CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Ontwerp PlanMER Warmteprogramma 12112025

Raad Besluitvormingsronde 9 februari 2026, gemeente ZwolleBij agendapunt: Ontwerp-Warmteprogramma Zwolle Aardgasvrij 2026-2036 inclusief PlanMER34.756 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

23/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Voor sommige warmtetechnieken is monitoring verplicht in de aanleg- en/of gebruiksfase, bijvoorbeeld bij diepe geothermie om lekkages en schade aan bodem en grondwater te voorkomen. Naast de verplichte monitoring kan ook aanvullend monitoring worden uitgevoerd. Deze aanvullende monitoring vormen mitigerende maatregelen. De gemeente Zwolle moet het Warmteprogramma elke vijf jaar herzien op basis van gemonitorde voortgang van het programma en de optredende milieueffecten. Aandachtspunten voor de monitoring van het Warmteprogramma zijn: • De gemeente kan milieueffecten monitoren met een monitoringsmatrix • Met de Digital Twin kan de gemeente ruimtelijke milieueffecten monitoren en modelleren • Tijdig inzicht krijgen in nieuwe of efficiëntere aardgasvrije technieken samen met partners, om negatieve milieueffecten te beperken • Inzicht krijgen in de manier waarop nieuwbouw impact heeft op de warmtevraag • Overlast door trillingen en geluid bij de aanleg van geothermie monitoren via een specifiek programma • Negatief scorende milieuthema’s (geïnduceerde bevingen, bodemkwaliteit, grondwater, drinkwater, geur) nauwlettend en frequent volgen om eventueel tijdig bij te sturen

24/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Leeswijzer Voor u ligt het milieueffectrapport (planMER) bij het Warmteprogramma van de gemeente Zwolle. Dit rapport beschrijft de milieueffecten van de drie alternatieven voor het aardgasvrij verwarmen van woningen en gebouwen in de gemeente Zwolle. Het rapport is als volgt opgebouwd: • Hoofdstuk 1 gaat in op de aanleiding en het doel, het Warmteprogramma van de gemeente Zwolle, de mer-procedure voor het Warmteprogramma, uitgangspunten en omgang met zienswijzen op de NRD • Hoofdstuk 2 gaat in op de methodiek van het planMER en de milieuthema’s die zijn onderzocht • Hoofdstuk 3 gaat in op de alternatieven die de gemeente Zwolle onderzoekt voor aardgasvrij verwarmen • Hoofdstuk 4 bevat de effectbeschrijving en -beoordeling per milieuthema • Hoofdstuk 5 gaat in op de mitigerende maatregelen per milieuthema • Hoofdstuk 6 gaat in op het doelbereik van het Warmteprogramma en bevat aanbevelingen • Hoofdstuk 7 gaat in op leemten in kennis • Hoofdstuk 8 beschrijft de aanpak voor monitoring en evaluatie

25/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel

De gemeente Zwolle werkt aan het opstellen van een Warmteprogramma. Met het wetsvoorstel gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wordt het Warmteprogramma als verplicht programma in de Omgevingswet opgenomen. Deze wet is naar verwachting vanaf 1 juli 2026 van kracht. In het Warmteprogramma beschrijft de gemeente Zwolle in welke buurt welke aardgasvrije warmteoplossing voorzien wordt. Gelijktijdig met het opstellen van het Warmteprogramma is voorliggend milieueffectrapport opgesteld. Omdat het een milieueffectrapport betreft voor een plan, wordt de afkorting planMER gebruikt. Het doel van een milieueffectrapportage is het in beeld brengen van de milieueffecten van een project of programma, voordat de overheid een besluit over dat project of programma neemt. Onderdeel van de procedure milieueffectrapportage (mer) is een eindrapport, genaamd het milieueffectrapport (MER). Met een mer willen we inzicht verschaffen in de milieueffecten van de keuzes die we maken binnen het Warmteprogramma: de keuzes over welke warmteoplossing in een gebied het alternatief voor aardgas vormen (zie ook de alternatieven in hoofdstuk 3). Daarbij is niet alleen aandacht voor ingebedde milieuthema’s, zoals luchtkwaliteit, geluid en waterkwaliteit, maar ook voor nieuwere thema’s, zoals circulariteit en ruimtelijke kwaliteit.

Het uitgangspunt is dat deze mer waardevolle inzichten biedt voor de op het Warmteprogramma volgende plannen (zoals Warmteplannen). Zo kunnen we het omgevingsbelang volwaardiger meenemen in deze en volgende afwegingen. Voor een overzicht van de beleidsstappen van Warmteprogramma naar uiteindelijk aardgasvrij, zie Figuur 1.1 hieronder.

Figuur 1.1 Beleidsstappen van Warmteprogramma naar aardgasvrij Zwolle. Bron: gemeente Zwolle

1.2

Waarom een Warmteprogramma?

In het klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 alle woningen aardgasvrij verwarmd worden. De landelijke ambitie is om dit te realiseren via een gebiedsgerichte aanpak waarin gemeenten de regie voeren. Het Warmteprogramma vormt hiervoor de basis. Het beschrijft hoe en waar de gemeente de komende jaren aan de slag gaat met het duurzaam verwarmen van gebouwen, en welke technieken en strategieën daarbij worden ingezet. De gemeente kan hiervoor mogelijke gebieden aanwijzen in het Warmteprogramma waar op een bepaalde datum de levering van aardgas stopt (en daarbij gebruik maken van de zogenoemde aanwijsbevoegdheid2). Ook moeten gemeenten onderzoeken en uiteindelijk besluiten welk alternatief voor aardgas het meest haalbaar, betaalbaar en uitvoerbaar is in dat gebied.

2 Aanwijsbevoegdheid: de bevoegdheid van een gemeente om een gebied juridisch in een omgevingsplan aan te wijzen met een einddatum voor

de levering van aardgas 26/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Daarbij vindt gemeente Zwolle het belangrijk dat haar Warmteprogramma zorgt voor een duidelijke visie en planning, waardoor bewoners en andere belanghebbenden weten wat er gaat gebeuren en waarom. Dit vergroot het handelingsperspectief en voor de warmtetransitie onder inwoners. 1.2.1 Samenhang met ander gemeentelijk beleid, actualisatie en uitvoeringsplannen Het Warmteprogramma is de opvolger van de Transitievisie warmte (2020) en een verdere uitwerking van de ambitie ‘Zwolle als toekomstbestendige stad’ en de stedelijke opgave ‘Zwolle wordt klimaatneutraal’ uit de Omgevingsvisie. De gemeente Zwolle stelt het Warmteprogramma in delen op en laat het per onderdeel vaststellen door het college. De raad wordt gevraagd om wensen en bedenkingen in te brengen op de onderdelen. De verwachting is dat het totale Warmteprogramma eind 2025 wordt vastgesteld door het college van Zwolle (voor een programma onder de Omgevingswet is het college van B&W bevoegd gezag). Vervolgens gaat de gemeente aan de slag met de uitvoering van het Warmteprogramma. Per gebied onderzoekt de gemeente de meest geschikte duurzame energieoplossing. Per buurt, wijk of gebied wordt dan en Warmteplan opgesteld om te bepalen welke duurzame warmtebron en techniek het meest geschikt is en hoe hier samen met inwoners en andere stakeholders naartoe gewerkt voor die specifieke locatie en wijk.

Voor bedrijventerreinen is een maatwerk aanpak voorzien met een aanpak voor verduurzaming van bedrijventerreinen. Figuur 1.2 laat zien hoe alle onderdelen van het Warmteprogramma van Zwolle met elkaar samenhangen.

Figuur 1.2 Opbouw van het Zwolse Warmteprogramma. Bron: gemeente Zwolle, Bouwsteen Duurzame bronnen

Elke vijf jaar wordt er een actualisatie gemaakt van het Warmteprogramma. In de Zwolse Warmtestrategie verdere toelichting gegeven op de besluitvorming en de stappen na het Warmteprogramma.

1.3

De mer-procedure voor het Warmteprogramma

Een Warmteprogramma wordt na inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (WGIW) een verplicht programma zoals bedoeld in afdeling 3.2 van de Omgevingswet. Volgens artikel 16.36 van de Omgevingswet moet er voor een programma, wat een kader vormt voor projecten die genoemd zijn in bijlage V van het omgevingsbesluit, een milieueffectrapportage worden opgesteld. Het Warmteprogramma kan een kader zijn voor activiteiten die zijn genoemd in bijlage V van het omgevingsbesluit.

27/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Het Warmteprogramma van Zwolle is kaderstellend voor een aantal categorieën die zijn opgenomen in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Hieronder vallen in ieder geval categorie B4 (geothermische boringen), categorie J9 (buisleiding voor warmtetransport) en categorie K1 (onttrekken/aanvullen van grondwater). In het MER worden de milieueffecten van het Warmteprogramma van de gemeente Zwolle beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie: de huidige situatie en de autonome ontwikkeling (HSAO). In de referentiesituatie wordt de huidige situatie van het plangebied en omgeving beschreven en wordt aangegeven wat de zogenaamde autonome ontwikkelingen zijn. Dit zijn de ontwikkelingen die hier de komende 20 à 25 jaar plaats zullen vinden, waar al een besluit over is genomen, zonder dat de voorgenomen activiteit (dus het Warmteprogramma) wordt uitgevoerd. Zie bijlage 1 voor de HSAO. Daarnaast wordt ook inzichtelijk gemaakt in hoeverre het alternatief bijdraagt aan het behalen van gestelde ambities. Het planMER geeft de (milieu-)informatie die nodig is om een besluit te nemen over de vaststelling van het Warmteprogramma. Een besluit waarbij de milieubelangen op basis van het planMER volwaardig zijn meegewogen.

1.4

Koppeling tussen planMER en Warmteprogramma

Gedurende het proces van het opstellen van het Warmteprogramma heeft het PlanMER inzicht gegeven in de wijze waarop de gemeente met het Warmteprogramma haar (milieu)kwaliteiten kan behouden, versterken of toevoegen. De milieueffectrapportage is dan ook nadrukkelijk bedoeld om milieu- en omgevingseffecten mee te nemen tijdens het opstellen van het Warmteprogramma. Hiertoe zijn momenten van wisselwerking geweest (zie ook Figuur 1.3). Zo zijn bijvoorbeeld de uitkomsten van de effectbeoordeling nog tijdens het proces van het Warmteprogramma meegenomen in de overweging voor een aardgasvrije oplossing.

28/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Figuur 1.3 Samenhang proces Warmteprogramma en planMER

1.5

Uitgangspunten planMER

Het doel van dit planMER is het inzichtelijk maken van de milieueffecten van het Warmteprogramma op de leefomgeving. De uitgangspunten van dit planMER zijn als volgt: • Het planMER sluit aan op het abstractieniveau van het Warmteprogramma. Vanwege het strategische karakter van het programma en de lange doorkijk kent het Warmteprogramma een relatief hoog abstractieniveau. Hierop aansluitend wordt de effectbepaling en effectbeoordeling gedaan op basis van het oordeel van deskundigen: de effectbeoordeling is kwalitatief of semi-kwantitatief van aard. De kwalitatieve inschattingen worden gedaan door deskundigen van TAUW op de betreffende thema’s. Waar mogelijk is dit aangevuld met (ken)getallen om zo tot een semi-kwantitatieve beoordeling te komen. De beoordeling is gedaan in samenspraak met en gebruikmakend van de expertise van deskundigen van de gemeente Zwolle • Het Warmteprogramma kijkt 10 jaar vooruit, dus tot en met 2035. 2035 is daarom het referentiejaar voor het planMER. Het referentiejaar is het jaar waarop de milieueffecten in het planMER worden beoordeeld, dus tot en met 2035 • Koeltevraag: door klimaatverandering stijgt de buitentemperatuur. Isoleren (en ventileren) en de keuze voor bepaalde warmtetechnieken hebben invloed op de vraag en manier van koeling van woningen en gebouwen.

Het Warmteprogramma van gemeente Zwolle gaat primair over warmte en beschrijft op hoofdlijnen de aanpak van koelte. Daarom wordt een toename van het gebruik van actieve koeling niet beschouwd als onderdeel van het Warmteprogramma; in de autonome ontwikkeling (referentiesituatie) wordt wel een toename verwacht van het gebruik van airco's (zie paragraaf 2.4.1)

29/181

Kenmerk

•

•

•

•

1.6

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Isolatie: het isoleren van woningen is nodig om met warmtetechnieken gebouwen comfortabel warm te krijgen en warmtetechnieken zo efficiënt mogelijk in te zetten. Isolatie is een onderdeel van het Warmteprogramma en een uitgangspunt van de Zwolse Warmtestrategie. Het Warmteprogramma verwoordt het streven dat alle woningen en gebouwen in de gemeente op termijn voldoen aan de isolatiestandaard. De juiste manier van isoleren verschilt per woning. Het planMER is echter gericht op gemeenteniveau en wijkniveau. De gevolgen van isoleren op beschermde diersoorten worden meegenomen in het Soortenmanagementplan van de gemeente. De isolatietechnieken zijn te verschillend per individuele woning en een beoordeling is daarom niet passend bij het abstractieniveau van dit MER en niet meegenomen Waar groen gas wordt toegepast, blijven gasleidingen liggen, evenals delen van de hoofdstructuur. Waar geen (groen) gas wordt toegepast zullen gasleidingen overbodig worden. Op termijn verwijdert Enexis de gasleidingen, omdat deze anders onderhouden moeten worden. In de praktijk vindt dit echter door de overgangstermijn, in kleine stappen plaats. Daarom hanteert dit MER als uitgangspunt dat de gasleidingen en de bijbehorende effecten blijven bestaan tot en met (ten minste) het referentiejaar Geldende protocollen, handreikingen en voorschriften uit wet- en regelgeving worden nageleefd.

Het risico van het niet naleven wordt in de beoordeling niet meegenomen (geen negatief effect), tenzij aantoonbaar blijkt dat dit in een aanzienlijk aantal gevallen misgaat. In dat geval wordt het risico wel als negatief effect meegenomen In het referentiejaar is al het verkeer van en naar bedrijventerrein Hessenpoort fossielvrij

Reacties op Notitie Reikwijdte en Detailniveau

De gemeente heeft geen zienswijzen ontvangen op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau.

1.7

Wijzigingen in de scope van het MER t.o.v. de NRD

1.7.1 Wijzigingen in beoordelingskader Er hebben een aantal wijzigingen plaatsgevonden in het beoordelingskader van het MER ten opzichte van de NRD, wegens voortschrijdend inzicht. Deze wijzigingen worden hieronder omschreven en gemotiveerd. • Het referentiejaar is in het planMER aangepast van 2050 naar 2035. Het Warmteprogramma kijkt 10 jaar vooruit, dus sluit 2035 als referentiejaar beter aan bij het te nemen besluit dan 2050 • Voor het thema bodem en ondergrond is een extra indicator toegevoegd, gezien het risico op geïnduceerde bevingen bij (on)diepe geothermie • Luchtkwaliteit is in het MER uiteengezet in de indicatoren: stikstof, fijnstof PM2,5, fijnstof PM10 en geur. In de NRD werd alleen de uitstoot van fijnstof genoemd als mogelijke indicator onder luchtkwaliteit. Dit is uitgebreid met stikstof omdat deze indicator ook en rol speelt in het toekomstige luchtbeleid van de gemeente Zwolle. Geur is hieraan toegevoegd gezien de mogelijke milieueffecten op dit thema als gevolg van de groengasinstallatie • Het thema natuur en biodiversiteit is in het MER uiteengezet in beschermde gebieden (Natura 2000gebieden, Natuurnetwerk Nederland en Groenstructuur Zwolle) en biodiversiteit. In de NRD was ook stikstofdepositie als aparte indicator opgenomen.

De effecten van stikstof worden nu omschreven bij luchtkwaliteit en bij gebiedsbescherming • De indicator ruimtelijke kwaliteit is samengevoegd van zichtbaarheid en beleving; en bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid openbare ruimte in ruimtelijke beleving. Het onderscheid tussen beide indicatoren was te klein om deze apart te omschrijven • Archeologie en cultuurhistorie zijn in het MER uiteen gesplitst in twee aparte indicatoren, in de NRD was dit samen één indicator. Op deze manier kunnen de effecten op de thema's cultuurhistorie en archeologie beter inzichtelijk worden gemaakt 30/181

Kenmerk

• •

•

R002-1298409LME-V01-agv-NL

De indicator verkeersintensiteit (NRD) is aangepast naar bereikbaarheid (rondom de groengasinstallatie) in het MER, omdat dit de lading van de effectomschrijving beter dekt Externe veiligheid wordt in het MER beoordeeld aan de hand van twee indicatoren namelijk: het plaatsgevonden risico en het groepsrisico. In de NRD waren deze twee thema's ondervangen in één indicator. Omdat het twee typen risico's betreft, geeft een aparte effect omschrijving een beter beeld van de mogelijke milieueffecten Tenslotte is in een aantal gevallen de indicator tekstueel in het MER anders geformuleerd dan in de NRD. Op deze manier sluiten de indicatoren beter aan bij de toegepaste klassegrenzen in de effectbeoordeling

1.7.2 Wijzigingen in alternatieven Er hebben geen significante wijzigingen plaatsgevonden in de alternatieven. De alternatieven zijn op de volgende twee punten aangepast en/of verder gespecifieerd: 1. De alternatieven zijn in het MER nader uitgewerkt. Dit is te lezen in paragraaf 2.1.2 van voorliggende rapportage 2. Het woord groengasfabriek is in het MER gewijzigd naar groengasinstallatie. Dit is een aanpassing in terminologie op basis van voortschrijdend inzicht 1.7.3 Wijzigingen in wijktypen In de NRD is beschreven dat de milieueffecten per wijktype inzichtelijk worden gemaakt. Met het Warmteprogramma en daaropvolgende beleidsstukken (zoals Warmteplannen) maakt de gemeente keuzes op buurtniveau. In het MER is daarom gekozen om een clustering te maken van wijktypes naar wijktypologieën. Er is van het oorspronkelijke plan afgeweken en voor vier wijktypologieën gekozen vanwege de uitvoerbaarheid, leesbaarheid en navolgbaarheid van het planMER. In het planMER zijn er vier wijktypologieën als gebiedstypes onderscheiden op basis van ruimtelijke kenmerken waaronder bebouwingsdichtheid. Deze zijn gekoppeld aan de wijktypologieën van Klimaateffectatlas. Een uitgebreidere omschrijving van de wijktypologieën is te vinden in paragraaf 2.2.4. Voor de relevante milieuthema’s is daarom gekozen om de milieueffecten per wijktypologie inzichtelijk te maken.

Dit geldt onder andere voor ‘geluid’, ‘ondergronds ruimtegebruik’ en ‘ruimtelijke beleving’.

2 Methodiek van het planMER In dit hoofdstuk wordt het beoordelingskader van dit planMER en de onderzoeksmethodiek van het planMER toegelicht.

2.1

Wat wordt er onderzocht?

2.1.1 Voorgenomen activiteit: Warmteprogramma De voorgenomen activiteit waarvoor het planMER wordt opgesteld is het Warmteprogramma van de gemeente Zwolle. In dit Warmteprogramma beschrijft de gemeente hoe de stad van aardgas overgaat op duurzamere energie om woningen en gebouwen te verwarmen, te koken en warm tapwater te krijgen. Hierin staan haar plannen voor de komende 10 jaar met als lange termijn doel om in 2050 als gemeente aardgasvrij te zijn. Het Warmteprogramma gaat over de bestaande bebouwing en niet over de nieuwbouw die in de komende 10 jaar en daarna wordt gerealiseerd.

31/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

In het Warmteprogramma komt te staan: • De meest betaalbare warmteoplossing (collectieve of individuele warmtevoorziening) per gebied • Wanneer gebieden over kunnen gaan op een duurzamere energieoplossing • Een beschrijving van de totale kosten voor de maatschappij • In welke gebieden we als eerste starten en hoe we dat doen • Hoe er gecommuniceerd en samengewerkt wordt bij het opstellen van een Warmteplan voor een gebied Wat staat er nog niet in? • Een definitief besluit voor de duurzamere energieoplossing • Een precieze kostenberekening • Kleinschalige warmtebronnen voor bijvoorbeeld een supermarkt De gemeente onderzoekt voor de stap naar duurzame warmte drie alternatieven. Het planMER doet geen onderzoek naar de haalbaarheid van de verschillende alternatieven. De keuze voor een warmteoplossing wordt door meerdere factoren bepaald. Naast de milieueffecten zijn ook de kosten, energievraag en andere factoren van belang. Deze factoren zijn onderdeel van een technisch-economische analyse in het Warmteprogramma. De informatie van de milieueffecten uit het MER wordt samen met deze factoren gewogen om in het Warmteprogramma tot een voorkeursalternatief te komen. 2.1.2 Alternatieven Het Warmteprogramma beschrijft hoe de gebouwde omgeving overstapt van aardgas naar duurzame warmte. Dit kan met verschillende warmtetechnieken en -bronnen.

Om goed inzicht te krijgen in de milieueffecten van deze verschillende technieken en bronnen zijn in dit MER een aantal alternatieven beoordeeld. Dit planMER onderzoekt de effecten van deze alternatieven op de leefomgeving op stadsniveau, waar mogelijk op wijkniveau en voor verschillende thema’s locatiespecifiek. Voor de alternatieven zijn nog geen specifieke locaties van installaties en tracés van de infrastructuur bekend. De alternatieven zijn beschreven in hoofdstuk 3.

2.2

Beoordelingsmethodiek

2.2.1 Wijze van beoordelen effecten In het MER worden de effecten van de voorgenomen activiteit en de bandbreedte van het programma in beeld gebracht. De effecten worden met plussen en minnen op een vijfpuntschaal beoordeeld (van ++ naar --, zie Tabel 2.1) ten opzichte van de referentiesituatie. Voor de indicatoren waarvoor een (zeer) negatief effect verwacht wordt, zal in het MER ook een beoordeling worden gegeven na mitigerende en/of compenserende maatregelen. Tabel 2.1 Beoordelingsmethodiek Score

Toelichting

++

Zeer positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

+

Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

0

Neutraal effect ten opzichte van de referentiesituatie

-

Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

--

Zeer negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

32/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

2.2.2 Beoordelingskader Het doel van dit MER is om de relevante milieueffecten van het Warmteprogramma inzichtelijk te maken. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de onderzoeksthema’s die in de MER aan bod komen en de aspecten waarnaar wordt gekeken per thema. Dit zijn de beoordelingscriteria die we gebruiken om de milieu-impact van de alternatieven te beoordelen. De effecten worden, waar relevant, beschreven voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Ook is aangegeven of de indicatoren (semi-)kwantitatief of kwalitatief worden beoordeeld. Het type onderzoek in het MER zal vooral kwalitatief van aard zijn. Doordat het gaat over een abstracter programma voor de hele gemeente en niet over een ontwerp van een techniek voor een buurt of straat, is het niet realistisch de alternatieven volledig door te rekenen. Wel zal in veel gevallen door gebruik van specifieke gebiedstypen en/of voorbeeldwijken een meer kwantitatieve uitwerking worden gemaakt. Ook wordt bij verschillende aspecten bij kwalitatief onderzoek gebruik gemaakt van onderbouwde schattingen en kentallen. Tabel 2.2 Beoordelingskader Thema

Aspect

Indicator

Type onderzoek

Geluid

Gecumuleerde

Impact op gecumuleerde geluidsbelasting

Kwalitatief

Hinder of schade ten gevolge van trillingen

Kwalitatief

geluidbelasting Hinder of schade ten gevolge van trillingen Bodem en

Bodemkwaliteit

ondergrond

Chemische, fysische en biologische kwaliteit van de bodem en Kwalitatief grondwater

Ondergronds

Inpasbaarheid van het ondergronds ruimtegebruik

Kwalitatief

Risico op geïnduceerde bevingen

Kwalitatief

ruimtegebruik Geïnduceerde bevingen (geothermie) Water

Grondwater

De hydrologische en thermische impact op grondwaterkwaliteit Kwalitatief en -kwantiteit

Drinkwater

Impact op kwaliteit van het drinkwater in nabijgelegen leidingen Kwalitatief

Oppervlaktewater

Impact op biologische en fysisch-chemische

Kwalitatief

oppervlaktewaterkwaliteit Luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit stikstof, Uitstoot van stikstof en fijnstof (PM10 en PM2,5)

Kwalitatief

PM10, PM 2,5 Geur

Geur

Aantal gehinderden door geur

Kwalitatief

Natuur en

Natura 2000-

Impact op kwaliteit van Natura2000-gebieden, inclusief

Kwalitatief

biodiversiteit

gebieden,

stikstofdepositie, Natuurnetwerk Nederland en de

Natuurnetwerk

groenstructuur Zwolle

Nederland en de groenstructuur Zwolle

Circulariteit

Biodiversiteit

Omvang biodiversiteit

Kwalitatief

Materiaalgebruik

Aandeel secundaire materialen en hergebruik bestaand

Kwalitatief

materiaal Ruimtelijke kwaliteit Zichtbaarheid en inpasbaarheid

Totaal benodigd bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid Kwalitatief in de openbare ruimte 33/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Thema

Aspect

Indicator

Type onderzoek

Archeologie en

Archeologie

Aantasting van archeologische waarden

Kwalitatief

Cultuurhistorie

Aantasting of visuele verstoring van cultuurhistorische waarden Kwalitatief

Verkeer

Bereikbaarheid

De verkeersintensiteit van het wegennet

Externe veiligheid

Plaatsgebonden risico Introductie van een 10-6 PR contour nabije kwetsbare

cultuurhistorie

Kwalitatief

Kwalitatief

gebouwen Aandachtsgebieden

Introductie van aandachtsgebieden nabije kwetsbare

(groepsrisico)

gebouwen

Kwalitatief

2.2.3 Wat nemen we niet mee in het beoordelingskader? LFG Een bijzondere vorm van geluid die tot hinder kan leiden is laagfrequent geluid (LFG). LFG is geluid met zeer lage tonen, te weten frequenties tussen 20 Hz en 100 tot 125 Hz. Geluid onder 20 Hz wordt infrasoon geluid genoemd. Geluid boven deze 100/125 Hz is gewoon geluid. Er bestaat geen specifieke wet- en regelgeving voor LFG in Nederland. Voor het beoordelen van LFG bestaan wel twee richtlijnen; te weten de richtlijn Laagfrequent geluid van de Nederlandse Stichting Geluidhinder en de Vercammen-curve. LFGgeluid manifesteert zich vaak als een brom- of zoemtoon, die niet alleen wordt waargenomen met de oren, maar ook gevoeld wordt (bijvoorbeeld als druk op de borst). Bekende geluidbronnen die tot LFG-hinder op relatief grotere afstanden van de bron kunnen leiden zijn bijvoorbeeld verkeer (weg, rail en luchtvaart), (grote) industriële transformatoren en muziekgeluid van festivals. Op woning-/gebouwniveau kunnen bij onvoldoende akoestische of trillings-ontkoppeling ook bijvoorbeeld airco’s, lucht-water warmtepompen, cvinstallaties en mechanische ventilatie tot LFG-hinder leiden. Verder is ook bekend dat er ook sprake kan zijn van LFG-fantoomgeluid ten gevolge van medische aandoeningen (bijvoorbeeld tinnitus). In dat geval is er geen sprake van een externe geluidbron.

LFG ten gevolge van kleine huisinstallaties, zoals lucht-water warmtepompen en airco’s, is relatief eenvoudig te voorkomen of te verhelpen door de installatie akoestisch te ontkoppelen van constructiedelen en trillingvrij op te stellen. Toename van LFG-hinder ten gevolge van individuele installaties bij woningen zal daarmee geen issue (mogen) zijn voor de warmtetransitie. Ook is er geen informatie bekend over de actuele hinder van LFG in Zwolle. LFG van grote transformatoren kan een rol spelen op relatief korte afstanden van de transformatoren. Ook hiervoor geldt dat wanneer hiermee in het ontwerp voldoende rekening wordt gehouden, een toename van LFG-hinder geen issue is (of mag zijn). Op basis van deze analyse achten wij het niet van belang om de effecten van LFG-hinder mee te nemen in de effectbeoordeling van het Warmteprogramma in dit planMER.

34/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Hitte Bepaalde warmtesystemen, zoals warmtenetten en lucht-water warmtepompen, kunnen naast het leveren van warmte ook passieve of actieve koeling bieden bij (extreme) hitte. Daarmee dragen zij niet alleen bij aan een duurzame warmtevoorziening, maar ook aan koeling om een gezonder binnenklimaat te bevorderen. Het thema hitte is echter niet meegenomen als milieuaspect in voorliggend MER. Het Warmteprogramma gaat niet in op koeling. Zoals genoemd in paragraaf 1.5, gaat het Warmteprogramma van gemeente Zwolle primair over de warmtevraag. Het Warmteprogramma beschrijft alleen op hoofdlijnen de aanpak van hitte met koeling. De milieueffecten op het thema hitte zijn daarom ook niet meegenomen in het MER. Het meenemen van koelte wordt gedaan in de uitvoeringsagenda van de gemeente Zwolle. In de verdere uitwerking van het Warmteprogramma naar bijvoorbeeld Warmteplannen in buurten en wijken vormen de effecten van lucht-water warmtepompen op dit thema een belangrijk aandachtspunt. In de huidige projecten wordt daar al aandacht aan besteed. 2.2.4 Beoordeling op verschillende schaalniveaus Aanlegfase en gebruiksfase Dit planMER beoordeelt de effecten van de alternatieven die optreden als gevolg van de aanleg van de verschillende warmtetechnieken, -bronnen en bijbehorende infrastructuur en de effecten die er zijn als de warmtechniek in gebruik is.

De effecten in de aanleg- en gebruiksfase worden separaat besproken. Niet voor elk aspect zijn beiden fasen relevant. Dit is aangegeven in de effectbeschrijving en beoordelingstabel. Gemeentebreed en locatiespecifieke aanvulling In dit planMER worden in alternatief 1 en 2 de technieken en bronnen op specifieke locaties en wijken ingezet. In alternatief 3 wordt de lucht-waterwarmtepomp over de hele gemeente uitgelegd. De beoordeling vindt daarom plaats op drie schaalniveaus: gemeentebreed, per wijktypologie en locatiespecifiek. Per indicator wordt aangegeven welke effecten waar relevant zijn. Wijktypologieën De Klimaateffectatlas onderscheidt verschillende wijktypen op basis van typerende kenmerken. Deze kenmerken zijn relevant voor de effectbeoordeling van de aspecten ondergronds ruimtegebruik (thema bodem en ondergrond), zichtbaarheid en beleving (ruimtelijke kwaliteit) en bovengronds ruimtegebruik en inpasbaarheid in de openbare ruimte (ruimtelijke kwaliteit). In dit planMER zijn de wijktypen ten behoeve van de effectbeoordeling geclusterd tot vier wijktypologieën, omdat deze wijken per wijktypologie soortgelijke kenmerken hebben en daarmee op het abstractieniveau van het Warmteprogramma soortgelijke effecten ondervinden van de alternatieven.

De wijktypologie is op basis van de bebouwingsdichtheid, breedte van het straatprofiel, het percentage openbaar groen en de aanwezigheid en grootte van tuinen. De omschrijving per wijktypologie is weergegeven in Tabel 2.3.

35/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Tabel 2.3 Beschrijving wijktypologieën gemeente Zwolle Wijktypologie

Omschrijving

Wijktypen

Hoogstedelijk gebied

•

Hoge bebouwingsdichtheid >

•

Tuindorp

22%

•

Volkswijk

•

Smalle straatprofielen <10 m

•

Historische binnenstad

•

Te weinig openbaar groen <20%

Gemengd gebied

•

Geen tuinen

•

Gemiddelde

•

Tuinstad hoogbouw

bebouwingsdichtheid 15 - 25

•

Tuinstad laagbouw

%

•

Hoogbouw

Normale straatprofielen 8 – 14

•

Bloemkoolwijk

m

•

Naoorlogse woonwijk

Redelijk veel openbaar groen

•

Vernieuwd

Lage bebouwingsdichtheid <

•

Villawijk

• •

20 – 30 % •

Kleine tot normale tuin aanwezig

Rustig woongebied

Bedrijventerreinen

•

18%

•

Vinex

•

Ruimte straatprofielen > 12 m

•

Buitengebied

•

Veel openbaar groen > 30 %

•

Grote tuinen

•

Gemiddelde-hoge

•

Bedrijventerreinen

bebouwingsdichtheid 23-25% •

Ruime straatprofielen > 12 m

•

Te weinig openbaar groen <20%

In principe zijn de wijken ingedeeld in de wijktypologieën op basis van de wijktypen in de Klimaateffectatlas. Het kernteam warmtetransitie van de gemeente Zwolle heeft vervolgens per buurt handmatig gecontroleerd of de wijktypologie in de praktijk overeenkomt met de theoretische indeling van de Klimaateffectatlas. Deze controle heeft geleid tot enkele wijzigingen. De wijzigingen zijn weergegeven en gemotiveerd in Tabel 2.4.

36/181

Tabel 2.4 Aangepaste wijktypologieën Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Buurt Bollebieste-Noord

Wijktype o.b.v.

Wijktypologie

Wijktypologie na

Klimaateffectatlas

ingedeeld

aanpassing

Bedrijven

Bedrijventerrein

Hoogstedelijk

Reden Deze buurt heeft andere kenmerken dan die van bedrijventerreinen zoals aangegeven in tabel 2.1. De typologie hoogstedelijk past hier beter, vanwege de drukte.

Bollebieste-Zuid

Bedrijven

Bedrijventerrein

Hoogstedelijk

Deze buurt heeft andere kenmerken dan die van bedrijventerreinen zoals aangegeven in tabel 2.1. De typologie hoogstedelijk past hier beter, vanwege de drukte.

Hanzeland

Bedrijven

Bedrijventerrein

Hoogstedelijk

Deze buurt is een transformatiegebied en kent een mix van bedrijvigheid en wonen. De typologie gemengd gebied past hier beter. Ook met oog op nieuwbouw Spoorzone.

Holtenbroek I (deel

Vinex-wijk

Rustig woongebied

Gemengd gebied

niet aardgasvrij) Holtenbroek I,

Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid.

Vinex-wijk

Rustig woongebied

Gemengd gebied

bestaand warmtenet

Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid.

Holtenbroek II

Groen

Rustig woongebied

Gemengd gebied

Holtenbroek III

Groen

Rustig woongebied

Gemengd gebied

Ittersumerbroek

Vinex-wijk

Rustig woongebied

Gemengd gebied

Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid. Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid. Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid.

Kamperpoort-Noord

Bedrijven

Bedrijventerrein

Gemengd gebied

Deze buurt kent een mix van bedrijvigheid en wonen. De typologie gemengd gebied past hier beter.

Kamperpoort-West

Bedrijven

Bedrijventerrein

Gemengd gebied

Kamperpoort-Zuid

Bedrijven

Bedrijventerrein

Gemengd gebied

Deze buurt kent een mix van bedrijvigheid en wonen. De typologie gemengd gebied past hier beter. Deze buurt kent een mix van bedrijvigheid en wonen. De typologie gemengd gebied past hier beter.

37/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Buurt Noordereiland

Wijktype o.b.v.

Wijktypologie

Wijktypologie na

Klimaateffectatlas

ingedeeld

aanpassing

Vernieuwd

Gemengd gebied

Hoogstedelijk

Reden Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een hoge bebouwingsdichtheid. Ook met oog op geplande nieuwbouw.

Oldenelerbroek

Vinex-wijk

Rustig woongebied

Gemengd gebied

Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid.

Oldenerlanden-West

Villawijk

Rustig woongebied

Gemengd gebied

Oud-Schelle

Villawijk

Rustig woongebied

Gemengd gebied

Pierik

Bedrijven

Bedrijventerrein

Gemengd gebied

Schellerbroek-Campus

Bedrijven

Bedrijventerrein

Gemengd gebied

Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid. Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid. Deze buurt kent een mix van bedrijvigheid en wonen. De typologie gemengd gebied past hier beter. Deze buurt kent een mix van bedrijvigheid en wonen. De typologie gemengd gebied past hier beter.

Schellerbroek-Oost

Bedrijven

Bedrijventerrein

Gemengd gebied

Deze buurt kent een mix van bedrijvigheid en wonen. De typologie gemengd gebied past hier beter.

Schellerhoek

Vinex-wijk

Rustig woongebied

Gemengd gebied

Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid.

Stationsbuurt

Bedrijven

Bedrijventerrein

Hoogstedelijk

Deze buurt heeft andere kenmerken dan die van bedrijventerreinen zoals aangegeven in tabel 2.1. De typologie hoogstedelijk past hier beter, vanwege de drukte.

Oud-Westenholte

Villawijk

Rustig woongebied

Gemengd gebied

Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid.

Wezenlanden

Hoogbouw

Gemengd gebied

Hoogstedelijk

Wanneer groengebieden (zoals Park van Wezenlanden) buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een hoge bebouwingsdichtheid. Ook met oog op nieuwbouw Weezenlanden-Noord.

38/181

Kenmerk

Buurt Wezenlanden-Oost

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Wijktype o.b.v.

Wijktypologie

Wijktypologie na

Klimaateffectatlas

ingedeeld

aanpassing

Hoogbouw

Gemengd gebied

Hoogstedelijk

Reden Wanneer groengebieden (zoals Park van Wezenlanden) buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een hoge bebouwingsdichtheid. Ook met oog op nieuwbouw Weezenlanden-Noord.

Wipstrik-Noord

Villawijk

Rustig woongebied

Gemengd gebied

Wanneer groengebieden buiten beschouwing worden gelaten en alleen naar de bebouwde delen wordt gekeken, kent de buurt een gemiddelde bebouwingsdichtheid.

39/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Figuur 2.1 geeft weer welke wijken er onder welke wijktypologie vallen.

Figuur 2.1 Onderverdeling gemeente Zwolle in wijktypologieën

2.3

Processtappen planMER

Voor het opstellen van de planMER zijn de volgende processtappen doorlopen. Het proces is begonnen in november 2024 met een startoverleg tussen het kernteam van adviesbureau TAUW en de gemeente. Vervolgens vond een startoverleg met de specialisten van beide organisaties plaats. In dit startoverleg met de specialisten is een toelichting gegeven op het Warmteprogramma en hebben de specialisten de thema’s en aspecten uit de NRD gezamenlijk verder uitgewerkt. Vervolgens heeft TAUW de uitwerking van de Huidige Situatie en Autonome Ontwikkeling gedaan en had het ambtelijk kernteam een controlerende rol. Na het afronden van de HSAO (zie bijlage 1) is de effectbeoordeling gestart. De specialisten van zowel de gemeente als TAUW hebben per thema bij elkaar gezeten om de effecten per alternatief uit te werken. TAUW heeft deze verder uitgeschreven (zie hoofdstuk 4 en 5). Het ambtelijk kernteam had hierbij een controlerende rol. Parallel aan het uitwerken van de effectbeoordeling hebben het ambtelijk kernteam en TAUW een sessie gehad om het doelbereik van het Warmteprogramma te bepalen (zie hoofdstuk 6), de omgang met monitoring (zie hoofdstuk 8) en het Warmteprogramma aan te scherpen (zie hoofdstuk 5.2). Alle uitkomsten en hoofstukken zijn samengevoegd in een concept planMER.

Het ambtelijk kernteam heeft dit planMER gecontroleerd, waarna het planMER na verwerking van de feedback gereed was voor de terinzagelegging en het adviestraject van de Commissie mer. Het Warmteprogramma met voorliggend planMER wordt vervolgens bestuurlijk vastgesteld.

40/181

Kenmerk

2.4

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Referentiesituatie en beleidskader

2.4.1 Referentiesituatie Voor de effectbeoordeling worden de alternatieven in dit MER afgezet tegen de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de HSAO. In de referentiesituatie wordt de huidige situatie van het plangebied en omgeving beschreven en wordt aangegeven wat de zogenaamde autonome ontwikkelingen zijn. Dit zijn de ontwikkelingen die hier de komende 10 jaar plaats zullen vinden, waar al een besluit over is genomen, zonder dat de voorgenomen activiteit (dus het Warmteprogramma) wordt uitgevoerd. De referentiesituatie per thema is opgenomen in Bijlage 1. Voor het MER wordt de referentiesituatie aan warmtevoorziening gelijkgesteld aan de huidige situatie met autonome ontwikkelingen die onafhankelijk van het Warmteprogramma plaats zullen vinden. Alle ontwikkelingen op het gebied van warmte en aardgasvrij maken, zijn namelijk onderdeel van de voorgenomen activiteit.

Er wordt bij de referentiesituatie uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • De levering van warmte blijft op het temperatuurniveau van 2020 • Alle huidige warmte-infrastructuur blijft behouden (bijvoorbeeld het aardgasnet, bestaande warmtenetten en bestaande lucht-water warmtepompen) • De bestaande gebouwen zullen richting 2035 ten opzichte van 2020 gemiddeld tussen de 5 en 10 % energie besparen op hun warmtevraag • Als gevolg van klimaatverandering en daarmee warmere zomers neemt het aircogebruik toe, wat in 2035 neerkomt op een totaal van circa 29.000 huishoudens met een airco in de gemeente Zwolle Alle ontwikkelingen die te maken hebben met het aardgasvrij maken van de gemeente Zwolle zijn onderdeel van het Warmteprogramma. 2.4.2 Beleidskader In de afweging van alternatieven dient rekening gehouden te worden met bestaand beleid. Voor dit planMER gaan we uit van onderstaand beleidskader. De tabel geeft een overzicht van de belangrijkste kaders en beleidsstukken van internationaal tot lokaal niveau, waarbij wordt aangegeven wat de relevantie van het beleid is voor dit planMER. Tabel 2.5 Beleidskader Beleidskader

Omschrijving en relevantie

Internationaal/Europees Klimaatakkoord van Parijs

Om de mondiale klimaatverandering tegen te gaan hebben 195 landen in 2015 het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Al deze landen, waaronder Nederland, maakten afspraken om de CO2-uitstoot terug te dringen. Het nationaal Klimaatakkoord, de Klimaatverordening van Zwolle en het Warmteprogramma vinden hun oorsprong bij dit akkoord.

Europese Klimaatwet/Green Deal

Met de Europese Klimaatwet heeft Europa in de wet vastgelegd klimaatneutraal te zijn in 2050. In vergelijking met 1990 moeten broeikasgassen in 2030 met 55 % zijn afgenomen. De wet volgde op het Klimaatakkoord. De warmtetransitie draagt voor Nederland in grote mate bij aan het behalen van deze doelstelling.

41/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Nationaal Nationaal Klimaatakkoord

Het Klimaatakkoord is een pakket van maatregelen en afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden om gezamenlijk de uitstoot van broeikasgassen in Nederland in 2030 ongeveer te halveren (vergeleken met 1990). In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Eén van de afspraken die daarvoor is gemaakt, is dat Nederland uiterlijk in 2050 volledig aardgasvrij is. De ambitie is om dit te realiseren via een gebiedsgerichte aanpak waarin gemeenten de regie voeren. Het Warmteprogramma van gemeente Zwolle volgt hieruit.

Omgevingswet

De Omgevingswet bundelt verschillende wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving met elkaar op het vlak van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Hierbij gaat het om de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving met het oog op duurzame ontwikkeling. In de Omgevingswet zijn regels opgenomen voor bijvoorbeeld de thema’s geluid, luchtkwaliteit, bodem en cultuurhistorische waarden. De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s): het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Klimaatwet

In de Klimaatwet heeft Nederland wettelijk vastgelegd dat we in 2030 49 % minder broeikasgassen moeten uitstoten en in 2050 95 % minder ten opzichte van 1990. Het Warmteprogramma is een van de manieren waarop de gemeente Zwolle deze doelstellingen wil behalen.

Wet gemeentelijke instrumenten

Op 23 april 2024 is de Wgiw aangenomen door de Tweede Kamer. De Wgiw is pas

warmtetransitie (Wgiw)

definitief nadat de Eerste Kamer ermee instemt, en de wet is gepubliceerd in de Staatscourant. De verwachting is dat de wet per 1 juli 2026 van kracht is. Met deze wet krijgen gemeenten meer bevoegdheden om de nieuwe manieren van verwarmen in de gemeente vast te leggen. Ook voor de gemeente Zwolle geldt dat zij haar plannen met deze wet definitief vast kan leggen.

Wet collectieve warmte

Met de aanstaande Wet Collectieve Warmtevoorzieningen (WCW, januari 2026) wordt beoogd de warmtetransitie in de gebouwde omgeving te bevorderen en tegelijkertijd de publieke belangen duurzaamheid, leveringszekerheid en betaalbaarheid beter te borgen. De wet belegt bij gemeenten een regierol in de ontwikkeling van warmtenetten en organiseert dat het eigendom daarvan publiek is. Ook voor de gemeente Zwolle geldt dat ze met deze wet de publieke belangen kan borgen.

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De NOVI komt voort uit de Omgevingswet. In deze nieuwe aanpak wordt als uitgangspunt gesteld dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Op deze manier komt de gemeente Zwolle in gebieden tot betere en meer geïntegreerde keuzes.

Nationaal plan energiesysteem

Het Nationaal Plan Energiesysteem is de kabinetsvisie voor het energiesysteem tot 2050. In dit plan geeft het kabinet aan hoe we kunnen bouwen, besparen, verdelen en verbinden voor een duurzaam en rechtvaardig energiesysteem - nu en in de toekomst.

42/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Mijnbouwwet (Mbw)

De Mbw reguleert het gebruik van bestaansbronnen in de diepe ondergrond, zoals het opsporen, winnen en opslaan van delfstoffen en aardwarmte. De Wet is, met bepaalde uitzonderingen, alleen van toepassing op delfstoffen die op een diepte van meer dan 100 meter aanwezig zijn. Voor aardwarmte geldt een grens van een diepte van meer dan 500 meter. Deze wet reguleert het gebruik en toepassing van warmtetechnieken die gebruikmaken van bodemwarmte.

Besluit activiteiten leefomgeving

In het Bal stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving.

(Bal)

Deze gelden voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving: burgers, bedrijven en overheid. Hierin staan onder andere beperkingen rondom monumenten. Het besluit biedt kaders voor de effectbeoordeling van verschillende aspecten.

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. In het Bkl staan onder andere de rijksomgevingswaarden voor lucht. Deze zijn gelijk aan de Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen. Daarnaast staan er regels in voor onder andere omgevingslawaai en erfgoed. Het besluit biedt kaders voor de effectbeoordeling van verschillende aspecten.

Besluit bouwwerken leefomgeving

In het Bbl staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid

(Bbl)

van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk, het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden in de dagperiode en regels omtrent erfgoed. Het besluit biedt kaders voor de effectbeoordeling van verschillende aspecten.

Programma Energiehoofdstructuur

De energietransitie vraagt meer ruimte in de fysieke leefomgeving, terwijl die ruimte beperkt is. Het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) richt zich op de benodigde ruimte voor de nationale onderdelen van het energiesysteem op land voor een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Gemeenten kunnen in het PEH zien welke ruimtelijke ontwikkelingen van het energiesysteem op nationaal niveau worden verwacht.

Provinciaal Omgevingsvisie Provincie

De Omgevingsvisie bevat de provinciale visie op de ruimte in Overijssel. In de

Overijssel

Omgevingsvisie komen onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving aanbod. Het gaat daarbij ook om ambities op het gebied van de energietransitie, klimaatadaptatie en -mitigatie en duurzaamheid. Onderwerpen die van invloed zijn op het Warmteprogramma van Zwolle.

Omgevingsverordening Provincie

In de Omgevingsverordening staan de juridisch bindende regels opgenomen waar

Overijssel

overheden, bedrijven en burgers zich aan moeten houden. Voor gemeenten staan er instructieregels in over de uitoefening van taken en bevoegdheden en beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen.

Provinciaal Programma

Het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE) is een instrument van

Energiestrategie

Gedeputeerde Staten om de provinciale ambities uit de Regionale Energiestrategie (RES) te realiseren. Vanuit de constatering dat de afgesproken ambitie van beide RES-regio’s voor 2030 in het huidige tempo en inzet niet wordt gehaald, zet het programma vooral in op windenergie.

43/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Regionaal RES West-Overijssel

In de regio West-Overijssel werken elf gemeenten, de provincie Overijssel, vier waterschappen en drie netbeheerders samen aan de regionale energiestrategie. Dat doen ze samen met maatschappelijke organisaties, energiecoöperaties, bedrijven en jongeren uit de regio. De RES is een instrument om te komen tot keuzes voor de besparing van energie, de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de benodigde energie-infrastructuur. In de RES zijn ambities afgesproken voor het realiseren van de energietransitie in de regio.

Regionale Structuur Warmte (RSW)

De regie in de warmtetransitie ligt op lokaal niveau: bij de gemeenten. De Regionale Structuur Warmte (RSW) is ondersteunend hieraan wanneer er in de regio sprake is van bovengemeentelijke aspecten van de warmtetransitie. De RSW heeft als doel de warmtetransitie te ondersteunen door inzichtelijk te maken waar en welke bovengemeentelijke meerwaarde er is.

Gemeentelijk Zwolse adaptatiestrategie

De Zwolse Adaptatiestrategie is een strategie om de stad aan te passen aan het nieuwe klimaat en is opgesteld op basis van de uitkomsten van stresstesten. Met stresstesten is bijvoorbeeld berekend wat er in de gemeente gebeurt wanneer er heel veel regen valt in korte tijd. Uit de stresstesten blijkt dat bepaalde woongebieden en bedrijventerreinen in Zwolle extra kwetsbaar zijn. Daarom willen ze deze extra kwetsbare gebieden als eerste klimaatbestendig te maken. De strategie helpt de gemeente, inwoners, bedrijven, winkels, scholen en zorginstellingen om er samen voor te zorgen dat Zwolle in 2050 klimaatbestendig is.

Zwolse Transitievisie Warmte

In 2020 is de Transitievisie Warmte (TVW) door de raad vastgesteld. Hierin beschrijft de gemeente hoe ze van het aardgas afgaan. Met de beoogde inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke instrumenten Warmtetransitie (WGIW) per 1 juli 2026 wordt de TVW vervangen door het Warmteprogramma en is dat een verplicht programma onder de Omgevingswet. Het eerste Warmteprogramma moet uiterlijk 31 december 2026 zijn vastgesteld door het college. Vervolgens moet het elke 5 jaar worden geactualiseerd.

Omgevingsvisie

In 2021 is de eerste Zwolse Omgevingsvisie vastgesteld, vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet: ‘Ons Zwolle van Morgen. Deze Omgevingsvisie is gemaakt op basis van het toen vastgestelde beleid. De nieuwe Omgevingsvisie, momenteel in ontwikkeling, bouwt voort op de eerste Omgevingsvisie en vult deze aan. In de visie staat onder andere de ambitie ‘Zwolle is in 2050 klimaatbestendig en energieneutraal’ beschreven, waar het Warmteprogramma een uitvoering van is.

Verordening interferentiegebieden

Met deze verordening stuurt de gemeente de ordening van de ondergrond. Door

bodemenergiesystemen Zwolle

een betere ordening van de ondergrond kunnen meer bodemenergiesystemen in

2021

een interferentiegebied worden geïnstalleerd en worden deze beter benut. Dit leidt tot optimaal en duurzaam gebruik van de ondergrond voor bodemenergie en voorkómt negatieve interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling of met andere ondergrondse functies. Dit is van invloed op (de effectbeoordeling van) alternatieven 1 en 2.

44/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Erfgoedverordening

De Erfgoedverordening bevat de Zwolse wet- en regelgeving voor gemeentelijke monumenten en voor archeologisch erfgoed. Deze verordening is van invloed op het thema Archeologie en Cultuurhistorie.

Zero-emissiezone in de binnenstad

Sinds 1 januari 2025 heeft Zwolle een zero-emissiezone in de binnenstad. Het gaat om het gebied binnen de stadsgrachten. Door de zero-emissiezone wordt de lucht in de stad schoner en wordt de leefbaarheid vergroot. De komende jaren geldt er een overgangsregeling. Vanaf 2025 worden als eerst de meest vervuilende bestelen vrachtauto’s geweerd. Personenvoertuigen blijven toegang houden tot de zeroemissiezone. Dit is van invloed op de thema’s geluid, luchtkwaliteit en klimaat en energie.

3 Alternatieven Het MER moet de gemeente inzicht geven in de milieu-impact van de keuzes die ze maken in het Warmteprogramma. Om dit te doen, maken wij onderscheid tussen een aantal alternatieven gericht op het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. De alternatieven zijn gebaseerd op voor Zwolle realistische technische oplossingsrichtingen. Deze omschrijven we aan de hand van technische eigenschappen (bron en transport). We houden geen rekening met aanpassingen aan de woning (zoals isoleren). Gemeente Zwolle wil de technieken zo breed mogelijk toepassen. Dat betekent ook dat we uitgaan van aardgasvrij. Er is dus geen piekbelasting voorzien door aardgas, ondanks dat we dit wel zien als een potentieel nuttige tussenstap richting aardgasvrij. We willen dat het alternatief een kritischere situatie vertegenwoordigt dan als je aardgas voor de piekvoorziening gebruikt (zo heb je bijvoorbeeld een grotere belasting van duurzame bronnen, een grotere belasting van het elektriciteitsnet; een grotere seizoensopslag). Piekbelasting als tussenstap zien wij als een technisch-financiële optimalisatie, die niet past bij het abstractieniveau van een MER voor het Warmteprogramma. Dit planMER onderzoekt de effecten van deze alternatieven op de leefomgeving op stadsniveau, waar mogelijk op wijkniveau en voor verschillende thema’s locatiespecifiek.

Voor de alternatieven zijn nog geen specifieke locaties van installaties en tracés van de infrastructuur bekend. In de praktijk zal per gebied een andere techniek het meest geschikt zijn, en een ander termijn waarop de gemeente met partners met die techniek aan de slag gaat. De koppeling tussen technieken en gebieden is echter nu nog niet precies bekend. Deze hangt af van bijvoorbeeld de lokale beschikbaarheid van bronnen. In de Warmteplannen vindt een verdere verdieping van bronnen en infrastructuur plaats.

3.1

Alternatief 1: Alles zoals de voorkeursoptie (met een groengasinstallatie in de gemeente)

In dit alternatief wordt onderzocht wat de milieueffecten zijn van de voorkeursopties zoals beschreven in de bronnenanalyse. Dit houdt in dat in een aantal buurten een warmtenet wordt aangelegd; voor andere buurten is een individuele warmtepomp meer geschikt. Een overzicht van de bronnenanalyse is te vinden in Figuur 3.1.

45/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Figuur 3.1 Voorkeurswarmtetechnieken uit bronnenanalyse Zwolle. Bron: gemeente Zwolle, Bronnenanalyse

46/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Lucht-water warmtepomp (all-electric) Een lucht-water warmtepomp is een warmtepomp die warmte uit de buitenlucht omzet tot warmte dat te gebruiken is in de woning. Een lucht-water warmtepomp wordt per huis individueel geïnstalleerd. Er vindt dus geen warmtetransport via ondergrondse leidingen plaats. De warmtepomp bestaat uit een binnen- en buitenunit. De binnenunit moet in huis geplaatst worden en is gemiddeld 70 cm breed, 90 cm hoog en 25 cm diep. De buitenunit kan in de achter- of voortuin of op het dak geplaatst worden en is gemiddeld 80 cm breed, 30 cm diep en 60 cm hoog. De lucht-water warmtepomp gebruikt de warmte uit de lucht als warmtebron. Deze lucht wordt via de buitenunit aangezogen. Vervolgens wordt de warmte uit de buitenlucht verder opgewarmd in de binnenunit met behulp van elektriciteit. De meeste lucht-water warmtepompen kunnen water tot 55 graden verwarmen. Het verwarmde water wordt afgegeven aan een afgiftesysteem (zoals vloerverwarming of radiatoren). Een gemiddelde warmtepomp gaat 15-20 jaar mee. In het alternatief gaan we uit van een conventionele lucht-water warmtepomp. Deze warmtepomp is enkel te gebruiken voor verwarming en niet om in de zomer te koelen.

Figuur 3.2 schematische weergave van een lucht-water warmtepomp

Diepe geothermie Gemeente Zwolle ziet kansen voor het ontwikkelen van een aardwarmte-installatie in Zwolle-Noord. Uit geologisch onderzoek blijkt dat de ondergrond onder de Noordelijke stadsrand, ter hoogte van het gebied Dijklanden, kansrijk is voor het winnen van diepe geothermie3. Een warmtenet met diepe geothermie is een collectief systeem dat in Zwolle in potentie 13.740 woningen kan verwarmen.4 Het bestaat uit drie onderdelen: het systeem om geothermie uit de bodem te krijgen (de warmtebron), een warmtewisselaar die de warmte eruit haalt en vervoert naar het warmtenet en het warmtenet om de warmte naar de verschillende woningen te transporteren.

3 https://www.allesoveraardwarmte.nl/aardwarmtewinning-locatie/geothermie-zwolle/ 4 Bouwsteen Duurzame bronnen, gemeente Zwolle (mei, 2025)

47/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Geothermie wordt ook wel aardwarmte genoemd. Het systeem bestaat uit diepe boringen om warm water uit de ondergrond vanaf 500 meter tot 4 kilometer diepte te kunnen onttrekken. In Zwolle is de temperatuur van het water in de bodem ongeveer 70-90 graden (dieper dan 1.500 meter). Om het warme water te kunnen winnen, boort een boorbedrijf een productieput en een injectieput. Vanuit de productieput pompt het bedrijf het water omhoog. Een warmtewisselaar haalt de warmte eruit en vervoert die naar het warmtenet. Het afgekoelde water gaat via de injectieput terug in dezelfde diepe aardlaag. Doordat de putten in de ondergrond op 1,5 tot 2 kilometer afstand van elkaar staan, koelt de warmwaterbron niet te snel af. De putten samen heten een doublet. De boorlocatie neemt bovengronds: 0,6 tot 1 hectare (1 à 1,5 voetbalveld) in beslag. De installatie met de warmtewisselaar neemt ongeveer 0,5 voetbalveld aan oppervlakte in beslag. Er is een back-up installatie nodig voor koude perioden en tijdens onderhoud. De gemeente gaat voor het onderzoeksalternatief uit van elektrisch aangedreven systemen om te gebruiken als back up. De warmte wordt vervolgens via een warmtenet naar de woningen getransporteerd. Een warmtenet bestaat uit verschillende onderdelen.

Vanuit de water-water warmtepomp stroomt het warme water via een hoofdleiding naar distributienetten, die vervolgens via overdrachts- en onderstations de warmte afleveren aan gebouwen en woningen. Het leidingnetwerk ligt op ongeveer 1 meter diepte. De hoofdwarmteleiding heeft een diameter van ongeveer 45 cm en de distributieleidingen een diameter van ongeveer 15 cm. Overdrachts- en onderstations zorgen ervoor dat de druk in de leidingen niet te hoog wordt. De overdrachtsstations voor woonwijken zitten in kleine gebouwen in de openbare ruimte. Bij levering aan hoogbouw of utiliteitsgebouwen kan een onderstation in de technische ruimte van het gebouw zitten. Het aantal woningen en gebouwen dat wordt aangesloten per overdracht- of onderstation varieert sterk. Hier zijn naar verwachting 30 tot 35 stations nodig5. Door de aardwarmteproductie koelt de ondergrond rond de injectieput op de lange termijn (30-40 jaar) af. Als de watertemperatuur te ver daalt en de productie stopt, kan mogelijk vanaf dezelfde locatie een nieuwe put worden geboord. Het opnieuw opwarmen van de bron duurt tientallen jaren.

Figuur 3.3 Schematische weergave van een warmtenet met geothermie als warmtebron

5 Voor Holtenbroek/Aa-landen rekende de gemeente bij ongeveer 8.000 aansluitingen op 18 tot 20 stations. Aangezien de geothermiebron

13.740 woningen kan voorzien, komt dit neer op circa 33 stations ((13.740 × 19) ÷ 8.000). 48/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

Ondiepe geothermie Dit is warmte die onttrokken wordt uit de ondiepere aardlagen, tussen de 500 meter en 1500 meter. Op deze diepte varieert de temperatuur tussen de 20 en de 55 graden Celsius. Ondiepe geothermie is in te zetten voor het voeden van (meerdere) woningblokken in een middelgroot warmtenet. De temperatuur van ondiepe geothermie is geschikt voor een laag- tot midden-temperatuurwarmtenet. Ten opzichte van diepe geothermie heeft ondiepe geothermie het voordeel dat de boring kan plaatsvinden met kleinere boorinstallaties. Het bovengronds ruimtegebruik is ongeveer een halve hectare. Het permanente ruimtebeslag na de boorfase kan wellicht kleiner zijn, maar in deze fase wordt rekening gehouden met hetzelfde oppervlakte, een half hectare. Om gebruik te maken van ondiepe geothermie is in Zwolle alleen de bodemlaag 'Brussels Zand' geschikt. In Zwolle bevindt dit zich op zo'n 600 à 700 meter diepte en de warmte is daar rond de 30 graden. Dit is niet genoeg om woningen direct te verwarmen. Een (centrale) warmtepomp is nodig om de warmte op te waarderen. Momenteel doet de gemeente onderzoek naar de concrete toepasbaarheid van ondiepe geothermie. WKO Een Warmte Koude Opslag (WKO) is een opslag voor warmte en koude. WKO is synoniem aan een open bodemenergiesysteem. De ondergrond in Zwolle is zeer geschikt voor het toepassen van bodemsystemen.

Hierbij wordt het warme en koude water in watervoerende lagen in de ondiepe grond (aquifers) gebracht. Deze WKO’s zijn meestal tussen de 50 en 250 meter diep, en slaan water op tussen de 5 en 25 °C. Voor WKO zijn idealiter 200 of meer woningen nodig die hierop aansluiten. Bij minder is het maatwerk. Een WKO kan meer dan dertig jaar meegaan. Eventueel kunnen verschillende WKO’s met elkaar gekoppeld zijn om de robuustheid van het systeem te vergroten. Een WKO is warmte-infrastructuur die ingezet wordt met andere warmtetechnieken. Het is op dit moment nog niet duidelijk met welke technieken WKO wordt gecombineerd in de uitwerking van het Warmteprogramma. Over het algemeen kan worden gesteld dat TEO en TEA vaak worden gecombineerd met een WKO. Meestal niet als hoofdbron maar voor regeneratie waarbij koelwarmte wordt benut.

49/181

Kenmerk

R002-1298409LME-V01-agv-NL

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=68fe15c2-fa03-46fd-9b2b-3b58e6d5ae40