deel 2 - bestemmingsplan Stadshagen II, Breezicht Noord-2
Tekst van het document
Rijntakken verondersteld stabiel te zijn. Voor de watersnip is broeden in regulier cultuurland vrijwel onmogelijk door intensivering van agrarisch graslandgebruik met ontwatering, overbemesting, vroeg en frequent maaien, hoge beweidingsdruk en egaliseren van grasland. Stikstofdepositie is, gezien de matige overbelasting op een relatief klein deel van het leefgebied en in verhouding tot de andere knelpunten voor deze soort, niet de oorzaak van de recente lage aantallen [lit. 30]. Vanwege de stabiele toestand van het leefgebied, de tijdelijke, geringe planbijdrage op slechts een klein deel van het leefgebied en het feit dat stikstof niet het voornaamste knelpunt vormt, veroorzaakt het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van het leefgebied van de watersnip. Hierdoor komt het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar. Gebruiksfase De KDW van (ZG)Lg07 (Dotterbloemgrasland van veen en klei) bedraagt 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.362 tot 1.540 mol N/ha/jr. voor het leefgebied en 1.470 mol N/ha/jr. voor het zoekgebied. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,02 mol N/ha/jr. voor zowel het zoekgebied als het leefgebied.
Op een oppervlakte van 35.658 m2 vindt permanente stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 3 % van de totale oppervlakte van Lg07 in Rijntakken. De KDW van Lg08 (Nat, matig voedselrijk grasland) bedraagt 1.571 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.801 mol N/ha/jr. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 730 m2 vindt permanente stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 0,01 % van de totale oppervlakte van Lg08 in Rijntakken.
40 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
d van de watersnip binnen de Rijntakken verondersteld stabiel te zijn. Voor de watersnip is broeden in regulier cultuurland vrijwel onmogelijk door intensivering van agrarisch graslandgebruik met ontwatering, overbemesting, vroeg en frequent maaien, hoge beweidingsdruk en egaliseren van grasland. Stikstofdepositie is, gezien de matige overbelasting op een relatief klein deel van het leefgebied en in verhouding tot de andere knelpunten voor deze soort, niet de oorzaak van de recente lage aantallen [lit. 30]. Het is uitgesloten dat een kleine planbijdrage van maximaal 0,02 mol N/ha/jr. leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied van watersnip en significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling van watersnip. Vanwege de stabiele toestand van het leefgebied en het feit dat niet stikstof, maar verdroging het voornaamste knelpunt vormt, veroorzaakt het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van het leefgebied van de watersnip. Hierdoor komt het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (behoud van oppervlakte en kwaliteit) niet in gevaar. De planbijdrage heeft geen effect op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling van voldoende draagkracht voor een populatie van tenminste 17 broedparen.
Conclusie Negatieve en significant negatieve effecten van de permanente planbijdrage zijn uit te sluiten vanwege de kleine oppervlakte waarop depositie terechtkomt en het feit dat niet stikstofdepositie, maar intensivering van agrarisch graslandgebruik het voornaamste knelpunt vormt. Significante gevolgen voor watersnip ten gevolge van de permanente stikstofdepositie door het plan zijn met zekerheid uit te sluiten.
Kwartelkoning (A122) Ecologische vereisten De broedhabitat van de kwartelkoning kenmerkt zich door een meer dan 20 cm hoge gesloten kruidenrijke vegetatie. De moerasvegetatie mag niet zo dicht van structuur zijn dat het dier er niet goed meer doorheen kan lopen. In Nederland wordt de kwartelkoning vooral gevonden in extensief onderhouden kruiden- en bloemrijke hooilanden in rivier- en beekdalen. Kwartelkoningen broeden later dan veel weidevogels: de dieren kiezen in mei hun broedgebied. In de loop van de zomer volgt een tweede legsel. De kwartelkoning heeft een relatief korte levensduur, daarom zijn de tweede legsels essentieel voor een duurzame populatie. Om een tweede legsel mogelijk te maken moet het broedhabitat over een lange periode beschikbaar zijn, van half mei tot begin september. Tijdens het broedseizoen worden vooral insecten, slakken en ander klein gedierte gegeten, in de rest van het jaar vormen zaden de hoofdmoot van het menu van de kwartelkoning [lit. 19]. Voorkomen en kwaliteit Binnen de Rijntakken maakt de kwartelkoning onder andere gebruik van de leefgebieden Nat, matig voedselrijk grasland (Lg08) en Kamgrasweide op klei (Lg11). Kwartelkoningen zijn langs de Rijntakken voor hun broedgebied afhankelijk van graslanden met een late maaidatum. Kwartelkoningen komen ook voor in extensief begraasde natuurontwikkelingsgebieden.
Met name in de pioniersfase bieden deze gebieden een geschikt broedbiotoop. Een duidelijk beeld van de (trend in) kwaliteit van het leefgebied van kwartelkoning binnen de Rijntakken ontbreekt vooralsnog. Gezien de negatieve trend in oppervlakte en kwaliteit van Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510), waarin de kwartelkoning ook voorkomt, wordt voor het leefgebied van de kwartelkoning uitgegaan van een negatieve trend [lit. 30]. De aantallen kwartelkoningen langs de Rijntakken wisselen van jaar tot jaar sterk. De oorzaken hiervan zijn nog niet goed bekend, maar zijn conform het beeld van voorkomen voor heel Nederland [lit. 27, 30]. In de periode 2006-2015 is daarnaast sprake van een sterke afname in het aantal kwartelkoningen in Rijntakken [lit. 30]. Het areaal extensief beheerd hooiland en het maaischema zijn in hoge mate bepalend voor de populatieomvang. Het huidige areaal extensief beheerd hooiland (en speciaal hooiland dat ook in augustus
41 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
niet gemaaid wordt) vormt vermoedelijk een beperkende factor. De draagkracht kan dus toenemen bij uitbreiding van het areaal extensief beheerd hooiland (met maaidata na augustus in verband met tweede broedsel). Natuurontwikkeling kan tijdelijk broedhabitat genereren, maar levert (ook bij begrazing) vermoedelijk geen duurzame broedgelegenheid op [lit. 30]. Stikstofdepositie kan leiden tot verruiging van de vegetatie in het leefgebied van de kwartelkoning, wat leidt tot een afname in de prooibeschikbaarheid [lit. 30]. Stikstofdepositie is echter van ondergeschikt belang aan de hierboven beschreven knelpunten [lit. 30]. Instandhoudingsdoelstellingen De doelstellingen voor de kwartelkoning zijn uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste honderdzestig broedparen in de Rijntakken. Effectbepaling- en beoordeling Aanlegfase De KDW van (ZG)Lg11 (Kamgrasweide op klei) bedraagt 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.361 tot 2.181 mol N/ha/jr. voor het leefgebied en 1.365 tot 1.871 mol N/ha/jr. voor het zoekgebied. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,03 mol N/ha/jr. voor zowel het leefgebied als het zoekgebied.
Op een oppervlakte van 99.117 m2 vindt tijdelijke stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 0,2 % van de totale oppervlakte van Lg11 in Rijntakken. De bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 4 jaar) en klein (maximaal 0,03 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>12,5 jaar, zie tabel 3.1) kan namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het leefgebied leidt daardoor niet tot een verschuiving van het leefgebied richting een minder heterogene (minder kruidenrijk) en ruigere vegetatie. Hierdoor blijft het aantal potentieel geschikte nestlocaties in het zoekgebied gelijk en neemt het voedselaanbod voor kwartelkoning niet af. trend van het Kamgrasweide op klei verondersteld stabiel te zijn. De kwartelkoning is niet zozeer gevoelig voor veranderingen in de soortensamenstelling van de vegetatie door stikstofdepositie, maar wel voor het beheer en met name de maaidatum. Het gevoerde maaibeheer speelt voor deze soort een zeer grote rol. Het areaal extensief beheerd hooiland en het maaischema zijn in hoge mate bepalend voor de populatieomvang.
Het huidige areaal extensief beheerd hooiland (en speciaal hooiland dat ook in augustus niet gemaaid wordt) vormt de meest beperkende factor. Aanpassing van het beheer van de habitat van de kwartelkoning vormt daarmee de belangrijkste maatregel voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van deze soort. De planbijdrage heeft geen invloed op het maaibeheer en de maaidatum van de bestaande of potentiële leefgebieden en resulteert dan ook niet in een negatief effect. Vanwege de stabiele toestand, de kleine en tijdelijke bijdrage op slechts een klein deel van het leefgebied, het feit dat de planbijdrage geen verruiging of een structuurverandering tot gevolg heeft en het feit dat stikstof niet het voornaamste knelpunt vormt, zal het plan geen verandering teweeg brengen in het leefgebied van de kwartelkoning. De plandepositie vormt geen beperking in het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het uitbreiden van de omvang van het leefgebied en het verbeteren van de kwaliteit, met honderdzestig broedparen. Gebruiksfase De KDW van (ZG)Lg11 (Kamgrasweide op klei) bedraagt 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.367 tot 2.037 mol N/ha/jr. voor het leefgebied en 1.365 tot 1.435 mol N/ha/jr. voor het zoekgebied.
De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,02 mol N/ha/jr. voor zowel het leefgebied als het zoekgebied. Op een oppervlakte van 26.296 m2 vindt permanente stikstofdepositie ten
42 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen van het leefgebied. Dit is slechts 0,1 % van de totale oppervlakte van Lg11 in Rijntakken. De KDW van Lg08 (Nat, matig voedselrijk grasland) bedraagt 1.571 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.801 mol N/ha/jr. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 730 m2 vindt tijdelijke stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 0,01 % van de totale oppervlakte van Lg08 in Rijntakken.
De kwartelkoning is niet zozeer gevoelig voor veranderingen in de soortensamenstelling van de vegetatie door stikstofdepositie, maar wel voor het beheer en met name de maaidatum. Het gevoerde maaibeheer speelt voor deze soort een zeer grote rol. Het areaal extensief beheerd hooiland en het maaischema zijn in hoge mate bepalend voor de populatieomvang. Het huidige areaal extensief beheerd hooiland (en speciaal hooiland dat ook in augustus niet gemaaid wordt) vormt de meest beperkende factor. Aanpassing van het beheer van de habitat van de kwartelkoning vormt daarmee de belangrijkste maatregel voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van deze soort. De planbijdrage heeft geen invloed op het maaibeheer en de maaidatum van de bestaande of potentiële leefgebieden en resulteert dan ook niet in een negatief effect. Vanwege het feit dat stikstof niet het voornaamste knelpunt vormt, zal het plan geen verandering teweeg brengen in het leefgebied van de kwartelkoning. De planbijdrage vormt geen beperking in het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het uitbreiden van de omvang van het leefgebied en het verbeteren van de kwaliteit. De planbijdrage heeft daarnaast geen effect op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling van voldoende draagkracht voor een populatie van tenminste honderdzestig broedparen.
Conclusie Vanwege de kleine en tijdelijke aard van de planbijdrage zijn negatieve en significant negatieve effecten in de aanlegfase uit te sluiten. Voor de gebruiksfase zijn negatieve effecten en significant negatieve effecten uit te sluiten vanwege de kleine oppervlakte waarop depositie terechtkomt en het feit dat niet stikstofdepositie maar maaibeheer het voornaamste knelpunt vormt. Significante gevolgen voor kwartelkoning ten gevolge van de tijdelijke en permanente stikstofdepositie door het plan zijn met zekerheid uit te sluiten.
5.5.2
H6120 Stroomdalgraslanden
Beschrijving Het habitattype Stroomdalgraslanden omvat bloemrijke graslanden die voorkomen op zandige stroomruggen, oeverwallen, rivierduinen en als linten op dijken. Het habitattype komt voor als soortenrijke, relatief open, grazige begroeiing op droge standplaatsen. Goed ontwikkeld H6120 betreft bloemrijke graslanden waarbinnen verschillende gemeenschappen zijn te onderscheiden. Kenmerkend voor kalkhoudende bodems is de associatie van sikkelhaver en zachte haver. Deze associatie bestaat uit vrij gesloten grasland en kan (als ze wordt gemaaid of beweid) allerlei bijzondere soorten bevatten. Op gebufferde, zwak zure bodem komen andere stroomdalgemeenschappen voor, die een wat minder gesloten en in hoogte meer onregelmatige vegetatiestructuur hebben. Het habitattype Stroomdalgraslanden betreft een prioritair habitattype, wat betekent dat de bescherming van het habitattype extra aandacht moet krijgen [lit. 30, 31]. Stroomdalgraslanden komen voor op de hogere delen van de uiterwaarden (stroomruggen, oeverwallen en rivierduinen en dijken). De bodem bestaat uit vrij lichte fluviatiele afzettingen als zavel en lemig zand. Ze zijn kalkhoudend (vrije kalk) of zijn kalkarm (geen vrije kalk) maar met een hoog percentage aan kalkbezetting van de klei- en leemfractie (verzadiging van meer dan 70 %). De pH is neutraal tot zwak zuur [lit. 30].
43 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
De optimale overstromingsfrequentie van Stroomdalgraslanden is incidenteel in de winter: alleen bij extreem hoogwater, met een gemiddelde overstromingsduur van minder dan tien dagen. De iets ruigere pionierbegroeiingen verdragen ook regelmatige overstroming (jaarlijks of tweejaarlijks, gemiddelde overstromingsduur meer dan tien dagen). De graslanden gedijen ook nog goed zonder overstroming, mits er geen verzuring plaatsvindt door uitloging of humusopbouw. Inundatie in het groeiseizoen met een periode van meer dan tien dagen leidt tot het afsterven van planten en bijgevolg afbraak van de gemeenschap. Voor duurzame instandhouding van Stroomdalgraslanden zijn twee voorwaarden van belang. Ten eerste moeten standplaatsen voldoende gebufferd blijven, door middel van aanvoer en inwaai van basenrijk zand gedurende de zomer of aanvoer van bufferende stoffen in het rivierwater onder invloed van het grondwater. Ten tweede zijn de vegetaties afhankelijk van een laag nutriëntenniveau, waarvoor maai- of begrazingsbeheer met de juiste intensiteit uitgevoerd dient te worden [lit. 32]. Over het (natuur)beheer bestaat nog enige discussie. In de (nieuwe) ontwikkelgebieden onder invloed van de rivier wordt v mogen geven met inzet van grote grazers. H6120 komt hier meer verspreid voor in mozaïek met andere habitattypen.
Of de begrazing voldoende adequaat is, is mede afhankelijk van het type grazers (koeien, paarden, konijnen), de begrazingsdruk, heterogeniteit van het begrazingsterrein en selectief graasgedrag. Een te extensieve begrazing vormt een risico voor kenmerkende stroomdalsoorten. Bij voldoende begrazing is gebleken dat langdurig behoud van zeer goed ontwikkeld H6120 goed mogelijk is, ondanks de te hoge stikstofdepositie en verrijkt rivierwater [lit. 33]. Voorkomen en kwaliteit Stroomdalgraslanden komen in de Rijntakken voor op een oppervlakte van 29 ha, maar er wordt gestreefd naar 120 ha goed ontwikkeld stroomdalgrasland en 30 ha aan pioniersstadia [lit. 26]. Deze verviervoudiging wordt als ambitieus, maar haalbaar gezien. Zo zijn mogelijke uitbreidingslocaties geïdentificeerd en zijn beheermaatregelen genomen. Het gaat daarbij om extensieve begrazing of een regelmatig op zaadzetting van soorten afgestemd maaibeheer. In de Rijntakken komt H6120 verspreid voor. De kwaliteit varieert van goed tot matig ontwikkeld, met lokaal relatief grote oppervlakten, zowel in pioniersstadium als in soortenrijk grasland. De trend in kwaliteit van het habitattype is de laatste jaren positief, de trend in oppervlakte is sterk negatief [lit. 30]. In het Natura 2000 doelendocument [lit.
34 Dit wil zeggen dat als op korte termijn (in de tien jaar na 2005) geen adequate maatregelen worden genomen, de instandhoudingsdoelstellingen ernstig in gevaar komen. Voor H6120 in de Gelderse Poort, de Uiterwaarden Waal en de Uiterwaarden maatregelen genomen ter bevordering van dit habitattype, zoals het verbeteren van de zaadverspreiding. Deze staan dus los van de stikstofmaatregelen, die geen invulling geven aan gave. De belangrijkste oorzaken voor de achteruitgang in oppervlakte zijn verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie, verandering van rivierdynamiek, mechanische effecten (intensieve betreding, agrarisch gebruik), successie en inadequaat beheer \t. 30]. H6120 verzuren zonder bufferende processen van nature. Een verminderde rivierdynamiek en grondwaterinvloed versterken de verzurende processen en stikstofdepositie verhoogt de verzuringssnelheid. Daarnaast speelt stikstofdepositie waarschijnlijk een rol bij vergrassing, verstruweling en verruiging van de vegetatie, hoewel onbekend hoe groot de invloed van stikstofdepositie hierop is ten opzichte van veranderingen in frequentie van overstroming, nutriënten in het sediment, grondgebruik en beheer [lit. 30]. Onder vochtige omstandigheden, na zware regenval of na (korte) inundaties, kan mineralisatie van organisch materiaal sterk toenemen waardoor veel stikstof voor planten beschikbaar komt.
Daarnaast is de graasdichtheid in stroomdalgraslanden vaak onvoldoende, waardoor organische stoffen ophopen, en is het aantal plekken waar extensief maaibeheer wordt uitgevoerd afgenomen. De sleutelprocessen voor stroomdalgraslanden in Rijntakken zijn zandafzetting en erosie door wind en water, grote waterstandwisselingen en adequaat beheer. Dynamiek en het instandhouding van de buffercapaciteit en pH op een voldoende hoog niveau zijn hierin belangrijk. Wanneer de basenverzadiging
44 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
van stroomdalgraslanden op orde is, kan de kwaliteit van goed ontwikkelde stroomdalgraslanden door middel van begrazing behouden blijven [lit. 30]. Instandhoudingsdoelstellingen Voor H6120 in de Rijntakken zijn de Natura 2000-doelstellingen uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit. Effectbepaling- en beoordeling Gebruiksfase De KDW van Stroomdalgraslanden is 1.286 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en naderende overschrijding van de KDW 1.224 tot 1.261 mol N/ha/jr. Er is dus enkel sprake van een naderende overschrijding van de KDW. De planbijdrage op locaties waar de KDW naderend wordt overschreden betreft maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 23.717 m2 vindt permanente stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is ongeveer 8 % van de totale oppervlakte van Stroomdalgraslanden in Rijntakken. Omdat de KDW van H6120 niet wordt overschreden door de achtergronddepositie en de planbijdrage, komt het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit niet in gevaar door de planbijdrage. Significante gevolgen zijn daarom met zekerheid uit te sluiten.
Conclusie Negatieve en significant negatieve effecten van de permanente planbijdrage zijn uit te sluiten omdat de KDW niet wordt overschreden door de planbijdrage in combinatie met de achtergronddepositie. Significante gevolgen in de gebruiksfase zijn uit te sluiten.
45 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
6 CONCLUSIE EN VERVOLGSTAPPEN 6.1
Conclusie
Aanlegfase In voorliggende voortoets is beoordeeld of de toename aan stikstofdepositie in de aanlegfase van het plan Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3 en leidt tot significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen/leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden of dat dat bij voorbaat valt uit te sluiten. Er kan worden geconcludeerd dat significante gevolgen voor alle habitattypen/leefgebieden met een planbijdrage zijn uit te sluiten. Voor een aantal habitattypen/leefgebieden met een planbijdrage zijn significante gevolgen uitgesloten omdat de KDW niet (naderend) wordt overschreden door de ADW en de planbijdrage. Een groot aantal habitattypen/leefgebieden met een (naderende) overschrijding van de KDW heeft een over de aanlegfase gecumuleerde planbijdrage 0,1 mol/ha. Voor deze habitattypen kunnen significante gevolgen worden uitgesloten omdat een dergelijke kleine en tevens tijdelijke stikstofdepositie niet leidt tot directe schade aan planten of tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling. Daardoor vindt er geen (significant) negatief effect plaats op de kwaliteit van de habitattypen/leefgebieden. Voor de overige habitattypen/leefgebieden met een (naderende) overschrijding van de KDW bedraagt de over de aanlegfase gecumuleerde planbijdrage >0,1 mol/ha.
Voor deze habitattypen/leefgebieden geldt dat significante gevolgen worden uitgesloten omdat is gebleken dat stikstofdepositie geen bepalende rol heeft (ten opzichte van andere factoren) in het behalen van de instandhoudingdoelstellingen en/of omdat geconcludeerd kon worden dat de huidige staat van instandhouding van het habitattype/leefgebied goed is en enige stikstoftoename niet leidt tot een (significant) negatief effect op de kwaliteit van de habitattypen/leefgebieden. Gebruiksfase Op basis van voorliggende voortoets is vastgesteld dat significante gevolgen voor alle habitattypen/leefgebieden in de Natura 2000-gebieden Zwarte Water en Vecht en Rijntakken kunnen worden uitgesloten. Bij een deel van de habitattypen/leefgebieden kunnen significante gevolgen worden uitgesloten omdat de KDW niet (naderend) wordt overschreden. Voor de habitattypen/leefgebieden waarvan de KDW wel (naderend) wordt overschreden, kunnen significante gevolgen worden uitgesloten omdat is gebleken dat stikstofdepositie geen bepalende rol speelt (ten opzichte van andere factoren) in het behalen van de instandhoudingdoelstellingen en/of omdat geconcludeerd kon worden dat de huidige staat van instandhouding van het habitattype/leefgebied goed is en enige stikstoftoename niet leidt tot een (significant) negatief effect op de kwaliteit van de habitattypen/leefgebieden.
6.2
Vervolgstappen
Uit voorgaande conclusie blijkt dat significante gevolgen voor alle habitattypen/leefgebieden met een planbijdrage op overbelaste hexagonen kunnen worden uitgesloten. Op basis van de uitgevoerde voortoets zijn vervolgstappen dan ook niet nodig.
46 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
7 LITERATUUR 1
Van Dobben, H. F., R. Bobbink, D. Bal, and A. Van Hinsberg (2012). Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden Natura 2000. Geraadpleegd 10 februari 2021 via www.wageningenUR.nl/alterra.
2 3 4 5
Van Dobben, H. and A. A. Bleeker (2004). Stikstof gevoeligheid van de Habitatrichtlijn gebieden in Nederland. Bobbink, R., J. Roelofs, and H. F. van Dobben, Expert judgment - uit Tracébesluit A12/A15 Deelrapport ecologie, 2019. Jaspers, H., N. de Nijs, E. Dorsman, and P. van Veen (2020). stikstofeffecten dijkversterking Gorinchem-Waardenburg CBS, PBL, RIVM, WUR (2019). Stikstofdepositie, 1990-2018 (indicator 0189, versie 18, 21 november 2019). www.clo.nl. Geraadpleegd 10 februari 2021. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Den Haag; PBL
Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag; RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven; en Wageningen University and Research, Wageningen. 6 Velders, G. et al., Grootschalige concentratie- en 2015. Geraadpleegd 10 februari 2021 via https://www.rivm.nl/publicaties/grootschalige-concentratie-endepositiekaarten-nederland-rapportage-2015. 7 Tolkamp, G. W., C. A. van den Berg, G. J. M. M. Nabuurs, and A. F. M. Olsthoorn, Kwantificering van beschikbare biomassa voor bio-energie uit Staatsbosbeheerterreinen. Alterra (2006). Geraadpleegd 10 februari 2021 via https://research.wur.nl/en/publications/kwantificering-van-beschikbare-biomassavoor-bio-energie-uit-staa. 8 Mahler, R. L. (2004). Nutrients Plants Require for Growth, Univ. Idaho Ext.. 9 ARCADIS (2011). Stikstof en zwavel in de grijze duinen, aanvullingen op het ARCADIS-rapport uit 2008 naar aanleiding van het StAB-advies over de stikstofdepositie van de energiecentrales van NUON en RWE/ESSENT. Projectnummer B02042.000079.0100. 10 Smits, N.A.C. & D. Bal (2014). Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats. Ecologische onderbouwing van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Deel I: Algemene inleiding herstelstrategieën: beleid, kennis en maatregelen. Alterra Wageningen UR & Programmadirectie Natura 2000 van het Ministerie van Economische Zaken. 11 Nutrinorm. (n.d.). Waarom heeft een plant stikstof nodig.
Geraadpleegd 12 februari 2021 via https://www.nutrinorm.nl/nl-nl/Paginas/Hoofdelementen-Waarom-heeft-een-plant-stikstofnodig.aspx#.XR4CmGaP6fg. 12 Steege, M.W. ter (1996). Regulation of nitrate uptake in a whole plant perspective Changes in influx and efflux of nitrate in spinach. ID: 33047. University of Groningen. 13 Wageningen UR 2001. Handboek schapenhouderij. Wageningen UR - Praktijkonderzoek Veehouderij Lelystad. ISSN 0169-3689. 14 Nijssen, M.E., H.M. Beije, J.H. Bouwman, D. Groenendijk & N.A.C. Smits (2016). Herstelstrategie Nat, matig voedselrijk grasland (leefgebied 8). 15 Nijssen, M.E., H.M. Beije, J.H. Bouwman, D. Groenendijk & N.A.C. Smits (2016). Herstelstrategie Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied (leefgebied 10). 16 Nijssen, M.E., H.M. Beije, J.H. Bouwman, D. Groenendijk & N.A.C. Smits (2016). Herstelstrategie Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied (leefgebied 11). 17 Ministerie van LNV (2008). Profieldocument Grutto (Limosa limosa) A156. 18 Provincie Overijssel (2017). Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht.
47 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
19 Ministerie van LNV (2008). Profieldocument Kwartelkoning (Crex crex) A122. 20 SOVON, vogels per gebied, Natura 2000 gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Geraadpleegd 9 februari 2021 via https://s1.sovon.nl/gebieden/gebieden_trendsnw.asp?gebnr=36. 21 Natura 2000, profieldocument Zwarte stern (Chlidonias niger) A197, 2008. 22 Adams, A.S., K.V. Sykora & N.A.C. Smits (2017). Herstelstrategie H6510A: Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver). 23 Ministerie van LNV (2008). Profieldocument Laaggelegen schraal hooiland (Alopecurus pratensis, Sanguisorba offcinalis) (H6510). 24 Bouwman, J.H., M.E. Nijssen, A.S. Adams, H.M. Beije, D. Groenendijk & N.A.C. Smits (2016). Herstelstrategie Dotterbloemgrasland van veen en klei (leefgebied 7). 25 Ministerie van LNV (2008). Profieldocument watersnip (Gallinago gallinago) (A153). 26 Provincie Gelderland (2018). Beheerplan Natura 2000 Rijntakken (038). 27 SOVON, vogels per gebied, Natura 2000 gebied Rijntakken. Geraadpleegd 8 februari 2021 via https://s1.sovon.nl/gebieden/gebieden_trendsnw.asp?gebnr=380. 28 AERIUS Monitor (2020). Gebiedsinformatie. Geraadpleegd 15 februari 2021 via https://monitor.aerius.nl/gebied/36/onderwerp/informatie/hoofdstuk/2?deel=toelichting. 29 Kaajan, M. (2018). Bescherming van Natura 2000-gebieden via het bestemmingsplan. Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht, 2(5), 168 175.
30 Provincie Gelderland (2017). PAS-gebiedsanalyse 038 Rijntakken; 31 Ministerie van LNV (2008). Profieldocument Kalkminnend grasland op dorre zandbodem (H6120); 32 Adams, A.S., H.P.J. Huiskes, K.V. Sýkora & N.A.C. Smits (2008). Herstelstrategie H6120: Stroomdalgraslanden. 33 Sweco (2020). Passende beoordeling stikstofeffecten dijkversterking Gorinchem Waardenburg. 34 Ministerie van EZ. (2017). Wijzigingsbesluit Natura 2000-gebied Rijntakken. www.rijksoverheid.nl/natura2000. 35 Adams, A.S., A. Corporaal, H. Sluiter & N.A.C. Smits (2017). Herstelstrategie H6510B: Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart).
48 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Bijlage(n)
I BIJLAGE: UITGANGSPUNTENNOTITIE BUURTSCHAP 3 EN 4 (ECOGROEN)
Witteveen+BosWitteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Bijlage I | Definitief
Adviesrapport Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle Beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden
Gemeente Zwolle Definitief
Zuiderzeelaan 53 8017 JV Zwolle T 0384236464 E info@ecogroen.nl I www.ecogroen.nl
Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle Beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden
20-421.2
18 december 2020
Definitief
M. (Merlijn) de Graaf & A. (Anne) Gerritsma
A. (Anton) Alberts Gemeente Zwolle
©Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Graaf, M. de & Gerritsma, A. (2020). Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle. Beoordeling ten aanzien van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Rapport 20-421.2. Ecogroen bv Zwolle.
1.
Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Plangebied en voorgenomen ontwikkeling 1.3 Leeswijzer
4 4 4 5
2.
Wettelijk kader en methode 2.1 Juridisch kader 2.2 Methode 2.2.1 AERIUS-berekeningen
6 6 7 7
3.
Uitgangspunten 3.1 Algemeen 3.2 Aanlegfase 3.2.1 Mobiele werktuigen 3.2.2 Verkeersbewegingen 3.3 Gebruiksfase 3.3.1 Verkeersbewegingen
8 8 8 8 9 10 10
4.
Resultaten en conclusie 4.1 Rekenresultaat 4.2 Samenvatting en conclusie
11 11 12
Geraadpleegde bronnen
13
Bijlagen Bijlage 1 - Overzicht machine inzet voor de bouw van de woningen en de stikstofemissie per machine Bijlage 2 - Sweco (2020a). Bouwrijp / woonrijp maken Breezicht Noord. Stikstofemissie als gevolg van civiel- en cultuurtechnische werkzaamheden. Bijlage 3 - Sweco (2020b). BRM/WRM De Tippe en Breezicht Noord.
Stikstofberekening StikstofberekeningStadshagen StadshagenBreezicht BreezichtNoord, Noord,buurtschap buurtschap3&4, 3&4,Zwolle Zwolle
1. Inleiding 1.1
Aanleiding en doelstelling De gemeente Zwolle bouwt op meerdere locaties in en aan de toekomst van de stad. In Stadshagen wordt de komende jaren voorzien in een groot deel van de woningbouwbehoefte van heel Zwolle. Met het oog op deze ontwikkeling heeft de gemeente Zwolle het voornemen om nieuwbouw van 3 3&4 men ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging nodig. Uitvoering van dit bestemmingsplan kan mogelijk gepaard gaan met effecten op beschermde natuurwaarden. De Wet natuurbescherming (Wnb) verplicht vooraf te toetsen of plannen conflicteren met beschermde natuurwaarden. In opdracht van gemeente Zwolle heeft Ecogroen de stikstofdepositie als gevolg van het uitvoeren van het voorgenomen plan op omliggende Natura 2000-gebieden in beeld gebracht. Het uitgevoerde onderzoek en de resultaten zijn in voorliggende rapportage beschreven en kunnen gebruikt worden voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
1.2
Plangebied en voorgenomen ontwikkeling Het plangebied 3&4 ligt ten noorden van de Millingerplas en grenst aan de N331. Het plangebied ligt op ruim één kilometer afstand van Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en op ongeveer drie kilometer afstand van Natura 2000-gebied Rijntakken (zie figuur 1.1). Het toekomstige bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 325 woningen mogelijk.
04
Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle
Figuur 1.1 Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groene vlakken). Natura 2000gebied Rijntakken ligt ten (zuid)westen van het plangebied en Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht ligt ten oosten van het plangebied. Bron: PDOK.
1.3
Leeswijzer Het wettelijk kader waarbinnen deze ecologische beoordeling van de effecten van stikstofdepositie is uitgevoerd en de gebruikte methodiek zijn beschreven in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 staan de uitgangspunten en de resultaten van de AERIUS-berekeningen. In hoofdstuk 4 volgen de rekenresultaten en de conclusie. Tot slot worden de geraadpleegde bronnen weergegeven.
05
Stikstofberekening StikstofberekeningStadshagen StadshagenBreezicht BreezichtNoord, Noord,buurtschap buurtschap3&4, 3&4,Zwolle Zwolle
2. Wettelijk kader en methode 2.1
Juridisch kader De Wet natuurbescherming (Wnb) (Rijksoverheid, 2020) regelt de bescherming van Natura 2000gebieden, soorten en houtopstanden. Dit rapport gaat in op de bescherming van Natura 2000-gebieden, specifiek het effect van stikstofdepositie. Onderstaand kader geeft een samenvatting van de relevante wetteksten uit de Wnb. Kader 2.1 Wet natuurbescherming onderdeel Natura 2000-gebieden Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de bescherming van habitattypen, habitatsoorten en vogelsoorten. Artikelen 2.1 tot en met 2.11 van deze Wet regelen de bescherming van (de instandhoudingsdoelen voor) Natura 2000-gebieden. Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen of projecten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve gevolgen kunnen hebben op de voor deze gebieden geformuleerde doelen. Als uit de beoordeling blijkt dat geen significante effecten optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project niet nodig. Zijn significant negatieve gevolgen niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling nodig.
Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het rijk.
Voor stikstofberekeningen geldt dat de beschermde waarden in de Wnb, onderdeel Natura 2000gebieden, op twee manieren betrokken worden bij vaststelling en wijziging van een bestemmingsplan (Kaajan, 2018): 1. De uitvoerbaarheidstoets die volgt uit de Wet ruimtelijke ordening. Met deze toets wordt de vraag of de beschermingsregimes uit de Wnb de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan beantwoord. Vrij vertaald wordt bepaald of er uitzicht is op het verkrijgen van een Wnb-vergunning voor het project dat voortvloeit uit het bestemmingsplan. Volgens wet- en regelgeving bestaat deze toets uit een vergelijking tussen de laagst vergunde situatie sinds de aanwijzing van een Natura 2000-gebied en de maximale plansituatie. 2. Wet natuurbescherming-toets, zoals vastgesteld in artikel 2.7 lid 1 & artikel 2.8 lid 1 Wnb e.v.. Kortweg: voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan moet worden nagegaan of (uitvoering van) het plan kan leiden tot mogelijk significant negatieve gevolgen op een Natura 2000gebied. Volgens vaste jurisprudentie bestaat deze toets uit een vergelijking tussen de huidig feitelijke, planologische legale situatie en de maximale plansituatie.
06
Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle
2.2
Methode
2.2.1
AERIUS-berekeningen De stikstofemissies zijn gemodelleerd met AERIUS-Calculator (2020, release 15 oktober 2020), waarbij bepaald is of er sprake is van een toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in omliggende Natura 2000-gebieden. Bij de modellering van het plan in AERIUS-Calculator zijn de aanlegfase en gebruiksfase (deels) samen berekend, omdat de woningen die al gerealiseerd zijn gedurende de planperiode in gebruik worden genomen, terwijl er nog verder wordt gebouwd aan de overige woningen. De stikstofdepositie is in beeld gebracht vanaf het jaar dat begonnen wordt met het bouwrijp maken (2021) tot en met het jaar waarin alle woningen gerealiseerd zijn en in gebruik zijn genomen (2026). Draaiurenmethode Conform de AERIUS-instructie (BIJ12, 2020) is voor mobiele werktuigen (aanlegfase) de draaiurenmethode gehanteerd (zie kader 2.2). Dit betekent dat op basis van het aantal draaiuren in combinatie met het vermogen, de belasting en de emissiefactor de emissie wordt berekend. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen emissies van de mobiele machine tijdens: Normaal draaien, met een (gemiddelde) motorbelasting; Stationair draaien, met een lage motorbelasting, onder 10% van het maximale vermogen. Kader 2.2 Formules emissieberekening met de draaiurenmethode.
Draaiurenmethode Emissies tijdens volle belasting EMW=V*Be*G*EFW/1000 Met: EMW V Be G EFW
De emissie van het ingevoerde mobiele werktuig [kg/jaar] Het volle vermogen van dit mobiele werktuig [kW] De fractie van het volle vermogen van dit mobiele werktuig dat daadwerkelijk wordt gebruikt tijdens belasting [-] Het aantal uren dat dit mobiele werktuig gemiddeld wordt gebruikt [uren/jaar] Emissiefactor tijdens belast draaien [gram/kWh]
Emissies tijdens stationair draaien ES = TS * EFS_CI * CI / 1.000 CI = V / 20 Met: ES TS EFS_CI CI V
Emissie als gevolg van stationair draaien [kg/jaar] Aantal draaiuren per jaar stationair [uur/jaar] Emissiefactor tijdens stationair draaien per liter cilinderinhoud [gram/liter/uur] Cilinderinhoud [liter] Het volle vermogen van dit mobiele werktuig [kW]
07
Stikstofberekening StikstofberekeningStadshagen StadshagenBreezicht BreezichtNoord, Noord,buurtschap buurtschap3&4, 3&4,Zwolle Zwolle
3. Uitgangspunten 3.1
Algemeen Het bestemmingsplan wordt gefaseerd uitgevoerd, waarbij onderscheid is gemaakt in verschillende bouwfases (zie tabel 3.1). In eerste instantie wordt het terrein bouwrijp gemaakt, daarna volgt de bouw van de woningen en het woonrijp maken van het gebied. Er is vanuit gegaan dat de woningen het jaar na de bouw in gebruik worden genomen. Tabel 3.1 Fasering uitvoering werkzaamheden Breezicht Noord buurtschap 3 en 4. De aantallen in de tabel geven het percentage woningen/oppervlak weer dat betrokken is bij de fase. Bouwrijp maken Bouw Woonrijp maken Gebruiksfase
2021 33
2022 67 14 14
2023
2024
2025
2026
29 29 14
29 29 43
29 29 71
100
Tijdens de aanlegfase zijn de mobiele werktuigen en het transport van en naar het plangebied (transport van bouwmaterialen en werkverkeer personeel) bronnen van stikstofemissie. Tijdens de gebruiksfase is het verkeer van en naar de woningen van belang als stikstofbron. De woningen worden niet aangesloten op het gasnetwerk en hebben hierdoor geen stikstofemissie. De uitgangspunten voor het bouwrijp en woonrijp maken zijn door Sweco bepaald (Sweco, 2020a, 2020b, zie ook bijlage 2 en 3). De uitgangspunten voor de bouw van de woningen zijn gebaseerd op referentieprojecten van Ecogroen. Gegevens over de verkeersaantrekkende werking van de woningen tijdens de gebruiksfase zijn aangeleverd door de gemeente Zwolle.
3.2
Aanlegfase
3.2.1
Mobiele werktuigen Voor de berekeningen van de stikstofuitstoot van de machines is de draaiurenmethode gebruikt (zie paragraaf 2.2). De mobiele werktuigen draaien 70% van het aantal draaiuren belast en 30% onbelast (BIJ12, 2020). Conform intern beleid van de gemeente Zwolle is uitgegaan van moderne machines met bouwjaar 2014 of nieuwer. Deze machines voldoen aan de Stage IV emissienorm. De stikstofuitstoot van de machines die worden ingezet tijdens de verschillende bouwjaren is voor elke berekening ingevoerd in een vlakbron met een uitstoothoogte van 4 meter en een spreiding van 2 meter zoals aangegeven in de instructie gegevensinvoer 2020 (BIJ12, 2020).
08
Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle
De AERIUS-Calculator kent standaardwaarden voor belasting en emissiefactor gebaseerd op het type machine, vermogen en bouwjaar. Deze zijn gehanteerd voor de berekeningen. De stikstofuitstoot per jaar als gevolg van het bouw- en woonrijp maken en de bouw van de woningen is weergegeven in tabel 3.2. Voor een gedetailleerde uitwerking van de getallen voor het bouw- en woonrijp maken van het plangebied wordt verwezen naar Sweco (2020a & 2020b). Bijlage 1 geeft inzicht in de inzet van machines tijdens de bouwfase van de woningen. Tabel 3.2 Stikstofuitstoot (in kg) per jaar als gevolg van het bouwrijp maken van het plangebied en de bouw en het woonrijp maken van de woningen, onderverdeeld in NOx en NH3. NOx Bouwrijp maken Bouw Woonrijp maken Totaal NH3 Bouwrijp maken Bouw Woonrijp maken Totaal
3.2.2
2021
2022
2023
2024
2025
319
639 158,4 31 828
316,7 61 378
316,7 61 378
316,7 61 378
5,1 0,35 0,2 5,7
0,69 0,5 1,2
0,69 0,5 1,2
0,69 0,5 1,2
319
2,5
2,5
Verkeersbewegingen Tabel 3.3 geeft een overzicht van het aantal verkeersbewegingen per bouwjaar. Het aantal verkeersbewegingen voor het bouw- en woonrijp maken van het plangebied is berekend door Sweco (Sweco, 2020a). Het aantal voor de bouw van de woningen is gebaseerd op referentieprojecten van Ecogroen. De verkeersbewegingen zijn gemodelleerd als lijnbron in de categorie binnen bebouwde kom . Het verkeer is gemodelleerd via de Milligerlaan en de Stadshagenallee naar de Hasselterweg (Sweco, 2020a). Hier gaat het verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Voor de verkeerscategorieën zijn de standaardwaarden die AERIUS-Calculator hanteert voor de emissiefactoren en hoogtes aangehouden. Op het betreffende traject is in de NSL monitoringstool (Rijksoverheid, n.d.) geen congestie bekend. Er is daarom ook geen filepercentage meegenomen in AERIUS-Calculator. Tabel 3.3 Het aantal verkeersbewegingen per jaar als gevolg van het bouwrijp maken van het plangebied en de bouw en het woonrijp maken van de woningen, onderverdeeld in licht, middelzwaar en zwaar verkeer. 2021
2022
2023
2024
2025
Licht verkeer Bouw- en woonrijp maken Bouw Totaal
-
5525 5525
11050 11050
11050 11050
11050 11050
Middelzwaar verkeer Bouw- en woonrijp maken Bouw Totaal
-
220 220
440 440
440 440
440 440
Zwaar verkeer Bouw- en woonrijp maken Bouw Totaal
6184 6184
12592 1191 13783
448 2382 2830
448 2382 2830
2382 2830
09
Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle
3.3
Gebruiksfase
3.3.1
Verkeersbewegingen De verkeersgeneratie in de gebruiksfase voor het gehele bestemmingsplan is gelijk aan 1.950 verkeersbewegingen per etmaal. De verdeling van het aantal verkeersbewegingen in licht verkeer, middelzwaar verkeer en zwaar verkeer is overgenomen van de verdeling op een aantal ontsluitingswegen in Stadshagen: 96,4% licht verkeer, 2,6% middelzwaar verkeer en 1,0% zwaar verkeer (Rijksoverheid, n.d.). De verkeersintensiteiten zijn recht evenredig met het percentage woningen die in het desbetreffende rekenjaar in gebruik zijn en zijn weergegeven in tabel 3.4. De verkeersbewegingen zijn gemodelleerd als lijnbron met dezelfde eigenschappen als de lijnbron voor de verkeersbewegingen in de aanlegfase. Op het betreffende traject is in de NSL monitoringstool (Rijksoverheid, n.d.) geen congestie bekend. Er is daarom ook geen filepercentage meegenomen in AERIUS-Calculator. Tabel 3.4 Het aantal verkeersbewegingen per etmaal als gevolg van het gebruik van de woningen, onderverdeeld in licht, middelzwaar en zwaar verkeer. Licht verkeer Middelzwaar verkeer Zwaar verkeer Totaal
2021 -
2022 -
2023 269 7 3 279
2024 806 22 8 836
2025 1343 36 14 1393
2026 1880 51 20 1950
10
Stikstofberekening StikstofberekeningStadshagen StadshagenBreezicht BreezichtNoord, Noord,buurtschap buurtschap3&4, 3&4,Zwolle Zwolle
4. Resultaten en conclusie 4.1
Rekenresultaat De effecten van stikstofdepositie zijn gemodelleerd in de rekenjaren 2021 t/m 2026. Voor alle jaren geldt dat er sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Natura 2000-gebied Rijntakken. In alle jaren, behalve 2026, is ook sprake van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Olde Maten & Veerslootslanden en De Wieden. In 2022 is, naast stikstofdepositie op de eerder genoemde Natura 2000-gebieden, sprake van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Veluwe en Zwarte Meer (tabel 4.1). Uit de berekeningen volgt dat voor de aanlegfase in het bouwjaar 2022 (berekening met kenmerk RSb7Bu9xnsjW) sprake is van de grootste toename (maximaal 0,16 mol N/ha/jaar) van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in zes verschillende Natura 2000-gebieden (zie tabel 4.1). Uit de berekening voor de gebruiksfase (rekenjaar 2026) blijkt dat ook voor de gebruiksfase sprake is van een toename (maximaal 0,06 mol N/ha/jaar) van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Natura 2000-gebied Rijntakken (berekening met kenmerk RiZaRjGuJJ6n). Alle gemaakte AERIUS-berekeningen zijn als losse bijlage meegestuurd met deze rapportage.
Tabel 4.1 Mate van toename in stikstofdepositie per Natura 2000-gebied en per jaar. Natura 2000-gebied
Toename stikstofdepositie (mol N/ha/jaar)
2021
2022
2023
2024
2025
2026
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
0,06
0,16
0,08
0,10
0,11
0,06
Rijntakken
0,02
0,05
0,03
0,04
0,05
0,04
Olde Maten & Veerslootslanden
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
De Wieden
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
Veluwe
0,01
Zwarte Meer
0,01
11
Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle
4.2 Samenvatting en conclusie In deze rapportage is de stikstofdepositie voor de verschillende jaren van de aanlegfase en gebruiks3&4 -berekeningen inzichtelijk gemaakt. Uit de berekeningen van de verschillende jaren van de aanlegfase en van de gebruiksfase (met de kenmerken RUG7v3H4kzBS (2021), RSb7Bu9xnsjW (2022), RNA2N2jFQDNu (2023), Rtw48bLtdxG5 (2024), RubrpeZwNjXv (2025) en RubrpeZwNjXv (2026, gebruiksfase)) blijkt dat tijdens alle jaren van de aanlegfase sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat er ook dan sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden binnen omliggende Natura 2000gebieden. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg Noord, buurtschap 3&4 op voorhand uit te sluiten. Vervolgstappen zijn aan de orde, zoals: Ecologische beoordeling van de effecten van stikstofdepositie, of; een vergunningaanvraag via het stikstofregistratiesysteem (SSRS); extern salderen.
12
Stikstofberekening StikstofberekeningStadshagen StadshagenBreezicht BreezichtNoord, Noord,buurtschap buurtschap3&4, 3&4,Zwolle Zwolle
Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12. (2020). Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020 - versie oktober 2020. https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2020/10/Instructie-gegevensinvoer-AERIUS-Calculator-2020.pdf Kaajan, M. (2018). Bescherming van Natura 2000-gebieden via het bestemmingsplan. Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht, 2(5), 168 175. Rijksoverheid. (n.d.). NSL-monitoringstool viewer. Retrieved August 4, 2020, from https://www.nsl-monitoring.nl/viewer/ Rijksoverheid. (2020). Wet natuurbescherming. https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01 Sweco. (2020a). Bouwrijp / woonrijp maken Breezicht Noord. Stikstofemissie als gevolg van civiel- en cultuurtechnische werkzaamheden. Projectnummer 373677, revisie D01. Sweco. (2020b). BRM/WRM De Tippe en Breezicht Noord. Projectnummer 373677-5, versie D02.
13
Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle
Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle
Bijlage 1
Overzicht machine inzet voor de bouw van de woningen en de stikstofemissie per machine
Emissiefactor
Tijdens belasting van mobiele werktuigen
Tijdens stationair draaien van mobiele werktuigen
EF
Belast
Stationair
Bouwjaar vanaf
2014 2014 2014 2014 2014
Type machine
Graafmachine Heistelling Hijskraan Betonpomp Verreiker
375 450 200 200 250
Vermogen (kW)
0,69 0,69 0,69 0,69 0,84
Belasting (fractie)
0,8 1 1 1 0,9
EF NOx belast (g/kWh)
EF NOx stationair (g/L/uur) 10 10 10 10 10
Emissie
E
Overzicht invoergegevens AERIUS (draaiurenmethode)
Betekenis
Afkorting
Legenda
0,0024 0,0028 0,0028 0,0028 0,0024
EF NH3 belast (g/kWh)
Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle
EF NH3 stationair (g/L/uur) 0,0031 0,0031 0,0031 0,0031 0,0031 1.364 1.978 5.656 816 1.263
Aantal draaiuren
Stationair draaien (%) 30 30 30 30 30 18,8 22,5 10,0 10,0 12,5 Totaal
Cilinder inhoud (L)
E NOx stationair (kg/jr) 45 79 100 14 28 267 117 255 324 47 98 842
E NOx belast (kg/jr)
163 334 424 61 126 1109
E NOx totaal (kg/jr)
E NH3 stationair (kg/jr) 0,01 0,02 0,03 0,00 0,01 0,1
0,35 0,70 0,89 0,13 0,26 2,3
E NH3 belast (kg/jr)
0,37 0,73 0,93 0,13 0,27 2,4
E NH3 totaal (kg/jr)
Stikstofberekening Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3&4, Zwolle
Bijlage 2
Sweco (2020a). Bouwrijp / woonrijp maken Breezicht Noord. Stikstofemissie als gevolg van civiel- en cultuurtechnische werkzaamheden.
Rapport Projectnummer: 373677 Referentienummer: Stikstofemissie_Breezicht_Noord.docm Datum: 25-08-2020
Bouwrijp/woonrijp maken Breezicht Noord Stikstofemissie als gevolg van civiel- en cultuurtechnische werkzaamheden
Definitief, D01
Opdrachtgever: Gemeente Zwolle Postbus 10007 8000 GA ZWOLLE
Sweco Zuiderzeelaan 53 8017 JV Zwolle Postbus 1364 8001 BJ Zwolle
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
Bert Dekker Adviseur T +31 88 811 64 36 M +31 6 30 79 82 36
Revisiebeheer Revisie C01 C02 C03
Datum 28-07-2020 13-08-2020 21-08-2020
Status Concept Concept Concept
D01
25-08-2020
Definitief
Belangrijkste wijzigingen Eerste versie Versie voor externe review draaiuren Draaiuren definitief Versie voor interne review emissiebepaling Interne review verwerkt
2 (30)
Verantwoording Titel
Bouwrijp/woonrijp maken Breezicht Noord
Subtitel
Stikstofemissie als gevolg van civiel- en cultuurtechnische werkzaamheden
Projectnummer
373677
Referentienummer
Stikstofemissie_Breezicht_Noord.docm
Revisie
D01
Datum
25-08-2020
Auteur
Bert Dekker Martijn van Winkoop
E-mailadres
bert.dekker@sweco.nl
Gecontroleerd door
Mathijs Kok (materieelinzet, Sweco) Otto Offereins (materieelinzet, Gemeente Zwolle) Rik Zegers (emissie, Sweco)
Paraaf gecontroleerd
MK, RZ
Goedgekeurd door
Richard Sleumer
Paraaf goedgekeurd
3 (30)
Inhoudsopgave 1
Inleiding .................................................................................................................. 6
1.1
Leeswijzer................................................................................................................ 6
2
Methodiek ............................................................................................................... 7
2.1
Bepalen activiteiten en materieel............................................................................. 7
2.2
Berekenen draaiuren ............................................................................................... 7
2.3
Bepalen aantal ritten en routering vrachtverkeer .................................................... 7
2.4
Berekenen stikstofemissie ....................................................................................... 7
3
Draaiuren ................................................................................................................ 9
3.1
Bouwrijp maken ....................................................................................................... 9
3.1.1
Sloop/saneren.......................................................................................................................9
3.1.2
Grondwerk ............................................................................................................................9
3.1.3
Verharding ..........................................................................................................................12
3.1.4
Riolering/drainage ...............................................................................................................14
3.1.5
Kunstwerken .......................................................................................................................17
3.1.6
Overig .................................................................................................................................19
3.2
Woonrijp maken..................................................................................................... 21
3.2.1
Verharding ..........................................................................................................................21
3.2.2
Groen ..................................................................................................................................24
3.2.3
Overig .................................................................................................................................25
4
Emissie ................................................................................................................. 28
4.1
Mobiele werktuigen................................................................................................ 28
4.2
Wegverkeer ........................................................................................................... 28
4.2.1
Route ..................................................................................................................................28
5
Conclusie.............................................................................................................. 30
Bijlage 1
Schetsen en principeprofielen
Bijlage 2
Overzicht activiteiten, draaiuren en emissies
4 (30)
Overzicht tabellen Tabel 3.1-1: Maaien en frezen ................................................................................................ 9 Tabel 3.1-2: Opschonen sloten ............................................................................................... 9 Tabel 3.1-3: Grond ontgraven ................................................................................................. 9 Tabel 3.1-4: Zand ontgraven ................................................................................................. 10 Tabel 3.1-5: Grond opladen, vervoeren en verwerken.......................................................... 10 Tabel 3.1-6: Zand opladen, vervoeren en verwerken ........................................................... 10 Tabel 3.1-7: Grond leveren en verwerken ............................................................................. 10 Tabel 3.1-8: Zand leveren en verwerken............................................................................... 11 Tabel 3.1-9: Terrein afstrooien met grond............................................................................. 11 Tabel 3.1-10: Wijkontsluiting ................................................................................................. 12 Tabel 3.1-11: Fietspaden.......................................................................................................
12 Tabel 3.1-12: bouwwegen stelconplaten............................................................................... 13 Tabel 3.1-13 Rijweg klinkers ................................................................................................. 13 Tabel 3.1-14: Transportriool .................................................................................................. 14 Tabel 3.1-15: DWA ................................................................................................................ 14 Tabel 3.1-16: IT-Riool............................................................................................................ 15 Tabel 3.1-17: bronbemaling................................................................................................... 16 Tabel 3.1-18: Huisaansluitingen ............................................................................................ 16 Tabel 3.1-19: Tussengemalen............................................................................................... 17 Tabel 3.1-20: Autobrug Z06................................................................................................... 17 Tabel 3.1-21: Voetbrug..........................................................................................................
17 Tabel 3.1-22: Hoge voetbrug................................................................................................. 18 Tabel 3.1-23: Stuw en Dam................................................................................................... 18 Tabel 3.1-24: Kademuur haven ............................................................................................. 18 Tabel 3.1-25: Duiker .............................................................................................................. 19 Tabel 3.1-26: Zonne-eiland ................................................................................................... 19 Tabel 3.1-27: Berm................................................................................................................ 19 Tabel 3.1-28: Water............................................................................................................... 19 Tabel 3.2-1: Wijkontsluiting ................................................................................................... 21 Tabel 3.2-2: Fietspaden......................................................................................................... 22 Tabel 3.2-3: Rijweg klinkers ..................................................................................................
22 Tabel 3.2-4: Parkeren............................................................................................................ 23 Tabel 3.2-5: Trottoir ............................................................................................................... 23 Tabel 3.2-6: Wijkpark............................................................................................................. 24 Tabel 3.2-7: blok- en buurtgroen ........................................................................................... 24 Tabel 3.2-8: Inrichting zonne-eiland ...................................................................................... 25 Tabel 3.2-9: Woonrijp maken riolering .................................................................................. 25 Tabel 3.2-10: Brandkranen.................................................................................................... 25 Tabel 3.2-11: Verlichting........................................................................................................ 25 Tabel 3.2-12: Leefmilieu ........................................................................................................ 26 Tabel 3.2-13: Speelvoorzieningen.........................................................................................
26 Tabel 3.2-14: Speelplek buurtniveau..................................................................................... 26 Tabel 3.2-15: Speelplek wijkniveau ....................................................................................... 26 Tabel 3.2-16: hondenuitlaatveld ............................................................................................ 27 Tabel 3.2-17: Matuurinclusiviteit nestkastjes......................................................................... 27 Tabel 4.1-1: factoren emissieberekening .............................................................................. 28
5 (30)
1
Inleiding
Aan de noordzijde van Stadshagen ontwikkeld de Gemeente Zwolle de woonbuurt Breezicht Noord, die Figuur 1. In deze buurt komen circa 532 woningen en voorzieningen. De gemeente is momenteel bezig me het uitwerken van het bestemmingsplan. In 2021 wil men starten met de bouw van de eerste woningen.