CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 NOP Nieuw Harculo

Raad Besluitvormingsronde 6 mei 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Ruimtelijk Ontwikkelplan en Natuurontwikkelplan Nieuw Harculo37.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

• B estaande gebouwen, waar mogelijk , geschikt maken voor vogels en vleermuizen.

Energietuin Voor het deelgebied de Energietuin (3.1) gelden de volgende uitgangspunten: • Wel toegankelijk zijn voor extensieve recreatie op de bestaande paden en vissteiger. • H uidige vegetatie in overleg met eigenaren/gebruikers handhaven en ecologisch beheren, gericht op bloemrijke en insectenrijke vegetaties.

Voor de kolk in de Energietuin geldt nog specifiek: • Behouden, waar nodig verbeteren en beheren als rustig, laagdynamisch water met groene oevers van watervegetaties, rietgordels en omzoomd door bomen. • Combineren met voorzieningen voor extensieve recreatie (wandelpaden, visplekken).

Figuur 3.10 | Doorsnede (noord-zuid) met soortambities voor Nieuw Harculo (in bijlage 3 zijn de soortnamen benoemd per deelgebied)

Nieuw Harculo

||

49

DEEL 2 | 4. Planuitwerking 4.1 Inleiding I n d i t h o o fd s t u k wo rd t h e t e co l o g i s ch programma voor Nieuw Harculo uitgewerkt. Gelet op de omvang van het plangebied en de ecologische variëteit is het plangebied opgedeeld in drie deelgebieden die weer zijn onderverdeeld in subdeelgebieden (zie figuur 3.6 en figuur 4.1). Per deelgebied wordt in dit hoofdstuk de beoogde opzet gegeven en het bijbehorende ecologische programma uitgewerkt. Daarnaast worden enkele bijzondere opgaven apart behandeld in dit hoofdstuk: natuurversterkend bouwen, het Kaderrichtlijn Water project van GROW, het Dijkversterkingsproject IJsseldijk Zwolle-Olst en stikstof. Dit hoofdstuk is de leidraad voor de nadere uitwerking van de terreininrichting en de opstal ontwerpen samen met ecoloog en de ecoloog van gemeente Zwolle.

directe omgeving, zoals het rivierengebied en de landgoederenzone en anderzijds gekozen is voor meer stedelijke leefmilieus. Deze referentiebiotopen vormen de inspiratie voor de natuurinclusieve inrichting van het gebied. • Hieruit zijn ecologische condities afgeleid die binnen de deelgebieden worden gecreëerd, bijvoorbeeld bodem, waterhuishouding, substraat en landschappelijke uitstraling. • Voor de begroeiing in de openbare ruimte is gekozen voor boom- en plantensoorten

die voorkomen in de referentiebiotopen en kunnen gedijen in een stedelijke omgeving. • Er is een aantal streefsoorten dieren genoemd die binnen deze referentiebiotopen thuishoren, verbonden zijn aan de soorten bomen en planten en binnen een stedelijke omgeving (al dan niet tijdelijk) kunnen floreren. De soorten zijn niet beperkt tot de (sub)deelgebieden en er zal waarschijnlijk menging ontstaan met de andere gebieden.

3.1 Energietuin

Opzet planuitwerking Het plangebied krijgt een gecombineerde woon- en natuurfunctie. Hierbij wordt een natuurinclusieve inrichting nagestreefd. Kenmerken en soorten uit deze habitats krijgen in het gebied een plek en kansen op vestiging. Het gebied wordt zo ingericht dat deze soorten duurzaam kunnen voorkomen. Daarnaast kunnen in sommige gevallen biotopen ontwikkeld worden die in de buitendijkse natuurgebieden zeldzaam zijn geworden en kunnen diersoorten kansen krijgen op geschikte broed- en voortplantingsplekken die in het buitengebied zijn verdwenen of te gevaarlijk zijn geworden (bijvoorbeeld vanwege predatie).

1.4 Insteekhaven (Noord)

2.3 In de Centrale 2.2 Klimaatpark

3.2 De Uitspanning

1.3 Dijkzone 2.1 Tussen de Dijken 1.4 Insteekhaven (Zuid)

1.1 Broedvogeleiland

1.2 Meestromende nevengeul

Het ecologisch programma voor het bebouwde gebied in Nieuw Harculo is als volgt opgezet: • E r is een aantal referentiebiotopen afgeleid van natuurlijke habitats, waarbij deels is aangesloten op de natuurlijke habitats in de Figuur 4.1 | Onderverdeling van de drie deelgebieden: 1. Uiterwaarden en Nevengeul, 2. Nieuw Harculo en 3. Parken en landgoederen

50

| | Natuurontwikkelplan

4.2 Uiterwaard en nevengeul IJssel 4.2.1 Broedvogeleiland en Meestromende nevengeul (1.1 & 1.2) In de uiterwaard grazen koeien en er wordt mest uitgereden. Hierdoor is de ondergrond verstoord en heeft de uiterwaard een beperkte ecologische waarde. De huidige agrarische functie wordt in het omgevingsplan omgezet naar natuur. De natuurwaarde van de uiterwaard wordt sterk vergroot door de aanleg van een nevengeul en de ontwikkeling van natuurlijke oevers en halfnatuurlijke graslanden. Deze ontwikkeling draagt bij aan de opgaven vanuit de Kaderrichtlijn Water (GROW, zie paragraaf 4.5.2) en Natura 2000 (Provincie Overijssel). Ecologisch programma In de uiterwaard wordt gestreefd naar het ontwikkelen van de volgende habitats: • Meestromende riviergeul; • S likkige oever (Natura 2000 habitattype H3270); • Glanshaverhooiland (Natura 2000 habitattype H6510A); • Stroomdalgrasland (Natura 2000 habitattype H6120).

rivierrombout, kokerjuffer, schoraas, dagvlinders, wilde bijen en hommels; • Planten: slijkgroen, veldsalie, zeepkruid, wilde kruisdistel, kleine pimpernel, wilde marjolein, wilde wouw, beemdkroon, cipreswolfsmelk, glanshaver, goudhaver, karwijvarkenskervel, sikkelklaver, grote tijm, ruige weegbree, kleine ruit, geel walstro, walstrobremraap, rapunzelklokje, aardaker, groot streepzaad, muurpeper. De geul wordt aan de bovenstroomse kant waarschijnlijk aangesloten via één of meer ruime duikers. Daarmee blijft het gebied tussen de IJssel en de geul toegankelijk voor onderhoud. Dit gebied wordt afgesloten voor bezoekers, hierdoor ontstaan goede kansen voor het ontwikkelen van groeiplaatsen voor riviergebonden vegetaties (graslanden en ruigtes) en leefgebied voor riviergebonden soorten dieren, zoals verschillende soorten broedvogels. Daarbij kan grond die uit de geul afkomstig is mogelijk worden hergebruikt voor ontwikkeling van reliëf en gevarieerde leefmilieus. Bij voorkeur wordt de oever van de IJssel natuurlijk ingericht. In dit gebied valt te denken aan de ontwikkeling van:

• Stroomdalgraslanden op (kunstmatig met kalkrijk zand opgehoogde) oeverwallen; • Glanshaverhooilanden; • Slikkige rivieroevers langs de geul; • Open pioniermilieus met aanvankelijk broedbiotoop voor grondbroedende vogelsoorten (kleine plevier, kluut, sterns, bontbekplevier); • Na verloop van tijd overgaand in broedbiotoop voor kwartelkoning (Vogelrichtlijnsoort). • Ook in het gebied tussen de geul en de dijk kan verdere natuurontwikkeling plaatsvinden, met name in de vorm van bloemrijke graslanden. Dit gebied is niet toegankelijk voor wandelaars. Vanaf de dijk hebben bezoekers vanwege de korte afstanden een goed overzicht over de uiterwaard en kunnen de dieren die hier leven goed waargenomen worden. De uitvoering van de nevengeul in de uiterwaarde geschied door Rijkswaterstaat. Eind 2025 wordt het voorlopig ontwerp van de nevengeul afgerond door GROW. GROW is de organisatie die de KRW-maatregelen ontwerptechnisch uitwerkt en na afronding overdraagt aan Rijkwaterstaat voor de uitvoering.

Streefsoorten • Stromingsminnende vissen: barbeel, kopvoorn, serpeling, sneep, winde, riviergrondel; • G rondbroedende vogels: visdief, bontbekplevier, kleine plevier, kluut, bergeend, kievit, scholekster; • Overige broedvogels: ijsvogel, oeverzwaluw, kwartelkoning, gele kwikstaart, veldleeuwerik, graspieper • Niet broedvogels: zilverreiger, kievit, grutto, smient, slechtvalk, zeearend, ooievaar; • Zoogdieren: otter (incidenteel); • O ngewervelden: Bataafse stroommossel, Figuur 4.2 | Referentiebeeld natuureiland met natuurlijke rivieroever (Millingerwaard)

Nieuw Harculo

||

51

4.2.2 Dijkzone (1.3) De dijk is toegankelijk voor wandelaars. Honden moeten aangelijnd zijn. De dijk levert talloze uitzichten over de omringende natuur, die overal dichtbij is. Op verschillende locaties zijn uitzichtpunten ingericht met onder andere bankjes en eventueel informatiepanelen. IJsselwerken doet de dijkversterking en inrichting, het zijn dus aanbevelingen voor IJsselwerken.

Stroomdalgrasland - Dijkzone graspieper, aardhommel, torenvalk, veldmuis, weidehommel, pimpernelblauwtje, grauwe kiekendief, argusvlinder, akkerhommel, grasmus, gele kwikstaart, kleine vos, konijn, knoopkruid, veldbeemdgras, wilde peen, veldsalie, kleine bevernel, glanshaver, margriet, grote vossenstaart, zachte haver, geel walstro, knolboterbloem, echte kruisdistel

Figuur 4.3 | Doorsnede IJsseldijk met verschillende biotopen

52

| | Natuurontwikkelplan

Ecologisch programma De IJsseldijk wordt na de het dijkversterkingsproject (zie paragraaf 4.5.3) over de totale lengte bloemrijk ingericht (figuur 4.4). Een geschikte beheerder voor de dijken wordt nog gezocht. De vegetatie bestaat uit glanshaverhooiland met soorten als veldsalie, wilde kruisdistel, grootbloemcentaurie, beemdkroon, margriet en groot streepzaad. Vanwege het bloemrijke karakter is de dijk eveneens van grote betekenis voor

insecten, zoals verschillende soorten wilde bijen, hommels en dagvlinders. In de taluds broeden algemene soorten vogels als de graspieper. De dijk is rijk aan kleine zoogdieren, zoals diverse soorten muizen, wat ook roofvogels als torenvalken aantrekt. De streefsoorten rondom de IJsseldijk en de overgang naar het woongebied Tussen de Dijken zijn weergegeven in onderstaande doorsnede (figuur 4.3).

4.2.3 Insteekhavens (1.4) Het plangebied bevat twee insteekhavens: een zuidelijke insteekhaven die wordt verbonden met de meestromende nevengeul die als onderdeel van het KRW-programma door GROW wordt gerealiseerd (zie paragraaf 4.5.2) en een noordelijke insteekhaven die direct met de IJssel verbonden is. Beide insteekhavens hebben vooral een natuurfunctie. Door de directe verbondenheid met de IJssel wordt het waterpeil in de havens bepaald door de IJssel. Ter hoogte van Nieuw Harculo varieert dit waterpeil gemiddeld met ca. 1,5. Het water in de haven heeft daarmee een relatief grote dynamiek. Beide insteekhavens hebben een steiger als bijzonder element. De steiger in de zuidelijke haven is/wordt eigendom van RAW/ Ronald Westerhuis. Reales wil de steiger in

de noordelijke haven ontkoppelen, waardoor deze afgesloten is voor publiek. De steiger kan hierdoor heel goed fungeren als predatievrije broedlocatie voor vogels (visdief, scholekster, meeuwen). Ecologisch programma De dynamische waterstand in de havens beperkt de mogelijkheden voor ontwikkeling van waterplanten en rietlanden langs de oevers. Wel kunnen zich langs de oever wilgen vestigen, die beter bestand zijn tegen waterstandsschommelingen. Op de droogvallende oevers ontwikkelen zich (éénjarige) pioniervegetaties met soorten als slijkgroen, waterereprijs, tandzaad, duizendknoopsoorten en ganzenvoetsoorten. Hoger op de oever, op plaatsen die minder vaak overstromen, zal de vegetatie vooral uit ruigtekruiden bestaan (bitterzoet, rietgras, dauwbraam e.a.).

Dit wordt ook bevorderd door de aanwezigheid van aanspoelselgordels met veel organisch materiaal, die vooral hoger op de oever in de luwe havenbekkens worden afgezet. Omdat de havenbekkens in contact staan met de IJssel zijn ze toegankelijk voor vis. Het relatief diepe water kan als vluchtplaats voor vissen dienen in tijden dat de rivierwaterstand erg laag is en de nevengeul droogvalt. Ook kunnen ze dienen als opgroeigebied voor vis. Het open water in de havenbekkens is geschikt als rustgebied voor vogels vanwege het ontbreken van scheepvaart en de luwe ligging. Als foerageergebied is het vooral geschikt voor visetende soorten (aalscholver, fuut, diverse soorten eenden). Vanwege de dynamische omstandigheden en beperkte oeverbegroeiing heeft het gebied minder betekenis voor riviergebonden zoogdieren als otter en bever. Streefsoorten • Voor de doelhabitat open water: eventueel kranswieren, slaapgebied voor ganzen en eenden, aalscholver, visdief, fuut, grote zaagbek, nonnetje, kwabaal, barbeel, kopvoorn, serpeling, sneep, winde, riviergrondel. • V oor de doelhabitat slikkige rivieroever: slijkgroen, klein vlooienkruid, rode ganzenvoet, moeraszuring, liggende ganzerik, riviertandzaad, blauwe waterereprijs, oeverloper, witgatje, tureluur, kleine plevier, grote zilverreiger. • Voor de doelhabitat zachthoutooibos: wilg, zwarte populier, blauwborst, buidelmees, nachtegaal.

• Voor de doelhabitat ruigte: valeriaan, moerasspirea, poelruit , m oeraswolfsm elk , rivierkruiskruid, grote engelwortel, grote kattenstaart, bosrietzanger, rietgors, sprinkhaanzanger, egel, bunzing, dwergmuis, dagvlinders.

Figuur 4.4 | Referentiebeeld bloemrijke dijk en uiterwaardgraslanden (Cortenoever, Brummen)

Nieuw Harculo

||

53

4.3 Nieuw Harculo In deelgebied 2 (f iguur 3.6), Nieuw Harculo, worden drie gebieden met elk een eigen sfeer onderscheiden (figuur 4.1): 1. het woongebied Tussen de Dijken (2.1) aan de rivierzijde met een natuurlijk karakter; 2. Het Klimaatpark (2.2) als verbinding tussen de woongebieden en de twee insteekhavens. 3. Hhet woongebied In de Centrale (2.3) op de oude locatie van de IJsselcentrale met een compacte opzet; Voor ieder van deze drie subdeelgebieden wordt hierna het ecologisch programma uitgewerkt.

4.3.1 Tussen de Dijken (2.1)

Voor de vegetatie in Tussen de Dijken is het hardhoutooibos als referentiebiotoop gebruikt. Ooibossen zijn rivierbegeleidende bossen die kunnen variëren van zeer nat (en vaak overstroomd) tot droog (en zelden of nooit overstroomd). De hardhoutooibossen behoren bij de laatste categorie. Ze komen voor op hoger gelegen delen en randen van het rivierengebied met een zandige ondergrond die maar af en toe overstroomd raken, vooral langs de IJssel en Rijn.

Ecologisch programma De natuur in dit deelgebied refereert aan het rivierengebied voor de dijk. De IJsselstand beinvloed de grondwaterstand in het binnendijkse gebied dus de directe invloed van de rivier is

Het deelgebied in Tussen de Dijken heeft vergelijkbare kenmerken: zandig substraat en relatief droge omstandigheden, echter zonder overstromingen. Als referentie is daarom gekozen voor het drogere hardhoutooibos (zie f iguur

Figuur 4.5 | Referentiebeeld Hardhoutooibos (Stichting Ark)

54

hier beperkt, maar we kunnen hier wel biotopen van het rivierengebied creëren, met veel ruimte voor bijbehorende soorten planten en dieren. De woonblokken met veel groene dooradering sluiten aan op het Klimaatpark, waarin ook infiltratievoorzieningen zijn aangelegd (wadi’s).

| | Natuurontwikkelplan

4.5), het zogenaamde Abelen-iepenbos (Violo odoratae-Ulmetum). Dit type bos komt nog maar op enkele plekken in Nederland voor en dan niet geheel ontwikkeld. Hoofdboomsoorten die in dit bostype voorkomen zijn: ruwe en gladde iep en zomereik, maar ook veel andere soorten bomen en struiken. Op de bosbodem komen zeldzame planten voor, zoals de voorjaarshelmbloem en de besanjelier. Naast rijke variatie aan mossen en schimmels is ook het veelvuldig voorkomen van lianenbegroeiing met hop en bosrank kenmerkend. De iep is verreweg de belangrijkste soort in zowel de boom- als struiklaag. Daarnaast kunnen de zomereik en gewone esdoorn van betekenis zijn. Bij laag en open bos vormt de meidoorn een overgang tussen de boom- en struiklaag. Daarnaast komen gewone vlier, Spaanse aak, wilde kardinaalsmuts, sleedoorn en hazelaar ook in wisselende hoeveelheden voor. De ondergroei is vaak zeer soortenrijk, met veel soorten kruiden, waaronder ook stinzenplanten.

Figuur 4.6 | Streefsoorten vanuit referentiebiotoop Tussen de Dijken

Streefsoorten Gladde en ruwe iep, zomereik, zomerlinde, gewone esdoorn, éénstijlige meidoorn, gewone vlier, Gelderse roos, Spaanse aak, wilde kardinaalsmuts, sleedoorn, hazelaar en gewone vogelkers. Kruiden als slangelook, gevlekte aronskelk, Maarts viooltje, pijpbloem, schaafstro, gewone vogelmelk.

Streefsoorten fauna Grote bonte specht, groene specht, boomklever, grauwe vliegenvanger, appelvink, gekraagde roodstaart, watervleermuis, eekhoorn, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, franjestaart, klein vliegend hert en vlinders als sleedoornpage, grote vos, pauwoog- en ligusterpijlstaart.

Voorbeelden van toepassing Solitaire bom en, bom enrijen, h eggen, plantsoen. Aanvullende maatregelen Nestkasten, tillen, paalkasten, takkenrillen en houtstobben.

Hardhoutooibos - Tussen de Dijken koolmees, egel, roodborst, bruin zandoogje, grote vos, sleedoornpage, appelvink, heggenmus, eekhoorn, gewone esdoorn, meidoorn, sleedoorn,

Gebouwbewonende soorten Tussen de Dijken

zomerlinde, fladderiep, ruwe iep

scholekster, gierzwaluw, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, zwarte roodstaart, huismus

Figuur 4.7 | Doorsnede Tussen de Dijken met verschillende biotopen

Nieuw Harculo

||

55

4.3.2 Klimaatpark (2.2) Het Klimaatpark ligt centraal in Nieuw Harculo en verbindt zowel de noordelijke en zuidelijke insteekhaven als de woongebieden Tussen de Dijken en In de Centrale. Het ecologische programma van beide woongebieden en het Klimaatpark vloeien in elkaar over. Daarnaast is voor de vochtige gedeeltes, zoals de natuurlijke wadi’s, als referentie gekozen voor vochtige ruigtes (1) en voor de droge graslanden voor gesloten stroomdalgrasland (2). Het Klimaatpark geeft niet alleen invulling aan de wateropgave en ecologische programma’s, maar biedt ook ruimte aan vegetatie passend bij sport, spel en ontmoeting. Ecologisch programma 1. Vochtige ruigte

Vegetaties van de referentie vochtige ruigtes behoren tot de associatie van moerasspirea en valeriaan (Valeriano-Filipenduletum). Deze vegetaties gedijen op voedselrijke, lichtzure tot neutrale plaatsen langs waterlichamen van verschillende omvang en met vaak enige dynamiek door wisselvochtige omstandigheden. De bodem bestaat uit zeer leemachtig zand en slib en is plaatselijk veen of klei. De grondwaterspiegel bevindt zich meestal enkele centimeters onder tot enkele centimeters boven de grond.

kleine karekiet, bosrietzanger, f itis, grasmus, tjiftjaf, gele kwikstaart en putter. Vlinders als bruin zandoogje en distelvlinder en insecten als de gehoornde metselbij en akkerhommel. Voorbeelden van toepassing Inzaaien op (wissel)vochtige plaatsen, zoals de voorgestelde wadi’s in het Klimaatpark. Aanvullende maatregelen Tillen, paalkasten, torens, insectenhotels, takkenrillen en houtstobben. 2. Gesloten stroomdalgrasland

Op de droge graslanden in het gebied is de associatie van sikkelklaver en zachte haver (Medicagini-Avenetum pubescentis) toepasbaar. Deze gemeenschap is een van de meest diverse en soortenrijke plantengemeenschappen op kalkrijke zandgronden in Nederland en komt vooral voor op zandige locaties die wat hoger liggen langs de rivier. De vegetaties worden gekenmerkt door veel grassen en bloemen. Ze trekken veel insecten aan. Plantensoorten uit gesloten stroomdalgraslanden zijn: voorjaarsganzerik, gestreepte klaver (Trifolium striatum), voorjaarszegge, kleine pimpernel, duifkruid en smal fakkelgras.

Streefsoorten Sikkelklaver, geel walstro, akkerhoornbloem, zachte haver, gewoon duizendblad, knolboterbloem, veldbeemgras, echte kruisdistel, gewone zandmuur, veldsalie, smalle weegbree, echte sleutelbloem, kleine klaver, ruige weegbree, zachte ooievaarsbek, grote tijm, kleine bevernel, gewone veldbies, muizenoor, zacht vetkruid, gewoon struisgras, zandzegge, voorjaarsganzerik, gestreepte klaver, voorjaarszegge, kleine pimpernel, duifkruid en smal fakkelgras. Streefsoorten fauna Haas, konijn, rosse vleermuis, Cetti’s zanger, rietgors, insecten als; bijen, wespen, zweefvliegen, gouden sprinkhaan, boomkrekel, wolfsmelkpijlstaart, koninginnenpage, bruin- en pimpernelblauwtje, gaffellibel, rivierrombout en spinnen als grind- en ruigtewolfspin. Voorbeelden van toepassing Inzaaien kruidenmengsels in bermen, gazons en andere locaties met een laagblijvende vegetatie (ondergroei bomen, grasland, bermen, perkjes en weide). Aanvullende maatregelen Tillen, paalkasten, torens, insectenhotels, takkenrillen en houtstobben.

Streefsoorten Moerasspirea, poelruit, lange ereprijs, echte valeriaan, grote wederik, haagwinde, harig wilgenroosje, gele lis, grote kattenstaart, rietgras, liesgras, ruw beemdgras, gestreepte witbol, moeraswalstro en moerasandoorn, pinksterbloem, gewone engelwortel, kale jonker, vogelwikke, moerasrolklaver, gewone smeerwortel. Streefsoorten fauna Egel, bunzing, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, blauwborst, rietgors, Figuur 4.8 | Grote kattenstaart in een uiterwaard langs de IJssel

56

| | Natuurontwikkelplan

Figuur 4.9 | Referentiebeeld stroomdalgrasland

Figuur 4.10 | Streefsoorten vanuit referentiebiotoop vochtige ruigte

Figuur 4.11 | Streefsoorten vanuit referentiebiotoop stroomdalgrasland

Figuur 4.12 | Schetsimpressie van het Klimaatpark

Nieuw Harculo

||

57

Hardhoutooibos - Klimaatpark boomklever, grote bonte specht, eekhoorn, sleedoornpage, ruige dwergvleermuis, grote vos, appelvink,

Gesloten stroomdalgrasland - Klimaatpark gelderse roos, zomereik, gewone vogelmelk, meidoorn, slangenlook, wilde kardinaalsmuts, maarts viooltje, ruwe

koninginnenpage, rietgors, boomkrekel, europees konijn, pimpernelblauwtje, gouden sprinkhaan, cetti zanger,

iep, hazelaar kleine pimpernel, zachte haver, zachte ooievaarsbek, knolboterbloem, veldsalie, gewoon duizendblad, smalle weegbree, glanshaver, echte kruisdistel, sikkelklaver

Vochtige ruigte - Klimaatpark putter, kleine vos, akkerhommel, grote gele kwikstaart, egel, grasmus, bunzing, tjiftjaf, rosse vleermuis,

harig wilgenroosje, grote kattenstaart, haagwinde, lange ereprijs, grote wederik, ruw beemdgras, vogelwikke, moerasrolklaver

Figuur 4.13 | Doorsnede van het Klimaatpark met verschillende biotopen

58

| | Natuurontwikkelplan

Figuur 4.14 | Streefsoorten vanuit referentiebiotoop

Figuur 4.15 | Streefsoorten vanuit referentiebiotoop

De Centrale - Gebouw

De Centrale - Stadstuin en hofjes

4.3.3 In de Centrale (2.3) Dit woongebied refereert aan de IJsselcentrale die ooit op deze plek stond. De sfeer is daarom stedelijk en bestaat uit woonblokken met binnenhofjes met groen. Gebouwen en verharde oppervlaktes overheersen hier. Door het stenige karakter heeft dit deelgebied overeenkomsten met een rots. Daarnaast zijn er in dit deelgebied ook binnenhofjes aanwezig die groene oases vormen. Hiervoor is de tuinbiotoop kenmerkend. Voor de vegetatie in dit deelgebied zijn hierdoor twee referentiebiotopen gebruikt: 1. In de Centrale - Gebouw 2. In de Centrale - Stadstuin en hofjes Ecologisch programma 1. In de Centrale - Gebouw In Nederland zijn rotsbiotopen uiteraard zeldzaam. Toch zijn er verschillende plaatsen waar dit voorkomt, zoals in Zuid-Limburg en in steengroeven in de Achterhoek. Deze gebieden zijn vaak van groot belang vanwege de unieke ecologische kenmerken van het gesteente en het microklimaat. Ze vormen vaak een contrast met de meer typische Nederlandse landschappen. Steden en dorpen vormen een vervangend

rotsbiotoop. Veel stadsdieren zijn van oorsprong rotsbewoners. Rotsen herbergen unieke vegetaties die aangepast zijn aan de dunne bodems en extreme microklimaten. Als referentie is er gekeken naar de vegetatie van rots- en bergachtige gebieden in Europa. Leidend zijn plantensoorten die in Nederland ook als inheems of al lang ingeburgerd worden beschouwd. In deze rotsgebieden zijn boomsoorten zoals haagbeuk, ruwe berk en zomereik en struiksoorten zoals sleedoorn, blauwe bosbes en brem te vinden. Langs de ondergrond groeien kruiden zoals longkruid, huislook, valeriaan, maarts viooltje en schildereprijs, maar ook varens zoals tong-, wijfjes-, gewone eik- en adelaarsvaren. In de kieren en spleten tussen de stenen vestigen mossen zoals het donderbuisjesmos, het franjekopmos en het rendiermos zich, wat een leefomgeving biedt voor een overvloed aan kleine organismen. De interacties tussen deze plantensoorten dragen bij aan de ecologische dynamiek van dit type biotoop (figuur 4.14). Streefsoorten Haagbeuk, ruwe berk, zomereik, wilde lijsterbes, sleedoorn, brem, blauwe bosbes, kruiden en varens.

Streefsoorten fauna Gierzwaluw, huiszwaluw huismus, spreeuw, grauwe vliegenvanger, zwarte roodstaart, heggenmus, laatvlieger, gewone en ruige dwergvleermuis, atalanta. Voorbeelden van toepassing Solitaire bomen en bomenrijen, hagen, daktuinen, intensief en of extensief begroeide daken met kruiden en mossen (nabootsing begroeide rotsen), begroeide gevels (bijvoorbeeld klimop, wilde wingerd en bosrank), ondergroei bomen, bermen en of perkjes. Aanvullende maatregelen Nestkasten en -pannen, tillen, paalkasten, torens, inmetselkasten, aangepaste gevels en dakgoten. 2. In de Centrale - Stadstuin en hofjes De tuinbiotoop weerspiegelt zowel de Nederlandse natuurlijke omgeving als de menselijke inspanningen om een gastvrije omgeving te creëren voor plant, dier en mens. Hier worden inheemse boomsoorten, zoals zoete kers en zomerlinde, doelbewust aangeplant om schaduw, voedselbronnen en nestgelegenheid te bieden (figuur 4.15).

Nieuw Harculo

||

59

Daarnaast omvat de tuinbiotoop ook diverse struiken, zoals rode kornoelje, Gelderse roos en wilde kardinaalsmuts. Deze dragen niet allen bij aan visuele aantrekkingskracht, maar dienen ook als habitat voor lokale fauna. Al dan niet wilde bloemen zoals boshyacinten, vlinderstruiken, teunisbloemen en stokrozen voegen kleur en leven toe, terwijl ze insecten en bestuivers aantrekken. Door het creëren van een diverse en natuurlijke omgeving in de tuinbiotoop dragen we bij aan de bescherming van lokale flora en fauna, terwijl de buitenruimte tegelijkertijd wordt verrijkt met visueel aantrekkelijke plantensoorten.

Streefsoorten Zoete kers, zomerlinde, rode kornoelje, gewone vlier, Gelderse roos, gewone liguster, wilde kardinaalsmuts, aalbes, zwarte bes, vlinderstruik, kamperfoelie, framboos, wilde hyacint, robertskruid en struikheide.

Voorbeelden van toepassing Inrichting van groene hofjes in het deelgebied. Aanvullende maatregelen Nestkasten, tillen, paalkasten en insectenhotels.

Streefsoorten fauna Egel, merel, roodborst, koolmees, pimpelmees, staartmees, winterkoning, kuif mees, huis- en heggenmus, groenling, vink, metsel-, pluim- en zandbijen, en vlinders als kleine vos, dagpauwoog en atalanta.

Gebouwbewonende soorten - In de Centrale Spreeuw, ruige dwergvleermuis, gierzwaluw, gewone dwergvleermuis, zwarte roodstaart, laatvlieger, huismus

Stadstuin en hofjes - In de Centrale Merel, roodborst, dagpauwoog, heggenmus, pimpelmees, kleine vos, huismus, egel, gehoornde metselbij, klimop, kamperfoelie, vlinderstruik, sleedoorn, aalbes, mannetjesvaren, haagbeuk, krentenboompje

Figuur 4.16 | Doorsnede woonstraat In de Centrale aansluitend op het Klimaatpark

60

| | Natuurontwikkelplan

4.4 Parken en landgoederen 4.4.1 De Energietuin (3.1) De Energietuin in het oostelijk deel van het plangebied maakt geen onderdeel uit van de huidige planvorming. De huidige functies (zonneweide, opslagplaats, trafostation en dergelijke) blijven hier voorlopig nog aanwezig. De Energietuin bevat een ‘kamerstructuur’ (zie f iguur 4.17). Reales wil deze ‘kamerstructuur’ handhaven, waardoor cellen ontstaan met elk een eigen karakter en functie. Dit sluit ook aan op het binnendijkse landgoedkarakter van veel gebieden langs de noordelijke IJssel.

Ook de hele omtrek bestaat uit (afschermende) opgaande beplanting. De kamers zelf kunnen verschillende ecologische karakters krijgen, die te combineren zijn met andere functies. Het gebied kan ook fungeren als uitloopgebied voor de woonwijk Nieuw Harculo. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van bestaande paden en eventueel opnieuw te verharden bestaande inf rastructuur. Aanleg van eventuele nieuwe paden is pas op langere termijn mogelijk, wanneer een aantal van de bestaande gebruiksfuncties uit dit gebied zijn verdwenen.

De verschillende kamers worden gescheiden door opgaande beplanting, die ook als ecologisch raamwerk kan dienen. Deze beplanting heeft betekenis als leefgebied voor allerlei soorten zoogdieren, vogels, amf ibieën en insecten.

Ecologisch programma per kamer 1. Moerasbos Dit bosje is momenteel al vochtig en bestaat uit elzen met ondergroei van zeggen. Het grenst aan de Kolk. Het is een bijzonder element dat we graag in de huidige staat willen bewaren. De bestaande moerascipressen worden behouden. Onderzocht kan worden of vernatting mogelijk is, bijvoorbeeld door het te koppelen aan de Kolk. Het bosje kan dan verder ontwikkeld worden als elzenbroekbos (figuur 4.18).

Figuur 4.17 | Mogelijke Groene Kamers

Figuur 4.18 | Referentiebeeld elzenbroekbos

Streefsoorten Zwarte els, moeraszegge, elzenzegge, gele lis, nachtegaal, grote bonte specht, kleine ijsvogelvlinder, appelvink, waterspitsmuis. 2. Kolk met waterplanten en rietoevers De Kolk is een restant van een vroegere doorbraakkolk, die aan de binnenzijde van de oorspronkelijke dijk lag. Het water van de Kolk heeft waarschijnlijk een goede kwaliteit. De oevers zijn begroeid met riet en wilgen. Langs de oevers komen zones voor met waterplanten zoals gele plomp. De Kolk wordt als viswater gebruikt, daarvoor zijn verschillende steigers aangebracht. De Kolk kan een rol spelen bij het opvangen van overtollig hemelwater vanuit de woonwijk. Daarmee kan de waterstand en waterkwaliteit op peil gehouden worden. Vanwege het aantrekkelijke landschap kan een wandelpad vanuit het woongebied rondom de Kolk worden aangelegd. Een deel van dit wandelpad is al aanwezig.

Figuur 4.19 | Vroegere foto van de Kolk met de IJsselcentrale op de achtergrond

Nieuw Harculo

||

61

Streefsoorten Wilgen, riet, mattenbies, witte waterlelie, gele plomp, fonteinkruiden, kranswieren, bittervoorn, kleine modderkruiper, snoek, bever, waterspitsmuis, dodaars, waterhoen, waterral, bosrietzanger, kleine karekiet, rietgors, ijsvogel, libellen.

62

Streefsoorten Klaproos, korenbloem, gele ganzenbloem, margriet, wilde peen, fluitenkruid, hazelaar, sleedoorn, meidoorn, teunisbloem, zwarte toorts, kaasjeskruid, egel, haas, rosse woelmuis, buizerd, heggemus, braamsluiper, putter, eikenpage, boomblauwtje, koninginnenpage, gehakkelde aurelia.

speenkruid, viooltjes, dalkruid en lelietjes van dalen (zie figuur 4.22). Streefsoorten Eik, hazelaar, zoete kers, bosanemoon, salomonszegel, wilde hyacinth, gevlekte aronskelk, gekraagde roodstaart, bosuil, diverse soorten spechten, appelvink, bonte vliegenvanger, ree, boommarter, kleine ijsvogelvlinder, eikenpage, grote vos.

3. Bloemrijk grasland & ruigte met bosranden Deze biotoop sluit aan bij de stroomdalgraslanden in de woonwijk, maar bevat (deels) andere soorten, bijvoorbeeld van arme zandbodems of juist van akkers (akkeronkruiden, zie figuur 4.20). Langs de randen, op de overgangen naar de opgaande beplanting op de grens, kunnen ruigtekruiden en eventueel struiken groeien, die een waardevol overgangsbiotoop voor allerlei soorten insecten en andere fauna vormen (zie figuur 4.21).

4. IJl bos met ondergroei Op termijn kunnen kamers begroeid raken met (ijl) bos, waarin voldoende licht doordringt om ondergroei mogelijk te maken. De boomlaag kan uit allerlei loofboomsoorten bestaan, afhankelijk van bodem en vochtigheid (eik, beuk, haagbeuk, iep, zoete kers, lijsterbes). In de ondergroei komen in het voorjaar kenmerkende bosplanten van rijke bossen voor zoals salomonszegel, bosanemoon, wilde hyacinth,

Figuur 4.20 | Akkeronkruiden (ingezaaid)

Figuur 4.21 | Structuurrijke overgang van grasland naar bos/houtwal (Bron: landschapsbeheergroningen.nl).

| | Natuurontwikkelplan

5. Kort grasland & gazon/weide Intensiever beheerd grasland kan naast een natuurfunctie ook medegebruik als speelgebied hebben. De vegetatie wordt hier korter gehouden dan bij de bloemrijkere graslanden en er zijn scherpere overgangen naar de omliggende opgaande beplanting. In delen van het jaar kan de vegetatie bloemrijk zijn.

Streefsoorten Paardenbloem, madeliefje, scherpe boterbloem (zie f iguur 4.23), margriet, veldzuring, pinksterbloem en allerlei (kleurrijke) grassen, haas, konijn, mol, merel, koolwitje en oranjetipje.

6. Struweel Struwelen bestaan uit al dan niet dichte vegetaties van struiken en heesters, zoals meidoorns, sleedoorns, wilgen, hazelaar, laagblijvende boomsoorten als lijsterbes, vuilboom, berk en vele andere soorten. Bij ijle beplantingen worden ze afgewisseld met graslanden en/of ruigtekruiden (zie figuur 4.24).

7 & 8. Schakeltuin Tennet De schakeltuin is nog in gebruik en is onderdeel van het 110KV-netwerk. Volgens Tennet zijn er vooralsnog geen plannen om dit netwerk aan te passen. Mocht dit in de toekomst dit wel het geval zijn, dan biedt dit wellicht kansen voor een nadere inrichting van deze percelen.

Als struwelen niet beheerd worden (bijvoorbeeld door begrazing, in combinatie met periodiek snoeien), ontwikkelen ze zich geleidelijk tot bos. Struwelen kunnen door de sterke afwisseling in soorten en structuur grote waarde hebben voor allerlei soorten dieren. Met name wanneer bessenrijke soorten zoals meidoorn, lijsterbes en sleedoorn aanwezig zijn, vormen ze belangrijke voedselbiotopen voor allerlei zangvogels, met name in de winter (zoals kramsvogel, koperwiek, en pestvogel).

9. Dicht bos Bij dichtbegroeid bos dringt minder licht door tot de bodem. Deze is daarom vaak soortenarmer ontwikkeld en bestaat bijvoorbeeld uit snelgroeiende soorten als bramen, stekelvarens en brandnetels. Afhankelijk van de bodem en vochttoestand bestaat de boomlaag uit eik, beuk, berk, esdoorn of zelfs populieren en wilgen. Bossen zijn belangrijke schuilplekken voor zoogdieren en broedplekken voor allerlei soorten vogels en vormen voor veel mensen een aantrekkelijk wandelgebied (zie figuur 4.25).

Streefsoorten Meidoorn, lijsterbes, hazelaar, sleedoorn, egel, haas, rosse woelmuis, buizerd, braamsluiper, grasmus, kramsvogel, koperwiek, pestvogel, kleine vos, dagpauwoog, gehakkelde aurelia.

Streefsoorten Eik, beuk, esdoorn, berk, wilg, populier, lijsterbes, braam, varens, zangvogels als zanglijster, merel, appelvink, gekraagde roodstaart, spechten, bosuil, buizerd, boommarter, ree, egel, bosmuis

Figuur 4.24 | Referentiebeeld struweel

Figuur 4.25 | Referentiebeeld dichtbegroeid bos

Figuur 4.22 | Referentiebeeld ijl bos (met bosanemoon)

Figuur 4.23 | Referentiebeeld kort grasland & gazon/weide

Nieuw Harculo

||

63

10. De Groene Uitspanning (entree Nieuw Harculo, overgang naar Energietuin) Deze kamer vormt de schakel en overgang tussen de Energietuin en de hoofdentree van Nieuw Harculo. Hier worden twee bescheiden woonvolumes gerealiseerd. De woningen zijn te gast in het landschap en worden zorgvuldig

ingepast. De bestaande groenstructuur met bosjes en de esdoornlaan langs de IJsselcentraleweg van Hein Otto, geeft een bijzondere inleiding naar het gebied. Deze groenstructuur is onderdeel van de hoofdgroenstructuur van Zwolle en wordt aangevuld en doorgetrokken. De wandelroutes lopen door het gebied en

sluiten aan op bestaande verbindingen naar de dijk en de rest van de wijk. Streefsoorten Ruwe berk, veldesdoorn, zwarte els, iep, veldesdoorn, zwarte populier, hazelaar, eenstijlige meidoorn, gewone vogelkers, zoete kers.

Gebaseerd op bostypen uit De Energietuin Gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gaai, tjiftjaf, bonte wespbij, houtduif, ruige dwergvleermuis, iepenpage, aardhommel, winterkoning, merel,

Gebouwbewonende soorten In de Centrale

katwilg, fladderiep, haagbeuk, veldesdoorn, liguster,

Gebaseerd op de Kolk met waterplanten en rietoevers

hazelaar, zomereik

Waterhoen, bittervoorn, kleine modderkruiper, bruine kikker, kleine

Scholekster, gierzwaluw, laatvlieger, ruige

karekiet, bruine glazenmaker, bosrietzanger, rietgors,

dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis,

kleine watersalamander,

huismus, zwarte roodstaart moerasspirea, echte valeriaan, zwanebloem, gele lis, drijvend fonteinkruid, mattenbies, grote kattenstaart, gewoon riet, gele plomp, breed pijlkruid

Figuur 4.26 | Doorsnede entreelaan tussen In de Centrale en de Energietuin met verschillende biotopen

64

| | Natuurontwikkelplan

4.4.2 De Uitspanning (3.2) In de Uitspanning krijgen de oude gebouwen van de IJsselcentrale een nieuwe bestemming voor kunst, cultuur, werken, horeca en kleinschalige evenementen. De Uitspanning wordt het bruisend hart van de wijk. De inrichting en het gebruik zijn daarop ingesteld. Het is een gebied waar mensen samen komen voor evenementen en activiteiten. De gebouwen (Koelwaterhal, hijshal, magazijn en dienstengebouw) worden gerenoveerd om hun toekomstige functie te kunnen vervullen. Het middenterrein is een belangrijke plek van samenkomst en wordt daarom ingericht om grotere groepen mensen te kunnen ontvangen.

Dat betekent dat er relatief veel verhard oppervlak is en dat groene elementen laag blijven (vooral gazon). RAW bouwt een nieuw atelier tussen de Koelwaterhal en de dijk van de zuidelijke insteekhaven. De omgeving van De Uitspanning blijft overwegend groen. Bestaande bosschages en bomen worden zoveel mogelijk gespaard. Ecologisch programma Vanwege het intensieve gebruik van De Uitspanning en de daarop gerichte functionele inrichting zijn er in dit deelgebied beperkte mogelijkheden om het terrein zelf natuurinclusief in te richten. De belangrijkste aanknopingspunten zijn er bij de renovatie van de bestaande gebouwen.

Uit het Ecologisch soorten onderzoek 2024 (zie bijlage 5) blijkt dat er verblijfplaatsen voor vleermuizen en vogels zijn. Bij de renovatie kunnen hier wel voorzieningen voor worden aangebracht, bijvoorbeeld in de vorm van kunstnesten voor vogels en invliegopeningen voor vleermuizen. De belangrijkste kansen voor vogels liggen in de ontwikkeling van de daken als broedlocatie. De meest geschikte vormen zijn dan daken met grind, schelpen of een zogenaamd bruin dak (hergebruik van ter plaatse afgegraven grond en licht puin, mits de constructie dit kan dragen). De voorgestelde maatregelen voor De Uitspanning worden in praragraaf 4.5.1 Natuurversterkend bouwen verder toegelicht.

Figuur 4.27 | Schetsimpressie van de Uitspanning

Nieuw Harculo

||

65

4.5 Bijzondere opgaven 4.5.1 Natuurinclusief bouwen Het ecologisch programma dat is beschreven in de voorgaande paragrafen is uitgewerkt in een top 10 maatregelen. Figuur 4.28 geeft een overzicht van een aantal van deze maatregelen. In de volgende paragraaf zijn deze maatregelen verder uitgewerkt voor Nieuw Harculo. Deze maatregelen zijn belangrijke uitgangspunten voor de verdere uitwerking van de openbare ruimte en architectuur van de gebouwen in Nieuw Harculo. Bij het opstellen van deze top 10 maatregelen is gebruik gemaakt van de door gemeente Zwolle opgestelde catalogus met maatregelen voor natuurinclusief bouwen. In bijlage 4 is inzichtelijk gemaakt hoe het NOP en ROP gekoppeld zijn aan deze catalogus.

1. Gebiedseigen inheemse beplanting

2. Vleermuizen

Gebiedseigen inheemse flora is fundamenteel voor het aantrekken van gebiedseigen diersoorten. Zo zijn insecten afhankelijk van inheemse soorten als waardplanten (voortplanting) en/of drachtplanten (voeding). Deze insecten zijn vervolgens weer de voedselbron van de andere insecten, vogels, vleermuizen en kleine zoogdieren en dus essentieel voor het ecosysteem. Een mix van soorten in openbare en private ruimtes verhoogt de biodiversiteit. Inheems, tenzij is het uitgangspunt. Inheemse soor ten met plagen en ziektes worden vermeden, hiervoor worden ingeburgerde uitheemse soorten of cultivars uitgezocht die passen binnen de biotopen in deze wijk om zo een divers en aantrekkelijk groente creëren.

Vleermuizen zijn een waardevolle schakel in een ecosysteem. Aanwezigheid van deze dieren is niet alleen bevorderlijk voor de biodiversiteit, ook bewoners en omwonenden hebben hier profijt van. Vleermuizen voeden zich onder andere met muggen en eikenprocessievlinders, waardoor de overlast daarvan kan verminderen. De aanwezigheid van water en natuurgebieden in de directe omgeving van het plangebied maken dit aspect extra belangrijk. Wij realiseren per eengezinswoning één vleermuisnestkast op verschillende oriëntaties en in appartementgebouwen wordt dit in de uitwerking onderzocht. Bij toepassing van traditioneel metselwerk worden openstootvoegen in het metselwerk aangebracht, die toegankelijk zijn voor vleermuizen. De spouw wordt dan voorzien van gripgaas.

Uitgangspunten:

Uitgangspunten:

> 3m

Soorten uit

Soorten uit natte

Plaatsing mogelijk op

>3m hoogte, vrije

hardhoutooibos

ruigte in de openbare

alle oriëntaties

aanvliegroute

in de openbare

ruimte

zonder verlichting &

ruimte

Soorten uit

Groene hagen als

Grove materialen

stroomdalgrasland in

erfafscheiding

voor grip rondom

de openbare ruimte

Figuur 4.28 | Natuurversterkend bouwen

66

| | Natuurontwikkelplan

begroeiing

toegankelijke plekken

Grote nestkast

zomer- of paar-

(geschakeld)

verblijfplaats

Vleermuizen - spouw:

Toegankelijke spouw

Doorlopende spouw

(open stootvoeg) kraam-

over verschillende

en winterverblijf

windrichtingen

Referenties:

Uitgangspunten:

zwarte roodstaart

Gierzwaluw: vrije

Zwarte roodstaart:

aanvliegroute, nestkast

nestkast op hoge en

kan op grote hoogte.

rustige locatie, dit kan

Plaats individuele

op het dak ook achter

kasten op opvallende

installaties zoals een

plekken (nabij dakrand,

zonnepaneel. Of in

middenin gevel, hoek

nisjes met of zonder

van een gevel), kasten

nestkast.

niet dichtbij elkaar. Huismus: nestkast nabij dichte vegetatie. Of de vogelschroot huismus

Losse nestkast

De huismus en gierzwaluw, twee belangrijke stadssoorten. De beschermde huismus en gierzwaluw zijn het waard om een vaste plaats te krijgen in de toekomstige nieuwbouw. Ook kan de gierzwaluw de hinder van insecten plaatselijk behoorlijk doen dalen. Daarbij zorgen deze insecteneters, evenals de huismus en zwarte roodstaart, voor typische zomerse vogelgeluiden. Dit draagt juist in een stedelijke omgeving bij aan de natuurbeleving. Niet alleen de zojuist genoemde soorten zullen gebruik maken van nestkasten, elke vogel die het als een geschikte plek ziet kan er gaan nestelen. Zoals de spreeuw of witte kwikstaart. Wij realiseren per twee woningen één nestkast voor de huismus en per twee woningen één nestkast voor de gierzaluw. In het gebied is reeds een slechtvalk met een nestkast in de zendmast. Een extra kast is hierdoor niet mogelijk omdat een slechtvalk geen andere slechtvalk toelaat binnen zijn territorium.

gierzwaluw

3. Nestkasten voor gebouwbewonende vogelsoorten

Vleermuizen - kasten:

verleggen tot de derde panlat, dit biedt ruimte voor de huismus onder de dakpannen.

Referenties:

> 3-4m

Open stootvoeg

Onopvallende

Niet op het zuiden

Min. 3-4m hoogte

Ingemetselde

binnen metselwerk

gleuf binnen

plaatsen i.v.m. zomerse

i.v.m. verstoring door

huismuskast

gevelmateriaal

hitte

mensen en dieren

Kast als herkenbaar

Overlast poep voorkomen

element in de gevel

met een poepplankje of

(al dan niet op kleur)

plaatsing boven groen

Vogelvide in dakrand

Ingemetselde

Informele nestaanleidingen

gierzwaluwkast

in architectuur

Nieuw Harculo

||

67

4. Groene en grinddaken Groene daken hebben een grote natuurinclusieve waarde. Ze isoleren het gebouw, kunnen regenwater bufferen, zijn een broedplek voor sommige vogels (waarvoor het broeden op de grond te gevaarlijk is geworden vanwege katten en vossen), bieden voedsel voor insecten en als laatste bevorderen groene daken de gezondheid van de mens. Er zijn meerdere typen groene daken mogelijk, namelijk extensieve daken zoals sedum of grind, of intensieve daken zoals kruidenrijke daken, een bruin dak of natuurdak. Grinddaken zijn met name geschikt voor scholeksters die veel voorkomen langs de IJssel. Al deze daken kunnen ook gecombineerd worden met zonnepanelen. Dit vermindert wel de waarde van het dak voor vogels. Een extensief dak is opgebouwd uit een dunne grondlaag van vier tot zeven centimeter en een mos- of sedumbegroeiing, eventueel aangevuld met kruiden en grassen. Een intensief dak heeft in alle opzichten de hoogste diversiteit. Op een dikke substraatlaag van tussen de 80 en 120 centimeter groeien grassen, kruiden, struiken en zelfs bomen. Een natuurdak is een variatie op een intensief dak waarbij de substraatlaag variërende diktes heeft (tussen de 20 en 40 centimeter), waardoor verschillende gradiënten ontstaan. Hierdoor ontstaan meer mogelijkheden voor verschillende typen flora en fauna.

De daken van eengezinswoningen worden voorzien van mossedum of grinddak, waaronder een waterbufferende laag van tenminste 40l/m2. De parkeerdekken bij N1 en N4-N5 worden voorzien van waterrententiedak, waarin 80mm/m2 water kan worden gebufferd met daarop een grondlaag van tenminste 20cm tot 60cm.

5. Verticaal groen en Geveltuinen

Uitgangspunten: > 30m grinddak, sedumdak

< 30m kruidendak

Referenties:

Uitgangspunten: Kruidenrijk dak:

Sedumdak:

insectentrekker

esthetisch en isolerend

| | Natuurontwikkelplan

gronddekking plantvak

min. 50 cm min. 50 cm

Referenties:

Bruin dak:

Grinddak:

transplanteren

broedplek scholekster

inheemse soorten

Polderdak:

Energiedak:

combinatie groen

te combineren met

dak en waterretentie

alle eerder genoemde groene daken

68

Verticaal groen en geveltuinen hebben net als groene daken een grote betekenis voor natuurinclusief bouwen. Ze functioneren als stapstenen tussen grotere groengebieden. Verticaal groen isoleert en kan voor een langere levensduur van de gevel zorgen. Daarnaast kan het een schuil- en broedplek zijn voor vogels en afhankelijk van de beplanting trekt het veel insecten aan. Daarnaast vangt het groen onder andere f ijnstof af en wordt omgevingsgeluid geabsorbeert, wat ten goede komt aan gezondheid van de bewoners. Verticaal groen draagt bij aan de natuur- en seizoensbeleving van de bewoners. Gevelgroen kan met klimbegeleiding op metselwerk of met gemetselde bakken en in een pergola groeien.

Zelfhechtend vanuit

Pergola / stalen bedrading

groenvak

als klimgeleider

Geveltuin en verticaal

Geveltuin met heesters

groen

en kleine boom

6. Zwaluwen

7. Faunapassage’s

Zwaluwnesten:

In Nederland broeden drie soorten zwaluwen, boerenzwaluw, huiszwaluw en oeverzwaluw. De boerenzwaluw en huiszwaluw nestelen rondom gebouwen en schuren. Hiernaast is aangegeven hoe hier rekening mee te houden. De oeverzwaluw broedt van nature in steile zandige oevers of een kunstmatige oeverzwaluwwand. Laatst genoemde is niet nodig, want langs de nieuwe nevengeul is er een kans dat deze zandige oevers vanzelf ontstaan.

Op drukkere wegen en straten in en rond het plangebied ontstaan risico’s voor aanrijdingen tussen (met name) auto’s en kleinere dieren (vooral zoogdieren en amf ibieën). Dit kan worden voorkomen door faunatunnels in het wegdek in te bouwen. Maar denk ook aan kleine ingrepen als een kikkertrap voor putten. Boerenzwaluw,

Huiszwaluw,

donkere schuur

wit overstek

Zwaluwtil

Overstek met zelfgebouwd nest

Uitgangspunten:

Mogelijk op alle

Faunatunnel bij

Kikkertrap in put

wegen

Mogelijk op alle hoogtes

oriëntaties

Egeldoorgang in Natuurlijke oeverzwaluwwand Overlast van poep

De ruimte tussen

voorkomen met

kunstnest en zoldering

een poepplankje

moet +/- 15cm zijn.

of plaatsing boven

Bereikbaar voor

groen

onderhoud.

Boerenzwaluw: nest

Huiszwaluw: broedplek

op donkere plekken,

onder overstekken en

jaarrond toegankelijk,

dakranden (voorkeur witte

ruwe ondergrond

en ruwe ondergrond)

Voorgeplaatste nesten

schutting

Nieuw Harculo

||

69

8. Bijen-/insectenhotel Bijenhotels vervullen de functie van holle stengels wanneer deze niet in de natuur aanwezig zijn. Om leefgebied voor wilde bijen te realiseren zijn zowel nectarbronnen als verblijf plaatsen noodzakelijk. Nectarbronnen zijn beschikbaar wanneer inheemse bomen en heesters worden aangeplant en bermen/ gazons en overige groenvoorzieningen ecologisch beheert worden en bloem- en kruidenrijke vegetaties ontstaan.

Bij openbare verlichting wordt rekening gehouden met diervriendelijkheid. Er wordt enkel verlichting toegepast dat naar beneden straalt. Indien mogelijk wordt de verlichting uitgevoerd met bewegingssensoren.

10. Natuurvriendelijke wadi’s Diversiteit aan

Bijenmuur als

poreuze materialen

afscheiding

Uitgangspunten:

Onderdeel van architectonische kwaliteit en Plaatsen op zonnige

Opening niet op

plekken met

zuidwesten i.v.m.

ochtendzon

regeninslag en wind

< 30m kruidendak

Vraagt regelmatig

Toepasbaar i.c.m.

onderhoud &

biodivers kruidendak tot

vervangen van

ca. 30m hoogte

materialen

Plaatsing tussen 0,5 - 2m boven de grond

70

| | Natuurontwikkelplan

9. Diervriendelijke verlichting

Referenties:

geveltektoniek

Wadi’s worden vaak ingericht met gras. Door ze natuurlijker en meer divers (met bijv. watermunt, grasmuur, moerasspirea) in te richten, zorgt de wadi niet alleen voor een betere grondwaterstand, maar levert het ook een bijdrage aan de biodiversiteit.

4.5.2 Kaderrichtlijn Water (KRW) Het doel van de KRW is dat uiterlijk in 2027 al het water in Europa schoon en gezond is. Hiervoor maken Europese lidstaten elke zes jaar voor elk stroomgebiedsdistrict een stroomgebiedbeheerplan (SGBP) met doelstellingen voor het grond- en oppervlaktewater en de maatregelen die ze nemen om die doelen te bereiken. Voor Nederland betreft dit de stroomgebieden van de Eems, Rijn, Maas en Schelde. In het kader van de KRW worden ook in de buitendijkse delen van het stroomgebied van de IJssel in de komende jaren maatregelen doorgevoerd, de zogenaamde 3e tranche maatregelen. Dit project wordt door het consortium GROW uitgevoerd in opdracht van Rijkswaterstaat. In het kader van de Kaderrichtlijn Water wil Rijkswaterstaat/GROW een meestromende nevengeul aanleggen in de uiterwaard van het plangebied. Deze meestromende nevengeul takt stroomopwaarts aan op de IJssel in de Buitenwaarden van Windesheim (ten noorden van de daar aanwezige gasleiding) en komt stroomafwaarts uit in de noordelijke insteekhaven. De geul wordt verbonden met de zuidelijke insteekhaven in verband met de inlaat van Zwolle Zuid. De insteekhaven verliest wel de directe verbinding met de IJssel voor watervaartuigen. De geul heeft een totale lengte van 850-900 meter (f iguur 4.29).

Meestromende nevengeulen vormen een habitat voor vissen en macrofauna (kleine waterorganismen) dat in de hoofdstroom van de IJssel verdwenen is, met name als gevolg van de scheepvaartfunctie van de rivier. In de geul zijn scheepvaartinvloeden (turbulentie en golfslag) beperkt aanwezig. Meestromende nevengeulen vormen daardoor een leefgebied voor riviertrekvissen als zeeprik, rivierprik, elft en zalm. Daarnaast bieden nevengeulen paai- en groeigebied aan andere stromingsminnende vissoorten als winde, barbeel, riviergrondel, serpeling, sneep en

Figuur 4.29 | Indicatieve ligging meestromende nevengeul (schetsontwerp oktober 2023, GROW)

Figuur 4.30 | Schematische doorsnede meestromende nevengeul (Arcadis, 2021)

Nieuw Harculo

||

71

kopvoorn. Ook biedt de nevengeul vervangend leefgebied voor aquatische macrofauna, met name wanneer verschillende substraten worden aangeboden, zoals zand, grind en rivierhout. Daarmee is een nevengeul ook voor andere fauna (met name vogels) en flora een waardevol leefgebied. Ook kan hij bijdragen aan de kwaliteit van het leefgebied van de otter. Gevarieerde taluds kunnen bovendien leefgebied vormen van allerlei (gravende) insecten. De geul moet vanwege de beschermingszone langs de dijk voldoende afstand tot de dijk hebben. Daardoor blijft tussen de dijk en de geul nog ruimte over voor inrichting als natuurgebied. De informatie en gebruikte afbeeldingen zijn aangeleverd door GROW. De omschrijving van de nevengeul zijn gebaseerd op een def initief schetsontwerp van GROW. Het voorlopig ontwerp wordt afgerond in 2025. Reales blijft in overleg met GROW voor de juiste inpassing van de nevengeul.

Figuur 4.31 | Hoogtekaart en dwarsprofiel Harculo (Bron: Actueel Hoogtebestand Nederland, AHN)

Figuur 4.32 | Impressie van nevengeul langs de IJssel (Bron: Arcadis Landschapsarchitectuur)

72

| | Natuurontwikkelplan

4.5.3 Dijkversterkingsproject IJsseldijk Zwolle-Olst (IJsselwerken) Vanwege de in de toekomst verwachte hogere piekafvoeren in de rivieren worden waterveiligheidsmaatregelen genomen langs de rivieren. In het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) werken de 21 Nederlandse waterschappen en Rijkswaterstaat samen aan de grootste dijkversterkingsoperatie ooit sinds de Deltawerken. Het doel van het HWBP is dat in 2050 alle primaire keringen op een sobere en doelmatige wijze zijn versterkt, zodat deze voldoen aan de normen van de Waterwet.

Hiermee wordt de waterveiligheid van Nederland gewaarborgd. De dijk in het plangebied wordt in het project HWBP IJsselwerken in de komende jaren versterkt. Dit project verkeert momenteel in de planuitwerkingsfase, waarin het Voorkeursalternatief in detail wordt uitgewerkt, in overleg met bewoners en belanghebbenden.

hevelhuisjes, is alleen een vervanging van de buitendijkse kleilaag voorzien. De dijkversterking heeft daarmee geen directe gevolgen voor het buitendijkse deel van het plangebied (uiterwaard en havens). Aan de binnenzijde van de dijk wordt het opgehoogd.

Het voorkeursalternatief bestaat voor de dijken rondom de beide insteekhavens uit een binnendijkse versterking met een verticale pipingoplossing tot de hevelhuisjes (een verticaal ‘scherm’ dat kwel onder de dijk voorkomt). Voor het dijktraject tussen de uiterwaard en het voormalige centraleterrein, ten westen van

Figuur 4.33 | Impressie nevengeul (Foto: Wim Eijkelboom; Bron: Waterforumnet)

Nieuw Harculo

||

73

4.5.4 Stikstof Het plangebied van Nieuw Harculo grenst aan en ligt gedeeltelijk ook in het Natura 2000-gebied Rijntakken en ligt bovendien op korte afstand van verschillende Natura 2000-gebieden, waaronder de Veluwe, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en Vecht- en Beneden-Reggegebied (zie figuur 4.34). Gelet op de nabijheid van diverse Natura 2000-gebieden, dient rekening gehouden te worden met mogelijke signif icante gevolgen van stikstofdepositie gedurende de aanleg- en/ of gebruiksfase van het project in de betreffende Natura 2000-gebieden. Reales onderzoekt met de Gemeente Zwolle of in overleg met de Provincie Overijssel significante gevolgen op (een) Natura 2000-gebied(en) op voorhand zijn uit te sluiten (bijvoorbeeld met een ecologische beoordeling of intern salderen), of dat op grond van een passende beoordeling de zekerheid kan worden verkregen – bijvoorbeeld met externe saldering – dat het plan/ project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast en – in het projectspoor – een vergunning kan worden verleend voor de realisatie van het project. In het planspoor wordt nadrukkelijk onderzocht of eventuele signif icante gevolgen op (een) Natura 2000-gebied(en) op voorhand zijn uit te sluiten door middel met het stopzetten van de bemesten van percelen het plangebied (intern salderen).

In het projectspoor zal in samenspraak met de Provincie Overijssel worden onderzocht of het beëindigen van de bemesting van percelen in het plangebied als mitigerende maatregel in de passende beoordeling kan worden betrokken (extern salderen).

74

| | Natuurontwikkelplan

Figuur 4.34 | Overzicht Natura 2000-gebieden rondom Nieuw Harculo

Figuur 4.35 | Landschappelijk raamwerk Nieuw Harculo in aansluiting op het bestaande (stedelijk) landschap

Nieuw Harculo

||

75

DEEL 2 | 5. Toetsing aan wetgeving en beleid 5.1 Inleiding In hoofdstuk 3.1 zijn de wettelijke en beleidsmatige kaders geschetst waar de ontwikkeling van Nieuw Harculo aan moet voldoen. Binnen deze kaders is vervolgens een programma van eisen opgesteld (hoofdstuk 3.2) en zijn de plannen uitgewerkt (hoofdstuk 4). Besluitvorming rondom Nieuw Harculo wordt afgestemd conform de kaders en wetgeving zoals beschreven in de volgende paragrafen. Daarvoor worden gedurende het planvormings- en besluitvormingsproces diverse toetsen uitgevoerd. Met deze toetsen wordt aangetoond dat de plannen uitvoerbaar en vergunbaar zijn. Dit betreft in ieder geval de vaststelling van het ROP en NOP, de vaststelling van het Omgevingsplan en de aanvraag van een omgevingsvergunning. Het is in dit verband van belang voor de voortgang van de planuitwerking om al in een vroeg stadium te beoordelen of we de plannen en ontwerpen binnen de juridische kaders kunnen uitvoeren. In dit hoofdstuk wordt deze toets (ex ante) uitgevoerd. In de planuitwerking die volgt op het ROP en NOP vindt een finale toets aan wet- en regelgeving behorend bij het Omgevingsplan, plaats voor het faciliteren van de besluitvorming en het verkrijgen van eventueel benodigde natuurvergunningen en/of -ontheffingen. Inmiddels is gebleken dat er geen omgevingsvergunning flora en fauna activiteit benodigd is.

5.2 Toetsing aan Natura 2000 Het buitendijkse deel van Nieuw Harculo ligt in een Natura 2000-gebied dat is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Dit betekent dat het gebied dient voor bescherming van de daar voorkomende soorten vogels. Habitattypen en habitatrichtlijnsoorten in dit

76

| | Natuurontwikkelplan

Figuur 5.1 | Natura 2000-gebied Rijntakken in de omgeving van Nieuw Harculo (Legenda: lichtblauw: Vogelrichtlijngebied; groen: Habitatrichtlijngebied + Vogelrichtlijngebied; donkerpaars: habitattypen; lichtpaars: leefgebiedtypen)

deel van het Natura 2000-gebied vallen ook onder de bescherming van Natura 2000/Omgevingswet. Binnen het plangebied voor Nieuw Harculo komen echter geen habitattypen en leefgebieden van habitatrichtlijnsoorten voor (zie figuur 5.1). Directe aantasting hiervan is daarom op voorhand uitgesloten. Nadelige effecten op habitatrichtlijnsoorten zijn ook uitgesloten op basis van het ecologisch veldonderzoek uit 2024 (zie bijlage 5). Zie in dat kader ook paragraaf 3.2.3. Stikstofuitstoot die tijdens de bouw en bij het gebruik van het gebied vrijkomen, bijvoorbeeld uit mobiele werktuigen en verkeer, kunnen op grotere afstand leiden tot stikstofneerslag op daarvoor gevoelige habitattypen. In het buitendijkse gebied van het plangebied voor Nieuw Harculo zijn geen geschikte broedlocaties voor broedvogels waarvoor het gebied is aangewezen. Negatieve gevolgen voor broedvogels zijn daarom uitgesloten. In het buitendijkse deel van het plangebied voor Nieuw Harculo komen wel diverse soorten niet-broedvogels voor. Het gebied dient als rustgebied (met name de havens) en als voedselgebied (water, grasland). Diverse soorten ganzen vinden voedsel op graslanden en rusten in de havens, diverse soorten eenden rusten en vinden voedsel in de havens en verschillende soorten steltlopers vinden voedsel langs de oevers van de havens, de IJssel en in de graslanden.

Bij de uitvoering van de plannen voor natuurontwikkeling in het buitendijkse gebied kunnen deze gebieden tijdelijk ongeschikt zijn als voedsel- en rustgebied. De genoemde soorten zijn niet afhankelijk van Nieuw Harculo. Vergelijkbare graslanden en wateren komen in de wijde omgeving van het plangebied veel voor. Deze vogels kunnen daarom zonder nadelige gevolgen tijdelijk uitwijken naar andere gebieden in de omgeving. De natuurmaatregelen in het buitendijkse gebied zijn voor veel van deze soorten gunstig, omdat de kwaliteit van rust- en voedselgebieden verbetert. Omdat de buitendijkse gebieden niet toegankelijk zijn voor mensen (en honden), is directe verstoring uitgesloten.

Wel is mogelijke verstoring door uitstraling van verlichting vanuit het woongebied naar het buitendijkse gebied een aandachtspunt bij de verdere ontwikkeling van plannen.

5.3 Toetsing aan soortbescherming Omgevingswet Voor alle soorten, ook als ze niet beschermd zijn, geldt de algemene zorgplicht in de Omgevingswet. Dit houdt in dat we bij de uitvoering van het plan zorgvuldig moeten omgaan met in het wild levende soorten planten en dieren en onnodige effecten moeten voorkomen. Dit nemen we mee in een ecologisch werkprotocol voor de uitvoering van de diverse deelplannen voor het gebied. Dit is vooral van belang voor de hazen in het gebied. Deze soorten zijn weliswaar vrijgesteld van vergunningplicht door de provincie Overijssel, maar de zorgplicht in de Omgevingswet vraagt wel om een zorgvuldige oplossing voor deze dieren. Het leefgebied gaat als gevolg van de woningbouw grotendeels verloren. Er zal daarom een plan worden gemaakt voor het ‘verhuizen’ van de hazen naar geschikt alternatief leefgebied. Verder geldt voor Nieuw Harculo dat: • er een ecologische veldonderzoek is afgerond in 2024, zie bijlage 5; • beschermde soorten planten, reptielen en ongewervelden niet voorkomen in het plangebied; • eventuele effecten op algemene zoogdieren en amfibieën vrijgesteld zijn van ontheffing door de provincie Overijssel; • overtredingen van algemene verbodsbepalingen voor niet-broedvogels zijn uitgesloten; • overtredingen van algemene verbodsbepalingen voor broedvogels, vleermuizen en kleine marterachtigen niet op voorhand zijn uitgesloten.

Deze overtredingen kunnen we voorkomen door gericht onderzoek te doen wanneer we beplanting verwijderen en bestaande gebouwen slopen of renoveren.

5.4 Toetsing aan provinciale gebiedsbescherming De dijken en taluds van delen van de beide insteekhavens tot aan de waterlijn behoren tot bestaande natuur van het NNN. Het overige deel van het buitendijkse gebied is opgenomen als ‘zone ondernemen met natuur en water buiten het NNN’. Binnen het NNN mogen in beginsel geen omgevingsplannen worden vastgesteld voor ontwikkelingen die de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden aantasten. De ontwikkeling van de dijk (na de dijkversterking) en de taluds van de havens is gericht op behoud en verdere ontwikkeling van natuurwaarden. Ze zijn daarmee niet strijdig met het beschermingskader voor het NNN. De plannen voor natuurontwikkeling in het buitendijkse gebied passen binnen de doelstellingen voor de ‘zone ondernemen met natuur en water buiten het NNN’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=8da86798-f6b8-494a-a41c-837fcdeaf2bc