Geanonimiseerde concept-Reactienota zienswijzen en adviezen - Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.pdf
Tekst van het document
35
dat wel de lusten, maar niet de lasten gedragen worden. Hoe moet deze vestigingsplaatsfactor geïnterpreteerd worden? Reactie: Het klopt dat wij door deze aanpassing van de verordening het algemene verbod op het plaatsen van windturbines in Natuurnetwerk Nederland en Nationaal Landschap IJsseldelta schrappen. Dat betekent niet dat in deze gebieden nu zonder meer windturbines kunnen worden geplaatst. In deze gebieden blijft het specifieke ruimtelijke beschermingsregime gelden dat op deze gebieden van toepassing is. Voor eventuele initiatieven voor windenergie in deze gebieden zal uitgebreid onderzoek gedaan moeten worden. De relevante aspecten en te verwachten effecten op landschap, economie en ecologie moeten dan in beeld worden gebracht en dus ook de te verwachten effecten voor weidevogels. De punten die indiener aanhaalt vanuit eerdere adviesrapporten, zijn meegewogen in de keuze om het generieke verbod om windturbines te plaatsen te schrappen. De rapporten beschrijven de relevante aspecten waarmee bij een eventuele keuze om in het gebied windturbines te plaatsen uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden. Wanneer een initiatief onvoldoende rekening houdt met deze aspecten, is het op basis van de randvoorwaarden die voor deze gebieden blijven gelden, mogelijk om ongewenste ontwikkelingen tegen te houden.
De bestaande beschermingsregelingen voor Nationale Landschappen en NNN bieden hier volgens ons voldoende mogelijkheden voor. Wij achten het mogelijk dat een initiatief voor windenergie in het Nationaal Landschap IJsseldelta en in het Natuurnetwerk kan voldoen aan alle te stellen randvoorwaarden. Volgens ons is het mogelijk dat op basis van zorgvuldig onderzoek en met een goede onderbouwing aangetoond wordt dat voldoende rekening wordt gehouden met alle waarden van het gebied. Wij vinden het daarom - gelet op de noodzaak om ook in deze gebieden waar mogelijk ruimte te bieden voor de energietransitie - passend om af te zien van algemeen verbod op voorhand op windturbines in het Nationale Landschap IJsseldelta en het Natuurnetwerk Nederland. In onze ogen zijn er voldoende waarborgen om per initiatief een passende afweging te kunnen maken over de aanvaardbaarheid van dat initiatief. De commissie m.e.r. onderschrijft dit. In haar advies over deze aanpassing van de verordening benoemen zij dit als volgt: “In de uitwerking van het andere beleid en in de onderbouwing van de andere besluiten kan het belang van de leefomgeving voldoende worden meegewogen.
Zo blijven de effecten op natuur en op landschappelijke waarden een belangrijke afwegingsgrond voor de keuze van de locaties van windturbines.” Eventuele effecten voor het Aanvalsplan Grutto zullen in beeld gebracht worden in de onderzoeken die nodig zijn voor voordat ingestemd kan worden met concrete initiatieven voor het bouwen van windmolens. Op dit moment zijn er nog geen concrete initiatieven en kan ook niet precies in beeld gebracht worden wat de eventuele effecten zijn van windturbines op weidevogels, zoals de Grutto. In de beschermingsbepalingen voor het Nationaal Landschap en NNN zitten voldoende waarborgen om deze aspecten bij een concreet initiatief mee te wegen. Het stimuleren van betrokkenheid van inwoners en bedrijven bij de energietransitie is één van onze aandachtspunten en is ook zo opgenomen in de Regionale Energie Strategie. Ons reguliere vestigingsbeleid voor bedrijven, dat ook is uitgewerkt in regionale programmeringsafspraken voor bedrijventerreinen, blijft echter gewoon van toepassing. Er ontstaat door deze aanpassing van het beleid voor windenergie geen ander vestigingsbeleid voor bedrijven. Bij concrete planvorming voor zowel woningbouw en ook eventuele windmolens, moeten alle relevante omgevingseffecten in beeld worden gebracht. De afstand tussen woningen en windmolens is daarin zeker een onderzoeksaspect en zal dan voldoende moeten zijn.
Wij hebben het toekomstperspectief Panorama Nederland van het College van Rijksadviseurs bestudeerd. We hebben verschillende onderdelen benut als inspiratie voor onze nieuwe Omgevingsvisie. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.
16. Zienswijze (EDO kenmerk 6696173)
Onderwerp: zon en wind Samenvatting zienswijze: De stichting beheert één van de grootste particuliere landgoederen in Nederland. Het park, een deel van het landgoed en het kasteel is als Rijksmonument aangewezen. De stichting is een groot voorstander van de omschakeling naar een fossielvrije samenleving. Zij neemt haar verantwoordelijkheid om een bijdrage te leveren aan de energietransitie, maar laat ook haar taak als hoeder van de unieke cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het landgoed met hoge erfgoed- en natuurwaarden zwaar wegen. De stichting heeft in het landgoedontwikkelingsplan uitgesproken dat zij op haar grondgebied geen grote windturbines en geen zonnepanelen op landbouw- of natuurgrond zal plaatsen of toestaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor kleinschalige windturbines en zonnepanelen op eigen erf, mits niet zichtbaar van de openbare weg. Gezien het grote belang van het landgoed als recreatieomgeving, vindt de stichting dat het plaatsen van windturbines in de directe omgeving van het landgoed niet zou moeten worden toegestaan, omdat dit de beleving van het monumentale landschap geweld aan doet. De stichting constateert dat het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 de mogelijkheden vergroot om (grote) windturbines en zonnepanelen te plaatsen (op landbouw- en natuurgronden).
De stichting verzet zich hiertegen omdat dit afbreuk doet aan het unieke landschap van het landgoed. Reactie: Het klopt dat wij door deze aanpassing van de verordening het algemene verbod op het plaatsen van windturbines in Natuurnetwerk Nederland schrappen. Dat betekent niet dat in deze gebieden nu zonder meer windturbines kunnen worden geplaatst. In deze gebieden blijft het specifieke ruimtelijke beschermingsregime gelden dat op deze gebieden van toepassing is. Voor eventuele initiatieven voor windenergie in deze gebieden zal uitgebreid onderzoek gedaan moeten worden. Er is onderzoek nodig waaruit blijkt dat alternatieve locaties ontbreken en de relevante aspecten en te verwachten effecten op de aanwezige waarden en te realiseren waarden moeten dan in beeld worden gebracht. Wanneer een initiatief onvoldoende rekening houdt met deze aspecten, is het - op basis van de randvoorwaarden die voor deze gebieden blijven gelden - mogelijk om ongewenste ontwikkelingen tegen te houden. De bestaande beschermingsregels voor NNN, die uitgaan van het principe ‘nee, tenzij’, biedt hier volgens ons voldoende mogelijkheden voor. De commissie m.e.r. onderschrijft dit.
In haar advies over deze aanpassing van de verordening benoemen zij dit als volgt: “In de uitwerking van het andere beleid en in de onderbouwing van de andere besluiten kan het belang van de leefomgeving voldoende worden meegewogen. Zo blijven de effecten op natuur en op landschappelijke waarden een belangrijke afwegingsgrond voor de keuze van de locaties van windturbines.” In deze actualisatieronde wordt het beleid voor zon op land niet gewijzigd. Op zon in veldopstelling is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing. In de
37
Omgevingsverordening is geregeld dat zonnevelden alleen kunnen worden toegestaan als tijdelijk afwijkend gebruik voor een periode van maximaal 25 jaar. Onderwerp: definitie ‘windturbine’. Samenvatting zienswijze: De stichting kan zich niet vinden in de aangepaste definitie van het begrip ‘windturbine’. Zij vindt het onwenselijk dat windturbines met een tiphoogte tot 25 meter niet meer hoeven te voldoen aan (de bepalingen) van de verordening. Het plaatsen van (grote aantallen) windturbines met een tiphoogte tot 25 meter doet ernstig afbreuk aan het unieke landschap van het landgoed. Reactie: De aangepaste definitie van het begrip windmolen is bedoeld om kleine erfmolens bij agrarische bedrijven niet langer onder het generieke verbod van windturbines te laten vallen. Dat generieke verbod blijft gelden voor die delen van het Nationaal Landschap NoordoostTwente die niet zijn aangewezen als zoekgebied. Voor de kleine erfmolens blijven de overige provinciale kaders gelden, zoals de normstellende en richtinggevende uitspraken van de Catalogus Gebiedskenmerken. Ook kan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing zijn. De vrees van indiener dat er grote aantallen van deze kleine erfmolens geplaatst gaan worden, is volgens ons niet terecht.
Wij gaan er vanuit dat de gemeenten in NoordoostTwente criteria opnemen in hun lokale windbeleid die ervoor zorgen dat de kleine erfmolens niet leiden tot aantasting van het landschap. Onderwerp: uitsluitingsgebieden windenergie Samenvatting zienswijze: De stichting vindt het niet passend om de uitsluitingsgebieden windenergie aanzienlijk te beperken. Aanpassing van artikel 2.15.2 maakt het mogelijk om nieuwe windturbines toe te staan binnen gebieden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. De stichting is eigenaar van gronden die deel uitmaken van het NNN. De stichting vindt dat gronden die tot het NNN behoren beschermd behoren te worden tegen de aanwezigheid van (grote) windturbines, omdat anders de aanwezige natuurwaarden ernstig kunnen worden aangetast. Reactie: Het klopt dat wij door deze aanpassing van de verordening het algemene verbod op het plaatsen van windturbines in Natuurnetwerk Nederland en Nationaal Landschap IJsseldelta schrappen. Dat betekent niet dat in deze gebieden nu zonder meer windturbines kunnen worden geplaatst. In deze gebieden blijft het specifieke ruimtelijke beschermingsregime gelden dat op deze gebieden van toepassing is. Voor het NNN gaat ook voor windturbines het ‘nee, tenzij-principe’ gelden.
Redelijke alternatieve locaties moeten aantoonbaar ontbreken, er is uitgebreid onderzoek nodig naar de effecten op de natuur en aanvaardbaarheid van windmolens binnen het NNN. Als een locatie uiteindelijk toch in aanmerking komt voor de plaatsing van windturbines, is compensatie nodig van het verlies van areaal aan NNN. Wij zullen lopende en nieuwe initiatieven voor wind binnen het NNN beoordelen op basis van de voorkeursvolgorde in de windladder en deze randvoorwaarden. OER Fase 1 laat zien dat de plaatsing van windturbines risico’s voor gezondheid, natuur en landschap met zich meebrengt. Bij de voorbereiding van concrete plannen en projecten zal hier nadrukkelijk aandacht aan moeten worden besteed. Eventuele schade aan de natuur zal moeten worden beperkt en gecompenseerd. Onderwerp: Catalogus Gebiedskenmerken Samenvatting zienswijze: De stichting merkt op dat in de Catalogus Gebiedskenmerken bij verschillende landschapstypen uitspraken worden gedaan over de geschiktheid voor het plaatsen van
windturbines. De stichting plaatst grote vraagtekens bij de wijze van beoordeling of een landschapstype daarvoor geschikt zijn. De landschapstypen zijn namelijk intensief met elkaar verweven. Op het landgoed gaat het ene landschapstype op korte afstand over in een ander landschapstype, terwijl de ruimtelijke uitstraling van (grote) windturbines zich tegelijkertijd uitstrekt tot aangrenzende landschapstypen die niet geschikt zijn voor het plaatsen van windturbines. De stichting vindt dat de voorwaarde dat landschappelijke, economische en ecologische waarden moeten zijn geborgd als windturbines worden geplaatst, niet alleen moet gelden voor Laagveenontginningen en Zeekleilandschap, maar ook voor de andere landschapstypen. In de Catalogus Gebiedskenmerken worden waardevolle ensembles als landgoederen en de Wezenlijke Kenmerken en Waarden (WKW) en het NNN niet beeld gebracht. De stichting stelt voor om nog eens goed te kijken naar de uitspraken over de geschiktheid van landschapstypen voor het plaatsen van windturbines. Ook geeft zij in overweging om de hoogte van windturbines te limiteren. De maximale hoogte is van groot belang bij de beoordeling of windturbines passen in een regio of een landschapstype. Een ongelimiteerde hoogte maakt een afweging onmogelijk en zou tot de conclusie moeten leiden dat windturbines niet inpasbaar zijn in welk landschapstype of welke regio dan ook.
De beoordeling voor de geschiktheid voor het plaatsen van windturbines zou per regio moeten worden gedaan, waarbij gekeken wordt naar de maximale hoogte en naar de Catalogus Gebiedskenmerken, maar dan aangevuld met het NNN en de WKW per regio. Reactie: Op 17 november 2021 hebben Provinciale Staten de windladder vastgesteld (https://overijssel.notubiz.nl/document/10798166/1/document). De windladder is een illustratie van het geldende beleid in onze Omgevingsvisie, onze Omgevingsverordening en van de provinciale inzet in de RES-processen. De windladder wordt bijgewerkt op de keuze die in deze actualisatieronde wordt gemaakt om het Natuurnetwerk Nederland en het Nationaal Landschap IJsseldelta niet langer op voorhand aan te merken als uitsluitingsgebied windenergie. Er wordt nog gewerkt aan een Handreiking wind. In deze actualisatieronde brengen wij de Catalogus Gebiedskenmerken in lijn met het beleid. De uitspraken over het plaatsen van windturbines sluiten aan bij ons beleid en ook bij het detailniveau daarvan. Uitspraken over de hoogte passen daar niet bij. De windladder heeft verschillende treden. Daaruit blijkt dat het ene landschap beter geschikt is voor windturbines dan het andere type landschap en ook waar onze voorkeur ligt. De uitspraken in de Catalogus Gebiedskenmerken sluiten hierbij aan.
Maar ruimtelijke kwaliteit is niet het enige criterium waaraan initiatieven getoetst worden. Ook moeten initiatieven voldoen aan de vraag en verder worden in de beoordeling de kostenefficiëntie en maatschappelijke acceptatie meegenomen. Om de Catalogus Gebiedskenmerken werkbaar en toepasbaar te houden, hebben wij gekozen voor uitspraken op hoofdlijnen. De Catalogus wordt namelijk niet alleen gebruikt voor het inpassen van windturbines, maar is geldig voor alle ontwikkelingen. Daarom is de Catalogus minder gedetailleerd dan de Wezenlijke Kenmerken en Waarden (WKW). De meer precieze informatie uit de WKW kan wél gebruikt worden bij de inpassing van windturbines. De Catalogus Gebiedskenmerken gaat over de ‘hoe’ vraag, de ontwikkelingsperspectieven geven antwoord op de ‘waar’ vraag. De toets aan de eisen van het Natuurnetwerk Nederland zit op het niveau van de ontwikkelingsperspectieven, omdat die mede bepalen wat waar kan. De criteria op basis van het NNN zijn daarom niet opgenomen in de Catalogus. Overigens worden de uitspraken over windenergie in de Catalogus Gebiedskenmerken aangepast naar aanleiding van andere zienswijzen (nr. 37).
39
Onderwerp: zonne-energie Samenvatting zienswijze: De stichting tekent bij artikel 4.108 van de nieuwe Omgevingsverordening 2021 aan dat het plaatsen van zonnepanelen in de Groene Omgeving alleen kleinschalig zou moeten worden toegestaan. Bovendien moeten de zonnepanelen niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. De stichting vindt dat aan artikel 4.108 strikte voorwaarden verbonden moeten worden, omdat de aanwezigheid van (grote) zonnevelden ernstig afbreuk kan doen aan het unieke landschap van het landgoed. Reactie: Zon op land is onmisbaar om de ambitie uit de RES te realiseren. In de RES Twente 1.0 hebben de gezamenlijke gemeenten in Twente afgesproken om het bod van 1,5TWh te realiseren met een energiemix in de verhouding 60% wind en 40% zon. Het aandeel zon kan niet alleen met kleinschalige opstellingen gerealiseerd worden. Ook geldt dat niet in alle situaties het noodzakelijk is om de eis te stellen dat een zonneveld niet zichtbaar is vanaf de weg. De beleidskaders die wij in ons beleid meegeven zijn samen met de aanwijzingen in de Handreiking zonnevelden voldoende om een zorgvuldige inpassing van zonnevelden in het landschap te verzekeren. Wij zien dan ook geen noodzaak om extra voorwaarden te verbinden aan artikel 4.108 van de Omgevingsverordening.
Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.
17. Zienswijze (EDO kenmerk 6699475)
Onderwerp: windsingel ingetekend als groen Samenvatting zienswijze: Indiener is het er niet mee eens dat de windsingel op het erf van het agrarische erf op de kaart is ingetekend als groen. De windsingel is amper een halve tot drie meter breed. In de omgeving zijn bij andere erven ook vergelijkbare windsingels aanwezig en die zijn niet ingetekend als groen. Het gedeelte dat als groen is ingetekend is veel groter dan de daadwerkelijke oppervlakte. Reactie De situatie waarop indieners wijzen heeft geen betrekking op aanduidingen die door ons in het kader van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening op kaart zijn gezet. De weergave van de windsingel op het erf van het agrarische bedrijf komt van de achtergrondkaart die als referentie geldt voor de oriëntatie van een gebied. Deze achtergrondkaart wordt gemaakt door het Kadaster en kan niet door ons worden aangepast. Voor de viewer van Tercera (maar ook in de Atlas van Overijssel) zijn wij als overheid verplicht om gebruik te maken van achtergrondkaarten die gebaseerd zijn op de basisregistraties. Dat is in dit geval de BRT basisregistratie Topografie. Deze kaart wordt door het Kadaster geactualiseerd op basis van luchtfoto’s.
Particulieren kunnen onvolkomenheden melden op Verbeter de Kaart (kadaster.nl) Of via: Fout in registratie melden (terugmelding doen) - Kadaster.nl particulier Op de luchtfoto van 2020 is nog duidelijk de singel met bomen om de voormalige mestsilo te zien maar op de luchtfoto van 2021 is deze (deels) verdwenen. Deze ontwikkeling is niet verwerkt door het Kadaster.
De oorspronkelijke singel was kennelijk ‘groot’ genoeg voor het Kadaster om als apart object in de topografische kaart te verwerken. Andere singels in de nabije omgeving zijn smaller en/of hebben vermoedelijk een kleinere oppervlakte waardoor ze niet op de kaart worden ingetekend. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.
18. Zienswijze (EDO kenmerk 6699803)
Onderwerp: Nationaal Landschap IJsseldelta windenergie Samenvatting zienswijze: Indiener is het er niet mee eens dat door het schrappen van het Nationaal Landschap IJsseldelta als uitsluitingsgebied windenergie, alle soorten windmolens mogelijk worden in de polder Mastenbroek. De polder Mastenbroek is de oudste polder van Nederland. De karakteristieke weidsheid van de polder wordt afgebroken als hoge windmolens worden toegestaan. Indiener wijst er in dat verband op dat de kerktoren van Mastenbroek 35 meter hoog is. Indiener zou het liefst zien dat alleen kleine (boeren)windmolens toegestaan worden. Reactie: Door het schrappen van he Nationaal Landschap IJsseldelta als uitsluitingsgebied windenergie wordt het in principe mogelijk om binnen de polder Mastenbroek windturbines te plaatsen. Dat geldt ook voor kleine erfmolens bij agrarische bedrijven. Dit betekent niet dat in dit gebied nu zonder meer windturbines kunnen worden geplaatst. In het gebied blijft het specifieke ruimtelijke beschermingsregime voor het Nationaal Landschap gelden. Voor eventuele initiatieven voor windenergie zal uitgebreid onderzoek gedaan moeten worden. De relevante aspecten en te verwachten effecten op landschap, economie en ecologie moeten dan in beeld worden gebracht. Dus ook de effecten op het karakteristieke weidse landschap van de polder Mastenbroek.
De gemeente zal bij concrete initiatieven voor windenergie moeten onderbouwen dat die recht doen aan de eisen van ruimtelijke kwaliteit, zoals onder meer is vastgelegd in de Catalogus Gebiedskenmerken. Wij achten het mogelijk dat een initiatief voor windenergie in het Nationaal Landschap IJsseldelta kan voldoen aan alle te stellen randvoorwaarden. Volgens ons is het mogelijk dat op basis van zorgvuldig onderzoek en met een goede onderbouwing aangetoond wordt dat voldoende rekening wordt gehouden met alle waarden van het gebied. Wij vinden het daarom - gelet op de noodzaak om ook in deze gebieden waar mogelijk ruimte te bieden voor de energietransitie - passend om af te zien van algemeen verbod op voorhand op windturbines in het Nationale Landschap IJsseldelta. In onze ogen zijn er voldoende waarborgen om per initiatief een passende afweging te kunnen maken over de aanvaardbaarheid van dat initiatief. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.
19. Zienswijze (EDO kenmerk 6699975)
Onderwerp: Nationaal Landschap IJsseldelta windenergie Samenvatting zienswijze:
41
Indiener is het er niet mee eens dat door het schrappen van het Nationaal Landschap IJsseldelta als uitsluitingsgebied windenergie, alle soorten windmolens mogelijk worden in de polder Mastenbroek. De polder Mastenbroek is de oudste polder van Nederland. De karakteristieke weidsheid van de polder wordt afgebroken als hoge windmolens worden toegestaan. Verder wijst indiener erop dat de polder Mastenbroek een weidevogelgebied bij uitstek is. Windmolens van 260 meter hoogte ziet indiener als ‘vogelkillers’. Indiener zou het liefst zien dat alleen kleine (boeren)windmolens toegestaan worden. Reactie: Door het schrappen van he Nationaal Landschap IJsseldelta als uitsluitingsgebied windenergie wordt het in principe mogelijk om binnen de polder Mastenbroek windturbines te plaatsen. Dat geldt ook voor kleine erfmolens bij agrarische bedrijven. Dit betekent niet dat in dit gebied nu zonder meer windturbines kunnen worden geplaatst. In het gebied blijft het specifieke ruimtelijke beschermingsregime voor het Nationaal Landschap gelden. Voor eventuele initiatieven voor windenergie zal uitgebreid onderzoek gedaan moeten worden. De relevante aspecten en te verwachten effecten op landschap, economie en ecologie moeten dan in beeld worden gebracht. Dus ook de effecten op de karakteristieke weidsheid van het landschap en de weidevogelpopulatie van de polder Mastenbroek.
De gemeente zal bij concrete initiatieven voor windenergie moeten onderbouwen dat die recht doen aan de eisen van ruimtelijke kwaliteit, zoals onder meer is vastgelegd in de Catalogus Gebiedskenmerken. Wij achten het mogelijk dat een initiatief voor windenergie in het Nationaal Landschap IJsseldelta kan voldoen aan alle te stellen randvoorwaarden. Volgens ons is het mogelijk dat op basis van zorgvuldig onderzoek en met een goede onderbouwing aangetoond wordt dat voldoende rekening wordt gehouden met alle waarden van het gebied. Wij vinden het daarom - gelet op de noodzaak om ook in deze gebieden waar mogelijk ruimte te bieden voor de energietransitie - passend om af te zien van algemeen verbod op voorhand op windturbines in het Nationale Landschap IJsseldelta. In onze ogen zijn er voldoende waarborgen om per initiatief een passende afweging te kunnen maken over de aanvaardbaarheid van dat initiatief. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.
20. Zienswijze (EDO kenmerk 6700028)
Onderwerp: Nationaal Landschap IJsseldelta windenergie Samenvatting zienswijze: Indiener is het er niet mee eens dat door het schrappen van het Nationaal Landschap IJsseldelta als uitsluitingsgebied windenergie, alle soorten windmolens mogelijk worden in de polder Mastenbroek. De polder Mastenbroek is de oudste polder van Nederland. De karakteristieke weidsheid van de polder komt in het gedrang als windmolens worden toegestaan. Verder wijst indiener erop dat de polder Mastenbroek een uniek weidevogelgebied is, met een van de grootste broedpopulaties van onze nationale weidevogel de Grutto. De kerktoren met zijn 35 meter is een markant punt in de polder Dit wordt door de plaatsing van wat voor windmolens dan ook, totaal teniet gedaan worden. Reactie: Door het schrappen van he Nationaal Landschap IJsseldelta als uitsluitingsgebied windenergie wordt het in principe mogelijk om binnen de polder Mastenbroek windturbines te plaatsen. Dat geldt ook voor kleine erfmolens bij agrarische bedrijven. Dit betekent niet dat in dit gebied nu zonder meer windturbines kunnen worden geplaatst. In het gebied blijft het specifieke ruimtelijke beschermingsregime voor het Nationaal Landschap gelden. Voor eventuele
initiatieven voor windenergie zal uitgebreid onderzoek gedaan moeten worden. De relevante aspecten en te verwachten effecten op landschap, economie en ecologie moeten dan in beeld worden gebracht. Dus ook de effecten op het karakteristieke weidse landschap van de polder Mastenbroek. De gemeente zal bij concrete initiatieven voor windenergie moeten onderbouwen dat die recht doen aan de eisen van ruimtelijke kwaliteit, zoals onder meer is vastgelegd in de Catalogus Gebiedskenmerken. Eventuele effecten op de Grutto zullen in beeld gebracht worden in de onderzoeken die nodig zijn voor voordat ingestemd kan worden met concrete initiatieven voor het bouwen van windmolens. Op dit moment zijn er nog geen concrete initiatieven en kan ook niet precies in beeld gebracht worden wat de eventuele effecten zijn van windturbines op weidevogels, zoals de Grutto. In de beschermingsbepalingen voor het Nationaal Landschap en NNN zitten voldoende waarborgen om deze aspecten bij een concreet initiatief mee te wegen. Wij achten het mogelijk dat een initiatief voor windenergie in het Nationaal Landschap IJsseldelta kan voldoen aan alle te stellen randvoorwaarden. Volgens ons is het mogelijk dat op basis van zorgvuldig onderzoek en met een goede onderbouwing aangetoond wordt dat voldoende rekening wordt gehouden met alle waarden van het gebied.
Wij vinden het daarom - gelet op de noodzaak om ook in deze gebieden waar mogelijk ruimte te bieden voor de energietransitie - passend om af te zien van algemeen verbod op voorhand op windturbines in het Nationale Landschap IJsseldelta. In onze ogen zijn er voldoende waarborgen om per initiatief een passende afweging te kunnen maken over de aanvaardbaarheid van dat initiatief. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.
21. Zienswijze (EDO kenmerk 6700028)
Onderwerp: Nationaal Landschap IJsseldelta windenergie Samenvatting zienswijze: Indiener is het er niet mee eens dat door het schrappen van het Nationaal Landschap IJsseldelta als uitsluitingsgebied windenergie, alle soorten windmolens mogelijk worden in de polder Mastenbroek. De polder Mastenbroek is de oudste polder van Nederland. De karakteristieke weidsheid van de polder komt in het gedrang als windmolens worden toegestaan. Verder wijst indiener erop dat de polder Mastenbroek een uniek weidevogelgebied is, met een van de grootste broedpopulaties van onze nationale weidevogel de Grutto. De kerktoren met zijn 35 meter is een markant punt in de polder Dit wordt door de plaatsing van wat voor windmolens dan ook, totaal teniet gedaan worden. Reactie: Door het schrappen van he Nationaal Landschap IJsseldelta als uitsluitingsgebied windenergie wordt het in principe mogelijk om binnen de polder Mastenbroek windturbines te plaatsen. Dat geldt ook voor kleine erfmolens bij agrarische bedrijven. Dit betekent niet dat in dit gebied nu zonder meer windturbines kunnen worden geplaatst. In het gebied blijft het specifieke ruimtelijke beschermingsregime voor het Nationaal Landschap gelden. Voor eventuele initiatieven voor windenergie zal uitgebreid onderzoek gedaan moeten worden.
De relevante aspecten en te verwachten effecten op landschap, economie en ecologie moeten dan in beeld worden gebracht. Dus ook de effecten op het karakteristieke weidse landschap van de polder Mastenbroek. De gemeente zal bij concrete initiatieven voor windenergie moeten onderbouwen dat die recht doen aan de eisen van ruimtelijke kwaliteit, zoals onder meer is vastgelegd in de Catalogus Gebiedskenmerken.
43
Eventuele effecten op de Grutto zullen in beeld gebracht worden in de onderzoeken die nodig zijn voor voordat ingestemd kan worden met concrete initiatieven voor het bouwen van windmolens. Op dit moment zijn er nog geen concrete initiatieven en kan ook niet precies in beeld gebracht worden wat de eventuele effecten zijn van windturbines op weidevogels, zoals de Grutto. In de beschermingsbepalingen voor het Nationaal Landschap en NNN zitten voldoende waarborgen om deze aspecten bij een concreet initiatief mee te wegen. Wij achten het mogelijk dat een initiatief voor windenergie in het Nationaal Landschap IJsseldelta kan voldoen aan alle te stellen randvoorwaarden. Volgens ons is het mogelijk dat op basis van zorgvuldig onderzoek en met een goede onderbouwing aangetoond wordt dat voldoende rekening wordt gehouden met alle waarden van het gebied. Wij vinden het daarom - gelet op de noodzaak om ook in deze gebieden waar mogelijk ruimte te bieden voor de energietransitie - passend om af te zien van algemeen verbod op voorhand op windturbines in het Nationale Landschap IJsseldelta. In onze ogen zijn er voldoende waarborgen om per initiatief een passende afweging te kunnen maken over de aanvaardbaarheid van dat initiatief. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.
22. Zienswijze (EDO kenmerk 6699981)
Onderwerp: pro forma zienswijze Samenvatting zienswijze: De gemeente heeft een pro forma zienswijze ingediend omdat het college van plan is te reageren op de stukken. De gemeente heeft meer tijd nodig om een integrale en breed afgestemde reactie te geven. De gemeente verzoekt haar daarvoor de tijd te bieden om de zienswijze uiterlijk 24 september aan te vullen. Reactie In de ontvangstbevestiging van de pro forma zienswijze is de termijn waarbinnen de inhoudelijke zienswijze binnen moet zijn, gesteld op uiterlijk 7 september 2022. De gemeente heeft al 8 weken de tijd gehad om een zienswijze in te dienen. Andere indieners van pro forma zienswijzen krijgen ook 2 weken extra de tijd om de gronden van hun zienswijze aan te vullen. Dit is volgens de jurisprudentie een redelijke termijn. De gemeente heeft op 6 september 2022 de inhoudelijke zienswijze toegestuurd. Onderwerp: Fundament Samenvatting zienswijze: De gemeente gebruikt de zienswijze op de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 om een reactie te geven op het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie ‘Overijssel voor elkaar’. Reactie Dit onderdeel van de zienswijze gaat over het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie.
Het Fundament is op hetzelfde moment dat de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 ter inzage is gelegd, bekendgemaakt maar dan zonder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. Wij reageren hier op de gemaakte opmerkingen op het Fundament, maar wijzen er daarbij wel op dat er te zijner tijd een mogelijkheid komt om zienswijzen in te dienen op de wijzigingen in het provinciale omgevingsbeleid. Dat is aan de orde als het ontwerp van de nieuwe Omgevingsvisie - waarvoor het Fundament een tussenstap is - ter inzage wordt gelegd.
Op grond van onze provinciale inspraakverordening kan besloten worden om geen formele inspraak toe te passen. Gedeputeerde Staten hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en besloten om het Fundament alleen bekend te maken. Inspraak op het Fundament wordt namelijk vormgegeven door het gebiedsgericht uitwerken van het Fundament tot een nieuwe Omgevingsvisie samen met partners, waaronder de gemeenten. De nieuwe Omgevingsvisie zal te zijner tijd als ontwerp ter inzage worden gelegd. Dan kunnen er zienswijzen ingediend worden. We zullen de reactie van de gemeente op het Fundament meenemen in het verdere proces om te komen tot een nieuwe Omgevingsvisie. Onderwerp: definitie windturbine Samenvatting zienswijze: Uit de nieuwe tekst van de Omgevingsverordening over de definitie van windturbines maakt de gemeente op dat buiten de provinciale uitsluitingsgebieden gemeenten de vrijheid hebben om zelf lokaal beleid op te stellen voor windturbines met een tiphoogte van 35 meter. Voorwaarde is dat de landschappelijke inpassing ruimtelijk is onderbouwd en passend is bij de gebiedskenmerken. Ook blijven de provinciale beleidskaders van toepassing zoals gelden voor het Natuurnetwerk Nederland, de richtinggevende uitspraken uit de Catalogus Gebiedskenmerken gelden en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.
De gemeente constateert dat vanuit provinciale kaders geen beperkingen gelden voor kleine windturbines op agrarische erven die voorzien in de eigen energiebehoefte met een tiphoogte onder de 25 meter. Reactie: De aangepaste definitie van het begrip windmolen is bedoeld om kleine erfmolens bij agrarische bedrijven niet langer onder het generieke verbod van windturbines te laten vallen. Dat generieke verbod blijft gelden voor die delen van het Nationaal Landschap NoordoostTwente die niet zijn aangewezen als zoekgebied. De aangepaste definitie is alleen van toepassing binnen uitsluitingsgebieden windenergie. Daarbuiten is het nu ook al mogelijk om kleine erfmolens te plaatsen. Het is aan de gemeente om af te wegen welke (tip) hoogte aanvaardbaar is. Daarbij zal de gemeente wel rekening moeten houden met de normstellende en richtinggevende uitspraken van de Catalogus Gebiedskenmerken. Ook kan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing zijn. Wij gaan er vanuit dat de gemeenten criteria opnemen in hun lokale windbeleid die ervoor zorgen dat de kleine erfmolens niet leiden tot aantasting van het landschap. Onderwerp: RES Samenvatting zienswijze: De gemeente constateert dat de ambitie van de RES en de rolneming door de provincie ten aanzien van wind is opgenomen in de geldende Omgevingsvisie. Reactie: Wij hebben in de Omgevingsvisie de ambities van de RES vastgelegd.
Dat is volgens de afspraak in RES-verband. Daarbij geven wij ook duidelijkheid over onze rolneming omdat wij ons verantwoordelijk voelen voor het behalen van de ambities die in RES-verband zijn afgesproken. Onderwerp: biogas en groengas Samenvatting zienswijze: De gemeente constateert dat de focus van de provincie op biogas- en groengasproductie in lijn is met de gemeentelijke inzet op het stimuleren van het benutten van biogas en groengas. Er is veel biomassa in Overijssel beschikbaar voor vergisting en opschaling van de productie is
45
hard nodig. De gemeente wijst erop dat biogas rechtstreeks kan worden toegepast voor warmte, zodat opwaardering tot groen gas niet nodig is. Reactie: We zijn blij te horen dat ons beleid goed aansluit met de ambitie van de gemeente. Terecht merkt de gemeente op dat wanneer rechtstreeks biogas toegepast kan worden, opwaardering van biogas tot groen gas niet nodig is. Onderwerp: catalogus gebiedskenmerken Samenvatting zienswijze: Volgens de gemeente is in de Catalogus Gebiedskenmerken een onjuiste tekst over wind opgenomen in de onderdelen 2.6 (Hoogveenontginningen) en 2.7 (veenkoloniaal landschap). De gemeente heeft ook vragen bij onderdeel 2.4 (Jong heide- en broekontginningslandschap) bij de tekst en afbeelding van H+N+S landschapsarchitecten. Reactie: Het Fundament is een tussenstap in de voorbereiding van een nieuwe Omgevingsvisie die volgens planning in 2024 zal worden vastgesteld. Het Fundament is voorgenomen beleid, waarin de provincie richtinggevende uitspraken doet voor het toekomstige landgebruik, waaronder de opwek van hernieuwbare energie. Bij de uitwerking van deze richtinggevende uitspraken in teksten en kaarten van de nieuwe Omgevingsvisie zal ook de Catalogus Gebiedskenmerken worden aangepast. De Catalogus Gebiedskenmerken gaat overigens over de ‘hoe-vraag’ en niet over de ‘waar-vraag’.
We begrijpen de kritische kanttekeningen van de gemeente bij de kaartbeelden in het Fundament, maar in deze fase van de beleidsontwikkeling werken wij bewust met globale beelden. Daarmee willen wij voorkomen dat door kaartbeelden de indruk wordt gewekt dat de provincie al besloten heeft waar welke ontwikkelingen wel of niet gewenst zijn. De afbeelding uit het H+N+S-rapport Energie Opwekking landschappen Overijssel april 2019) hoort inderdaad niet bij het jonge heide- en broekontginningslandschap thuis. Wij zullen deze afbeelding in de Catalogus Gebiedskenmerken verplaatsen naar het landschapstype veenkoloniaal landschap. Bij het jonge heide- en broekontginningslandschap zullen wij een andere afbeelding plaatsen. Conclusie De zienswijze van indiener geeft aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022, voor zover die het onderdeel van de afbeeldingen in de Catalogus Gebiedskenmerken betreft. De zienswijze geeft op de andere punten geen aanleiding om het ontwerp aan te passen.
23. Zienswijze (EDO kenmerk 6699999
Onderwerp: Fundament Samenvatting zienswijze: In het Fundament staat dat het landbouwsysteem ook effect heeft op de kwaliteit van de natuur en biodiversiteit door de uitstoot van stikstof (ammoniak) en nitraat. Volgens indiener kan de kwaliteit van de natuur en biodiversiteit niet gemeten worden. Oorspronkelijke en volledig ongerepte natuur is in ons land namelijk nergens meer te vinden. Wat als natuur wordt aangemerkt is subjectief. Indiener maakt er bezwaar tegen dat het Fundament niet ter inzage is gelegd. Ook maakt hij er bezwaar tegen dat de Actualisatie in de zomerperiode ter inzage is gelegd.
Reactie De Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 bevat aanpassingen in de nieuwe Omgevingsverordening. Die moeten voor eind 2022 zijn vastgesteld door Provinciale Staten, omdat die nodig zijn met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet (naar verwachting op 1 januari 2023). Dit heeft ertoe geleid dat de Actualisatie 2022 in de zomerperiode ter inzage moest worden gelegd. We hebben de ter inzage termijn wel met twee weken verlengd. Het Fundament is een tussenstap om te komen tot een nieuwe Omgevingsvisie. Het Fundament is daarmee geen formeel beleidsstuk waarvoor een procedure doorlopen met mogelijkheden tot het indienen van zienswijzen doorlopen hoeft te worden. Het Fundament heeft de status van voorgenomen beleid. Alleen de onderdelen die nu verwerkt zijn in de Omgevingsverordening zijn bindend voor anderen. Hiertegen was het mogelijk om een zienswijze in te dienen. Indiener heeft hiervan gebruik gemaakt. Wij reageren hier op de gemaakte opmerkingen op het Fundament, maar wijzen er daarbij wel op dat er te zijner tijd een mogelijkheid komt om zienswijzen in te dienen op de wijzigingen in het provinciale omgevingsbeleid. Dat is aan de orde als het ontwerp van de nieuwe Omgevingsvisie - waarvoor het Fundament een tussenstap is - ter inzage wordt gelegd.
Onderwerp: natuurontwikkeling Samenvatting zienswijze: Indiener vindt het onbegrijpelijk dat vruchtbare landbouwgebieden in de buurt van Natura2000-gebieden worden ingeruild voor natuur. Op deze gronden worden hoogkwalitatieve producten op verbouwd. Indiener wijst erop dat er miljarden mensen op aarde gevoed moeten worden. Het lijkt alsof de robuuste verbindingszones die in 2017 verdwenen zijn, terugkomen onder een andere naam, namelijk het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Indiener maakt bezwaar tegen het NNN en dan in het bijzonder tegen natte natuur, omdat die als een magneet werken voor wilde watervogels. Die kunnen het vogelgriepvirus met zich meedragen en het pluimveebedrijf van indiener besmetten. Indiener vraagt zich af hoe te voorspellen is dat er niet meer watervogels aangetrokken zullen worden als er meer natte natuur ontwikkeld wordt. Volgens de minister van landbouw zijn vogeltellingen maar een momentopname. Als het principe ‘water en bodem leidend’ nadelige gevolgen heeft voor de landbouw en in het bijzonder in veenweidegebieden en op hoge zandgronden, dan maakt indiener daartegen bezwaar. Indiener heeft grote bezwaren tegen natte natuur, met name in gebieden waar zich pluimveebedrijven bevinden. De minister van landbouw heeft een afstand van 5 km van grote partijenpartijen genoemd waarbinnen pluimveehouderijen een grotere kans hebben op besmetting van vogelgriep.
In het rapport ‘Zoönosen in vizier’ staat dat een verbod op pluimveehouderijen in waterrijke gebieden en de reductie van het aantal bedrijven, kunnen bijdragen aan het verder terugdringen van het risico op (de verspreiding) van vogelgriep’. Volgens indiener is dit de omgekeerde wereld, want de pluimveehouderijen zitten er al. Reactie: In deze actualisatieronde wordt het Natuurnetwerk Nederland (NNN) op enkele plekken herbegrensd. Aanleiding daarvoor is de uitvoering van de Ontwikkelopgave Natura2000. Het areaal van het NNN blijft daarbij per saldo gelijk. De natuurontwikkeling op basis van het geldende beleid gaat niet ten koste van meer landbouwgrond dan eerder is voorzien.
47
Wij hebben het principe ‘sturen op water en bodem’ met een nieuw artikel geregeld in de Omgevingsverordening. Dit doen wij omdat het bodem en watersysteem onder druk staat en de doorzettende klimaatverandering dit nog versterkt. Lang hebben wij het bodem en watersysteem aangepast aan het gewenste gebruik, maar dit zorgt steeds meer voor problemen en de verwachting is dat dit in de toekomst nog erger wordt. Wij vinden het voor nieuwe ontwikkelingen van belang om die nu al af te stemmen op het natuurlijke water- en bodemsysteem. Wij vinden het van belang dat op de lange termijn het landgebruik wordt aangepast op het bodem en watersysteem. Voor bestaande situaties betekent dit niet dat er direct iets moet gaan veranderen. Wij werken aan het voorbereiden van een nieuwe Omgevingsvisie. Daarvoor zetten we een tussenstap in de vorm van de vaststelling van het Fundament. Daarin schetsen wij een toekomstbeeld voor Overijssel voor de lange termijn (2030 – 2050). Wij willen daar stap voor stap naartoe werken. Het Fundament is op hetzelfde moment dat de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022 ter inzage is gelegd, bekendgemaakt maar dan zonder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen.
Wij reageren hier op de gemaakte opmerkingen op het Fundament, maar wijzen er daarbij wel op dat er te zijner tijd een mogelijkheid komt om zienswijzen in te dienen op de wijzigingen in het provinciale omgevingsbeleid. Dat is aan de orde als het ontwerp van de nieuwe Omgevingsvisie - waarvoor het Fundament een tussenstap is - ter inzage wordt gelegd. In het Fundament doet de provincie richtinggevende uitspraken voor het toekomstige landgebruik in gebieden - waarbij vanwege de doorzettende klimaatverandering - het natuurlijke bodem en watersysteem als uitgangspunt genomen wordt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De veerkracht van het natuurlijke bodem en watersysteem zal hersteld moeten worden om in te kunnen spelen op de doorzettende klimaatverandering. Dit geeft richting voor de ontwikkelingsmogelijkheden en de maatregelen die per gebied nodig zijn. Daarvoor hebben we ook gekeken waar kwetsbare gebieden liggen (bijvoorbeeld waterwingebieden en natuurgebieden). Wij vinden het belangrijk om in de directe omgeving met de kwetsbaarheid van deze gebieden rekening te houden en de bedrijfsvoering daarop af te stemmen. In het Fundament is een kaart opgenomen waarmee wij duidelijk maken wat wij op lange termijn als mogelijkheden zien voor verschillende vormen van landbouw.
De gevolgen van de doorzettende klimaatverandering en de teruglopende biodiversiteit maken duidelijk dat niet alles overal kan. Voor veenweidegebieden doen we de richtinggevende uitspraak dat die op termijn verder gaan vernatten, omdat dit volgens ons de meest toekomstvaste oplossing is. In de veenweidegebieden wordt juist ten behoeve van de hedendaagse landbouw de van nature hoge grondwaterstand verlaagd door ontwatering met drainage, diepe sloten en gemalen. Dit leidt tot inklinking en oxidatie van het veen, een onwenselijke situatie waarbij veel koolstofdioxide vrijkomt. Om deze reden zullen de veenweidegebieden een hogere of gelijkblijvende grondwaterstand krijgen. Het belang is hier niet zo zeer de aanleg van natte natuur, maar het voorkomen van verdere veraarding en inklinking van veengronden. Vernatten zal betekenen dat het landgebruik daarop zal moeten worden aangepast. Dit zal naar verwachting gevolgen hebben voor de agrarische bedrijfsvoering in deze gebieden. Het tempo waarin wij daar naartoe willen werken is nog niet bepaald. Wij sluiten technische maatregelen voor lokaal maatwerk niet op voorhand uit. In gebiedsprocessen moet het lokale perspectief bepaald worden en van daaruit bekeken worden of op lokaal niveau voor (bewezen) technische oplossingen gekozen moet worden.
De lokale bodemopbouw geeft mede input aan welk perspectief er haalbaar is en is dan ook van groot belang om in beeld te hebben.
Wij hebben de voorkeur om op termijn toe te gaan werken naar een robuust bodem en watersysteem waarop het landgebruik is afgestemd. De functies volgen dan het peil in plaats van die te bepalen. Dit biedt volgens ons ook mogelijkheden voor aangepaste agrarische activiteiten. Ook voor verbrede landbouw die maatschappelijke opgaven realiseert en waarop de bedrijfsvoering financieel kan steunen. Vernatten zal betekenen dat het landgebruik daarop zal moeten worden aangepast. Dit zal naar verwachting gevolgen hebben voor de agrarische bedrijfsvoering in deze gebieden. Het tempo waarin wij daar naartoe willen werken is nog niet bepaald. Op de hogere zandgronden wordt aanleg van natte natuur vooral vanuit het oogpunt van waterretentie en waterconservering ingezet. De verandering van ons klimaat, waarin langere periodes van droogte afgewisseld worden met hoosbuien en wateroverlast, maken een andere inrichting van ons watersysteem noodzakelijk. Juist op de hogere zandgronden is het vasthouden van water van groot belang, omdat aanvoer van water van elders (via rivieren) hier niet mogelijk is. De toename van ganzen is niet te wijten aan aanleg van meer natte natuur. Nederland is altijd een land geweest met heel veel water. Deze redenatie volgend zou dit betekenen dat er vroeger ook hele hoge aantallen ganzen aanwezig moeten zijn geweest. Dat is niet het geval.
Hieruit is af te leiden dat de toename van ganzen een andere oorzaak heeft. De groei is gekoppeld aan een veranderd graslandbeheer, waarin weiden veelvuldig gemaaid en bemest worden, zodat sappig en mals eiwitrijk jong gras continu beschikbaar is. Deze overdaad aan voedsel zorgt er niet alleen voor dat meer jonge ganzen in leven blijven, maar ook dat veel ganzen niet meer doortrekken naar het hoge noorden om daar te broeden. Als de oude hooilandcultuur wordt hersteld, zal het aantal ganzen afnemen, met als bijkomend voordeel dat het aantal weidevogels zal toenemen. Wel erkennen wij dat ganzen op waterrijke gebieden afkomen. Dit heeft te maken met het feit dat ganzen graag op natte plekken overnachten. Ze zijn dan beter beschermd tegen aanvallen van nachtelijke predatoren, zoals een vos. Wat betreft de verspreiding van het vogelgriepvirus geldt dat het virus in principe kan worden verspreid door alle vogels. Bij trekvogels is de kans van transmissie groter, omdat de vogels tijdens hun trektocht veel stopplaatsen aandoen. Er zijn veel vogels die wegtrekken. Het zijn niet enkel ganzen of andere watervogels. De redenatie van de indiener volgend zou dit betekenen dat we het leefgebied van allerlei inheemse vogels ongeschikt moeten maken in de nabijheid van pluimveebedrijven, om te voorkomen dat pluimvee vogelgriep oploopt.
Dat is strijdig met onze inspanningsverplichting om zorg te dragen voor een vitale en krachtige natuur, zodat inheemse soorten voldoende leefgebied houden en vitale populaties in stand blijven. De provincie heeft een belangrijke taak in het instandhouden van een gunstig leefgebied voor inheemse soorten. In de afweging hoe het ruimtebeslag vanuit allerlei belangen ingepast moet worden in de Groene omgeving, houden wij ook rekening met soorten die gebonden zijn aan het landelijk gebied. In 5.1 van OER Fase 1 is aangegeven dat zoönosen geen standaardonderdeel van een OER zijn, maar dat het wel een aandachtspunt is bij de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie. Daarom zal in OER Fase 2 aandacht worden besteed aan dit onderwerp. Onderwerp: windmolens en zonneparken Samenvatting zienswijze: Indiener tekent bezwaar aan tegen grote clusters windturbines en zonneparken. Het is indiener niet duidelijk waar deze clusters worden geplaatst en waarom. Als de clusters worden gefinancierd door grote investeringsmaatschappijen, verdwijnen de opbrengsten vaak naar het buitenland. Indiener vindt dat er ingezet moet worden op kleine windturbines met een
49
maximumhoogte van 25 meter. Zonneparken op landbouwgrond zouden verboden moeten worden. Eerst zouden daken en klaverbladen bij snelwegen benut moeten worden. Reactie: In de geldende Omgevingsvisie wijzen wij kansrijke zoekgebieden voor windenergie aan (ten noorden van de Vecht, tussen Staphorst-Zwolle en Hardenberg). Daarvoor doen we de uitspraak dat we bereid zijn om het provinciale instrumentarium in te zetten als gemeenten weigeren medewerking te verlenen aan windinitiatieven die passen binnen het provinciaal ruimtelijk beleid. Voor de overige gebieden geldt dat de plaatsing van windturbines in principe mogelijk is, voor zover er geen sprake is van een uitsluitingsgebied windenergie. In de uitsluitingsgebieden windenergie geldt een algemeen verbod op voorhand om windturbines te plaatsen. In gebieden waar het in principe mogelijk is om windturbines te plaatsen, moeten windinitiatieven getoetst worden aan de algemene provinciale kaders, zoals de normerende en richtinggevende uitspraken over landschappelijke inpassing in de Catalogus Gebiedskenmerken. Ook is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving van toepassing, die vraagt om een extra investering in ruimtelijke kwaliteit als compensatie voor de impact op de omgeving.
In deze actualisatieronde schrappen wij het algemene verbod voor het plaatsen van windturbines in het Natuurnetwerk Nederland en in het Nationaal Landschap IJsseldelta. Dat betekent niet dat in deze gebieden nu zonder meer windturbines kunnen worden geplaatst. In deze gebieden blijft het specifieke beschermingsregime gelden dat op deze gebieden van toepassing is. Voor eventuele initiatieven voor windenergie in deze gebieden zal uitgebreid onderzoek gedaan moeten worden. De relevante aspecten en te verwachten effecten op landschap, economie en ecologie moeten dan in beeld gebracht worden. De aanpassing van de Omgevingsverordening geeft meer ruimte om de ambitie uit de Regionale Energie Strategie (RES) te realiseren. Om de hoeveelheid duurzame energie op te wekken die volgens afspraak in de RES gerealiseerd moet worden, zijn ook grootschalige windparken en zonnevelden nodig. Die hoeveelheid kan niet opgewekt worden met alleen maar kleine erfmolens. In de RES is de ambitie vastgelegd om bij wind- en zonprojecten een verhouding van 50% lokaal eigendom na te streven, zodat dat omgeving niet alleen de lasten draagt, maar ook deelt in de lusten van de plaatsing van windturbines of zonnevelden. Wij zijn met indiener van mening dat goede landbouwgronden zoveel mogelijk moeten worden ontzien bij het plaatsen van zonnepanelen in veldopstellingen.
Wij vinden vanuit het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik ook dat zoveel mogelijk gezocht moet worden naar mogelijkheden om de opwek van duurzame energie te combineren met andere functies. Wij wijzen op de noodzaak om op korte termijn de energievoorziening te verduurzamen. Dat betekent dat er naast het benutten van daken en andere bouwwerken voor de opwek van zonne-energie ook zonnevelden nodig zijn. Daarvoor geldt dat in de provinciale omgevingsverordening is geregeld dat dit alleen kan in de vorm van tijdelijk afwijkend gebruik voor een periode van maximaal 25 jaar. Onderwerp: waterbergingsgebieden Indiener maakt bezwaar tegen de aanwijzing van waterbergingsgebieden vanwege de aantrekkingskracht daarvan op wilde watervogels. Die brengen als dragers van het vogelgriepvirus risico’s met zich mee voor pluimveebedrijven. Daarbij wijst indiener nogmaals op de uitspraak in het rapport “Zoönosen in het vizier” dat zich geen pluimveebedrijven zouden moeten bevinden in gebieden waarin veel watervogels voorkomen. Reactie: In een samenleving met veel belangen en weinig ruimte is het een taak van de overheid om allerlei functies naast elkaar in te passen en te laten ontwikkelen. Dat geldt voor ontwikkelingsruimte voor bedrijven, maar ook voor ontwikkeling van waterbergingsgebieden, natuur en recreatie.
Wij verwijzen voor het onderdeel van de zienswijze dat gaat over de risico’s van wilde watervogels in de overdracht van zoönosen naar wat hiervoor is opgemerkt bij het onderdeel over natuurontwikkeling. Onderwerp: natuurinclusieve landbouw Het is indiener niet duidelijk op welke ‘andere maatschappelijke doelen’ gedoeld wordt in de uitspraak dat er meer ruimte komt voor natuurinclusieve landbouw. Daarin wordt gewezen op de mogelijkheden van extensievere vormen van grondgebouwen landbouw die ook bijdraagt aan andere maatschappelijke doelen. Reactie: De passage die indiener aanhaalt is opgenomen in het Fundament voor de nieuwe Omgevingsvisie. Daarop kunnen geen zienswijzen worden ingediend omdat het gaat om een tussenstap in de beleidsvorming. Wij reageren hier op de gemaakte opmerkingen op het Fundament, maar wijzen er daarbij wel op dat er te zijner tijd een mogelijkheid komt om zienswijzen in te dienen op de wijzigingen in het provinciale omgevingsbeleid. Dat is aan de orde als het ontwerp van de nieuwe Omgevingsvisie - waarvoor het Fundament een tussenstap is - ter inzage wordt gelegd. In het Fundament doet de provincie richtinggevende uitspraken voor het toekomstige landgebruik in gebieden - waarbij vanwege de doorzettende klimaatverandering - het natuurlijke bodem en watersysteem als uitgangspunt genomen wordt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
De veerkracht van het natuurlijke bodem en watersysteem zal hersteld moeten worden om in te kunnen spelen op de doorzettende klimaatverandering. Dit geeft richting voor de ontwikkelingsmogelijkheden en de maatregelen die per gebied nodig zijn. Daarvoor hebben we ook gekeken waar kwetsbare gebieden liggen (bijvoorbeeld waterwingebieden en natuurgebieden). Wij vinden het belangrijk om in de directe omgeving met de kwetsbaarheid van deze gebieden rekening te houden en de bedrijfsvoering daarop af te stemmen. In het Fundament is een kaart opgenomen waarmee wij duidelijk maken wat wij op lange termijn als mogelijkheden zien voor verschillende vormen van landbouw. De gevolgen van de doorzettende klimaatverandering en de teruglopende biodiversiteit maken duidelijk dat niet alles overal kan. In bepaalde gebieden zien wij meer mogelijkheden voor verbreding van agrarische bedrijfsvoering. Daarmee bedoelen wij dat de bedrijven naast voedselproductie, ook andere betaalde werkzaamheden zouden kunnen verrichten die nodig zijn om verschillende maatschappelijke doelen te realiseren in die gebieden. Die nieuwe mogelijkheden zouden dan wel langjarig financieel perspectief moeten bieden. Dan kan de bedrijfsvoering van de boer niet alleen gebaseerd zijn op voedselproductie, maar ook financieel steunen op verschillende maatschappelijke diensten.
Daarbij kan gedacht worden aan waterbufferen, vastleggen van CO2 door bosaanplant, verbeteren van biodiversiteit en landschapsonderhoud. Door verbreding van de landbouw moeten ondernemers in staat zijn om, binnen de mogelijkheden die er zijn, zelf keuzes te maken gericht op een toekomstbestendige bedrijfsvoering. Conclusie De zienswijze van indiener geeft geen aanleiding tot aanpassing van het ontwerp van de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2022.
24. Zienswijze (EDO kenmerk 6700030)
Onderwerp: algemeen Samenvatting zienswijze:
51
Indiener merkt op dat de provinciale Omgevingsvisie van groot belang is voor het platteland en voor de agrarische sector waarvan zijn melkveebedrijf onderdeel uitmaakt. Dit geldt nog meer als de Omgevingsvisie wordt omgezet in een verordening, omdat daarmee gemeenten en waterschappen buiten spel worden gezet. Reactie Het klopt dat de provinciale Omgevingsvisie van groot belang is voor het platteland en voor de agrarische sector. De Omgevingsvisie bindt allereerst onszelf en geeft daarmee richting aan de uitvoering van taken waarvoor de provincie aan de lat staat, zoals het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland en de bescherming van grondwaterbeschermingsgebieden. Verder worden in de Omgevingsvisie kaderstellende uitspraken gedaan waarmee gemeenten en waterschappen in hun beleid en regels rekening moeten houden. In de wet is vastgelegd wat de taakverdeling is tussen provincies, gemeenten en waterschappen in het fysieke domein en welke bevoegdheden daarbij horen. In de Omgevingsvisie hebben wij alleen die zaken opgenomen die volgens ons van provinciaal belang zijn. In ons beleid geven wij veel ruimte voor de invulling op lokaal niveau door gemeenten en waterschappen vanuit het principe ‘decentraal wat kan’. Wij zetten de Omgevingsverordening alleen in als dat nodig is om provinciale belangen juridisch te borgen.
Wij zijn het dan ook niet eens met de stelling van indiener dat de provincie de gemeenten en waterschappen buiten spel zet. Onderwerp: mest en biogas Samenvatting zienswijze: Volgens indieners is mest ten onrechte verwijderd uit de lijst van bio-energie grondstoffen. Mestvergisting mag in een aantal gevallen wel op het erf. In de huidige crisisomstandigheden kan mestvergisting bijdragen aan groen gas. Volgens Rijksbeleid is mestvergisting voor intensieve veehouderijen wenselijk. Omdat bouwblokken mogelijk te klein van omvang zijn, moet de provincie ruimte bieden voor centrale mestvergisting. Met de grote schaarste aan grondstoffen, zoals fosfaat en aardgas voor kunstmest, is het belangrijk om zuinig te zijn op mest. Reactie: Anders dan indieners denken valt dierlijke mest nog steeds onder de lijst van biogrondstoffen. Onder bio-grondstoffen – ook wel biomassa genoemd - wordt verstaan al het plantaardig of dierlijk materiaal afkomstig uit gewassen, bomen, planten, algen en dierlijke producten. Onder dierlijke producten valt ook dierlijke mest. Ons bio-energiebeleid is geheel in lijn met het rijksbeleid wat betreft de inzet en toepassing van bio-grondstoffen voor energieopwek. In ons provinciaal beleid (PS 2022/1102805) houden we de focus op de opschaling van de groengasproductie.
Groen gas wordt nu vooral met biovergisting geproduceerd, omdat de techniek vergassing is nog niet commercieel te exploiteren is. Dierlijke mest biedt een grote stroom van vergistbare en beschikbare biomassa voor vergisting. Groen gas of biogas wordt in Overijssel voor een groot deel geproduceerd met kleinschalige mestvergisters op boerderijen en met grote, industriële mestvergisters (grootschalige bioenergie-installaties). In principe kan ook op het bedrijf van de maatschap een kleinschalige mestvergister gerealiseerd worden. Als provincie ondersteunen we zowel kleinschalige mestvergisters op boerderijen als ook grootschalige centrale (mest)vergisters ten behoeve van groen gas productie. De uitvoering van ons beleid wordt geborgd door de inzet van onze beleidsinstrumenten, zoals het Energiefonds Overijssel en diverse subsidieregelingen. Niet alle agrarische erven zijn geschikt om een kleinschalige mestvergisting te realiseren. Of een erf daarvoor geschikt is en of het gewenst is om planologisch ruimte te maken voor een bio-energie installatie wordt allereerst door de gemeente beoordeeld. De provincie stelt in de Omgevingsvisie kaders voor locatiekeuze en ontwerp waarmee de gemeente rekening moet houden. Voor alle initiatieven voor bio-energie geldt dat locatiekeuze en ontwerp passend
moeten zijn bij de gebiedskenmerken. Onze voorkeur gaat uit naar verwerking van biomassa dicht bij de bron waardoor vervoersbewegingen worden beperkt. Samen met gemeenten wordt in Overijssel gewerkt aan zogenaamde ‘Energiegebieden’ waar ruimte geboden wordt aan een cluster van grootschalige energie-installaties. Hierbij wordt ook gedacht aan grootschalige mestvergisters. We ondersteunen gemeenten met een pilot om aan geschikte locaties voor grote mestvergisters te komen. Onderwerp: Regionale Energie Strategie Samenvatting zienswijze: Windmolens mogen op meer plaatsen komen, zoals in het Natuurnetwerk Nederland. Volgens OER Fase 1 lijkt het erop dat door lichtschade natuurcompensatie nodig is. Nu worden de RESplannen nog voorgelegd aan de gemeenteraad, maar door de provinciale verordening in te zetten wordt de lokale democratie verder uitgehold in ruil voor wiebelstroom, de nodige afval zoals reststromen en zullen er altijd andere bronnen nodig zijn om de dalen in energieopwek op te vangen. Reactie: Het klopt dat wij door deze aanpassing van de verordening het algemene verbod op het plaatsen van windturbines in Natuurnetwerk Nederland en Nationaal Landschap IJsseldelta schrappen. Dat betekent niet dat in deze gebieden nu zonder meer windturbines kunnen worden geplaatst.