deel 2 - bestemmingsplan Stadshagen II, Breezicht Noord-2
Tekst van het document
Activiteitenplan Breezicht-Noord, Zwolle
Bijlage 2 Huidig leefgebied grote modderkruiper
Activiteitenplan Breezicht-Noord, Zwolle
Bijlage 3 Huidig leefgebied wezel en hermelijn
Activiteitenplan Breezicht-Noord, Zwolle
Bijlage 4 Alternatief leefgebied grote modderkruiper
Activiteitenplan Breezicht-Noord, Zwolle
Bijlage 5 Nieuw leefgebied wezel en hermelijn
Dwarsprofielen te realiseren leefgebied marterachtigen
Figuur B1 Profiel Geluidswal - Woning
Figuur B2 Profiel Woning - Duinen Milligerplas
Figuur B3 Profiel Woning Milligerplas
Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3 en 4 Ecologische voortoets stikstof
Gemeente Zwolle 2 april 2021
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Stadshagen Breezicht Noord, buurtschap 3 en 4 Gemeente Zwolle
Ecologische voortoets stikstof Definitief 2 april 2021 124828/21-005.375
124828 PhD W. Gotjé MSc drs. L.G. Turlings
T. van der Kooi MSc, R. van Deelen MSc PhD W. Gotjé MSc PhD W. Gotjé MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding en doelstelling
5
1.2
Plangebied en voorgenomen ontwikkeling
5
1.2.1 1.2.2
5 6
Plangebied Werkzaamheden en planning
1.3
Leeswijzer
6
2
WETTELIJK KADER EN WERKWIJZE
7
2.1
Bescherming Natura 2000-gebieden
7
2.2
Toetsingskader bestemmingsplan
8
2.3
Stikstof
8
2.4
Aanpak
9
3
ALGEMENE ANALYSE VAN DE EFFECTEN VAN STIKSTOFDEPOSITIE
11
3.1
Inleiding
11
3.2
Kritische depositiewaarde
11
3.3
Stikstofkringloop in ecosystemen en achtergronddepositie
12
3.4
Werkingsmechanisme van stikstoftoename
12
3.5
Rekenvoorbeeld stikstofbelasting
13
4
STIKSTOFBEREKENINGEN
14
4.1
Rekenmodel
14
4.2
Emissieberekeningen
14
5
VOORTOETS
16
5.1
Resultaten stikstofberekeningen
16
5.1.1 5.1.2
Aanlegfase Gebruiksfase
16 19
Effectbeoordeling aanlegfase
20
5.2
5.2.1 mol N/ha
20
5.3
Effectbeoordeling gebruiksfase
22
5.4
Nadere analyse Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
23
5.4.1 5.4.2 5.4.3
24 32 35
5.5
Leefgebieden: Lg07, Lg08, Lg10 en Lg11 H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)
Nadere analyse Rijntakken
37
5.5.1 5.5.2
37 43
Leefgebieden: (ZG)Lg07, Lg08 en (ZG)Lg11 H6120 Stroomdalgraslanden
6
CONCLUSIE EN VERVOLGSTAPPEN
46
6.1
Conclusie
46
6.2
Vervolgstappen
46
7
LITERATUUR
47
Laatste pagina
48
Bijlage(n) I
Uitgangspuntennotitie buurtschap 3 en 4 (Ecogroen)
Aantal pagina's 63
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding en doelstelling
De gemeente Zwolle bouwt op meerdere locaties in en aan de toekomst van de stad. In Stadshagen wordt de komende jaren voorzien in een groot deel van de woningbouwbehoefte van heel Zwolle. Met het oog op deze ontwikkeling heeft de gemeente Zwolle het voornemen om nieuwbouw van 325 woningen mogelijk te maken op loca en orgenomen ontwikkeling is een bestemmingsplanwijziging nodig. Omdat de wijziging en vaststelling van het bestemmingsplan negatieve gevolgen kunnen hebben voor beschermde natuurwaarden, dient dit initiatief getoetst te worden aan het natuurbeschermingsrecht. Bij een wijziging en vaststelling van een bestemmingsplan worden beschermde waarden in de Wet natuurbescherming (Wnb), wat betreft stikstofdepositie, op twee manieren betrokken [lit. 29]. Met een uitvoerbaarheidstoets, volgend uit de Wet ruimtelijke ordening, wordt bepaald of een Wnb-vergunning mogelijk is voor het project dat volgt uit het bestemmingsplan. Met een Wnb-toets wordt daarnaast, voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan, nagegaan of een plan mogelijk kan leiden tot significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. In opdracht van gemeente Zwolle heeft Bureau Ecogroen de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan in beeld gebracht.
De resultaten van dit onderzoek zijn in voorliggende rapportage beschreven en beoordeeld in een voortoets stikstof, waarmee wordt aangegeven of de stikstofdepositie van het voorgenomen plan significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden of niet. Op basis daarvan wordt inzicht verkregen in de haalbaarheid van een wijziging van het bestemmingsplan.
1.2
Plangebied en voorgenomen ontwikkeling
1.2.1
Plangebied
3 en 4 grenst aan de N331. Het plangebied ligt op ruimt één kilometer afstand van Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en op ongeveer drie kilometer afstand van Natura 2000-gebied Rijntakken (zie afbeelding 1.1). Het toekomstige bestemmingsplan maakt de bouw van maximaal 325 woningen mogelijk.
5 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Afbeelding 1.1
Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groene vlakken). Natura 2000-gebied Rijntakken ligt ten (zuid)westen van het plangebied en Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht ligt ten oosten van het plangebied. Bron: PDOK
1.2.2
Werkzaamheden en planning
Het bestemmingsplan wordt gefaseerd uitgevoerd, waarbij onderscheid is gemaakt in verschillende bouwfases (zie tabel 1.1). In eerste instantie wordt het terrein bouwrijp gemaakt, daarna volgt de bouw van de woningen en het woonrijp maken van het gebied. Er is vanuit gegaan dat de woningen het jaar na de bouw in gebruik worden genomen.
Tabel 1.1 Fasering uitvoering werkzaamheden Breezicht Noord buurtschap 3 en 4. De aantallen in de tabel geven het percentage woningen/oppervlak weer dat betrokken is bij de fase
bouwrijp maken
2021
2022
33
67
2023
2024
2025
bouw
14
29
29
29
woonrijp maken
14
29
29
29
14
43
71
gebruiksfase
1.3
2026
100
Leeswijzer
Het wettelijk kader waarbinnen deze stikstofbeoordeling is uitgevoerd is beschreven in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 bevat een algemene analyse van de effecten van stikstof. In hoofdstuk 4 zijn de uitgangspunten en de resultaten van de stikstofberekeningen beschreven. In hoofdstuk 5 is in een voortoets beoordeeld of significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten kunnen worden. Hoofdstuk 6 bevat de eindconclusie van de voortoets. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de geraadpleegde literatuur.
6 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
2 WETTELIJK KADER EN WERKWIJZE 2.1
Bescherming Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. In juridische zin komt Natura 2000 voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Elk Natura 2000-gebied wordt vastgesteld door middel van een aanwijzingsbesluit. In dit besluit is, behalve onder andere de begrenzing van het gebied, vastgesteld welke natuurwaarden in dat gebied beschermd zijn, middels de zogeheten instandhoudingsdoelstellingen. Instandhoudingsdoelstellingen betreffen zowel habitattypen als habitat- en vogelsoorten. Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden in Nederland. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor de bescherming van habitattypen en (leefgebieden van) habitatrichtlijn- en vogelrichtlijnsoorten. Artikelen 2.1 tot en met 2.11 van de Wnb regelen de bescherming van Natura 2000-gebieden. Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen of projecten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor de instandhoudingsdoestellingen van Natura 2000-gebieden. Als uit de beoordeling blijkt dat geen significante gevolgen optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project niet nodig.
Zijn significante gevolgen niet uit te sluiten, dan is een nadere beoordeling nodig. Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Bij de beoordeling of een plan of project significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, kunnen de volgende stappen aan de orde zijn: - geen nader onderzoek; - voortoets; - passende beoordeling; - ADC-toets. Indien effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten, is geen nader onderzoek nodig. Zijn er mogelijk wel effecten op Natura 2000-gebieden, dan kan met een voortoets worden bepaald of significante gevolgen voor deze gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. Wanneer significante gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een Passende beoordeling te worden uitgevoerd. In een Passende beoordeling wordt dieper ingegaan op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Als in de Passende beoordeling blijkt dat sprake is van significante gevolgen, kan de Passende beoordeling aangevuld worden met mitigerende maatregelen om de significante gevolgen te voorkomen.
Indien de Passende beoordeling van een plan of project niet de vereiste zekerheid biedt dat de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet worden aangetast, kan alleen toestemming voor het plan of project worden verleend als er wordt voldaan aan de ADC-toets: (A) er zijn geen reële alternatieven, (D) er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang en (C) door compensatie blijft de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd.
7 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Op grond van art. 2.7 moeten worden beoordeeld of een plan of project in cumulatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoestellingen van Natura 2000-gebieden. In de cumulatietoets moeten plannen en/of projecten worden betrokken waarvoor al wel toestemming is verleend, maar die nog niet (geheel) zijn uitgevoerd. Daarbij dient het effect op een gebied van het plan of project dat voorligt gecombineerd te worden met de effecten van plannen of projecten die nog niet zijn uitgevoerd, maar wel een vastgestelde vergunning/toestemming hebben. De effecten daarvan zijn, anders dan van reeds uitgevoerde projecten, nog niet verdisconteerd in de omgeving en dienen afzonderlijk in de beoordeling van mogelijke cumulatieve effecten te worden beschouwd.
2.2
Toetsingskader bestemmingsplan
Bij een wijziging en vaststelling van een bestemmingsplan worden beschermde waarden in de Wnb, wat betreft stikstofdepositie, op twee manieren betrokken [lit. 29]: - de uitvoerbaarheidstoets die volgt uit de Wet ruimtelijke ordening. Met deze toets wordt de vraag of de beschermingsregimes uit de Wnb de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan beantwoord. Vrij vertaald wordt bepaald of er uitzicht is op het verkrijgen van een Wnb-vergunning voor het project dat voortvloeit uit het bestemmingsplan. Volgens wet- en regelgeving bestaat deze toets uit een vergelijking tussen de laagst vergunde situatie sinds de aanwijzing van een Natura 2000-gebied en de maximale plansituatie; - Wet natuurbescherming-toets, zoals vastgesteld in artikel 2.7 lid 1 en artikel 2.8 lid 1 Wnb e.v.. Kortweg: voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan moet worden nagegaan of (uitvoering van) het plan kan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Volgens vaste jurisprudentie bestaat deze toets uit een vergelijking tussen de huidig feitelijke, planologische legale situatie en de maximale plansituatie.
2.3
Stikstof
Specifiek voor het aspect stikstof geldt dat sinds de rechterlijke uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 de ecologische gevolgen van iedere berekende depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jr. beoordeeld moeten worden. De berekening moet uitgevoerd worden met de meest actuele versie van het instrument AERIUS Calculator. Spoedwet stikstof Op 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof aangenomen. De Spoedwet bevat instrumenten om vergunningverlening voor (specifieke) projecten makkelijker te maken. Momenteel geldt het volgende kader (onderstaande punten zijn deels onveranderd gebleven ten opzichte van de wetgeving vóór de ingang van de Spoedwet): - op basis van de Wet natuurbescherming (artikel 2.7 lid 2) is een vergunning vereist voor projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor projecten waarbij kan worden uitgesloten dat significante gevolgen optreden vervalt als gevolg van de Spoedwet de vergunningplicht; - als een vergunning is vereist omdat niet kan worden uitgesloten dat significante gevolgen optreden, dient tevens een Passende beoordeling te worden opgesteld om in beeld te brengen of er daadwerkelijk significante gevolgen aan de orde zijn.
In een Passende beoordeling mogen ook mitigerende maatregelen betrokken worden; - als uit de Passende beoordeling blijkt dat significante gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan is een vergunning alleen mogelijk met het doorlopen van een ADC-toets. Kleine, tijdelijke deposities Provincies geven de mogelijkheid om projecten met alleen kleine, tijdelijke deposities in de aanlegfase, dat wil zeggen kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal twee jaar of een equivalent hiervan, zonder vergunning toe te staan. Middels een voortoets dient dan te worden onderbouwd dat de tijdelijke stikstofdepositie niet leidt tot significante gevolgen, waarmee het project in beginsel niet vergunningsplichtig is met betrekking tot stikstofdepositie.
8 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Bovenstaande houdt in dat gecumuleerde deposities van 0,1 mol N/ha in de aanlegfase op voortoetsniveau beoordeeld mogen worden. Gecumuleerde deposities >0,1 mol N/ha komen in aanmerking voor het verkennen van vervolgstappen anders dan de voortoets. Stikstofcumulatietoets bestemmingsplan In de uitspraak van 4 maart 2020 oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat er geen stikstofcumulatietoets nodig is voor een bestemmingsplan. De Afdeling overweegt: Over de cumulatie van stikstof overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel ertoe dwingt om de stikstofdepositie van activiteiten die het voorliggende plan niet mogelijk maakt te betrekken bij de gevolgen van het ter beoordeling staande plan. De raad heeft ontwikkelingen die in andere bestemmingsplannen mogelijk zijn gemaakt daarom terecht niet betrokken in de passende beoordeling dat ten grondslag ligt aan het voorliggende plan (r.o. 15.4).
2.4
Aanpak
In de voortoets zijn de resultaten van de stikstofberekeningen beschreven. Er is aangegeven op welke Natura 2000-gebieden deposities in de aanlegfase en gebruiksfase plaatsvinden, hoe hoog die deposities zijn en in welke habitattypen of leefgebieden van soorten deposities plaatsvinden. Voor de aanlegfase zijn de gecumuleerde planbijdrages berekend over de gehele uitvoeringsperiode. Allereerst wordt een onderscheid gemaakt in (naderend) overbelaste habitattypen/leefgebieden en niet (naderend) overbelaste habitattypen/leefgebieden. De beoordeling van habitattypen/leefgebieden met een (naderende) overschrijding in de aanlegfase is vervolgens opgedeeld in twee delen. Het eerste deel bestaat uit een gezamenlijke beoordeling van alle habitattypen en leefgebieden waarvan de Kritische Depositie Waarde (KDW) bedraagt. In het tweede deel worden alle habitattypen en leefgebieden beoordeeld waarvan de KDW (naderend) wordt overschreden en waarvan de gecumuleerde depositie >0,1 mol N/ha bedraagt. Deze habitattypen en leefgebieden worden individueel per habitattype/leefgebied nader geanalyseerd. Voor de gebruiksfase is gekeken in welke habitattypen en leefgebieden sprake is van een (naderende) overschrijding van de KDW door de ADW en de planbijdrage.
Deze habitattypen en leefgebieden worden, evenals de habitattypen en leefgebieden met deposities >0,1 mol N/ha in de aanlegfase, individueel per habitattype/leefgebied nader geanalyseerd. Voor habitattypen/leefgebieden zonder (naderende) overschrijding zijn significante gevolgen op voorhand uitgesloten. De nadere analyse is gedaan aan de hand van objectieve gegevens uit Natura 2000-beheerplannen, PAS-gebiedsanalyses, herstelstrategieën, profieldocumenten en soortprofielen van Vogelrichtlijnsoorten. Per habitattype/leefgebied is bepaald in hoeverre stikstof een beperkende factor is in het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen en/of soorten gekoppeld aan leefgebieden waarop een toename van stikstofdepositie is berekend. In de beoordeling zijn ook de zoekgebieden meegenomen, deze zijn veelal afgekort als ZG. Met de zoekgebieden zijn locaties aangegeven waar de aanwezigheid van een habitattype/leefgebied niet met zekerheid door middel van kartering is vastgesteld maar dat deze met een bepaalde mate van zekerheid aanwezig is. In de beoordeling zijn de zoekgebieden meegenomen alsof het een habitattype/leefgebied betreft.
In de ecologische effectenanalyse zijn significante gevolgen uitgesloten wanneer kon worden aangetoond dat: - stikstofdepositie geen bepalende rol speelt (ten opzichte van andere factoren) in het behalen van de instandhoudingdoelen van het habitattype en/of de soort gekoppeld aan een leefgebied en niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitattype en/of (zoekgebied van) leefgebied van de soort op de locatie;
9 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
-
de staat van instandhouding van het habitattype en/of leefgebied van de soort goed is en enige stikstoftoename niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het habitattype en/of (zoekgebied van) leefgebied van de soort op de locatie.
10 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
3 ALGEMENE ANALYSE VAN DE EFFECTEN VAN STIKSTOFDEPOSITIE 3.1
Inleiding
Stikstof vormt een belangrijke voedingsbron voor planten, waarmee het een essentiële rol vervult in ecosystemen. Een overdaad aan stikstof kan echter leiden tot eutrofiëring (vermesting) en verzuring van het systeem, met schadelijke consequenties. Met name voedselarme habitattypen zijn gevoelig voor de extra aanvoer van stikstof als voedingsbron. Als gevolg van de verhoogde beschikbaarheid van stikstof kan de vegetatie verruigen en kunnen kenmerkende soorten van het ecosysteem verdwijnen. De aanvoer van stikstof, met name in de vorm van ammoniak, kan tevens leiden tot een verzuring van de bodem. Dit heeft als gevolg dat soorten die gevoelig zijn voor verzuring verdwijnen. Hierdoor kan de soortenrijkdom en kwaliteit van zuurgevoelige habitattypen afnemen.
3.2
Kritische depositiewaarde
Atmosferische stikstofdepositie kan leiden tot verzuring en vermesting van stikstofgevoelige habitattypen wanneer deze boven een kritische waarde komt: de kritische depositiewaarde (KDW). Met de KDW, op basis van het meest recente beschikbaar wetenschappelijk onderzoek vastgesteld door Van Dobben et. al (2012), aarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische depositie [lit. 2]. Als de KDW van een habitattype of leefgebied wordt overschreden, dan bestaat het risico dat de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen mogelijk niet duurzaam kunnen worden behaald of gerealiseerd. Hierbij speelt zowel de mate van de overschrijding als de duur van de overschrijding een belangrijke rol: hoe langer/hoger de overschrijding, des de groter de kans op ongewenste abiotische effecten, met gevolgen voor de biodiversiteit en de kwaliteit van het gebied. De kwaliteit van habitattypen en leefgebieden wordt bepaald door het voorkomen van kenmerkende planten- en diersoorten en de samenstelling hiervan. Het gaat daarbij om het duurzaam voortbestaan van habitattypen op de lange termijn.
De KDW zoals hierboven gedefinieerd is geen toetswaarde voor effecten van relatief korte duur, maar heeft betrekking op langdurige stikstofdepositie en duurzaam behoud van een gebied (tabel 3.1). Ook bij overschrijding van de KDW is het mogelijk om habitattypen duurzaam in stand te houden indien de sturende factoren die het voorkomen van deze habitattypen bepalen (als dit niet stikstof is), zoals dynamiek, hydrologie en/of beheer op orde zijn. De KDW wordt uitgedrukt in (hele) kilogrammen stikstof per hectare per jaar (kg N/ha/jr.) [lit. 1]. Nadere specificatie wordt niet verantwoord geacht. De KDW wordt vaak omgezet van kilogrammen naar moleenheden en is ook hier omgezet, waarbij 1 kg N gelijkstaat aan 71,39 mol N. Bij overschrijding van de KDW worden over het algemeen de volgende classificaties gehanteerd: - matige overbelasting: overschrijding van de KDW > 70 mol N/ha/jr. (circa 1 kg N/ha/jr.); - sterke overbelasting: overschrijding van > 2 keer de KDW. De KDW is per habitattype bepaald. Deze kent een kwalitatieve klasse (uiterst gevoelig, zeer gevoelig, gevoelig en matig gevoelig) en een kwantitatieve waarde (de KDW) (tabel 3.1). Daarbij is gesteld dat de KDW
11 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
een onzekerheidsmarge van minimaal 1 kg moeten worden gehanteerd, deze waarden zijn vastgesteld binnen marges van ± 5 kg N/ha/jr. [lit. 2].
Tabel 3.1 Indeling van gevoeligheidsklassen voor habitattypen en tijdspad voor daadwerkelijk areaal verlies van een habitattype als gevolg van kwaliteitsverlies door stikstof [lit. 3] Gevoeligheidsklasse
Kritische depositie waarde
Voorbeeld habitattype
Tijdspad daadwerkelijk verlies habitattype
(mol N/ha/jr.)
(kg N/ha/jr.)
<1.000
6-15
zwakgebufferde en zure vennen, zandverstuivingen, heischrale graslanden, actieve hoogvenen
10 jaar
zeer gevoelig
1.000-1.500
15-21
droge en vochtige heidetypen, jeneverbesstruwelen, oude eikenbossen, blauwgraslanden, kalkmoerassen pioniervegetaties, beukeneikenbossen, stroomdal- en glanshaverhooilanden
12,5 jaar
gevoelig
1.500-2.000
21-28
beekbegeleidende bossen
15 jaar
>2.000
>20
beken en rivieren met waterplanten, meren met krabbenscheer, esseniepenbossen, kranswierwateren
20 jaar
uiterst gevoelig
matig gevoelig
3.3
Stikstofkringloop in ecosystemen en achtergronddepositie
In een ecosysteem is sprake van een natuurlijke stikstofkringloop. Hierbij circuleren grote hoeveelheden . Natuurlijke achtergronddeposities van stikstof liggen rond de 1-5 kg N/ha/jr. (70-360 mol N/ha/jr.) [lit. 4]. In Nederland komt echter een dergelijke natuurlijke, onverstoorde situatie niet meer voor. De achtergronddepositie is door menselijke activiteiten sterk toegenomen en varieert tussen de circa 700 en 4.000 mol N/ha/jr. [lit. 5]. Regionaal zijn sterke verschillen zichtbaar. Daarnaast is het zo dat meteorologische omstandigheden kunnen leiden tot een variatie in het jaargemiddelde in de ordegrootte van 10 % [lit. 6]. Dit komt bij een achtergronddepositie tussen de 700 - 4.000 mol N/ha/jr. neer op een fluctuatie van 70 - 400 mol N/ha/jr. De stikstofdepositie in Nederland laat sinds 1990 een dalende trend zien. Het landelijk gemiddelde bedroeg in 1990 ruim 2.700 mol N/ha. Het huidige gemiddelde ligt rond de 1.730 mol N/ha [lit. 5]. Deze dalende trend is echter rond 2005 gestagneerd waarbij de jaarlijkse gemiddelde stikstofdepositie sindsdien fluctueert. Hierdoor treedt regionaal een sterke overschrijding van de KDW op.
3.4
Werkingsmechanisme van stikstoftoename
De gevolgen van stikstofdepositie hangen met name af van het bodemtype, het habitattype en bepaalde sleutelfactoren. Deze sleutelfactoren zijn onder meer grond- en oppervlaktewaterhuishouding, toegepast (natuur)beheer en natuurlijke dynamiek. Rond rivieren en open watersystemen zoals het beekdalgebied vindt reguliere overspoeling met oppervlaktewater plaats, waardoor de bodem wordt gebufferd. Dit maakt de gebieden relatief voedselrijk en minder gevoelig voor verzuring. Deze gebieden hebben dan ook veelal een vennen op zandgronden. Op deze plekken
12 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
leidt een verhoogde stikstofdepositie eerder tot verzuring en vermesting. De successie van de vegetatie zal hierdoor ook versnellen: doordat de vegetatiegroei niet meer wordt beperkt door een stikstoftekort kunnen planten zich sneller ontwikkelen. Met name soorten die geen kans hebben in voedselarme gebieden hebben dan een concurrentievoordeel. Zowel de verzuring als de versnelde successie kan leiden tot het verdwijnen van typische soorten uit een habitattype.
3.5
Rekenvoorbeeld stikstofbelasting
Om een beeld te krijgen van wat een relevante stikstofbijdrage is, zijn in het hiernavolgende kader een aantal rekenvoorbeelden opgenomen. -
-
-
een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N/ha. Dit is vergelijkbaar met vijftig ganzenkeutels uitgestrooid over 1 ha. Per m2 betreft dit 0,0001 mol oftewel 0,0014 gram N. Op plantniveau (10 cm*10 cm of minder) is dit weer een factor 100 kleiner. Deze éénmalig bijdrage op standplaatsniveau houdt geen verandering van die standplaats in en is ecologisch gezien verwaarloosbaar, ook gegeven het feit dat de KDW wordt afgerond op hele getallen; een depositie van 1 mol N/ha/jr. komt overeen met 14 gram N per hectare. De productie van natuurlijke habitattypen/leefgebieden loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jr. [lit. 7]. Het aandeel stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5 % uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5 % bij houtachtige planten tot 5,0 % bij peulvruchten [lit. 8]. Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30-90 kg N/ha/jr. nodig. Dit komt overeen met circa 2.150-6.400 mol N/ha/jr. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing. Een eenmalige depositie van 1 mol N/ha/jr.
komt overeen met 0,02-0,05 % van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats/leefgebieden. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheden van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie; de totale stikstofkringloop is vele malen groter. Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen zijn tientallen kg N/ha/jr. nodig. Dit komt overeen met duizenden mol N/ha/jr. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, overstroming, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting.
Op grond van de hiervoor genoemde voorbeelden wordt gesteld dat een lage stikstoftoename op zichzelf geen gevolgen zal hebben op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen van een habitattype of leefgebied. Een kleine toename in stikstofdepositie is in vergelijking met de achtergronddepositie, de totale stikstofkringloop en de variatie in achtergronddepositie namelijk te verwaarlozen. Lage hoeveelheden aan extra stikstofdepositie zullen geen waarneembare of meetbare effecten hebben op de groeisnelheid, vegetatiesamenstelling of concurrentiepositie van vegetatie.
13 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
4 STIKSTOFBEREKENINGEN Onderstaand is de rekenwijze voor stikstof kort samengevat. In bijlage I is de uitgangspuntennotitie opgenomen, waarin de rekenwijze uitgebreid wordt beschreven.
4.1
Rekenmodel
De stikstofemissies zijn gemodelleerd met AERIUS-Calculator (2020, release 15 oktober 2020), waarbij bepaald is of er sprake is van een toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in omliggende Natura 2000-gebieden. Hierna zijn de resultaten van deze Aeriusberekening gepresenteerd. Bij de modellering van het plan in AERIUS-Calculator zijn de aanlegfase en gebruiksfase (deels) samen berekend, omdat de woningen die al gerealiseerd zijn gedurende de planperiode meteen in gebruik worden genomen, terwijl nog verder wordt gebouwd aan de overige woningen. De stikstofdepositie is in beeld gebracht vanaf het jaar dat begonnen wordt met het bouwrijp maken (2021) tot en met het jaar waarin alle woningen gerealiseerd zijn en in gebruik zijn genomen (2026).
4.2
Emissieberekeningen
De effecten van stikstofdepositie zijn gemodelleerd in de rekenjaren 2021 tot en met 2026. Voor alle jaren geldt dat er sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Natura 2000-gebied Rijntakken. In alle jaren, behalve 2026, is ook sprake van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Olde Maten & Veerslootslanden en De Wieden. In 2022 is, naast stikstofdepositie op de eerder genoemde Natura 2000-gebieden, sprake van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Veluwe en Zwarte Meer (tabel 4.1) Uit de berekeningen volgt dat voor de aanlegfase in het bouwjaar 2022 sprake is van de grootste toename (maximaal 0,16 mol N/ha/jr.) van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in zes verschillende Natura 2000-gebieden (zie tabel 4.1) Uit de berekening voor de gebruiksfase (rekenjaar 2026) blijkt dat in de gebruiksfase sprake is van een toename (maximaal 0,06 mol N/ha/jr.) van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Natura 2000-gebied Rijntakken.
Tabel 4.1 Mate van toename van stikstofdepositie (aanleg- en gebruiksfase) per Natura 2000-gebied en per jaar Natura 2000-gebied
Toename stikstofdepositie (mol N/ha/jr.) 2021
2022
2023
2024
2025
2026
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
0,06
0,16
0,08
0,10
0,11
0,06
Rijntakken
0,02
0,05
0,03
0,04
0,05
0,04
14 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Natura 2000-gebied
Toename stikstofdepositie (mol N/ha/jr.) 2021
2022
2023
2024
2025
Olde Maten & Veerslootslanden
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
De Wieden
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
Veluwe
0,01
Zwarte Meer
0,01
2026
De deposities in de jaren 2021 t/m 2025 zijn beoordeeld als deposities behorende bij de aanlegfase. Omdat de depositie in deze jaren deels het gevolg is van ingebruikname van woningen (gebruiksfase), is de beoordeling van de aanlegfase gebaseerd op een overschatting van de totale depositie in de aanlegfase. In 2026 is de aanlegfase beëindigd en is enkel nog sprake van depositie in de gebruiksfase. De beoordeling van de gebruiksfase is daarom gebaseerd op het jaar 2026.
15 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
5 VOORTOETS In deze voortoets worden de gevolgen van een verhoogde stikstofdepositie door het plan op Natura 2000-gebieden bepaald en beoordeeld voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase.
5.1
Resultaten stikstofberekeningen
Uit de stikstofberekeningen volgt dat in de aanlegfase sprake is van stikstofdepositie op habitattypen en leefgebieden van soorten in de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Rijntakken, Olde Maten & Veerslootlanden, De Wieden, Veluwe en Zwarte Meer. In de gebruiksfase vindt depositie plaats op de gebieden Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Rijntakken. De deposities in de jaren 20212025 zijn beoordeeld als deposities behorende bij de aanlegfase. Omdat de deposities in deze jaren deels het gevolg zijn van de ingebruikname van woningen (gebruiksfase), is de beoordeling van de aanlegfase gebaseerd op een overschatting van de totale depositie in de aanlegfase. In 2026 is de aanlegfase beëindigd en is enkel nog sprake van depositie in de gebruiksfase. De beoordeling van de gebruiksfase is daarom gebaseerd op het jaar 2026.
5.1.1
Aanlegfase
Tabel 5.1 toont per Natura 2000-gebied en per habitattype/leefgebied de hoogste bijdrage voor de verschillende bouwjaren van de aanlegfase. De hoogste bijdrage kan plaatsvinden op een overbelast of een niet (naderend) overbelast hexagoon. Hoogste bijdragen die plaatsvinden op een (naderend) overbelast hexagoon zijn blauw gearceerd. Hoogste bijdragen die plaatsvinden op niet (naderend) overbelaste hexagonen zijn wit. In tabel 5.1 zijn ook de Kritische Depositie Waarden ( ) en maximale Achtergrond Depositie Waarden ( ) op de habitattypen/leefgebieden weergegeven.
Tabel 5.1 Overzicht Natura 2000-gebieden met per habitattype/leefgebied de hoogste bijdrage in de aanlegfase, inclusief KDW en de maximale ADW. De blauw gearceerde cellen geven aan dat de hoogste bijdrage plaatsvindt op een (naderend) overbelast hexagoon. De witte cellen geven aan dat de hoogste bijdrage plaatsvindt op een niet (naderend) overbelast hexagoon (let op: dit betekent niet dat het habitattype/leefgebied als geheel niet overbelast is) Natura 2000gebied
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
16 | 48
Aanlegfase (mol N/ha/jr.)
Habitattype/ leefgebied
2021
2022
2023
2024
2025
KDW (mol N/ha/jr.)
ADW (max.) (mol N/ha/jr.)
Lg10
0,06
0,16
0,08
0,10
0,11
1.429
1.597
Lg08
0,06
0,15
0,08
0,09
0,11
1.571
1.860
Lg11
0,06
0,14
0,07
0,08
0,10
1.429
1.635
H6510B
0,03
0,08
0,04
0,04
0,05
1.571
2.119
H6510A
0,02
0,06
0,03
0,03
0,03
1.429
1.743
Lg07
0,04
0,04
0,05
0,05
0,02
1.429
1.803
H6410
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
1.071
1.274
H6120
0,02
0,06
0,03
0,03
0,04
1.286
1.484
Lg02
0,02
0,06
0,03
0,03
0,03
2.143
1.180
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Natura 2000gebied
Rijntakken
Olde Maten & Veerslootslanden
Aanlegfase (mol N/ha/jr.)
Habitattype/ leefgebied
2021
2022
2023
2024
2025
KDW (mol N/ha/jr.)
ADW (max.) (mol N/ha/jr.)
H3150baz
0,02
0,04
0,02
0,02
0,02
2.143
1.364
H91F0
0,01
0,03
0,02
0,02
0,02
2.071
1.708
(ZG)Lg11
0,02
0,05
0,03
0,04
0,05
1.429
2.181
(ZG)Lg07
0,02
0,04
0,02
0,04
0,03
1.429
1.877
(ZG)Lg08
0,02
0,05
0,03
0,04
0,05
1.571
1.813
H6120
0,01
0,03
0,02
0,02
0,02
1.286
1.261
H9999:38
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
1.286
1.388
2.000
1.983
H91E0B
0,01
H91F0
0,01
0,04
0,02
0,03
0,03
2.071
1.607
(ZG)Lg02
0,01
0,04
0,02
0,03
0,03
2.143
1.690
H6510A
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
1.429
1.352
H6510B
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
1.571
1.484
H6410
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
1.071
1.478
H7140B
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
714
1.486
Lg05
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
1.714
1.406
H7140A
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
1.214
1.144
Lg02
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
2.143
1.499
(ZG)H3150baz
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
2143
2.126
H4010B
0,01
786
1.655
(ZG)H6410
0,01
1.071
1.613
(ZG)H7140A (ZG)H7140B
0,01 0,01
(ZG)H91D0 De Wieden
0,01
0,01
714
2.126
0,01
0,01
0,01
0,01
1.786
2.243
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
714
2.060
Lg05
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
1.714
2.321
Lg07
0,01
1.429
1.955
Lg08
0,01
1.571
1.600
1.429
1.655
2.143
1.977
Lg02
Zwarte Meer
1.613
0,01
H9999:35
Lg10
Veluwe
1.214
0,01
0,01 0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
Lg03
0,01
1.786
1.329
H3140lv
0,01
2.143
1.206
H7210
0,01
1.571
1.039
H2310
0,01
1.071
2.056
H2320
0,01
1.071
1.849
(ZG)H4030
0,01
1.071
2.002
H9120
0,01
1.429
2.069
(ZG)H9190
0,01
1.071
3.084
(ZG)L4030
0,01
1.071
2.475
(ZG)Lg09
0,01
1.000
1.966
(ZG)Lg13
0,01
1.071
4.789
(ZG)Lg14
0,01
1.429
2.722
ZGLg01
0,01
1.429
1.338
H6510B
0,01
1.571
1.103
Tabel 5.2 toont per Natura 2000-gebied en per habitattype/leefgebied de maximale planbijdrage op (naderend) overbelaste hexagonen voor de verschillende bouwjaren en de gecumuleerde bijdrage voor de maximale attypen/leefgebieden weergegeven. De blauw gearceerde rijen geven de habitattypen/leefgebieden aan waar sprake is van een gecumuleerde bijdrage >0,1 mol N/ha. De witte rijen geven de habitattypen/leefgebieden aan waar sprake is
17 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
van een gecumuleerde bijdrage 0,1 mol N/ha. Deposities op habitattypen/leefgebieden die in zijn geheel niet overbelast zijn, zijn niet weergegeven in tabel 5.2, maar zijn wel weergegeven in tabel 5.1.
Tabel 5.2 Overzicht Natura 2000-gebieden met een planbijdrage op (naderende) overbelaste habitattypen/leefgebieden in de aanlegfase, inclusief KDW en maximale ADW. De blauw gearceerde cellen geven de habitattypen/leefgebieden aan waar sprake is van een gecumuleerde bijdrage van >0,1 mol N/ha. De witte cellen geven de habitattypen/leefgebieden aan
Aanlegfase (mol N/ha/jr.) Natura 2000gebied
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
Rijntakken
Habitattype/ leefgebied
2021
2022
2023
2024
2025
Lg10
0,06
0,16
0,08
0,10
0,11
0,51
1.429
1.597
Lg08
0,06
0,15
0,08
0,09
0,11
0,49
1.571
1.860
Lg11
0,05
0,13
0,06
0,08
0,09
0,41
1.429
1.635
H6510B
0,03
0,03
0,03
0,04
0,04
0,17
1.571
2.119
0,02
0,06
0,03
0,03
0,03
0,17
1.429
1.743
Lg07
0,01
0,04
0,02
0,02
0,02
0,11
1.429
1.803
H6410
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
0,06
1.071
1.274
H6120
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,05
1.286
1.484
(ZG)Lg11
0,01
0,03
0,02
0,03
0,03
0,12
1.429
2.181
(ZG)Lg07
0,01
0,03
0,02
0,02
0,03
0,11
1.429
1.877
(ZG)Lg08
0,01
0,01
0,02
0,02
0,03
0,09
1.571
1.813
H6120
0,01
0,03
0,01
0,02
0,02
0,09
1.286
1.261
H9999:38
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,05
1.286
1.388
0,01
2.000
1.983
H6410
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
0,06
1.071
1.478
H7140B
0,01
0,02
0,01
0,01
0,01
0,06
714
1.486
(ZG)H3150baz
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,05
2.143
2.126
Veluwe
0,01
H4010B
0,01
0,01
786
1.655
(ZG)H6410
0,01
0,01
1.071
1.613
(ZG)H7140A
0,01
0,01
1.214
1.613
(ZG)H7140B De Wieden
ADW (max.) (mol N/ha/jr.)
H6510A
H91E0B Olde Maten & Veerslootslanden
Gecumuleer de bijdrage aanlegfase KDW (mol (mol N/ha) N/ha/jr.)
0,01
(ZG)H91D0
0,01
0,01
0,01
0,01
0,05
714
2.126
0,01
0,01
0,01
0,01
0,04
1.786
2.243
H9999:35
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,05
714
2.060
Lg05
0,01
0,01
0,01
0,01
0,01
0,05
1.714
2.321
Lg07
0,01
0,01
1.429
1.955
Lg08
0,01
0,01
1.571
1.600
Lg10
0,01
0,01
1.429
1.655
H2310
0,01
0,01
1.071
2.056
H2320
0,01
0,01
1.071
1.849
(ZG)H4030
0,01
0,01
1.071
2.002
H9120
0,01
0,01
1.429
2.069
(ZG)H9190
0,01
0,01
1.071
3.084
(ZG)L4030
0,01
0,01
1.071
2.475
(ZG)Lg09
0,01
0,01
1.000
1.966
(ZG)Lg13
0,01
0,01
1.071
4.789
(ZG)Lg14
0,01
0,01
1.429
2.722
Uit tabel 5.1 volgt dat voor een aantal habitattypen geen sprake is van een (naderende) overbelasting van de KDW door de ADW en de planbijdrage.
18 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Uit tabel 5.2 volgt dat voor alle (naderend) overbelaste habitattypen/leefgebieden van Olde Maten & Veerslootlanden, De Wieden en bedraagt. In habitattypen H6410 en H6120 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en leefgebied (ZG)Lg08 en habitattypen H9999:38, H6120 en H91E0B in Rijntakken is N/ha (witte cellen). In leefgebieden Lg07, Lg08, Lg10 en Lg11 en habitattypen H6510A en H6510B in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en leefgebieden (ZG)Lg11 en (ZG)Lg07 in Rijntakken bedraagt de gecumuleerde toename in de aanlegfase >0,1 mol N/ha (blauw gearceerde cellen) en is sprake van een (naderende) overbelasting van de KDW door de ADW en de planbijdrage.
5.1.2
Gebruiksfase
Tabel 5.3 toont per Natura 2000-gebied en per habitattype/leefgebied de hoogste bijdrage in de gebruiksfase. De hoogste bijdrage kan plaatsvinden op een overbelast of een niet (naderend) overbelast hexagoon. Hoogste bijdragen die plaatsvinden op een (naderend) overbelast hexagoon zijn blauw gearceerd. Hoogste bijdragen die plaatsvinden op een niet (naderend) overbelaste hexagoon zijn wit. In tabel 5.3 maximale
Tabel 5.3 Overzicht Natura 2000-gebieden met per habitattype/leefgebied de hoogste bijdrage in de gebruiksfase, inclusief KDW en de maximale ADW, in mol N/ha/jr. De blauw gearceerde cellen geven aan dat de hoogste bijdrage plaatsvindt op een (naderend) overbelast hexagoon. De witte cellen geven aan dat de hoogste bijdrage plaatsvindt op een niet (naderend) overbelast hexagoon (let op: dit betekent niet dat het habitattype/leefgebied als geheel niet overbelast is) Natura 2000-gebied
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
Rijntakken
Habitattype/leefgebied
Gebruiksfase (rekenjaar 2026)
KDW
ADW (max.)
Lg10
0,06
1.429
1.597
Lg08
0,06
1.571
1.597
Lg07
0,02
1.429
1.768
Lg11
0,05
1.429
1.410
H6510A
0,01
1.429
1.428
H6510B
0,02
1.571
1.410
H6120
0,01
1.286
1.192
H91F0
0,01
2.071
1.656
Lg02
0,01
2.143
1.180
(ZG)Lg11
0,04
1.429
2.037
(ZG)Lg07
0,04
1.429
1.540
Lg08
0,04
1.571
1.801
H6120
0,02
1.286
1.261
H91F0
0,03
1.286
1.208
(ZG)Lg02
0,02
2.143
1.429
ZGLg08
0,03
1.571
1.350
Tabel 5.4 toont per Natura 2000-gebied en per habitattype/leefgebied de maximale planbijdrage op maximale habitattypen/leefgebieden weergegeven. Deposities op habitattypen/leefgebieden die in zijn geheel niet overbelast zijn, zijn niet weergegeven in tabel 5.4, maar zijn wel weergegeven in tabel 5.3.
19 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Tabel 5.4 Overzicht Natura 2000-gebieden met een planbijdrage op (naderend) overbelaste habitattypen/leefgebieden in de gebruiksfase, inclusief KDW, en maximale ADW, in mol N/ha/jr. Natura 2000-gebied
Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
Rijntakken
Habitattype/leefgebied
Gebruiksfase (rekenjaar 2026)
KDW
ADW (max.)
Lg10
0,06
1.429
1.597
Lg08
0,06
1.571
1.597
Lg07
0,01
1.429
1.768
Lg11
0,04
1.429
1.410
H6510A
0,01
1.429
1.428
(ZG)Lg11
0,03
1.429
2.037
(ZG)Lg07
0,02
1.429
1.540
Lg08
0,01
1.571
1.801
H6120
0,01
1.286
1.261
Uit tabel 5.4 blijkt dat in leefgebieden Lg07, Lg08, Lg10 en Lg11 en habitattype H6510A in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en leefgebieden (ZG)Lg11, (ZG)Lg07, Lg08 en habitattype H6120 in Rijntakken sprake is van depositie op (naderend) overbelaste hexagonen.
5.2
Effectbeoordeling aanlegfase
Op basis van de gecumuleerde deposities in de aanlegfase is de effectbeoordeling van de aanlegfase opgedeeld in twee delen. Alle habitattypen waarvan de KDW (naderend) wordt overschreden en waarvan de gecumuleerde depositie 0,1 mol N/ha bedraagt, zijn gezamenlijk beoordeeld in paragraaf 5.2.1. De habitattypen waarvan de KDW (naderend) wordt overschreden en waarvan de gecumuleerde depositie >0,1 mol N/ha bedraagt, zijn beoordeeld in paragraaf 5.4 (Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht) en 5.5 (Rijntakken). Het betreft de leefgebieden Lg07, Lg08, Lg10 en Lg11 en habitattypen H6510A en H6510B in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en leefgebieden (ZG)Lg11 en (ZG)Lg07 in Rijntakken (zie tabel 5.5). Deze leefgebieden en habitattypen zijn individueel per leefgebied/habitattype nader geanalyseerd. Significante gevolgen voor leefgebieden en habitattypen waarvan de KDW niet (naderend) wordt overschreden door de ADW en de planbijdrage kunnen worden uitgesloten.
5.2.1
N/ha
Voor alle (naderend) overbelaste habitattypen/leefgebieden van Olde Maten & Veerslootlanden, De Wieden en Veluwe is de bijdrage o In habitattypen H6410 en H6120 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en leefgebied (ZG)Lg08 en habitattypen H9999:38, H6120 en H91E0B in Rijntakken is . Ecologisch gezien leiden dergelijke geringe bijdragen niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken. De berekende kleine en tevens tijdelijke stikstofdepositie zal op geen enkele wijze leiden tot een meetbaar of merkbaar gevolg voor de vegetatie, en zal daardoor ook geen invloed hebben op de kwaliteit van de habitattypen/leefgebieden. Ook niet in een reeds overbelaste of naderende overbelaste situatie. De onderbouwing hiervoor is vijfledig: 1 deposities door emissie van mobiele werktuigen maken sinds de aanwijzing van de Natura 2000gebieden onderdeel uit van de bestaande ADW; 2 3 kleine (en tijdelijke) deposities leiden nooit tot schade aan planten; 4 kleine (en tijdelijke) deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling; 5 kleine (en tijdelijke) deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer. Deze punten zijn in hierna gedetailleerd uitgewerkt:
20 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Deposities door emissie van mobiele werktuigen zijn bestaande bronnen die deel uitmaken van de bestaande ADW Voor de aanlegfase van onderhavig plan worden mobiele werktuigen en ander materieel ingezet die tijdelijk stikstofemissie veroorzaken. Dit materieel wordt verspreid over Nederland, telkens opnieuw ingezet voor verschillende projecten. Het zijn bestaande bronnen die al sinds de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden onderdeel uitmaken van de bestaande ADW. Dit materieel veroorzaakt een, in verhouding tot de totale ADW, minieme deken welke qua ruimtelijke verdeling vrijwel constant is. De emissie veroorzaakt door dit materieel is bovendien gedurende de jaren steeds lager geworden als gevolg van het steeds schoner worden van motoren. De inzet van dit materieel gedurende het jaar betreft in feite het telkens verschuiven van bestaande bronnen naar nieuwe locaties. Het inzetten van dit materieel op een nieuwe locatie in Nederland kan op zichzelf tot een minieme lokale tijdelijke depositieverhoging leiden. Een kleine (en tijdel zoals in onderhavig project kan echter nooit van invloed zijn op de omvang en ruimtelijke verdeling van depositiedeken als gevolg van de jaarlijkse inzet van al het zich in Nederland bevindende materieel.
Het kan daarmee geen significante gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Kleine (en tijdelijke) deposities In de meeste habitattypen functioneert een natuurlijke stikstofkringloop waarin veel grotere hoeveelheden 1 tot 5 kilogram N/ha/jr.; overeenkomend met 71 tot 357 mol N/ha/jr. [lit. 9]. Er is echter geen sprake meer van een natuurlijke ADW, aangezien de ADW door de mens aanzienlijk hoger is geworden. De ADW in het plangebied ligt gemiddeld tussen de 880 en 3.513 mol N/ha/jr. Ook binnen deze verhoogde ADW is het mogelijk om verschillende habitattypen in stand te houden. De kleine (en tijdelijke) planbijdrage heeft geen merkbaar effect op deze totale stikstofkringloop. Om toch een beeld te geven van de omvang van de kleine (en tijdelijke) depositietoenames is het goed om de verhouding tot de achtergrondbelasting in een gebied in acht te nemen. Op alle Natura 2000-gebieden in Nederland vindt als gevolg van natuurlijke en door mensen beïnvloede oorzaken stikstofdepositie plaats. Deze ADW varieert tussen circa 700 en 4.000 mol N/ha/jr., afhankelijk van de locatie. Deze deposities vinden al gedurende decennia permanent plaats, zij het dat ze in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald zijn. Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij d specifieke locatie van jaar tot jaar.
Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag). Dit betreft een ordegrootte van 10 % [lit. 6]. Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol N/ha/jr. De hoogste ADW op een hexagoon met een bijdrage door projectactiviteiten bedraagt 3.513 mol N/ha/jr. zeer gering, zowel ten vastgesteld, als de hoogte van deze deposities over lange termijnen. Kleine (en tijdelijke) deposities leiden (vrijwel) nooit tot schade aan planten Directe schade aan individuele planten, en daarmee aan vegetatietypen en habitattypen als gevolg van kleine (en tijdelijke) deposities zijn met zekerheid uitgesloten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland namelijk zo laag dat directe toxische schade aan planten (vrijwel) niet meer voorkomt. Dit effectmechanisme ten aanzien van atmosferische depositie van stikstof speelt daarom in Nederland geen rol [lit. 10]. Kleine (en tijdelijke) deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling Kleine (en tijdelijke) depositietoenames leiden niet tot een significante toename van de hoeveelheid stikstof in de plant, gerelateerd aan de hoeveelheid die een plant nodig heeft om te groeien. Om een beeld te
21 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
krijgen van de vermestende invloed van een depositietoename van 1 mol/ha is de volgende berekening illustratief: - een depositie van 1 mol N/ha komt overeen met 14 gram N per hectare; - de productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jr. [lit. 7]; - het aandeel stikstof in droge stof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5 % uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5 % bij houtachtige planten tot 5,0 % bij peulvruchten [lit. 11]; - voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 tot 90 kg N/ha/jr. nodig. Dit komt overeen met circa 2.150 en 6.400 mol N/ha/jr. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof; dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing); - een depositie van 1 mol N/ha/jr. komt overeen met 0,02 en 0,05 % van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie.
Een kleine (en tijdelijke) toename van de depositie leidt dus niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit wordt geconcludeerd dat een kleine (en tijdelijke) depositietoename van maximaal 0,1 mol N/ha (dat is tien keer minder dan de hierboven geschetste gevolgen) de kwaliteit van de habitattypen/leefgebieden niet meetbaar aantast. Kleine (en tijdelijke) deposities zijn verwaarloosbaar in relatie tot het (reguliere) beheer Een plant heeft voor de aangroei van 1 gram ongeveer 0,2 gram stikstof nodig [lit. 12]. Een (tijdelijke) depositie van maximaal 0,1 mol (1,4 gram) per hectare zal dus, ervan uitgaande dat de helft van de stikstof ook daadwerkelijk wordt benut en de andere helft uitspoelt, leiden tot een aanwas van de vegetatie van 3,5 gram biomassa per hectare. Om aan te tonen hoe beperkt de toename eigenlijk is, is deze hierna vergeleken met de inspanning die geleverd moet worden om deze toename middels begrazing weg te nemen. Dit is puur een voorbeeld, en is niet bedoeld om de compensatieopgave weer te geven. Veel voor stikstofgevoelige habitats en leefgebieden worden beheerd middels begrazing. Een schaap heeft een voedselbehoefte van 1,7 kg droge stof per dag [lit. 13].
Uitgaande van een droge stofgehalte van de heide- en graslandvegetatie van (worst case) maximaal 50 % eet een schaap per dag 3,4 kg vegetatie. Uitgedrukt in schaapdagen (hoeveelheid vegetatie die één schaap op één dag graast) is 3,4 kg dus één schaapdag. Om een jaarlijkse extra aanwas van 3,5 gram vegetatie per hectare uit het systeem te halen, is dus 0,000875 schaapdag per hectare nodig. Uitgaande van een graasduur van acht uur per dag (gescheperde kudde), moet om het gehele gevolg van de extra depositie van een heel jaar af te voeren door één schaap ongeveer 0,053 minuut worden gegraasd per hectare. Een dergelijke kleine extra beheerinspanning is verwaarloosbaar en leidt niet tot enig gevolg voor het habitattype. Uit voorgaande blijkt dat ee aantast. De planbijdrage heeft derhalve geen invloed op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen/leefgebieden. Dit betekent dat significante gevolgen voor alle (naderend) overbelaste habitattypen/leefgebieden van Olde Maten & Veerslootlanden, De Wieden, Veluwe en Zwarte Meer, evenals voor habitattypen H6410 en H6120 in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en leefgebieden (ZG)Lg08 en habitattypen H9999:38, H6120, H91E0B, H6510A en H6510B in Rijntakken tijdens de aanlegfase kunnen worden uitgesloten.
5.3
Effectbeoordeling gebruiksfase
In de gebruiksfase treedt een toename van 0,01 - 0,06 mol N/ha/jr. op in (naderend) overbelaste habitattypen/leefgebieden van Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Rijntakken. Het gaat om Lg07, Lg08, Lg10, Lg11 en H6510A in Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en (ZG)Lg11, (ZG)Lg07, Lg08 en H6120 in
22 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Rijntakken. Deze leefgebieden en habitattypen worden samen met de leefgebieden en habitattypen met deposities >0,1 mol N/ha in de aanlegfase nader geanalyseerd in paragraaf 5.4 (Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht) en 5.5 (Rijntakken) (zie tabel 5.5).
Tabel 5.5 Natura 2000-gebieden en habitattypen/leefgebied die nader worden beoordeeld in paragraaf 5.4 en 5.5, de maximale planbijdrage op (naderend) overschreden hexagonen is tussen haakjes aangegeven Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
Aanlegfase (2021 t/m 2025)
Gebruiksfase (2026)
Lg08 (0,15)
Lg08 (0,06)
Lg10 (0,16)
Lg10 (0,06)
Lg11 (0,13)
Lg11 (0,04)
Lg07 (0,04)
Lg07 (0,01)
H6510A (0,06)
H6510A (0,01)
H6510B (0,04) Rijntakken
(ZG)Lg11 (0,03)
(ZG)Lg07 (0,02)
(ZG)Lg07 (0,03)
Lg08 (0,01) (ZG)Lg11 (0,03) H6120 (0,01)
5.4
Nadere analyse Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht
De Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht betreffen het geheel aan uiterwaarden ten noorden van Zwolle waar de Overijsselse Vecht samenstroomt met het Zwarte Water. De Vecht is een regenrivier die in Duitsland ontspringt. Het gedeelte van de Vecht dat in dit gebied is opgenomen kronkelt sterk door het landschap. Een deel van de uiterwaarden wordt soms tot laat in het voorjaar onregelmatig overstroomd. Op de met steenslag beschermde oevers van de zomerdijk groeit vaak riet, ruigte of wilgenstruweel. De uiterwaarden bestaan uit buitendijkse graslanden, waarin strangen, kolken, rivierduinen en hakhoutbosjes voorkomen. Langs het Zwarte Water komen nattere graslanden voor. Dit gebied herbergt veel kievitsbloemgraslanden. Daarnaast komt in het gebied een aantal hardhoutooibosjes voor. Ook komen relicten van blauwgraslanden voor. Op hoger liggende zandige ruggen en langs en op de dijken komen lokaal goed ontwikkelde glanshaverhooilanden voor. Lokaal zijn abelen-iepenbossen aanwezig. In tabel 5.6 zijn de habitattypen en leefgebieden beschreven waarbij sprake is van een projectbijdrage van stikstofdepositie en waarvan de KDW (naderend) wordt overschreden. Bij de overige habitattypen of leefgebieden in Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is geen sprake van een inclusief projectbijdrage niet (naderend) overschreden.
Voor deze habitattypen en leefgebieden zijn significante gevolgen reeds uitgesloten (zie paragraaf 5.2.1).
23 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Tabel 5.6 Maximale jaarlijkse planbijdrage van stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase op habitattypen en leefgebieden en de ADW en KDW in mol N/ha/jr. in Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht waarvan de KDW (naderend) is overschreden Habitattype
Planbijdrage aanlegfase (2021 t/m 2025)
Planbijdrage gebruiksfase (2026)
KDW
ADW aanlegfase
ADW gebruiksfase
Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland
0,15
0,06
1.571
1.860
1.597
Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied
0,16
0,06
1.429
1.597
1.597
Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied
0,13
0,04
1.429
1.635
1.410
Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei
0,04
0,01
1.429
1.803
1.768
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
0,06
0,01
1.429
1.743
1.428
H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)
0,04
1.571
2.119
1.410
Hieronder wordt per habitattype of leefgebied het effect van stikstofdepositie nader geanalyseerd.
5.4.1
Leefgebieden: Lg07, Lg08, Lg10 en Lg11
Beschrijving (ZG)Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en klei Dotterbloemgrasland van veen en klei omvat kruidenrijke hooilanden op natte tot matig natte, matig zure tot neutrale en vooral zwak voedselrijke veen- en kleigronden. Ook matig productieve graslanden behoren tot het leefgebied. De vegetatie in dit leefgebied komt tot ontwikkeling op plaatsen waar in winter en voorjaar een hoge grondwaterstand aanwezig is, met basenrijk grondwater. Het meest komt grasland met waterkruiskruid en dotterbloem voor, dat 's winters onder water staat. Waar menging met mineralenarmer water plaatsvindt, kan ook grasland voorkomen dat rijk is aan veldrus. In twee zeldzamere vormen van het Dotterbloemgrasland van veen en klei komt de harlekijn als opvallende soort voor. Het reguliere beheer van het leefgebied bestaat uit het jaarlijks maaien van de vegetatie in de zomer [lit. 24]. Voor het leefgebied Dotterbloemgrasland van veen en klei zijn zes Vogelrichtlijnsoorten, één mossoort en één dagvlinder benoemd waarvoor stikstofdepositie een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Door vermesting treedt een verhoogde productie van grassoorten op waardoor de vegetatie dichter wordt. Dit kan vervolgens effect hebben op de beschikbaarheid en aanwezigheid van insecten voor vogels [lit. 24].
Niet alle in de herstelstrategie genoemde soorten zijn aangewezen als kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Alleen soorten die aangewezen zijn voor Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht worden meegenomen in de effectbeoordeling (zie tabel 5.7). Beschrijving Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland Nat, matig voedselrijk grasland omvat kruidenrijk grasland op natte tot matig natte, zwak zure tot neutrale, zwak tot matig eutrofe gronden. In vergelijking met Dotterbloemgrasland van veen en klei (Lg07) is de bodem stikstofrijker. De vegetatie die het leefgebied kenmerkt komt tot ontwikkeling op plaatsen die in winter en voorjaar langdurig onder water staan, wat veroorzaakt wordt door overstromend oppervlaktewater of onderdijkse kwel. Het leefgebied kent twee subtypen, namelijk Zilverschoongrasland (subtype a) en Nat, matig voedselrijk weidevogelgrasland (subtype c), die onderling verschillen in de aard van het water- en het vegetatiebeheer. Op plaatsen met langdurige en rechtstreekse overstroming door oppervlaktewater ontstaat
24 | 48
Witteveen+Bos | 124828/21-005.375 | Definitief
Zilverschoongrasland. Het subtype komt onder andere voor in de oeverzone van wateren en in lage graslanden in de uiterwaarden, waarbij beweiding de gebruikelijke beheersvorm is. Subtype c van het natuurdoeltype kan zowel beweid als gehooid worden en is van groot belang voor weidevogels, met name voor 'kritische' weidevogels van natte omstandigheden. In de winter zijn deze graslanden belangrijk voor ganzen en zwanen, terwijl steltlopers er gedurende de trek graag gebruik van maken [lit. 14]. Voor het leefgebied Nat, matig voedselrijk grasland zijn dertien Vogelrichtlijnsoorten en één vaatplant benoemd waarvoor stikstofdepositie een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Stikstofdepositie resulteert in vermesting en leidt tot verruiging van de vegetatie [lit. 14]. Niet alle in de herstelstrategie genoemde soorten zijn aangewezen als kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Alleen soorten die aangewezen zijn voor Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht worden meegenomen in de effectbeoordeling (zie tabel 5.7). Beschrijving Lg10 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied (verder aangeduid als droge, zwak zure tot neutrale, zwak voedselrijke zand-, lemen veengronden.
Het leefgebied omvat beweide kamgrasweide en beweide of gemaaide bloemrijke weidevogelgraslanden. Kamgrasweide op zand en veen komt vooral voor op de hogere zandgronden en in het laagveengebied, maar ook in de duinen en op de oeverlanden van afgesloten zeearmen. Op de hogere zandgronden neemt het een middenpositie in tussen enerzijds droger en schraler grasland en anderzijds nattere graslanden. Deze situaties doen zich van nature vooral voor op de overgang van stuwwallen en hogere dekzandgebieden naar beekdalen en lagere dekzandgebieden. Daarnaast komt het ook voor op plaatsen langs beken waar kwel een relatief geringe rol speelt. In het laagveengebied komt het leefgebied voor op de relatief droge gronden [lit. 15]. Voor het leefgebied Kamgrasweide op zand en veen zijn veertien Vogelrichtlijnsoorten benoemd waarvoor stikstofdepositie een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied. Stikstofdepositie heeft een vermestend en verzurend effect. Vermesting leidt tot verruiging van de vegetatie en daarmee tot een lager aanbod en/of een lagere bereikbaarheid van voedsel voor de Vogelrichtlijnsoorten [lit. 15]. Niet alle in de herstelstrategie genoemde soorten zijn aangewezen als kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht.
Alleen soorten die aangewezen zijn voor Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht worden meegenomen in de effectbeoordeling (zie tabel 5.7). Beschrijving Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied (verder aangeduid als voor in het rivieren- en zeekleigebied en in mindere mate ook op de oeverlanden van de afgesloten zeearmen. In de eerste twee regio's komt het voor op de relatief droge gronden; op de oeverlanden is het te vinden op de voormalige kwelders [lit. 16]. Een rijke levensgemeenschap is vooral te verwachten als er binnen een gebied een afwisseling is tussen lage, vochtige en hoge, droge delen en tussen begroeiingen met een open structuur (waarbinnen de bodem beschadigd is), grazige begroeiingen en zoomachtige vegetaties. Dergelijke graslanden zijn in het bijzonder van belang voor weidevogels. Het beheer van het leefgebied kan bestaan uit beweiding of maaien, of een combinatie van beide. Voor het leefgebied Kamgrasweide op klei zijn twaalf Vogelrichtlijnsoorten benoemd waarvoor stikstofdepositie een probleem kan vormen voor de kwaliteit van het leefgebied.