van koopman Arthur Troostwijk en advocaat David Sanders. Beide mannen waren al bekenden in de joodse gemeenschap van Zwolle door hun lidmaatschap van de Kerkenraad en hun rol bij het opvangen van Joods-Duitse vluchtelingen in de jaren dertig.34 Het is interessant om te bestuderen hoe landelijke fenomenen ook een lokaal karakter kunnen hebben, omdat door de kleinere schaal de banden persoonlijker waren en de lijnen korter. Zo werden de twee leiders van de Joodse Raad in Zwolle na de oorlog van laakbaar gedrag tijdens de bezettingsjaren beschuldigd door een groep joodse medeburgers die voor de oorlog tot de vriendenkring van Sanders en Troostwijk hadden behoord.35 Hoewel het om een kleinere gemeenschap ging, was de joodse gemeenschap van Zwolle een relatief grote provinciale kille in Overijssel, met ongeveer 800 leden voor de oorlog. De gemeenschap kende een gemengde samenstelling: grotendeels middenstanders, maar met grote verschillen tussen arm en rijk.
Deze economische verschillen werden weerspiegeld in de beroepsverdeling en de spreiding van joden door de stad. Hoewel joden in de mediene altijd een minderheid vormden, was er zeker sprake van een eigen joodse zuil in Zwolle: de gemeenschap kende eigen gebruiken en had een bruisend verenigingsleven. Er werd onder meer gehandeld, gedanst en gevoetbald. Toen de oorlog uitbrak werd deze gemeenschap getroffen door de terreur van de Duitse bezetter. Reacties liepen uiteen en het zoeken naar een houding in deze drastisch veranderende omstandigheden was een moeilijke opdracht. Sommigen zagen kans om onder te duiken en anderen probeerden via bepaalde banen of functies binnen de joodse gemeenschap hun positie veilig te stellen. Hoewel de gebeurtenissen in
31 Laurien Vastenhout, Between Community and Collaboration: ‘Jewish Councils’ in Western Europe under Nazi Occupation (Cambridge: Cambridge University Press 2022), p. 1. 32 Ibid., p. 278. 33 Besprechung beim Reichskommissar, 8. Oktober 1941. NIOD, toegang 86 (Beauftragten des Reichskommissars) inv. nr. 60. 34 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 231. 35 Familiearchief Hes, inv. nr. 120.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
19
Zwolle niet in een vacuüm plaatsvonden, vormt de situatie daar een interessante microkosmos voor onderzoek naar de effecten van landelijke maatregelen op een lokale gemeenschap. Ten aanzien van een kleinere gemeenschap waarin men elkaar goed kende is het relevant om te bestuderen of deze nabijheid een rol heeft gespeeld in de geschiedenis en de uitkomst van de vervolging. In het bredere onderzoek wordt nader ingegaan op de vraag wat een lokale geschiedenis kan vertellen over de vervolging van joden in het algemeen. Dit rapport behandelt eerst het handelen van de gemeente Zwolle in dit verhaal.
20
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
21
22
4. De Jodenvervolging in Zwolle en de rol van de gemeente
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
23
4. De Jodenvervolging in Zwolle en de rol van de gemeente 4.1
Inleiding
“De keuze van een nieuwen wethouder buiten mij om, geeft mij - wellicht ten onrechte - aanleiding mij af te vragen of in dit laatste een verandering is ingetreden. Mocht dit het geval zijn, dan besef ik, dat mijn positie als ambtsdrager, die niet tot de z.g. nieuwe richting behoort, moeilijk is geworden.”36 Met deze woorden beklaagde Maurits van Karnebeek, toenmalig burgemeester van Zwolle, zich op 27 januari 1943 tegenover Werner Schröder, de Beauftragte van de Rijkscommissaris.37 Seyss-Inquart had op landelijk niveau de Generalkommissare onder zich en op provinciaal niveau waren dit de Beauftragten: deze functionarissen hielden toezicht op het openbaar bestuur, de economie en het nazificeren van de samenleving. Het gemeentebestuur moest verantwoording voor beslissingen afleggen aan de Beauftragte. Van Karnebeek was in de veronderstelling dat Schröder zich in het algemeen met zijn beleid had kunnen verenigen. Nu deed bovenstaande situatie zich voor dat er een nieuwe wethouder werd aangesteld om de vacante positie van de afgetreden wethouder van Openbare Werken en Volkshuisvesting in te vullen. De keuze van de Beauftragte viel hierbij op Nantko Schanssema, een man met NSB-sympathieën. Van Karnebeek voelde zich duidelijk gepasseerd, en beschreef in bovenstaand citaat bijzonder treffend de moeilijke positie van een “ambtsdrager die niet tot de z.g. nieuwe richting behoort”.
Een burgemeester in oorlogstijd, waar Van Karnebeek een schoolvoorbeeld van was, moest noodgedwongen schipperen tussen de wensen van de bezetter en het beschermen van de eigen burgers, alles ‘om erger te voorkomen’.38 Zwolle telde tijdens de Tweede Wereldoorlog drie oorlogsburgemeesters: Arnoldus van Walsum, Maurits van Karnebeek en Adriaan Meerkamp van Embden.39 Alle drie werden zij geconfronteerd met de steeds verdergaande bevelen en maatregelen van de bezetter, ook omtrent de Jodenvervolging.
4.2 Het begin van de oorlog onder Arnoldus van Walsum De eerste bijeenkomst van de gemeenteraad tijdens de bezetting op maandagavond 3 juni 1940 werd bijgewoond door de bijna voltallige gemeenteraad.40 Hiervan behoorden Nicolaas Boden (portefeuilles Onderwijs, Ziekenhuis, Radiodistributiebedrijf), Leendert Lansink (portefeuilles Openbare werken en Volkshuisvesting), Assuerus Brandsma (portefeuilles Arbeidsbemiddeling en Werkloosheidsverzekering, Maatschappelijk Hulpbetoon en de Gezondheidszorg) en Lambertus Fransen (portefeuilles Nutsvoorzieningen en het Verkeerswezen) tot het college van Burgemeester en Wethouders. De burgemeester aan het roer was de 50-jarige Arnoldus van Walsum, die houder was van de resterende portefeuilles Algemene Zaken en financiën, Brandweer en Landerijen. In 1938 was hij benoemd tot burgemeester
36 Brief van Van Karnebeek aan de Beauftragte van de Rijkscommissaris in Overijssel te Zwolle. 27 januari 1943. Collectie Overijssel, toegang 0703 (Gemeente Zwolle, Kabinet van de burgemeester) inv. nr. 5. 37 NIOD, archiefbeschrijving van inventaris 086 (Beauftragten des Reichskommissars). 38 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 53. 39 Gustaaf Adolf Strick van Linschoten is drie maanden waarnemend burgemeester geweest na het ontslag van Van Walsum. 40 Ibid., p. 57.
24
van Zwolle.41 Van Walsum kon het best beschreven worden als een ‘vakburgemeester’: “een scherpe kijk op mensen, stoere werkkracht, rustig doorzettingsvermogen en tact”.42 Tijdens zijn korte loopbaan als oorlogsburgemeester baseerde hij zich zoveel mogelijk op het Landoorlogreglement: een juridische leidraad voor ambtenaren, waarin regels omtrent het bestuur van bezette gebieden waren vastgelegd.43 Van Walsum koesterde de hoop dat zowel volk als bezettingsleger deze voorschriften zouden naleven.44 Daarnaast ging hij confrontaties met de bezetter niet uit de weg.45 Dit blijkt bijvoorbeeld uit Van Walsums protesten tegen de uitsluiting van joden. Zo zond hij een brief aan de Commissaris der Koningin voor Overijssel, waarin hij joodse winkeliers verbood om aan de opdracht te voldoen dat “steeds als er een Duitser in zijn winkel kwam zou zeggen: ik ben jood”.46 Op 15 juni 1940 schreef hij wederom de Commissaris aan om mee te delen dat hij café-eigenaar Smorenburg adviseerde de joodse kelner Denneboom niet te ontslaan, ongeacht wat de Ordnungspolizei beval. Daarnaast raadde hij Smorenburg aan om ontheffing van het ontslagverbod ten aanzien van Denneboom te vragen aan de Arbeidsinspectie.47 Eind mei had Van Walsum zich ook kranig geweerd tegen het verzoek van de Sicherheitspolizei tot inzage van het bevolkingsregister.
De burgemeester had een vermoeden dat de Duitse autoriteiten informatie over joodse inwoners van Zwolle wilden verkrijgen. Zijn vermoeden werd bevestigd toen hij een circulaire ontving van de Commissaris der Koningin A.E. baron Van Voorst tot Voorst waarin vermeld stond ‘dat aan verzoeken om eenigerlei inlichting met betrekking tot Joden niet mag worden voldaan’.48 Daarom weigerde Van Walsum in juni opnieuw het verzoek tot inzage: hij verklaarde zich bereid om enkel afschriften van de persoonskaarten te leveren zonder vermelding van de godsdienst. Dit was voor de Duitsers niet voldoende en Van Walsum werd gearresteerd. Op 26 juni 1940 viel voor hem definitief het doek: in verband met zijn anti-Duitse houding ‘eervol’ ontslagen.49 Arnoldus van Walsum zou de eerste van zo’n 70 burgemeesters zijn die tijdens de eerste jaren van de bezetting vanwege zijn houding werd ontheven uit zijn functie.
41 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 53. Peter Romijn, Burgemeesters in Oorlogstijd: Besturen tijdens de Duitse bezetting (Amsterdam: Balans 2006), p. 42. 42 Romijn, Burgemeesters in Oorlogstijd, p. 42. 43 Rob Bakker, Landoorlogreglement en Aanwijzingen. Waar ambtenaren zich aan moesten houden tijdens de Duitse bezetting... (Almere: Verbum 2020), p. 7. 44 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 58. 45 Ibid., p. 58. Romijn, Burgemeesters in Oorlogstijd, p. 155. 46 Brief van de burgemeester van Zwolle aan de C. vd. K. Overijssel. 10 juni 1940. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3009. 47 Brief van burgemeester van Zwolle aan de C. vd. K. Overijssel. 15 juni 1940. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3009. 48 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 217. 49 Ibid., p. 61.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
25
4.3 Waarnemend: Gustaaf Adolf Strick van Linschoten De vervanging van Van Walsum liet niet lang op zich wachten. Op 28 juni werd bekendgemaakt dat burgemeester van Zwollerkerspel Gustaaf Adolf Strick van Linschoten door de Commissaris der Provincie was aangesteld als tijdelijke vervanger, oftewel waarnemend burgemeester.50 In zijn tijd als waarnemend burgemeester zat Strick van Linschoten drie raadsvergaderingen voor en werd hij geconfronteerd met de “eerste onverbloemd anti-joodse maatregel”.51 Op 6 juli 1940 schreef de waarnemend inspecteur voor de bescherming van de bevolking tegen luchtaanvallen alle burgemeesters van Nederland aan met het volgende bericht: de luchtbeschermingsdiensten moesten gezuiverd worden van buitenlanders, Nederlanders met anti-Duitse houding en joden.
4.4 De eerste oorlogsjaren onder Maurits van Karnebeek Op 16 september 1940 werd de “partijloze liberaal” Maurits van Karnebeek benoemd tot burgemeester.52 Van Karnebeek zou het grootste gedeelte van de oorlog aanblijven als burgemeester van Zwolle en werd dus geconfronteerd met het gros van de antisemitische plannen van de bezetter. In oktober 1940 stuurde secretaris-generaal Karel Johannes Frederiks op last van de bezetter een circulaire bestemd voor alle burgemeesters rond waarin de aanstelling of bevordering in overheidsdienst van personen van ‘geheel of gedeeltelijke joodse bloede’ verboden werd.53 Iemand werd als jood beschouwd als deze persoon “twee joodse ouders en/of minimaal drie naar ras voljoodse grootouders die bovendien behoorden tot de kerkelijke gemeente”.54 Waar het er eerst op leek dat de positie van joodse werknemers die al in dienst waren veiliggesteld was, kwam daar op 1 november 1940 verandering in met de invoering van de niet-joodverklaring voor het gemeentepersoneel. Deze werd door vrijwel alle ambtenaren zonder protest ondertekend. Op 22 november 1940 werd op last van Rijkscommissaris Seyss-Inquart het ontslag van het joodse overheidspersoneel aangekondigd dat op 1 maart 1941 definitief zou worden voltrokken.
Hoewel de tien getroffen Zwolse ambtenaren een standaard ambtelijk en van weinig medeleven getuigende mededeling van hun ontslag ontvingen, had gemeentesecretaris Van Leijden wel bezwaar aangetekend bij het gemeentebestuur.55 Het mocht niet baten: onder de ontslagenen waren onder andere Louis Lion Pinas en Arthur Troostwijk, die ontheven werden uit hun functies bij respectievelijk de Commissie tot Wering van Schoolverzuim en de plaatselijke Commissie van Toezicht op Bioscopen. Troostwijk werd bovendien samen met zijn collega raadslid Jacob Manus Rudelsheim verwijderd uit de gemeenteraad. Uit de stukken is niet op te maken of er binnen de gemeente verontwaardiging over dit ontslag was.56 In 1941 nam het aantal raadsvergaderingen af en op 28 juli 1941 zou de laatste raadsvergadering plaatsvinden; het leidersbeginsel bepaalde dat de burgemeester voortaan de taak van de raad zo
50 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 61. 51 Ibid., p. 61, 217. 52 Ibid., p. 66. Romijn, Burgemeesters in Oorlogstijd, p. 156. 53 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 218. 54 Ibid., p. 218. 55 Ibid., p. 219. 56 Ibid., p. 69.
26
waarnemen en de gemeenteraad werd dus feitelijk opgeheven. Over de besluiten van de burgemeester ging de nieuw aangestelde Commissaris van de Provincie.57 Zoals eerder vermeld was burgemeester Van Karnebeek een typische burgemeester in oorlogstijd: hij voelde zich gedwongen mee te werken aan maatregelen die tegen al zijn principes indruisten, om ‘erger te doen voorkomen’. Uit het onderzoek voor dit rapport komt het beeld naar voren van een burgemeester die (waarschijnlijk met tegenzin en af en toe met doelbewuste vertraging) gehoor gaf aan de opdrachten van de bezetter. In februari 1941 werd een volgende stap gezet in het isolatieproces van de joodse inwoners van Zwolle met de aanmeldingsplicht. Dit hield in dat joden zichzelf en hun gezinsleden per formulier moesten registreren. Uit correspondentie tussen Van Karnebeek en het Hoofd der Inspectie van de Bevolkingsregisters Jacobus Lambertus Lentz omtrent deze kwestie blijkt dat burgemeester Van Karnebeek over het algemeen uitvoerde wat hem gevraagd werd, zoals andere burgemeesters dat ook deden.
Hij verstuurde de aanmeldingsbewijzen tijdig en aangetekend en maakte melding wanneer hij door de voorraad aanmeldingsformulieren heen was.58 Enkele onvermogende gezinnen kregen vrijstelling van het betalen van leges.59 Over deze registratie en de daaropvolgende uitvaardiging van persoonsbewijzen voor joden werd nog tot in augustus 1943 gecorrespondeerd.60 Wanneer er twijfel bestond over het aantal joodse grootouders werd dit nauwkeurig onderzocht. Lentz schatte het aantal joodse voorouders vaak hoog in en verzocht vervolgens om het desbetreffende aanmeldingsformulier te voorzien van de aanduiding ‘J’. In een paar gevallen trachtte de burgemeester aan te tonen dat de aanduiding ‘J’ achterwege gelaten kon worden, zo ook in het geval van Gerda Thekla Oppenheimer. Na het instellen van een genealogisch onderzoek kon de conclusie worden getrokken dat deze vrouw minder joodse grootouders had dan eerder vastgesteld.
“In verband hiermede verzoek ik u mij toestemming te willen verlenen de nodige wijzigingen in het bevolkingsregister aan te brengen, nieuwe bewijzen van aanmelding af te geven en aan de vrouw een persoonsbewijs zonder “J” uit te reiken”, aldus Van Karnebeek.61 In de zomer van 1941 speelde er een aantal kwesties waar de burgemeester ook ruimte zocht om te manoeuvreren, bijvoorbeeld bij de kwesties omtrent de bewegingsvrijheid voor joden, de ‘arisering’ van het slachthuis en het joodse onderwijs. Op 8 juli 1941 werd een nieuwe verordening afgekondigd waarin het joden in de stad verboden werd “publieke plantsoenen en lokalen te betreden of kamers te huren in hotels, pensions en logementen”.63 Deze inperking van de bewegingsvrijheid van joodse burgers moest bovendien tastbaar gemaakt worden door middel van het plaatsen van borden met daarop de tekst “Joden niet gewenscht” bij bovengenoemde locaties, alsmede bij bioscopen, schouwburgen en cafés. Er ontstond enige verwarring of deze maatregelen ook op Zwolle van toepassing waren.
57 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 70. De Duitse bezetter ontsloeg de Commissaris van de Koningin en verving deze positie door de Commissaris van de Provincie. 58 Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3010. 59 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 219. 60 Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3010. 61 Brief van de burgemeester van Zwolle aan Het Hoofd der Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters. Juli 1942. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3010. 62 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 221. 63 Ibid., p. 221.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
27
In september 1941 werd de burgemeester namelijk gevraagd door de secretaris-generaal van het Departement van Justitie of Zwolle als badplaats te beschouwen was, gezien de ambtelijke bekendmaking op grond van verordening 20/1941 over het verbod van joden in openbare inrichtingen te baden, publieke parken en lokaliteiten te betreden en kamers in zee- en strandplaatsen te huren. Als antwoord deelde de burgemeester met klem mede dat de gemeente Zwolle elk karakter van een badplaats miste.64 De uitsluiting van joden was ook merkbaar op de lokale veemarkt: de Kamper afdeling van de NSB-belangenorganisatie voor middenstanders, Front van Nering en Ambacht, drong in juli 1941 aan op zogeheten arisering van het gemeentelijk slachthuis en zuivering van de veemarkt van joden. Na een vruchteloze correspondentie met de gemeente kwam het tot opstootjes op de markt tussen provocerende NSB’ers en joodse veehandelaren. Commissaris van Politie A. J. Stienstra, overtuigd NSB’er, ging over tot arrestatie van de joodse handelaren en opperde daarnaast aan de Beauftragte Schröder het idee om joden geheel de toestemming tot de markt te ontzeggen. Toen Schröder zich vervolgens wendde tot Van Karnebeek met het verzoek om de rust op de markt te herstellen, antwoordde Van Karnebeek dat de onrust niet te wijten was aan de joodse handelaren, maar aan de NSB’ers.
Daarnaast werd er door de gemeente bij verschillende gemeenten in het land rondgevraagd welke maatregelen voor de ‘arisering’ van het slachthuis en de veemarkt zij troffen; het bleek dat deze gemeenten geen tot weinig maatregelen troffen. De burgemeester beklaagde zich hierover en pleitte voor gelijke maatregelen op landelijk niveau.65 Tijdens zijn laatste poging om de maatregelen tegen te gaan wees Van Karnebeek op het financiële nadeel voor het gemeentelijk slachthuis die de zuivering van de veehandel met zich mee zou brengen. Helaas viel ook dit pleidooi in vruchteloze aarde: op 15 september 1941 werd landelijk bekendgemaakt dat joden geen abattoirs, markten, veilingen en goederenbeurzen meer mochten betreden. Als gevolg sloten de 18 joodse marktkooplieden van Zwolle noodgedwongen hun zaak. De isolatie en discriminatie van joden kwam ook tot uiting in het onderwijs. In maart 1941 werden joodse leerkrachten ontslagen en vanaf september van datzelfde jaar werden joodse leerlingen verwijderd uit het reguliere onderwijs.66 Het plan was om uiterlijk 1 oktober alle joodse scholieren onder te brengen in een speciale joodse school met uitsluitend joodse leerkrachten.
Aan burgemeester Van Karnebeek kwam de taak toe om een overzicht op te stellen van het aantal joodse leerlingen dat aan de Zwolse scholen onderwijs genoot.67 De joodse lagere school kwam aan de Voorstraat 41 en het Joodse Lyceum vond aanvankelijk een locatie in Thorbeckegracht 11, met vijf leslokalen. Naar verluidt kwam daar later door ruimtegebrek Thorbeckegracht 17 bij, zodat ook de vakken gymnastiek en tekenen konden worden gegeven.68 Deze voormalige zakenpanden waren het eigendom van de joodse Charles Vecht, die de panden vrijwillig afstond om de joodse jeugd te helpen.69 Vecht vroeg er f. 5,- per week voor aan huur, “een symbolisch bedrag”, dat wat hem betrof desgewenst ook na afloop van de oorlog betaald mocht
64 Brief van de burgemeester van Zwolle aan de Directeur-Generaal van Politie A. Brants. 6 september 1941. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3009. 65 Brief van de burgemeester van Zwolle aan de Beauftragte Schröder. 31 juli 1941. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3009. 66 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 225. 67 Ibid., p. 225-226.
28
worden.70 Door de deportaties in oktober en november 1942 en het onderduiken van een aantal gezinnen liep het aantal leerlingen aan het lyceum terug. De Joodse Raad Zwolle besloot daarom de overige leerlingen onder te brengen op Thorbeckegracht 17 en de huur van nummer 11 op te zeggen. Echter bleek dat het huurcontract van nummer 17 niet rechtsgeldig was, aangezien Charles Vecht door de anti-joodse maatregelen geen beschikking meer had over zijn eigendommen. De gemeente probeerde de zaak te redden door te stellen dat het niet mogelijk was te onderzoeken of Vecht een vergunning had voor de panden, aangezien de familie al was gedeporteerd naar Westerbork.71 Er zijn ook ‘kleinere’ particuliere voorbeelden waaruit blijkt dat Van Karnebeek probeerde te laveren tussen de bevelen van de bezetter en zijn taak als burgervader. In de latere jaren van de oorlog werden wel eens joodse kinderen te vondeling gelegd, zo ook in Zwolle in december 1942 tot april 1943. Het meisje Sophia Hagedoorn (vernoemd naar het Zwolse Sophia Ziekenhuis en de bewoners van de voortuin waar ze gevonden werd) werd door de familie Hagedoorn ‘geadopteerd’. De advocaat mr.
Harro Bouman had bij dit proces bemiddeld en wist via zijn goede vriend Van Karnebeek voor elkaar te krijgen dat de pleegouders onderhouden konden worden met distributiebescheiden.72 De burgemeester sprong ook in de bres voor eerdergenoemde Henri Zilverberg, een joodse man uit Zwolle die in februari 1941 op het verkeerde moment op de verkeerde plek was. In Amsterdam werden toen in de jodenhoek voor het eerst grootschalig joden opgepakt: onder wie Zilverberg, die voor zaken in de stad was. Zijn straatgenoten wendden zich tot de burgemeester, die hun smeekbede honoreerde. Van Karnebeek schreef de commandant van de Sicherheitspolizei aan om Zilverberg vrij te krijgen en speelde daarbij verstandig in op het Amsterdamse karakter van de razzia, waar een Zwollenaar geen rol had, in plaats van te pleiten voor Zilverbergs onschuld. De inspanningen van de burgemeester maakten geen verschil, aangezien iedere man die zich op dat moment in het geïsoleerde gedeelte van de ‘Jodenhoek’ bevond en er joods uitzag werd opgepakt.73 Zilverberg werd via Schoorl naar Buchenwald gedeporteerd, om uiteindelijk in Mauthausen te belanden en daar de dood te vinden.74
4.5 De betrokkenheid van de gemeentepolitie bij razzia’s, deportatie, roof De eerste razzia in Zwolle vond plaats op 10 oktober 1941, toen commissaris Stienstra van de gemeentepolitie Zwolle de opdracht kreeg tot het arresteren van circa vijftig joodse mannen.75 Ter voorbereiding liet de commissaris op het politiebureau een ruimte inrichten om aan het verwachte verblijf te voldoen, wat alarmbellen deed afgaan bij het politiepersoneel dat gekant was
68 Mirjam Kan, Joodse Scholen. Link: https://www.joodszwolle.nl/scholen/. Geraadpleegd op 4 juli 2023. 69 Interview door Iet Erdtsieck met Theo Vecht, zoon van Charles Vecht. Joods Cultureel Kwartier (JCK), AV-collectie, inv. nr. 10000736. 70 Ibid., Ribbens, Bewogen Jaren, p. 227. 71 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 228. 72 Ibid., p. 243. 73 Loe de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden, deel 4, p. 890 - 892. 74 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 220.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
29
tegen de bezetter. Zij informeerden oud-commissaris Gerard Johannes Lettinck, die per 1 januari 1941 ontslagen was wegens zijn anti-Duitse houding, die op zijn beurt contact opnam met zijn joodse kennissenkring om hen te waarschuwen en tot onderduik te motiveren. Volgens Theo Vecht, de zoon van Charles Vecht, “was iedereen weg als er zo’n razzia onder Lettinck ging gebeuren. Dat was onze eerste onderduikoefening. Dat was belangrijk in die tijd, zo’n oefening”.76 De razzia liep op een mislukking uit voor de Sicherheitsdienst, aangezien slechts vijf joden waren opgepakt.77 Vanwege de mislukking werd er naarstig gezocht naar de overige 44 Zwollenaren die nog op de arrestantenlijst stonden; hun gegevens werden door commissaris Stienstra gepubliceerd in het Algemeen Politieblad van het Koninkrijk der Nederlanden.78 Daarnaast controleerde de gemeentepolitie regelmatig de huizen van de voortvluchtige joden. Hoewel deze controles niets opleverden, werd wel vastgesteld dat er inmiddels meer joden in onderduik zaten. Toen Van Karnebeek vernam dat bij de razzia van oktober buiten zijn voorkennis de medewerking van zijn gemeentepolitie was gevorderd door de Duitse politieautoriteiten reageerde hij ontsteld en schreef hierover aan Frederiks, als secretaris-generaal van het departement van Binnenlandse Zaken eindverantwoordelijke voor de politie.
In de brief benadrukte de burgemeester eerst “hoezeer de uitvoering dezer opdracht het betrokken politiepersoneel tegen stond”, alvorens deze zin te schrappen en in plaats daarvan eufemistisch te wijzen op het “pijnlijke karakter” van de opdracht voor het personeel.79 Hij eindigde met het verzoek om de gemeentepolitie niet meer bij razzia’s te betrekken. De secretarisgeneraal wist Van Karnebeek gerust te stellen dat in het vervolg de Duitse politie niet meer de medewerking van de Nederlandse politieautoriteiten zou inroepen. Voor die toezegging had Frederiks moeten onderhandelen met Rauter, de hoogste Duitse politiebaas.80 Een jaar later, in oktober 1942, werd deze belofte geschonden toen joodse vrouwen en kinderen uit hun woningen werden gehaald door de Sicherheitspolizei met afgedwongen assistentie van een groot deel van het politiekorps en de marechaussee.81 De vrouwen en kinderen werden bijeengebracht in het gemeentelijk gymnasium Celeanum, vanuit waar zij getransporteerd zouden worden naar Westerbork om daar aan te sluiten bij hun man/vader. Zij brachten daar “op harde banken of staande in de gymnastiekzaal” de nacht door.82 De groep vertrok de volgende dag onder begeleiding van de politie naar het station, met Westerbork als bestemming. Van Karnebeek tekende wederom protest aan en wees op de toezegging van een jaar geleden.
Daarop liet de secretaris-generaal weten dat “de Commissaris-Generaal voor de Openbare Veiligheid mij een dezer dagen schriftelijk heeft bericht, dat hij de afspraak, dat bij eventueel optreden
75 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 229. 76 Interview door Iet Erdtsieck met Theo Vecht, zoon van Charles Vecht. Joods Cultureel Kwartier (JCK), AV-collectie, inv. nr. 10000736. 77 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 230. 78 Ibid., p. 230. 79 De burgemeester van Zwolle aan Frederiks. 11 november 1941. Collectie Overijssel, toegang 0703 (Kabinet van de burgemeester) inv. nr. 5. 80 Hinke Piersma, Op eigen gezag: Politieverzet in oorlogstijd (Amsterdam: Querido 2019), p. 76. 81 De burgemeester van Zwolle aan Frederiks. 3 oktober 1942. Collectie Overijssel (CO), toegang 0703 (Kabinet van de burgemeester) inv. nr. 5. 82 Wim Coster, Metamorfoses: een geschiedenis van het Gymnasium Celeanum (Zwolle: Waanders 2020), p. 53.
30
tegen Joden van de Nederlandsche politie geen medewerking zou worden verlangd, niet langer gestand kan doen en evenmin onderscheid wenscht te maken tussen de Rijks- en gemeentepolitie”.83 Toen de razzia’s en arrestaties nog in volle gang waren werden al voorbereidingen getroffen voor de volgende stap in het systematische proces van uitsluiting en exploitatie van de joodse burgers van Zwolle. Eind juli 1942 eiste de Ortskommandant een overzicht van alle panden in joods bezit te Zwolle. Van Karnebeek gaf hier gehoor aan en in augustus 1942 werd de informatie gebruikt voor het begin van de grootschalige roof op joods bezit door de bezetter. In augustus 1942 werd Joseph Levie gedwongen te verhuizen: hij moest zijn woning aan de Oosterlaan verlaten en intrekken bij een joodse stadsgenoot in de Roggenstraat.84 Een aantal huizen van joden stond eind september 1942 leeg omdat de bewoners - 35 personen - waren ondergedoken.85 Eind maart 1943 was dit aantal opgelopen tot 61 personen.86 De verlaten woningen werden ontruimd en verzegeld. De meubels werden elders opgeslagen, onder andere in de synagoge.
De maand daarop kreeg de burgemeester een circulaire van de waarnemend Gewestelijk Politiepresident onder ogen, waarin werd medegedeeld dat “alle joden, die in de provincies Gelderland en Overijssel wonen, hun woonplaats [moeten] verlaten en zich [moeten] melden in het kamp te Vught”.87 Daarnaast werd er o.a. gesteld dat joden hun sleutels voor vertrek af moesten geven bij de politiegezagsdrager hunner gemeente en dat joden die na 10 april nog aanwezig waren, als ‘illegaal levende joden’ aangemerkt moesten worden en door de marechaussee of gemeentepolitie gearresteerd moesten worden. Een paar dagen later vroeg Van Karnebeek advies aan Frederiks, aangezien hij zich bezwaard voelde “aan de politie op te dragen, de zich na 10 april a.s. alhier nog bevindende Joden te arresteren en naar een kamp over te doen brengen”.88 Een advies van Frederiks bleef uit, maar dat had weinig aan de uitkomst veranderd: de in augustus 1942 aangestelde korpschef Willem de Bouter had vanuit zijn nationaalsocialistische overtuigingen zelf het initiatief wel genomen, ongeacht eventuele instructies van de burgemeester.89 De 35 vrijgekomen woningen als gevolg van het transport trokken bekijks: per instructie van De Bouter mochten geïnteresseerden echter alleen de “jodenwoning” komen bezichtigen onder begeleiding van het politiepersoneel.90
83 Frederiks aan de burgemeester van Zwolle. 10 oktober 1942. Collectie Overijssel, toegang 0703 (Kabinet van de burgemeester) inv. nr. 5. 84 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 233. 85 Ibid., p. 234. 86 Ibid., p. 236. 87 Circulaire van de waarnemend Gewestelijk Politiepresident aan o.a. Commissarissen der Provincie Gelderland en Overijssel. 6 april 1943. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3009. 88 Brief van de burgemeester van Zwolle aan Frederiks. 8 april 1943. Collectie Overijssel, toegang 0702 (Gemeentesecretarie) inv. nr. 3009. 89 Ribbens, Bewogen Jaren, p. 237. NB: De Bouter verving Stienstra als commissaris van politie. 90 Ibid., p. 238.
Onderzoeksrapport Gemeente Zwolle | “Hierbij doe ik u toekomen...”
31
4.6 Wisseling van de wacht: Van Karnebeek stapt op, Meerkamp van Embden aan het roer In de eerste jaren van de oorlog was de invloed van het Nederlandse nationaalsocialisme op het gemeentebestuur beperkt gebleven. Dat was de Beauftragte ook opgevallen en hij trachtte hier verandering in te brengen door meer nationaalsocialisten in het bestuur aan te stellen.91 Mogelijk had Van Karnebeek deze intentie door, want in dezelfde brief aan de commissaris van de provincie waarin de burgemeester het staken van wethouder Lansink aankondigde probeerde hij voor elkaar te krijgen dat de ontstane vacature onvervuld bleef. Zijn argument berustte op het feit dat Lansink verantwoordelijk was voor Openbare Werken en dat gezien de huidige schaarste in materiaal de daardoor geringe werkzaamheden onder de overige wethouders en hemzelf verdeeld konden worden.92 Aan zijn betoog werd geen gehoor gegeven, want buiten de burgemeester om werd de nieuwe wethouder Nantko Schanssema aangesteld door de Beauftragte. Van Karnebeek voelde zich wederom gepasseerd en zag zichzelf in een steeds moeilijker positie geplaatst. Hij bood zijn ontslag aan, maar vermoedelijk werd hij van dit idee afgebracht, aangezien hij in positie bleef tot 1944, toen de maat voor de burgemeester echt vol was. In mei van dat jaar kreeg hij de opdracht om 150 mannen aan te wijzen voor verplichte arbeid.
Na een periode van gesteggel en een aanbod tot ontslag bleef de burgemeester toch aan.93 Dat was anders in september toen de bezetter eiste dat hij 700 mannen tussen de 17 en 55 jaar moest leveren voor de bouw van verdedigingswerken bij de IJssel. Overal in het land werden arbeidskrachten opgeroepen voor de aanleg van defensiewerken: “van simpele mangaten als bescherming tegen luchtaanvallen tot geschutsopstellingen, tankgrachten, en start- en landingsbanen voor vliegtuigen”.94 Dit ging veel burgemeesters te ver, aangezien het leveren van zulke werkzaamheden in strijd was met artikel 52 van het Landoorlogreglement.95 Het oproepen en ronselen van arbeidskrachten nam steeds ruwere vormen aan. Aan arbeidsbureaus werd opgedragen om grote aantallen jonge mannen te leveren, maar dit leverde ook niet de gewenste resultaten. De bezetter besloot daarop de verantwoordelijkheid bij de burgemeesters te leggen en de druk op te voeren: “Beauftragten en ronselaars van de partijorganisaties verschenen nu overal in het land bij verrassing op gemeentehuizen”.96 Een aantal burgemeesters dook onder, een aantal NSB-burgemeesters werkte mee. Tot die eerstgenoemde groep behoorde ook Van Karnebeek; de graverskwestie ging tegen zijn principes in en bracht hem in een benarde positie. Hij bood zijn ontslag aan, dook in september onder en werd op 11 oktober 1944 ontslagen.
Op diezelfde datum moest ook burgemeester van Zwollerkerspel Strick van Linschoten het veld ruimen.97 Daarna volgde een periode tussen september en november waarin de wethouders afwisselend het burgemeesterschap waarnamen, om te voorkomen dat er een NSB-burgemeester werd aangesteld. Deze kwam er uiteindelijk toch: op 16 november 1944 werd Adriaan Meerkamp van Embden aangesteld als burgemeester door de Commissaris der Provincie De Rijke. Ondanks zijn NSB-sympathieën onthield
91
Ribbens, Bewogen Jaren, p. 76.
92
Brief van Van Karnebeek aan de Beauftragte van de Rijkscommissaris in Overijssel te Zwolle. 27 januari 1943. Collectie Overijssel, toegang 0703 (Kabinet van de burgemeester) inv. nr. 5.
93
Zie voor een uitgebreidere reconstructie van de situatie Ribbens, Bewogen Jaren, p. 83.
94
Romijn, Burgemeesters in Oorlogstijd, p. 580.
95
Ibid., p. 581.
96
Ibid., p. 582.
97
Ribbens, Bewogen Jaren, p. 84.
32
hij zich van vriendjespolitiek, ontsloeg hij geen gemeentepersoneel en stelde hij geen NSB’ers aan. Hij zou in functie blijven tot zijn arrestatie op 14 april 1945. Op diezelfde dag keerde Van Karnebeek terug als waarnemend burgemeester.98 Hij zat op 29 oktober 1945 de eerste naoorlogse bijeenkomst van de gemeenteraad voor.99 Bij deze vergadering waren o.a. de leden Lansink en Rudelsheim weer terug op hun post. Tijdens de tweede raadsvergadering, op 31 oktober 1945, vertelde van Karnebeek dat hem op eigen verzoek door de Commissaris der Koningin eervolle ontheffing uit zijn positie als waarnemend burgemeester van Zwolle was verleend, met ingang van 1 november 1945. Er werd namens de leden van de raad voorgesteld om een straat naar hem te vernoemen. Gekozen werd voor de Deventerstraat, waar Van Karnebeek met zijn gezin in de jaren 1940 - 1945 had gewoond, “ter blijvende herinnering aan zijn burgemeesterschap gedurende deze moeilijke jaren, met ingang van 1 november te noemen: van Karnebeekstraat”.100