Buitengebied, Bergkloosterweg 12, 14 en 16_vastgesteld_2_BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Tekst van het document
Buitengebied, Bergkloosterweg 12, 14 en 16 vastgesteld
nr. NL.IMRO.0193.BP21007-0004
Afdeling Ruimtelijke Planvorming Stadskantoor Lübeckplein 2 Postbus 10007 8000 GA Zwolle postbus@zwolle.nl www.zwolle.nl Opdrachtgever Opdrachtnemer ECR Publicatieversie: NL.IMRO.0193.BP21007-0004 Datum:
juni 2022
juni 2022 bestemmingsplan Buitengebied, Bergkloosterweg 12, 14 en 16
Inhoudsopgave
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
3
Bijlage 1
Ecologisch onderzoek
4
Bijlage 2
Aanvullend ecologisch onderzoek
35
Bijlage 3
Projectplan Wet natuurbescherming
65
Bijlage 4
Aerius rapportage stikstof
92
Bijlage 5
Akoestisch onderzoek
109
Bijlage 6
Bodemonderzoek
151
Bijlage 7
Aanvullend bodemonderzoek
260
2/385
juni 2022 bestemmingsplan Buitengebied, Bergkloosterweg 12, 14 en 16
BIJLAGEN BIJ DE T OELICHT ING
3/385
juni 2022 bestemmingsplan Buitengebied, Bergkloosterweg 12, 14 en 16
Bijlage 1 Ecologisch onderzoek
4/385
Toetsing Wet Natuurbescherming Bergkloosterweg 16, Zwolle
Opdrachtgever: Fam. van der Streek Dhr. van de Streek Bergkloosterweg 16 8034 PM Zwolle
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
10004 1-3-2021 M. Elshof B. Haamberg N. Otten Concept 1
© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1 1.1 2
Inleiding ....................................................................................................................................................... 5 Aanleiding ...............................................................................................................................................5 Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 6
2.1
Huidige situatie .......................................................................................................................................6
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................6
3
Natuurwetgeving en -beleid...................................................................................................................... 10
3.1
Inleiding ................................................................................................................................................10
3.2
Bescherming van soorten .....................................................................................................................10
3.3
Bescherming van gebieden ...................................................................................................................10
3.4
Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................11
3.5
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................12
4
Methode.................................................................................................................................................... 13
4.1
Inleiding ................................................................................................................................................13
4.2
Bureauonderzoek .................................................................................................................................13
4.3
Terreinbezoek .......................................................................................................................................13
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 14
5.1
Planten..................................................................................................................................................14
5.2
Zoogdieren ............................................................................................................................................14
5.2.1
Vleermuizen .................................................................................................................................14
5.2.2
Overige zoogdieren ......................................................................................................................17
5.3
Vogels ...................................................................................................................................................17
5.4
Reptielen...............................................................................................................................................19
5.5
Amfibieën .............................................................................................................................................19
5.6
Vissen ....................................................................................................................................................20
5.7
Ongewervelden ....................................................................................................................................20
6 6.1
Conclusie ................................................................................................................................................... 21 Beschermde soorten.............................................................................................................................21
6.1.1
Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt ....................................................................21
6.1.2
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt ..................................................................21
6.2
Bescherming gebieden .........................................................................................................................21
6.3
Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................21
6.4
Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................22
6.5
Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................22
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 3
6.6
Geldigheid rapportage ..........................................................................................................................22
Literatuurlijst ......................................................................................................................................................... 23 Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 24
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande agrarische bedrijfsvoering te staken waarna de betreffende schuren, kuilplaten en andere agrarische opstellen worden gesloopt. Vervolgens zal op locatie een tweetal nieuwe woningen worden gerealiseerd. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 5
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied bestaat uit het erf aan de Bergkloosterweg 16 en de aangelegen gronden. Op het erf is een melkvee bedrijf gevestigd. Het erf is gelegen tegen de A28, ten noorden van Berkum in het noordoosten van Zwolle. Ten oosten van het plangebied stroomt de Overijsselse Vecht (afbeelding 1). Bebouwing binnen het plangebied bestaat uit verschillende woonhuizen Bergkloosterweg nummer 12, 14 en 16, een ligboxenstal, een werktuigberging en verschillende bijgebouwen. Aan de noordzijde van het erf langs de Bergkloosterweg liggen enkele kuilplaten. Opgaande beplanting is voornamelijk aanwezig aan de zuidkant van het erf en bestaat uit struweel en enkele bomen waaronder berken en lindes. Rondom het erf ligt circa 3 hectare agrarische grond die thans in gebruik zijn als grasland. Permanent watervoerende elementen ontbreken in het plangebied. Verlichting concentreert zich rondom de bestaande bebouwing. Afbeelding 2 toont een sfeerimpressie van het plangebied.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de bedrijfsbeëindiging waarna de opstallen (ongeveer 1.690 m²) en erfverharding worden gesloopt. Ook de woning, Bergkloosterweg nummer 16 zal worden gesloopt en worden herbouwd. De ruimte die ontstaat op de locatie wil men benutten door een nieuwe woning met bijgebouw te realiseren en de bestaande landschappelijke waarden te versterken. De aanwezige woonhuizen aan de Bergkloosterweg 12 en 14 blijven behouden. Rondom het erf ligt 3 hectare landbouwgrond welke zal worden afgewaardeerd naar natuur. Verwacht wordt dat verlichting in de toekomstige situatie geconcentreerd zal blijven tot de aanwezige bebouwing. Om het geheel landschappelijk in te passen worden verschillende groenelementen aan het plangebied worden toegevoegd. Deze inpassing bestaat onder meer uit een singel met streekeigen inheems struweel, beukenhagen, fruitbomen en solitaire bomen. Daarnaast wordt een aantal hectare kruiden- en faunarijk grasland gerealiseerd middels omvormingsbeheer. Daarnaast wordt ook nog een akkertje aangelegd waarbij het graan jaarrond over blijft staan. De verbeelding van de voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in afbeelding 3. De verbeelding is tevens opgenomen in het inrichtingsplan Bergkloosterweg.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 6
Afbeelding 1. Ligging plangebied.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 7
Afbeelding 2. Impressie plangebied. genomen op 05-04-2020 en 02-02-2021.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 8
Afbeelding 3. Voorgenomen ontwikkeling (Eelerwoude).
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 9
3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet natuurbescherming is een nationale Wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 10
Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: Het plangebied ligt tegen het Natura2000 gebied uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een AERIUS-berekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Het staken van de bedrijfsvoering leidt op locatie tot een afname van de stikstofuitstoot. De betreffende stikstofberekening wordt in een separate rapportage opgeleverd.
3.4 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bomen is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • Alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • Alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • Bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.
De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 11
• • •
het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode.
De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied Er wordt binnen het plangebied mogelijk een enkele boom gekapt voortkomend uit de noodzakelijke sloop. De betreffende boom bestaat uit erfbeplanting. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden. Een nadere toetsing houtopstanden wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Mogelijk dient bij de gemeente wel een kapvergunning te worden aangevraagd.
3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNNtoetsing uit te voeren. Gevolgen plangebied Het plangebied ligt tegen bestaand NNN-gebied. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een positief effect verwacht ten aanzien van de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied. Met de bedrijfsbeëindiging vindt verdere extensivering van het grondgebruik in het gebied plaats. Daarnaast wordt 3 hectare natuur gerealiseerd, waarbij maatregelen worden genomen ten gunste van de aanwezige flora & fauna. In hoofdstuk 6 wordt hier verder op in gegaan. Een nadere toetsing aan het NNN-beleid wordt niet noodzakelijk geacht.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 12
4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie; • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna). • De landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.
4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door B. Haamberg uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 2 februari 2021 bij 3°C, zwaar bewolkt weer en windkracht 2 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
Op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of Op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
Als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
Zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 13
5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.1 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de periode van het jaar (winter) lag dit ook niet in de verwachting. Derhalve is een deskundigenbeoordeling van de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied uitgevoerd op basis van een biotoopanalyse. De standplaatsomstandigheden in het plangebied zijn matig voedselrijk tot voedselrijk en het terrein wordt intensief beheerd. Aangetroffen soorten betreffen onder meer, gewone paardenbloem, paarse dovenetel en zachte ooievaarsbek. Beschermde soorten kunnen op basis van standplaatsomstandigheden en bekende verspreidingsgegevens worden uitgesloten in het plangebied. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van bekende verspreiding en bestaande groeiplaatsomstandigheden uitgesloten. Hierdoor is er geen sprake van negatieve effecten op beschermde plantensoorten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.
5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • Kraamverblijfplaats; • Zomerverblijfplaats; • Paar- en/of baltsverblijfplaats; • Winterverblijfplaats.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 14
Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Tijdens het veldbezoek zijn de betreffende gebouwen geïnspecteerd op mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen. De te slopen schuren en bijgebouwen zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Door de enkele beplating zijn in de betreffende objecten geen mogelijkheden voor vleermuizen om in spleetvormige ruimten te kruipen. Uitzondering hierop vormt de gewone grootoorvleermuis, deze soort is soms ook vrij hangend aanwezig op zolders. Bij één van de te slopen schuren is de zolder geïnspecteerd. Op deze locatie zijn geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van vleermuizen. De soort kan hier redelijkerwijs worden uitgesloten. De te slopen woning Bergkloosterweg 16 is mogelijk wel geschikt als verblijfplaatsen. Op diverse plekken kunnen vleermuizen onder het dakbeschot komen. De te handhaven bebouwing bestaande uit de Bergkloosterweg 12 en 14 zijn eveneens potentieel geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Verblijfplaatsen in bomen of mogelijkheden daartoe zijn in het plangebied niet vastgesteld. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is in de huidige situatie matig geschikt als foerageergebied. Verwacht wordt dat eventueel aanwezige vleermuizen die verblijfplaatsen hebben op het erf het terrein gebruiken om te foerageren kort na uitvliegtijdstip.
In de directe omgeving rond het plangebied is geschikter foerageergebied aanwezig, onder andere op de ten noordwesten van het gebied gelegen begraafplaats en directe omgeving en de uiterwaarden van de Vecht. De lijnvormige beplating aan het talud van de A28 kan mogelijk door vleermuizen gebruikt worden om zich te verplaatsen. Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Verblijfplaatsen Met de voorgenomen sloop van de aanwezige opstallen kunnen negatieve effecten op vleermuizen redelijkerwijs worden uitgesloten. De betreffende bebouwing is ongeschikt als verblijfplaats voor gebouw bewonende vleermuizen. Dit geldt niet voor de sloop van de bedrijfswoning, Bergkloosterweg nummer 16. Nader onderzoek naar vleermuizen dient uit te wijzen, of en zo ja welke functie het object heeft voor vleermuizen.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 15
Foerageergebied en vliegroutes Negatieve effecten op foerageergebied en vliegroutes kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. ten aanzien van het foerageergebied wordt een verbetering ten opzichte van het huidige gebied voorzien. Dit wordt veroorzaakt door de landschappelijke inpassing op locatie. Door de toename van groen neemt de insectenrijkdom op locatie toe waardoor foerageermogelijkheden toenemen. Ten aanzien van vliegroutes worden evenmin negatieve effecten verwacht. De aanwezige lijnvormige elementen bevinden zich buiten de invloedssfeer van de ontwikkeling en blijven behouden. Bij de realisatie van de nieuwe woning(en) wordt geadviseerd rekening te houden met de onderstaande aandachtspunten (zie kader) Conclusie: nader onderzoek naar gebouw bewonende vleermuizen dient uit te wijzen of en zo ja, welke functie het te slopen woonhuis heeft voor gebouw bewonende vleermuizen. Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis.
Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien. Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:
-
Verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
-
Beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;
-
Geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
Verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); Verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 16
5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt In de ruimere omgeving zijn waarnemingen bekend van de steenmarter, eekhoorn, egel, otter en kleine marterachtigen (bunzing en hermelijn). Otter is gebonden aan de waterrijke omgeving langs de Vecht. In het plangebied ontbreekt geschikt leefgebied voor deze soort. In de beplanting op het erf zijn geen verblijfplaatsen (bladnesten) van eekhoorn aangetroffen. Deze zijn naar verwachting aanwezig in de opgaande beplanting ten westen van het plangebied. Tijdens het veldbezoek is specifiek gelet op sporen die duiden op de aanwezigheid van de steenmarter. Deze zijn niet aangetroffen. Door de bewoners zijn geen waarnemingen verricht van de steenmarter. De steenmarter kan redelijkerwijs worden uitgesloten in het plangebied omdat sporen in de vorm van prenten, prooiresten en uitwerpselen niet zijn waargenomen.
Voor bunzing en hermelijn ontbreken geschikte verblijfplaatsmogelijkheden in de vorm van stenen stapels, takkenrillen en landschapselementen. Sporen van deze soorten zijn tijdens het veldbezoek ook niet aangetroffen. Aanwezigheid van deze soorten kan op basis van het veldbezoek redelijkerwijs worden uitgesloten. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal leiden tot een significante kwaliteitsverbetering van het leefgebied voor de bovengenoemde soorten. Door de landschappelijke inpassing nemen dekking en foerageermogelijkheden toe in het gebied. Verwacht wordt dat de betreffende soorten in het plangebied toenemen. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Verwacht wordt dat de grondgebonden zoogdieren die rondom het plangebied voorkomen zullen profiteren van de voorgestelde inrichtingsmaatregelen. Met de realisatie van landschappelijke inpassing nemen dekking en foerageermogelijkheden toe. Hierdoor zal het erf en directe omgeving geschikter leefgebied worden voor onder meer egel en kleine marterachtigen. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.
5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 17
Jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek is in de aanwezige ligboxenstal de huismus vastgesteld. De dieren broeden hier naar verwachting ook. Daarnaast bieden meerdere opstallen nestgelegenheid aan de boerenzwaluw. Gedurende het veldbezoek was deze soort niet aanwezig. Tijdens het veldbezoek is gelet op sporen die duiden op de aanwezigheid van uilen in de te slopen bebouwing. Deze sporen zijn tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Het is aannemelijk dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van enkele soorten met jaarrond beschermde nesten als buizerd, sperwer, huismus, boerenzwaluw en mogelijk ransuil, kerkuil en steenuil. Op de naastgelegen zendmast is daarnaast het voorkomen bekend van de slechtvalk. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In het plangebied zijn soorten als zwarte roodstaart, koolmees, pimpelmees, boomkruiper en spreeuw te verwachten. Deze soorten behoren tot de groep vogelsoorten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Overige (broed)vogels De aangetroffen broedvogels binnen het plangebied zijn kenmerkend voor (kleinschalig) agrarisch gebied. Waargenomen zijn onder meer vink, merel, en winterkoning. Daarnaast kunnen soorten als houtduif, Turkse tortel, holenduif, heggenmus, tjiftjaf, zwartkop en braamsluiper gebruik maken van het plangebied om te broeden.
Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Negatieve effecten ten aanzien van boerenzwaluw en huismus kunnen op voorhand onvoldoende worden uitgesloten. Met de sloop van de schuren is de verwachting dat verblijfplaatsen worden vernietigd. Nader, gericht onderzoek dient inzicht te geven in de omvang van de populatie huismussen en boerenzwaluw alsmede de plekken waar zij broeden. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte omvang van de projectlocatie en het beperkte aanbod aan geschikt leefgebied voor deze soorten, gaat het om slechts enkele broedparen van genoemde algemeen voorkomende soorten. Er zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming.
Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1. Werkzaamheden 1
In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 18
binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Sloop van de schuren is mogelijk nadat is vastgesteld dat in de te slopen objecten geen broedende vogels aanwezig zijn. Conclusie: Negatieve effecten als gevolg van de sloop op huismus en boerenzwaluw kunnen op voorhand onvoldoende worden uitgesloten. Nader onderzoek dient uit te wijzen waar de verblijfplaatsen van de soorten zich bevinden en welke omvang de lokale populatie heeft.
5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen, structuurrijke bosranden, bossen met een goed ontwikkelde strooisellaag en vennen. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied. Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop en bekende verspreiding kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.
5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied zelf zijn geen waterelementen aanwezig. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Ten westen van het plangebied, rondom de Agnietenberg is een kernpopulatie van de zeldzame knoflookpad aanwezig. De soort plant zich hier in verschillende wateren voort. Het landbiotoop dat doorgaans bestaat uit een goed vergraafbare bodem bevindt zich naar verwachting in- en rondom de bestaande voortplantingswateren. In het plangebied ontbreekt geschikt voortplantingswater en landbiotoop. De soort kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Gelet op de ligging ten opzichte van de populatie kan de realisatie van een waterelement, in combinatie met de akker geschikt leefgebied voor de soort worden gecreëerd. Voor overige zwaar beschermde amfibieën ontbreekt geschikt leefgebied. Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een verbetering van het bestaande landbiotoop. Door de voorgenomen extensivering nemen foerageermogelijkheden voor amfibieën toe.
Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Overijsel een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 19
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Door een poel te realiseren in combinatie met het natuurakkertje, ontstaat zowel geschikt voortplantings- als landbiotoop voor de soort. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.
5.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen (sloten, poelen, enzovoort) aanwezig. Derhalve ontbreekt geschikt leefgebied voor vissen en zijn deze dan ook niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissen zijn niet in het plangebied aanwezig. Er worden dan ook geen effecten op beschermde vissen verwacht. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Beschermde ongewervelden kunnen op basis van het ongeschikte biotoop en de bekende verspreiding worden uitgesloten in het plangebied. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 20
6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Verwacht wordt dat met voorgenomen extensivering van het grondgebruik en de landschappelijke inpassing, verbetering van het aanwezige biotoop optreedt. Negatieve effecten op deze soorten kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten.
6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kunnen negatieve effecten op vleermuizen en hun (door de sloop van de bebouwing) verblijfplaatsen op voorhand onvoldoende worden uitgesloten. Nader onderzoek dient uit te wijzen, of en zo ja welke functie het plangebied heeft voor vleermuizen Vogels met jaarrond vaste rust- en verblijfplaatsen Door de voorgenomen sloop kunnen negatieve effecten op huismus en boerenzwaluw en hun verblijfplaatsen onvoldoende worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk om aan te tonen dan wel uit te sluiten welke functie het plangebied heeft voor beide soorten. Broedvogels in relatie tot de sloopwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen voor vogels. De sloopwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd nadat is vastgesteld dat in de te slopen bebouwing geen nesten van broedende vogels meer aanwezig zijn.
6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof gerelateerde effecten De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof gerelateerde effecten Een AERIUS-berekening is noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Deze dient nog te worden uitgevoerd en in een separate notitie te worden verwerkt.
6.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied mogelijk enkele bomen gekapt. Deze bevinden zich op het bestaande erf. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden. Mogelijk moet wel een kapvergunning bij de gemeente worden aangevraagd.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 21
6.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt tegen bestaand NNN-gebied. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een positief effect verwacht ten aanzien van de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied. Met de bedrijfsbeëindiging vindt verdere extensivering van het grondgebruik in het gebied plaats. Daarnaast wordt 3 hectare natuur gerealiseerd, waarbij maatregelen genomen ten gunste van de aanwezige fauna. Een nadere toetsing aan het NNN-beleid wordt niet noodzakelijk geacht.
6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Vanuit de eisen van het natuurbeleid NNN is het plan uitvoerbaar. Ook vanuit de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar met betrekking tot de onderdelen gebiedenbescherming en houtopstanden. Dit geldt echter niet voor het onderdeel soortenbescherming. Nader onderzoek naar vleermuizen, huismus en boerenzwaluw is noodzakelijk om te achterhalen of, en zo ja welke functie het plangebied heeft voor deze soorten.
6.6 Geldigheid rapportage Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 22
Literatuurlijst • •
• • •
• • •
•
Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D., Swaay, C. van, & Wynhoff, I. (2006). De dagvlinders van Nederland, Nederlandse fauna 7. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Landschapsbeheer Flevoland (2011). Vleermuisvriendelijk bouwen. Een handreiking voor huiseigenaar, architect en beleidsmedewerker. Een samenwerking tussen Landschapsbeheer Flevoland, Zoogdiervereniging en Tauw bv. Landschapsbeheer Flevoland, Lelystad. Limpens, H., K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. SOVON Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertabrate Survey – Nederland.
Vogel R.L., Bouwma I., Koese B., Kranenbarg J., La Haye M., Odé B., Sierdsema H., Sparrius L., Verburg P. & Zollinger R. (2013). Het belang van Nederland buiten de Ecologische Hoofdstructuur voor soorten van de Vogelrichtlijn en van bijlage V van de Habitatrichtlijn. Sovon-rapport 2013.015. Sovon, Nijmegen. Weeda, R., Westra, C., Westra, E. J., & Westra, T. (1985-1994). Nederlandse oecologische flora: Wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. Amsterdam, Nederland: IVN in samenw. met de Vara en de VEWIN.
Waarnemingen NDFF, ecogrid.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 23
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd2. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).
De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.
2 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 24
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 25
initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.
Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 26
Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.
Bergkloosterweg 16, Zwolle | Eelerwoude | 27
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
In het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
Ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
Ter bescherming van flora en fauna;
•
Voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
Om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
In het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
Ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
In het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
Voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
Om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
De belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
Ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
Ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;