CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Ontwerp PlanMER Warmteprogramma 12112025

Raad Besluitvormingsronde 9 februari 2026, gemeente ZwolleBij agendapunt: Ontwerp-Warmteprogramma Zwolle Aardgasvrij 2026-2036 inclusief PlanMER34.756 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Bovendien is bij TEO een WKO relevant in verband met de warmte uit het oppervlaktewater in de zomer en de warmtevraag in de winter. Het gebruik van WKO bij een buurtwarmtepomp hangt af van de gekozen bron. Geothermie valt af omdat in een WKO de wettelijk warmte tot maximaal 25 °C mag worden opgeslagen en de temperaturen bij geothermie hoger liggen. Bij groen gas wordt geen WKO toegepast.

Figuur 3.4 Principe open bodem systeem (bron: talboommilieu.be, 2024)

Buurt warmtepomp Voor een aantal buurten is de buurt warmtepomp aangewezen als voorkeurstechniek met een buurtwarmtenet. Het is een collectief systeem waarmee 400-800 woningen met één buurtwarmtepomp gevoed kunnen worden. Het systeem bestaat uit twee onderdelen, namelijk de centrale buurtwarmtepomp een buurtwarmtenet. De lucht-water warmtepomp gebruikt de warmte in lucht als warmtebron. De werking is vergelijkbaar met een individuele warmtepomp maar dan een stuk groter. De installatie neemt ongeveer een half voetbalveld in beslag. De installatie zuigt buitenlucht aan en haalt hier door middel van een warmtewisselaar warmte uit. Vervolgens wordt de warmte uit de buitenlucht verder opgewarmd met behulp van elektriciteit. Een centrale lucht-water warmtepomp kan warmte produceren van 50 tot 70 graden. Het verwarmde water wordt afgegeven aan het warmtenet. De warmte wordt vervolgens naar de woningen getransporteerd. Het leidingnetwerk ligt op ongeveer 1 meter diepte. De hoofdwarmteleiding heeft een diameter van ongeveer 45 cm en de distributieleidingen een diameter van ongeveer 15 cm. Doordat een centrale lucht-water warmtepomp een lokale bron is en het bijbehorende warmtenet een buurtwarmtenet is, zijn er geen warmteoverdrachtstations nodig.

50/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Figuur 3.5 Schematische weergave van een warmtenet met buurtwarmtepomp als warmtebron. NB. op deze afbeelding mist de WKO

Restwarmte In Zwolle bevindt zich een aantal bedrijven die naar verwachting een aanzienlijke hoeveelheid restwarmte beschikbaar hebben. Hierbij gaat het om bedrijven op de bedrijventerreinen de Vrolijkheid en Voorst en om een datacenter; in totaal zo’n 194 TJ aan warmte. De betrouwbaarheid van de inzet van restwarmte voor het verwarmen van woningen vraagt echter om onderzoek. De bedrijven moeten namelijk zelf ook verduurzamen en worden gestimuleerd om de vrijkomende restwarmte tot een minimum te beperken. Als alle warmtecapaciteit wordt benut die nu beschikbaar is, kan het totaal aan geschatte restwarmte in theorie (zonder opwaardering met warmtepomp) voldoende zijn voor het verwarmen van tenminste 5.000 woningequivalenten.2 Restwarmte die vrijkomt bij industriële processen wordt in veel gevallen geloosd op het oppervlaktewater of naar de lucht via rookgassen of verdamping via koeltorens. Door het gebruik van restwarmte voor de verwarming van panden wordt er minder warmte afgegeven aan de omgeving. Dit heeft een positief effect op de omgevingstemperatuur en de oppervlaktewaterkwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie. De effecten van het gebruik van restwarmte komen niet terug in de effectbeoordeling (bron: CE Delft, 2019, Restwarmte, de stand van zaken).

TEO TEO staat voor thermische energie uit oppervlaktewater. Verspreid over de gemeente zijn er in Zwolle verschillende plassen, grachten, kolken, kanalen en een rivier met warmtepotentie. In Zwolle-stad bevinden zich de Achtergracht, de Singelgracht, het Zwarte Water inclusief havens en het IJsselkanaal. Deze waterpartijen en rivier hebben in theorie voldoende warmtepotentie om (delen van) naastgelegen gebieden te verwarmen. 2 De warmte (en eventueel koude) uit oppervlaktewater is het hele jaar beschikbaar. De temperatuur is echter laag (gemiddeld zo’n 10 graden, maar wisselend per seizoen). Deze warmte kan individueel of collectief worden toegepast. In het geval van individuele toepassing wordt de warmte uitgewisseld en opgewaardeerd met een warmtepomp; vervolgens is het warme water geschikt voor Lage Temperatuur (LT) verwarming van woningen. In het geval van collectieve toepassing wordt meestal gewerkt met seizoensopslag via warmte koudeopslag (WKO, zie voor uitleg onderdeel WKO verderop in deze bijlage).

51/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Dan kan er warmte tot maximaal 25 graden worden gewonnen en opgeslagen. Ook deze warmte kan worden uitgewisseld en opgewaardeerd met een (centrale) warmtepomp. De Lage Temperatuur (LT) toepassing van TEO voor woningen heeft invloed op het daadwerkelijke warmtepotentieel wat deze bronnen kunnen bieden. 2

Figuur 3.6 Visualisatie TEO met WKO (bron: STOWA, handreiking voor ontwikkeling TEO-projecten, 2017)

TEA Thermische energie uit afvalwater (TEA) Aan de westkant van Zwolle en op bedrijventerrein Hessenpoort bevinden zich de twee rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI) van Zwolle. De temperatuur van het effluent van de RWZI is circa 10 (winter) - 20 graden (zomer); na afgifte van warmte via transportwater en opwaardering met een warmtepomp is deze temperatuur geschikt voor woningen met een lage temperatuur verwarming. Het effluent van de RWZI is het hele jaar door gelijkmatig en daarmee een zeer geschikte bron om jaarrond een warmtenet mee te kunnen voeden. De warmtepotentie van het effluent van de RWZI aan de westkant van Zwolle en op Hessenpoort is respectievelijk ca. 177 en 17 TJ/jaar. Deze potentie kan in theorie voldoende zijn voor minimaal 4.850 en woningequivalenten in de nabijheid van de installatie.2 Om de warmte uit het afvalwater te gebruiken moet een warmtewisselaar in de afvalwaterleiding worden geplaatst. Via een pompinstallatie en een apart leidingcircuit wordt vloeistof van de warmtewisselaar naar een warmtepomp verpompt. De warmtepomp waardeert de laagwaardige warmte uit het afvalwater (‘s winters ca. 10 en ‘s zomers ca. 20 °Celsius) op tot hoogwaardigere warmte (met een temperatuur van 40 à 60 °Celsius). Die kan via een secundair circuit aan gebouwen, zwembaden etc. geleverd worden.6

6 https://www.waterschaplimburg.nl/uwbuurt/energiekansenkaart/warmte-

thermische/#:~:text=Uit%20afvalwater%20%28rioolwater%29%20kan%20warmte%20worden%20gewonnen%2C%20we,en%20zo%20het%20ve rwarmen%20met%20fossiele%20brandstoffen%20vervangen. 52/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Figuur 3.7 Visualisatie thermische energie uit afvalwater

Groen gas Onderdeel van de voorkeursoptie is het gebruik van groen gas voor sommige buurten in de binnenstad. Het groen gas wordt ingevoegd op het bestaande aardgasnetwerk. In dit alternatief wordt ervan uitgegaan dat het groen gas afkomstig is van een groengasinstallatie in Zwolle net buiten het bedrijventerrein Hessenpoort (zie Figuur 3.8 voor de locatie en Figuur 3.9 voor het perceel). Daarnaast worden de milieueffecten in acht genomen voor het aanleggen en gebruiken. Het betreft grootschalige groengasproductie met een potentieel van 20 tot 30 m³ miljoen groen gas. De groengasproductie is gebaseerd op co-vergisting van mest en gecertificeerde reststromen. Bij co-vergisting worden naast mest ook andere biomassa-stromen vergist, zoals afgekeurde partijen graan en reststoffen van het maalproces van rijst en granen. Bovendien is er een mogelijkheid om een Bio-LNG-installatie toe te voegen. Het omgevingsplan wil onder andere het volgende mogelijk maken: de productie van biogas uit mest en andere biomassa, de omzetting van biogas naar groen gas en bio-LNG en een vergistingscapaciteit van minimaal 200.000 ton, bij voorkeur tot 300.000 ton biomassa-invoer per jaar. Al hoewel groen gas in de praktijk wordt gecombineerd met een hybride warmtepomp wordt in de effectbeschrijving van groen gas alleen gekeken naar de effecten van het groengasgebruik.

De effecten van een hybride warmtepomp worden niet meegenomen, omdat dit aanpassingen in de woning betreft. Belangrijke effecten van de groengasinstallatie hangen samen met de extra verkeersbewegingen die nodig zijn voor de aanvoer van biomassa. In het onderstaande tekstblok wordt de situatie geschetst op basis van de verwachte verkeersmodelcijfers.

53/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Verkeersmodel rondom de groengasinstallatie. Op dit moment zijn er nog geen harde getallen met betrekking tot vervoersbewegingen. Hieronder volgt een eenvoudige rekensom om een inschatting te geven van het verkeer: Input is circa 200.000 ton mest per jaar, die via de weg getransporteerd moet worden. Een vrachtwagen mag ongeveer 40 ton vervoeren (effectief is dat circa 36 ton). Dit komt neer op ongeveer 5.500 vrachtwagens die aankomen en vervolgens leeg weer vertrekken. Daarbij komt dat ook het restproduct moet worden afgevoerd. De inschatting is dat dit circa 4.500 vrachtwagenritten per jaar betreft. In totaal gaat het daarmee om naar schatting 10.000 vrachtwagenritten per jaar voor aan- en afvoer. Dit is op dit moment een grove indicatie.

Figuur 3.8 Locatie groengasinstallatie Hessenpoort

54/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Figuur 3.9 Perceel groengasinstallatie Hessenpoort

Figuur 3.10 Uitsnede Bouwsteen Duurzame bronnen Zwolle

Figuur 3.11 van Rijkdienst voor het Cultureel Erfgoed laat zien op welke diepte de verschillende warmteinstallaties en warmtenetten zich bevinden.

55/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Figuur 3.11 Warmte en warmte-infrastructuur (RCE)

Samengevat Alternatief 1 omvat, zoals hiervoor toegelicht, de volgende warmtetechnieken: lucht-waterwarmtepomp, warmtenet, WKO, diepe geothermie, ondiepe geothermie, buurtwarmtepomp, TEO, TEA en groen gas. Daarbij geldt dat voor diepe geothermie, ondiepe geothermie, buurtwarmtepomp, TEO en TEA een warmtenet nodig is. Aangezien de effecten van een warmtenet voor de verschillende warmtetechnieken hetzelfde zijn, worden deze in de effectbeoordeling eenmalig toegelicht. Het gesloten bodemsysteem maakt geen onderdeel uit van de alternatieven. Uiteindelijk kan deze warmtetechniek mogelijk wel worden toegepast door individuen. Deze warmtetechniek is geen onderdeel van de bronnenanalyse als basis voor de alternatieven. De effecten van een gesloten bodemsysteem dienen daarom per project lokaal inzichtelijk te worden gemaakt.

3.2

Alternatief 2: Alles zoals de voorkeursoptie (waarbij groen gas buiten de gemeente wordt opgewekt)

Alternatief 2 is gelijk aan alternatief 1 behalve dat in alternatief 2 gebruik wordt gemaakt van groen gas dat is geproduceerd buiten de gemeente Zwolle. Alternatief 2 betekent daarnaast dat er uitvoering wordt gegeven aan de groengasladder7. Dit betekent dat de binnenstad, de industrie en Berkum over gaan op groen gas.

7 De gemeente Zwolle heeft een groen gas ladder opgesteld, die geeft een eerste duiding aan waar groen

gas nu in eerste instantie voor beschikbaar komt (bron: Zwolse Bronnenstrategie, mei 2025)

56/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Als gevolg van het plaatsen van een groengasinstallatie buiten Zwolle treden naar waarschijnlijkheid geen milieueffecten op in de gemeente Zwolle. Echter, zo’n groengasinstallatie buiten de gemeente Zwolle heeft eveneens milieu-/omgevingseffecten. Daarom nemen we in het MER op hoofdlijnen de effecten van een dergelijke installatie buiten de gemeente op.

3.3

Alternatief 3: Alle buurten op een warmtepomp

In alternatief 3 krijgen alle woningen en gebouwen in Zwolle een individuele lucht-water warmtepomp (ook wel all-electric genaamd). Een lucht-water warmtepomp wordt per huis individueel geïnstalleerd. Er vindt dus geen warmtetransport via ondergrondse leidingen plaats. De warmtepomp bestaat uit een binnen- en buitenunit. De binnenunit moet in huis geplaatst worden en is gemiddeld 70 cm breed, 90 cm hoog en 25 cm diep. De buitenunit kan in de achter- of voortuin of op het dak geplaatst worden en is gemiddeld 80 cm breed, 30 cm diep en 60 cm hoog. De lucht-water warmtepomp gebruikt de warmte uit de lucht als warmtebron. Deze lucht wordt via de buitenunit aangezogen. Vervolgens wordt de warmte uit de buitenlucht verder opgewarmd in de binnenunit met behulp van elektriciteit. De meeste lucht-water warmtepompen kunnen water tot 55 graden verwarmen. Het verwarmde water wordt afgegeven aan een afgiftesysteem (zoals vloerverwarming of radiatoren). Een gemiddelde warmtepomp gaat 15-20 jaar mee. In dit alternatief gaan we uit van een conventionele lucht-water warmtepomp. Deze warmtepomp is enkel te gebruiken voor verwarming en niet om in de zomer te koelen.

4 Milieueffecten 4.1

Geluid en trillingen

4.1.1 Effectbeschrijving gecumuleerde geluidbelasting Het effect van het Warmteprogramma op het thema geluid wordt beoordeeld aan de hand van de indicator gecumuleerd geluid, uitgedrukt in dB Lden (decibel Level-Day-Evening-Night). Op basis van de tabel kwalificatie van gecumuleerd geluid (opgenomen in de HSAO als bijlage van voorliggende rapportage) kan worden gesteld dat een gecumuleerde geluidbelasting tot 55 dB aanvaardbaar is in een stedelijke omgeving. Op basis hiervan wordt verwacht dat er vanaf 55 dB en hoger sprake is van geluidhinder. Hierbij kijken we naar de toename van geluidhinder door de aanleg en het gebruik van de warmtetechnieken en voor zover relevant de warmtebronnen per alternatief. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is dat geluidshinder in de aanlegfase van tijdelijke aard is, terwijl geluidshinder bij het gebruik langdurig is. Vanwege het permanente karakter van het gebruik heeft dezelfde mate van geluidshinder (in dB) een grotere impact. Voor het thema geluid is, in tegen stelling tot de overige thema's, gekozen voor een semi-kwantitatieve beoordeling. Geluid is namelijk een relevant onderwerp in de warmtetransitie. Geluid kan leiden tot hinder en is een thema waarover bewoners regelmatig zorgen uiten.

Een volledig kwantitatieve beoordeling is niet mogelijk omdat voor het uitvoeren van berekeningen van de geluidbelastingen op woningen al informatie nodig is over de precieze situering, omvang, hoogte en het geluidvermogen van geluidbronnen tot woningen. Deze informatie is nog niet bekend. De beoordeling is derhalve kwalitatief en semi-kwantitatief uitgevoerd. In onderstaande tabel zijn de klassen en klassegrenzen aangegeven.

57/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Tabel 4.1 Beoordelingskader cumulatieve geluidsbelasting Pictogram ++

+

0

-

--

Beoordeling

Klassegrenzen

Zeer positief effect ten opzichte van

De gecumuleerde geluidsbelasting neemt sterk

referentiesituatie

af.

Positief effect ten opzichte van referentiesituatie Geen effect ten opzichte van referentiesituatie Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie

De gecumuleerde geluidsbelasting neemt af.

De gecumuleerde geluidsbelasting blijft gelijk.

De gecumuleerde geluidsbelasting neemt toe.

Zeer negatief effect ten opzichte van

De gecumuleerde geluidsbelasting neemt sterk

referentiesituatie

toe.

Andere vormen geluid Bijzondere vormen van hinderlijk geluid zijn laagfrequent geluid en tonaal geluid. Tonaal geluid wordt als extra storend ervaren omdat het (ten opzichte van breed spectrale achtergrondgeluiden) meer opvalt en minder goed uitgefilterd kan worden. Dit speelt vooral een rol bij de gebruiksfase omdat het dan om permanente bronnen gaat die in de stille nachtperiode extra opvallen. Bij beoordeling van het geluid van deze bronnen aan de geldende grenswaarden voor geluid dient rekening gehouden te worden met een (variabele) toeslag om rekening te houden met de extra hinderlijkheid. Dit geldt voor alle geluidbronnen die in de gebruiksfase het Warmteprogramma tonaal geluid kunnen uitstralen zijn bijvoorbeeld lucht-water warmtepompen, ventilatoren, transformatoren en pompen. Tonaal geluid wordt daarom niet afzonderlijk beoordeeld. Laagfrequent geluid (LFG) is geluid met een frequentie tussen de 20 en 125 Hz. Deze lage frequenties worden over de afstand minder gedempt waardoor deze op grotere afstand hoorbaar zijn dan hoge tonen LFG. Daarbij wordt LFG minder goed gedempt door gevels (van de gebouwen waarin de bronnen staan of woninggevels) en is het minder goed af te schermen door isolatiemateriaal of geluidschermen. LFG wordt vaak ervaren als een zoemend, brommend of drukkend geluid en de waarneming van de ervaren hinderlijkheid is sterk verschillend per persoon.

Dit heeft te maken met de gevoeligheid van het gehoor, mate van maskering door omgevingsgeluid en persoonlijke omstandigheden (bijvoorbeeld stressgevoeligheid of leeftijd). LFG kan veroorzaakt worden door verschillende bronnen. Mogelijk relevante bronnen in de gebruiksfase van het Warmteprogramma zijn transformatoren, buisleidingen, vloeistofpompen (bijvoorbeeld bij geothermieputten) en lucht-water warmtepompen (bij onvoldoende akoestisch ontkoppeling). Toepassen van akoestische isolatiematerialen rondom de leidingen, installeren van trillingsdempers of resonatoren, gebruik van flexibele koppelingen en optimalisatie van de routes kunnen de kans op optreden van laagfrequent geluid sterk verminderen. Er wordt uitgegaan van toepassing van de stand der warmtetechniek en volgen van richtlijnen (zoals het plaatsen van verdeelstations en transformatorhuisjes op tenminste vier meter afstand van woningen) voor de mogelijk relevante LFG-bronnen voor alle alternatieven, waarmee de kans op het optreden van laagfrequent geluid voor de varianten laag en niet onderscheidend is. De warmtetechniek lucht-water warmtepomp wordt op wijkniveau beoordeeld, omdat het effect van geluid per wijktypologie kan verschillen. De overige warmtetechnieken worden op stadsniveau beoordeeld. 58/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

4.1.1.1 Alternatief 1: Voorkeursoptie (met een groengasinstallatie in de gemeente) Warmtetechniek: lucht-water warmtepomp Aanlegfase De aanlegfase van individuele lucht-water warmtepompen duurt zeer kort. Voor de aanlegfase van individuele lucht-water warmtepompen zijn daarnaast geen (geluids)intensieve werkzaamheden nodig. Daarnaast beperkt de hoorbaarheid van de werkzaamheden zich tot de naastgelegen woningen. Hiermee is er geen sprake van significante extra geluidshinder. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Gebruiksfase Bij het grootschalig gebruik van individuele lucht-water warmtepompen in hoogstedelijk en gemengd gebied (met een gemiddelde tot hoge bebouwingsdichtheid) kan er cumulatie van geluid van meerdere buitenunits optreden omdat de buitenunits dicht bij elkaar staan en op relatief korte afstand van woningen. Volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geldt een maximaal geluidniveau van 40 dB(A) (in de avond- en nachtperiode) op de erfgrens van de buren. Toetsing aan deze grenswaarde vindt plaats na toepassen van een eventuele wettelijke toeslag voor tonaal geluid van 0 tot maximaal 6 dB. Bij samenloop van het geluid van twee installaties mag dan maximaal sprake zijn van een gecumuleerd geluid van 43 dB(A) en bij samenloop van drie pompen van 45 dB(A).

Bij volcontinue bedrijf op maximale bedrijfscapaciteit van de installatie betekent dit een etmaalwaarde8 van 55 dB(A). Dit komt overeen met een Lden9 van maximaal circa 53 dB(A), omdat ervan uitgegaan mag worden dat deze situatie zich niet op alle dagen van het jaar voor zal doen. Hiermee kan sprake zijn van een zekere bijdrage aan de geluidbelasting in de categorie voor gehinderden. Als de geluidbelasting van de nieuwe bron minder dan 10 dB lager is dan het heersende geluidsniveau, dan is er sprake van een relevante bijdrage aan het geluidsniveau door de nieuwe bron. In hoogstedelijk gebied kan deze samenloop van het geluid van individuele lucht-water warmtepompen leiden tot een toename van het aantal geluidgehinderden. Daarbij merken we nog wel op dat warmtepompen in hoofdzaak op de hoogste capaciteit (waarbij het meest geluid geproduceerd wordt) in bedrijf zullen zijn op koudere dagen waarbij ramen en deuren gesloten zijn. Het effect wordt daarmee gemitigeerd omdat individuele warmtepompen volgens de geldende normen en bij een gemiddelde tot goede geluidwering van de gevels van een woning niet (of nauwelijks) in woningen hoorbaar zouden moeten zijn. Wij schatten daarom in dat er hoogstens sprake zal zijn van een lichte toename van het aantal gehinderden.

Op 4 juni 2025 publiceerde Peutz in opdracht van NPLW en RWO een onderzoek naar het effect geluidscumulatie van lucht-water warmtepompen op wijkniveau. Uit het onderzoek blijkt dat sommige opstelposities van de warmtepomp gunstiger zijn dan anderen. Hieruit volgt dat er soms aanvullende maatregelen nodig zijn voor het plaatsen van een warmtepomp op maaiveld aan de voor- of achterzijde of aan de gevel, om in hoogstedelijk of gemengd gebied hinder te voorkomen. Naast het luchtgeluid van de buitenunit bestaat er ook een risico op contactgeluid bij aangrenzende woningen. Dit is vooraf niet te kwantificeren en zou bij een voldoende trillingvrije opstelling niet mogen optreden. Bij geschakelde woningen, zoals rijtjeshuizen, twee-onder-een-kapwoningen en appartementencomplexen, die zich met name bevinden in hoogstedelijk en gemengd gebied, kan dit effect echter niet worden uitgesloten. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom voor hoogstedelijk en gemengd gebied als negatief (-) beoordeeld.

8 De etmaalwaarde is de hoogste waarde van de geluidsbelasting (in dB) in de dagperiode, de avondperiode + 5 dB of de nachtperiode + 10 dB 9 Bij volcontinu bedrijf gedurende een heel jaar is het Lden niveau circa 2 dB lager dan de etmaalwaarde.

59/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

De bovenstaande negatieve effecten treden niet, of in ieder geval aanzienlijk minder, op in rustige woongebieden (met een lage woningdichtheid) en op bedrijventerreinen. De afstand tussen de installatie tot woningen en/of bedrijven is groter. Daarnaast zijn er minder geschakelde of aangrenzende woningen/bedrijven. Hierdoor staan de buitenunits verder van elkaar af. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom voor rustig woongebied en bedrijventerreinen als neutraal (0) beoordeeld. Warmte-infrastructuur: warmtenet Aanlegfase De aanleg van een warmtenet omvat geluidsintensieve werkzaamheden, zoals het graven voor de aanleg van ondergrondse leidingen. Deze werkzaamheden zijn verder verwijderd van woningen dan bij de aanleg van warmtetechnieken die in of aan de woningen plaatsvinden, maar duren langer. Daarnaast zijn er in Zwolle meerdere gebieden met woningen waar de geluidsbelasting al relatief hoog is, met name in de nabijheid van wegen en spoorlijnen. Als in dergelijke gebieden ook nog werkzaamheden voor de aanleg van een geothermische bron zullen plaatsvinden, neemt de gecumuleerde geluidsbelasting verder toe. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld.

Gebruiksfase Warmtenetten maken gebruik van centrale installaties, zoals warmteoverdracht- en onderstations. Het geluid van deze centrale installaties moet voldoen aan de standaardwaarden van het omgevingsplan (momenteel 50 dB(A) als etmaalwaarde op de gevel van woningen). Het is onwaarschijnlijk dat er cumulatie van geluid van de centrale installaties van de warmtenetten optreedt, omdat er voldoende afstand tussen deze installaties zit. Het risico op geluidshinder van het gebruik van een warmtenet op buurtniveau wordt als laag ingeschat. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Warmtetechniek: WKO Aanlegfase Bij een WKO wordt warm en koud water (tussen de 5 en 25°C) in watervoerende lagen in de ondiepe grond gebracht. WKO’s zijn meestal tussen de 50 en 250 meter diep en beslaan bovengronds niet tot nauwelijks ruimte. De aanleg van de WKO gaat gepaard met intensieve werkzaamheden. Omdat de warmte en koude lokaal wordt gebruikt, moeten de WKO’s in de directe nabijheid van het afnamepunt, dus de woningen, worden gerealiseerd. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als zeer negatief (--) beoordeeld. Gebruiksfase WKO’s bestaan uit minimaal één of twee putten en daarnaast uit leidingen, pompen en besturing.

Het geluid van centrale installaties moet voldoen aan de standaardwaarden van het omgevingsplan (50 dB(A) etmaalwaarde op de gevel van woningen). Bij voldoende geluidbeperkende voorzieningen aan de WKO’s en/of voldoende afstand tot de woningen zijn de standaardwaarden haalbaar. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld.

60/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Warmtetechniek: diepe geothermie Aanlegfase Diepe geothermie maakt gebruik van warmte uit de diepe ondergrond (500 meter tot 4 kilometer diepte). De aanleg ervan gaat gepaard met geluidsintensieve werkzaamheden, zoals het boren naar de geothermische bron. Omdat de warmte lokaal wordt gebruikt, moet deze in de buurt van het afnamepunt worden geboord. In Zwolle is de ondergrond onder de Noordelijke stadsrand, ter hoogte van het gebied Dijklanden geschikt. De werkzaamheden zullen dus buiten de bebouwde kom plaats vinden, en zijn daarmee over het algemeen ver verwijderd van woningen. Uitzondering daarop zijn de woningen aan de Urksteeg 4 en 125. Die liggen nabij de beoogde locatie voor de diepe geothermische bron. De aanlegwerkzaamheden op deze plek zullen wel leiden tot een aanzienlijke toename van de geluidsbelasting voor deze woningen. Daarbij komt dat de aanleg van een geothermische bron gemiddeld zes maanden duurt. Er moet voldaan worden aan de regelgeving omtrent geluid van bouwen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. We gaan hier dan ook vanuit. Wanneer blijkt dat hier niet aan voldaan kan worden, wordt naar compenserende maatregelen gekeken. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als zeer negatief (--) beoordeeld. Gebruiksfase Diepe geothermie maakt gebruik van centrale installaties.

Tijdens de gebruiksfase van de geothermische installatie ontstaat een continue geluidsbron. Hoewel het geluidsniveau in deze fase relatief beperkt is, draagt het bij aan de cumulatieve geluidsbelasting op de omgeving. In gebieden waar reeds sprake is van een verhoogde geluidsbelasting of nabij de diepe geothermische bron, kan deze extra bron leiden tot een merkbare toename van de totale geluidsbelasting op omliggende woningen. Het geluid van centrale installaties moet echter voldoen aan de standaardwaarden van het omgevingsplan (op dit moment 50 dB(A) etmaalwaarde op de gevel van woningen). Het is onwaarschijnlijk dat cumulatie van meerdere centrale installaties zal optreden, omdat er bij diepe geothermie slechts één bron aanwezig is. Bij voldoende geluidbeperkende voorzieningen aan de centrale installaties en/of voldoende afstand tot de woningen zijn de standaardwaarden haalbaar. Daarbij bevindt de bron zich ter hoogte van het gebied Dijklanden, buiten de bebouwde kom. Er liggen, op twee woningen en een aantal andere gebouwen na, geen geluidgevoelige gebouwen in de omgeving. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Warmtetechniek: ondiepe geothermie Aanlegfase Ondiepe geothermie maakt gebruik van warmte uit de ondiepe ondergrond, in Zwolle op een diepte tussen circa 500 en 1.500 meter.

De aanleg hiervan gaat gepaard met geluidsintensieve werkzaamheden, zoals het boren naar de geothermische bron. Omdat de warmte lokaal wordt gebruikt, moeten deze bronnen in de directe nabijheid van het afnamepunt worden gerealiseerd. Door de beperkte hoeveelheid woningen die aangesloten kunnen worden, zijn meerdere bronnen nodig. Hierdoor vinden relatief veel werkzaamheden plaats in de wijk. Nabij de beoogde locaties zullen de aanlegwerkzaamheden leiden tot een aanzienlijke toename van de geluidsbelasting voor woningen. Daarnaast zijn er in Zwolle meerdere gebieden met woningen waar de geluidsbelasting al relatief hoog is, met name in de nabijheid van wegen en spoorlijnen. Als in dergelijke gebieden ook nog werkzaamheden voor de aanleg van een geothermische bron zullen plaatsvinden, neemt de gecumuleerde geluidsbelasting verder toe.

61/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Voor de genoemde woningen betekent dit een verdere verslechtering van de geluidssituatie. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als zeer negatief (--) beoordeeld. Gebruiksfase In Zwolle verwarmt ondiepe geothermie het water tot ongeveer 30 graden Celsius. Dit is onvoldoende voor directe verwarming van woningen. Daarom is naast ondiepe geothermie met een warmtenet een (centrale) warmtepomp nodig om de temperatuur op te waarderen tot een bruikbaar niveau. Het effect op de cumulatieve geluidbelasting van (centrale) warmtepompen wordt echter niet beschouwd bij ondiepe geothermie, aangezien het een aparte warmtetechniek betreft. Bij ondiepe geothermie zijn meerdere bronnen nodig dan bij diepe geothermie. Hoewel de installaties per bron kleiner zijn, bevinden zij zich doorgaans dichter bij woningen. Hierdoor ontstaat er meer geluidsbelasting op een kortere afstand van bebouwing. Daarnaast vereist het systeem een uitgebreid netwerk met meerdere overdrachtspunten in de wijk. Deze installaties maken dat het geluidniveau in een omgeving toeneemt. Echter, de centrale installaties moet voldoen aan de standaardwaarden van het omgevingsplan (momenteel 50 dB(A) als etmaalwaarde op de gevel van woningen).

De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Warmtetechniek: buurtwarmtepomp Aanlegfase Een buurtwarmtepomp is een collectieve lucht-water warmtepomp die wordt aangelegd in de buurt. De installatie neemt ongeveer een half voetbalveld in beslag. Bij deze werkzaamheden wordt geluid geproduceerd. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld. Gebruiksfase De buurtwarmtepomp zal enige geluidsproductie met zich meebrengen, maar dit zal relatief zacht zijn. Bovendien moeten centrale installaties voldoen aan de standaardwaarden van het omgevingsplan (momenteel 50 dB(A) als etmaalwaarde op de gevel van woningen). Het ligt niet voor de hand dat cumulatie van meerdere centrale installaties zal plaatsvinden. Bij voldoende geluidbeperkende voorzieningen aan de centrale installaties en/of voldoende afstand tot de woningen zal hieraan voldaan kunnen worden. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld.

62/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Warmtetechniek: thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) Aanlegfase Bij TEO wordt warmte uit oppervlaktewater gewonnen. In Zwolle zijn er verspreid over de gemeente verschillende plassen, grachten, kolken, kanalen en een rivier met warmtepotentieel. De warmte kan zowel individueel als collectief worden opgehaald. Bij collectieve inname is een grotere installatie nodig, wat resulteert in intensievere werkzaamheden en dus ook meer geluidsproductie. De centrale installaties komen in de buurt van woningen. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld. Gebruiksfase Bij TEO gaat het om centrale installaties die enige geluidsproductie met zich meebrengen, maar dit zal relatief zacht zijn. Er zijn meerdere voorgenomen locaties voor deze warmtetechniek zowel in het binnenals in het buitengebied. In het buitengebied kan de lichte geluidsproductie meer opvallen, omdat er doorgaans minder achtergrondgeluid aanwezig is. Dit maakt het effect mogelijk meer waarneembaar. Echter moeten centrale installaties voldoen aan de standaardwaarden van het omgevingsplan (momenteel 50 dB(A) als etmaalwaarde op de gevel van woningen). De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld.

Warmtetechniek: thermische energie uit afvalwater (TEA) Aanlegfase Bij TEA wordt warmte uit afvalwater gewonnen. Hiervoor zijn verschillende installaties nodig, waaronder een warmtewisselaar, pompinstallatie en warmtepomp. Deze installaties zullen worden geplaatst bij de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI). De RWZI’s liggen vanwege andere eisen verder van woningen, maar mogelijk is er in de aanlegfase wel een toename van geluid. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld. Gebruiksfase De installaties voor TEA zullen worden geplaatst bij de RWZI’s. De RWZI’s liggen op voldoende afstand van woningen, wat ervoor zorgt dat de geluidbelasting in de gebruiksfase beperkt blijft. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Warmtetechniek: groen gas Aanlegfase Bij deze warmtetechniek wordt ervan uitgegaan dat het groen gas afkomstig is van een groengasinstallatie in Zwolle, net buiten het bedrijventerrein Hessenpoort. Bij de aanleg van de groengasinstallatie vinden intensieve werkzaamheden plaats. Nabij de beoogde locatie voor de groengasinstallatie bevinden zich enkele woningen, zie Figuur 4.1. Het woonperceel meest dicht bij de installatie bevindt zich op ongeveer 400 meter afstand.

De aanlegwerkzaamheden kunnen leiden tot een toename van de geluidsbelasting voor deze woningen. De werkzaamheden vinden echter buiten de bebouwde kom plaats en liggen daarmee over het algemeen op ruime afstand van het overgrote deel van de woningen. De aanleg van een groengasinstallatie neemt veel tijd in beslag. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld.

63/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

100 m Figuur 4.1 Bovenaanzicht Hessenpoort (bron: Street Smart Cyclomedia)

Gebruiksfase De groengasinstallatie zal geluid produceren door processen zoals vergisting, opwerking van biogas en compressie, maar de locatie ligt buiten de bebouwde kom en er bevinden zich slechts enkele woningen in de directe omgeving. Bedrijventerrein Hessenpoort staat een zware categorie van industrie toe. Bovendien moet worden voldaan aan de standaardwaarden van geluidproductie op de gevel van woningen. In de gebruiksfase ontstaan echter ook verkeersbewegingen van en naar de installatie, met name door aan- en afvoer van mest. Het verkeer zal grotendeels gebruikmaken van de hoofdwegen A28, N35 en N43. Gezien de bestaande verkeersintensiteit, met name op bedrijventerrein Hessenpoort waar al veel vrachtverkeer aanwezig is, worden de extra geluidseffecten als relatief beperkt beschouwd. De vervoersbewegingen zijn mede afhankelijk van de herkomst van de mest. Deze zal idealiter uit de regio komen, maar kan ook uit aangrenzende gemeenten worden aangevoerd. Hierdoor kan het zijn dat er op lokale wegen een lichte toename van verkeer plaats vindt. Deze toename is dan wel erg verspreid en leidt daarom naar verwachting tot een relatief beperkte toename van geluid. Er vindt een haalbaarheidsstudie plaats, onderdeel hiervan is het bepalen van de herkomst en logistiek van de meststromen.

De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. 4.1.1.2 Alternatief 2: Voorkeursoptie (met een groengasinstallatie buiten de gemeente) De effecten van alternatief 2 zijn overeenkomstig met de effectenbeoordeling voor alternatief 1, zoals omschreven in voorgaande paragraaf. Hieronder wordt ingegaan op de verschillen tussen beide alternatieven wat betreft de effecten van een groengasinstallatie.

64/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Warmtetechniek: groengasinstallatie buiten gemeente Zwolle Aanlegfase In dit alternatief wordt geen groengasinstallatie gerealiseerd in de gemeente Zwolle, maar elders. De locatie van deze groengasinstallatie staat niet vast. Het alternatief gaat er in de basis vanuit dat de gemeente overstapt op groen gas, maar dat de productie daarvan niet lokaal plaatsvindt. Dat betekent dat de benodigde groengasinstallatie in werkelijkheid elders moet komen, waardoor ook de effecten, zowel positief als negatief, buiten de gemeente optreden. Het groen gas kan dan via de bestaande gasaansluitingen worden getransporteerd naar de betreffende woningen. Hierdoor zullen geen intensieve werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen plaatsvinden. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Gebruiksfase In dit alternatief wordt geen groengasinstallatie gerealiseerd in Zwolle. Wanneer de groengasinstallatie buiten de gemeente staat, zal dit geen effect hebben op de cumulatieve geluidbelasting in Zwolle. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld.

4.1.1.3 Alternatief 3: Alle buurten op een warmtepomp Warmtetechniek: alle buurten lucht-water warmtepomp Aanlegfase Voor de aanleg van individuele lucht-water warmtepompen zijn geen (geluids)intensieve werkzaamheden nodig. De werkzaamheden zijn van zeer korte duur. Daarnaast beperkt de hoorbaarheid van de werkzaamheden zich tot de naastgelegen woningen. Ten behoeve van dit alternatief moet echter ook het elektriciteitsnet relatief fijnmazig verzwaard worden. Hiervoor is de aanleg van transformatorhuisjes en elektriciteitskabels nodig. De werkzaamheden bij de aanleg hiervan kunnen tot geluidshinder leiden, maar zullen ook van korte duur zijn. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Gebruiksfase Bij grootschalig gebruik van individuele lucht-water warmtepompen in hoogstedelijk en gemengd gebied kan er cumulatie van geluid van meerdere buitenunits optreden, doordat deze dicht bij elkaar staan en zich op relatief korte afstand van woningen bevinden. Hierdoor kan de cumulatie van geluid van individuele lucht-water warmtepompen leiden tot een toename van het aantal geluidgehinderden ten opzichte van de referentiesituatie. Naast het luchtgeluid van de buitenunit bestaat er ook een risico op contactgeluid bij aangrenzende woningen.

Dit is vooraf niet te kwantificeren en zou bij een voldoende trillingvrije opstelling niet mogen optreden. Bij geschakelde woningen, zoals rijtjeshuizen, twee-onder-een-kapwoningen en appartementencomplexen, die zich met name bevinden in hoogstedelijk en gemengd gebied, kan dit effect echter niet worden uitgesloten. De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom voor hoogstedelijk en gemengd gebied als negatief (-) beoordeeld. De bovenstaande negatieve effecten treden niet, of in ieder geval aanzienlijk minder, op in rustige woongebieden (met een lage woningdichtheid) en op bedrijventerreinen. De afstand tussen of tot woningen, en daarmee van de installatie tot woningen is groter. Daarnaast zijn er minder geschakelde of aangrenzende woningen.

65/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

De effecten op de gecumuleerde geluidbelasting worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom voor rustige woongebieden en bedrijventerreinen als neutraal (0) beoordeeld. 4.1.1.4 Effectbeoordeling gecumuleerde geluidbelasting De tabel hieronder toont een overzicht van de effectbeoordeling die hierboven staat omschreven. Tabel 4.2 Overzicht effectbeoordeling gecumuleerde geluidbelasting Alternatief

Warmte-

Warmtetechniek

Wijktypologie

infrastructuur 1

Elektrisch

gebruiksfase (G) Lucht- water

Hoogstedelijk gebied

A: 0

G: -

warmtepomp

Gemengd gebied

A: 0

G: -

Rustig woongebied

A: 0

G: 0

Bedrijventerrein

A: 0

G: 0

A: -

G: 0

WKO

A: --

G: 0

Diepe geothermie

A: --

G: 0

Ondiepe geothermie

A: --

G: 0

Buurtwarmtepomp

A: -

G: 0

TEO

A: -

G: -

TEA

A: -

G: 0

Groen gas

A: -

G: 0

A: 0

G: 0

Warmtenet

2

Groen gas buiten gemeente Zwolle

3

Elektrisch

Beoordeling aanleg (A) en

Lucht-water

Hoogstedelijk gebied

A: 0

G: -

warmtepomp

Gemengd gebied

A: 0

G: -

Rustig woongebied

A: 0

G: 0

Bedrijventerrein

A: 0

G: 0

4.1.2 Effectbeschrijving hinder of schade ten gevolge van trillingen Hinder of schade door trillingen verwijst naar de negatieve effecten die ontstaan door vibraties die zich door de grond voortplanten. Dit kan leiden tot fysieke schade aan gebouwen, infrastructuur of andere objecten en hinder voor omwonenden veroorzaken. Trillingen kunnen afkomstig zijn van verschillende bronnen, zoals bouwactiviteiten, verkeer, industrieel gebruik of natuurlijke fenomenen. De schade kan variëren van kleine scheuren in muren tot ernstige structurele beschadigingen, afhankelijk van de gevoeligheid van de objecten en de intensiteit, frequentie en duur van de trillingen. Een (volledig) kwantitatieve beoordeling is niet mogelijk omdat voor het uitvoeren van berekeningen van trillingen op woningen al informatie nodig is over de precieze situering, omvang, hoogte en het geluidvermogen van geluidbronnen tot woningen. Deze informatie is nog niet bekend. De beoordeling is derhalve kwalitatief uitgevoerd. In onderstaande tabel zijn de klassen en klassegrenzen aangegeven.

66/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Tabel 4.3 Beoordelingskader hinder of schade ten gevolge van trillingen Pictogram Beoordeling Klassegrenzen Zeer positief effect ten opzichte van ++ Hinder of schade door trillingen neemt sterk af. referentiesituatie Positief effect ten opzichte van + Hinder of schade door trillingen neemt af. referentiesituatie Geen effect ten opzichte van 0 Hinder of schade door trillingen blijft gelijk. referentiesituatie Negatief effect ten opzichte van Hinder of schade door trillingen neemt toe. referentiesituatie Zeer negatief effect ten opzichte van -Hinder of schade door trillingen neemt sterk toe. referentiesituatie

Hieronder worden de effecten van trillingen voor iedere warmtetechniek stadsbreed omschreven. 4.1.2.1 Alternatief 1: Voorkeursoptie (met een groengasinstallatie in de gemeente) Warmtetechniek: lucht-water warmtepomp Aanlegfase Voor de aanlegfase van individuele lucht-water warmtepompen zijn geen intensieve werkzaamheden nodig. De werkzaamheden zijn van zeer korte duur. Hiermee is het risico op hinder of schade van trillingen beperkt. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Gebruiksfase Lucht-water warmtepompen produceren weinig trillingen, waardoor schade door trillingen niet zal optreden. Indien het buitendeel van de warmtepomp wordt geplaatst op het dak van een woning of aanbouw of wordt bevestigd aan de gevel kunnen trillingen ontstaan. Trillingen kunnen via de fundering of gevel worden doorgegeven aan binnenruimtes. Als de warmtepomp op een ongunstige ondergrond of constructie staat, kunnen bepaalde frequenties versterkt worden. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als negatief (-) beoordeeld. Warmte-infrastructuur: warmtenet Aanlegfase Trillingen die ontstaan door de aanlegwerkzaamheden van een warmtenet moeten binnen de normen blijven en zijn van relatief korte duur.

Aan de voorkant kan er gekozen worden voor trillingsvrije technieken, afhankelijk van de bodemsamenstelling. In principe bestaat er een risico op trillingshinder en/of -schade. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld. Gebruiksfase De verwachting is dat een warmtenet met de bijbehorende centrale installaties geen zodanige trillingen veroorzaakt dat er schade of hinder ontstaat. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld.

67/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Warmtetechniek: WKO Aanlegfase Trillingen die ontstaan door de aanlegwerkzaamheden van een WKO moeten binnen de normen blijven en zijn van relatief korte duur. Aan de voorkant kan er gekozen worden voor trillingsvrije technieken, afhankelijk van de bodemsamenstelling. Als er risico is op trillingsschade, moet dit zorgvuldig worden gemonitord of kunnen trillingsvrije technieken worden toegepast om het risico te mitigeren. Dit moet in de ontwerpfase worden bepaald. In principe bestaat er wel een risico op trillingshinder en/of -schade. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld. Gebruiksfase De verwachting is dat een WKO met de bijbehorende centrale installaties geen zodanige trillingen veroorzaakt dat er schade of hinder ontstaat. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Warmtetechniek: diepe geothermie Aanlegfase Bij de aanleg van diepe geothermie wordt de grond vrij geboord in plaats van weggeduwd. Dit proces vereist zwaardere machines die gedurende een langere periode, vaak meer dan een jaar, op locatie blijven. Bij kleine onder- of overdrachtsstations zijn ook zwaardere machines nodig om de stations te installeren, maar de periode dat deze gebruikt worden is korter dan bij de bron (ongeveer een week).

De trillingen die ontstaan bij het verplaatsen van zware machines, die nodig zijn bij de werkzaamheden, zijn soms intensiever dan de trillingen die bij het boren zelf optreden. De locatie voor diepe geothermie in Zwolle bevindt zich buiten de bebouwde kom. Dit draagt bij aan een vermindering van de impact op woningen. Om aardbevingsgevoeligheid te voorkomen, worden er strikte richtlijnen en controles toegepast via de Mijnbouwwet. Voor de aanleg van diepe geothermie is een vergunning nodig, waarbij negatieve effecten moeten worden beschouwd om zo de veiligheid en het milieu te waarborgen. Desondanks bestaat er een risico op trillingshinder en/of -schade. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld. Gebruiksfase De verwachting is dat diepe geothermie met de bijbehorende centrale installaties geen zodanige trillingen veroorzaakt dat er schade of hinder ontstaat. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Warmtetechniek: ondiepe geothermie Aanlegfase Bij de aanleg van ondiepe geothermie worden kleinere bronnen aangelegd, wat resulteert in minder intensieve en langdurige werkzaamheden. Echter, er zijn meerdere bronnen nodig om een vergelijkbare hoeveelheid warmte te leveren als bij diepe geothermie.

Om aardbevingsgevoeligheid te voorkomen, worden er strikte richtlijnen en controles toegepast via de Mijnbouwwet.

68/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Voor de aanleg is een vergunning vereist, waarbij negatieve effecten moeten worden beoordeeld om de veiligheid en het milieu te waarborgen. Desondanks bestaat er een risico op trillingshinder en/of -schade. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld. Gebruiksfase De verwachting is dat ondiepe geothermie met de bijbehorende centrale installaties geen zodanige trillingen veroorzaakt dat er schade of hinder ontstaat. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Warmtetechniek: buurtwarmtepomp Aanlegfase Een buurtwarmtepomp is een collectieve lucht-water warmtepomp die wordt aangelegd in de buurt. Bij de aanleg van een buurtwarmtepomp hoeft er niet diep in de grond te worden geboord of gegraven. Hoewel er tijdens de werkzaamheden wel trillingen kunnen ontstaan, zijn deze beperkt. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Gebruiksfase De verwachting is dat een buurtwarmtepomp geen zodanige trillingen veroorzaakt dat er schade of hinder ontstaat. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld.

Warmtetechniek: thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) Aanlegfase Bij TEO hangt het effect van trillingen af of er gewerkt wordt met een open of een gesloten systeem. Bij open TEO-systemen hoeft er niet diep gegraven te worden. Daarbij ontstaan geen trillingen. Wanneer er gewerkt wordt met een gesloten systeem moet de warmtewisselaar van het TEO-systeem in de damwand geïnstalleerd worden. Dat gebeurt alleen op het moment dat ook de damwand vervangen moet worden. Het vervangen van een damwand veroorzaakt trillingen, maar dit komt niet door het TEO-systeem. Bij open TEO-systemen ontstaan er geen trillingen en bij gesloten TEO-systemen worden de trillingen niet door de warmtetechniek veroorzaakt. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Gebruiksfase De verwachting is dat TEO in de gebruiksfase geen zodanige trillingen veroorzaakt dat er schade of hinder ontstaat. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Warmtetechniek: thermische energie uit afvalwater (TEA) Aanlegfase Bij TEA wordt warmte uit afvalwater gewonnen. Hiervoor zijn verschillende installaties nodig, waaronder een warmtewisselaar, pompinstallatie en warmtepomp. Deze installaties zullen worden geplaatst bij de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI).

Er hoeft niet diep gegraven te worden en de RWZI’s staan vanwege andere eisen verder weg van andere woningen. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld.

69/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Gebruiksfase De verwachting is dat TEA in de gebruiksfase geen zodanige trillingen veroorzaakt dat er schade of hinder ontstaat. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Warmtetechniek: groen gas Aanlegfase De aanleg van een groengasinstallatie gaat om een relatief groot bouwproject, vanwege bijvoorbeeld de loodsen en installaties die nodig zijn. Voor de bouw zijn zware machines nodig. Echter, er hoeft niet diep in de grond te worden geboord of gegraven. Daarnaast liggen er al bestaande gasleidingen. Verder komt de groengasinstallatie in Zwolle buiten de bebouwde kom, waardoor impact op nabijgelegen woningen beperkt blijft. Hoewel er tijdens de werkzaamheden wel trillingen kunnen ontstaan, zijn deze beperkt. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Gebruiksfase In de gebruiksfase ontstaan meer verkeersbewegingen van en naar de installatie, met name door aan- en afvoer van mest. Het verkeer zal grotendeels gebruikmaken van de hoofdwegen A28, N35 en N43. Gezien de bestaande verkeersintensiteit, met name op bedrijventerrein Hessenpoort waar al veel vrachtverkeer aanwezig is, worden de extra geluidseffecten als relatief beperkt beschouwd. Bovendien zal het verkeer verspreid aanrijden.

De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. 4.1.2.2 Alternatief 2: Voorkeursoptie (met een groengasinstallatie buiten de gemeente) De effecten van alternatief 2 zijn overeenkomstig met de effectenbeoordeling voor alternatief 1, zoals omschreven in voorgaande paragraaf. Hieronder wordt ingegaan op de verschillen tussen beide alternatieven wat betreft de effecten van een groengasinstallatie. Warmtetechniek: groengasinstallatie buiten gemeente Zwolle Aanlegfase In dit alternatief wordt geen groengasinstallatie gerealiseerd in Zwolle. Wanneer de groengasinstallatie buiten de gemeente wordt aangelegd, zullen de werkzaamheden geen effect hebben op schade of hinder door trillingen in Zwolle. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Gebruiksfase In dit alternatief wordt geen groengasinstallatie gerealiseerd in Zwolle. Wanneer de groengasinstallatie buiten de gemeente wordt gebruikt, zal er geen schade of hinder door trillingen in Zwolle optreden. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld.

4.1.2.3 Alternatief 3: alle buurten op een warmtepomp Aanlegfase Voor de aanleg van individuele lucht-water warmtepompen is geen risico op schade of hinder door trillingen. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld 70/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Gebruiksfase Lucht-water warmtepompen produceren bij gebruik weinig trillingen, waardoor schade of hinder door trillingen niet zal optreden. De effecten ten gevolge van trillingen worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. 4.1.2.4 Effectbeoordeling hinder of schade ten gevolge van trillingen De tabel hieronder toont een overzicht van de effectbeoordeling die hierboven staat omschreven. Tabel 4.4 Overzicht effectbeoordeling hinder of schade ten gevolge van trillingen Alternatief

Warmte-infrastructuur

Warmtetechniek

Beoordeling aanleg (A) en gebruiksfase (G)

1

Elektrisch

Lucht-water warmtepomp

A: 0

G: -

A: -

G: 0

WKO

A: -

G: 0

Diepe geothermie

A: -

G: 0

Ondiepe geothermie

A: -

G: 0

Buurtwarmtepomp

A: 0

G: 0

TEO

A: 0

G: 0

TEA

A: 0

G: 0

Groen gas

A: 0

G: 0

Groen gas buiten gemeente Zwolle

A: 0

G: 0

Lucht-water warmtepomp

A: 0

G: 0

Warmtenet

2 3

4.2

Elektrisch

Bodem en ondergrond

4.2.1 Effectbeschrijving bodemkwaliteit Bij de kwaliteit van de boven- en ondergrond wordt zowel naar de biologische (bodemleven en microbiologie) als de chemische kwaliteit van de bovengrond gekeken, en de effecten op de bodemopbouw in de ondergrond (bijvoorbeeld effecten op scheidende lagen). Zo wordt het gebruik van bodembedreigende stoffen onderzocht, net als de thermische effecten in de bovengrond. Tevens wordt bekeken of het aardgasvrij maken van een wijk mogelijk positieve effecten heeft op de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld omdat een bron van verontreiniging gesaneerd moet worden. De effecten op de grondwaterkwaliteit worden in de volgende paragraaf beschreven.

71/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Tabel 4.5 Beoordelingskader kwaliteit boven- en ondergrond Pictogram

++

Beoordeling

Zeer positief effect ten opzichte van referentiesituatie

Klassegrenzen Geen aantasting ondergrond en daarnaast aanzienlijke verbetering van de chemische en biologische kwaliteit van de bodem en grondwater, bijvoorbeeld gekenmerkt door: •

Sanering bestaande bronnen van verontreiniging, grootschalige verbetering biologische bodemkwaliteit door afname van bodemafdekking en toename organisch stofgehalten in de bovengrond

Geen aantasting ondergrond en daarnaast merkbare verbetering van chemische en biologische kwaliteit van bodem en grondwater, bijvoorbeeld gekenmerkt door: +

0

Positief effect ten opzichte van referentiesituatie

Geen effect ten opzichte van referentiesituatie

•

Vermindering bodemverontreiniging in combinatie met graafwerk of bronneringen

•

Lokaal verbetering biologische bodemkwaliteit door afname bodemafdekking en toename organisch stofgehalten in de bovengrond

Geen merkbare verbetering of verslechtering van de chemische, fysische en biologische kwaliteit van de bodem en grondwater. Merkbare verslechtering van chemische en biologische kwaliteit van de bodem en grondwater, bijvoorbeeld gekenmerkt door:

-

Negatief effect ten opzichte van referentiesituatie

•

Ontstaan lokale bodemverontreiniging door gebruik bodembedreigende stoffen, “vergrijzing” bodemkwaliteit bij graafwerkzaamheden

•

Lokale aantasting opbouw ondergrond (aantasting scheidende lagen)

•

Lokaal aantasting biologische bodemkwaliteit door vergraving bodemprofiel, toename van bodemafdekking, verhoging temperatuur in de bodem of afname organische stofgehalten in de bovengrond

Aanzienlijke verslechtering van de chemische en/of biologische kwaliteit van de bodem en grondwater, bijvoorbeeld gekenmerkt door:

--

Zeer negatief effect ten opzichte van referentiesituatie

•

Ontstaan meerdere nieuwe lokale verontreinigingen (puntbronnen) door gebruik bodembedreigende stoffen

•

Grootschalige aantasting opbouw ondergrond (aantasting scheidende lagen)

•

Grootschalige aantasting biologische bodemkwaliteit in de bovengrond door toename van bodemafdekking, vergraving bodemprofielen, verhoging temperatuur in de bodem en ondergrond of afname organische stofgehalten in de bovengrond

4.2.1.1 Alternatief 1: Voorkeursoptie (met een groengasinstallatie in de gemeente) Warmtetechniek: lucht-water warmtepomp Aanlegfase Er zijn voor de aanlegfase geen effecten te verwachten op de bodemkwaliteit voor warmtetechniek luchtwater warmtepomp. De effecten op de bodemkwaliteit worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als neutraal (0) beoordeeld.

72/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Gebruiksfase Er zijn voor de gebruiksfase geen effecten te verwachten op de bodemkwaliteit voor warmtetechniek luchtwater warmtepomp. De effecten op de bodemkwaliteit worden bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld. Warmte-infrastructuur: warmtenet Aanlegfase De aanlegfase van het warmtenet en warmteoverdrachtstations zorgt voor een grootschalige aantasting van de bovenste lagen van de bodem en voor aantasting van de biologische bodemkwaliteit. Er kan wel een nuancering worden aangebracht. Hoewel de biologische bodemkwaliteit achteruitgaat, bestaat de kans dat de bodemkwaliteit verbetert wanneer vervuilde grond wordt afgevoerd en schone grond wordt aangevoerd. De effecten op de bodemkwaliteit worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom zowel negatief (-) als positief (+) beoordeeld. Gebruiksfase Lekkages in de isolatiemantel van de warmteleidingen kunnen leiden tot het lekken van warmte naar de omgeving. Wanneer het warmtenet echter goed wordt aangelegd en onderhouden, wordt dit risico afgedekt. De warmte-uitstraling van de leidingen is doorgaans beperkt door de isolatie. Er zijn echter wel risico’s van ongewenste opwarming van de bodem, wat een negatieve invloed kan hebben op de biologische bodemkwaliteit.

De warmteleidingen van een warmtenet zijn allemaal geïsoleerd, juist om te voorkomen dat ze warmte uitstralen naar de omgeving. Hoe minder warmte uitstraalt, hoe efficiënter de warmteleiding is, want warmteverlies moet voorkomen worden. Rondom de warmteleidingen zit daarom altijd een isolatiemantel die hiervoor zorgt. Lage temperatuur (LT, max. 55 °C) en zeer lage temperatuur (ZLT, max. 30 °C) warmtenetten hebben als voordeel ten opzichte van warmtenetten op hogere temperatuur (HT) dat er veel minder warmteverlies tijdens transport en distributie plaatsvindt. Bij warmtenetten met lage watertemperaturen (< 25 °C) is er geen effect op de bodemtemperatuur. Daarmee wordt het effect op de biologische bodemkwaliteit neutraal (0) beoordeeld. Bij hogere temperaturen kan de uitstraling iets groter zijn, wat lokaal kan leiden tot een lichte opwarming van de bovenste bodemlagen. Daarmee wordt het effect op de bodemkwaliteit negatief (-) beoordeeld. Warmtetechniek: WKO Aanlegfase In de aanlegfase van de WKO-installaties worden boringen geplaatst (tussen de 50 en 250 meter) die lokaal zorgen voor verstoring van de lagen in de ondergrond. Er bestaan kwaliteitsprotocollen om verontreiniging van de bodem te voorkomen. De effecten op de bodemkwaliteit worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld.

Gebruiksfase Voor WKO moet een vergunning onder de Waterwet worden aangevraagd. Eén van de eisen voor een vergunning is dat er sprake moet zijn van een energetische balans in het ondergrondse deel van het systeem. Verspreid over meerdere jaren mag het grondwater dus niet opwarmen en afkoelen. Het is dus niet te verwachten dat de biologische bodemkwaliteit wordt beïnvloed door veranderingen van de bodemtemperatuur. Het effect op de bodemkwaliteit wordt bij deze warmtetechniek in de gebruiksfase daarom als neutraal (0) beoordeeld.

73/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Warmtetechniek: diepe geothermie Aanlegfase In de aanlegfase worden voor de winning van diepe geothermie boringen geplaats die lokaal zorgen voor verstoring van de lagen in de ondergrond. Het kwaliteitsprotocol10 voorkomt dat bij het plaatsen van de boringen bodem en ondergrond verontreinigd raken met de chemicaliën die nodig zijn om op diepte te kunnen boren. Tijdens de aanleg dient opgeboorde bodemateriaal en grondwater afgevoerd te worden. De effecten op de bodemkwaliteit worden bij deze warmtetechniek in de aanlegfase daarom als negatief (-) beoordeeld. Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase van de diepe geothermie-winning is er een kans op lekkages vanuit het buizensysteem van het opgepompte water. Indien er verontreinigingen in het opgepompte water zitten of de kwaliteit lager is dan het ondiepe grondwater, kunnen de lekkages de kwaliteit van de bodem en ondergrond lokaal verslechteren. Daarnaast heeft de warmte van de leidingen invloed op de omliggende bodem. Dit gebeurt niet in alle gevallen, maar het blijft een risico. Tijdens onderhoud van de bronnen dient grondwater geloosd te worden. Echter, door diepe geothermie is een omgevingsvergunning vereist voor de milieubelastende activiteit mijnbouw (Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bal), paragraaf 3.10.1). In deze vergunning worden specifieke regels en voorschriften opgenomen met betrekking tot bodembescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=68fe15c2-fa03-46fd-9b2b-3b58e6d5ae40