Bpl Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14 vaststelling__TOELICHTING
Tekst van het document
51/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
3.4.5.4 Uitgangspunten planregel De voorwaarden die in het besluit hogere grenswaarden zijn opgenomen worden ook als planregels bij dit bestemmingsplan opgenomen. Dit om zo een goede borging te hebben van de te nemen maatregelen. De voorwaarden die als planregel worden opgenomen hebben betrekking op de volgende aspecten: De verplichte aanwezigheid van een dove gevel; De verplichte aanwezigheid van een voorziening die regelt dat het achterliggende gebied geluidluw is; De verplichte aanwezigheid van een zogeheten verglaasde balkon bij meerdere appartementen; De verplichte aanwezigheid van een geluid gedempte spuiventilatievoorziening; De verplichte aanwezigheid van een borstwering van bepaalde hoogte bij meerdere appartementen. 3.4.6
Luchtkwaliteit
3.4.6.1 Kaders Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen). Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen. Ruimtelijk-economische besluiten die 'niet in betekenende mate' bijdragen worden niet individueel getoetst aan die grenswaarden. De effecten van deze projecten op de luchtkwaliteit worden verdisconteerd in de trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, zoals beschreven in het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).
Zwolle wil aldus de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen, binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit. 3.4.6.2 Beoordeling Tauw heeft met de notitie Luchtkwaliteit Zwolle transformatie Zwartewaterallee 14 (17 april 2023) onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit. Dit onderzoek is als bijlage opgenomen. De ontwikkeling van de Zwartewaterallee 14 valt binnen de NIBM-grens. Het project met de transformatie van 88 woningen met één ontsluitingsweg valt binnen de getalsmatige grenzen van de regeling NIBM. De bijdrage van de ontwikkeling van de Zwartewaterallee 14 aan de luchtkwaliteit is klein. De effecten van projecten met een relatief beperkte omvang zijn meegenomen in de berekening van de trendmatige ontwikkeling van de achtergrondconcentraties in Nederland. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) bevat voldoende verbetermaatregelen om deze effecten te compenseren. De concentraties NOX en PM voldoen aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer en benaderen de WHO-advieswaarden. Door de juiste inrichting en plaatsing van het bestaande ventilatiesysteem en inlaatkanalen wordt de meest geschikte luchtkwaliteit gecreëerd. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het vanuit luchtkwaliteit een aanvaardbare woonlocatie betreft.
3.4.6.3 Conclusie Het plan is niet in strijd met de kaders over luchtkwaliteit. 3.4.6.4 Uitgangspunten planregel Er zijn geen specifieke planregels nodig.
52/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
3.4.7
Geur
3.4.7.1 Kaders In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht nodig in de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor het aspect geur. Enerzijds kunnen als gevolg van nieuwe ontwikkelingen nieuwe geurbronnen worden toegevoegd en anderzijds kunnen door de ontwikkelingen nieuwe geurgevoelige objecten worden toegevoegd die kunnen worden belast door bestaande of nieuwe geurbronnen. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het kader voor geurhinder vanuit veehouderijen. Deze wet heeft als doel om geurhinder van veehouderijen bij geurgevoelige objecten (zoals woningen) te voorkomen. Voor de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten nabij veehouderijen moet aan twee voorwaarden worden voldaan; een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd voor de nieuwe geurgevoelige objecten geen van de bestaande veehouderijen onevenredig in zijn belangen geschaad. De Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen geeft aan dat het thema geur met name in het landelijk gebied speelt en een aandachtspunt is bij de verdere functiemenging van dit gebied en de verweving tussen stad en land. We zoeken naar de juiste balans tussen bedrijven met geurhinder en bescherming van geurgevoelige functies anderzijds. 3.4.7.2 Beoordeling Het onderdeel geur is niet relevant bij dit plan. Er bevinden zich geen agrarische bedrijven of geur-veroorzakende inrichtingen in de nabijheid van het plangebied.
3.4.7.3 Conclusie Het plan is niet in strijd met de kaders over geur. 3.4.7.4 Uitgangspunten planregel Er zijn geen specifieke planregels nodig. 3.4.8
Externe veiligheid
3.4.8.1 Kaders Externe veiligheid gaat over de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen. Vanuit het externe veiligheidsbeleid worden veiligheidsnormen gesteld voor risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen ten opzichte van (1) kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen en scholen) en (2) beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld winkels of bedrijfsgebouwen). Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor bedrijvigheid staat dit in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat dit in het Besluit externe veiligheid
53/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
transportroutes (Bevt). Voor buisleidingen staat dit in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). De centrale begrippen hierbij zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR).
In de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen van de gemeente worden de doelstellingen ten aanzien van externe veiligheid verwoord. De gemeente streeft ernaar voor haar gehele grondgebied te voldoen aan de basisveiligheid. Dit betekent: Er wordt altijd voldaan aan normen voor plaatsgebonden risico; Er wordt een gebiedsgerichte invulling gegeven aan groepsrisicobeleid welke wordt opgenomen in het omgevingsplan; Veiligheidsdoelstellingen passen bij de typering van het gebied; Er wordt zoveel mogelijk geanticipeerd op de landelijke beleidsontwikkeling die een ongunstige invloed kunnen hebben op de veiligheidssituatie in Zwolle. Het doel is het bewaken van een optimaal veiligheidsniveau. Op 20 januari 2009 heeft het college van B & W het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico. Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen. Een afwijkend gebiedstype vormen de stroomzones.
Stroomzones zijn gebieden rondom infrastructuur (spoorlijnen, wegen en waterwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor stroomzones is een apart beleidskader geformuleerd. Dit gebied valt binnen de stroomzone van de A28. 3.4.8.2 Beoordeling Tauw heeft met het Externe veiligheidsonderzoek Woningstichting SWZ - Zwartewaterallee 14 (25 april 2023) onderzoek gedaan naar de externe veiligheid. Dit onderzoek is als bijlage opgenomen. TAUW heeft een veiligheidsmodel geproduceerd in RBM II. Dit is gedaan voor zowel de bestaande situatie als voor de toekomstige situatie na de transformatie van het plangebied. Plaatsgebonden risico Wegvaknummer O11 van de transportroute A28 heeft volgens de gegevens uit bijlage 1 van de Regeling basisnet een 10-6 contour (PR plafond) van 13 meter. De onderstaande afbeelding toont de in RBM II berekende PR-contouren voor deze route. De rode lijn is de 10-6 contour die berekend is op 13 meter. De blauwe lijn betreft de 10-7 contour. Deze ligt op 92 meter afstand van de transportroute. De 10-8 contour ligt op 531 meter afstand maar deze is niet zichtbaar op de afbeelding. Het plangebied valt dus volledig binnen de 10-8 contour, maar dit houdt geen wettelijke belemmering voor de transformatie in. De 10-6 contour is beperkt en valt niet over het plangebied. Hiermee is voldaan aan de eisen uit het Bevt aangaande het plaatsgebonden risico.
54/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
PR-contouren A28 (wegvaknummer O11) uit de RBM II berekening De transformatie van het plangebied is niet van invloed op het jaarlijkse aantal transportbewegingen per stofcategorie over deze transportroute. Er is dan ook geen verschil in het plaatsgebonden risico tussen de huidige en de toekomstige situatie. Het plaatsgebonden risico overlapt niet met de locatie van het plangebied en vormt daarom geen belemmering voor de beoogde transformatie van het pand Zwartewaterallee 14. Groepsrisico Onderstaand figuur laat de groepsrisicocurve in de huidige situatie zien. Het groepsrisico (donker groene lijn) overschrijdt de oriëntatiewaarde (stippellijn aan de bovenzijde van het gele vlak). Het bevoegd gezag dient in de ruimtelijke onderbouwing van de vergunning het groepsrisico te verantwoorden (artikel 8, lid 1b Bevt).
Groepsrisico van huidige situatie voor de transformatie Door de beoogde transformatie van het plangebied treedt er een verandering in het groepsrisico op. De
55/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
onderstaande afbeelding geeft de GR-curve weer zoals berekend in RBM II voor de situatie na de transformatie van het plangebied naar een woonfunctie. Net als in de huidige situatie is er sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Het verschil in het groepsrisico is echter zeer minimaal. De GR-curves zijn dan ook nagenoeg identiek.
Groepsrisico van de beoogde situatie na de transformatie
Advies omtrent verantwoording groepsrisico Met betrekking tot het groepsrisico zijn er geen harde normen vastgelegd, maar enkel oriënterende waarden. In het Bevt zijn regels opgenomen over de verantwoording van het groepsrisico. Het Bevt vormt het toetsingskader voor ruimtelijke plannen voor het vervoer over de weg, het spoor en het water. Op basis van het Bevt geldt een (volledige) verantwoordingsplicht voor besluiten waarbij het plangebied geheel of gedeeltelijk binnen 200 meter van een transportroute ligt (artikel 8, lid 1 Bevt) en er sprake is van een groepsrisico groter dan 10 % van de oriëntatiewaarde of een toename van het GR met meer dan 10 % (artikel 8, lid 2 Bevt). Daarnaast is artikel 7 van het Bevt van toepassing. Dit artikel luidt als volgt: In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b.
voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet Aangezien het groepsrisico in zowel de huidige als de beoogde situatie de oriëntatiewaarde overschrijdt en er aan de overige voorwaarden in dit artikel wordt voldaan, dient bij de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning ook op de in artikel 7 lid a en b genoemde onderwerpen te worden ingegaan. De verantwoording (ruimtelijke onderbouwing) is formeel een taak van het bevoegd gezag. Deze kan aan de hand van de resultaten in deze rapportage beoordelen of er voldoende argumenten zijn om de beoogde transformatie mogelijk te maken. Hierbij dient het bevoegd gezag in ieder geval aandacht te besteden aan 56/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
mogelijke alternatieven en aan risico reducerende maatregelen. Ook dienen de mogelijkheden voor rampenbestrijding en hulpverlening te worden belicht. TAUW adviseert om bij de verantwoording in overleg te treden met de Veiligheidsregio IJsselland met betrekking tot de zelfredzaamheid van de beoogde bewoners en calamiteitenbestrijding (conform artikel 9 van het Bevt dient het bevoegd gezag het bestuur van de betrokken veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over de in artikel 7 en 8 Bevt genoemde onderwerpen). Zelfredzaamheid Omdat het plangebied zich binnen 200 meter van een transportroute uit het basisnet bevindt, is de mate van zelfredzaamheid van de mensen die er gehuisvest worden een belangrijk aandachtspunt. Personen zijn zelfredzaam als ze zich zonder daadwerkelijke (fysieke) hulp van hulpdiensten kunnen onttrekken aan dreigend gevaar. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit het kunnen schuilen binnen bebouwing en het kunnen ontvluchten van het plangebied. De mogelijkheden hiertoe zijn afhankelijk van het maatgevend scenario (brand, explosie en/of toxische wolk). De zelfredzaamheid van personen in de buurt van een risicobron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen.
Het plangebied voorziet naast reguliere sociale huurwoningen onder andere in de huisvesting van statushouders en mensen die begeleid wonen in het programma van de Omega groep (https://www.omegagroep.nl/client/woonvormen-en-woonbegeleiding/). Het gaat hier echter in alle gevallen om mensen die zelfredzaam zijn. Er is dus geen fysieke ondersteuning door hulpdiensten noodzakelijk om deze mensen bij een calamiteit in veiligheid te brengen. De aanwezige doelgroepen kunnen na waarschuwing en eventueel na aanwijzingen van hulpdiensten het gebied zelfstandig verlaten. De fysieke eigenschappen van het pand en de omgeving van het plangebied zijn van invloed op de mate waarin zelfredding kan plaatsvinden. Om de zelfredzaamheid van personen in het plangebied zo goed mogelijk te faciliteren dienen de onderstaande aandachtpunten in ogenschouw te worden genomen: Alarmering: in geval van een calamiteit is de snelle alarmering van aanwezige personen binnen het effectgebied essentieel voor een goede zelfredzaamheid. Het bestuur van de veiligheidsregio dient invulling te geven aan de risicocommunicatie Vluchtmogelijkheden: Vluchtroutes dienen van de risicobron af te zijn.
In dit geval moet er altijd een vluchtroute in noordelijke richting mogelijk zijn, de transportroute bevindt zich immers ten zuiden van het plangebied Schuilmogelijkheden: Bij de transformatie van het pand is het raadzaam de brandwerendheid van de gevel aan de kant van de transportroute te verhogen. Dit beperkt mogelijk de gevolgen van hittestraling. Daarnaast is het raadzaam om ventilatie te realiseren die in geval van nood met een druk op de knop kan worden afgesloten om te voorkomen dat toxisch gas naar binnen wordt gezogen. Advies van de veiligheidsregio De veiligheidsregio heeft de volgende adviezen bij de omgevingstafel gegeven die doorgewerkt hebben in het plan. Bij een incident op de A28 met vloeibaar gas (BLEVE) zijn er beperkte mogelijkheden tot redden (voornamelijk zelfredzaamheid). Geen mogelijkheden tot effectief optreden van de brandweer. Over de A28 worden toxische stoffen vervoerd. Als gevolg van een incident kunnen deze stoffen vrijkomen en zich in de omgeving verspreiden over het plangebied. De aanwezigen kunnen tot enkele uren veilig in het object schuilen als de mechanische ventilatie, ramen en deuren zijn gesloten. Het object moet worden voorzien van mechanische afsluitbare ventilatie. Object voorzien van mechanisch afsluitbare ventilatie. Rekening houden met warmtestraling. Gevels brandwerende voorzieningen treffen (brandwerende materialen).
Rekening houden met de drukgolf. Kans op ruitbreuk en beschadigde deurposten. Berekenen welke
57/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
voorzieningen er eventueel moeten worden getroffen. 3.4.8.3 Conclusie De belangrijkste risicobron op het gebied van externe veiligheid is de snelweg A28, die op minder dan 200 meter van het plangebied ligt. Voor deze basisnetroute, die gebruikt wordt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn de risico's berekend waarbij conform de wetgeving het softwarepakket RBM II is gebruikt. Andere risicobronnen in de omgeving van het plangebied zijn in dit onderzoek kwalitatief beschouwd. Voor deze risicobronnen geldt dat zij geen belemmering vormen voor de transformatie. De ontwikkeling van het plangebied leidt niet tot een verandering in het aantal transportbewegingen over de A28. Dit betekent dat de PR-contouren van de transportroute ongewijzigd blijven. De PR 10-6 contour valt, conform de eisen gesteld in het Bevt, niet over de beoogde locatie. Doordat de populatie door de beoogde transformatie van het plangebied verandert is er wel sprake van een verandering in het groepsrisico. Er is zowel in de huidige als in de toekomstige situatie sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. De GR-curve is echter niet significant toegenomen, temeer omdat er geen sprake is van een grote verandering in de populatie. De oriëntatiewaarde is geen wettelijke grenswaarde maar een richtwaarde.
Dit betekent dat het bevoegd gezag gemotiveerd zal moeten afwegen of een verandering van het bestemmingsplan op basis van deze resultaten te rechtvaardigen is. Aangezien het beoogde plangebied binnen het invloedsgebied ligt van een transportroute voor toxische en brandbare stoffen dient het bevoegd gezag ook in te gaan op artikel 7 van het Bevt. TAUW adviseert om bij deze verantwoording in overleg te treden met de veiligheidsregio IJsselland met betrekking tot de zelfredzaamheid van personen die in de beoogde situatie in het plangebied aanwezig zullen zijn.
Wegvaknummer O11 van de A28 heeft in het basisnet de indicatie plasbrandaandachtsgebied. Dit houdt in dat er voor een zone van 30 meter naast de infrastructuur aanvullende bouweisen worden gesteld aan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied bevindt zich op meer dan 30 meter van de transportroute A28. Dit aspect vormt daarom geen belemmering voor de geplande transformatie.
Op 4 mei is, in vervolg op het eerste advies bij de omgevingtafel, een advies van de veiligheidsregio ontvangen. De adviezen zijn hieronder samen met een bentwoording (cursief gedrukt) opgenomen. Geadviseerd wordt: De appartementen en het gebouw als geheel te voorzien van mechanisch afsluitbare ventilatie (verplicht onder de Omgevingswet/Besluit Bouwwerken leefomgeving); Dit Is reeds onderdeel van het ontwerp, de maatregel van mechanisch afsluitbare ventilatie is opgenomen in onderstaande maatregelen. Rekening te houden met de hittestraling van het BLEVE scenario (weg) en bouwkundige maatregelen te treffen ten aanzien van de brandwerendheid; De BLEVE-belaste zijde (A28) wordt voorzien van brandwerende maatregelen. Dit wordt op dit moment uitgewerk t in het ontwerp en wordt meegenomen in de omgevingsvergunning aanvraag. Hierin wordt de berek ende hittestraling (<100 m afstand, >130 kW/m2) en overdruk (<190 m afstand, >0,03 bar) meegenomen in de maatregelen om voldoende te beschermen tegen het BLEVE-scenario. Deze maatregelen worden vastgelegd in het ontwerp. Duidelijkheid te krijgen over de doelgroep waar het Omega deel van de appartementen voor bedoeld is.
Zijn de aanwezigen zelfredzaam of verminderd zelfredzaam? Ik ga er vanuit dat de aanwezigen bij de Omega zorggroep verminderd zelfredzaam omdat ze een een (lichte) verstandelijke beperking hebben en/of psychische problemen en 24 uurs begeleiding noodzakelijk is. Daarnaast is er een bedgebied
58/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
aanwezig. Het plangebied voorziet naast reguliere sociale huurwoningen onder andere in de huisvesting van statushouders en mensen die begeleid wonen in het programma van de Omega Groep. Voor deze laatste groep wordt als eis gesteld dat zij zelfredzaam zijn. Het betreft (jong)volwassenen met een lichtverstandelijke of psychische beperking die zelfstandig kunnen wonen onder voorwaarde dat er professionele begeleiding in de buurt is die hen indien nodig kan ondersteunen. In het kader van dit programma zal de Omega Groep 16 appartementen huren op de eerste en de tweede verdieping, waarbij begeleiding in de buurt is of direct bereikbaar middels een gemeenschappelijke huiskamer en de aanwezigheid van een slaapwacht. Zoals in het EV-onderzoek van Tauw aangegeven gaat het hier in alle gevallen om mensen die zelfredzaam zijn. Er is dus geen fysieke ondersteuning door hulpdiensten noodzakelijk om deze mensen bij een calamiteit in veiligheid te brengen. De aanwezige doelgroepen kunnen na waarschuwing en eventueel na aanwijzingen van hulpdiensten het gebied zelfstandig verlaten. Op basis van bovenstaande is het aannemelijk dat de bewoners, inclusief de Omega-doelgroep, zelfredzaam zijn in geval van calamiteiten.
De toekomstige aanwezigen via risicocommunicatie op de hoogte te brengen van de handelingsperspectieven bij een incident bij de hogedruk aardgasbuisleiding, bij de A28 of een overstroming; Vluchtwegen en verzamellocaties worden gefaciliteerd, conform wet- en regelgeving (waaronder NEN2535 en NEN2575) Samen met het waterschap en de veiligheidsregio te beoordelen of er maatregelen kunnen worden getroffen om de gevolgen van een overstroming en wateroverlast te voorkomen of te beperken; De woningen bevinden zich op de 1e etage, op circa 2,60 m ten opzichte van het maaiveld, hiermee is een belangrijk e maatregel reeds getroffen in het ontwerp. Hierover is overleg gevoerd met waterschap en veiligheidsregio, hier zijn geen aanvullende eisen uit voortgekomen. De gevolgen van klimaatverandering te beperken of te voorkomen. Ik verwijs u hierbij naar de Handreiking Decentrale regelgeving bij klimaat adaptief en natuur inclusief bouwen, inrichten en beheren; De maatregelen uit het KEC-rapport zijn verwerkt in het ontwerp..
Maatregelen zijn ondermeer: gebouw niet geheel te slopen maar casco te gebruiken, duurzame installaties, gevelgroen, groene daken (bijvoorbeeld sedum) icm zonnepanelen, natuurinclusieve voorzieningen zoals nestkasten, gasloos verwarmen op termijn door aansluiting op geothermie, Contact op te nemen met de Veiligheidsregio IJsselland om de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en bluswatercapaciteit van het plan te beoordelen. Bereikbaarheid, bestrijdbaarheid, bluswatercapaciteit, hierover is er overleg met de Veiligheidsregio. De eisen en wensen worden verwerkt in de omgevingsvergunningaanvraag. In het mobiliteitsplan is de bereik baarheid en de opstelplaats voor calamiteitenverkeer opgenomen. De directe omgeving aan de Zwartewaterallee beschikt over meerdere brandhydranten waardoor toegang tot bluswater voorzien is, nadere uitwerking volgt in de omgevingsvergunning. Op basis van bovenstaande informatie en adviezen van de veiligheidsregio zijn maatregelen in het (bouw)plan opgenomen die er voor zorgen dat het risico van externe veiligheid aanvaardbaar wordt geacht.
Maatregelen in het plan Om het groepsrisico welke in de rapportage van Tauw is omschreven te kunnen verlagen worden de aanvullende maatregelen getroffen:
Maatregel 1
bewoners zijn allen zelfredzaam
59/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
De 88 appartement worden gerealiseerd voor de sociale doelgroepen. Waarbij alle woningen worden gebouwd volgens het geldende bouwbesluit waarin de nieuwbouw eisen leidend zijn. Voor de specifieke doelgroep huisvesting van de 16 bewoners van de Omega groep wordt als eis gesteld dat deze zelf redzaam zijn. Het betreft (jong)volwassenen met een verstandelijke of psychische beperking en kunnen zelfstandig wonen. Maar niet zonder iemand in de buurt die hen kan helpen. Hiervoor huurt de Omega Groep 16 appartementen in het gebouw op de eerste en de tweede verdieping waarbij begeleiding in de buurt is of direct bereikbaar middels een huiskamer en een slaapwacht. In het bestemmingsplan wordt een regel opgenomen dat het gebouw alleen bewoond mag worden door zelfredzame personen. Maatregel 2
tweezijdig vluchtmogelijkheid
Naast het hoofdtrappenhuis worden aan beide uiteinde van het gebouw vluchttrappen gerealiseerd. Deze vluchttrappen geven directe toegang tot de vluchtmogelijkheden van het terrein. De appartementen worden ontworpen aan een corridor deze zal door de compartimentering en de brandmeld- en ontruimingsinstallatie als extra beveiligde vluchtroute worden aangeduid.
Maatregel 3
ventilatie
De ventilatie wordt gerealiseerd middels een gebalanceerd ventilatiesysteem. Inlaat van de lucht zal bovendaks plaatsvinden en bij calamiteiten kan deze (automatisch) worden afgeschakeld.
Maatregel 4
risico-communicatie
De toekomstige aanwezigen worden via risicocommunicatie op de hoogte gebracht van de handelingsperspectieven bij een incident bij de hogedruk aardgasbuisleiding, bij de A28 of een overstroming.
Maatregel 5
Brandwerendheid en drukbestendigheid
Aan de A28 zijde wordt een drukbestendige gevel gerealiseerd en worden brandwerende materialen toegepast om voldoende bescherming te bieden tegen het BLEVE scenario. De maatregelen dienen bescherming te bieden tegen de berekende hittestraling van > 130 kW/m2 en een overdruk van > 0,03 bar.
Overigens is het voornemen ook de volgende maatregelen te treffen: Er wordt een brandmeldinstallatie aangebracht met een ontruimingsalarm installatie. Deze ontruimingsalarminstallatie moet voldoen aan NEN 2575. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de informatie aangeleverd waaruit blijkt dat aan de eisen wordt voldaan. Dit is bovenop de eisen van compartimentering welke gelden vanuit het bouwbesluit nieuwbouw. Het trappenhuis heeft in de huidige opzet één bestaande lift, ter vergroting van de capaciteit wordt een extra brandweer lift toegepast. De lift zal voldoende groot zijn om ook brancards te kunnen vervoeren. De brandweerlift zal worden voorzien van speciale besturingsmogelijkheid die een prioritaire bedieningsoptie biedt voor gebruik door de brandweer. Het idee is dat de brandweer tijdens brand (calamiteit) snel en ongestoord de beschikking heeft over de lift. De brandweerlieden kunnen de lift dan gebruiken om snel de etage onder de brand te bereiken, zo nodig met het blusmaterieel. De brandweer kan de lift met de brandweerschakelaar op het toegangsniveau voor de brandweer onder controle krijgen. Voor de hulpdiensten worden op het terrein voorzieningen getroffen voor een vrije toegang. Tevens worden de opstelplaatsen gerealiseerd nabij de entree van het gebouw.
60/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
3.4.8.4 Uitgangspunten planregel Met de bestemming Wonen-Meergezinshuis wordt wonen en bijzondere woonvormen toegestaan.Met een specifieke gebruiksregel wordt dit gebruik beperkt tot zelfredzame personen. Wat inhoudt dat ook de Omega-groep alleen op een bijzondere woonvorm aangewezen clienten mag huisvesten als deze zelfredzaam zijn. Om uitvoering van de maatregelen te borgen wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. 3.4.9
Infrastructuur
3.4.9.1 Kaders Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. 3.4.9.2 Beoordeling Uit de KLIC-melding is een wateraansluiting aangetroffen waar rekening mee gehouden wordt in de verdere uitwerking van het plan. Aan de noord-en oostzijde van het perceel Zwartewaterallee 14 loopt een ondergrondse waterleiding. In overleg met de leidingbeheerder Vitens is nagegaan hoe deze leiding zich verhoudt tot het woningbouwplan. Daaruit is naar voren gekomen dat dit plan de werking en instandhouding van de leiding niet belemmerd. Tvens is geconstateerd dat de ligging van de voor de leiding opgenomen dubbelbestemming niet geheel overeenkomt met de feitelijke ligging van de leiding. Reden om dit met deze planherziening te corrigeren. Op verdere afstand loopt een hogedruk aardgasleiding. In paragraaf 3.4.8 is daar al op ingegaan.
3.4.9.3 Conclusie Het plan is niet in strijd met de kaders over infrastructuur. 3.4.9.4 Uitgangspunten planregel De situering van de al geldende dubbelbestemming Leiding - Water wordt overeenkomstig de feitelijke ligging van de leiding herzien. Er is vanuit het belang van de waterleiding geen aanleiding binnen het bouwvlak van de woonbestemming een dubbelbestemming op te nemen. 3.4.10 Mer-beoordeling 3.4.10.1
Kaders
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Er kan op drie manieren met een milieueffectrapportage in aanraking worden gekomen: 1. Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan): Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. 2. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3): Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).
61/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
3. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4): Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). 3.4.10.2
Beoordeling
Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempel-waarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Dan dient te worden getoetst of sprake is van een m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De (indicatieve) drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. worden niet overschreden, zodat op basis daarvan geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten, een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. De vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaat uit een toets aan Bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. In hoofdlijnen dient het project te worden getoetst aan: Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect. Het voorliggende bestemmingsplan geeft een directe bouwtitel. Daardoor is het een project (kolom 4) in de zin van het besluit m.e.r. Er is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld (Tauw, M.e.r.-beoordeling transformatie Zwartewaterallee 14 te Zwolle, 18 april 2023, zie bijlage) op basis waarvan op 9 mei 2023 een Mer-beoordelingsbesluit is genomen genomen (zie bijlage). Daarmee is besloten dat bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan voor de realisatie van 88 woonappartementen met bijbehorende voorzieningen ter plaatse van Zwartewaterallee 14 te Zwolle vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. 3.4.10.3
Conclusie
Een nadere analyse in de vorm een MER/m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
62/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
3.5
Natuur
3.5.1
Natuur en landschap
3.5.1.1 Kaders Omgevingsvisie De in Zwolle aanwezige landschappelijke en natuurwaarden maken deel uit van het fysieke kapitaal van Zwolle, zoals beschreven in de Omgevingsvisie Ons Zwolle van Morgen. De visie wijst onder andere natuurgebieden en landschappen aan als waardevol en zeer waardevol. Kenmerkend voor de stad Zwolle is ook de aanwezigheid van een hoofdgroenstructuur, waar bijvoorbeeld de 'groene longen' van Zwolle onderdeel van uitmaken. Die hoofdgroenstructuur is voor Zwolle zeer waardevol. De stedelijke hoofdgroenstructuur bestaat uit een samenstel van groenelementen die tezamen een betekenis hebben voor de stad als geheel. De hoofdgroenstructuur dient meerdere functies: het draagt ruimtelijk of functioneel bij aan een min of meer aaneengesloten netwerk. Het is op stedelijk niveau in belangrijke mate structuur– en identiteit bepalend, het behoort op stedelijk niveau tot de belangrijkste recreatieve gebruiksruimtes, het begeleidt recreatieve routes, het heeft een belangrijke betekenis voor de stedelijke ecologische structuur en het draagt in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid van de stad. De koers is dat de hoofdgroenstructuur in de toekomst behouden blijft, of aangevuld, waar nodig, vanwege het belang voor de gemeente als geheel. Er wordt een terughoudend beleid gevoerd met het toevoegen van nieuwe bebouwing binnen de hoofdgroenstructuur.
Naast een stedelijke hoofdgroenstructuur kent Zwolle ook een nevengroenstructuur. Visie is dat de nevengroenstructuur in de toekomst in essentie behouden moet worden, vanwege het belang voor een aantrekkelijke en leefbare wijk.
Eén van de geformuleerde topambities is het behouden en beschermen van biodiversiteit en landschap als belangrijke fysieke waarde. Belangrijk is dat de waarden van het fysiek kapitaal op een zorgvuldige wijze wordt meegewogen bij ingrepen in de fysieke leegomgeving. Daarvoor zijn spelregels vastgelegd. Vanuit landschap en natuurwaarden zijn dat: de natura 2000-gebieden in Zwolle zijn beschermt via Europese wetgeving en is voor de gemeente leidend bij ingrepen in de fysieke leefomgeving; de NNN-gebieden zijn beschermt via provinciale regelgeving, namelijk via de provinciale Omgevingsverordening en is voor de gemeente leidend bij ingrepen in de fysieke leefomgeving. ingrepen in de fysieke leefomgeving mogen netto kwalitatief niet ten koste gaan van het landschappelijke kwaliteiten, de Zwolse hoofdgroenstructuur en de aanwezige natuurwaarden. De natuurwaardenkaart is een belangrijk kader om die afweging te kunnen maken; een goede landschappelijke en stedelijke inpassing, passend bij de kenmerken van het landschap is een vereiste bij ingrepen in de fysieke leefomgeving. Gebiedsvisie Zwartewaterallee De ambitie is om de impact van de gebouwde omgeving op de natuur zo klein mogelijk te houden. Dit door in de ontwerpen rekening te houden met natuurinclusiviteit, minimaal energieverbruik, hergebruik van materialen en klimaatadaptieve maatregelen.
Hierbij wordt gezocht naar verbinding met elkaar, met de stad, met de inwoners en met de natuur. De toepassing van groene daken en groene gevels wordt meegenomen in de ontwerpopgaven als onderdeel van mogelijke klimaatadaptieve maatregelen. Groene daken dragen tevens bij aan de biodiversiteit (insecten, broedvogels).
63/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
Bomenverordening De Bomenverordening 2021 geeft regels over het vellen van bomen. Voor het vellen van een boom binnen de op de Groene Kaart weergegeven groenstructuur is in aangegeven gevallen een (kap)omgevingsvergunning nodig (o.a. met een stamomtrek groter dan 30 cm). De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand. Bijzondere houtopstand heeft de hoogste waardering, bomen in de hoofdgroenstructuur hebben een hoge waardering, nevengroenstructuur kent een basiswaardering. Het beschermen van de natuur, het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van klimaatverandering, het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, de beeldbepalende waarde van houtopstand, de cultuurhistorische waarde van houtopstand en het houden van een kwalitatief goed bomenbestand wordt bij de afweging betrokken. Bij de vergunning wordt in beginsel een verplantingsplicht, een herbeplantingsplicht en/of een financiële compensatie opgelegd. 3.5.1.2 Beoordeling Bij de transformatie van het bestaande pand wordt deze 'vergroend'. Dit door het toepassen van gevelgroen, groene daken (gecombineerd met zonnepanelen) en natuur inclusieve voorzieningen zoals nestkasten e.d.
Het plangebied ligt aan de noord- en oostzijde voor een deel in de hoofdgroenstructuur. Ter plekke bevinden zich geen (waardevolle) bomen. Het deel van de buitenruimte (aan de zijde van de Zwartewaterallee en de Monteverdilaan) wat binnen de hoofdgroenstructuur ligt krijgt een nieuwe inrichting met een meer groener karakter, wat bijdraagt aan het behoud en de versterking van die hoofdgroenstructuur langs beide wegen. 3.5.1.3 Conclusie Het plan is niet in strijd met de bovengenoemde kaders voor natuur en landschap. 3.5.1.4 Uitgangspunten planregel De planregels laten de groene inrichting van de buitenruimte toe. 3.5.2
Natuur en ecologie
3.5.2.1 Kaders De Wet natuurbescherming geeft regels ter bescherming van gebieden en soorten.
Gebiedsbescherming Nederland heeft met de aanwijzing van Natura2000 gebieden de gebiedsbescherming van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zorgt aan de hand van een vergunningenstelsel voor een zorgvuldige afweging rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000 gebieden. De provincie is hiervoor het bevoegd gezag. Ook projecten buiten de aangewezen gebieden kunnen van invloed zijn op de instandhoudingsdoelstellingen hiervan (externe werking). Om te bekijken of er sprake is van negatieve externe werking is natuuronderzoek gebiedsbescherming nodig. Het Nationaal Natuur Netwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Deze bescherming kent geen "externe werking" zoals wel het geval is bij de Natura2000 gebieden.
64/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
Met een natuurtoets moeten de effecten op beschermde gebieden worden onderzocht (Natura 2000 en NNN). Alle potentieel verstorende (externe) effecten moeten hierbij betrokken worden. Als onderdeel hiervan dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd om de (mogelijke) depositie van stikstof op Natura 2000 gebieden te bepalen
Soortbescherming De Wet natuurbescherming is eveneens op de soortbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van overtreding van de verbodsbepalingen in het kader van de soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming. Bij overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten door een andere ruimtelijke inrichting moet er een goedgekeurde gedragscode van toepassing zijn, of een ontheffing of een vrijstelling worden gevraagd. Om te bekijken of hiervan sprake is moet er onderzoek worden gedaan naar de eventueel in het plangebied voorkomende beschermde soorten. 3.5.2.2 Beoordeling Het plangebied is met de Quickscan natuurtoets Zwartewaterallee, Zwolle (Ecogroen, 15 maart 2023) onderzocht. Dit onderzoek is als bijlage opgenomen. Voornaamste uitkomsten zijn: Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn ‘Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht’ en 'Rijntakken' respectievelijk gelegen op een afstand van 1,7 en 3,1 kilometer. Doordat het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden ligt, zijn directe negatieve effecten, zoals oppervlakteverlies, op voorhand uitgesloten.
Indirecte (uitstralende) effecten door bijvoorbeeld licht, geluid en trillingen worden gezien de afstand tot Natura 2000-gebied en tussenliggende bebouwing en infrastructuur eveneens uitgesloten. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard van de werkzaamheden (grootschalige verbouwing) zijn effecten als gevolg van stikstof op voorhand niet uit te sluiten. Advies is dan ook om de stikstofdepositie van de gebruiksfase en aanlegfase middels een stikstofberekening in beeld te brengen. Aan dit advies uit het natuuronderzoek is uitvoering gegeven. Door Tauw is het Stikstofdepositie-onderzoek Zwartewaterallee 14, inclusief AERIUS-berekening van de aanleg- en gebruiksfase opgesteld. Dit onderzoek van 29 maart 2023 is als bijlage opgenomen. De AERIUS Calculator berekent voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase een maximale stikstofdepositiebijdrage op omliggende Natura 2000-gebieden van 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase geen negatieve effecten te verwachten op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden ten gevolge van het plan. Het aspect stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmering voor het vaststellen van het plan.
Uit de Atlas van provincie Overijssel blijkt dat het plangebied niet binnen het NNN ligt. De dichtstbij-zijnde NNN-gebieden ‘Oeverlanden Zwarte water’ en `Rijntakken’ liggen respectievelijk 1,6 en 3,1 kilometer van het plangebied. Omdat er sprake is van een bestemmingsplanwijziging, dient het project getoetst te worden aan het NNN. Door de grote afstand tot het NNN en de tussenliggende infrastructuur en gebouwen, zij negatieve effecten op het NNN echter direct uit te sluiten. Vervolgstappen ten aanzien van NNN-gebied zijn niet aan de orde. Soortenbescherming Tijden het veldbezoek zijn geen in de Wet natuurbescherming beschermde flora zoogdieren, amfibieën, reptielen, ongewervelden en vissen aangetroffen. Op basis van de terreingesteldheid en bekende
65/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
verspreidingsgegevens worden deze soorten ook niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van deze soortgroepen is in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Tijdens het quickscan veldbezoek zijn potentiële verblijfplaatsen van laatvlieger (beperkt geschikt) en gewone en ruige dwergvleermuis aangetroffen in spouwmuren. De verblijfplaatsen zijn (mogelijk) toegankelijk via de daklijst en de openingen net onder de daklijst aan de noordzijde van het gebouw. Op basis van het in 2021 uitgevoerde onderzoek naar massawinterverblijf-plaatsen in Zwolle (Olthof & Van der Sluis, 2022), wordt de functie massawinterverblijfplaats uitgesloten. Nader onderzoek naar vleermuizen moet uitwijzen of overige type verblijfplaatsen (zomer-, paar- en kraamverblijfplaatsen) van vleermuizen in het gebouw aanwezig zijn. Indien er verblijfplaatsen aanwezig zijn, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Naar verwachting is het gebouw enkel geschikt voor de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Als hiervan uitgegaan wordt, kan in voorliggende situatie ontheffing verleend worden omdat: In voorliggende situatie kan de functionaliteit van de leefomgeving gegarandeerd worden door het realiseren van alternatieve verblijfplaatsen. Verwachting is dat het pand slechts beperkt geschikt is voor vleermuizen.
Op basis van een worstcase- scenario beoordeling verwachten we in het gebouw hooguit een kraamverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen en een kleinere zomer,- en of paarverblijfplaats van gewone of ruige dwergvleermuis. Alternatieve verblijfplaatsen kunnen in dat geval gerealiseerd worden in de nieuwbouw of gebouwen in de omgeving. Daarnaast kan schade aan individuen worden voorkomen door het gebouw voorafgaand aan de werkzaamheden onder ecologische begeleiding ongeschikt te maken voor vleermuizen. Het belang van het verwijderen van verblijfplaatsen van vleermuizen kan worden onderbouwd met het volgende belang: ‘in het belang van andere dwingende redenen van groot openbaar be-lang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het mi-lieu wezenlijke gunstige effecten’. Het ontbreken van alternatieven kan onderbouwd worden door aan te geven dat het omvormen van het gebouw tot woningen locatie gebonden is. Op grond van het bovenstaande is het aannemelijk dat een eventuele ontheffing verleend kan worden. Er wordt een kastenplan opgesteld en uitgevoerd. Voorzieningen worden geplaatst aan panden in de directe omgeving van het plangebied.Het bestemmingsplan maakt de genoemde toe te passen maatregelen mogelijk. In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van egel (NDFF, 2022).
Het openbaar groen in de omgeving van het plangebied wordt mogelijk door egel gebruikt als foerageergebied. Mogelijk zijn er ook verblijfplaatsen aanwezig onder struiken, hagen en strooisellagen in het openbaar groen. Indien er geen groen verdwijnt is er geen sprake van verlies van leefgebied of verblijfplaatsen van egel. In dat geval zijn er geen vervolgstappen voor egel aan de orde. Indien (een deel van) het groen (al dan niet tijdelijk door bijvoorbeeld het plaatsen van bouwmateriaal) verdwijnt, is een ontheffing Wet natuurbescherming nodig. In de provincie Overijssel is geen nader onderzoek naar egel noodzakelijk, maar kan meteen ontheffing voor egel worden aangevraagd. Ontheffing voor egel wordt bij vrijwel alle aanvragen verleend, waarbij vooral de (on)mogelijkheid om alternatieve voorzieningen aan te brengen bepalend is voor het al dan niet verlenen van de ontheffing.
Aan de ontheffingsvoorwaarden kan gezien onderstaande criteria worden voldaan, waardoor de ontheffing verleend kan worden: In voorliggende situatie kan de functionaliteit van de leefomgeving gegarandeerd worden door het realiseren van nieuw leefgebied met verblijfplaatsen voor egel in bijvoorbeeld het zuidoostelijke deel van het plangebied en egels tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden te ontzien door vegetatie met mogelijke verblijfplaatsen ongeschikt te maken voor egel of onder ecologische begeleiding te verwijderen. Het belang van het verwijderen van vegetatie met mogelijke verblijfplaatsen van egel kan worden onderbouwd met het volgende belang: ‘in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied’.
66/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
Het ontbreken van alternatieven kan onderbouwd worden door aan te geven dat het omvormen van het gebouw tot woningen en het verwijderen van de vegetatie locatie gebonden is. Uitgangspunt bij het plan is bovengenoemde openbaar groen in stand te houden. Indien toch (delen van het) groen verdwijnt is het aannemelijk dat een eventuele ontheffing verleend kan worden. Het bestemmingsplan maakt de genoemde eventueel toe te passen maatregelen mogelijk. Door het ontbreken van potentiële nestplekken (bijv. dakpannen dak) in combinatie met geschikte openingen en de vogelwerende pinnen op de zonwering, worden nestplaatsen van gebouwbewonende vogels zoals huismus en gierzwaluw niet verwacht. Op basis van habitateisen, terreinkenmerken, het veldbezoek en verspreidingsgegevens worden nestlocaties van overige vogels met jaarrond beschermde nesten uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn voor vogels met jaarrond beschermde nesten niet aan de orde. Indien geen nesten in gebruik zijn ten tijde van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten op broedende vogels zonder jaarrond beschermde nesten worden uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn voor vogels zonder jaarrond beschermde nesten niet aan de orde, mits buiten het broedseizoen gewerkt wordt.
Overigens worden ter versterking van het leefgebied aanvullend maatregelen ingepast bij de verdere planvorming zodat ook in de toekomstige situatie rekening wordt gehouden met voorzieningen voor vleermuis, huismus, spreeuw en egel. 3.5.2.3 Conclusie Het voorliggende plan heeft geen negatieve gevolgen voor Natura 2000 en het NNN en is in overeenstemming met de soortenbescherming Wet natuurbescherming. Aannemelijk is dat een (eventueel benodigde) ontheffing verleend kan worden. 3.5.2.4 Uitgangspunten planregel De planregels maken het mogelijk dat (eventueel) te treffen maatregelen vanwege de sortenbescherming uitgevoerd kunnen worden.
67/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
Hoofdstuk 4 4.1
Juridische aspecten
Inleiding
Dit bestemmingsplan is gemaakt conform het 'Handboek bestemmingsplannen Zwolle' versie 21. Dit handboek is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels zijn binnen de systematiek van de SVBP2012 aangepast aan de Zwolse situatie en uitgebreid met extra standaardbestemmingen, waaraan in Zwolle behoefte is. De regels van Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14 zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied van het bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14.
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1 Inleidende regels: De inleidende regels zijn van algemene aard en bestaan uit de volgende regels: Artikel 1 Begrippen; Artikel 2 Wijze van meten.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels: Toelichting op de regels voor de enkelbestemmingen: Het gehele plangebied is onderverdeeld in enkelbestemmingen. Dit in tegenstelling tot een bestemming die andere bestemmingen als dubbelbestemming overlapt. De dubbelbestemmingen behoeven niet in het gehele plangebied voor te komen. Een enkelbestemming kan in het plangebied op één plaats, maar ook op meerdere plaatsen voorkomen. De bij deze bestemmingen behorende regels zijn per bestemming in een apart artikel ondergebracht. Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. De opbouw van een bestemmingsregel is als volgt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Per bestemmingsonderdeel wordt hierna een korte toelichting wordt gegeven.
68/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
1. Bestemmingsomschrijving: In de bestemmingsomschrijving wordt een nadere omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie wordt als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid wordt aangegeven door de zin 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie in de bestemming. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel maar bevat ook inrichtingsaspecten. 2. Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Bij woningen wordt een onderscheid gemaakt tussen 'hoofdgebouwen', 'bijbehorende bouwwerken' en 'overige bouwwerken'. Een 'bijbehorend bouwwerk' is een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak'. Deze definitie is gelijk aan de definitie in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Voor de andere functies geldt dat er meestal geen sprake is van 'bijbehorende bouwwerken'. Bij deze functies wordt dan alleen gebruik gemaakt van de begrippen 'gebouwen' en 'overige bouwwerken'. De maatvoering waaraan een (hoofd)gebouw, bijbehorend bouwwerk c.q.
bouwwerk, geen gebouw zijnde, dient te voldoen wordt in deze regel opgenomen. De maximum goothoogte en maximum bouwhoogte worden in meters weergegeven, de dakhelling in graden. De hoogte van de gebouwen wordt op de kaart aangegeven, indien er geen uniforme hoogteregels voor de gehele bestemming van toepassing zijn. Dit wordt in de verbeelding op papier van het plan gedaan door middel van een symbool in de vorm van een rondje verdeeld in een matrix met 2 of 3 vlakken. Linksboven staat bijvoorbeeld de maximum goothoogte in meters vermeld, rechtsboven de maximum bouwhoogte in meters en onderaan staat zo nodig het maximum bebouwingspercentage aangegeven. Het symbool is gekoppeld aan het bouwvlak, of indien er geen bouwvlak aanwezig is, aan het bestemmingsvlak. 3. Nadere eisen: Op grond van artikel 3.6, eerste lid onder d, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat door burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen worden gesteld. Het betreft hier nadere eisen ten behoeve van bepaalde doorgaans kwalitatief omschreven criteria, zoals stedenbouwkundig beeld, woonsituatie, en verkeersveiligheid. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning sturend op te treden door het stellen van nadere eisen. De criteria zijn in de bepaling van nadere eisen zelf opgenomen.
De procedure voor het stellen van nadere eisen is in deze bestemmingsregels omschreven in Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 12 Algemene procedureregels. 4. Afwijken van de bouwregels: Op grond van artikel 3.6, eerste lid onder c, van de Wro kan in het bestemmingsplan worden bepaald dat bij een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. In deze bepaling wordt een opsomming gegeven van de bouwregels waarvan kan worden afgeweken. Een afwijkingsmogelijkheid van de bouwregels wordt alleen opgenomen, indien dit noodzakelijk wordt geacht in verband met het gewenste beleid en het een afwijking of verduidelijking betreft van de algemene afwijkingsregels. De criteria zijn in de afwijkingsregel zelf opgenomen. De procedure voor het afwijken van de bouwregels is omschreven in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 5. Specifieke gebruiksregels: In artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo wordt aangegeven dat het verboden is zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Ter verduidelijking worden in een aantal bestemmingen in de specifieke gebruiksregels specifieke vormen van gebruik met name uitgesloten. Dit zijn gebruiksvormen, waarvan het op voorhand gewenst is aan te geven
69/80
4 juli 2023 bestemmingsplan Holtenbroek Zuid, Zwartewaterallee 14
dat deze in ieder geval niet zijn toegestaan. 6. Afwijken van de gebruiksregels: Bij specifieke gebruiksregels wordt in een aantal bestemmingen een daarop gerichte afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Bij zo'n specifieke afwijkingsbevoegdheid zijn ook hier de criteria opgenomen. Ook deze afwijkingsbevoegdheid is gebaseerd op artikel 3.6, eerste lid onder c, van de Wro De procedure voor het afwijken van de gebruiksregels is omschreven in de Wabo. 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: Door het opnemen van de eis voor een omgevingsvergunning overeenkomstig artikel 2.1, eerste lid onder b, van de Wabo, kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Het betreft het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden. Het bouwen wordt niet aangemerkt als zo'n inrichtingsactiviteit. De eis voor een dergelijke omgevingsvergunning wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals de landschappelijke of cultuurhistorische waarde. De eis voor deze omgevingsvergunning wordt met de criteria voor vergunningverlening in de bestemmingsregel opgenomen.
Dit betekent dat in die gevallen dat er gebouwd wordt, er niet ook nog een vergunning nodig is voor het uitvoeren van een werk, tenzij de (bouw)aanvraag ook ziet op het uitvoeren van werken (bijvoorbeeld het inrichten van een terrein met parkeerplaatsen).
Toelichting op de regels voor dubbelbestemmingen: Een dubbelbestemming wordt opgenomen in een bestemmingsplan wanneer er sprake is van twee functies die onafhankelijk van elkaar op dezelfde plaats voorkomen. Het opnemen van een dubbelbestemming zorgt met het oog op een specifiek belang voor bescherming van het betreffende gebied. Deze bestemmingen liggen als het ware over de reguliere (enkel)bestemmingen heen. De bestemmingsomschrijving van de dubbelbestemming geeft aan dat de gronden, naast de andere aan die gronden gegeven (enkel)bestemmingen, mede voor deze dubbelbestemming zijn bestemd. De opbouw van een dubbelbestemmingregel is dezelfde als die van een (enkel)bestemmingsregel, maar alleen die regels worden ter aanvulling opgenomen die noodzakelijk zijn. De regels in de dubbelbestemming geven de verhouding van de enkelbestemming ten opzicht van de dubbelbestemming aan.
Hoofdstuk 3 Algemene regels: In de algemene regels zijn de volgende regels in onderstaande volgorde opgenomen: Artikel 10 Anti-dubbeltelregel; Artikel 11 Algemene afwijkingsregels; Artikel 12 Algemene procedureregels. Artikel 13 Overige regels
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels: In dit laatste hoofdstuk komen de overgangsregels en de slotbepaling aan de orde.