Bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Tekst van het document
Hiervoor geldt vanuit geluid een ambitiewaarde van 48 dB en een grenswaarde van 58 dB. 2.8.4
Luchtkwaliteit
Het luchtkwaliteitsplan gemeente Zwolle 2007-2011 beschrijft de luchtkwaliteitssituatie in Zwolle, de opgave, de ambitie en de aanpak om de vastgestelde doelen te bereiken. Zwolle wil binnen de beïnvloedingssfeer van de gemeente, een significante bijdrage leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit. Om dat te bereiken zijn de volgende doelen geformuleerd: voldoen aan wet- en regelgeving; anticiperen op de toekomst; Knelpunten in de toekomst moeten voorkomen worden. Dit betekent dat de luchtkwaliteit in het planvormingsproces van ruimtelijke plannen en verkeersplannen wordt meegenomen; beleid ten aanzien van luchtkwaliteit inbedden in bestaand gemeentelijk beleid De gemeente streeft ernaar dat het aspect door gaat werken in het verkeers- en vervoersbeleid, het ruimtelijke ordeningsbeleid en het beleid van vergunningen en handhaving. 2.8.5
Externe veiligheid
De beleidsvisie externe veiligheid is op 6 maart 2007 vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeente streeft ernaar voor haar gehele grondgebied te voldoen aan de basisveiligheid. Dit betekent dat: Overal voldaan wordt aan de normen voor plaatsgebonden risico; Een gebiedsgericht invulling wordt gegeven aan groepsrisicobeleid met een gebiedsgericht kader externe veiligheid; Veiligheidsdoelstellingen passend bij de typering van het gebied worden ontwikkeld; Zoveel mogelijk geanticipeerd wordt op de landelijke beleidsontwikkeling die een ongunstige invloed kunnen hebben op de veiligheidssituatie in Zwolle met als doel het bewaken van een optimaal veiligheidsniveau. Op 20 januari 2009 heeft het college van B & W het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van een mogelijke toename van het groepsrisico. Tevens is op basis van dezelfde kenmerken van een gebiedstype bepaald of er plaats is voor nieuwe risicobronnen. Een afwijkend gebiedstype vormen de stroomzones. Stroomzones zijn gebieden rondom
27/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
infrastructuur (spoorlijnen, wegen en waterwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor stroomzones is een apart beleidskader geformuleerd. 2.8.6
Bodem
Het bodembeleidsplan (2010) kent in overeenstemming met het gemeentelijk milieubeleid een gebiedsgerichte benadering. In het plan wordt onderscheid gemaakt tussen de bovengrond en de ondergrond. Bovengrond Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. In dat kader heeft de gemeente Zwolle op 24 augustus 2015 een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld, waarop voor de hele gemeente wordt aangegeven welke functie de bodem heeft of welke functie in de toekomst wordt nagestreefd. De functieklassenindeling is gebaseerd op het gebiedsgericht milieubeleid van de gemeente. De volgende functies worden onderscheiden: wonen, industrie, water, buitendijksgebied, landbouw/natuur en hoofdwegen. Het plangebied "Zuiderkerkstraat " valt binnen het functieklassengebied wonen. Met de invoering van het Besluit bodemkwaliteit zijn de kwaliteitsklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingevoerd. Op 24 augustus 2015 heeft de gemeente ook de bodemkwaliteitskaart vastgesteld gebaseerd op de kwaliteitsklassen van het Besluit bodemkwaliteit. Het plangebied valt binnen het gebied met de kwaliteitsklasse 'industrie' vanwege de oud-stedelijke verontreiniging van de bovengrond. Volgens het gemeentelijke Bodembeleidsplan (van kracht per 11 januari 2010) mag de bodemkwaliteitskaart als kwaliteitsbewijs worden gebruikt bij het ontwikkelen van een locatie. Een onderzoek is dan niet nodig.
Eventueel vrijkomende grond mag volgens het bodembeleid binnen de gemeente worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als kwaliteitsbewijs. Voorwaarde hiervoor is dat de bodem niet verdacht is van verontreiniging op basis van het huidige of historische gebruik, en er geen (al dan niet gesaneerd) geval van bodemverontreiniging bekend is. Indien er aanwijzingen zijn dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de functie, kan een bodemonderzoek nodig zijn om te bepalen of de locatie gesaneerd dient te worden. In principe worden verontreinigingen in de bovengrond functiegericht gesaneerd. Ondergrond In juni 2007 heeft de gemeenteraad van Zwolle ingestemd met de Visie op de Ondergrond en besloten de volgende vijf basisprincipes vast te stellen en te gaan toepassen in projecten: Werken met ondergrondse bestemmingen / functies. Structureel en georganiseerd gebruik maken van WKO (warmte- / koudeopslag) en WKO koppelen aan grondwatersanering en waterwinning en peilbeheer. Bodemsanering gebiedsgericht benaderen. Natuur, recreatie, agrarische activiteiten, waterwinning en bescherming van kwalitatief hoogwaardig grondwater met elkaar te combineren in één gebied. Structureel en georganiseerd afstemmen van vraag en aanbod van (grond)water, koude en warmte. Deze vijf basisprincipes vormen ook het vertrekpunt voor de beleidsmatige invulling voor het omgaan met de ondergrond.
Het bodembeleidsplan levert een bijdrage aan de implementatie van de basisprincipes door: Het kader te geven voor gebiedsgericht benadering van de bodemsanering De doelstelling voor sanering te koppelen aan de beoogde functies in de ondergrond De mogelijkheid te creëren om de aanpak van bodemverontreiniging integraal af te wegen tegen en af te stemmen met koude-warmte opslag, peilbeheer en/of grondwaterwinning.
28/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
3.1
Stedenbouw
3.1.1
Algemeen
De Scholtensteeg vormt de rand van de stad als overgang naar het open landschap van de Mastenbroeker Polder tussen Stadshagen en ´s-Heerenbroek. Gedeeltelijk zal het ook een landschappelijke intermediair zijn tussen de woonbuurten Breecamp en Breecamp-West. Zoals de Scholtensteeg een verbindende schakel was in het verleden, zo blijft het ook in de nieuwe context van Stadshagen een belangrijke verbinding. Een herkenbare stadsrand met landschappelijke en recreatieve betekenis als langzaam verkeersverbinding tussen de Mastenbroeker Polder en de IJsseldelta. De stedenbouwkundige betekenis van de Scholtensteeg wijzigt door de veranderende context. Door de ligging langs de Hasselterweg – de hoofdontsluiting van Stadshagen en de doorgaande weg naar Hasselt (N331) – is de Scholtensteeg een perfect ontsloten, maar geluidsbelaste locatie. De noordelijke kop is beeldbepalend vanaf de Hasselterweg, Breecamp West en vooral vanuit de Mastenbroeker Polder. De bebouwing markeert de entree van de Scholtensteeg. De functie kan profiteren van het uitzicht over het open landschap van de Mastenbroeker Polder. De bebouwing kan deels worden gevormd door de geluidsvoorziening langs de Hasselterweg. Dit vormt samen met de overgang naar de Mastenbroeker Polder een belangrijk onderdeel van de architectonische opgave.
Initiatiefnemer is voornemens om de genoemde noordelijk kop van de Scholtensteeg te transformeren naar een luxueuze en duurzame wellnesslocatie met een opvallend en hoogwaardig wellnesscentrum met bijbehorende horeca en wellnesstuin. In paragraaf 3.1.3 wordt het voornemen nader toegelicht. Ten behoeve van de voorgenomen wellnesslocatie, heeft de gemeenteraad van Zwolle een Programma van Eisen vastgesteld. Op basis van dit programma van eisen heeft initiatiefnemer de plannen voor het plangebied uitgewerkt. In de navolgende paragrafen worden onder andere de eisen uit het programma van eisen aangehaald. 3.1.2
Huidige situatie
Het plangebied bevindt zich ten noorden van Zwolle, tussen de Scholtensteeg, de Stuurmansweg en de N331 bevindt zich een met grasland ingericht perceel. In afbeelding 3.1 is een luchtfoto van de huidige situatie opgenomen.
29/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Afbeelding 3.1: Huidige situatie plangebied (Bron: Provincie Overijssel) 3.1.3
Uitgangspunten bestemmingsplan
3.1.3.1 Algemeen De voorgenomen ontwikkeling behelst het transformeren van het plangebied naar een wellnesslocatie met bijbehorend wellnesscentrum, horeca, wellnesstuin en de benodigde parkeervoorzieningen. Vanwege de beeldbepalende locatie, wordt gestreefd naar architectonisch hoogwaardige bebouwing dat enerzijds opvallend is, maar anderzijds ook is ingepast in het landschap. Tevens wordt de wellnesslocatie volledig gasloos en duurzaam gerealiseerd. Het geheel wordt ontsloten op de Scholtensteeg. Daarnaast wordt aan de zuidzijde van het plangebied een fietsontsluiting op het fietspad gerealiseerd. 3.1.3.2 Architectuur Het ruimtelijk concept voor het hoofdgebouw, het wellnesscentrum, is een vertaling van een opgetild landschap met glooiende taluds en groene daken in aansluiting op het weidse landschap van de Mastenbroeker Polder en de naast gelegen geluidswallen. De architectuur van de gevels is ingetogen en door de toepassing van natuurlijke materialen en kleuren opgaand in het landschap. Een hybride gebouw, dat aansluit op de omgeving en een eigen uitstraling heeft. Bijgebouwen in de buitenruimte zijn onderdeel van de architectuur van het hoofdgebouw. In afbeelding 3.2 zijn aanzichten van het hoofdgebouw weergegeven.
30/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Afbeelding 3.2: Aanzichten hoofdgebouw (Bron: Van Lanen Architecten)
Conform het door de gemeenteraad vastgestelde programma van eisen, zal het bebouwde oppervlak van het hoofdgebouw (de footprint) niet meer bedragen dan 3.000 m² met een maximale bouwhoogte van 12 meter. Hierbinnen is een accent mogelijk van 180 m² oppervlak met een bouwhoogte van 16 meter. De bijgebouwen mogen een footprint omvatten van 1.500 m² met een maximale bouwhoogte van 4 meter. Hierbinnen is een accent mogelijk van 80 m² oppervlak met een bouwhoogte van 8 meter. Het ontworpen hoofdgebouw heeft een nuttige footprint van circa 2.830 m². De bijgebouwen beslaan in totaal een bebouwd oppervlak van circa 996 m². Het bouwprogramma inclusief bouwhoogten voldoet aan het programma van eisen. 3.1.3.3 Stedenbouwkundige opzet Landschappelijke inpassing De noordelijke kop van de Scholtensteeg vormt de overgang naar de Mastenbroeker Polder. De locatie is beeldbepalend als scharnierpunt tussen het agrarisch en stedelijk gebied. Het gebouw en de inrichting van de kavel voegen zich naar deze landschappelijke context en hebben een duidelijke verwantschap met het polderlandschap. Het gebouw richt zich als het ware op uit het polderlandschap en maakt gebruik van de aanwezige landschappelijke vergezichten. Dit wordt benadrukt door de toepassing van groene taluds, groene daken en glooiende (gevel)lijnen.
In afbeelding 3.3 wordt weergegeven hoe de groene uitstraling van het plangebied er uit komt te zien.
31/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Afbeelding 3.3: Impressie gewenste situatie plangebied (Bron: Van Lanen Architecten)
In afbeelding 3.4 is het inpassingsplan weergegeven. Hierin is duidelijk zichtbaar dat, naast de groenwallen nadrukkelijk wordt ingezet op de groene uitstraling van het plangebied. Zo worden ruim 100 bomen aangeplant en wordt er zoveel mogelijk gewerkt met halfverharding en houten materialen.
32/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Afbeelding 3.4: Inpassingsplan (Grasveld Tuin- en Landschapsarchitecten) Oriëntatie en accenten De oriëntatie van het gebouw is drieledig. De hoofdentree ligt aan de zuidzijde en gericht op een leesbaar entreegebied voor de bezoekers. De gevels aan de Scholtensteeg zijn ingetogen en hebben een landelijke uitstraling. Juist aan deze zijde is het gebouwconcept met glooiende daken zichtbaar. Het gebouw begeleidt de Scholtensteeg en heeft geen blinde gevels aan deze zijde. Aan de noordzijde opent het gebouw zich naar de tuin en geeft vorm aan de inpassing van de buitenbaden. Het hart van het gebouw is aanleiding voor een ruimtelijk accent, waarmee tevens het scharnierpunt van de locatie tot uitdrukking kan komen. De oostzijde van het gebouw ligt merendeels verscholen achter de grastaluds van de geluidswal langs de Hasselterweg, die door de initiatiefnemer wordt aangelegd. Parkeren Het parkeerterrein bevindt zich aan de zuidzijde van de kavel en wordt landschappelijk ingepast. De inrichting en beplanting is een knipoog zijn naar het agrarische verleden met een boomgaard en/of boerenerf als referentie. 33/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Besloten tuin Aan noordzijde van het gebouw, tussen de Stuurmansweg en de Hasselterweg, ligt de besloten tuin. De overgangen van openbaar naar privé worden landschappelijk vormgegeven met beplante grondwallen, waterpartijen, houtwallen, bossages en/of bomen. Door een samenspel en gelaagdheid van deze elementen kan de privacy van de bezoekers worden gewaarborgd met een enkele doorkijk naar het weidse landschap van de Mastenbroeker Polder. De oostzijde van de besloten tuin wordt gevormd door de grastaluds van een aan te leggen geluidswal. Bijgebouwen worden deels in en/of onder de geluidswal gerealiseerd.
3.2
Archeologie
3.2.1
Huidige situatie
In 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders opdracht gegeven om een archeologische waarderingskaart te maken voor het gemeentelijke grondgebied. Met behulp van deze beleidsadvieskaart, die in september 2003 in gebruik is genomen, kunnen tijdig maatregelen genomen worden bij planologische procedures. Het is een onontbeerlijk instrument om actief beleid op te baseren, waardevolle gebieden aan te wijzen en bouwplannen in een vroeg stadium te toetsen. De archeologische dienst van de gemeente Zwolle heeft de Archeologische Waarderingskaart Zwolle (AWZ) opgesteld, die fijnmazig van karakter is. De binnenstad is vrij gedifferentieerd gewaardeerd terwijl het buitengebied qua potentieel vrij nauwkeurig in kaart is gebracht. Het archeologisch potentieel van de verschillende gebieden is in de volgende percentages uitgedrukt: 0%: archeologisch leeg; geheel verstoord of reeds opgegraven; 10%: archeologische waarde onbekend; proefonderzoek wordt aanbevolen; 50%:archeologisch waardevol; een opgraving is noodzakelijk en de vondstkans is 1:2; 90%: archeologisch zeer waardevol; een opgraving is noodzakelijk en de vondstkans is nagenoeg 100%; 100%: archeologische toplocatie; indien bescherming niet kan, dan is een opgraving altijd noodzakelijk, de vondstkans is 100%. 3.2.2
Uitgangspunten bestemmingsplan
Het plangebied heeft een verwachtingswaarde van 0%. De te verstoren gronden liggen in het gebied met een verwachtingswaarde van 0%. Van een archeologische onderzoeksplicht is dan ook geen sprake. Een archeologisch onderzoek kan achterwege worden gelaten. Bij een eventuele archeologische toevalsvondst wordt de gemeente geïnformeerd voor een eventuele inmeting.
34/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
3.3
Cultuurhistorie
3.3.1
Huidige situatie
Het plangebied bevindt zich aan de Scholtensteeg. De Scholtensteeg is een historisch karakteristieke landweg in de Mastenbroeker Polder. Haar bestaan gaat terug tot de zeventiende eeuw. Deze landweg verbond buurtschap Westenholte met de Oude Wetering, de ontginningsas van de Mastenbroeker Polder. De afgelopen decennia had de Scholtensteeg vooral een agrarische functie. De weg met een aantal boerderijen was de verbindende schakel tussen de Oude Wetering en de Kamperweg. Stadshagen is de Scholtensteeg de afgelopen tien jaar dicht genaderd en met haar tweezijdige bermsloten is de Scholtensteeg een kenmerkend landschappelijk element geworden in het stadslandschap van Stadshagen. In de huidige situatie ontsluit de Scholtensteeg het verkeer uit de Mastenbroeker Polder naar de Stadshagenallee/Hasselterweg en verbindt de Stuurmansweg met de Zalkerdijk als (recreatieve) langzaam verkeersverbinding. 3.3.2
Uitgangspunten bestemmingsplan
Het plangebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich tevens geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Daardoor wordt gesteld dat cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend plan.
3.4
Verkeer en parkeren
3.4.1
Huidige situatie
Het plangebied betreft onbebouwd grasland dat niet is ontsloten op een weg. 3.4.2
Uitgangspunten bestemmingsplan
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Toekomstbestendig parkeren' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. In dit geval is voor wat betreft de gemeente Zwolle uitgegaan van een stedelijkheidsgraad 'sterk stedelijk' (Bron: CBS Statline). Gezien de liggen van het plangebied aan de rand van Zwolle kan het plangebied worden aangemerkt als stedelijke zone 'rest bebouwde kom'. In voorliggend geval kan de voorgenomen functie het best worden vergeleken met de CROW-functie 'Wellnesscentrum'.
Verkeersgeneratie Voor een wellnesscentrum worden in de CROW verkeerscijfers per 100 m² bvo gehanteerd. Uitgaande van de hiervoor genoemde uitgangspunten, geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 9,8 verkeersbewegingen per 100 m² bvo. In voorliggend geval beslaat het wellnesscentrum een oppervlak van 4.374 m² bvo, waardoor
35/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
er sprake is van een verkeersgeneratie van afgerond 429 verkeersbewegingen per dag. Het plangebied wordt ontsloten middels een nieuwe in- en uitrit op de Scholtensteeg. In de huidige situatie wordt de Scholtensteeg gebruikt door bestemmingsverkeer, maar ook als sluiproute voor overig verkeer. De Scholtensteeg is een relatief brede weg waar tegemoetkomend verkeer elkaar makkelijk kan passeren. De Scholtensteeg zal de extra verkeersbewegingen goed kunnen verwerken. Daarnaast moet worden opgemerkt dat initiatiefnemer voornemens is om, in lijn met het wellnesscentrum, een gezonde levensstijl te stimuleren. Mensen die het wellnesscentrum per fiets benaderen kunnen bijvoorbeeld een korting krijgen. Een goede fietsbereikbaarheid wordt gewaarborgd door aan de zuidzijde van het plangebied een fiets-/voetpad aan te sluiten op het bestaande fiets-/voetpad. Om in het plangebied te waarborgen dat het autoverkeer op veilige wijze is gescheiden van het langzaam verkeer, wordt recht door het parkeerterrein een langzaam verkeerroute gerealiseerd. Door middel van deze route is er een verbinding tussen het fietspad ten zuiden van het plangebied en de fietsenstalling ter plaatse van het plangebied. Een en ander is in afbeelding 3.5 weergegeven.
Afbeelding 3.5 Route langzaam verkeer (Bron: Grasveld Tuin- en Landschapsarchitecten)
Tevens bevinden zich ten zuidoosten van het plangebied bushaltes, waardoor het plangebied goed is te bereiken via het openbaar vervoer. Op deze manier wordt verwacht dat het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied minder zal zijn dan is berekend. Parkeren Om de parkeerbehoefte te bepalen is een parkeernotitie opgesteld. De volledige notitie is opgenomen in
36/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Bijlage 1. Uit de parkeernotitie blijkt dat voor het wellnesscentrum, op basis van geprognotiseerde bezoekersaantallen en een zekere mate van dubbelgebruik, de parkeerbehoefte op piekmomenten ten hoogste 112 parkeerplaatsen bedraagt. Ter plaatse van het plangebied worden 248 parkeerplaatsen gerealiseerd, waardoor er voor de bezoekers voldoende parkeerruimte aanwezig is. Gelet op het overschot aan parkeerplaatsen, wordt eveneens geconcludeerd dat personeel ook ter plaatse kan parkeren. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
3.5
Natuur
3.5.1
Huidige situatie
Het plangebied ligt in het leegveenontginningen gebied. Dit betreffen grote gebieden waar uitgestrekte veenmoerassen zijn ontstaan. Open water, rietmoeras en opgaand moerasbos bestonden naast elkaar. De laagveenmoerassen zijn deels ontwaterd, verveend en in cultuur gebracht als landbouwgrond. 3.5.2
Uitgangspunten bestemmingsplan
3.5.2.1 Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. 3.5.2.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 Nederland heeft aan de hand van een vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Rijntakken) ligt op een afstand van 1,4 kilometer. Gezien de afstand van het plangebied tot het Natura 2000-gebied, de aard en omvang van de ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden.
Hierna wordt seperaat ingegaan op de effecten van de stikstofemissies de vrijkomen bij de voorgenomen ontwikkeling in relatie met Narura 2000-gebieden. Stikstofdepositie Bij elke activiteit waarbij sprake is van stikstofemissie, dient te worden getoetst of de stikstofemissie leidt tot een stikstopdepositie en er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden. Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het rapportage behorend bij dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van
37/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
stikstofdepositie met significante negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voornemen geen significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 3.6 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied en het NNN weergegeven. Het plangebied is met een rode ster aangegeven.
Afbeelding 3.6: Ligging van het plangebied ten opzicht van het NNN (Bron: Provincie Overijssel)
Gezien de onderlinge afstand (circa 1,4 kilometer) en de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 3.5.2.3 Soortenbescherming Tevens wordt de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Het bijbehorende onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. Hierna wordt op de bevindingen ten aanzien van de soortenbescherming ingegaan. Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten, maar beschermde plantensoorten ontbreken in het plangebied. Verschillende beschermde diersoorten benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk bezet de veldmuis er een rust- en voortplantingsplaats. Er nestelen geen vogels in het plangebied. 38/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk veldmuizen verwond en gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingsplaatsen van de veldmuis beschadigd en vernield. Voor de veldmuis geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en/of voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Het is om voorgenoemde redenen niet te verwachten dat de ontwikkeling negatieve effecten zou kunnen hebben op flora- en fauna die de wet beoogd te beschermen. Overigens wordt benadrukt dat rekening wordt gehouden met de in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplichtbepaling.
3.6
Water
3.6.1
Riolering
Het afvalwater vanuit het gebied wordt afgevoerd naar het bestaande gemeentelijke rioolstelsel. 3.6.2
Drooglegging
De richtlijn binnen de gemeente Zwolle is om een ontwateringsdiepte van minimaal 0,7 m te hanteren om grondwateroverlast te voorkomen. De ontwateringsdiepte is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en de kruin van de weg in de openbare ruimte. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. 3.6.3
Wateroverlast
Om wateroverlast en schade in gebouwen te voorkomen, wordt geadviseerd om een drempelhoogte van minimaal 20 cm boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders) moet aandacht worden besteed om wateroverlast te voorkomen (bv. toepassing van waterdichte materialen). 3.6.4
Overstromingsrisico
Bij nieuwe ontwikkelingen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen, waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt. Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. De provinciale omgevingsverordening (artikel 2.14.4) schrijft voor dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in overstroombaar gebied een overstromingsrisicoparagraaf moet wordt opgenomen in de toelichting bij bestemmingsplannen. Onder overstroombaar gebied verstaan we gebieden die normaal gesproken niet onder water staan, maar kunnen overstromen (tijdelijk onder water staan) als gevolg van een extreme gebeurtenis. Het gaat zowel om buitendijkse gebieden die bij hoogwater overstromen (bijvoorbeeld uiterwaarden) als om de beschermde gebieden achter de dijk (binnendijkse gebieden) die alleen bij een calamiteit onder water komen te staan. Het plangebied bevindt zich in overstroombaar gebied. In afbeelding 3.7 is dit weergegeven.
39/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Afbeelding 3.7: Ligging van het plangebied binnen het overstroombaar gebied (Bron: Provincie Overijssel) Risico-inventarisatie De ernst van een overstroming wordt bepaald door: de maximale waterdiepte tijdens een overstroming (is af te leiden uit de risicokaart); de kans op een overstroming; de beschikbare tijd voor evacuatie / noodmaatregelen (hoe lang duurt het tot het water er is?) Maximale waterdiepte bij en kans op overstroming Op de risicokaart komt het volgende kaartbeeld naar voren bij overstromingen van een kleine kans (1/1000 tot 1/10.000 jaar). Dit zijn de overstromingen vanuit het primaire systeem (bijvoorbeeld de IJssel of de Vecht) waar de dijken een strenge norm hebben. Voor de betreffende locatie wordt een waterdiepte van 2,0 – 5,0 m gevonden. De mogelijke waterdiepte kan daarmee worden aangeduid als diep. De tijd tot overstroming is afhankelijk van de locatie waar de waterkering faalt. 3.6.5
Maatregelen
Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Het betreft ook een stuk bewustwording, dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Wat betreft maatregelen kan worden gedacht aan: aanvullend ophogen (voor zover mogelijk) van het plangebied, voldoende hoog aanbrengen vloerpeil, verhoogde drempels, zodanige inrichting gebouw dat bij eventuele overstroming schade zoveel mogelijk wordt beperkt (denk aan materiaalgebruik en minder gevoelige ruimten op de begane grond), aansluiting van het plangebied op dichtstbijzijnde weg waardoor bereikbaarheid gewaarborgd blijft en opstellen van een evacuatieplan.
40/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
3.6.6
Waterparagraaf
3.6.6.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 3.6.6.2 Watertoetsproces Het waterschap Drents Overijsselse Delta is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Op basis van deze toets blijkt de 'normale procedure' van toepassing is. Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft als reactie een uitgangspuntennotie toegezonden. De uitgangspuntennotitie vormt de basis voor het waterhuishoudkundig plan, die behandeld wordt in de volgende paragraaf.
3.6.6.3 Waterhuishoudkundige aspecten Door GRASVELD Tuin- en Landschapsarchitecten is een waterparagraaf opgesteld. De volledige waterparagraaf is in Bijlage 4 opgenomen. Hierna wordt kort ingegaan op de relevante waterhuishoudkundige aspecten. Hemelwater Bij de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met de richting waarop hemelwater kan afstromen. Het hemelwater wordt niet afgevoerd naar de riolering, maar wordt in het plangebied geïnfiltreerd of geborgen en middels een noodoverloop gekoppeld aan de omliggende watergangen. Primaire en secundaire watergangen Ten noorden van het plangebied is een primaire watergang aanwezig. De Primaire watergang wordt momenteel gecontroleerd (schouw) en onderhouden vanaf de Stuurmansweg. In de overzienbare toekomst zal hier geen verandering in komen. De primaire watergang wordt daarnaast niet aangepast tijdens de ontwikkeling. De secundaire watergang, ten zuiden van het plangebied, wordt momenteel gecontroleerd (schouw) en onderhouden vanaf de Scholtensteeg; in de overzienbare toekomst zal dit een mogelijkheid blijven, maar zal het onderhoud deels door de initiatiefnemer worden overgenomen. De Secundaire watergang wordt ter hoogte van het hoofdgebouw verruimt met 545 m². Waterberging Op basis van het inrichtingsplan is berekend hoeveel verharding wordt toegevoegd en hoeveel compensatie in de vorm van waterberging moet plaatsvinden.
Berekend is dat er sprake is van een overschot aan waterbergingscapaciteit ten opzichte van de toe te voegen verharding.
41/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
3.7
Milieu
In deze paragraaf wordt ingegaan op de milieuaspecten die van belang zijn bij het toekennen van bestemmingen. Tevens komt de ligging van kabels, leidingen en straalpaden aan bod. 3.7.1
Geluid
3.7.1.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan/wijzigingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 3.7.1.2 Situatie plangebied In voorliggend geval wordt geen geluidsgevoelig object en geen nieuwe gezonnerde geluidsbron mogelijk gemaakt. In paragraaf 3.7.2 wordt onderbouwd of het plangebied voldoet aan de richtafstanden die gelden voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.7.1.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de Wet geluidhinder geen belemmering vormt in het kader van het voorliggend initiatief. 3.7.2
Bedrijvigheid (Wet milieubeheer)
3.7.2.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne
42/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 3.7.2.2 Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In dit geval gaat het om een locatie in het buitengebied, waar er geen sprake is van een menging van functies. Daarom wordt uitgegaan van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In de volgende tabel worden bijbehorende richtafstanden weergegeven.
Tabel 2: Milieucategorieën en richtafstanden (Bron: VNG) 3.7.2.3 Situatie plangebied 3.7.2.3.1
Algemeen
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
43/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
3.7.2.3.2
Externe werking
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het wellnesscentrum kan op basis van de VNG-uitgave het best worden vergeleken met de functie 'Fitnesscentra, badhuizen en sauna-baden'. Een dergelijke functie betreft een milieucategorie 2 functie, waarvoor een grootste richtafstand van 30 meter geldt voor het aspect 'geluid'. Opgemerkt wordt dat ondergeschikt aan het wellnesscentrum horeca, detailhandel en sportfuncties worden toegestaan. Dergelijke activiteiten betreffen allen eveneens milieucategorie 2 functies waarvoor een grootste richtafstand van 30 meter geldt. In een straal van 30 meter rondom het plangebied komen geen milieugevoelige functies voor, waardoor een nadere toelichting op het onderdeel externe werking niet aan de orde is. 3.7.2.3.3
Interne werking
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling ziet niet toe op het toevoegen van een milieugevoelige functie. Het voornemen wordt daardoor niet gehinderd door bestaande milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied. 3.7.2.4 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 3.7.3
Luchtkwaliteit
3.7.3.1 Beoordelingskader 3.7.3.1.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
3.7.3.1.2
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen
Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
44/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 3.7.3.1.3
Besluit gevoelige bestemmingen
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 3.7.3.2 Situatie plangebied Voor “kleinere” ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan luchtverontreiniging. Het doel van deze tool is: het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de grens voor niet in betekenende mate. De onderstaande tabel geeft de worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit weer.
Hierbij is uitgegaan van een toename van 429 vervoersbewegingen (zie ook paragraaf 3.4) als gevolg van de gewenste ontwikkeling.
In subparagraaf 3.7.3.1.2 worden daarnaast voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is dit plan aan te merken als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Ook wordt geconcludeerd dat dit plan niet voorziet in een nieuwe gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen.
45/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
3.7.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 3.7.4
Geur
3.7.4.1 Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 3.7.4.2 Situatie plangebied In het plangebied wordt geen geurgevoelige functie of geurbelastende functie (als bedoeld in de Wgv) mogelijk gemaakt. 3.7.4.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 3.7.5
Bodemkwaliteit
3.7.5.1 Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
46/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
3.7.5.2 Situatie plangebied Om aan te kunnen aantonen dat de grond geschikt is voor de voorgenomen functie, is een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd door Bodemvisie. Het volledige onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 5. Hierna wordt ingegaan op de bevindingen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn ter plaatse van één boring puinresten aangetroffen. In de plaatselijk aangetroffen bodemlaag is analytisch geen asbest aangetoond. Dit onderzoek heeft een indicatief karakter. In een uitgevoerde raai van boringen, ter plaatse van een voormalige watergang, zijn zintuiglijk geen bijmengingen waargenomen, welke kunnen duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. In één mengmonster van de zandige bovengrond is voor nikkel een licht verhoogd gehalte aangetoond. In de drie overige geanalyseerde (meng)monsters van de bovengrond en beide geanalyseerde mengmonsters van de ondergrond zijn voor de geanalyseerde parameters geen verhoogde gehalten gemeten. In een tweetal geanalyseerde grondwatermonsters is de concentratie aan barium licht verhoogd aangetoond. Voor de overige geanalyseerde parameters en in de beide overige grondwatermonsters zijn geen verhoogde concentraties gemeten. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt, worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de voorgenomen nieuwbouw op de locatie. 3.7.5.3 Conclusie De kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.7.6
Externe veiligheid
3.7.6.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te
47/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 3.7.6.2 Situatie plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 3.8 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode belijning) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 3.8: Uitsnede risicokaart (Bron: Risicokaart.nl) Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het plangebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. 3.7.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
48/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
3.7.7
Kabels, leidingen en straalpaden
3.7.7.1 Algemeen In 2005 heeft het rijk een advies opgesteld waarin is opgenomen dat vanuit het voorzorgprincipe rekening moet worden gehouden met de invloed van de magneetvelden bij bovengrondse hoogspanningslijnen op de gezondheid van kinderen. In het advies is opgenomen dat zoveel als mogelijk moet worden voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan van gevoelige bestemmingen waarbij kinderen (jonger dan 15 jaar) langdurig blootgesteld kunnen worden aan magneetvelden van meer dan 0,4 microTesla. Onder gevoelige bestemmingen wordt ook onderhavig plangebied beschouwd (brief van de minister van VROM met kenmerk DGM\2008105664 d.d. 4 november 2008). Het plangebied ligt op een afstand van circa 1,2 kilometer van de meest nabijgelegen hoogspanningslijn. Hiermee kan op voorhand worden gesteld dat het plangebied buiten de zone waarbinnen nader onderzoek nodig is ligt. 3.7.7.2 Conclusie Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 3.7.8
Duurzaamheid
Bij het project zal er sprake zijn van een duurzame wellnesslocatie. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaamheid. Het wellnesscentrum wordt volledig gasloos gerealiseerd en er zijn toekomstplannen om volledig te kunnen voorzien in de eigen energie. Er zal in ieder geval worden voldaan aan de duurzaamheidsnormen zoals opgenomen in het bouwbesluit. 3.7.9
Besluit milieu-effectrapportage
3.7.9.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 3. Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. 4. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). 5. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van
49/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. Beoordeling gehanteerd. 3.7.9.2 Beoordeling Artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 1,4 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van deze ruimtelijke onderbouwing dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
Stikstofdepositie Bij elke activiteit die een extra stikstofdepositie met zich meebrengt, dient te worden getoetst of er sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden. Het plangebied ligt op een afstand van 1,4 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Gelet op het gestelde in paragraaf 3.5 en het Stikstofonderzoek in Bijlage 2 zijn significant negatieve effecten voor stikstofgevoelige gebieden in dit Natura 2000-gebied uitgesloten. Drempelwaarden Besluit m.e.r Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor het voldoet aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen bestemmingsplanherziening maakt geen ontwikkeling mogelijk die de hiervoor genoemde drempelwaarden overschrijden. Er is daarom geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Desalniettemin is, gelet op de aard en omvang van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting. Toetsing De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.
50/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Hoofdstuk 4 4.1
Juridische aspecten
Inleiding
Dit bestemmingsplan is gemaakt conform het 'Handboek bestemmingsplannen Zwolle' versie 23. Dit handboek is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. De regels zijn binnen de systematiek van de SVBP2012 aangepast aan de Zwolse situatie en uitgebreid met extra standaardbestemmingen, waaraan in Zwolle behoefte is. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels. Gevolgd door de volgende bijlagen: Bijlage 1 Parkeernotitie Bijlage 2 Stikstofonderzoek; Bijlage 3 Natuurwaardenonderzoek Bijlage 4 Waterparagraaf; Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek; Bijlage 6 Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hoofdstuk 1 Inleidende regels De inleidende regels zijn van algemene aard en bestaan uit de volgende regels: Artikel 1 Begrippen; Artikel 2 Wijze van meten. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Toelichting op de regels voor de enkelbestemmingen: Het gehele plangebied is voorzien van een enkelbestemming. Een enkelbestemming kan in het plangebied op één plaats, maar ook op meerdere plaatsen voorkomen. De bij deze bestemmingen behorende regels zijn per bestemming in een apart artikel ondergebracht.
Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. De opbouw van een bestemmingsregel is als volgt: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
51/238
19 april 2021 bestemmingsplan Stadshagen II, Scholtensteeg (wellness)
Per bestemmingsonderdeel wordt hierna een korte toelichting wordt gegeven. 1. Bestemmingsomschrijving: In de bestemmingsomschrijving wordt een nadere omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie wordt als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid wordt aangegeven door de zin 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie in de bestemming. De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel maar bevat ook inrichtingsaspecten. 2. Bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Bij woningen wordt een onderscheid gemaakt tussen 'hoofdgebouwen', 'bijbehorende bouwwerken' en 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zonder dak'. Een 'bijbehorend bouwwerk' is een 'uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op het zelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak'. Deze definitie is gelijk aan de definitie in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Voor de andere functies geldt dat er meestal geen sprake is van 'bijbehorende bouwwerken'. Bij deze functies wordt dan alleen gebruik gemaakt van de begrippen 'gebouwen' en 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde'.