Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg_Toelichting
Tekst van het document
De ecologische doelstellingen stellen de lidstaten onderling vast in zogeheten (internationale) stroomgebiedbeheersplannen. Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. Van 2010 tot 2015 is de eerste tranche uitgevoerd. De tweede tranche maatregelen loopt van 2016 tot 2021. De derde tranche maatregelen loopt van 2022 tot 2027. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering centraal. Er wordt uitgegaan van het geheel van relaties tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit, oppervlaktewater, grondwater, watergebruikers en grondgebruikers. Hierbij wordt het kader geschept voor het Nederlandse waterbeheer in de komende decennia. Per 1 januari 2017 is de Waterwet gewijzigd. De beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen wordt nu gebaseerd op de overstromingskans. In 2050 moeten de waterkeringen voldoen aan de normen die per 1 januari 2017 van kracht zijn. Waterbeheer 21e eeuw WB21 anticipeert op toekomstige ontwikkelingen zoals klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging.
Deze ontwikkelingen stellen strengere eisen aan het waterbeheer. In WB21 wordt
28/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
uitgegaan van twee principes (tritsen) voor duurzame waterkwantiteit- en duurzaam waterkwaliteitsbeheer: vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren. Bij 'vasthouden, bergen en afvoeren' wordt regenwater zoveel als mogelijk bovenstrooms vastgehouden in de bodem en het oppervlaktewater. Wanneer er toch een wateroverschot ontstaat wordt het water eerst tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en dan pas afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het om een voorkeursvolgorde waarbij de voorkeur uitgaat naar het voorkomen van verontreiniging (schoonhouden). Als toch verontreiniging ontstaat, moeten schoon en vuil water zoveel mogelijk worden gescheiden. Ten slotte wordt het verontreinigde water zo goed mogelijk gezuiverd. Deltawet Het doel van de Deltawet, aangenomen op 28 juni 2011, is ons land nu en in de toekomst beschermen tegen hoogwater en de zoetwatervoorziening op orde houden. De afgelopen eeuw is de zeespiegel gestegen, de bodem gedaald en het is warmer geworden. Dat zet door, blijkt uit de cijfers van het KNMI. Hevigere weersomstandigheden, zoals meer regen en periodes van droogte, zijn zaken om rekening mee te houden. Het Deltaprogramma is er om de huidige veiligheid op orde te krijgen en ervoor te zorgen dat ons land is voorbereid op de toekomst.
En om daarbij de juiste maatregelen te nemen voor een veilig en aantrekkelijk Nederland met voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma werken het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen samen met maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en kennisinstituten. Dit gebeurt onder regie van de Deltacommissaris. Naast de lopende programma's, zoals Ruimte voor de Rivier, Maaswerken, Zwakke Schakels Kust en HWBP, staan in het Deltaprogramma vijf deltabeslissingen centraal. Deze beslissingen gaan over de normen van onze belangrijkste dijken en andere waterkeringen en de strategieën voor onze waterveiligheid, over de beschikbaarheid en verdeling van zoetwater, over het peil van het IJsselmeer, over de manier waarop gebieden veilig kunnen blijven zonder aan economische waarde in te boeten en over hoe bij het bouwen van buurten en wijken rekening kan worden gehouden met water. In 2014 zijn de deltabeslissingen in de Tweede Kamer besproken. Provinciaal beleid Provincie Overijssel heeft haar beleid vastgelegd in een omgevingsvisie en de omgevingsverordening. Op 12 april 2017 zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening vastgesteld. Hierin is het ruimtelijk beleid van de provincie vastgelegd. De Omgevingsvisie heeft tevens de status van Regionaal Waterplan onder de Waterwet en het Milieubeleidsplan onder de Wet milieubeheer.
De omgevingsverordening Overijssel bepaalt dat er een overstromingsparagraaf moet worden opgenomen, die inzicht biedt in de risico's bij overstroming en de maatregelen die getroffen worden om een overstroming te voorkomen. Deze overstromingsparagraaf is als onderdeel van de waterparagraaf opgenomen onder 3.6. Tevens is een deel van het projectgebied in de omgevingsverordening bestempeld als intrekgebied voor grondwater. In de waterparagraaf wordt toegelicht op welke manier de beoogde ontwikkeling het risico op grondwaterverontreiniging zoveel mogelijk beperkt. Waterschapsbeleid Zwolle ligt in het beheergebied van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD). Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027, de Kadernotitie Stedelijk Water, beleid inrichting beheer en onderhoud op maat en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Het beleid van het waterschap sluit nauw aan bij de uitgangspunten van WB21. In 2021 is de Kadernotitie Stedelijk Water vastgesteld. Deze notitie beschrijft de voor het waterschap gewenste situatie in bestaand en nieuw stedelijk gebied. Om deze situatie te bereiken heeft het waterschap in 2015 het beheer en onderhoud van deze wateren overgenomen van de gemeente Zwolle.
Op watergangen en keringen van Waterschap Drents Overijsselse Delta is de waterschapsverordening van het waterschap Drents Overijsselse Delta van toepassing. In de waterschapsverordening zijn regels gesteld wat wel en niet mag bij o.a. watergangen, waterkeringen, kernzones en bijvoorbeeld lozingen. Gemeentelijk beleid
29/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
De gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van hemelwaterinfiltratie vastgelegd in de Hemelwaterverordening van 2022. Verder zijn in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 (GRP) ontwerprichtlijnen en beleidskeuzes beschreven waaraan voldaan moet worden. Ook heeft Zwolle een raamwerk klimaat- en watersysteem vastgesteld als onderdeel van de Omgevingsvisie van 2021. Conclusie Het plan is in overeenstemming met het waterbeleid. In paragraaf 3.6 wordt nader ingegaan op de gevolgen van deze ontwikkeling op het watersysteem.
2.6
Milieubeleid
Algemeen beleid De gemeenteraad heeft in 2005 de milieuvisie 'Milieu op scherp' vastgesteld. De milieuvisie geeft de richting aan van het Zwolse milieubeleid. In de milieuvisie worden ambities en doelstellingen geformuleerd en worden prioriteiten gesteld in de ontwikkeling en uitvoering van het Zwolse milieubeleid. In de milieuvisie is de strategie geformuleerd die Zwolle wil hanteren om te komen tot een effectief en efficiënt milieubeleid. Er worden parallelle sporen gevolgd. Per sector (geluid, bodem, externe veiligheid, luchtkwaliteit, enzovoort) wordt beleid geformuleerd. Op dit moment (anno 2023) is voor de sectoren energie, duurzaam bouwen, bodem, grondwater, geluid, afval, luchtkwaliteit en externe veiligheid beleid vastgesteld. Zwolle heeft daarnaast gebiedsgericht milieubeleid ontwikkeld. Door middel van gebiedsgerichte aanpak wordt het sectorale milieubeleid per gebied geïntegreerd. Het principe is dat binnen het grondgebied van Zwolle diverse gebiedstypen worden onderscheiden op basis van ruimtelijke kenmerken en functies. Vervolgens wordt vastgesteld welke milieukwaliteit nagestreefd wordt bij een dergelijk gebiedstype. Uiteindelijk zal dit referentie milieukwaliteitsprofiel de basis vormen voor de uitwerking van het milieubeleid in een specifiek gebied.Voor het plangebied worden de verschillende relevante milieuthema's hierna kort beschreven.
Geluid In de milieuvisie 'Milieu op scherp' wordt de ambitie voor geluid als volgt omschreven. Zwolle is een dynamische stad met geluidniveaus die passen binnen de wettelijke grenswaarden. Er zijn alleen geluiden die passen bij de functie van een gebied en ook de geluidbelasting binnen het gebied is gerelateerd aan de functie van het gebied. Dit is vastgelegd in de 'Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu gemeente Zwolle'. Een belangrijke doelstelling is het verminderen van geluidshinder in bestaande woningen en voorkomen van geluidshinder bij renovatie en nieuwbouw. Een belangrijke maatregel om deze doelstelling te bereiken is het toepassen van stillere wegdeksoorten. Een andere maatregel is het meenemen van de geluidsdoelstellingen bij de ruimtelijke planontwikkeling. In de door de gemeenteraad vastgestelde 'Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu gemeente Zwolle' (juli 2007) en in de beleidsregel 'Hogere waarden Wet geluidhinder' (9 februari 2007) worden de ambities en de grenswaarden (dit is de maximale waarde waarvoor nog hogere grenswaarden worden vastgesteld) per gebiedstype genoemd. Het plangebied behoort tot het gebiedstype 'Agrarisch landschap'. Voor dit gebiedstype zijn in het gemeentelijk beleid grenswaarden gesteld voor geluid afkomstig van wegverkeer (48 dB), railverkeer (55 dB) en industrielawaai (50 dB(A)).
Luchtkwaliteit Zwolle wil, binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de
30/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
verbetering van de luchtkwaliteit. Om dat te bereiken zijn de volgende doelen geformuleerd: 1. Voldoen aan wet- en regelgeving; 2. Anticiperen op de toekomst: knelpunten in de toekomst moeten voorkomen worden. Dit betekent dat de luchtkwaliteit in het planvormingsproces van ruimtelijke plannen en verkeersplannen wordt meegenomen; 3. Beleid ten aanzien van luchtkwaliteit inbedden in bestaand gemeentelijk beleid. De gemeente streeft ernaar dat het aspect door gaat werken in het verkeers- en vervoersbeleid, het ruimtelijke ordeningsbeleid en het beleid van vergunningen en handhaving. Externe veiligheid De beleidsvisie externe veiligheid is op 6 maart 2007 vastgesteld door de gemeenteraad. In de visie wordt ernaar gestreefd om voor haar gehele grondgebied te voldoen aan de basisveiligheid, zodat onder meer overal wordt voldaan aan de normen voor plaatsgebonden risico (PR). Op 20 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders als nadere uitwerking van de doelstelling uit de beleidsvisie het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid.
Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico. Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen. Een afwijkend gebiedstype vormen de stroomzones. Stroomzones zijn gebieden rondom infrastructuur (spoorlijnen, wegen en waterwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor stroomzones is een apart beleidskader geformuleerd. Onderhavig bestemmingsplan is gelegen binnen het gebiedstype 'Agrarisch landschap'. Dit zijn de groene gebieden met overwegend agrarische functies. Wonen (los van agrarische bedrijven) in deze gebieden is beperkt toegestaan. Vanwege de lage personendichtheid is er binnen het gebiedstype Agrarisch landschap in principe veel risicoruimte beschikbaar. Het bestemmingsplan is ook deels gelegen binnen de Stroomzone. Het gebiedstype stroomzone omvat de hoofdinfrastructuur (weg en spoor) en de directe omgeving hiervan. Binnen dit gebiedstype staat de stroomfunctie van de aanwezige infrastructuur centraal. De functie van de directe omgeving van de infrastructuur binnen de stroomzone wordt bepaald door het aangrenzende gebiedstype.
Bedrijven en milieuzonering Voor het toetsen en plannen van ruimtelijke ontwikkelingen wordt gewerkt met de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering uit 2009. Met een goede ruimtelijke ordening kan hinder worden voorkomen. Dit kan door voldoende afstand te behouden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. In de handreiking zijn lijsten opgenomen met richtafstanden. Als niet aan deze richtafstanden kan worden voldaan, zal maatwerk moeten worden geleverd. Dit houdt in dat een nadere beoordeling van de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot haar omgeving noodzakelijk is. Bodem In januari 2010 heeft de gemeente een nieuw bodembeleidsplan vastgesteld. Dit bodembeleidsplan kent in overeenstemming met het gemeentelijk milieubeleid een gebiedsgerichte benadering. In het plan wordt onderscheid gemaakt tussen de bovengrond (de laag tot ca. 0,5 meter onder maaiveld) en de ondergrond (dieper dan 0,5 meter onder maaiveld). Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. In dat kader heeft de gemeente Zwolle op 9 december 2008 een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld, waarop voor de hele gemeente wordt aangegeven welke functie de bodem heeft of welke functie in de toekomst wordt nagestreefd. De functieklassenindeling is gebaseerd op het gebiedsgericht milieubeleid van de gemeente.
De volgende functies worden onderscheiden: wonen, industrie, water, buitendijksgebied, AW2000 ('schone grond') en hoofdwegen. Onderhavig plangebied heeft na de planrealisatie de functie 'industrie'.
31/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
Met de invoering van het Besluit bodemkwaliteit zijn de kwaliteitsklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingevoerd. Op 24 augustus 2015 heeft de gemeente de bodemkwaliteitskaart vastgesteld gebaseerd op de kwaliteitsklassen van het Besluit bodemkwaliteit. Het plangebied ligt binnen volgens de bodemkwaliteitskaart binnen deelgebied 'buitengebied'. De ontgravingskwaliteit van de bovengrond (bovenste 50 cm onder maaiveld) en de ondergrond (van 0,5 tot 2,0 meter onder maaiveld) betreft 'Landbouw/Natuur'. Volgens het gemeentelijke Bodembeleidsplan (van kracht per 11 januari 2010) mag de bodemkwaliteitsklassenkaart als kwaliteitsbewijs worden gebruikt bij het herontwikkeling van een locatie. Een onderzoek is dan niet nodig. Eventueel vrijkomende grond mag volgens het bodembeleid binnen de gemeente worden hergebruikt met de bodemkwaliteitsklassenkaart als kwaliteitsbewijs. Voorwaarde hiervoor is dat de locatie niet verdacht wordt van bodemverontreiniging op basis van het huidige of historische gebruik, en er geen (al dan niet gesaneerd) geval van bodemverontreiniging bekend is. indien er aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de functie, kan een bodemonderzoek nodig zijn om te bepalen of de locatie gesaneerd dient te worden. Normaliter worden verontreinigingen in de bovengrond functiegericht gesaneerd.
Dit houdt in dat een locatie geschikt wordt gemaakt voor de functie. De terugsaneerwaarde is afhankelijk van de functie van de locatie en gericht op het voorkomen van eventuele risico's. Bij een functiegerichte sanering wordt daarom vaak een leeflaag aangebracht, die contact met de verontreinigde grond moet voorkomen. Conclusie Het plan is in beginsel in overeenstemming met het milieubeleid. Voor bepaalde milieuaspecten zal dit echter wel aanvullend onderbouwd moeten worden met behulp van onderzoek. Deze beoordeling is opgenomen in de milieuparagraaf in hoofdstuk 3.
32/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
In dit hoofdstuk wordt de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied omschreven. Daarnaast wordt een beschrijving gegeven van de uitgangspunten die gehanteerd zijn bij het maken van dit bestemmingsplan.
3.1
Stedenbouw
3.1.1
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen aan de Berkummerbroekweg en de N340. De Berkummerbroekweg ligt in oost-west richting en liep in het verleden door richting bedrijventerrein Hessenpoort. De spoorwegkruising is afgesloten, waardoor het plangebied tegenwoordig alleen vanuit oostelijke richting vanaf de Hooislagen bereikbaar is. Aan de oostzijde ligt een privéweg, niet bedoeld voor doorgaand auto- of fietsverkeer. Binnen het plangebied is reeds een hoogspanningsstation aanwezig. Het noorden van het plangebied (noordzijde Berkummerbroekweg) heeft momenteel nog een agrarische functie, bestaande uit weidegebied en akkerbouw. Ter plaatse van de geplande uitbreiding ten zuiden van het bestaande hoogspanningsstation heeft het plangebied momenteel deels nog een agrarische functie (weidegebied) en deels bestaat het plangebied uit bos. Vanuit het bestaande hoogspanningsstation lopen diverse boven- en ondergrondse hoogspanningsleidingen. De kavels worden momenteel gescheiden door watergangen en sloten. 3.1.2
Planopzet en uitgangspunten
In de nieuwe situatie wordt ten noorden van de Berkummerbroekweg een nieuw 110 kV station gerealiseerd. Ook komt er ten zuidwesten van het bestaande 110/220 kV station, een nieuw 110kV station. Daarnaast wordt het bestaande 380 kV station uitgebreid in zuidelijke richting en verbreed in oostelijke richting. De ontwikkeling valt daarmee deels op grondgebied van de gemeente Dalfsen. Voor dit plan is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Ook wordt er een grondwal gerealiseerd, die parallel loopt aan de oostelijke grens van het uitgebreide 380 kV station. De grondwal is ca. 350 meter lang en maximaal 3,5 meter hoog. Om de (nieuwe) stations met elkaar te verbinden worden er meerdere ondergrondse verbindingskabels gelegd tussen de 110 kV en 380 kV stations. Landschappelijke inpassing Om te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing is een landschapsplan opgesteld (Bijlage 1). Waar mogelijk blijft de bestaande groenstructuur intact. Waar dat niet mogelijk is wordt het elders binnen het plangebied gecompenseerd. Zo worden aan de noordoost- en de oostzijde houtsingels gerealiseerd. Hierdoor worden de landschappelijke karakteristieken van de omgeving versterkt en invulling gegeven aan de hoofdgroenstructuur door deze in te vullen met houtopstanden, bos en aanvullende groenvoorzieningen.
Daarnaast schermt de bomenrij het station, maar ook Hessenpoort ten westen van het plangebied, af van het omringde gebied dat gekenmerkt wordt door haar openheid. TenneT is verantwoordelijk voor de borging van het onderhoud van de landschappelijke inpassingsmaatregelen. Om te voorzien in voldoende waterberging worden bestaande watergangen verbreed en voorzien van een natuurvriendelijke oever. Watergangen die gedempt moeten worden, zullen elders binnen het plangebied gecompenseerd worden.
33/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
3.2
Archeologie en cultuurhistorie
3.2.1
Huidige situatie
Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is op de Archeologische Waarderingskaart Zwolle aangegeven met een archeologische waarde van 10%. Een 10% gebied staat gelijk aan 'onbekend', wat betekent dat we geen kennis hebben van archeologische waarden op deze locatie. Een 'grondverstoorder' kan derhalve niet verantwoordelijk gesteld worden voor onderzoek dat gedaan zou moeten worden om meer inzicht in het gebied te krijgen. Bij onverwachte archeologische vondsten en sporen wordt verzocht dit te melden bij het bevoegd gezag (gemeente Zwolle) op basis van artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Op basis van de geomorfologische kaart en de Bodemkaart van Nederland wordt een lage verwachting vermoed. Sweco heeft een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd (Bijlage 2). Het plangebied bevindt zich volgens de gemeentelijke beleidsdocumenten in zones met een lage archeologische verwachting, waar geen archeologische onderzoeksplicht geldt. De gegevens die verzameld zijn gedurende het archeologisch vooronderzoek vormen geen aanleiding om hiervan af te wijken. 3.2.2
Uitgangspunt bestemmingsplan
Het gebied kan worden vrijgegeven van archeologisch onderzoek, met de nadrukkelijke voorwaarde (op grond van artikel 5.10 uit de Erfgoedwet) dat archeologische toevalsvondsten worden gemeld bij Team Erfgoed van de Gemeente Zwolle. De geplande werkzaamheden in de zones van lage archeologische verwachting kunnen zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd.
3.3
Duurzaamheid
3.3.1
Huidige situatie
Klimaatadaptatie en Energietransitie zijn belangrijke pijlers in het coalitieakkoord en in de Zwolse omgevingsvisie. Het college heeft klimaatadaptatie en energietransitie benoemd als speerpunten voor de toekomstige stad Zwolle waarin het prettige wonen, werken en recreëren is. Zwolle wil koploper zijn in het praktisch maken van het energieakkoord en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en ziet klimaatadaptatie en energietransitie als kans om te innoveren en als verdienmodel. 3.3.2
Uitgangspunt bestemmingsplan
Zwolle wil in 2050 een volledig energieneutrale stad zijn. Dat betekent dat alle energie die in Zwolle wordt gebruikt ook lokaal en duurzaam wordt opgewekt. Dit sluit aan op de uitgangspunten van TenneT, dat streeft naar klimaatneutraliteit in 2025 voor elektriciteitsstations, kantoren en op het gebied van mobiliteit. Voor dit plan betekent dit dat er zo min mogelijk verlichting wordt aangebracht, waar toch verlichting wordt aangebracht wordt gebruikgemaakt van LED-verlichting, waarbij maximaal wordt ingezet om extra lichthinder naar het omliggende gebied te voorkomen. Verder worden verblijfsruimten geïsoleerd uitgevoerd. De energie die TenneT zelf nodig heeft wordt waar dat mogelijk is opgewekt door zonnepanelen. Waar eigen opwek niet mogelijk is koopt TenneT alleen groen gas en groene elektriciteit in. Hierdoor is TenneT energieneutraal.
34/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
3.4
Verkeer
3.4.1
Huidige situatie
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Momenteel loopt de Berkummerbroekweg door het plangebied heen. Vanaf deze gemeentelijke weg kan het huidige hoogspanningsstation worden bereikt. Ook loopt er vanaf de Berkummerbroekweg een weg langs het hoogspanningsstation, deze weg gaat onder de N340 door en sluit aan op een agrarisch woon- en bedrijventerrein. Deze landbouwweg betreft een niet-openbare weg. 3.4.2
Uitgangspunt bestemmingsplan
De huidige ontsluiting aan de Berkummerbroekweg blijft gehandhaafd. Het nieuwe 110 kV station ten noorden van de Berkummerbroekweg wordt tevens ontsloten via deze weg, net als de overige uitbreidingen. Gelet op het zeer geringe aantal verkeersbewegingen heeft dit geen gevolgen voor de verkeersafwikkeling op de Berkummerbroekweg. De tunnel onder de N340 wordt afgesloten voor verkeer. Deze tunnel blijft wel toegankelijk voor klein wild. De bestaande landbouwweg komt deels te vervallen, maar aan de achterzijde van de loods wordt deze in stand gehouden zodat de agrarische percelen (op grondgebied van Dalfsen) bereikbaar blijven.
3.5
Natuur
3.5.1
Huidige situatie
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Uitgangspunt van de wetgeving is een integrale bescherming van de aangewezen natuurwaarden en -gebieden. Dit betekent dat in beginsel elke aantasting, die schadelijke gevolgen kan hebben voor de aangewezen waarden dient te worden gereguleerd. Dit kan worden omschreven als een algehele zorgplicht. Het is verboden om, zonder vergunning, projecten of andere handelingen te realiseren/verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de aangewezen gronden. In het kader van de wet- en regelgeving voor natuur zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: Natuuronderzoek hoog- en middenspanningsstation Zwolle (Sweco, 15 juni 2023) - zie Bijlage 4. In dit onderzoek heeft een eerste toetsing plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders van de provincie. Natuurtoets Hoogspanningsstation Hessenweg Zwolle (Antea, 24 januari 2023) - zie Bijlage 5. Deze natuurtoets heeft betrekking op de aanwezige bospercelen binnen het plangebied. Nader onderzoek ecologie jaarrond beschermde nesten en holtes Hoogspanningsstation Hessenweg Zwolle (Antea, 26 januari 2023) - zie Bijlage 6.
Dit nader onderzoek heeft betrekking op de aanwezige bospercelen binnen het plangebied. Nader onderzoek marterachtigen en jaarrond beschermde nesten (Antea, 16 juni 2023) - zie Bijlage 7 . Om mogelijke negatieve effecten van de werkzaamheden op jaarrond beschermde nesten, verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen en verblijfplaatsen van boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel en egel te kunnen beoordelen, is er nader onderzoek uitgevoerd naar deze soorten binnen de drie bospercelen in/nabij het plangebied.
35/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
3.5.1.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Uit de bureaustudies van Antea (januari 2023) en van Sweco (mei 2023) blijkt dat Natura-2000 gebied 'Uiterwaarden Zwarte water en Vecht' is gelegen op circa 950 meter ten zuidoosten van het projectgebied. Gezien de relatief kleine en kortdurende ingreep, de afstand en tussenliggende afschermende elementen kunnen effecten door storingsfactoren zoals verdroging, versnippering, of verstoring door geluid, licht en trillingen op Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht is wel een stikstofgevoelig natuurgebied. Voor de werkzaamheden dient dan ook een Aeriusberekening uitgevoerd te worden. om te bepalen hoeveel additionele stikstofdepositie plaatsvindt op de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit onderwerp wordt nader beschouwd in paragraaf 3.7.5. Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Overijssel kent geen externe werking. Effecten op het NNN hoeven daarom niet te worden beoordeeld. Bij het kappen van één van de boomsingels of bospercelen dient nader beschouwd te worden welk effect dit heeft op de provinciale beleidskaders. Beschermde houtopstanden De bospercelen omvatten een dermate groot gebied (>0,1 ha) waardoor deze onder een beschermde houtopstand Wnb vallen.
Tevens liggen de bospercelen buiten de bebouwde kom van de voormalige Boswet. Voor het vellen van een houtopstand dient een melding gedaan te worden bij de provincie Overijssel, minimaal 6 weken vóór het vellen. Deze melding dient ter registratie van de herplantplicht. De herplantingsplicht houdt in dat er binnen drie jaar na het vellen van de beschermde houtopstand op dezelfde locatie herplant dient te worden. Bij de herplantingsplicht zijn er echter vier ontheffingsmogelijkheden, die aangegeven kunnen worden bij de aanvraag. 1. 2. 3. 4.
Eerder dan 6 weken kappen; Geen herplanting binnen drie jaar na velling; Niet herplanten; Herplanten op een ander perceel.
Mogelijk is ook nog een kapvergunning vereist waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is.
3.5.1.2 Soortenbescherming Volledige plangebied Uit de bureaustudie van Sweco (mei 2023) is gebleken dat binnen of in de omgeving van het plangebied mogelijk beschermde soorten kunnen voorkomen, zoals diverse vleermuissoorten en broedvogels. Voor deze soortgroepen geldt dat er geen negatieve effecten plaatsvinden als geen bomen gekapt worden en gewerkt wordt buiten het broedseizoen. Voorafgaand aan bomenkap of de sloop van gebouwen dient een inspectie naar jaarrond beschermde nestplaatsen en mogelijk geschikte vleermuisverblijven uitgevoerd te worden. Op basis van bekende waarnemingen en actuele verspreidingsgegevens kunnen de volgende beschermde soorten binnen het plangebied aanwezig zijn: das, steenmarter, boommarter, poelkikker en grote modderkruiper. Daarnaast kan de aanwezigheid van beschermde flora niet volledig worden uitgesloten. Voor de aanwezigheid van beschermde flora, een dassenburcht, verblijfplaatsen van steen- en of boommarter en de mogelijke effecten hierop als deze aanwezig zijn, is er een veldinspectie uitgevoerd. Het plangebied valt daarnaast binnen het verspreidingsgebied van de beschermde poelkikker. Het overgrote deel van het plangebied is omringd met agrarische percelen en zijn voedselrijk met weinig tot geen oeverbegroeiing. Daarnaast zijn de meest dichtbij gelegen waarnemen op ruim 2 km afstand tot het plangebied.
Wegens deze afstand en het suboptimaal aanwezig habitat wordt deze soort niet in het plangebied verwacht. Ook van de grote modderkruiper zijn waarnemingen bekend in de buurt van het plangebied. De waarneming is afkomstig van een watergang aan de noordoostzijde van het plangebied. De watergangen rondom de 36/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
bospercelen bevatten weinig slib, dus deze zijn ongeschikt voor de grote modderkruiper. De watergang die langs de (eigen) weg richting onderdoorgang N340 ligt is mogelijk wel geschikt voor de grote modderkruiper. Deze watergang wordt mogelijk verlegd. Nader onderzoek naar deze soort is in dat geval nodig. Mocht de grote modderkruiper in deze sloot voorkomen, dan is een ontheffing nodig in het kader van de Wnb. Voor eventueel passerende dieren dient de zorgplicht in acht genomen te worden. Om verstoring van broedende vogels te voorkomen zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (grofweg half maart t/m juli met uitloop tot halverwege augustus) uitgevoerd moeten worden. Als niet voorkomen kan worden om in het broedseizoen te werken dient kort voor de uitvoering gecontroleerd te worden of sprake is van broedgevallen binnen de verstoringsafstand. Als dit het geval is moet worden gewacht tot de jongen uitgevlogen zijn. Zorgplicht Om verstoring van migrerende, overvliegende of foeragerende vleermuizen te voorkomen, dienen de werkzaamheden zo veel als mogelijk overdag uitgevoerd te worden en dient waar mogelijk tussen zonsondergang en zonsopgang geen directe werkverlichting of strooiverlichting (met uitzondering van voertuigen) toegepast te worden, die op bosjes, bomen en gebouwen kan schijnen.
Voor eventueel aanwezige algemene (vrijgestelde) soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt wel de zorgplicht, wat betekent dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Aanwezige dieren dienen in de gelegenheid gesteld te worden het plangebied te verlaten. Bospercelen binnen het plangebied Uit de bureaustudie naar de bospercelen van Antea in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het onderzoeksgebied. Het gaat hierbij om vogels met jaarrond beschermde nesten, broedgevallen van algemene broedvogels, verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen, verblijfplaats boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, egel en niet-beschermde en/of vrijgestelde vissen en amfibieën. Om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten, verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen en verblijfplaatsen van boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel en egel te kunnen vaststellen is er nader onderzoek uitgevoerd naar deze soorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen geschikte holtes of loszittend bast in bomen aangetroffen die mogelijk kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen.
Voor wat betreft vleermuizen zijn er geen belemmeringen meer vanuit de Wet natuurbescherming. Tijdens het veldbezoek is één mogelijk jaarrond beschermd nest aangetroffen. Het nest is aangetroffen in het meest zuidoostelijke bosperceel. Door de ligging en de grootte van het nest kunnen soorten als de havik, buizerd, ransuil, boomvalk en wespendief gebruik maken van dit nest. Om te bevestigen dan wel uit te sluiten dat dit nest in gebruik is, en om te onderzoeken door welke soort, is er nader onderzoek uitgevoerd naar deze soorten tussen circa maart en augustus waarbij minimaal 10 dagen tussen de veldbezoeken. Antea heeft nader onderzoek gedaan naar marterachtigen en jaarrond beschermde nesten in de bosschages die in op afbeelding 3.1 rood omcirkeld zijn (juni 2023), meer specifiek: boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, egel en jaarrond beschermde nesten.
37/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
Afbeelding 3.1: ligging onderzoeksgebieden voor jaarrond beschermde nesten (rode punt is mogelijk jaarrond beschermd nest), boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel en egel (Antea, juni 2023) In een aanvullend veldbezoek is een controle uitgevoerd naar mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten en geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuissoorten. Er kan geconcludeerd worden dat er mogelijk een verblijfplaats van de steenmarter en/of boommarter aanwezig is in de bospercelen. Tevens komt uit de inspectie naar voren dat de bospercelen gebruikt worden als foerageergebied door de steenmarter en mogelijk boommarter. Doordat er in de omgeving weinig vergelijkbare bosschages aanwezig zijn, en doordat de steenmarter vaak is waargenomen in de percelen, worden deze bospercelen aangemerkt als essentieel foerageergebied en tevens vaste voortplantingsplaats of rustplaats. Het verwijderen van een mogelijke verblijfplaats en essentieel foerageergebied van de steenmarter is een overtreding van de Wet natuurbescherming waardoor er een ontheffing bij het bevoegd gezag (provincie Overijssel) dient te worden aangevraagd. Ten behoeve van het aanvragen van deze ontheffing dient tevens een activiteitenplan opgesteld te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen voorgesteld worden. Ook zijn de ree en de haas waargenomen in de bosschages.
Voor de ree en de haas geldt echter een vrijstelling in de provincie Overijssel. De zorgplicht geldt wel. Het advies is daarom om de werkzaamheden niet uit te voeren tussen februari en oktober in verband met de kwetsbare voortplantingsperiodes van beide soorten. Buiten deze periode wordt geadviseerd om stapvoets één richting op te werken om dieren de ruimte te geven om te vluchten. Daarnaast kan geconludeerd worden dat er in het zuidoostelijke perceel (grondgebied Dalfsen) een jaarrond beschermd nest van de buizerd aanwezig is. Het verwijderen van een jaarrond beschermd nest of het verstoren van het broedgeval van de buizerd is een overtreding van de Wet natuurbescherming waarvoor een ontheffing bij het bevoegd gezag (provincie Overijssel) dient te worden aangevraagd. Dit komt pas aan de orde bij de vergunningverlening van voorliggend project.
38/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
3.5.2
Uitgangspunt bestemmingsplan
In het kader van dit plan is een oplegnotitie opgesteld waarin de onderzoeken zijn geïnventariseerd en vervolgacties worden geadviseerd (Bijlage 3). Uit het onderzoek in de bospercelen heeft Antea geconcludeerd dat in geval van kap, ontheffing nodig is voor het vernietigen van verblijfplaatsen van boommarter/steenmarter en een buizerdnest. Voor das is gesteld dat geen burchten zijn aangetroffen en deze op basis van aanwezigheid van pitrus, dat voorkomt bij hoge grondwaterstanden, ook niet zijn te verwachten. Ook is aanwezigheid van vleermuisverblijven uitgesloten. In het westelijk en noordelijk gelegen bosperceel zijn geen aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Wel zijn hier, tijdens het verkennend natuuronderzoek nesten waargenomen en dienen de bospercelen mogelijk als foerageergebied voor marters. Voorafgaand aan eventuele kap moet hier nog extra aandacht voor zijn. Als de locatie en omvang van de toegangsweg voor aanvoer van onderdelen en zwaar materieel naar station HSW220 bekend is, is aanvullend onderzoek nodig naar impact op leefgebied van soorten in en op oevers van de sloten. De ontheffing voor het jaarrond beschermd nest kan verleend worden op basis van artikel 3.3, Wet natuurbescherming. Voor de steenmarter is dat artikel 3.10 Wnb. Aangezien Tennet een belangrijke rol vervult in de maatschappij wordt de ontheffingsvraag vergunbaar geacht.
Voor de werkzaamheden aan de hoogspanningsstations betreft het de volgende wettelijke belangen, zoals genoemd onder de Wet natuurbescherming: In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid (Wnb, artikel 3.3, lid 4, onderdeel b, sub. 1). Wel dient op juiste wijze gecompenseerd te worden en moet gewerkt worden buiten de kwetsbare periodes. Dit moet uitgewerkt worden in een activiteitenplan dat wordt bijgevoegd bij de ontheffingsaanvraag. In het landschappelijk inpassingsplan is tevens rekening gehouden met de compensatie van bosgebied/houtopstanden. Aansluitend aan de op dit ogenblik nog bestaande houtopstanden worden nieuwe houtopstanden gerealiseerd. Daarnaast kunnen in het gebied marterschuilplaatsen gerealiseerd worden (bijv. takkenhopen). Mocht de grote modderkruiper voorkomen in de eventueel te verleggen sloot, dan is ook voor deze soort een ontheffing op grond van de Wnb noodzakelijk voor het aantasten van leefgebied van deze soort. Gezien het maatschappelijk belang van de ontwikkelingen van TenneT op deze locatie wordt het haalbaar geacht dat een eventuele ontheffing voor deze soort wordt verkregen.
3.6
Water
3.6.1
Huidige situatie
In de huidige situatie bevinden zich geen primaire watergangen of (primaire) waterkeringen in het plangebied. Wel zijn er een aantal sloten en primaire en secundaire watergangen aanwezig. Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de watertoets verplicht voor bestemmingsplannen. In deze paragraaf wordt ingegaan op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Riolering In het plangebied ligt geen vuilwaterriolering. 3.6.2
Uitgangspunt bestemmingsplan
In mei 2023 heeft Sweco een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd, dit onderzoek is te raadplegen in Bijlage 8. Daarnaast heeft Sweco in juli 2023 de watertoets voor voorliggend bestemmingsplan uitgevoerd. Deze toets is te raadplegen in Bijlage 9.
39/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
3.6.2.1 Overstromingsrisico en invloed op de waterhuishouding Omdat een deel van het plangebied is gelegen in een intrekgebied, worden er maatregelen getroffen zodat bodemwaterverontreiniging wordt beperkt. Concreet betekent dit dat de transformators en spoelen die benodigd zijn voor de uitbreiding van het 380 kV station, in een vloeistofdichte bak worden geplaatst. Tevens worden er olie/waterafscheiders geplaatst, zodat het opgevangen water kan worden gescheiden. Het plangebied ligt volgens de provinciale Omgevingsverordening in 'overstroombaar gebied'. Hieronder wordt een gebied verstaan dat normaal gesproken niet onder water staat, maar wel kan overstromen (tijdelijk onder water staan) als gevolg van een extreme gebeurtenis. Het gaat zowel om buitendijkse gebieden die bij hoogwater overstromen als om de beschermde gebieden achter de dijk die alleen bij een calamiteit onder water komen te staan. Ruimtelijke plannen die betrekking hebben op 'overstroombaar gebied' voorzien alleen in nieuwe stedelijke functies binnen deze gebieden als in het betreffende plan zodanige voorwaarden worden gesteld dat de veiligheid op de lange termijn voldoende is gewaarborgd.
De toelichting van een bestemmingsplan dient op grond van de provinciale omgevingsverordening voorzien te zijn van een 'overstromingsrisicoparagraaf' die inzicht biedt in: De risico's bij overstroming; De maatregelen en de voorzieningen die worden getroffen om deze risico's te voorkomen dan wel te beperken. Het maaiveld ter plaatse van de uitbreiding van het station varieert van NAP +0,4m tot NAP +0,6m. Hierdoor is het risico op overstroming klein. Bovendien wordt de constructie van het 380 kV station dusdanig ontworpen dat overtollig regenwater op een verantwoorde manier kan worden afgevoerd op de nabijgelegen grond. De ondergrondse bekabeling is volledig waterbestendig en voldoet aan alle daarvoor geldende richtlijnen.
Afbeelding 3.2: Waterdieptes bij een bui met 70mm/2 uur. Daarnaast is in de huidige situatie reeds een hoogspanningsstation aanwezig. Het betreft hier niet een specifiek 'hoogwater station'. Dit plan betreft geen stedelijke ontwikkelingen. Het plan sluit aan bij het
40/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
bestaande station. Wel wordt het maaiveld iets verhoogd. Tot slot, het betreft hier een extensieve functie. In geval van overstroming zullen er dan ook geen mensen geëvacueerd hoeven te worden. Het betreft hier wel een essentiële functie, maar het overstromingsrisico is klein. Bovendien kan het hoogspanningsstation blijven functioneren bij een overstroming (tot 2 meter hoog), in paragraaf 3.7.7 wordt verder ingegaan op het aspect externe veiligheid. 3.6.2.2 Maaiveldniveau indicatief Het maaiveld ter plaatse van de Uitbreiding 380 kV station varieert volgens de AHN4 van circa NAP +0,4m à NAP +0,6m. 3.6.2.3 Bodemopbouw Sweco heeft een veld- en bodemonderzoek uitgevoerd, dat is bijgevoegd als bijlage 12. Via www.dinoloket.nl zijn gegevens van de ondergrond verkregen. Uit de gegevens blijkt dat er vooral sprake is van zand. Plaatselijk is er een leemlaag aanwezig op 2 m-mv. In het traject van circa 30,0 m -mv is een kleilaag aanwezig. Het maaiveld bevindt zich op ca. 0,6 m +NAP. 3.6.2.4 Grondwaterniveau In de nabije omgeving van het toekomstig hoogspanningsstation zijn geen relevante peilbuizen van TNO beschikbaar. Op de BRO grondwaterspiegeldiepte (2021) is het plangebied aangemerkt met een grondwatertrap Ib en IVc. Een grondwatertrap van Ib kenmerkt zich door een gemiddeld hoogste grondwaterstand ondieper dan 0,3m -mv en een gemiddeld laagste grondwaterstand tussen de 1,1m-mv.
Een grondwatertrap van IVckenmerkt zich door een gemiddeld hoogste grondwaterstand van 0,6m -mv en een gemiddeld laagste grondwaterstand lager dan 1,2 m-mv. 3.6.2.5 Bodemkwaliteit In de interactieve kaarten van het bodemloket zijn geen grond-en grondwaterverontreinigingen in de omgeving van de projectlocaties aangegeven. Voor informatie over de bodemkwaliteit wordt verwezen naar de rapportage Milieuhygiëne. 3.6.2.6 Watertoets Het doorlopen van het watertoetsproces, is een verplicht onderdeel bij ruimtelijke ontwikkelingen. In deze paragraaf zijn de effecten van de ontwikkeling op de waterhuishouding in beeld gebracht en beoordeeld. 3.6.2.6.1
Relevant beleid
Keur Waterschap Drents Overijsselse Delta In de keur van Waterschap Drents Overijsselse Delta staan de regels die het waterschap hanteert bij onder andere de bescherming van waterkeringen, watergangen, kunstwerken en om watertekort en wateroverlast te voorkomen. In de keur staat beschreven aan welke voorwaarden voldaan moet worden en of er een meldingsplicht geldt. Wanneer iets volgens de keur niet voldoet aan de algemene regels, kan een vergunning worden aangevraagd. Het waterschap toetst een aanvraag aan de beleidsregels. Het doel hiervan is om nadelige effecten op het watersysteem te voorkomen. Beleid gemeente Zwolle Het Gemeentelijk Rioleringsprogramma (GRP) beschrijft hoe gemeente Zwolle invulling geeft aan haar zorgplichten voor openbare riolering. Dit plan bestaat onder andere uit een beschrijving van de huidige stand van zaken van de riolering en de beleidsrichtingen, doelen en ambities op het gebied van riolering voor de planperiode 2022-2026. Verder hanteert de gemeente een hemelwaterverordening. Bij uitbreidingslocaties waarbij het verhard
41/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
oppervlak met meer dan 30 m2 toeneemt, gelden de volgende eisen: opvangen van 60 liter hemelwater per m2 binnen de grenzen van de planontwikkeling waarvan minimaal 20 liter hemelwater per m2 op het bedrijfsperceel; de hemelwaterberging moet binnen twee dagen weer beschikbaar zijn met een geleidelijke afvoer. De oostzijde van de uitbreiding van het 380 kV station ligt binnen gemeente Dalfsen. De werkzaamheden in de gemeente Dalfsen zijn niet opgenomen in deze watertoets. 3.6.2.6.2
Gevolgen toekomstige ontwikkeling
Het station Hessenpoort is gelegen aan de Berkummerbroekweg in Zwolle. Het huidige station bestaat uit een (eerder gerealiseerde) loods, een 380 kV en een 110/220 kV station. De werkzaamheden bestaan uit de realisatie van twee nieuwe 110 kV stations en de uitbreiding van het bestaande 380 kV. Op het terrein van de verschillende stations wordt verharding, bebouwing en een toegangsweg aangebracht. Op het terrein van 380 kV station wordt een secundaire watergang gedempt. Verder worden ondergrondse kabelverbindingen aangelegd die watergangen, een spoorlijn en wegen kruizen. Toename verhard oppervlak In de toekomstige situatie wordt circa 48.815 m2 verhard oppervlak gerealiseerd. Watercompensatie in de vorm van waterberging is nodig om versnelde afvoer tegen te gaan. Het waterschap hanteert 80 mm berging per m2 nieuw verhard oppervlak. De waterbergingsopgave die de toename van verhard oppervlak compenseert, bedraagt daarmee 3.905 m3. De bergingsopgave door de toename in verharding kan ingevuld worden door het graven van 13.330 m2 aan oppervlaktewaterlichamen. Per station komt dit neer op: uitbreiding station 380 kV nieuw station 110 kV toekomstig station 110 kV
: 5.011 m2; : 4.938 m2; : 3.638 m2;
Sweco heeft een eerste opzet gemaakt voor de landschappelijke inpassing van de bergingsopgave. Voor de waterberging is voldoende ruimtebeslag aanwezig binnen het plangebied. In totaal is circa 28.000 m2 ruimte beschikbaar voor waterberging. In het landschappelijk inpassingsplan zijn de ligging en oppervlaktes van de beschikbare ruimte weergegeven. Dempen watergangen Naast de aanleg van nieuwe verharding wordt bij de ontwikkelingen een secundaire watergang gedempt. Het wateroppervlak dat door het dempen verloren gaat, dient elders in hetzelfde peilgebied gecompenseerd te worden.
42/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
Afbeeldi ng 3.3: Uitsnede landschapsplan met locaties voor waterberging. Op de bovenstaande afbeelding zijn de locaties weergegeven die zijn aangewezen voor waterberging. Ten noorden van de Berkummerbroekweg zijn locaties 1, 2 en 3 beschikbaar voor waterberging middels maaiveldverlaging. De verbreding van de huidige watergang bij het spoor voorziet eveneens in een deel van de waterbergingsopgave. Ten zuiden van de Berkummerbroekweg kan met locatie 4 en 5 in de waterbergingsopgave worden voorzien. Eventueel aangevuld met (een deel van) locatie 6 of 7. De realisatie van de nieuwe watergang aan de oostzijde voorziet ook in een deel van de waterbergingsopgave. Afvalwaterproductie Op het terrein van TenneT worden sanitaire voorzieningen, zoals een toilet en keuken, aangelegd. Naar verwachting zal de productie van afvalwater minimaal zijn door het incidenteel gebruik van de sanitaire voorzieningen. Geadviseerd wordt om de afvalwaterproductie in een later stadium te bepalen wanneer meer bekend is over het gebruik van de sanitaire voorziening en de productie, afkomstig van de OBAS. De afvalwaterproductie voor de station waar sanitaire voorzieningen zijn voorzien wordt ingeschat op: Nieuw 110 kV station: 8,8 m3 Toekomstig 110 kV station: 6,6 m3 De doorstroomcapaciteit van de OBAS wordt geschat op 22,5-45,0 (l/s).
43/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
Aangezien in de buurt van het plangebied geen riolering aanwezig is, kan het afvalwater via een IBA verwerkt worden. Bij toepassen van een IBA voor de verwerking van sanitair afvalwater moet TenneT rekening houden met de hoge grondwaterstanden. Voor een goedkoper alternatief kan gedacht worden aan mobiele sanitair of een verzamelput. Aandachtspunten De precieze invulling van de bergingsopgave vereist nadere uitwerking. Hierover is afstemming nodig met Waterschap Drents Overijsselse Delta en gemeente Zwolle. Als het verhard oppervlak bij de realisatie uiteindelijk meer wordt dan waar in deze watertoets van uit is gegaan, dient voor de extra verharding aanvullende berging gerealiseerd te worden. De realisatie van het toekomstige 110 kV station vindt (mogelijk) plaats over circa 10 jaar. In de tussentijd kan het beleid over de toename van verhard oppervlak van een waterschap of gemeente wijzigen. De ontwikkeling van het station dient te voldoen aan het dan geldende beleid. De verwachting bestaat dat ophoging nodig is van het plangebied om te voldoen aan de ontwateringsdiepte. De ophoging van het plangebied draagt daarnaast bij aan het verlagen van de overstromingsdiepte. Echter kunnen aanvullende maatregelen nodig zijn om de overstromingsdiepte verder te verlagen. Een grondwatermonitoring moet uitwijzen of en hoeveel ophoging van het plangebied nodig is.
3.7
Milieu
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieuaspecten die van belang zijn bij het toekennen van bestemmingen. Tevens komt de ligging van kabels, leidingen en straalpaden aan bod. 3.7.1
Geluid
Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. Ontheffing van de voorkeursgrenswaarde is toegestaan indien maatregelen om de geluidsbelasting op de buitengevels te beperken niet mogelijk zijn of onvoldoende helpen en indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Situatie plangebied Onderhavig bestemmingsplan staat geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen toe. Nader onderzoek naar de geluidbelasting van omliggende (spoor)wegen binnen het plangebied is om die reden niet noodzakelijk. Onderhavig bestemmingsplan staat wel nieuwe geluidbronnen binnen het plangebied toe. Het hoogspanningsstation is op grond van de Wet geluidhinder een zogenaamde 'grote lawaaimaker'. Dit betekent dat dat het terrein dient te worden voorzien van een geluidzone (industrie).
Deze geluidzone betreft het gebied waarbinnen de geluidbelasting vanwege het industrielawaai afkomstig van het hoogspanningsstation niet meer bedraagt dan 50 dB(A). In de huidige situatie is reeds sprake van een gezoneerd industrieterrien. Peutz heeft in april 2024 een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsniveaus in de omgeving, ten gevolge van (de uitbreiding van) het hoogspanningsstation. Dit onderzoek is te raadplegen in Bijlage 10. Het onderzoek heeft alle akoestisch relevante geluidbronnen in zowel de huidige, als nieuwe situatie meegenomen. Uit het onderzoek volgt dat de ten gevolge van de voorziene uitbreidingen van het transformatorstation optredende geluidniveaus in de omgeving voldoen aan de redelijkerwijs te stellen criteria op grond van de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder. Dit geldt zowel voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus. Gelet hierop kan worden gesteld dat sprake is van een toelaatbare en inpasbare situatie. De aanwezige geluidzone in het kader van de Wet geluidhinder kan slechts worden
44/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
gewijzigd bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. De voorgestelde wijziging in de geluidzone, zoals zichtbaar in afbeelding 3.4, zal daarom worden opgenomen in dit bestemmingsplan. Het is belangrijk om op te merken dat de wijziging mogelijk consequenties kan hebben voor bestaande woningen en andere geluidgevoelige objecten in het nieuwe gedeelte van de zone. Er zullen echter geen geluidgevoelige objecten binnen de zone komen te liggen, waardoor er geen hogere waarden industrielawaai hoeven te worden verleend. De voorgestelde zonegrens wordt als geluidscontour in dit bestemmingsplan opgenomen.
Afbeeldi ng 3.4: Voorstel zonegrens geluidscontour (bron: akoestisch onderzoek Peutz) 3.7.2
Bedrijvigheid (Wet milieubeheer)
De toelaatbaarheid van bedrijvigheid kan globaal worden beoordeeld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De publicatie geeft voor vele bedrijfstakken en installaties aan: welke milieuonderwerpen een rol kunnen spelen; welke gemiddelde afstanden tot de woonbebouwing 'passend' zijn. In de handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. De VNG-publicatie is daarmee een onmisbaar hulpmiddel in de bestemmingsplanpraktijk. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevings- en gebiedstype. Het project dat mogelijk wordt gemaakt met deze bestemmingsplanwijziging ligt in een 'gemengd gebied'. Gemengde gebieden betreffen onder andere gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen, gebieden met matige tot sterke functiemenging en gebieden met lintbebouwing in het buitengebied, met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid.
Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden met een stap worden verminderd. De afstand wordt
45/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit, tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies, gelegen buiten betreffend perceel. Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' moet eerst worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van functiemenging of functiescheiding. In dit geval is sprake van functiescheiding. Binnen functiescheidingsgebieden worden een tweetal omgevingstypen onderscheiden: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het buitengebied wordt beschouwd als een met een 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. In dit geval is de omgeving van het plangebied aan te merken als een 'gemengd gebied'. Situatie plangebied Voor de geprojecteerde stations worden richtafstanden gegeven afhankelijk van het opgestelde elektrische vermogen. Voorzien wordt de opstelling van transformatoren met een totaal buiten opgesteld, gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van meer dan 1000 MVA. Hiermee valt de inrichting onder milieucategorie 5.1 uit de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 500 m bepaald door het milieuaspect geluid. Voor 'gemengd gebied' geldt een richtafstand van 300 m.
De dichtstbij het hoogspanningsstation gelegen woningen zijn gelegen binnen een afstand van circa 300 m van de rand van het station, zoals op afbeelding 3.3 is weergegeven.
46/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
Afbeelding 3.5: Rekenpunten nabij woningen (bron: akoestisch onderzoek Peutz, april 2024) Door Peutz is onderzocht of er bij de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (bijlage 10). Het streven is een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen van maximaal: 45 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde) 65 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde) 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Deze streefwaarden gelden voor geluidgevoelige bestemmingen in een 'rustige woonwijk'. Voor een gebiedstype 'gemengd gebied' worden 5 dB hogere streefwaarden gehanteerd. Uit het onderzoek is gebleken dat in de toekomstige situatie ter plaatse van de woningen over het algemeen langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus kunnen optreden van ten hoogste 40 dB(A) in de nachtperiode. Eén en ander komt overeen met een etmaalwaarde van ten hoogste 50 dB(A). Hierbij is rekening gehouden met de toepassing van een toeslag van 5 dB voor het tonale karakter van het geluid. Hiermee wordt voldaan aan de toelaatbaar geachte waarde van 50 dB(A). Ter plaatse van één woning (De Hooislagen 5 te Dalfsen) worden langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus berekend van 42 dB(A) (inclusief toeslag voor tonaal geluid) gedurende zowel de dag-, de avond- als de nachtperiode. Dit komt overeen met een etmaalwaarde van 52 dB(A).
In de dag- en avondperiode wordt hiermee voldaan aan de toelaatbaar geachte waarden van respectievelijk 50 dB(A) en 45 dB(A). In de nachtperiode wordt een overschrijding van de 40 dB(A) met circa 2 dB berekend. Voor deze woning geldt dat op grond van het vigerende bestemmingsplan en de daarin vastgestelde geluidzone voor het hoogspanningsstation een hogere geluidbelasting ten gevolge van het hoogspanningsstation reeds mogelijk is. Ter plaatse van de zonegrens geldt een grenswaarde van 50 dB(A) exclusief toeslag voor tonaal geluid. Dit komt overeen met een etmaalwaarde van 55 dB(A) inclusief toeslag. De woning ligt op grotere afstand van het station dan de zonegrens en daarmee is ook een lager geluidniveau toegestaan (te weten: een etmaalwaarde van circa 54 dB(A)). De voor de toekomstige situatie berekende etmaalwaarde bij deze woning is circa 2 dB lager. Dit wordt vastgelegd middels de nieuwe zonegrens waarmee de woning meer bescherming zal genieten. Gelet hierop op de lagere waarde ten opzichte van de huidige toelaatbare waarde, wordt de berekende geluidbelasting toelaatbaar geacht. Het hoogspanningsstation leidt niet tot een duidelijk waarneembare toename van de cumulatieve geluidbelastingen. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de voor het hoogspanningsstation berekende geluidniveaus toelaatbaar worden geacht.
Ook laagfrequente geluiden geven binnen de woningen geen onaanvaardbare hinder. Ook met betrekking tot de maximale geluidniveaus bij de woningen wordt voldaan aan de normaliter gehanteerde grenswaarden. Gelet hierop kan op basis van het onderzoek uitgevoerd door Peutz worden gesteld dat sprake is van een toelaatbare en inpasbare situatie.
47/68
bestemmingsplan Buitengebied, Hessenweg - Berkummerbroekweg
3.7.3
Trillingen
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen dient het aspect trillingen beoordeeld te worden. Trillingen bewegen zich door de bodem en gebouwconstructies. De effecten als gevolg van trillingen kunnen zijn schade aan gebouwen en hinderbeleving. Naast hinder voor mensen kunnen de effecten van trillingen ook zijn schade of verstoring van trillingsgevoelige apparatuur. In tegenstelling tot de Wet geluidhinder bij geluid, bestaat in Nederland nog geen wettelijk kader voor trillingen. De beoordeling van trillingen vindt daarom zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillinghinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De Stichting Bouw Research (hierna: SBR) meet- en beoordelingsrichtlijn is in Nederland de meest gebruikte richtlijn voor het meten en beoordelen van trillingen. Als geldende richtlijnen worden de SBR Richtlijnen A, B en C doorgaans toegepast. Het betreft richtlijnen voor respectievelijk het beoordelen (en voorkomen) van schade aan gebouwen, hinder voor personen in gebouwen en storing aan gevoelige apparatuur door trillingen. De voorgenomen ontwikkeling produceert tijdens de gebruiksfase geen noemenswaardige trillingen. Tijdens de aanlegfase vinden echter aanlegwerkzaamheden plaats die trillingen in de bodem kunnen veroorzaken.