CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 NOP Nieuw Harculo

Raad Besluitvormingsronde 6 mei 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Ruimtelijk Ontwikkelplan en Natuurontwikkelplan Nieuw Harculo37.136 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Figuur 1.1 | Luchtfoto huidige situatie plangebied vanuit het zuiden

28

| | Natuurontwikkelplan

wettelijke en beleidsmatige kaders, zodat het ROP vanuit deze kaders uitvoerbaar is. Daarnaast is het ecologisch programma van het NOP zo goed mogelijk geïntegreerd in het ROP. 2. Uitvoeren van wettelijk verplichte toetsen aan de wet- en regelgeving voor natuur, zodat verdere vaststelling van het ROP door de gemeenteraad kan plaatsvinden in overeenstemming met relevante beschermingskaders voor natuur. 3. E r bleken geen aanpassingen nodig aan het ROP naar aanleiding van de wettelijk verplichte toetsen van natuur wet- en regelgeving. Ook bleken er geen aanpassingen benodigd naar aanleiding van het ecologisch

veldonderzoek in 2024. Wel zijn er wat aanbevelingen gedaan die in het def initieve ontwerp worden opgenomen. Deze worden verwerkt in het definitieve ontwerp (DO) en het Omgevingsplan. 4. Er is enkel een vergunning Natura 2000-activiteit nodig bij extern salderen. Flora en fauna acitiviteit bleek niet nodig na aanvang van ecologisch veldonderzoek uit 2024 (zie bijlage 5). Dit proces wordt doorlopen in nauwe samenwerking met de bij het ROP betrokken stedenbouwkundigen en landschapsontwerpers

vanuit buro MA.AN en de gemeente Zwolle. Bovendien heeft Reales omwonenden, belanghebbenden en andere stakeholders betrokken bij het opstellen van het NOP.

1.2 Deelgebieden Gelet op de omvang van het plangebied en de ecologische variëteit is het plangebied opgedeelt in de drie landschappelijke deelgebieden met subdeelgebieden (zie figuur 1.2 & 3.6) waar in het NOP veelvuldig naar wordt verwezen:

1. Uiterwaarden en nevengeul IJssel 1.1 Broedvogeleiland 1.2 Meestromende nevengeul 1.3 Dijkzone 1.4 Insteekhavens 2. Nieuw Harculo 2.1 Tussen de Dijken 2.2 Klimaatpark 2.3 In de Centrale 3. Parken en landgoederen 3.1 Energietuin 3.2 De Uitspanning

3. Parken en landgoederen

1. Uiterwaarden & nevengeul IJssel

2. Nieuw Harculo

Figuur 1.2 | Drie landschappelijke deelgebieden

Nieuw Harculo

||

29

DEEL 2 | 2. SAMENVATTING LESA Een LESA (Landschapsecologische Systeemanalyse, zie bijlage 1) helpt om de natuurlijke en door menselijk gebruik veroorzaakte (ecologische) kenmerken en processen binnen een gebied te begrijpen. Een LESA laat sturende patronen en processen en hun invloed op het ecosysteem in het gebied zien. Maatregelen voor versterking van de natuur in het gebied maken bij voorkeur gebruik van deze patronen en processen, omdat ze dan het meeste opleveren voor de natuur. De LESA voor Nieuw Harculo heeft als doel: • Een beter begrip van de systeemwerking van het gebied, de invloed van het gebruik/beheer en van de omgeving; • Een beter beeld van niet of moeilijk haalbare doelen, maar ook van te benutten kansen; • D uidelijke kaders voor het opstellen van plannen en uitvoeren van maatregelen.

2.1 Ruimtelijke ontwikkelingen rond Harculo De LESA laat zien dat er in het plangebied van Nieuw Harculo in de afgelopen 100 jaar grote ruimtelijke veranderingen zijn geweest. Van het landschap van de eerste helft van de 20e eeuw zijn veel elementen verdwenen of veranderd. In het begin van de 20e eeuw maakte het plangebied deel uit van het winterbed van de IJssel. Ter hoogte van het plangebied week de dijk uit naar het oosten, waarschijnlijk omdat hier een aantal doorbraakkolken waren gevormd1. De uiterwaard was daardoor relatief breed en de doorbraakkolken zijn op kaart zichtbaar als van de rivier geïsoleerde waterpartijen. De uiterwaard werd gebruikt als grasland en er zijn kleine ooibosjes zichtbaar op de kaart uit 1925.

Ook in het gebied tussen de dijk en de spoorlijn waren doorbraakkolken aanwezig. Het landschap bestond hier verder uit graslanden en kleine bosjes. De buitendijkse kolken werden gevoed door kwelwater uit de ondergrond. Deze kolken werden gekoesterd als natuurbad vanwege het kristalheldere en schone water dat uit de zandhoudende grond opwelde. In de jaren 30 werd de zuidelijke kolk (Herculosche Kolk) ingericht als openluchtbad. Door de steeds grotere vraag naar baksteen voor de bouw werden overal langs de oevers van de IJssel baksteenfabrieken gebouwd. Klei werd afgegraven in de uiterwaarden en in nabijgelegen steenfabrieken verwerkt tot bakstenen. Langs de IJssel verrezen verschillende steenfabrieken, onder andere in Harculo, Schelle en Windesheim. De klei werd gewonnen in de aanliggende uiterwaarden.

1. Bij de in vroegere tijden regelmatig optredende dijkdoorbraken werden door de kracht van het binnenstromende water vaak diepe kolken gevormd. De dijk werd daarna vaak opnieuw aangelegd aan de voor- of achterzijde van deze kolken, waar als gevolg van de doorbraak zand en klei waren afgezet. Deze vormden een stevige basis voor de nieuwe dijk. De doorbraakkolken bleven als relatief diepe wateren (‘wielen’) in het landschap achter.

Figuur 2.1 | Ruimtelijke veranderingen bij Harculo 1925-2022. Situatie 1925 (links), situatie 1994 (midden) en (rechts) situatie 2022 (Bron: Topotijdreis)

30

| | Natuurontwikkelplan

In 1951 startte de bouw van de IJsselcentrale Harculo. Aan de rivierzijde werd een nieuwe, hoge fabrieksdijk aangelegd. Twee kolken werden omgevormd tot buitendijkse havenkommen voor de aan- en afvoer van koelwater en materialen. De centrale zelf lag daarmee binnendijks. Er werd een doorbraak gegraven vanuit de IJssel naar het oude Kristalbad, dat zo onderdeel werd van het invoerkanaal naar de IJsselcentrale. Met de uitgegraven bagger werd het terrein opgehoogd en rondom de fabrieksdijk aangelegd. De oude IJsseldijk doorsneed feitelijk het fabrieksterrein. De IJsselcentrale werd in de loop van de jaren verder uitgebreid (f iguur 2.2). Uitgangspunt voor het ontwerp was het concept ‘volumes in het groen’: grote, rationeel vormgegeven gebouwvolumes en een stoere landschapsinrichting met robuuste groenblokken vormden een samenhangend beeld. Waar de IJsselcentraleweg en de Professor Feldmannweg samenkomen, verrees een cluster met ‘kleinere gebouwen’ zoals het Dienstengebouw, de Hijshal en de Koelwaterhal. Hier bevonden zich ook de kantoren en de ontmoetingsruimtes. De omgeving van de dienstwoningen, ook aan de ‘binnenzijde’ van de oorspronkelijke dijk, is in dezelfde geest van de wederopbouw ontworpen, maar hier is juist de relatie gezocht met het meer kleinschalige coulisselandschap van het binnendijkse landschap en met de kolk.

Het gemeenschappelijk groen en de moestuinen lopen over in de natuurlijke oevers rond de kolk en er staan verschillende boomsoorten, die het gebied nu een rijk en groen karakter geven. Het buitendijkse gebied dat is afgegraven en geïsoleerd raakte door beide insteekhavens, wordt nu nog steeds gebruikt als landbouwgebied. Het bestaat nu uit (verruigd) grasland. Het plangebied met de huidige inrichting is weergegeven op de luchtfoto (figuur 2.3). Vanaf 2016 is een groot deel van de gebouwen op het terrein, waaronder de IJsselcentrale zelf, ontmanteld.

Figuur 2.2 | Luchtfoto van de voormalige IJsselcentrale

Figuur 2.3 | Luchtfoto van de huidige situatie in het plangebied

Nieuw Harculo

||

31

Een deel van de gebouwen en faciliteiten bleef staan. Deze gaan deel uitmaken van het toekomstige plan. De insteekhavens met steigers zijn in originele staat bewaard gebleven. Ook de schakeltuin van TenneT blijft voorlopig in werking en gehandhaafd. De locatie van de centrale bestaat nu uit een groot grasveld, dat hoog in het landschap ligt. Het gebied rond de IJsselcentraleweg is een kleinschalig ingericht landschap van beplanting, grasvelden, woningen, waterpartijen en zonneweides.

2.2 Geomorfologie, reliëf en bodem Van de oorspronkelijke geomorfologie, de oorspronkelijke vorm van het landschap, is in het plangebied vrijwel niets meer overgebleven

(f iguur 2.4). De geleidelijke overgang van de stroomrug naar de vlakte van rivierafzettingen die hier waarschijnlijk heeft gelegen, is niet meer zichtbaar. De uiterwaarden aan de oostzijde van de IJssel zijn afgegraven of geëgaliseerd, waarschijnlijk voor kleiwinning. Het terrein van de voormalig IJsselcentrale is kunstmatig opgehoogd. Alleen de oostzijde van het gebied, rond de IJsselcentrale, heeft nog kenmerken van de brede stroomrug die hier ligt. De beide havens zijn uitgegraven in de oorspronkelijke doorbraakkolken, die hiermee hun natuurlijke karakter ook hebben verloren.

2.3 Watersystemen Een deel van het plangebied, de uiterwaard en de beide insteekhavens, ligt buitendijks en staat

in directe verbinding met de IJssel. De wisselende waterstanden en stroming in de IJssel beïnvloeden deze delen van het plangebied. De waterstanden in de IJssel kunnen sterk variëren. De winterdijk beschermt het achterliggende gebied tegen overstromingen vanuit de IJssel. Bij hoge waterstanden kan het water in de IJssel en de uiterwaard hoger staan dan het maaiveld achter de dijken. Dan is er kans op het optreden van rivierkwel, waardoor het binnendijkse gebied natter wordt. Het oppervlaktewater in het binnendijkse deel van het plangebied bestaat uit de restanten van een doorbraakkolk en enkele smalle watergangen. Langs de IJsselcentrale ligt een watergang die water uit de IJssel naar het achterland kan voeren via een gemaal aan de zuidelijke insteekhaven. Deze watergang staat ook in verbinding met de vijver bij de Professor Feldmannweg. Verder zorgt een aantal sloten en greppels voor de drainage en watervoorziening van de terreinen (figuur 2.5).

2.4 Ecologie In de afgelopen jaren heeft op verschillende momenten ecologisch onderzoek plaatsgevonden in het gebied, zowel in de ‘groene’ delen als in de overgebleven gebouwen van de IJsselcentrale. In 2024 heeft opnieuw een grondig onderzoek plaatsgevonden naar de aanwezigheid van beschermde, bedreigde en/ of bijzondere soorten wilde planten & dieren in het gebied. De huidige vegetatie van het plangebied is sterk beïnvloed door de inrichting en het voormalig gebruik. De uiterwaard bestaat uit soortenarm voedselrijk grasland met veel ruigtekruiden zoals brandnetels en distels. De hoge voedselrijkdom komt door een combinatie van agrarisch gebruik (bemesting) en afzetting van voedselrijk slib door de IJssel. Het gebied wordt nu begraasd. Uit het ecologisch veldonderzoek in 2024 (zie Figuur 2.4 | Geomorfologische kaart

32

| | Natuurontwikkelplan

bijlage 5. Soortenonderzoek Ecologencollectief) bleek dat er in het zuidelijk deel van de uiterwaard ook stroomdalflora voorkomt, zoals wilde kruisdistel, meidoorn, hondsroos en geel walstro. In het gebied komen verder geen kenmerkende graslandvegetaties zoals glanshaverhooiland, kievitsbloemhooiland of stroomdalgrasland voor. Alleen op de oeverwal groeit hier en daar wat kruisdistel (een stroomdalplant). Op de dijk zijn iets meer plantensoorten te vinden, maar alleen algemene plantensoorten die op intensief beheerde graslanden voorkomen. Centraal in het plangebied ligt het terrein van de voormalige centrale Harculo (‘Nieuw Harculo’). Het overgrote deel van dit terrein bestaat uit intensief beheerd grasland. De directe omgeving bestaat uit verharde wegen en paden met grasbermen en –dijken. Deze bermen en dijken

worden ook kort gemaaid. Door het beheer van de afgelopen jaren is deze vegetatie bloemrijk geworden, wat ook betekenis heeft voor veel soorten insecten, waaronder veel soorten dagvlinders. Uit de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) en ecologisch veldonderzoek in het gebied is gebleken dat in het plangebied geen beschermde plantensoorten voorkomen. Binnen het plangebied zijn zowel rust- als verblijfplaatsen van steenmarter en bunzing aangetroffen. Ook is de wezel waargenomen binnen het plangebied. Verschillende vleermuissoorten zoeken hun voedsel in het gebied. Uit het veldonderzoek in 2024 is gebleken dat in het gebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn.

In het ecologisch onderzoek van 2024 (zie bijlage 5. Soortenonderzoek Ecologencollectief ) zijn 64 broedvogelsoorten in het gebied waargenomen. Niet al deze soorten kwamen in het gebied ook daadwerkelijk tot broeden. Alleen van de slechtvalk is een vaste nestplaats aanwezig, in een nestkast die is geplaatst op de communicatiemast bij de ingang van het gebied. De uiterwaard is broedgebied van de grauwe gans en de grote Canadese gans. Op de dijk broeden gele kwikstaart, grasmus en rietgors. Het buitendijkse grasland is geschikt als pleisterplaats voor steltlopers als grutto, tureluur en wulp. In het gebied zijn minimaal 16 soorten niet-broedvogels waargenomen waarvan het leefgebied binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken behouden moet blijven. Het gaat om verschillende soorten steltlopers (scholekster, wulp, kievit, grutto), visetende watervogels (fuut, aalscholver), eenden (krakeend, kuifeend, slobeend, smient, wilde eend en wintertaling) en ganzen (grauwe gans, kolgans). Verspreid door het gebied komen verschillende algemene soorten amfibieën voor, zoals de gewone pad, kleine watersalamander en groene kikker. Binnen het gebied is de sleedoornpage te vinden, hoewel deze soort bij het ecologisch onderzoek in 2024 (zie bijlage 5. Soortenonderzoek Ecologencollectief) niet is aangetroffen.

Wel zijn er 20 andere dagvlindersoorten waargenomen, waarvan de meeste algemene soorten zijn. Bijzonder is wel het voorkomen van het icarusblauwtje en het bruin blauwtje. Langs de IJssel zijn geschikte rust- en voortplantingsplekken voor de rivierrombout (libelle) in de vorm van zandige oevers (voortplanting) en kruidenrijk grasland (foerageren). In 2021 is de sierlijke witsnuitlibel waargenomen rond het ven naast de schakeltuin. Deze zeldzame soort houdt van een goede waterkwaliteit en een goed ontwikkelde onderwatervegetatie, liefst in een bosrijke omgeving.

Figuur 2.5 | Oppervlaktewatersysteem (Bron: Legger 2021, Waterschap Drents- en Overijsselse Delta)

Nieuw Harculo

||

33

Het is aannemelijk dat er binnen het gebied of in de omgeving voortplanting plaatsvindt. De aanwezigheid van de soort is een indicator voor de goede ecologische staat van de kolk. De voorheen in Nederland uitgestorven soort neemt sinds het begin van deze eeuw in aantallen toe.

IJssel overheersend, in het binnendijkse gebied wordt de grondwaterstand beinvloed door de IJsselstand. Beide gebiedsdelen zijn in de loop van de jaren sterk beïnvloed door exploitatie en gebruik door mensen. Het hele gebied heeft daardoor een sterk kunstmatig karakter.

juist waardevolle ‘dragers’ zijn van bloem- en insectenrijke graslanden. Dit dient afgestemd te worden met WDOD binnen het HWBP. Bij de inrichting van het gebied houden we rekening met het verschil in intensiteit van gebruik van de oevers aan de binnenzijde en buitenzijde.

2.5 Autonome ontwikkelingen

2.7 Ecologische potenties

Door de verbinding met de IJssel domineert de invloed van het rivierwater in de insteekhavens. Ook ligt hier een gemaal waarmee water uit de IJssel naar het binnendijkse gebied wordt ingelaten. Omdat er een verbinding is van de beide havens met de IJssel is er sprake van een dynamisch milieu met wisselende waterstanden zonder stroming. De vegetatie moet zich daarom vooral aanpassen aan grote peilverschillen van het water in de haven. Dit zijn locaties waar zich typische vormen van riviernatuur kunnen ontwikkelen, variërend van de droge kruin van de dijk tot het deel van de haven dat permanent onder water staat. Afhankelijk van het beheer kan het daarbij gaan om graslanden, droge en natte ruigten, slikkige of zandige rivieroevers en ooibos.

Verschillende toekomstige ontwikkelingen hebben invloed op het plangebied, nog los van de realisatie van Nieuw Harculo zelf. Deze ontwikkelingen hebben invloed op de ecologie van het gebied, maar bieden ook kansen. Naast klimaatverandering, heeft het dijkversterkingsproject in het kader van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) voornamelijk gevolgen voor de buitenzijde van de dijk. Hier wordt een nieuwe kleilaag aangebracht. Daarnaast heeft het Kaderrichtlijn Water (KRW)-project van Rijkswaterstaat invloed op het plangebied. In dit project wordt namelijk een meestromende nevengeul in het plangebied van Nieuw Harculo aangelegd. Dit KRW-project wordt uitgewerkt in samenhang met het ontwerp voor Nieuw Harculo.

2.6 Samenhang grondgebruik, abiotische omstandigheden en natuur De IJssel beïnvloedt in wisselende mate de verschillende delen van het plangebied. De dijk vormt de scheidslijn tussen het dynamische winterbed van de IJssel en het (veel) minder dynamische binnendijkse gebied. In het buitendijkse gebied is de invloed van de

34

| | Natuurontwikkelplan

Uiterwaarden en nevengeul IJssel De mogelijkheden voor ontwikkeling van de ecologische waarden in de rivier zelf zijn beperkt vanwege de scheepvaartfunctie. De maatregelen vanuit de KRW richten zich vooral op de ontwikkeling van natuur in en bij het water in de uiterwaarden, die minder sterk onder invloed van de scheepvaart staan. De huidige uiterwaard heeft een beperkte ecologische waarde door het jarenlange agrarische gebruik met bemesting. Er komen weinig bijzondere plantensoorten voor en ook de betekenis voor de fauna is beperkt. In het gebied komt voor de KRW een meestromende nevengeul, in samenhang met de zuidelijk gelegen Buitenwaarden Windesheim. In de uiterwaard bestaat ook de mogelijkheid voor de ontwikkeling van soortenrijke graslanden. Het type grasland dat zich hier kan ontwikkelen, is afhankelijk van de bodemgesteldheid en de mate waarin deze beïnvloed kan worden, bijvoorbeeld door opbrengen van zand. Het scala aan mogelijkheden varieert van stroomdalgraslanden (op kalkrijk zand met beperkte rivierinvloed), via glanshaverhooilanden (op wat meer leemhoudende gronden) tot bloemrijke weidevogelgraslanden (op meer voedselrijke klei-, zavel- of zandgronden). De huidige ecologische waarde van de IJsseldijk is beperkt. Door een specifieke inrichting (materiaalgebruik) en beheer kunnen dijken

De diepe insteekhavens vormen voor vissen een vluchtplaats bij extreme omstandigheden in de rest van hun leefgebied (zoals bij zeer lage waterstanden met droogvallende geulen en hoge watertemperaturen of extreme vorst). De diepte van de havens biedt meer stabiele condities die voor het overleven van (rivier-)vissen van belang zijn.

Nieuw Harculo Het centrale gedeelte van het plangebied bestaat uit een omvangrijk grasland, met een soortenarme begroeiing. Bij de inrichting van het terrein als woonwijk kan men er in principe alle kanten mee op. Er is veel keuzevrijheid omdat bestaande waarden ontbreken en inrichting en beheer daarom vrij is. Het ligt voor de hand om begroeiingen in de openbare ruimte aan te laten sluiten bij de voor het rivierenlandschap kenmerkende vegetaties en soorten.

Langs de randen van het terrein, met name aan de zuidzijde rond de monumentale panden, liggen kleine oppervlaktes met minder intensief beheerde graslanden. Deze bestaan vooral uit soortenarme glanshavervegetaties, soms met algemene bloemen en planten. Met goed (verschralings-)beheer kan de kwaliteit van deze graslanden verder verbeteren en kunnen ze meer betekenis krijgen voor de fauna.

Parken en landgoederen Binnen het gebied is een gevarieerde begroeiing van verschillende soorten struiken en bomen, vooral rondom de kolk. Het gebied heeft waarde voor algemene soorten vogels, zoogdieren en insecten. De Energietuin aan de oostzijde van het plangebied maakt deel uit van de corridor die besloten landschappen van parken, bossen, struwelen

en landgoederen tussen Zwolle en Windesheim met elkaar verbindt. Wanneer deze verbindingen goed (gaan) functioneren dan is dit deelgebied een onmisbare schakel. Het kan verder verbeterd worden door vernatting van de nu nog vochtige bossen en struwelen, verbetering van de kwaliteit van het water en de oevers van de kolk aan de oostzijde van de Energietuin en vermindering van barrièrevorming door wegen en de spoorbaan door eenvoudige faunapassages en geleiding.

De oude gebouwen van de IJsselcentrale (deelgebied de Uitspanning) zijn mogelijk geschikt voor vogels en vleermuizen. In opdracht van RAW/BOEi is in 2021 onderzoek gedaan naar vleermuizen in de bestaande gebouwen. Uit soorten onderzoek 2024 is gebleken dat er geen verblijf plaatsen van vleermuizen en geen jaarrond beschermde nestplaatsen zijn aangetroffen. Bij eventuele renovatie wordt dit meegenomen.

Ook voor broedvogels kan het gebied verder in waarde toenemen. Daarnaast omvat de Energietuin percelen in het oostelijk deel van het gebied die worden gebruikt als zonneweide, schakelstation en opslag. Een mogelijke potentie is het insectenvriendelijk beheer van de ondergroei hierdoor kan de ecologische waarde aanzienlijk toenemen, met name in de vorm van bloemrijke (en dus insectenrijke) vegetaties.

Reales zal in samenwerking met de gemeente voor de openbare gebieden binnen haar eigendom en welke niet duidelijk omschreven zijn in het ROP of NOP, in de verdere uitwerking gezamenlijk nazien of vanuit beheer of gebruik een opwaardering nodig is om ze kwalitatief aan te laten sluiten op de nieuwe woonwijk. Hieronder vallen plekken als het wandelpad bij de kolk en het parkeerterrein in de Energietuin.

Figuur 2.6 | Luchtfoto huidige situatie plangebied vanaf de IJssel richting het oosten

Nieuw Harculo

||

35

DEEL 2 | 3. Programma van eisen en wensen 3.1 Inleiding In de LESA is in historisch, fysisch-geografisch en ecologisch opzicht inzichtelijk gemaakt hoe het plangebied van Nieuw Harculo is ontstaan en hoe het momenteel functioneert. Daarbij is in kaart gebracht wat de bestaande karakteristieken van het plangebied zijn, zoals typen leefgebieden, ecologische processen en de ecologische relaties tussen delen van het plangebied onderling én met de rest van de omgeving. Met de kennis uit de LESA beschrijven we in dit hoofdstuk het programma van eisen en wensen. Dit doen wij door in paragraaf 3.2 eerst inzichtelijk te maken wat moet op basis van wet- en regelgeving. Vervolgens wordt in paragraaf 3.3 beschouwd wat kan en wat wenselijk is.

3.2.2 Natuurbeschermingswetgeving in de Omgevingswet Sinds 1 januari 2024 is de natuurbeschermingswetgeving opgenomen in de Omgevingswet. Daarbij is de Wet natuurbescherming vervallen. Het begrippenkader en sommige procedures zijn aangepast aan de systematiek van de Omgevingswet (Backes et al., 2024). Zo is er niet langer sprake van een natuurvergunning en een ontheffing beschermde soorten, maar bestaat alleen nog de omgevingsvergunning. Die is nodig wanneer sprake is van een Natura 2000-activiteit en/of een Flora- en fauna-activiteit. Bij Nieuw Harculo zijn beide activiteiten aan de orde. Inhoudelijk is er weinig veranderd aan de wijze waarop natuurgebieden en soorten beschermd worden en de verplichtingen voor

initiatiefnemers en het bevoegd gezag. In grote lijnen liggen er voor een initiatief nemer drie belangrijke verplichtingen: • Uitvoeren van voldoende onderzoek om effecten van zijn activiteit te kunnen bepalen en beoordelen; • Naleven van de zorgplichten voor beschermde gebieden en soorten; • Aanvragen van een omgevingsvergunning. De paragrafen 3.2.3 en 3.2.4 gaan in op de regels die volgens de Omgevingswet gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden en beschermde soorten. Deze regels zijn opgenomen in de Omgevingswet (Ow) zelf en in een tweetal Algemene maatregelen van bestuur, te weten:

Aan de hand van deze analyse wordt in paragraaf 3.4 een programma van eisen en wensen geformuleerd voor de (natuur)ontwikkeling in Nieuw Harculo.

3.2 Wat moet: eisen vanuit wetgeving en beleid 3.2.1 Inleiding De harde kaders voor de (natuur)ontwikkeling in het plangebied worden gesteld in Europese en nationale regelgeving en op lokaal niveau in het provinciale en gemeentelijke natuurbeleid. In deze paragraaf brengen we eerst de kaders uit de Natuurbeschermingswetgeving in kaart. Vervolgens gaan we in op de Kaderrichtlijn Water en de gevolgen daarvan voor het plangebied. Tot slot wordt het provinciale en gemeentelijke beleid inzichtelijk gemaakt. Figuur 3.1 | Begrenzing vogelrichtlijn van Natura 2000-gebied Rijntakken in de omgeving van Nieuw Harculo

36

| | Natuurontwikkelplan

• het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit besluit bevat de algemene rijksregels voor activiteiten in de leefomgeving. Diegene die de activiteit uitvoert, moet zich aan deze regels houden; • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin staan regels over omgevingswaarden, instructieregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.

3.2.3 Omgevingswet: Natura 2000 Een deel van de havens, dijken en uiterwaard van Nieuw Harculo ligt Natura 2000-gebied Rijntakken (zie f iguur 3.1). Het deel waar woningbouw is voorzien, ligt niet in dit Natura 2000-gebied. De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden bij activiteiten die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de gebieden. Dergelijke projecten worden ‘Natura-2000-activiteiten’ genoemd2. De ontwikkeling van Nieuw Harculo kan als zo’n Natura 2000-activiteit worden beschouwd, omdat deze zowel direct als indirect significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Enerzijds omdat delen van de ontwikkeling binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Rijntakken plaatsvinden (uiterwaard en havens) en anderzijds omdat aanleg en gebruik van binnendijkse voorzieningen op afstand effecten kunnen hebben, bijvoorbeeld door verstoring of stikstofdepositie.

Natura 2000-gebied Rijntakken Vrijwel het hele Rijntakkengebied is aangewezen als Natura 2000-gebied. Het volledige

gebied is aangewezen als Vogelrichtlijngebied (gericht op broedvogels en niet-broedvogels), delen van het gebied zijn aangewezen als Habitatrichtlijngebied (gericht op habitattypen en niet-vogelsoorten). Dat is gedaan om aanwezige soorten en leefgebieden te bewaren, uit te breiden en/of te verbeteren. Delen van het plangebied van Nieuw Harculo zijn begrensd als Vogelrichtlijngebied (figuur 3.1). Hier liggen vooral beschermingsdoelen en mogelijke ontwikkelingsopgaven gericht op vogels. Maar het gebied kan ook bijdragen aan het halen van doelstellingen voor de Rijntakken voor habitats en andere soorten. Al deze habitats en soorten zijn met hun instandhoudingsdoelstellingen opgenomen in Tabel 3.1 (zie Bijlage 2). In de tabel is aangegeven voor welke habitattypen en soorten het plangebied een betekenis heeft of zou kunnen krijgen. Uit Tabel 3.1 (zie bijlage 2) blijkt dat voor veel habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en broedvogels binnen de Rijntakken een uitbreidings- of verbeteropgave geldt. De instandhoudingsdoelstellingen gelden voor het hele Natura 2000-gebied, dat zich uitstrekt over de riviertakken IJssel, Waal (inclusief Gelderse Poort) en Nederrijn. In Tabel 3.1 (zie bijlage 2) is aangegeven aan welke instandhoudingsdoelstellingen Nieuw Harculo een bijdrage zou kunnen leveren.

3.2.4 Omgevingswet: beschermde soorten Naast de aanwijzing van beschermde natuurgebieden regelt de Omgevingswet de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren. In de wet zijn de soortbeschermingsbepalingen uit de

Europese Vogel- en Habitatrichtlijn opgenomen en aangevuld met nationale regels. Een groot aantal planten en dieren is aangewezen als beschermde soort. In het plangebied Nieuw Harculo gaat het vooral om zoogdieren (inclusief vleermuizen) en alle soorten vogels en amfibieën. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende planten en dieren worden in de Omgevingswet een Flora- en fauna-activiteit genoemd3. Voor deze activiteiten geldt een specifieke zorgplicht (Besluit activiteiten leefomgeving, Bal, artikel 11.27). Ook moet voor een Flora- en fauna-activiteit volgens de Omgevingswet (art. 5.1) een omgevingsvergunning aangevraagd worden. Deze vergunningplicht geldt echter alleen voor de in het ‘Besluit activiteiten leefomgeving’ (verder afgekort als Bal) aangewezen gevallen. In het Bal zijn hiervoor zogenaamde schadelijke handelingen opgenomen, die het voortbestaan van beschermde planten en diersoorten mogelijk in gevaar brengen (Bal, art. 11.37, 11.46 en 11.54). De belangrijkste, voor ruimtelijke activiteiten relevante schadelijke handelingen zijn als volgt samen te vatten: • Het is verboden beschermde vogels en andere beschermde dieren opzettelijk te doden of te vangen.

• H et is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van beschermde vogels te vernielen of te beschadigen en voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van andere beschermde dieren te beschadigen of te vernielen (dit laatste ook onopzettelijk). • H et is verboden beschermde vogels en beschermde dieren van de Habitatrichtlijn opzettelijk te storen. Dit verbod is niet van toepassing op vogels, als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat

2. Onder een Natura 2000-activiteit wordt verstaan: een activiteit, inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (Bijlage bij art. 1.1. Ow). 3. Een Flora- en fauna-activiteit is gedefinieerd als: ‘een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Een Flora- en fauna-activiteit beperkt zich niet tot beschermde soorten, maar ziet op alle van nature in het wild levende dieren en planten.

Nieuw Harculo

||

37

van instandhouding van de betreffende vogelsoort. • Het is verboden om opzettelijk beschermde planten te plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen. • De provincies en het Rijk hebben uit de lijst van ‘Andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen. Voor een flora- en fauna-activiteiten die gevolgen heeft voor alleen deze soorten is geen omgevingsvergunning nodig. Deze lijst met vrijgestelde soorten kan verschillen per bevoegd gezag (per provincie en/ of Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur).

3.2.5 Kaderrichtlijn Water: ecologische waterkwaliteit De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn voor verbetering van watersystemen, zoals grondwater en oppervlaktewater. Het

moet de vervuiling van waterlichamen verminderen en voorkomen, duurzaam watergebruik bevorderen en de effecten van overstromingen en droogte beperken. De KRW stelt concrete doelen voor elk oppervlakte- en grondwaterlichaam. Uiterlijk in 2027 moeten de door de KRW aangewezen wateren voldoen aan de vastgestelde eisen. In Nederland zijn dat de stroomgebieden van de Eems, Rijn, Maas en Schelde. Voor het stroomgebied van de Rijn worden momenteel de laatste maatregelen uitgewerkt. Deze moeten de ecologische kwaliteit van de Rijntakken in Nederland op het gewenste niveau brengen. Veel van deze maatregelen liggen buitendijks langs de IJssel, ook in het plangebied van Nieuw Harculo. In dit deel zoeken we vooral naar mogelijkheden om stromend habitat te ontwikkelen voor kenmerkende en zeldzaam geworden soorten vissen en macrofauna. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een nevengeul van de IJssel in de uiterwaarden in en rond het plangebied.

3.2.6 Provinciaal natuurbeleid: Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn verantwoordelijk voor ontwikkeling en beheer van het NNN. In Overijssel is het NNN opgedeeld in 29 deelgebieden. Het plangebied voor Harculo valt binnen het deelgebied Uiterwaarden IJssel. Voor elk deelgebied van het NNN is een beschrijving van de belangrijkste kenmerken en de natuurwaarden opgesteld. Deze beschrijvingen van de wezenlijke kenmerken en waarden maken onderdeel uit van de Omgevingsverordening Overijssel. De beschrijvingen kunnen door gemeenten gebruikt worden bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen.

De IJsseldelta Het landschap van Uiterwaarden IJssel kenmerkt zich door een sterke verweving van het cultuurlandschap en de natuurlijke dynamiek. Het gebied bestaat in het zuidelijk deel uit een zandrivier met zowel stromende nevengeulen als stilstaande hanken en hoogwatergeulen. Vanaf Zwolle gaat de rivier over in een laagdynamisch overstromingsgebied en overloopgebieden. Het Reevediep functioneert hierbij als hoogwaterstroomgeul bij piekafvoeren van de IJssel richting het Drontermeer. In de buitendijkse delen van de IJssel is sprake van een grote interne variatie en diverse gradiënten in reliëf en bodemsamenstelling op relatief kleine schaal. In combinatie met de jaarlijkse overstromingen zorgt voor een rijke diversiteit in natuurwaarden. De gradiënt loodrecht op de rivier kenmerkt zich door de opeenvolging van de rivier, rivierstrandjes, oeverwallen, stroomruggen en rivierduinen, komgronden, en uiteindelijk de hoger gelegen dekzanden. Benutting van de natuurlijke dynamiek is essentieel voor duurzaam behoud van veruit de meeste kenmerkende natuurwaarden en natuurpotenties. Vanuit de randvoorwaarden van vaarwegbeheer en waterveiligheid zullen echter ook gerichte beheeringrepen noodzakelijk blijven, waarbij ook zoveel mogelijk rekening kan worden gehouden met de natuurwaarden.

Het rivierengebied van de IJssel is van internationale betekenis voor watervogels, wintergasten en als pleisterplaats voor doortrekkers. Uiterwaarden IJssel vormt (in potentie) een belangrijke ruimtelijke verbinding de randmeren, de grote laagveenmoerassen van Noordwest Overijsel en het rivierengebied van Neder-Rijn en de Gelderse Poort in Gelderland. Ook is het gebied een verbindende schakel in het netwerk van drogere gebieden aan weerszijden van het IJsseldal (Veluwe en de natuurgebieden in Salland).

38

| | Natuurontwikkelplan

Binnen het Natuurnetwerk Nederland mogen in beginsel geen bestemmingsplannen worden vastgesteld voor ontwikkelingen die de aanwezige en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden aantasten. Hiervan afwijken kan alleen voor ontwikkelingen met zwaarwegende maatschappelijke belangen als: • Er geen reële alternatieven zijn; • De negatieve effecten van de ontwikkeling zo veel mogelijk worden beperkt; • De overblijvende negatieve effecten in voldoende mate worden gecompenseerd. De begrenzing van het NNN is aangegeven in f iguur 3.2. De dijken en taluds van delen van de beide insteekhavens tot aan de waterlijn behoren tot bestaande natuur van het NNN. Het overige deel van het buitendijkse gebied is

opgenomen als ‘zone ondernemen met natuur en water buiten het NNN’. Deze zone bestaat uit (landbouw)gebieden rond het NNN met potentie voor ontwikkeling van groen ondernemerschap en natuur- en waterkwaliteit en uit het watersysteem. Het ontwikkelingsperspectief Zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW) richt zich op het realiseren van een robuust en samenhangend netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit. Het accent ligt op natuur die, naast biodiversiteit, betekenis heeft voor mensen en bijdraagt aan hun welzijn en welvaart. Om dit mogelijk te maken, bied de provincie/het Rijk ruimte aan de groeiende groep betrokken ondernemers en bewoners die zelf willen ondernemen met natuur en water.

Figuur 3.2 | Natuurnetwerk Nederland (Bron: geodata.overijssel.nl)

Binnen de Zone ONW buiten het natuurnetwerk is ruimte voor economische dragers die in harmonie met de natuur-, water- en landschappelijke kwaliteiten plaats kunnen vinden. De provincie/het Rijk ziet kansen voor bijzondere functiecombinaties zoals landbouw en natuur, specifieke vormen van verblijfsrecreatie, nieuwe landgoederen en wonen en werken met versterking van natuur- en/of waterkwaliteit. Het binnendijkse gebied is niet opgenomen in één van beide categorieën. Op dit gebied berust geen specifieke natuurdoelstelling of beschermingsregime voor natuur. Binnen deze zone is ruimte voor bewoners en ondernemers voor o.a. verblijfsrecreatie en wonen en werken met versterking van natuur-/en of waterkwaliteit.

Figuur 3.3 | Natuurwaardenkaart gemeente Zwolle (Bron: Omgevingsvisie 2030 gemeente Zwolle)

Nieuw Harculo

||

39

3.2.7 Gemeentelijk natuurbeleid In de omgevingsvisie van de gemeente Zwolle is een natuurwaardenkaart opgenomen (figuur 3.3). Hierop staat dat het buitendijkse gebied en het zuidelijke talud van de zuidelijke insteekhaven zeer hoge natuurwaarden hebben. Het overige binnendijkse gebied valt niet binnen een specifieke categorie. De gemeente Zwolle heeft daarnaast de stedelijke groenstructuur in kaart gebracht (figuur 3.4). Hierop staan de belangrijkste groenstructuren, boomgebieden en bijzondere bomen. Een deel van het plangebied van Nieuw Harculo (met uitzondering van de uiterwaard en het voormalige centrale-terrein) maakt deel uit van de Hoofdgroenstructuur. In het gebied komen bijzondere boomgebieden of bomen voor, namelijk de moerascipressen rondom de Kolk, deze worden behouden. Op het FPF terrein staan ook bomen, maar behoren niet bij de ontwikkeling. Het beleid voor de hoofdgroenstructuur en bomenverordening 2021 zijn opgenomen in de omgevingsvisie van de gemeente Zwolle. De gemeente wil dat de hoofdgroenstructuur in de toekomst behouden blijft of waar nodig wordt aangevuld en is terughoudend met het toevoegen van extra bebouwing in de hoofdgroenstructuur. Bij een verandering wordt gekeken naar de ecologische waarde van het aanwezige groen en wordt ingezet op behoud/versterking van de biodiversiteit (natuurinclusiviteit).

3.2.8 Doelen vanuit de Gebiedsvisie De vastgestelde Gebiedsvisie IJsselcentrale & Omgeving (2021) geeft belangrijke kaders voor de ontwikkeling van het gebied (zie deel 1 hoofdstuk 3.2). De inzet van de gebiedsvisie is om op deze plek tussen spoor en IJssel de natuurwaarden te verbeteren, ecologische diversiteit Figuur 3.4 | Kaartbeeld stedelijke groenstructuur (bron: Omgevingsvisie ‘Ons Zwolle van morgen 2030’)

40

| | Natuurontwikkelplan

te creëren en verbindingen te leggen. Op die manier wil men de leefgebieden voor plant- en diersoorten vergroten en verrijken. Dit is uitgewerkt in de volgende ambities en verbeeld in figuur 3.6: • In het buitendijkse gebied, de uiterwaarden, de landschappelijke inrichting aanpakken, zodat een beter leefgebied ontstaat voor doelsoorten van het Natura 2000-gebied (diverse broedvogels en niet- broedvogels). Denk hierbij aan de toekomstige nevengeul. • De dijkzone heeft een eigen waarde als langgerekt natuurpark met bloemrijke flanken en leefgebied voor insecten en kleine zoogdieren én is een verbindende schakel tussen de IJsselzone bij Zwolle en Windesheim en tussen het uiterwaardenlandschap en binnendijkse coulissenlandschap. • Voor het oostelijk deel, de energietuin, van het gebied moet worden onderzocht hoe groen, ecologie en nieuwe functies samen kunnen gaan. Bijvoorbeeld door met gerichte ingrepen het raamwerk van groen te versterken en aanvullen om zo het gebied nog aantrekkelijker te maken voor bijvoorbeeld park- en struweelvogels, ijsvogel, vleermuizen, egel, eekhoorn, vlinders en libellen. • Tussen de twee insteekhavens komt het klimaatpark met een natuurinclusieve inrichting met ruige graslanden, wadi’s en rietoevers.

Het park brengt de natuur tot in het hart van de woonbuurt en zorgt daarnaast voor de opvang en het vasthouden van regenwater, speelmogelijkheden, stadslandbouw en ontmoeting. • Binnen de woonbuurten van Nieuw Harculo komt een f ijnmazig netwerk van groene paden. Dit buurtgroen zorgt voor een aantrekkelijke woonomgeving, maar creëert ook een prettig microklimaat, zorgt voor het opvangen en vasthouden van water en vormt een fijnmazig netwerk van routes voor insecten, kleine zoogdieren en vogels

• In het deelgebied ‘Nieuw Harculo’ wordt als aanvulling op het netwerk van groene straten ingezet op een aantal pocketparks. Deze bieden de mogelijkheid om oases van stadsnatuur te ontwikkelen, waar insecten, vogels, kleine zoogdieren en vleermuizen van kunnen profiteren. • Tenslotte wordt bij het bouwen van de woningen en het aanleggen van de tuinen ingezet op natuurinclusief bouwen, waarbij in en om de woningen bijvoorbeeld plekken komen voor nestkasten en neststenen voor vogels, kasten voor vleermuizen, insectenhotels, groene daken en gevels en groene gebiedseigen erfafscheidingen, zoals hagen.

3.2.9 Samenvatting beleid Samenvattend zijn de volgende eisen die voortkomen uit wetgeving en beleid van toepassing op het NOP: • N atura 2000: natuurlijke kenmerken van Natura 2000 mogen niet worden aangetast. Een planontwerp moet zodanig zijn dat deze aantasting uitgesloten is. Daarna is een passende beoordeling en een vergunning nodig, wanneer we op voorhand niet kunnen uitsluiten dat er significante effecten optreden. • D eze passende beoordeling is ook nodig om aan te tonen dat het omgevingsplan voor Nieuw Harculo betreffende Natura 2000 uitvoerbaar is binnen de kaders van de Omgevingswet. • Wanneer verbodsbepalingen overtreden (dreigen te) worden voor beschermde soorten en er is geen sprake van een vrijstelling of mogelijkheden om te werken met een ecologische gedragscode, dan is mogelijk een ontheffing omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit of een Natura-2000 activiteit nodig. Het plan moet dus zo worden ontworpen en/of uitgevoerd dat optimaal rekening wordt gehouden met beschermde soorten en hun vaste rust- en verblijfplaatsen.

• NNN: als sprake is van bestemmingsveranderingen binnen het NNN die de wezenlijke kenmerken en waarden aantasten, dan is dit strijdig met de Omgevingsverordening en niet toegestaan, tenzij er uitzonderingscriteria gelden. Dit betreft alleen de dijken en oevers rond delen van de insteekhavens. • Het gemeentelijk Groen- en recreatiebeleidsplan vereist om terughoudend te zijn met bebouwing in de hoofdgroenstructuur. Bij ontwikkelingen binnen de hoofdgroenstructuur moeten we inzetten op versterking van de biodiversiteit (door middel van natuurinclusief ontwerpen en bouwen). • De gebiedsvisie voor Harculo geeft duidelijke kaders voor de natuurambities voor de verschillende deelgebieden. Deze kaders zijn leidend bij de verdere uitwerking van de plannen voor het hele gebied.

Samengevat betekent dit dat de volgende onderzoeken, toetsingen en procedures plaats moeten vinden: • Uitvoeren van ecologisch veldonderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten (dit is uitgevoerd in 2024, zie bijlage 5); • Opstellen van een passende beoordeling van het ROP/NOP; • Opstellen van een flora- en faunatoets voor het ROP/NOP; • Opstellen van een toetsing aan de Omgevingsverordening van de Provincie Overijssel; • Opstellen van een toetsing aan het Groenbeleid van de gemeente Zwolle; • Uitwerken van een ecologisch werkprotocol; • A anvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (onder de Wet Natuurbescherming was dit de natuurvergunning); • (Eventueel) aanvragen van een omgev i n g s ve r g u n n i n g vo o r e e n F l o r a - e n fauna-activiteit (voorheen ontheff ing Wet Natuurbescherming).

Nieuw Harculo

||

41

Engelse werk

Sekdoornse Plas

Zandhove Bos Ittersumerpark Oldenelerpark

De Hoenwaard

Huis te Windesheim Legenda Hoofdgroenstructuur Wijkgroenstructuur Uiterwaarden IJssel Groenstructuren landgoederenzone Groenstructuren uiterwaarden Water Dijk

Figuur 3.5 | Landschappelijk raamwerk Zwolle-Zuid & buitengebied

42

| | Natuurontwikkelplan

3.3 Wat kan: potenties en wensen 3.3.1 Samengaan van wonen, werken en biodiversiteit Harculo is straks een gebied om te wonen en werken te midden van natuur. Het gebied is en blijft aan alle kanten omgeven door een blauwgroene omgeving: de IJssel met zijn uiterwaarden, de insteekhavens, de dijk en de park- en groengebieden van het Oldenelerpark en het Professor Feldmannpark. Mensen wonen en werken buiten de grenzen van het blauwgroene gebied, maar op verschillende plaatsen zijn er contacten en overgangen mogelijk. Natuur en biodiversiteit blijven niet tot de omgeving beperkt, maar dringen tot in de haarvaten van het plan door. Mensen wonen en werken in nauw contact met bomen, planten en dieren in hun directe omgeving. Het woon- en werkgebied kan worden dooraderd met een groen blauwe structuur, waarin ook wandel- en fietsroutes kunnen liggen. Tuinen zijn bij voorkeur zoveel als mogelijk onverhard zodat deze zich groen kunnen ontwikkelen, water naar de ondergrond kan wegzakken en wilde planten en dieren (met name ook insecten) er een leefgebied vinden. Ook op gevels en daken worden groene elementen ontwikkeld. In de bestaande panden en in de nieuwe gebouwen kunnen faunavoorzieningen ruimte geven aan medebewoners zoals verschillende soorten vogels, vleermuizen en insecten. Vanuit Nieuw Harculo naar de omgeving (Natura 2000 gebied) ontstaan verschillende niveaus van verstoring.

Daar waar het gebied intensief gebruikt wordt, komen soorten voor die

zich goed kunnen aanpassen aan aanwezigheid van mensen en hun invloed (beweging, lawaai, licht). Op de overgangen naar het blauwgroene gebied is het gebruik minder intensief, of vindt het vooral in de zomer plaats (waterrecreatie). Deze gebieden bieden plaats aan andere soorten, bijvoorbeeld watervogels in de insteekhavens. Delen van de uiterwaard en de oevers van de havens zijn bestemd voor natuur. Deze zijn niet of alleen onder voorwaarden toegankelijk, afhankelijk van de soort natuur die daar voorkomt of wordt nagestreefd. Dit kan ook worden gestuurd met de inrichting van het gebied, bijvoorbeeld door de aanleg van een meestromende geul in de uiterwaard waardoor een deel van de uiterwaard is afgesneden. Het samengaan van stedelijke functies en natuur vraagt om begrip en zorgvuldigheid. Bewoners en gebruikers moeten zich bewust zijn van de waarde van groen en natuur en daar door de ontwikkelaar en de gemeente op gewezen worden. Zij worden medeverantwoordelijk voor de ontwikkeling en het beheer van deze waarden, waarvan de ontwikkeling niet stopt als de bouw klaar is. Omdat men in een natuurinclusieve wijk gaat wonen, is aandacht voor educatie en voorlichting hierover belangrijk. Mogelijk zijn er randvoorwaarden aan de inrichting van hun directe omgeving of huis of aan hun gedrag (bijvoorbeeld voor het uitlaten van honden en het houden van katten).

Ook actief meewerken aan onderhoud en beheer kan een voorwaarde zijn. Daar staat tegenover: in een gebied dat op de overgang van stad naar buitengebied ligt, komt weinig zeldzame en kwetsbare natuur voor. Dat is ook helemaal niet nodig om aan de doelen van natuurinclusief bouwen te voldoen, zowel vanuit het natuurbelang zelf als dat van de bewoners (fijn woonklimaat, mentale en fysieke gezondheid).

Het plangebied is geen natuurgebied, de huidige natuurwaarden zijn vrij beperkt en de natuurinclusieve ontwikkeling van het gebied kan deze waarden aanzienlijk versterken. Zeldzame en kwetsbare natuur kan zowel langs de IJssel als in het binnendijkse gebied worden ontwikkeld en beschermd in de vele natuurgebieden die er zijn.

3.3.2 Wensen en verwachtingen van bewoners en betrokkenen Reales en de gemeente Zwolle betrekken omwonenden en belangengroepen bij de ontwikkeling van het gebied (Deel 1, paragraaf 4.2). Het Natuurplatform Zwolle (NPZ) heeft een aantal bijdragen meegegeven, vooralsnog vooral over het buitendijkse gebied. NPZ zou dit gebied graag mede willen laten inrichten als stapsteen voor stroomdalvegetaties en soortenrijke glanshavervegetaties. Deze graslanden zijn nu erg zeldzaam binnen het Natura 2000-gebied Rijntakken en ook langs de IJssel. Ze komen nu vooral voor op de dijken. Om dit gebied hiervoor in te richten, zijn verhogingen nodig die bestaan uit kalkrijk zand. Dat zou kunnen in de vorm van een soort ‘rivierduin’ tegen de dijk of door verhoging van de bestaande oeverwal langs de IJssel. Rivierkundige compensatie zou mogelijk zijn met de meestromende geul die in de KRW in het gebied is voorzien. Mogelijk kan hier ook het vrijgekomen zand voor de inrichting van de uiterwaard worden gebruikt. Ook ligt hier een combinatiemogelijkheid met de dijkversterking die in voorbereiding is en met het vervolgonderhoud voor de zomerbedverlaging tussen Zwolle en Kampen (zandwinning). NPZ wil ook graag aandacht voor het creëren van (predatievrije) broedplekken voor vogels, zoals op de steigers, op drijvende vlotjes of door

Nieuw Harculo

||

43

Figuur 3.6 | Deelgebieden met verschillende ecologische ambities 1. Uiterwaard en nevengeul IJssel 1.1 Broedvogeleiland Stroomdalgrasland.

Bloemrijk grasland / glanshaverhooiland.

Flauwe oevers voor aquatische flora en fauna, zoals, rivierrombout, kokerjuffer of riviergrondel. Zandstrandje voor aquatische macro fauna, zoals rivierrombout, wilde bijen of bataafse stroommossel.

Leefgebied voor kleine zoogdieren als muizen.

Oeverzwaluw en ijsvogel broeden in zelfgegraven holen in steilranden.

Broedplek algemene soorten, zoals graspiepers.

Rust- en (broed) gebied voor vogels, zoals kwartelkoning, gele kwikstaart of grutto.

1.2 Meestromende nevengeul

Jachtgebied voor roofvogels, zoals torenvalken of uilen.

3. Parken en landgoederen

2.1 Tussen de Dijken | 2.2 Klimaatpark | 2.3 In de Centrale

3.1 Energietuin | 3.2 De Uitspanning Kamerstructuur versterken invulling is afwisselend. Denk aan ijl bos met ondergroei, bloemrijk grasland, ruigte stroken, stinzenbeplanting.

Integrale en natuurinclusieve gebiedsontwikkeling met sterke verweving van wonen, natuur, groen en water.

Interessant gebied voor insecten waaronder libellen en dagvlinders. Interessant gebied voor kleine zoogdieren, zoals vleermuizen, materachtige en de egel. Aquatische fauna langs oevers van kolk en sloten, zoals kikkers, waterspitsmuis of rietgors. Broedvogels van parken, bossen en landgoederen.

Spontaan opkomend wilgen struweel. Slikkige oevers met soorten zoals, riviertandzaad, moeraszuring of oeverloper.

Aquatische macro fauna, zoals kokerjuffer, hommels of schoraas.

Foerageer- en rustgebied voor vogels, zoals wilde eend, scholekster of aalscholver.

Paai en rust gebied vissen stromingsminnende vis, zoals winde, barbeel of riviergrondel.

Rust-, vlucht en paaigebied vissen.

| | Natuurontwikkelplan

2. Nieuw Harculo

1.4 Insteekhavens (Noord en Zuid)

Foerageergebied voor diverse soorten vogels zoals ooievaar, kievit, oeverloper en zwarte stern.

Flauwe oevers voor aquatische flora en fauna, zoals, rivierrombout, kokerjuffer of riviergrondel.

44

1.3 Dijkzone

Overige Bloemrijk grasland. Vliegroute en foerargeergebied voor vleermuizen. Zoogdieren met groot leefgebied zijn aanwezig in en nabij het plangebied, zoals otter en bever.

de geul afgesneden delen van de uiterwaard. NPZ ziet daarnaast het belang van het kunnen beleven en ervaren van de omringende natuur door bewoners van de toekomstige woonwijk en recreanten die van verder komen. Dat kan zonder dat daar veel ‘formele voorzieningen’ voor worden aangebracht, met name omdat het natuurgebied vanaf de dijk goed kan worden overzien. Ook informatieborden over de natuur in het gebied kunnen daaraan bijdragen.

3.4 Uitgangspunten voor het programma 3.4.1 Inleiding Bij het opstellen van de uitgangspunten voor het programma voor de natuurontwikkeling Nieuw Harculo maken we onderscheid per deelgebied en de onderscheiden subdeelgebieden (zie f iguur 3.6). Aan de hand van de analyse van de harde randvoorwaarden en de mogelijkheden en wensen is een algemene set aan uitgangspunten geformuleerd en vervolgens zijn voor ieder deelgebied specifieke uitgangspunten opgesteld voor het programma voor de planuitwerking van Nieuw Harculo.

3.4.2 Algemene uitgangspunten Voor het binnendijkse deel van het plangebied Nieuw Harculo gelden de volgende algemene uitgangspunten: • In het binnendijkse gebied hebben stedelijke functies en (deels nieuwe) natuur afwisselend de overhand. • D it gebied wordt zoveel mogelijk natuurinclusief ingericht en gebruikt. • De gebruiksfuncties mogen geen negatieve invloed hebben op het omliggende Natura 2000-gebied.

• De ambitie van het plan richt zich op natuurwaarden die gebonden zijn aan stedelijke milieus en daarom niet gevoelig zijn voor menselijke aanwezigheid en activiteiten. • Mogelijkheden voor natuurinclusief ontwerpen, bouwen en beheren worden benut: • op schaal van het volledige plan (groenblauwe dooradering); • op straat- en perceelniveau (tuinen, erven, beplanting en water); • o p niveau van de afzonderlijke gebouwen (groene dakbedekking, groene gevelbekleding en faunavoorzieningen). Gevel- en dakbeplanting heeft een meerwaarde voor biodiversiteit, maar draagt ook bij aan beperken hittestress en aan de waterbergingsopgave. • Beplanting in publieke ruimte richt zich op gebiedseigen, bloemrijke en extensief te onderhouden beplanting. • Bestaande bomen worden zoveel mogelijk gespaard en geïntegreerd in het ruimtelijk ontwerp. Voor het buitendijkse deel van het plangebied gelden de volgende algemene uitgangspunten: • In het buitendijkse gebied gaat natuur vóór. • De inrichting richt zich op ontwikkelen en behouden van voor het gebied kenmerkende natuurwaarden die beperkt gevoelig zijn voor menselijke activiteiten in de omgeving. • Verstorende invloeden vanuit de intensiever gebruikte omgeving worden zoveel mogelijk verzacht door slimme inrichting en voorzieningen.

• Het buitendijks gebied moet van alle kanten op verschillende plaatsen zichtbaar en beleefbaar zijn vanaf de dijk die het hele gebied omringt. • Er worden geen aanvullende recreatieve voorzieningen ontwikkeld, recreatie in het buitendijkse gebied wordt niet gefaciliteerd. Sportvissen blijft toegestaan zoals ook nu al gebeurt door de Hengelsportvereniging Zwolle.

3.4.3 Uiterwaard en Nevengeul IJssel Voor deelgebied 1, Uiterwaard en Nevengeul IJssel, gelden de volgende uitgangspunten: • Het gebied is onderdeel van het Natura 2000gebied Rijntakken als Vogelrichtlijngebied. De inrichting en het gebruik van dit gebied mag niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken en moet aansluiten bij de Natura 2000-opgaven voor dit gebied. • Aanleg van een meestromende nevengeul tussen beide haventoegangen, bij voorkeur gecombineerd met een nevengeul in de Buitenwaarden Windesheim. Hiermee krijgt de geul voldoende lengte om ecologisch goed te kunnen functioneren. De directe toegang tot de zuidelijke haven vanuit de IJssel moet daarbij worden opgeheven, omdat de geul anders niet functioneert. • Inrichting van het overige gebied is gericht op grazige vegetaties: stroomdalgraslanden, glanshaverhooilanden en bloemrijke weidevogelgraslanden. • Het eiland dat ontstaat tussen de IJssel en de geul is zeer geschikt als broedvogeleiland, omdat het weinig verstoord wordt en vrij is van predatoren als vossen en marters. • Het gebied is het hele jaar te bekijken vanaf de dijk door wandelaars. • De ecologische ambitie richt zich op soorten die weinig gevoelig zijn voor verstoring. De aquatische waarden in de nevengeul zijn niet verstoringsgevoelig.

Weidevogels (algemene soorten) kunnen zich in het gebied vestigen in samenhang met gebruik van de dijk als wandel- en (deels) fietsroute. Omdat in het Natura 2000-gebied doelen voor broed- en wintervogels worden nagestreefd, moeten we terughoudend omgaan met hoogbouw direct grenzend aan de dijk vanwege een mogelijke verstorende werking, met name door licht. De ecologische kwaliteit van de nevengeul wordt niet of nauwelijks beperkt door eventuele hoger opgaande bebouwing.

Nieuw Harculo

||

45

Dijkzone Voor de Dijkzone (1.3) gelden de volgende uitgangspunten: • Ontwikkeling bloemrijke dijk door IJsselwerken na ingrepen dijkversterking, gericht op glanshaverhooiland en stroomdalgrasland in de uiterwaarden tussen de dijk en nevengeul. • Wandelen met aangelijnde hond alleen toegestaan op de kruin van de dijk en binnendijks. • Eventueel kleine voorzieningen zoals een bankje of uitkijkpunt op de kruin van de dijk.

Insteekhavens Voor de Insteekhavens (1.4) maken we onderscheid tussen de zuidelijke insteekhaven en de noordelijke insteekhaven.

Zuidelijke insteekhaven: • Het waterdeel van deze haven is onderdeel van het Natura 2000-gebied Rijntakken als Vogelrichtlijngebied. De inrichting en het toekomstig gebruik moeten aansluiten bij de opgaven voor het Natura 2000-gebied. • De haven blijft verbonden met de IJssel via de door Rijkswaterstaat aan te leggen nevengeul. De haven is daarmee niet meer bereikbaar voor scheepvaart. De blijvende verbinding is ook van belang vanwege de inlaat van het Waterschap vanuit deze haven. • Ontwikkeling van gevarieerde biotopen van hoogdynamische riviernatuur (bij blijvende verbinding). Deze kunnen bestaan uit: droog

• vallende slikkige of zandige oevers, natte en droge ruigtevegetaties, en zachthoutooibos. • Onafhankelijk van de hydrologische situatie: droge (stroomdal-)graslanden of glanshaverhooilanden op de hogere delen van de oevers met name op het noordelijk talud en een mogelijk stroomdalplantenreservaat met gunstige zuidelijke expositie op de dijk aan de noordwestzijde. • In het water en op de oevers komen geen nieuwe voorzieningen, zoals steigers en bouwwerken, tenzij aantoonbaar is dat deze geen nadelige gevolgen hebben voor aanwezige of te ontwikkelen natuurwaarden.

Figuur 3.7 | Doorsnede (west-oost) met soortambities voor Nieuw Harculo (in bijlage 3 zijn de soortnamen benoemd per deelgebied)

46

| | Natuurontwikkelplan

• Er wordt onderzocht of een gebouw op de bestaande steiger, als ‘artist in residence’, mogelijk is. De mogelijkheden hiervan zie paragraaf 3.2.6 over de zone ‘ondernemen met natuur en water buiten NNN’. In overleg met RAW wordt een nadere uitwerking gemaakt. Deze uitwerking wordt op een later moment in combinatie met afspraken over de uitvoering voorgelegd voor besluitvorming bij het college van B&W van de gemeente Zwolle. • Directe instraling van licht vanuit gebouwen en eventuele horecavoorzieningen (zoals terrassen) moet worden voorkomen of beperkt.

Noordelijke insteekhaven: • H et waterdeel en de oeverzones van deze haven zijn onderdeel van het Natura 2000gebied Rijntakken als Vogelrichtlijngebied. De inrichting en het toekomstig gebruik moeten aansluiten bij de opgaven voor het Natura 2000-gebied. • Verbinding met de IJssel intact houden, in samenhang met eventuele monding van de nevengeul. • Ontwikkeling van gevarieerde biotopen van hoogdynamische riviernatuur (zie tekst bij zuidelijke insteekhaven).

• Droge (stroomdal-)graslanden of glanshaverhooilanden op de hogere delen van de oevers, met name op het noordelijke talud (zuidelijke expositie). • In het water en op de oevers aan de noordzijde komen in beginsel geen nieuwe voorzieningen, zoals steigers en bouwwerken. • De bestaande steiger wordt ontkoppeld en teruggegeven aan de natuur.

Figuur 3.8 | Doorsnede (west-oost) met soortambities voor Nieuw Harculo (in bijlage 3 zijn de soortnamen benoemd per deelgebied)

Nieuw Harculo

||

47

3.4.4 Nieuw Harculo Het woongebied Nieuw Harculo is onderverdeeld in twee woonsferen, Tussen de Dijken (2.1) en In de Centrale (2.3) met daartussen het Klimaatpark (2.2).

•

•

Tussen de Dijken & In de Centrale Voor het woongebied gelden de volgende uitgangspunten: • Bomen en struiken aanplanten met inheems genetisch materiaal, tenzij anders wordt

• •

besloten met de beheer afdeling gemeente Zwolle i.v.m plagen en ziektes. B ermen bloemrijk inrichten (inheemse planten) en beheren, mede gericht op insecten. Verharding in publieke ruimte minimaliseren of waterdoorlatend maken (bijvoorbeeld infiltratiegoten, groene parkeerplaatsen). Huizen/gebouwen ontwerpen met mogelijkheden voor groene daken en/of gevels. Externe faunavoorzieningen (vogels, vleermuizen) in ontwerp gebouwen meenemen.

• Voorlichting over en voorschriften voor beperking verharding privéterreinen. • Voorlichting over natuurinclusieve inrichting en beheer privétuinen (o.a. gebruik bestrijdingsmiddelen).

Het Klimaatpark Voor het Klimaatpark (2.2) gelden de volgende uitgangspunten: Het Klimaatpark wordt ecologisch ingericht, met begroeiingen en soorten die refereren aan het rivierengebied.

Figuur 3.9 | Doorsnede (noord-zuid) met soortambities voor Nieuw Harculo (in bijlage 3 zijn de soortnamen benoemd per deelgebied)

48

| | Natuurontwikkelplan

• D e natuurfunctie moet kunnen worden gecombineerd met andere functies zoals waterberging en -inf iltratie, spelen en ontmoeting.

3.4.5 Parken en landgoederen De Uitspanning Voor het deelgebied De Uitspanning (3.2) gelden de volgende uitgangspunten: • Intensief ingericht en gebruikt terrein.De natuurfunctie is ondergeschikt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=8da86798-f6b8-494a-a41c-837fcdeaf2bc