CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitengebied, Bergkloosterweg 12, 14 en 16_vastgesteld_2_BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Raad Besluitvormingsronde 13 juni 2022, gemeente ZwolleBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied Bergkloosterweg 12, 14 en 1622.341 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

•

Ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

•

In het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

•

In het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

•

In het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

•

In het algemeen belang van de betreffende soort.

Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 28

Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 29

www.eelerwoude.nl

juni 2022 bestemmingsplan Buitengebied, Bergkloosterweg 12, 14 en 16

Bijlage 2 Aanvullend ecologisch onderzoek

35/385

Nader onderzoek flora en fauna Bergkloosterweg 16, Zwolle

Opdrachtgever: Fam. van der Streek Bergkloosterweg 16 8034 PM Zwolle

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

201900 13-10-2021 M. Elshof N. Blok M. van der Heide Definitief 1

© 2021 Eelerwoude

Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het Ministerie van Economische zaken stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk.

Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende weten regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt. Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1

Inleiding ...................................................................................................................................................... 4

1.1

Aanleiding ............................................................................................................................................... 4

2

Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5

2.1

Huidige situatie ....................................................................................................................................... 5

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 6

3

Natuurwetgeving ........................................................................................................................................ 8

3.1

Inleiding .................................................................................................................................................. 8

3.2

Bescherming van soorten ....................................................................................................................... 8

4

Methode ..................................................................................................................................................... 9

4.1

Bureauonderzoek ................................................................................................................................... 9

4.2

Veldonderzoek ........................................................................................................................................ 9

5

Beschermde soorten ................................................................................................................................. 12

5.1

Vleermuizen .......................................................................................................................................... 12

5.1.1

Voorkomen en functie ................................................................................................................. 12

5.1.2

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 14

5.2

Vogels ................................................................................................................................................... 15

5.2.1

Voorkomen en functie ................................................................................................................. 15

5.2.2

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 17

5.2.3

Te nemen maatregelen ................................................................................................................ 17

5.3

Overige beschermde soorten ............................................................................................................... 18

5.3.1

Voorkomen en functie ................................................................................................................. 18

5.3.2

Effecten en ontheffing ................................................................................................................. 18

6

Conclusie ................................................................................................................................................... 19

6.1

Soortenbescherming ............................................................................................................................ 19

6.2

Ontheffing noodzakelijk ....................................................................................................................... 19

6.3

Uitvoerbaarheid van de plannen .......................................................................................................... 20

6.4

Geldigheid onderzoek ........................................................................................................................... 20

Bijlage 1 Verspreidingskaarten .............................................................................................................................. 22 Bijlage 2 Wettelijk kader Natuurwetgeving ........................................................................................................... 24

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande agrarische bedrijfsvoering te staken waarna de betreffende schuren, kuilplaten en andere agrarische opstallen worden gesloopt. Vervolgens zal op locatie een tweetal nieuwe woningen worden gerealiseerd met nieuwe beplanting. In verband met deze plannen is er reeds een toetsing uitgevoerd aan de natuurwetgeving en aan het natuurbeleid. Uit deze toetsing kwam naar voren dat nader onderzoek naar huismus, boerenzwaluw en vleermuizen noodzakelijk is. Tijdens de uitgevoerde ‘Toetsing Wet natuurbescherming, Bergkloosterweg 16, Zwolle’ zijn potentiële verblijfplaatsen van deze soorten in de te slopen bebouwing (melkveestal en woonboerderij) aangetroffen. Nader, gericht veldonderzoek is noodzakelijk om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat aanwezige bebouwing een functie heeft als verblijfplaats of essentieel leefgebied voor beschermde soorten. Duidelijk moet dan ook worden om welke soorten en aantallen het gaat en wat de eventuele functie van de aanwezige bebouwing en beplanting is voor deze soorten. Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied bestaat uit het erf aan de Bergkloosterweg 12, 14 en 16 en de aangelegen gronden. Op het erf is een melkvee bedrijf gevestigd. Het erf is gelegen tegen de A28, ten noorden van Berkum in het noordoosten van Zwolle. Ten oosten van het plangebied stroomt de Overijsselse Vecht (afbeelding 1). De bebouwing binnen het plangebied bestaat uit verschillende woonhuizen Bergkloosterweg nummer 12, 14 en 16, een ligboxenstal, een werktuigberging en verschillende bijgebouwen. Aan de noordzijde van het erf langs de Bergkloosterweg liggen enkele kuilplaten. Opgaande beplanting is voornamelijk aanwezig aan de zuidkant van het erf en bestaat uit struweel en enkele bomen waaronder berken en lindes. Rondom het erf ligt circa 3 hectare agrarische grond die thans in gebruik is als grasland. Permanent watervoerende elementen ontbreken in het plangebied. Verlichting concentreert zich rondom de bestaande bebouwing. Afbeelding 2 toont een sfeerimpressie van het plangebied.

Afbeelding 1. Ligging plangebied ten opzichte van de Overijsselse Vecht en A28 (Esri, 2021).

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 5

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de bedrijfsbeëindiging waarna de opstallen (ongeveer 1.690 m²) en erfverharding worden gesloopt. Ook de woning, Bergkloosterweg nummer 16 zal worden gesloopt en worden herbouwd. De ruimte die ontstaat op de locatie wil men benutten door een nieuwe woning met bijgebouw te realiseren en de bestaande landschappelijke waarden te versterken. De aanwezige woonhuizen aan de Bergkloosterweg 12 en 14 blijven behouden. Rondom het erf ligt 3 hectare landbouwgrond welke zal worden afgewaardeerd naar natuur. De verlichting zal in de toekomstige situatie geconcentreerd blijven tot de aanwezige bebouwing. Om het geheel landschappelijk in te passen worden verschillende groenelementen aan het plangebied worden toegevoegd. Deze inpassing bestaat onder meer uit een singel met streekeigen inheems struweel, beukenhagen, fruitbomen en solitaire bomen. Daarnaast wordt een aantal hectare kruiden- en faunarijk grasland gerealiseerd middels omvormingsbeheer. Daarnaast wordt ook nog een akkertje aangelegd waarbij het graan jaarrond over blijft staan. De verbeelding van de voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in de afbeeldingen 3 en 4. De verbeelding is tevens opgenomen in het ‘Ontwikkelingsplan Bergkloosterweg’.

Afbeelding 2. Impressie plangebied, situatie op 05-04-2020 en 02-02-2021.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 6

Afbeelding 3. Overzichtstekening sloop en herbouw op het erf aan de Bergkloosterweg 16 (Ontwikkelplan Bergkloosterweg, Eelerwoude).

Afbeelding 4. Ontwerptekening met de herontwikkelingsingrepen van het toekomstige woonerf (Ontwikkelplan Bergkloosterweg, Eelerwoude).

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 7

3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of dit leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 2 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De wet Natuurbescherming in een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de wet Natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 8

4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek naar vleermuizen, huismus en boerenzwaluw.

4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna. • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerdere onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database. Zie de literatuurlijst voor een totale lijst van de geraadpleegde bronnen.

4.2 Veldonderzoek Op basis van een aantal veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen, huismus en boerenzwaluw. De onderzoeken zijn uitgevoerd door N. Blok. Betreffende persoon is ecologisch adviseur en werkzaam bij Eelerwoude (zie kader – ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de starttijden en weersomstandigheden genoteerd. Kader - Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, Sovon Vogelonderzoek Nederland, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 9

Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.

Datum

Type onderzoek

15-04-2021

Huismusonderzoek

30-04-2021

Huismusonderzoek

18-05-2021

Start – eindtijd

Onderzoeker

Weersomstandigheden

N. Blok

8 °C, droog, licht bewolkt, windkracht 1 Bft

08:00-10:00 :

N. Blok

11 °C, droog, motregen en half bewolkt, windkracht 1 Bft

Kraamonderzoek vleermuizen & boerenzwaluwnesten

21:00-23:00 Zon onder: 21:03

N. Blok

12°C, droog, heldere hemel, windkracht 2 Bft

08-06-2021

Kraamonderzoek vleermuizen & boerenzwaluwnesten

03:00-05:00 Zon op: 05:15

N. Blok

12 °C, droog, heldere hemel, windkracht 1 Bft

19-08-2021

Baltsonderzoek vleermuizen

22:00-00:15 Zon onder: 21:04

N. Blok

17°C, droog, zwaar bewolkt, windkracht 1 Bft

15-09-2021

Baltsonderzoek vleermuizen

21:15-00:15 Zon onder: 20:50

N. Blok

16 °C, droog, half bewolkt, windkracht 3 Bft

8:30-10:30

Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat in januari 2021 is geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het protocol is daarmee aangepast naar de meest recente wetenschappelijke inzichten. Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van de soortensamenstelling, de aantallen, de gebruiksfunctie van het gebied en het vaststellen van verblijfplaatsen (kraamverblijven, winterverblijfplaatsen, zomerverblijven etc.), vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoek heeft zich geconcentreerd op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen vanwege de geschiktheid van het type bebouwing voor de soort. Uiteraard is tijdens de veldbezoeken ook aandacht besteed aan eventuele andere beschermde vleermuissoorten binnen het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector Pettersson D240X in combinatie met een Batlogger M en/of een Pettersson D100. In totaal zijn vier veldbezoeken uitgevoerd: twee in de kraamperiode en twee in de baltsperiode. Het kraamonderzoek heeft zich gericht op de aanwezigheid van zomer- en/of kraamverblijfplaatsen van vleermuizen.

Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens het uitvlieg- of invliegtijdstip van vleermuizen, respectievelijk rond zonsondergang en zonsopkomst. Het baltsonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van balts-, paar-, en/of winterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens de baltsactiviteit van vleermuizen, na zonsondergang tot middernacht. Tijdens dit tijdstip is de meeste baltsactiviteit bij vleermuizen waar te nemen. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden. Vogels Bij broedvogelinventarisaties van huismus wordt gewerkt volgens het Kennisdocument Huismus (Bij12, 2017). Hierbij worden waarnemingen die op broedgevallen of een territorium duiden in verschillende inventarisatierondes genoteerd op kaart. Vervolgens wordt op basis van deze waarnemingen een kaart met territoria vastgesteld. Voor andere vogels waaronder de boerenzwaluw, is geen onderzoeksprotocol van kracht en wordt zodoende gewerkt volgens de methode van uitgebreide territoriumkartering (Vergeer et al., 2016).

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 10

De veldbezoeken richten zich vooral op de soorten die jaarrond gebruik maken van vaste rust- en verblijfplaatsen (zgn. ‘jaarrond-soorten’ en ‘categorie 5-soorten’). Hierbij is uitgegaan van de per 11 juni 2019 gewijzigde vogellijst van de provincie Overijssel. Ook eventuele andere bijzonderheden zijn genoteerd. Huismus Het onderzoek naar huismus is uitgevoerd in twee bezoeken in de periode april – mei met één veldmedewerker. De bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens gunstige weersomstandigheden. Tijdens het bezoek is onder andere gelet op zingende mannetjes en nestindicatieve waarnemingen zoals nestbouw, transport voedsel en alarmroepen. Boerenzwaluw Het onderzoek naar boerenzwaluw is in twee bezoeken in de periode tussen 15 mei en 15 juni tijdens de vleermuisonderzoeken uitgevoerd door één veldmedewerker. De bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens gunstige weersomstandigheden. Tijdens het bezoek is onder andere gelet op aantallen broedpaartjes en nestbouw. Hierbij is een zaklamp gebruikt om het exacte aantal nesten te kunnen tellen. Overige beschermde soorten In en rond het plangebied komen mogelijk nog een aantal andere beschermde soorten dan eerder beschreven voor. Voor een groot deel zal het gaan om algemeen voorkomende en vrijgestelde beschermde soorten, maar ook de aanwezigheid van een aantal beschermde (nachtactieve) soorten kan niet op voorhand worden uitgesloten.

Hierbij dient gedacht te worden aan steenmarter en egel. Het veldwerk naar de groep van overige soorten is uitgevoerd tijdens en/of na afloop van de veldbezoeken naar vleermuizen en vogels.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 11

5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Vleermuizen 5.1.1 Voorkomen en functie Tijdens het vleermuisonderzoek zijn ter hoogte van het plangebied zes soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis. Hieronder wordt eerst op de gewone dwergvleermuis, de meest voorkomende soort in het plangebied ingegaan, waarbij de aanwezige functies nader zijn beschreven voor de soort. Aansluitend zijn de overige waarnemingen van vastgestelde soorten kort samengevat. In bijlage 1 is de verspreidingskaart met aangetroffen soorten en het gedrag weergegeven. Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en ze jagen in gesloten tot halfopen landschap (Dietz et al, 2009).

Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen zomer- en kraamverblijfplaatsen vastgesteld. De foeragerende waargenomen dieren (mannetjes) hebben vermoedelijk een (zomer) verblijfplaats bij de naastgelegen woningen met geschikte verblijfplaatsmogelijkheden. Vleermuizen baltsen (ook wel sociale roep) in het najaar binnen een territorium om vrouwtjes te vinden en mee te lokken naar hun verblijfplaats om te paren. Zij vliegen daarbij op vaste routes, waarbij ze een zeer sterke binding met een bepaald gebouw(en) en/of beplanting hebben waar zich een paar- en/of baltslocatie bevindt. Baltsende mannetjes zijn dan ook een indicatie voor de aanwezigheid van een balts- en/of paarverblijfplaats. Mogelijk overwinteren deze mannetjes ook op deze locaties. Een locatie met een baltsen/of paarverblijfplaats kan dan ook aangemerkt worden als (vermoedelijke) winterverblijfplaats. Bij strenge vorst verhuizen ze echter vaak naar massawinterverblijfplaatsen, die niet binnen het plangebied aanwezig zijn of te verwachten door het ontbreken van geschikte gebouwen. De exacte plekken van de balts- en/of paarplekken zijn vaak niet duidelijk, aangezien ze tijdens het baltsen zelden in- of uitvliegen. Wel is de locatie op woningniveau vaak duidelijk. Binnen een territorium kunnen de mannetjes verschillende verblijfplaatsen hebben.

Deze verblijfplaatsen maken onderdeel uit van een netwerk en binnen dit netwerk verhuizen ze regelmatig tussen deze verblijven. Tijdens het baltsonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied geen balts-, paar- en/of winterverblijfplaatsen vastgesteld. De baltsende dieren betroffen mannetjes zonder duidelijke binding met de woonboerderij of schuren binnen het plangebied.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 12

Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied wordt door de gewone dwergvleermuis gebruikt door diverse foeragerende en langsvliegende individuen. Tijdens het onderzoek werden gemiddeld 1 tot 2 gewone dwergvleermuizen waargenomen per veldbezoek. Het plangebied is redelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Met name de omliggende tuin met opgaande beplanting rondom de woning, biedt geschikt foerageergebied met luwe plekken waar de gewone dwergvleermuis goed kan jagen. De melkveestal is tevens een voedselbron voor vleermuizen door de aantrekkende werking op insecten. Hier zijn echter nauwelijks gewone dwergvleermuizen waargenomen. De omgeving is eveneens geschikt als foerageergebied, onder meer door de aanwezigheid van de Overijsselse Vecht. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen zoals houtsingels om zich langs te verplaatsen welke als vliegroute kan dienen. Deze zijn binnen het gebied niet aanwezig. Ruige dwergvleermuis De ruige dwergvleermuis kent een sterke seizoenstrek en legt daarbij grote afstanden af. Vanaf augustus/september trekken vooral de dieren uit Midden- en Oost-Europa in zuidwestelijke richting om onder andere in Nederland te overwinteren. De soort wordt dan ook vaak in Nederland in het najaar gezien, in Nederland zijn slechts enkele kraamverblijfplaatsen vastgesteld.

Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Ze gebruiken meerdere verblijfplaatsen en verhuizen relatief vaak. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend. Ze jagen tot op 5 á 10 km afstand van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren. Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral halfopen bosrijk landschap (Dietz et al, 2011). Verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis vastgesteld. Wel is een foeragerend mannetje waargenomen ten zuidwesten van het plangebied op het erf. Dit exemplaar werd enkele malen waargenomen tijdens de balts- en paarperiode. Het individu had mogelijk een binding met omliggende bebouwing. Vliegroutes zijn niet aanwezig in het plangebied. Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis jaagt in een besloten, bosrijke omgeving en komt met uitzondering van de open landschappen in vrijwel heel Nederland voor, met name op de zandgronden in het midden en oosten van het land. De soort is vrij algemeen en leeft in kleine kolonies (Zoogdierenvereniging, 2021).

De omvang van de jachtgebieden is klein; in hoofdzaak tot 4 hectare. De afstand tussen jachtgebieden en verblijfplaatsen bedraagt doorgaans niet meer dan 500 meter tot maximaal een 3 kilometer. In het zomer- en winterhalfjaar bewoont hij zowel gebouwen als bomen. De soort vliegt pas uit als het volledig donker is en staat bekend als verlichting mijdend (Dietz et al, 2011). Verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes In het voorjaar is tijdens het ochtendbezoek een foeragerend exemplaar van de gewone grootoorvleermuis waargenomen tussen de aanwezige beplanting in de tuin van de woning. Er zijn geen verblijfplaatsen aanwezig in het plangebied. Op de omliggende erven is tevens foerageergebied aanwezig voor de soort waar sprake is van luwe en beschutte plekken waar hij kan jagen. Is er dan ook geen sprake van essentiële functies binnen het plangebied.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 13

Overige soorten De laatvlieger, rosse vleermuis en meervleermuis zijn overvliegend waargenomen verdeeld over het seizoen. Met name de rosse vleermuis vliegt hoog en in rechte lijnen naar zijn foerageergebied, zonder lijnvormige structuren te volgen. In het voorjaar zijn ongeveer 1 – 5 exemplaren overvliegend waargenomen. De laatvlieger passeerde het plangebied via de aanwezige groenstructuren, en trok door naar zijn foerageergebied dat vaak in het buitengebied ligt op grootschalige erven. De meervleermuis werd éénmaal overvliegend waargenomen. Van de meervleermuis is bekend dat er een kolonie in de woonwijk Aa landen aanwezig is.

5.1.2 Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dient te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het plangebied of de directe omgeving geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur.

Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Foerageergebied en vliegroutes Door de voorgenomen werkzaamheden treedt er geen verstoring op van foerageergebieden en vliegroutes die onderdeel uitmaken van het (essentieel) leefgebied van de betreffende vleermuissoorten. Groenstructuren blijven ook na de ontwikkeling behouden en worden middels een landschappelijk inpassingsplan versterkt binnen de erfgrenzen. Zie ook kader – Foerageergebieden en vliegroutes. Conclusie: Als gevolg van de herontwikkeling zijn negatieve effecten op vleermuizen uitgesloten. Er is geen sprake van noodzaak tot het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 14

Kader – Verlichting

Kader- Verlichting

Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn

Een aantal nachtactieve vleermuizen, en marters, zijzijn gevoelig verlichting. soorten die kunstlicht zoveeldieren, mogelijkzoals vermijden, zoals de uilen watervleermuis, en er soortenvoor die (in beperkte Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mate) rondvermijden, lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij soorten het plaatsen van beperkte verlichting mate) bij in- rond en/of lantaarnpalen jagen, zoals de rosse mogelijk zoals de watervleermuis, en er zijn die (in uitvliegopeningen, en foerageergebieden kunnenuitvliegopeningen, barrières ontstaan waardoor de en vleermuizen vleermuis. Bij hetvliegroutes plaatsen van verlichting bij in -en/of vliegroutes foerageergebieden kunnen barrières ontstaan van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.

waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.

Op dit moment is binnen en rondom het plangebied verlichting aanwezig. De verlichting beperkt zich tot de straatlantaarns en isinbinnen de nieuwe situatie zal deplangebied verlichting mogelijk toenemen. Verwacht wordt dat met de zicht tot de erfverlichting en in de Op dit moment en rondom het verlichting aanwezig. De verlichting beperkt toename van verlichting rondom de te ontwikkelen locaties geen negatief effect zal optreden op de aanwezige

nieuwe situatie zal de verlichting niet toenemen. Verwacht wordt dat met de nieuwe verlichting rondom de te ontwikkelen woningen

soorten. De te verwachten soorten gelden namelijk niet als bijzonder gevoelig voor verstoring door verlichting.

geen negatief effect zal optreden op de aanwezige soorten. De te verwachte soorten gelden namelijk niet als bijzonder gevoelig voor

Er dient wel te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te

verstoring verlichting. wel te allen tijden rekening gehouden te wordenOm metlichthinder verlichting, door verlichting tot een minimum beperken endoor directe belichting Er vandient de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. te en het gebied aantrekkelijker te omgeving maken vooren vleermuizen kunnen verschillende maatregelen Om lichthinder te voorkomen en het te voorkomen beperken en directe verlichting van de onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. getroffen worden:

gebied aantrekkelijk te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden: verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; Verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); - - Verlichting alleen aan opdehet momentzodat wanneer het nodig is (dynamische verlichting) verlaag de hoogte van lichtmasten boomkronen onverlicht blijven; -

- Verlaag beperk hetdelicht tot een minimum door gebruikonverlicht van aangepaste deverstrooiing hoogtes van lichtmasten zodat boomkronen blijven;armatuur Fout!

Verwijzingsbron gevonden. ; Beperk verstrooiing vanniet het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;

-

-

geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

Geen verlichting plaatsen bij in-en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.

Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

5.2 Vogels 5.2.1 Voorkomen en functie Tijdens het vogelonderzoek zijn in het gebied twee soorten vastgesteld waarvan de verblijfplaatsen jaarrond zijn beschermd; huismus en boerenzwaluw. Hieronder wordt per soort ingegaan op hoe zij het gebied gebruiken, daarnaast worden deze waarnemingen in de bijlagen op kaart weergegeven. Huismus Huismussen zijn bijzonder vindingrijk als het gaat om het vinden van een nestplaats. Ze nestelen meestal in holtes, bij voorkeur in huizen. De huismus is een jaarrond-soort, wat inhoudt dat de soort gedurende het hele jaar gebruik maakt van de verblijfplaatsen. De huismus is een echte cultuurvolger en bovendien uitermate veelzijdig, wel is het een veeleisende soort. Het ontbreken van één van de onderstaande elementen kan betekenen dat ondanks de aanwezigheid van veel geschikte nestplaatsen toch geen huismussen aanwezig zijn. Al deze elementen liggen dichtbij elkaar, bij voorkeur in een straal van een paar honderd meter. Geschikt huismussenhabitat bestaat uit de volgende elementen: • Ruim voldoende nestgelegenheid; • Continu voedsel in de directe omgeving van dekking; • Voldoende inheems groen als leverancier van eiwitrijk voedsel voor de jongen; • Evergreens (bladhoudende of groenblijvende plant) in hagen of gevelbegroeiing;

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 15

• •

Zandbad; Water.

De huismus nestelt in grote aantallen in de melkveestal. In het plangebied zijn in totaal 10 territoria vastgesteld. Deze maken deel uit van een grotere populatie huismussen, die verspreidt voorkomen in het buitengebied van de Bruggenhoek in Zwolle. Het gaat hierbij om zingende mannetjes die vanaf de nok van de melkveestal zingen, en vrijwel allemaal broeden onder de golfplaten. Ze foerageren zowel in de stal waar veel zaden zijn te vinden, als in de omgeving waar voedsel op omliggende erven wordt gevonden. De huismussen maken alleen gebruik van de melkveestal als nestgelegenheid. In de winterperiode trekken ze weg in groepen om te foerageren en verblijven daarbij vaak in struwelen en hagen rondom erven (BIJ12, 2017). Staat van instandhouding De huismus is de laatste twintig jaar sterk in aantal afgenomen. Dit heeft geresulteerd in een landelijke afname van meer dan 50% van het aantal broedparen. Deze trend lijkt zich nog steeds voort te zetten. De soort staat momenteel op de Rode Lijst met bedreigde broedvogels. Over de oorzaken voor de achteruitgang van de huismus zijn de specialisten het nog niet eens, maar verlies aan goede nestplaatsen speelt daarbij een rol. Woningisolatie en moderne daken, waardoor geen ruimte meer beschikbaar is, zijn hiervan voorbeelden. (Vogelbescherming, 2021).

Afbeelding 4. Huismus op dakrand geeft aanwijzing voor territorium (li) en een juveniel boerenzwaluw (re).

Boerenzwaluw De boerenzwaluw is een trekvogel en alleen in de maanden mei tot oktober in Nederland. Ook de boerenzwaluw is voor zijn verblijfplaats in Nederland afhankelijk van de mens. De boerenzwaluw is in Nederland een echte cultuurvolger. De soort maakt zijn nest aan balken bij voorkeur in boerenschuren en loodsen. Van mei tot oktober verblijven deze trekvogels in Nederland, de winter wordt in Afrika doorgebracht. Boerenzwaluwen zijn echte luchtacrobaten: het is bekend dat een mannetje meer succes heeft bij de vrouwtjes naarmate zijn staartpunten langer zijn. Waarschijnlijk zijn mannetjes met lange staarten wendbaarder en daardoor in staat meer insecten te vangen. Dit kan ook met minder parasieten te maken hebben. Dat heeft natuurlijk grote voordelen bij het grootbrengen van jongen (Sovon Vogelonderzoek Nederland, 2021). De melkveestal welke direct gelegen is ten noorden van de woning, is bezet met in totaal 10 broedparen van boerenzwaluw. Tijdens de veldbezoeken zijn deze broedparen in- en uitvliegend waargenomen ter hoogte van de melkveestal waarbij de nesten waren zich langs de randen van de draagbalken bevonden. De vogels foerageren in de directe omgeving van hun broedplaats, ter hoogte van omliggend agrarisch grasland en de Overijsselse Vecht.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 16

Staat van instandhouding De boerenzwaluw laat sinds de eeuwwisseling weer een lichte toename zien na een sterke daling in de afgelopen eeuw. Deze toename wordt toegeschreven aan een hoger broedsucces en een toename van het aantal professionele en hobbymatige paardenstallen (Sovon, 2014). De staat van instandhouding is vanwege de bovenstaande toename gunstig (Sovon, 2020). Daarnaast blijkt uit onderzoek van Sovon Vogelonderzoek Nederland dat paardenhouders (zoals initiatiefnemers) bijgedragen hebben aan de recente toename van het aantal broedparen boerenzwaluw in Nederland.

5.2.2 Effecten en ontheffing Verblijfplaatsen van huismus en boerenzwaluw zijn jaarrond beschermd. Beide soorten zijn in het plangebied broedend vastgesteld. Er geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Bij de herontwikkeling van het erf, en het slopen van de melkveestal wordt deze omgevormd naar een dichte woning waardoor de aanwezig broedlocaties zullen verdwijnen. Een negatief effect op huismus en boerenzwaluw is daarom niet uit te sluiten. Tevens verdwijnt de voedselbron als gevolg van de bedrijfsbeëindiging op het erf. Het vernietigen van een broedlocatie van boerenzwaluw en huismus is ontheffingsplichtig. Een ontheffing dient aangevraagd te worden bij de provincie Overijssel. Een ontheffing kan redelijkerwijs worden verleend omdat kan worden voldaan aan de drie cumulatieve voorwaarden. Een andere bevredigende oplossing is niet voorhanden. Het handhaven van de nestlocaties van huismus en boerenzwaluw in combinatie met een nieuwe woonfunctie is simpelweg niet mogelijk. De staat van instandhouding van beide soorten is niet in het geding.

5.2.3 Te nemen maatregelen Om negatieve effecten op huismus en boerenzwaluw te voorkomen of te beperken dienen een aantal aanvullende maatregelen genomen te worden. Op hoofdlijnen betreffen dit: • huismus/boerenzwaluwkasten ophangen als alternatieve verblijfplaats voorafgaand aan de werkzaamheden ; • werken buiten de kwetsbare periode van de huismus en boerenzwaluw. In deze situatie betreft dit de broedperiode. De broedperiode van de huismus loopt globaal van maart tot augustus. Van de boerenzwaluw loopt deze periode van april tot september; • nieuwe duurzame verblijfplaatsen aanbieden; • ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen; • ecologisch werkprotocol opstellen; • begeleiding tijdens de werkzaamheden. Maatregelen zijn noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om te allen tijde een verblijfplaats voor huismus en boerenzwaluw aan te bieden. Ook na de sloop dienen weer verblijfplaatsen voor deze soorten aangeboden te worden. Voor de huismus worden nestkasten geplaatst en voor boerenzwaluw worden ingemetselde neststenen toegepast. De huismus is flexibel in allerlei opzichten. Ze kunnen zich binnen enkele dagen aanpassen aan veranderde omstandigheden. Verwacht wordt dan ook dat een deel van de broedparen huismus, in de nieuwe situatie gewoon weer op het erf zal gaan broeden.

Na het nemen van maatregelen wordt niet verwacht dat de gunstige staat van instandhouding van huismus en boerenzwaluw in het geding komt. Het vernietigen of beschadigen van verblijfplaatsen van huismus en

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 17

boerenzwaluw is wel ontheffing plichtig. Hiervoor dient een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming aangevraagd te worden. Conclusie: Als gevolg van de voorgenomen sloopwerkzaamheden en de herontwikkeling van het erf, zijn negatieve effecten op huismus/boerenzwaluw niet uit te sluiten. Een ontheffing dient aangevraagd te worden, ook dienen een aantal maatregelen genomen te worden.

5.3 Overige beschermde soorten 5.3.1 Voorkomen en functie Tijdens het veldonderzoek is ook gelet op de aanwezigheid van andere (niet-vrijgestelde) beschermde soorten dan hierboven beschreven. Deze beschermde diersoorten (o.a. steenmarter, egel) zijn niet waargenomen en verblijfplaatsenzijn niet aangetroffen. Er zijn zodoende geen verblijfplaatsen aanwezig in het plangebied van de steenmarter of egel. Tevens zijn er geen sporen, prooiresten of uitwerpselen aangetroffen welke de aanwezigheid van deze soorten dikwijls aantonen.

5.3.2 Effecten en ontheffing Negatieve effecten zijn niet te verwachten op de groep overige beschermde soorten. Vaste rust- en verblijfplaatsen van deze beschermde soorten, zoals steenmarter, ontbreken. Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van het leefgebied van de steenmarter, maar ook van deze soort zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen waargenomen. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedvogels. Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.

Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Conclusie: Negatieve effecten op overige beschermde soorten zijn niet te verwachten. Het aanvragen van een ontheffing is voor overige beschermde soorten niet noodzakelijk. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 18

6 Conclusie Op basis van het vleermuisonderzoek en vogelonderzoek (huismus en boerenzwaluw) worden de onderstaande conclusies getrokken.

6.1 Soortenbescherming Uit het flora- en faunaonderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, huismus en boerenzwaluw. Er zijn geen verblijfplaatsen of essentiële functies aangetroffen binnen het plangebied van vleermuizen. In het plangebied zijn 10 territoria van huismus en 10 nestlocaties van boerenzwaluw vastgesteld in de melkveestal. Deze soorten beschikken over een aangewezen jaarrond beschermd nest. Als gevolg van de geplande werkzaamheden treedt daardoor verstoring en vernietiging van nestlocaties op voor de huismus en boerenzwaluw. Hierbij is het van belang dat in de nieuwe situatie de woningen weer geschikt zijn als verblijfplaats voor de betreffende soort. Maatregelen zijn noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om te allen tijde een verblijfplaats voor de beschermde soorten aan te bieden. Met de voorgenomen werkzaamheden wordt dan ook niet verwacht dat de gunstige staat van instandhouding van de genoemde soorten in het geding komt, vooral niet na het nemen van enkele maatregelen. Het vernietigen van verblijfplaatsen van huismus en boerenzwaluw is ontheffing plichtig. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden.

6.2 Ontheffing noodzakelijk Voor de huismus en boerenzwaluw dient een ontheffing aangevraagd te worden. Deze soorten kunnen gezamenlijk in een aanvraag ingediend worden. Om een ontheffing Wet natuurbescherming te verkrijgen voor deze soorten moet: • de gunstige staat van instandhouding gegarandeerd blijven; • invulling gegeven worden aan de zorgplicht; • voldaan worden aan een bij de wet genoemd belang; • er mogen geen alternatieven zijn. Deze gegevens moeten worden uitgewerkt in een projectplan. In het projectplan staat concreet welke werkzaamheden, wanneer en op welke wijze worden uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met een onderbouwing van de noodzaak van het project. Een ontheffingsaanvraag moet worden ingediend bij de provincie Overijssel. Maximaal twintig weken na het indienen van de aanvraag wordt er een besluit genomen. Op dat besluit kunnen belanghebbenden nog bezwaar maken. Deze termijnen zijn terug te vinden op de website van de provincie. Concrete maatregelen die genomen moeten worden tijdens de werkzaamheden dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Hierin dienen eveneens de aanvullende voorwaarden verwerkt te worden die voortvloeien uit de ontheffingsaanvraag.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 19

6.3 Uitvoerbaarheid van de plannen Voor verblijfplaatsen van huismus en boerenzwaluw worden regelmatig ontheffingen aangevraagd en verkregen. In zijn algemeenheid moeten daarbij de volgende maatregelen genomen worden om de gunstige staat van instandhouding te garanderen en aan de zorgplicht te voldoen: • Aanbieden van nieuwe en meer verblijfplaatsen vóór het verwijderen van de huidige; • in stand houden van voldoende functioneel leefgebied (foerageergebied en dergelijke); • voorkomen van aantasten/doden dieren bij uitvoering, bijvoorbeeld door uit te voeren buiten de gevoelige periodes. Door bovengenoemde maatregelen te nemen wordt de functionaliteit van het plangebied (en/of directe omgeving) voor de dieren in stand gehouden. In dat geval kan een ontheffing worden aangevraagd voor het verstoren van de dieren. De ontheffing kan dan worden aangevraagd op basis van het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid.

6.4 Geldigheid onderzoek Ten slotte moet aangetoond worden dat er geen alternatieven zijn. De ontwikkeling is locatie specifiek, hiervoor is geen alternatief. Alternatieven in het kader van de werkwijze en planning worden ingevuld bij het opstellen van het projectplan en de ontheffing. Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegd gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoekgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 20

Literatuurlijst • • • • • •

Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. ESRI Nederland (2019). https://www.esri.nl/nl-nl/home Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Sovon Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertabrate Survey – Nederland. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur (2021). Vleermuisprotocol 2021. Vergeer J.W., van Dijk, A.J., Boele, A., van Bruggen, J. & Hustings F. 2016. Handleiding Sovon Broedvogelonderzoek: Broedvogel Monitoring Project en Kolonievogels. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

Soortinformatie: www.zoogdiervereniging.nl Waarnemingen: ndff-ecogrid.nl Provincie Overijssel: Lijst jaarrond beschermde nesten van vogels in Overijssel (2019). Soorten: Bij12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Bij12 (2017). Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Bij12, versie 1.0, Utrecht.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 21

Bijlage 1 Verspreidingskaarten

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 22

10 Boerenzwaluw 10 Huismus

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 23

Bijlage 2 Wettelijk kader Natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 1. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).

De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.

1 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern 1 Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 24

Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 25

Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.

Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime (Zie kader – Staat van instandhouding). Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 26

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=ec54cc47-a053-4a0e-8c63-5bb002a2704b