CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

deel 2 - bestemmingsplan Stadshagen II, Breezicht Noord-2

Raad Besluitvormingsronde 7 november 2022, gemeente ZwolleBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Stadshagen II, Breezicht Noord-230.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Naar de effecten van stikstofdepositie op het leefgebied is geen direct onderzoek gedaan, maar aannemelijk is dat vermesting leidt tot verruiging van de vegetatie en daarmee tot een lager aanbod en/of een lagere bereikbaarheid van voedsel voor de Vogelrichtlijnsoorten [lit. 16]. Niet alle in de herstelstrategie genoemde soorten zijn aangewezen als kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Alleen soorten die aangewezen zijn voor Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht worden meegenomen in de effectbeoordeling (zie tabel 5.7).

25 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

Relevante soorten leefgebieden In het aanwijzingsbesluit van Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht zijn voor de beschreven leefgebieden twee kwalificerende broedvogelsoorten en één kwalificerende nietbroedvogelsoort aangewezen. Tabel 5.7 geeft hiervan een overzicht. In onderstaande paragrafen zijn voor deze soorten de effecten van stikstofdepositie ten gevolge van het project geanalyseerd.

Tabel 5.7 Kwalificerende stikstofgevoelige soorten in voor Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht aangewezen leefgebieden Soort

Leefgebied

Doelstelling

Soort afhankelijk van N-gevoelig habitattype en/of leefgebied?

grutto

Lg07, Lg08

niet-broedvogel

ja

Lg08, Lg10, Lg11

broedvogel

ja

Lg10

broedvogel

ja

kwartelkoning zwarte stern

Grutto (A156) Ecologische vereisten zoeken hun voedsel zowel in moerassen en ondiepe meren als in overstroomde graslanden, bijvoorbeeld in boezemlanden en uiterwaarden. Ze gebruiken zowel voor als na het broedseizoen ondiepe wateren in dergelijke gebieden als gemeenschappelijke slaapplaatsen. Soms zijn rust/slaapplaats en voedselgebied echter tientallen kilometers van elkaar gescheiden. Kleine ongewervelden vormen de voornaamste voedselbron voor de grutto. In graslanden voedt de soort zich vooral met regenwormen, larven van langpootmuggen (emelten) en muggenlarven; in moerassen overwegend met muggenlarven en aasgarnalen [lit. 17]. Voorkomen en kwaliteit Het seizoensgemiddelde van het voorkomen van grutto in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht ligt onder de tachtig, waarmee de instandhoudingsdoelstelling niet wordt behaald.1 Recente cijfers over de periode 2015-2020 laten fluctuerende aantallen zien, met een seizoensgemiddelde van tien individuen en een seizoensmaximum van achtenzeventig individuen, gemeten in de maand maart [lit. 20]. Waarschijnlijk heeft het r Nederland. Het januari) concentreren in het zuidwesten van Nederland, met name langs de Westerschelde. De doortrek van -april heeft een ruimere verspreiding. Aanzienlijke aantallen van de populatie komen dan voor in het rivierengebied, vooral langs de IJssel, en langs de Waddenkust [lit. 17].

De grutto is voor geschikt foerageergebied afhankelijk van open (natte en vochtige) graslanden, waartoe onder andere Lg07 en Lg08 behoren. In de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is de grutto niet primair afhankelijk van deze leefgebieden, de soort komt (vooral) voor op (extensieve) agrarische graslanden. De trend in oppervlakte en kwaliteit en kwaliteit van Lg07 en Lg08 zijn niet bekend [lit. 18]. Het landelijk teruglopen van de gruttopopulatie wordt veel onderzocht. Hieruit komt naar voren dat vooral het lage voortplantingssucces een rol speelt [lit. 18]. Het voortplantingssucces hangt samen met voldoende voeding voor de kuikens. Het waterpeil, beheer en vegetatie zijn hiervoor cruciale factoren, terwijl de rol van stikstofdepositie beperkt is [lit. 18]. Hoewel stikstofdepositie, ook in Lg07 en Lg08, kan leiden tot verdichting van de vegetatie en een slechtere bereikbaarheid van prooien voor grutto, is dit dus niet de belangrijkste oorzaak voor de dalende aantallen van grutto in Nederland [lit. 14]. Daarbij heeft de grutto een 1

Het seizoensgemiddelde dat in de gebiedsanalyse staat beschreven komt niet overeen met de cijfers van Sovon. Daar is contact over opgenomen met de provincie Overijssel (mw. S. Kriesch, maart 2021). Uitkomst van het contact is dat de cijfers van Sovon gevolgd moeten worden, maar contact tussen de provincie en de gebiedsecoloog van Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht zou nog kunnen leiden tot andere inzichten over de verschillen tussen de gebiedsanalyse en Sovon.

26 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

instandhoudingsdoelstelling als niet-broedvogel in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Het gebied is aangewezen als slaap- en rustplaats en foerageergebied. In de gebiedsanalyse blijkt dat niet duidelijk is in hoeverre stikstofdepositie een knelpunt is voor grutto in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. De grutto in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is gevoelig voor verstoring, concentreren op gemeenschappelijke slaapplaatsen. Verstoring kan optreden door recreatie, lichtbronnen en werkzaamheden [lit. 18]. Hoewel het seizoensgemiddelde van de grutto in het gebied niet wordt behaald, blijkt uit het seizoensmaximum dat het gebied voldoende draagkracht heeft voor een populatie van tachtig individuen. Instandhoudingsdoelstellingen De doelstellingen voor de grutto (niet-broedvogel) zijn behoud van oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste tachtig vogels (seizoensgemiddelde) in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Het leefgebied heeft een instandhoudingsdoelstelling als slaap- en rustplaats en foerageergebied. Effectbepaling- en beoordeling Aanlegfase De KDW van Lg08 (Nat, matig voedselrijk grasland) bedraagt 1.571 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.549 tot 1.860 mol N/ha/jr.

De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,15 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 7.651 m2 vindt tijdelijke stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 1,7 % van de totale oppervlakte van Lg08 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Daarbij is Lg08 één van de gebieden waar grutto gebruik van maakt. Zoals in de gebiedsanalyse is beschreven komt de soort in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (vooral) voor op (extensieve) agrarische graslanden. De KDW van Lg07 (Dotterbloemgrasland van veen en klei) bedraagt 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en overschrijding van de KDW 1.363 tot 1.803 mol N/ha/jr. De planbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft maximaal 0,04 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 16.182 m2 vindt tijdelijke stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is 6,2 % van de totale oppervlakte van Lg07 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Daarbij is Lg07 één van de gebieden waar grutto gebruik van maakt. Zoals in de gebiedsanalyse is beschreven komt de soort in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (vooral) voor op (extensieve) agrarische graslanden.

Uit de PAS-gebiedsanalyse van Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht blijkt dat onbekend is in hoeverre grutto van Lg07 en Lg08 gebruikmaakt als leefgebied. Grutto is niet primair afhankelijk van Lg07 en Lg08 en komt ook (vooral) voor ter hoogte van (extensieve) agrarische graslanden. Op de slaapplaatsen is grutto gevoelig voor verstoring [lit. 18]. Hoewel bekend is dat stikstofdepositie in het leefgebied kan leiden tot verruiging en verdichting van de vegetatie en daarmee tot een lagere bereikbaarheid van prooien voor grutto, is onbekend of dit speelt in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Vanwege de geringe overschrijding van de KDW door de ADW en de planbijdrage zal dit echter niet optreden. De tijdelijke bijdrage van het project is namelijk dermate kort (maximaal vier jaar) en klein (maximaal 0,15 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (12,5 tot 15 jaar, zie tabel 3.1) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het leefgebiedtype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het leefgebiedtype richting een minder heterogene (minder kruidenrijk) en ruigere vegetatie. Hierdoor nemen de oppervlakte en kwaliteit van de leefgebieden Lg07 en Lg08 voor grutto niet af.

Vanwege de kleine en tijdelijke aard van de planbijdrage en het kleine aandeel van het leefgebied waarop de planbijdrage plaatsvindt, veroorzaakt het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van het leefgebied van de grutto. Doordat de vegetatiesamenstelling en -structuur niet veranderen heeft de planbijdrage geen negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling van voldoende draagkracht voor een populatie van tenminste tachtig individuen.

27 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

Gebruiksfase De KDW van Nat, matig voedselrijk grasland (Lg08) is 1.571 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.549 tot 1.597 mol N/ha/jr. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,06 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 1.288 m2 vindt permanente stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 0,3 % van de totale oppervlakte van Lg08 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Daarbij is Lg08 één van de gebieden waar grutto gebruik van maakt. Zoals in de gebiedsanalyse is beschreven komt de soort in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (vooral) voor op (extensieve) agrarische graslanden. De KDW van Dotterbloemgrasland van veen en klei (Lg07) is 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en overschrijding van de KDW 1.363 tot 1.768 mol N/ha/jr. De planbijdrage op locaties waar de KDW wordt overschreden betreft maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 7.817 m2 vindt permanente stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 3,0 % van de totale oppervlakte van Lg07 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Daarbij is Lg07 één van de gebieden waar grutto gebruik van maakt.

Zoals in de gebiedsanalyse is beschreven komt de soort in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht (vooral) voor op (extensieve) agrarische graslanden. Vanwege de geringe overschrijding van de KDW door de ADW en de planbijdrage zal het effect van de planbijdrage op Lg08 voor de grutto zeer beperkt zijn. Uit tabel 3.1 blijkt dat een langdurige overschrijding (meer dan 15 jaar) van de KDW kan leiden tot kwaliteitsverlies/areaalverlies van habitattypen/leefgebieden. De KDW van Lg08 is echter al langdurig overschreden en de planbijdrage van maximaal 0,04 mol N/ha/jr. is ten opzichte van die overschrijding klein. Op plantniveau is een bijdrage van 0,04 mol N/ha/jr. verwaarloosbaar (zie paragraaf 3.5). Hoewel bekend is dat stikstofdepositie in het leefgebied kan leiden tot verruiging en verdichting van de vegetatie en daarmee tot een lagere bereikbaarheid van prooien voor grutto, is onbekend of dit speelt in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Daarnaast is onbekend in hoeverre grutto van Lg07 en Lg08 gebruik maakt als leefgebied. Wel is bekend dat grutto (vooral) gebruik maakt van agrarische graslanden [lit. 18].

Uit de gebiedsanalyse blijkt ten slotte dat grutto met name gevoelig is voor verstoring, voornamelijk op de slaap- en rustplaatsen, en dat het landelijk teruglopen van de gruttopopulatie niet wordt veroorzaakt door stikstofdepositie, maar met name afhangt van waterpeil, beheer en vegetatie [lit. 17]. Vanwege het kleine aandeel van het leefgebied waarop een planbijdrage plaatsvindt en het feit dat stikstof een zeer beperkt knelpunt vormt, veroorzaakt het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van het leefgebied van de grutto. Hierdoor komt het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (behoud van oppervlakte en kwaliteit) niet in gevaar. De planbijdrage heeft geen negatief effect op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling van voldoende draagkracht voor een populatie van tenminste tachtig individuen. Conclusie Vanwege de kleine en tijdelijke aard van de planbijdrage zijn negatieve en significant negatieve effecten in de aanlegfase uit te sluiten. De aanlegfase veroorzaakt geen significante gevolgen.

Voor de gebruiksfase zijn negatieve en significant negatieve effecten uit te sluiten vanwege de kleine oppervlakte waarop depositie terechtkomt in vergelijking tot het gehele leefgebied, het feit dat grutto niet dominant afhankelijk is van Lg07 en Lg08 als rust- en foerageerbiotoop en het feit dat grutto in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht met name op de slaapplaatsen gevoelig is voor verstoring. Significante gevolgen voor grutto ten gevolge van de permanente en tijdelijke stikstofdepositie door het plan zijn met zekerheid uit te sluiten.

Kwartelkoning (A122)

28 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

Ecologische vereisten De broedhabitat van de kwartelkoning kenmerkt zich door een meer dan 20 cm hoge gesloten kruidenrijke vegetatie. De moerasvegetatie mag niet zo dicht van structuur zijn dat het dier er niet goed meer doorheen kan lopen. In Nederland wordt de kwartelkoning vooral gevonden in extensief onderhouden kruiden- en bloemrijke hooilanden in rivier- en beekdalen. Kwartelkoningen broeden later dan veel weidevogels: de dieren kiezen in mei hun broedgebied. In de loop van de zomer volgt een tweede legsel. De kwartelkoning heeft een relatief korte levensduur, daarom zijn de tweede legsels essentieel voor een duurzame populatie. Om een tweede legsel mogelijk te maken moet het broedhabitat over een lange periode beschikbaar zijn, van half mei tot begin september. Tijdens het broedseizoen worden vooral insecten, slakken en ander klein gedierte gegeten, in de rest van het jaar vormen zaden de hoofdmoot van het menu van de kwartelkoning [lit. 19]. Voorkomen en kwaliteit De kwartelkoning is voor geschikt foerageer- en broedgebied afhankelijk van de leefgebieden Lg08, Lg10 en Lg11 en een tweetal andere voor deze effectenstudie niet relevante habitattypen. De huidige kwaliteit van het leefgebied van de kwartelkoning is goed. De populatie daarentegen kent een dalende trend, zoals in heel Nederland het geval is.

Het aantal broedparen varieerde tussen 2014 en 2019 van nul tot vier [lit. 20]. Het belangrijkste knelpunt voor de kwartelkoning in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is het te vroeg maaien van de hooilanden. Hierdoor zijn geschikte broedlocaties afwezig of gaan broedsels van de kwartelkoning verloren. In het huidige beheer wordt hier rekening mee gehouden. Stikstofdepositie kan een ander knelpunt vormen, bijvoorbeeld door invloed op vegetatiestructuur, maar er is onvoldoende bekend welke niet als habitattype kwalificerende graslanden in het gebied geschikt leefgebied vormen voor de kwartelkoning. In de voor kwartelkoning geschikte habitattypen vormt stikstofdepositie geen knelpunt. In de overige leefgebieden kan hoge stikstofdepositie leiden tot verruiging en verdichting van de vegetatie en tot verlies van diversiteit en bereikbaarheid van prooien. De geschiktheid als foerageergebied neemt dan af. Omdat de landelijke trend van de kwartelkoning niet samenhangt met stikstofdepositie, maar met een verschuiving van broedpopulaties tussen West- en Oost-Europa, wordt stikstofdepositie enkel als een zeer klein knelpunt gezien [lit. 18]. Instandhoudingsdoelstellingen De doelstellingen voor de kwartelkoning zijn behoud van oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5 broedparen in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht.

Effectbepaling- en beoordeling Aanlegfase De KDW van Lg08 (Nat, matig voedselrijk grasland) bedraagt 1.571 mol N/ha/jr. en van Lg10 (Kamgrasweide op veen) en Lg11 (Kamgrasweide op klei) bedraagt de KDW 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW maximaal 1.860 mol N/ha/jr. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,15 mol N/ha/jr. voor Lg08, 0,16 mol N/ha/jr. voor Lg10 en 0,13 mol N/ha/jr. voor Lg11. Stikstofdepositie ten gevolge van het plan vindt in de aanlegfase op Lg08, Lg10 en Lg11 plaats op een oppervlakte van respectievelijk 7.651, 16.434 en 7.161 m2. Dit is 1,7 % van de totale oppervlakte van Lg08, 9,0 % van de totale oppervlakte van Lg10 en 1,5 % van de totale oppervlakte van Lg11 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Stikstofdepositie kan leiden tot vermesting en daarmee tot verruiging en verdichting van de vegetatie. Hierdoor neemt de geschiktheid als foerageergebied af [lit. 18]; op de broedgelegenheid heeft dit geen invloed. Het is onbekend of stikstofdepositie een knelpunt vormt in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. De landelijke trend van de kwartelkoning hangt er in ieder geval niet mee samen, omdat maaibeheer het voornaamste knelpunt vormt voor de kwartelkoning [lit. 19].

Door het te vroeg in het jaar maaien van een hooilanden zijn geschikte broedlocaties afwezig of gaan broedsels verloren [lit. 18]. Naast vroege maaidata is de hoge synchroniciteit van maaien/oogsten problematisch voor de kwartelkoning, omdat het gehele leefgebied in korte tijd grotendeels verloren gaat [lit. 19].

29 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

Uit de herstelstrategie van Lg11 blijkt dat het reguliere beheer kan bestaan uit het opbrengen van ruige stalmest, tot maximaal 50 kg N/hectare [lit. 16]. 50 kg N staat gelijk aan 3.570 mol N/ha. De planbijdrage van maximaal 0,13 mol N/ha/jr. is in verhouding tot deze hoeveelheid zeer klein en zal in geen geval leiden tot een verandering van de kwaliteit van Lg11. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 4 jaar) en klein (maximaal 0,16 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (12,5 tot 15 jaar, zie tabel 3.1) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op de leefgebiedtypen leidt daardoor niet tot een verschuiving van de leefgebiedtypen richting een minder heterogene (minder kruidenrijk) en ruigere vegetatie. Hierdoor nemen de oppervlakte en kwaliteit van de leefgebieden Lg08, Lg10 en Lg11 voor de kwartelkoning niet af.

Vanwege het kleine en tijdelijke karakter van de planbijdrage, het kleine aandeel van het leefgebied waarop een planbijdrage plaatsvindt, de goede kwaliteit van het leefgebied en het feit dat niet stikstof maar het maaibeheer het belangrijkste knelpunt vormt voor de kwartelkoning, veroorzaakt het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van het leefgebied van de kwartelkoning. Hierdoor komt het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit) niet in gevaar. Ook het behalen van de populatiedoelstelling van de kwartelkoning komt niet in gevaar door de planbijdrage. Gebruiksfase De KDW van Lg08 (Nat, matig voedselrijk grasland) bedraagt 1.571 mol N/ha/jr. en van Lg10 (Kamgrasweide op veen) en Lg11 (Kamgrasweide op klei) bedraagt de KDW 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW maximaal 1.597 mol N/ha/jr. voor Lg08 en Lg10 en maximaal 1.410 mol N/ha/jr. voor Lg11. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,06 mol N/ha/jr. voor Lg08 en Lg10 en 0,04 mol N/ha/jr. voor Lg11.

Voor kwartelkoning is binnen de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht ruim 251 ha aangewezen als potentieel geschikt leefgebied dat in meer of mindere mate gevoelig is voor de verzurende en vermestende effecten van stikstofdepositie. 111 ha valt binnen de leefgebieden Lg08, Lg10 en Lg11. Dit betreft 44 % van het totale leefgebied van de kwartelkoning in de Rijntakken [lit. 28]. Op een oppervlakte van respectievelijk 1.288, 16.392 en 570 m2 van Lg08, Lg10 en Lg11 vindt permanente stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is, gecumuleerd, 9,3 % van de totale oppervlakte van Lg08, Lg10 en Lg11 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Stikstofdepositie kan leiden tot vermesting en daarmee tot verruiging en verdichting van de vegetatie. Hierdoor neemt de geschiktheid als foerageergebied af [lit. 18]. Hoewel onvoldoende bekend is of stikstof een probleem is voor de kwartelkoning in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, kan gesteld worden dat het knelpunt zeer klein is omdat de landelijke trend niet samenhangt met stikstofdepositie. Het belangrijkste knelpunt voor kwartelkoning is het te vroeg in het jaar maaien van hooilanden, waardoor geschikte broedlocaties afwezig zijn of broedsels verloren gaan [lit. 18].

Vanwege het kleine aandeel van het leefgebied waarop een planbijdrage plaatsvindt, de goede kwaliteit van het leefgebied en het feit dat niet stikstof maar het maaibeheer het belangrijkste knelpunt vormt voor de kwartelkoning, kan gesteld worden dat het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van het leefgebied van de kwartelkoning veroorzaakt. Hierdoor komt het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (behoud van oppervlakte en kwaliteit) niet in gevaar. Ook het behalen van de populatiedoelstelling van de kwartelkoning komt niet in gevaar door de planbijdrage. Conclusie Vanwege de kleine en tijdelijke aard van de planbijdrage zijn negatieve en significant negatieve effecten in de aanlegfase uit te sluiten. Voor de gebruiksfase zijn negatieve en significant negatieve effecten uit te sluiten vanwege de kleine oppervlakte waarop depositie terechtkomt en het feit dat het voornaamste knelpunt voor kwartelkoning wordt gevormd door het maaibeheer.

30 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

Significante gevolgen voor kwartelkoning ten gevolge van de permanente en tijdelijke stikstofdepositie door het plan zijn met zekerheid uit te sluiten.

Zwarte stern (A197) Ecologische vereisten De zwarte stern is tijdens het broedseizoen gebonden aan zoet water. De broedbiotoop bestaat vooral uit zoetwatermoerassen, vennen, uiterwaarden, plassen en sloten, en oevers van meren en langzaam stromende rivieren. De zwarte sterns bouwen hun nesten van nature op drijvende waterplanten, vroeger was dat vaak krabbenscheer. Bij afwezigheid van geschikte waterplanten gebruiken zwarte sterns in veel moerasgebieden tegenwoordig kunstvlotjes of andere drijvende materialen (onder andere vegetaties van waterlelie en gele plomp) als nestgelegenheid, die speciaal voor dit doel worden neergelegd. Plaatselijk nestelt de soort langs slootkanten in graslanden en op drooggevallen modderplaten. Zwarte sterns eten in de broedtijd veel insecten en andere kleine ongewervelde dieren. Naast een voldoende groot aanbod van insecten is de aanwezigheid van visrijk water binnen een straal van 5 km van het nest van belang, omdat vissen een noodzakelijke aanvulling op het dieet van de zwarte stern vormen. De vogels zoeken voedsel tot op vele kilometers van het nest, zowel in moerassen in natuurgebieden als in sloten, of ook boven hooilanden in agrarische gebieden [lit. 21]. Voorkomen en kwaliteit In de periode 1999-2003 lag het aantal broedparen in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht jaarlijks tussen de 38 en 58 [lit. 18].

In de periode 2014 tot en met 2019 varieerde het aantal broedparen tussen de negenendertig en negenenzestig [lit. 20]. De populatietrend is daarmee stabiel. De zwarte stern broedt op uitgelegde rietmatjes en vlotjes. De huidige kwaliteit van het leefgebied is matig. De trend in kwaliteit van het leefgebied is onbekend [lit. 18]. Zwarte stern is voor broed- en foerageerbiotoop afhankelijk van het habitattype Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), de soort foerageert beperkt in Lg10. Het belang van Lg10 voor de zwarte stern is daarmee klein [lit. 15]. Hoewel de KDW van Lg10 wordt overschreden, vormt stikstofdepositie geen knelpunt voor Lg10 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht [lit. 18]. Vanwege de grote concentratie van zwarte sterns op één of enkele slaapplaatsen is de soort gevoelig voor verstoring. Daarnaast heeft verstoring tijdens het broedseizoen effect op de populatie. Vissers en (motor)boten veroorzaken verstoring, wat kan leiden tot een lager broedsucces [lit. 21]. Ook verstoring rond nestvlotjes is een knelpunt [lit. 18]. Instandhoudingsdoelstellingen De doelstellingen voor de zwarte stern zijn uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 60 broedparen in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht.

Effectbepaling- en beoordeling Aanlegfase De KDW van Lg10 (Kamgrasweide op zand en veen) bedraagt 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.367 tot 1.597 mol N/ha/jr. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,16 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 16.434 m2 vindt tijdelijke stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is 9,0 % van de totale oppervlakte van Lg10 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Zwarte stern maakt beperkt gebruik van Lg10 als foerageerbiotoop. Op Lg10 is weliswaar sprake van overbelasting door stikstofdepositie, maar stikstofdepositie vormt geen knelpunt [lit. 18]. Ten gevolge van het plan vindt op 9,0 % van de door stikstofdepositie (naderend) overbelaste oppervlakte van Lg10 depositie plaats. Het broedsucces van zwarte stern hangt echter niet af van stikstofdepositie, maar wordt bepaald door verstoring, welke kan plaatsvinden door vissers en motorboten. Ook op de slaapplaatsen is zwarte stern gevoelig voor verstoring.

31 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

Verruiging en verzuring zouden invloed kunnen hebben op de vegetatie en daarmee op de kwaliteit van het broedgebied. De tijdelijke bijdrage van het project is echter dermate kort (maximaal vier jaar) en klein (maximaal 0,16 mol N/ha/jr.) dat die geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling of -structuur tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (12,5 jaar, zie tabel 3.1) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het leefgebiedtype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het leefgebiedtype richting een minder heterogene (minder kruidenrijk) en ruigere vegetatie. Hierdoor nemen de oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied Lg08 voor zwarte stern niet af. Vanwege het kleine en tijdelijke karakter van de planbijdrage, het kleine aandeel van het leefgebied waarop een planbijdrage plaatsvindt, het kleine belang van Lg10 voor zwarte stern en bovenal het feit dat stikstof geen knelpunt vormt voor de kwaliteit van Lg10, veroorzaakt het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van het leefgebied van de zwarte stern. Hierdoor komt het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit) niet in gevaar. Gebruiksfase De KDW van Lg10 (Kamgrasweide op zand en veen) bedraagt 1.429 mol N/ha/jr.

De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.549 tot 1.597 mol N/ha/jr. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,06 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 16.392 m2 vindt permanente stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is 8,9 % van de totale oppervlakte van Lg10 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Zwarte stern maakt beperkt gebruik van Lg10 als foerageerbiotoop. Op Lg10 is weliswaar sprake van overbelasting door stikstofdepositie, maar stikstofdepositie vormt geen knelpunt [lit. 18]. Ten gevolge van het plan vindt op 8,9 % van de door stikstofdepositie (naderend) overbelaste oppervlakte van Lg10 depositie plaats. Het broedsucces van zwarte stern hangt niet af van stikstofdepositie, maar wordt bepaald door verstoring, welke kan plaatsvinden door vissers en motorboten. Ook op de slaapplaatsen is zwarte stern gevoelig voor verstoring. Vanwege het kleine aandeel van het leefgebied waarop een planbijdrage plaatsvindt, het kleine belang van Lg10 voor zwarte stern en bovenal het feit dat stikstof geen knelpunt vormt voor Lg10, veroorzaakt het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van het leefgebied van de zwarte stern.

Hierdoor komt het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit) niet in gevaar. De planbijdrage heeft geen effect op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling van voldoende draagkracht voor een populatie van tenminste zestig broedparen. Conclusie Vanwege de kleine en tijdelijke aard van de planbijdrage zijn negatieve en significant negatieve effecten in de aanlegfase uit te sluiten. Voor de gebruiksfase zijn negatieve effecten en significant negatieve effecten uit te sluiten vanwege het feit dat zwarte stern weinig gebruik maakt van Lg10 en stikstofdepositie geen knelpunt is voor Lg10. Significante gevolgen voor zwarte stern ten gevolge van de permanente en tijdelijke stikstofdepositie door het plan zijn met zekerheid uit te sluiten.

5.4.2

H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)

Beschrijving Het habitattype Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510) betreft soortenrijke, bloemrijke hooilanden op tamelijk voedselrijke, doorgaans kleihoudende gronden. Deze hooilanden liggen met name in de uiterwaarden en komgronden van het rivierengebied, in polders met een klei-op-veen-grond of op zavelige oeverwallen in beekdalen en op hellingen en droogdalen in het heuvelland. De begroeiingen van het

32 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

habitattype komen ook voor op de kunstmatig opgebrachte kleihoudende grond van dijken. Daar vormen ze linten en liggen ze relatief hoog en droog. De lager gelegen hooilanden van dit habitattype worden af en toe overstroomd. De plantengemeenschappen van dit habitattype in Nederland worden gerekend tot twee plantensociologische verbonden, op basis waarvan twee subtypen worden onderscheiden [lit. 22]. Het subtype A, Glanshaverhooilanden, komt voor op de hogere delen van de uiterwaarden (stroomruggen, oeverwallen en rivierduinen en dijken). De bodem bestaat uit kleiige tot licht zavelige gronden. De bodem is zwak zuur tot basisch en matig voedselrijk. De standplaats is matig droog tot vochtig (gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand van meer dan 40 cm beneden maaiveld, gecombineerd met maximaal tweeënveertig dagen droogtestress). De optimale overstromingsfrequentie is incidenteel in de winter: alleen bij extreem hoog water, met een gemiddelde overstromingsduur van minder dan tien dagen. Het subtype is niet bestand tegen overstroming in het groeiseizoen. Bij kortstondige overstroming in het groeiseizoen kan het type zich echter in 1 of 2 jaar herstellen [lit. 22]. Overstromingen vormen een sleutelproces voor de instandhouding van dit subtype. In het rivierengebied is overstroming van belang voor de instandhouding van de buffering van de standplaats.

Hierbij wordt ook sediment aangevoerd dat zorgt voor het terugzetten van de successie. Daarnaast speelt basenrijk grondwater een belangrijke rol voor de buffering. Het hooilandbeheer, waarbij één keer tot twee keer per jaar gemaaid en afgevoerd wordt, is eveneens essentieel voor de goede staat van instandhouding van dit subtype [lit. 23]. Voorkomen en kwaliteit H6510A komt met een beperkte totale oppervlakte van 1,6 ha voor op drie locaties in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Twee locaties grenzen aan en liggen deels binnen H6510B, de derde locatie ligt in de nabijheid van H6510B. De algehele trend in oppervlakte en kwaliteit en kwaliteit van H6510A zijn niet bekend volgens de gebiedsanalyse [lit. 18]. Volgens de habitattypenkaart van de provincie Overijssel hebben de locaties met H6510A waarop depositie plaatsvindt ten gevolg van het plan echter, op basis van vegetatiekartering, een goede kwaliteit [lit. 31]. Het is onbekend of er vanuit beheer en overstromingsdynamiek knelpunten zijn voor H6510A, en of deze worden versterkt door stikstofdepositie [lit. 18]. In de gebiedsanalyse staat beschreven dat voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen optimalisatie van de waterhuishouding en het beheer nodig is, hier ligt een onderzoeksopgave [lit. 18].

Daarnaast is bekend dat het beperkt of niet plaatsvinden van inundaties door aanwezigheid van kades in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht een negatief effect heeft op het habitattype [lit. 18]. Verder is het voor een goede structuur en functie van het habitattype van belang dat de vegetatie vlakdekkend (vanaf enkele hectares) voorkomt [lit. 23]. Een oppervlakte van 1,6 ha verspreid over drie locaties is dus mogelijk te klein. Verzuring ten gevolge van stikstofdepositie treedt niet snel op in glanshaverhooilanden. Vanwege de (incidentele) overstroming met kalkrijk rivierwater is de buffercapaciteit van de bodem namelijk redelijk hoog. Ontkalking en verschraling vanwege uitblijvende overstroming kunnen op termijn wel leiden tot een afname van geschikte groeiplaatsen [lit. 22]. Het landelijke toekomstperspectief voor glanshaverhooilanden is echter beoordeeld als gunstig [lit. 23]. Vermesting ten gevolge van stikstofdepositie vormt eerder een knelpunt, omdat glanshaverhooilanden meestal gelimiteerd worden door stikstof of kalium. Verhoogde stikstofdepositie leidt tot verruiging en het eenvormiger worden van de vegetatie, waarbij vooral grassen toenemen ten kosten van kruiden [lit. 22]. Voor goed ontwikkeld glanshaverhooiland is tweemaal per jaar hooien voldoende om biomassa en stikstof af te voeren [lit. 22]. Dit beheer wordt toegepast in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht.

Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H6510A in het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht zijn behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit.

33 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

Effectbepaling- en beoordeling Aanlegfase De KDW van Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) is 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.363 tot 1.743 mol N/ha/jr. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,06 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 3.789 m2 vindt tijdelijke stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is 23,2 % van de totale oppervlakte van H6510A in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Uit de habitattypenkaart van de provincie Overijssel blijkt dat de kwaliteit van H6510A goed is op de locaties waarop depositie plaatsvindt ten gevolg van het plan [lit. 37]. Uit de gebiedsanalyse blijkt dat grotendeels onduidelijk is welke knelpunten spelen voor H6510A in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Uit de gebiedsanalyse blijkt dat grotendeels onduidelijk is welke knelpunten spelen voor H6510A in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Wel blijkt dat te weinig of geen inundaties door aanwezigheid van kades een knelpunt vormen. Andere mogelijke knelpunten zijn te hoge voedselrijkdom door bemesting, te intensief agrarisch gebruik, de kleine oppervlakte en het versnipperd voorkomen van soorten [lit. 18].

In de gebiedsanalyse is een onderzoeksopgave voor overstromingsdynamiek en beheer beschreven. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal vier jaar) en klein (maximaal 0,06 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (12,5 jaar, zie tabel 3.1) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene (minder kruidenrijk) en ruigere vegetatie. Vanwege het kleine en tijdelijke karakter van de planbijdrage, de goede kwaliteit van H6510A op de locaties waarop depositie plaatsvindt ten gevolge van het plan en het feit dat stikstof niet het voornaamste knelpunt vormt voor H6510A, veroorzaakt het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van H6510A. Hierdoor komt het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit) niet in gevaar. Gebruiksfase De KDW van Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) is 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en naderende overschrijding van de KDW 1.428 mol N/ha/jr. Er is dus enkel sprake van een naderende overschrijding van de KDW.

De planbijdrage op locaties waar de KDW naderend wordt overschreden betreft maximaal 0,01 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 1.263 m2 vindt permanente stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is 7,7 % van de totale oppervlakte van H6510A in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. In de gebruiksfase is enkel sprake van een naderende overschrijding van de KDW door de ADW en de planbijdrage. De stikstofdepositie door het plan leidt niet tot een overschrijding van de KDW, waarmee de extra depositie door het plan dus niet leidt tot negatieve effecten op H6510A. Uit de habitattypenkaart van de provincie Overijssel blijkt dat de kwaliteit van H6510A goed is op de locaties waarop depositie plaatsvindt ten gevolg van het plan [lit. 37]. Uit de gebiedsanalyse blijkt dat grotendeels onduidelijk is welke knelpunten spelen voor H6510A in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Uit de gebiedsanalyse blijkt dat grotendeels onduidelijk is welke knelpunten spelen voor H6510A in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Wel blijkt dat te weinig of geen inundaties door aanwezigheid van kades een knelpunt vormen. Andere mogelijke knelpunten zijn te hoge voedselrijkdom door bemesting, te intensief agrarisch gebruik, de kleine oppervlakte en het versnipperd voorkomen van soorten [lit. 18].

In de gebiedsanalyse is een onderzoeksopgave voor overstromingsdynamiek en beheer beschreven. Vanwege het feit dat de KDW niet wordt overschreden en stikstof daarmee geen knelpunt vormt voor H6510A, veroorzaakt het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van H6510A. Hierdoor komt

34 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit) niet in gevaar. Significante gevolgen door het plan zijn met zekerheid uit te sluiten. Conclusie Vanwege de kleine en tijdelijke aard van de planbijdrage zijn negatieve en significant negatieve effecten in de aanlegfase uit te sluiten. Negatieve en significant negatieve effecten van de permanente planbijdrage op H6510A zijn uit te sluiten, omdat de KDW van H6510A niet wordt overschreden door de planbijdrage in combinatie met de achtergronddepositie. Significante gevolgen ten gevolge van de permanente en tijdelijke stikstofdepositie door het plan zijn met zekerheid uit te sluiten.

5.4.3

H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)

Beschrijving Het habitattype Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510) betreft soortenrijke, bloemrijke hooilanden op tamelijk voedselrijke, doorgaans kleihoudende gronden. Deze hooilanden liggen met name in de uiterwaarden en komgronden van het rivierengebied, in polders met een klei-op-veen-grond of op zavelige oeverwallen in beekdalen en op hellingen en droogdalen in het heuvelland. De begroeiingen van het habitattype komen ook voor op de kunstmatig opgebrachte kleihoudende grond van dijken. Daar vormen ze linten en liggen ze relatief hoog en droog. De lager gelegen hooilanden van dit habitattype worden af en toe overstroomd. De plantengemeenschappen van dit habitattype in Nederland worden gerekend tot twee plantensociologische verbonden, op basis waarvan twee subtypen worden onderscheiden [lit. 35]. Het subtype B, Vossenstaarthooiland, komt vooral voor op klei-, zavel- en klei-op-veengronden in de lager gelegen delen van de uiterwaarden van rivieren en polders, waar de waterstandsschommelingen beperkt zijn, maar waar de bodem in de zomer oppervlakkig uitdroogt. Inundaties in de winter worden goed verdragen en overstroming met rivierwater in winter en vroege voorjaar is voor de langere termijn mogelijk zelfs noodzakelijk voor de aanvoer van basenrijk- en nutriënten houdend sediment en verspreiding van zaden.

Inundaties in de periode van bloei en vruchtzetting en in de zomer worden echter slecht verdragen. Buffering vindt plaats door kalk in de bodem en wordt in stand gehouden door overstroming met basenrijk water of capillaire opstijging van basenrijk grondwater. Het type is afhankelijk van een hooilandbeheer waarbij de vegetatie jaarlijks een of twee keer (gefaseerd) wordt gemaaid. Na-beweiding heeft gunstige invloed op de bodemstructuur en kan een goede vector zijn voor de verspreiding van zaden. Het subtype is gevoelig voor te veel bemesting en ook voor de verzuring die kan optreden door het wegvallen van inundaties met basenrijk water [lit. 23]. Voorkomen en kwaliteit H6510B komt met een oppervlakte van 128,7 ha voor in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Het Natura 2000-gebied vormt daarmee het belangrijkste gebied van Nederland voor dit subtype. In het noordelijke deel van het Natura 2000-gebied is sprake van een achteruitgang in oppervlakte en kwaliteit. In de bemalen veenpolders nemen typische soorten af in de hogere delen, omdat die niet meer geïnundeerd worden vanwege de bemaling. Op lagere venige groeiplaatsen en plekken die niet meer frequent inunderen en beweid worden neemt pitrus toe.

In het zuidelijke deel van het Natura 2000-gebied nemen de oppervlakte en kwaliteit van het relatief droge deel van het habitattype toe door verschralingsbeheer, maar is er ook sprake van kwaliteitsvermindering door afname van het natte type [lit. 18]. Knelpunten voor H6510B in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht zijn vooral hydrologisch van aard. Vermindering van de overstromingsintensiteit, veroorzaakt door de aanwezigheid van kades en afname van rivierpeildynamiek, kan nadelig zijn voor behoud en toekomstig duurzaam herstel van kievitsbloemhooilanden. Door verminderde overstroming en lage grondwaterstanden aan het begin van het

35 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

seizoen kan een dichte vegetatie van hoog opgaande grassen ontstaan, wat lage kruiden zoals de kievitsbloem benadeelt. Daarnaast kan verminderde overstroming een nadelig effect hebben op de aanwezige nutriënten, met name de verminderde aanvoer van kalium, en de verspreiding van zaden van kievitsbloem. Op de langere termijn is overstroming ook nodig voor behoud van de basenrijkdom [lit. 18]. Overige meer specifieke knelpunten voor H6510B verschillen per deelgebied en zijn onzeker. In deelgebied Langenholte is het meest natte type van Kievitsbloemhooiland de laatste tien tot twintig jaar afgenomen in oppervlakte. Verlaging van de zomergrondwaterstanden zou hieraan ten grondslag kunnen liggen. Ook in de meer noordelijke deelgebieden kan dit een rol spelen. In gebieden met een venige ondergrond kan inklinking van de bodem een knelpunt vormen, omdat door lagere ligging en holle percelen het risico op langdurige inundatie ontstaat. Ten slotte is in percelen met verschralingsbeheer het te weinig toepassen van bemesting met ruwe stalmest een mogelijk knelpunt [lit. 18]. Bij volledig en langdurig onthouden van mest of voedselrijk oppervlaktewater treedt verzuring op, waardoor de gemeenschap verdwijnt [lit. 35].

Een afname van overstromingsintensiteit kan echter met dit mogelijk knelpunt interacteren en de exacte oorzaak voor het uitblijven van verjonging van kievitsbloemen is daardoor niet duidelijk [lit. 18]. Verzuring ten gevolge van verhoogde stikstofdepositie vormt, zolang overstroming blijft plaatsvinden, geen groot knelpunt voor Vossenstaarthooilanden [lit. 35]. In Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht kan langdurige overschrijding van de KDW in het verleden, door het ontbreken van overstroming, hebben bijgedragen aan verzuring van standplaatsen [lit. 18]. Vermesting ten gevolge van stikstofdepositie kan leiden tot verruiging en het soortenarmer worden van de vegetatie [lit. 35], hoewel dit niet specifiek voor het gebied wordt genoemd [lit. 18]. Huidige knelpunten ten gevolge van stikstofdepositie zijn in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht ondergeschikt aan knelpunten veroorzaakt door onvoldoende overstroming en inundatie. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor H6510B in het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht zijn uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit. Effectbepaling- en beoordeling Aanlegfase De KDW van Vossenstaarthooiland is 1.571 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.700 tot 2.119 mol N/ha/jr.

De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,04 mol N/ha/jr. Op een oppervlakte van 8.500 m2 vindt tijdelijke stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 0,6 % van de totale oppervlakte van H6510B in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. De tijdelijke bijdrage van het project is dermate kort (maximaal vier jaar) en klein (maximaal 0,04 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (15 jaar, zie tabel 3.1) kunnen namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het habitattype leidt daardoor niet tot een verschuiving van het habitattype richting een minder heterogene (minder kruidenrijk) en ruigere vegetatie. Stikstofdepositie vormt niet het voornaamste knelpunt voor Vossenstaarthooilanden in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Verminderde overstromingsintensiteit en het ontbreken van inundatie leiden tot verminderde aanvoer van nutriënten, verminderde verspreiding van zaden en op de langere termijn tot afname van de basenrijkdom van de bodem.

Hoewel niet-optimale hydrologische omstandigheden de effecten van verhoogde stikstofdepositie versterken, vormt de hydrologie het voornaamste knelpunt in de Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Vanwege het kleine en tijdelijke karakter van de planbijdrage, het kleine aandeel van het habitattype waarop een planbijdrage plaatsvindt en het feit dat stikstof niet het voornaamste knelpunt vormt voor H6510B, veroorzaakt het plan geen verandering in de kwaliteit of oppervlakte van H6510B. Hierdoor komt het

36 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (behoud van oppervlakte en behoud van kwaliteit) niet in gevaar. Conclusie Vanwege de kleine en tijdelijke aard van de planbijdrage zijn negatieve en significant negatieve effecten in de aanlegfase uit te sluiten. Significante gevolgen voor H6510B ten gevolge van de tijdelijke stikstofdepositie door het plan zijn met zekerheid uit te sluiten.

5.5

Nadere analyse Rijntakken

De Rijntakken is een uitgestrekt Natura 2000-gebied in de Nederlandse provincies Gelderland, Overijssel en Utrecht, dat strekt van Zaltbommel via de rivieren tot Kampen. Het gebied beslaat een oppervlak van 23.047 hectare en omvat de oevers aan de Waal, Nederrijn en de IJssel. In tabel 5.8 zijn de habitattypen en leefgebieden beschreven waarbij sprake is van een planbijdrage van stikstofdepositie en waarvan de KDW (naderend) wordt overschreden. Bij de overige habitattypen of leefgebieden in Natura 2000-gebied Rijntakken is geen sprake van een planbijdrage, is sprake van een over de aanlegfase gecumuleerde planbijdrage 0,1 mol/ha of wordt de KDW inclusief planbijdrage niet (naderend) overschreden. Voor deze habitattypen en leefgebieden zijn significante gevolgen reeds uitgesloten (zie paragraaf 5.2.1).

Tabel 5.8 Maximale jaarlijkse planbijdrage van stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase op habitattypen en leefgebieden en de ADW en KDW in mol N/ha/jr. in Natura 2000-gebied Rijntakken waarvan de KDW (naderend) is overschreden Habitattype

Planbijdrage aanlegfase (2021 t/m 2025)

Planbijdrage gebruiksfase (2026)

KDW

ADW aanlegfase

ADW gebruiksfase

(ZG)Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied

0,03

0,03

1.429

2.181

2.037

(ZG)Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei

0,03

0,02

1.429

1.877

1.540

Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland

0,01

1.571

1.813

1.801

H6120 Stroomdalgrasland

0,01

1.286

1.261

1.261

Hieronder wordt per habitattype of leefgebied het effect van stikstofdepositie nader geanalyseerd.

5.5.1

Leefgebieden: (ZG)Lg07, Lg08 en (ZG)Lg11

Beschrijving (ZG)Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei Dotterbloemgrasland van veen en klei omvat kruidenrijke hooilanden op natte tot matig natte, matig zure tot neutrale en vooral zwak voedselrijke veen- en kleigronden. Ook matig productieve graslanden behoren tot het leefgebied. De vegetatie in dit leefgebied komt tot ontwikkeling op plaatsen waar in winter en voorjaar een hoge grondwaterstand aanwezig is, met basenrijk grondwater. Het meest komt grasland met waterkruiskruid en dotterbloem voor, dat 's winters onder water staat. Waar menging met mineralenarmer water plaatsvindt, kan ook grasland voorkomen dat rijk is aan veldrus. In twee zeldzamere vormen van het Dotterbloemgrasland van veen en klei komt de harlekijn als opvallende soort voor. Het reguliere beheer van het leefgebied bestaat uit het jaarlijks maaien van de vegetatie in de zomer [lit. 24].

37 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

Voor het leefgebied Dotterbloemgrasland van veen en klei zijn zes Vogelrichtlijnsoorten, één mossoort en één dagvlinder benoemd waarvoor stikstofdepositie een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Door vermesting treedt een verhoogde productie van grassoorten op waardoor de vegetatie dichter wordt. Dit kan vervolgens effect hebben op de beschikbaarheid en aanwezigheid van insecten voor vogels [lit. 24]. Niet alle in de herstelstrategie genoemde soorten zijn aangewezen als kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied Rijntakken. Alleen soorten die aangewezen zijn voor Natura 2000-gebied Rijntakken worden meegenomen in de effectbeoordeling (zie tabel 5.9). Beschrijving Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland Nat, matig voedselrijk grasland omvat kruidenrijk grasland op natte tot matig natte, zwak zure tot neutrale, zwak tot matig eutrofe gronden. In vergelijking met Dotterbloemgrasland van veen en klei (Lg07) is de bodem stikstofrijker. De vegetatie die het leefgebied kenmerkt komt tot ontwikkeling op plaatsen die in winter en voorjaar langdurig onder water staan, wat veroorzaakt wordt door overstromend oppervlaktewater of onderdijkse kwel. Het leefgebied kent twee subtypen, namelijk Zilverschoongrasland (subtype a) en Nat, matig voedselrijk weidevogelgrasland (subtype c), die onderling verschillen in de aard van het water- en het vegetatiebeheer.

Op plaatsen met langdurige en rechtstreekse overstroming door oppervlaktewater ontstaat Zilverschoongrasland. Het subtype komt onder andere voor in de oeverzone van wateren en in lage graslanden in de uiterwaarden, waarbij beweiding de gebruikelijke beheersvorm is. Subtype c van het natuurdoeltype kan zowel beweid als gehooid worden en is van groot belang voor weidevogels, met name voor 'kritische' weidevogels van natte omstandigheden. In de winter zijn deze graslanden belangrijk voor ganzen en zwanen, terwijl steltlopers er gedurende de trek graag gebruik van maken [lit. 14]. Voor het leefgebied Nat, matig voedselrijk grasland zijn dertien Vogelrichtlijnsoorten en één vaatplant benoemd waarvoor stikstofdepositie een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Stikstofdepositie resulteert in vermesting en leidt tot verruiging van de vegetatie [lit. 14]. Niet alle in de herstelstrategie genoemde soorten zijn aangewezen als kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied Rijntakken. Alleen soorten die aangewezen zijn voor Natura 2000-gebied Rijntakken worden meegenomen in de effectbeoordeling (zie tabel 5.9).

Beschrijving (ZG)Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied (verder aangeduid als - en zeekleigebied en in mindere mate ook op de oeverlanden van de afgesloten zeearmen. In de eerste twee regio's komt het voor op de relatief droge gronden; op de oeverlanden is het te vinden op de voormalige kwelders. Een rijke levensgemeenschap is vooral te verwachten als er binnen een gebied een afwisseling is tussen lage, vochtige en hoge, droge delen en tussen begroeiingen met een open structuur (waarbinnen de bodem beschadigd is), grazige begroeiingen en zoomachtige vegetaties. Dergelijke graslanden zijn in het bijzonder van belang voor weidevogels. Het beheer van het leefgebied kan bestaan uit beweiding of maaien, of een combinatie van beide [lit. 16]. Voor het leefgebied Kamgrasweide op klei zijn twaalf Vogelrichtlijnsoorten benoemd waarvoor stikstofdepositie een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Naar de effecten van stikstofdepositie op het leefgebied is geen direct onderzoek gedaan, maar aannemelijk is dat vermesting leidt tot verruiging van de vegetatie en daarmee tot een lager aanbod en/of een lagere bereikbaarheid van voedsel voor de Vogelrichtlijnsoorten [lit. 16].

Niet alle in de herstelstrategie genoemde soorten zijn aangewezen als kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied Rijntakken. Alleen soorten die aangewezen zijn voor Natura 2000-gebied Rijntakken worden meegenomen in de effectbeoordeling (zie tabel 5.9). Relevante soorten leefgebieden In het aanwijzingsbesluit van Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht zijn voor de beschreven leefgebieden twee kwalificerende broedvogelsoorten, vijf kwalificerende niet-broedvogelsoorten en twee kwalificerende habitatrichtlijnsoorten aangewezen. Tabel 5.9 geeft hiervan een overzicht. In onderstaande paragrafen zijn voor deze soorten de effecten van stikstofdepositie ten gevolge van het plan geanalyseerd.

38 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

Tabel 5.9 Kwalificerende stikstofgevoelige soorten voor Natura 2000-gebied Rijntakken Soort

Leefgebied

Doelstelling

Soort afhankelijk van N-gevoelig habitattype en/of leefgebied?

Watersnip

Lg07, Lg08

broedvogel

ja

Kwartelkoning

Lg08, Lg11

broedvogel

ja

Grutto

Lg07, Lg11

niet-broedvogel

nee

Kemphaan

Lg07, Lg08, Lg11

niet-broedvogel

nee

Scholekster

Lg07, Lg08, Lg11

niet-broedvogel

nee

Tureluur

Lg07, Lg08, Lg11

niet-broedvogel

nee

Lg08, Lg11

niet-broedvogel

nee

Kievit

Voor de niet-broedvogelsoorten geldt dat ze allen voorkomen in stikstofgevoelig leefgebied, maar in Rijntakken niet afhankelijk zijn van deze stikstofgevoelige leefgebieden. Significante gevolgen van de planbijdrage op de niet-broedvogelsoorten kunnen worden uitgesloten.

Watersnip (A153) Ecologische vereisten De broedbiotoop van de watersnip bestaat uit moerassig laagveen, hoogveen en natte heiden en zeer vochtige schrale graslanden op veengrond of in uiterwaarden en open beekdalen. De nestplaats is gelegen in de verlandingszone van moerasgebieden of in gemaaide rietvelden. In grasland nestelt de soort alleen in vochtige hooilanden en extensief beweide natte graslanden met een waterpeil van 0-20 cm beneden het maaiveld. De oppervlakte van de nestbiotoop hoeft niet groot te zijn. Het nest wordt gebouwd tussen graspollen van 15-20 cm hoogte, in lage ruigte of tussen veenmoswallen. De voedselbiotoop kan identiek zijn aan de nestbiotoop, maar kan ook apart liggen. De Watersnip foerageert in ondiepe greppels, sloten, poeltjes, slikranden en in tot 10 cm diep water. Het hoofdvoedsel bestaat uit onder het bodemoppervlak levende wormen, insectenlarven en andere ongewervelden [lit. 25]. Voorkomen en kwaliteit Binnen de Rijntakken maakt de watersnip gebruik van de leefgebieden Dotterbloemgrasland van veen en klei en Nat, matig voedselrijk grasland (Lg07 en Lg08). Landelijk gezien komt de watersnip vooral voor in Friesland, Noordwest-Overijssel (omgeving van Giethoorn en Wanneperveen) en Noord-Holland (Zaanstreek) [lit. 27].

In de Rijntakken komt de watersnip in kleine aantallen voor in extensief beheerde en kruidenrijke vegetaties langs de Nederrijn en incidenteel in de Gelderse Poort en langs de IJssel ten noorden van Deventer [lit. 26]. Voor de periode 1999-2003 wordt het gemiddeld aantal paren voor het Natura 2000-gebied geschat op ten minste 17 [lit. 30]. Recente onvolledige tellingen en schattingen variëren tussen 4 en 8 paren [lit. 27] en in het algemeen is in alle deelgebieden van de Rijntakken sprake van een dalende trend [lit. 30]. Een duidelijk beeld van de (trend in) kwaliteit van het leefgebied van watersnip binnen de Rijntakken ontbreekt vooralsnog, maar wordt op basis van expert judgement verondersteld tenminste stabiel te zijn [lit. 30]. Watersnip leeft vooral in extensief beheerd nat grasland, waarbij de soortensamenstelling minder van belang is dan de structuur. Voor watersnip kan sterke verruiging als gevolg van stikstofdepositie een lager aanbod of een lagere bereikbaarheid van voedsel tijdens de nestperiode tot gevolg hebben [lit. 24]. Bij het verschuiven van het leefgebied-type richting een minder heterogene en ruigere vegetatie kunnen tevens geschikte nestlocaties verdwijnen [lit. 24]. Waar deze effecten voor Lg07 onderzocht zijn, zijn ze voor Lg08 onzeker [lit. 14].

39 | 48

Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief

Negatieve effecten van stikstofdepositie worden lokaal verwacht, stikstofdepositie is dan ook niet het voornaamste knelpunt. Verdroging is een groter knelpunt, omdat verdroging ervoor zorgt dat de watersnip voedsel in de bodem niet meer kan bereiken. Door verdroging worden moeras- en graslandgebieden dan ook ongeschikt om te foerageren. Daarnaast is broeden in regulier cultuurland vrijwel onmogelijk door intensivering van agrarisch graslandgebruik met ontwatering, overbemesting, vroeg en frequent maaien, hoge beweidingsdruk en egaliseren van grasland [lit. 30]. Instandhoudingsdoelstellingen De doelstellingen voor de watersnip zijn behoud van oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 17 broedparen in de Rijntakken. Effectbepaling- en beoordeling Aanlegfase De KDW van (ZG)Lg07 (Dotterbloemgrasland van veen en klei) bedraagt 1.429 mol N/ha/jr. De achtergronddepositie bedraagt op de locaties met een planbijdrage en (naderende) overschrijding van de KDW 1.362 tot 1.540 mol N/ha/jr. voor het leefgebied en 1.364 tot 1.877 mol N/ha/jr. voor het zoekgebied. De planbijdrage op locaties waar de KDW (naderend) wordt overschreden betreft maximaal 0,03 mol N/ha/jr. voor het leefgebied en maximaal 0,02 mol N/ha/jr. voor het zoekgebied.

Op een oppervlakte van 37.324 m2 vindt tijdelijke stikstofdepositie ten gevolge van het plan plaats op (naderend) overbelaste hexagonen. Dit is slechts 3,1 % van de totale oppervlakte van Lg07 in Rijntakken. De bijdrage van het project is dermate kort (maximaal 5 jaar) en klein (maximaal 0,03 mol N/ha/jr.) dat dit geen verruigende en/of verzurende werking heeft die een wijziging in de vegetatiesamenstelling tot gevolg heeft. Pas bij een langdurige overschrijding (>15 jaar, zie tabel 3.1) kan namelijk kwaliteitsverlies en/of areaalverlies optreden. Een dergelijke tijdelijke, kleine depositie op het leefgebied leidt daardoor niet tot een verschuiving van het leefgebied richting een minder heterogene (minder kruidenrijk) en ruigere vegetatie. Hierdoor blijft het aantal potentieel geschikte nestlocaties (in het zoekgebied) gelijk en neemt het voedselaanbod voor watersnip niet af.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=33307371-b5fc-4319-9ec0-9d0ccdd2ff24