CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Berkum, Campherbeeklaan 16-20

Raad Besluitvormingsronde 13 juni 2022, gemeente ZwolleBij agendapunt: Bestemmingsplan Berkum, Campherbeeklaan 16-2027.118 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Uitkomsten overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg worden gepleegd met betrokken waterschap(pen) en diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Overijssel Het plan behoort tot een categorie van gevallen waarvan Gedeputeerde Staten van de Provincie op grond van artikel 3.1.1, tweede lid Bro, heeft beslist dat geen vooroverleg nodig is. Waterschap Drents Overijsselse Delta De watertoets heeft plaats gevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een korte procedure. Nader overleg met het waterschap is niet vereist.

49/306

mei 2022 bestemmingsplan Berkum, Campherbeeklaan 16-20

50/306

mei 2022 bestemmingsplan Berkum, Campherbeeklaan 16-20

BIJLAGEN BIJ DE T OELICHT ING

51/306

mei 2022 bestemmingsplan Berkum, Campherbeeklaan 16-20

Bijlage 1 Verkennend natuuronderzoek

52/306

Verkennend natuuronderzoek Campherbeeklaan 16-18 te Zwolle Onderzoek naar de mogelijke effecten van de voorgenomen herontwikkeling op beschermde soorten flora en fauna en beschermde natuurgebieden

Datum: 13-01-2021 Auteur: A. Tuitert Opdrachtgever: Aveco de Bondt Rapportnummer: AT/2021/13.01 Versie: Eindconcept C1

Inhoudsopgave 1. 1.1 1.2 1.3

Inleiding Aanleiding Doelstelling Onderzoeksgebied

3 3 3 4

2. 2.1 2.2 2.3

Wettelijk kader Wet natuurbescherming; Natura 2000 Wet natuurbescherming; soortenbescherming Beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland/Ecologische Hoofdstructuur

6 6 6 7

3. 3.1 3.2

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Nederland

8 8 9

4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.4.1 4.4.2 4.5 4.6

Soortenbescherming Werkwijze Flora Vogels Zoogdieren Vleermuizen Overige zoogdieren Vissen, amfibieën en reptielen Ongewervelden

10 10 10 10 10 10 11 11 12

5. 5.1 5.2 5.3

Conclusie Wet natuurbescherming; Natura 2000 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming Natuurnetwerk Nederland

13 13 13 14

2

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voor de percelen Campherbeeklaan 16 en 18 in Zwolle in Zwolle bestaan herontwikkelingsplannen, waarbij bestaande bebouwing wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw. In opdracht van Aveco de Bondt is hiervoor een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd om de mogelijke effecten van de voorgenomen herontwikkeling op beschermde soorten flora en fauna en Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming en beschermde gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland in beeld te brengen. Voorliggend rapport bevat de uitkomsten van het verkennend natuuronderzoek.

Figuur 1.1: Globale ligging onderzoeksgebied (rood omlijnd).

1.2 Doelstelling De doelstelling van dit onderzoek is om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden ten aanzien van beschermde soorten flora en fauna of Natura 2000-gebieden of uit de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Indien sprake is van effecten op beschermde soorten flora en fauna, dan is voor de ingreep mogelijk een ontheffing vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Indien sprake is van significante gevolgen voor Natura 2000gebieden, dan is voor de ingreep mogelijk een vergunning vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland is alleen onder voorwaarden toegestaan binnen de ruimtelijke procedures. 1.3 Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied bestaat uit een tweetal percelen met bebouwing in het stedelijk gebied van Zwolle (wijk Berkum). Op het ene perceel staat een rietgedekte woonboerderij met een rietgedekt stenen schuurtje. Op het andere perceel staat een winkelpand (Stella fietsen) met daarboven enkele kamers die verhuurd worden. Achter de woonboerderij en

3

het pand met de fietsenzaak is een gecultiveerde tuin aanwezig, die voornamelijk bestaat uit gazon. Verder is er erfverharding aanwezig rondom de gebouwen. Onderstaande foto’s geven een indruk van het onderzoeksgebied.

4

Foto 1 t/m 10: Indruk onderzoeksgebied.

5

2

Wettelijk kader

2.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). Indien significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden niet op voorhand met zekerheid zijn uit te sluiten, is in ieder geval een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 2.2 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

6

Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: - onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; - onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of - onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de nieuw wet.

Er is dan geen ontheffing nodig. 2.3

Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland/Ecologische Hoofdstructuur In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN/EHS in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.

7

3

Gebiedsbescherming

3.1 Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht op ca. 780 m afstand van het plangebied. Het Natura 2000-gebied Rijntakken ligt op ca. 5,7 km afstand en het Natura 2000-gebied Veluwe op ca. 8,1 km afstand. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het plangebied.

Figuur 3.1: Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied (rode ster). Bron: Atlas van Overijssel.

Het onderzoeksgebied ligt in het stedelijk gebied van Zwolle en is niet direct zichtbaar vanuit omliggende Natura 2000-gebieden. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied in het stedelijk gebied van Zwolle, de relatief grote afstand tot Natura 2000-gebieden (> 700 meter) en de beperkte impact van de ingreep (reguliere sloop- en bouwwerkzaamheden), kan een significante verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Significante gevolgen door oppervlakteverlies, verstoring door licht of geluid of optische verstoring zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. De omliggende Natura 2000-gebieden Rijntakken, Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht en Veluwe zijn allemaal stikstofgevoelige gebieden. Zowel tijdens de bouwfase als tijdens de gebruiksfase komen mogelijk extra stikstofemissies vrij die zouden kunnen leiden tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. Aan de hand van een stikstofberekening kan worden vastgesteld of daadwerkelijk sprake is van een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden. In dat geval is mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

8

3.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt en de provinciale ruimtelijke verordening van Overijssel geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent, is nadere toetsing aan de bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening van Overijssel ten aanzien van het NNN niet noodzakelijk. Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden in het stedelijk gebied van Zwolle) wordt een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN overigens ook niet verwacht.

Figuur 3.2: Ligging NNN ten opzichte van het plangebied (rode ster). Bron: Planviewer PRV Overijssel.

9

4

Soortenbescherming

4.1 Werkwijze Op 11 december 2020 heeft een verkennend veldbezoek in het plangebied plaatsgevonden. Op basis van een expertoordeel is aan de hand van biotoopeisen van beschermde soorten en habitatkenmerken in het plangebied beoordeeld welke beschermde soorten er in het plangebied kunnen voorkomen. Het veldonderzoek heeft een verkennend karakter en kan niet worden gezien als uitputtende soorteninventarisatie. Er zijn in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) of in andere beschikbare bronnen geen waarnemingen van de beschermde soorten bekend uit het plangebied. In de wijdere omgeving komen verschillende beschermde soorten van stedelijk gebied zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger, huismus en gierzwaluw voor. 4.2 Flora Het plangebied bestaat vooral uit bebouwing, erfverharding en gecultiveerde tuin in het stedelijk gebied van Zwolle. Hier is geen voor beschermde plantensoorten geschikt biotoop aanwezig, uitgezonderd voor muurplanten. Op de gevels van de gebouwen in het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde soorten muurplanten aangetroffen. Op niet-verharde terreindelen zijn tijdens het veldbezoek ook geen specifieke standplaatseisen voor beschermde plantensoorten aangetroffen. Aanwezigheid van beschermde plantensoorten in het plangebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.

Aanvullend veldonderzoek naar planten of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.3 Vogels De woonboerderij en het bijbehorende schuurtje hebben een rieten dak, waarin geen nestmogelijkheden aanwezig zijn voor gebouwbewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zoals huismus en gierzwaluw. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen nesten van huiszwaluw aan de gevels van deze gebouwen aangetroffen. Het pand waarin de fietsenwinkel is gevestigd bevat een hellend pannendak. Hierin bevinden zich nestmogelijkheden voor huismus en gierzwaluw. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van huiszwaluw aan de gevels van dit gebouw aangetroffen. Voor andere gebouwbewonende vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestplaats zoals kerkuil en steenuil is het onderzoeksgebied ongeschikt. Er zijn ook geen grotere bomen in het onderzoeksgebied aanwezig waarin boombewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zoals ransuil, roofvogels of roek kunnen broeden. Aan de hand van aanvullend veldonderzoek naar huismus en gierzwaluw dient vastgesteld te worden of daadwerkelijk nesten van deze vogelsoorten aanwezig zijn in het gebouw waarin de fietsenwinkel is gevestigd. Voor andere gebouwen en/of delen van het onderzoeksgebied geldt dat aanwezigheid van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats op voorhand kan worden uitgesloten.

Wel kunnen in de begroeiing op het terrein verschillende (zang)vogelsoorten broeden waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Tijdens het broedseizoen van vogels (globaal van half maart tot begin augustus) dient rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van broedvogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. 4.4

Zoogdieren

4.4.1 Vleermuizen Tijdens het veldbezoek is de bebouwing in het plangebied onderzocht op geschiktheid voor vleermuizen. De woonboerderij en het bijbehorende schuurtje hebben een rieten

10

dak, waarin geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Deze gebouwen hebben ook geen voor vleermuizen toegankelijke spouwmuren. Tijdens het veldbezoek is de zolderruimte van de woonboerderij bekeken op aanwezigheid van (sporen van) vleermuizen. Er zijn geen keutels, prooiresten (vlindervleugels) of andere sporen van vleermuizen aangetroffen. De zolderruimte is van buitenaf ook niet toegankelijk voor vleermuizen. Aanwezigheid van vleermuizen in deze gebouwen kan op voorhand worden uitgesloten. Het pand waarin de fietsenwinkel is gevestigd bevat een hellend pannendak. Hierin bevinden zich mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Het pand heeft tevens spouwmuren die via open stootvoegen voor vleermuizen toegankelijk zijn. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Aan de hand van aanvullend veldonderzoek naar vleermuizen dient vastgesteld te worden of daadwerkelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

In het onderzoeksgebied zijn verder geen voor boombewonende vleermuizen geschikte holle bomen aanwezig en vanwege het ontbreken van veel opgaande begroeiing kan aanwezigheid van een essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied op voorhand worden uitgesloten. 4.4.2 Overige zoogdiersoorten Het onderzoeksgebied ligt in het stedelijk gebied van Zwolle en valt daarmee buiten het verspreidingsgebied van de meeste niet-vrijgestelde beschermde soorten overige zoogdieren, zoals das, boommarter, bever en waterspitsmuis. De otter komt wel in het stedelijk gebied van Zwolle voor, maar is gebonden aan water wat ontbreekt in het onderzoeksgebied. De bebouwing in het onderzoeksgebied is potentieel geschikt als verblijfplaats voor de steenmarter, een soort die in het stedelijk gebied van Zwolle kan voorkomen. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen (prooiresten of latrines) van steenmarter aangetroffen in de bebouwing. De bebouwing heeft ook geen voor steenmarter toegankelijke openingen en er staan geen bomen dichtbij de gebouwen van waaruit steenmarter in de dakgoten zou kunnen springen. In het onderzoeksgebied is geen geschikt leefgebied aanwezig voor de in Zwolle voorkomende eekhoorn, bunzing, hermelijn en wezel aanwezig. In de aanwezige tuinen is ook geen dekking in de vorm van takkenrillen, houtstapels, dichte heggen etc. aanwezig waarin egels zouden kunnen verblijven.

Als foerageergebied voor de egel is het onderzoeksgebied slechts marginaal geschikt. Van essentieel foerageergebied dat van belang is voor de functionaliteit van mogelijk elders aanwezige verblijfplaatsen is geen sprake. Aanvullend veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming voor niet-vrijgestelde beschermde soorten overige zoogdieren is niet aan de orde. 4.5 Vissen, amfibieën en reptielen Het onderzoeksgebied ligt in het stedelijk gebied van Zwolle, buiten het verspreidingsgebied van de meeste niet-vrijgestelde beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen. Tijdens het veldbezoek is ook geen geschikt biotoop voor niet-vrijgestelde beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen aangetroffen. Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater en van geschikt landhabitat kan aanwezigheid van niet-vrijgestelde beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen op voorhand worden uitgesloten.

11

Aanvullend veldonderzoek naar vissen, amfibieën en reptielen of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.6 Ongewervelden Tijdens het verkennend veldbezoek zijn geen beschermde soorten ongewervelden in het plangebied aangetroffen. Het plangebied ligt in het stedelijk gebied van Zwolle en bevat ook geen geschikt biotoop voor beschermde soorten libellen, dagvlinders of andere soorten ongewervelden. Zo ontbreekt bijv. sleedoornstruweel als waardplant voor de beschermde sleedoornpage. De aanwezigheid van beschermde soorten ongewervelden in het plangebied kan derhalve worden uitgesloten. Aanvullend veldonderzoek naar ongewervelden of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

12

5

Conclusie

5.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 De voorgenomen herontwikkeling leidt – los van het aspect stikstofdepositie – niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Ten aanzien van stikstofdepositie geldt dat aan de hand van een stikstofberekening moet worden vastgesteld of sprake is van een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden en of dit kan leiden tot significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. 5.2 Wet natuurbescherming; soortenbescherming Het pand waarin de fietsenzaak is gevestigd (Campherbeeklaan 18) is potentieel geschikt als nestplaats voor huismus en gierzwaluw en als verblijfplaats voor vleermuizen. Aan de hand van aanvullend veldonderzoek dient vastgesteld te worden of deze soorten daadwerkelijk in het onderzoeksgebied verblijven. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen herontwikkeling.

Ten aanzien van andere niet-vrijgestelde beschermde soorten geldt dat geen sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is wat dat betreft niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels in de begroeiing in het onderzoeksgebied, waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden en in gebruik zijnde nesten mogen tijdens het broedseizoen niet worden aangetast. Tabel 5.2: Samenvatting resultaten soortenbescherming Soort(groep)

Functie

Maatregelen / vervolgstappen

Huismus

Mogelijke nestplaatsen in dakconstructie fietsenzaak

Aanvullend veldonderzoek en indien aanwezig ontheffing

Gierzwaluw

Mogelijke nestplaatsen in dakconstructie fietsenzaak

Aanvullend veldonderzoek en indien aanwezig ontheffing

Vleermuizen (gebouwen)

Mogelijke verblijfplaatsen in dakconstructie en spouwmuren fietsenzaak

Aanvullend veldonderzoek en indien aanwezig ontheffing

Broedvogels zonder jaarrond beschermde nestplaats

Nesten in bebouwing en begroeiing

Werken buiten broedseizoen of werkgebied voorafgaand aan broedseizoen ongeschikt maken. Broedseizoen loopt globaal van half maart tot begin augustus

Overige soorten

Geen verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes

Geen

5.3 Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen ingreep leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” is niet aan de orde.

13

mei 2022 bestemmingsplan Berkum, Campherbeeklaan 16-20

Bijlage 2 Aanvullend natuuronderzoek

66/306

Resultaten aanvullend natuuronderzoek Campherbeeklaan 16-20 Zwolle Onderzoek naar het voorkomen van huismus, gierzwaluw en vleermuizen

Datum: 25-10-2020 Auteur: D. Tuitert Opdrachtgever: Aveco de Bondt Rapportnummer: AVO/2021/25.10 Versie: D1

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Voor de percelen Campherbeeklaan 16, 18 en 20 in Zwolle bestaan herontwikkelingsplannen, waarbij bestaande bebouwing wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw. In opdracht van Aveco de Bondt is hiervoor een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd om de mogelijke effecten van de voorgenomen herontwikkeling op beschermde soorten flora en fauna in beeld te brengen. Uit het verkennend natuuronderzoek is gebleken dat aanwezigheid van huismus, gierzwaluw en vleermuizen in de bebouwing aan de Campherbeeklaan 18 niet op voorhand kan worden uitgesloten. Daarom is in 2021 aanvullend veldonderzoek naar huismus, gierzwaluw en vleermuizen uitgevoerd. Voorliggend rapport bevat de uitkomsten van het aanvullend veldonderzoek in 2021.

Figuur 1.1: Onderzoekslocatie (rood omcirkeld). 1.2 Doelstelling De doelstelling van dit onderzoek is om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling verbodsbepalingen uit Wet natuurbescherming worden overtreden ten aanzien van huismus, gierzwaluw of vleermuizen. Indien sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming, dan is voor de ingreep een ontheffing vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Indien geen sprake is van overtreding van de verbodsbepalingen, dan kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd zonder ontheffing. 2

Werkwijze

2.1 Vleermuizen Het inventariseren van vleermuizen is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021. Het aantal veldbezoeken is gebaseerd op de potentiële aanwezigheid van de volgende functies voor de gebouwbewonende vleermuissoorten: • Kraam-/zomerverblijfplaats • Paarverblijfplaats

2

In totaal hebben vijf veldbezoeken plaatsgevonden, waarvan drie in voorjaar/zomer om kraamverblijven en/of zomerverblijven in kaart te brengen en twee in het najaar om potentiële paarverblijven te kunnen vaststellen. Alle veldbezoeken zijn uitgevoerd onder droge weersomstandigheden. In onderstaande tabel zijn de data en weersomstandigheden van de veldbezoeken weergegeven. Tabel 1: Data en weersomstandigheden van de vleermuisinventarisaties Datum 18-05-2021

Type inventarisatie Zomer- en kraamverblijven

Type bezoek Avondbezoek

Weersomstandigheden 12° Celsius, bewolkt, windkracht 2

10-06-2021

Zomer- en kraamverblijven

Avondbezoek

16° Celsius, half bewolkt, windkracht 2

27-06-2021

Zomer- en kraamverblijven

Ochtendbezoek

15° Celsius, onbewolkt, windkracht 3

21-08-2021 13-09-2021

Paarverblijfplaatsen Paarverblijfplaatsen

Avondbezoek Avondbezoek

14° Celsius, bewolkt, windkracht 2 12° Celsius, half bewolkt, windkracht 2

De vleermuisinventarisaties zijn uitgevoerd met behulp van een Pettersson D240x batdetector, die ultrasone geluiden van vleermuizen omzet in voor mensen hoorbare tonen. Daarnaast is er als aanvulling regelmatig gebruik gemaakt van een warmtebeeldkijker waarmee onder meer het eventuele uit- of invliegen en de richting waarin de vleermuizen vliegen, ook met behulp van zicht, vastgesteld kan worden. 2.2 Huismus De inventarisaties naar huismus zijn uitgevoerd door te kijken naar aanwezigheid van zingende huismusmannetjes, bedelende jongen en ander nestindicerend gedrag van de huismus zoals voedselvluchten of transport van nestmateriaal. Er zijn in totaal twee veldbezoeken uitgevoerd op 16 en 30 april 2021. Ook tijdens de vleermuisbezoeken is gelet op huismusactiviteit in het plangebied. 2.3 Gierzwaluw De inventarisaties naar gierzwaluwen zijn uitgevoerd door te kijken naar aanwezigheid van nestindicerend gedrag van de gierzwaluw zoals territoriumroep of voedselvluchten. Er zijn in totaal drie veldbezoeken uitgevoerd op 18 mei, 10 juni en 6 juli 2021. Daarbij is ook geluid van roepende gierzwaluwen afgespeeld, in de hoop dat broedende vrouwtjes of aanwezige jongen daarop reageren vanuit de nestplaats. 3

Resultaten

3.1 Vleermuizen Tijdens geen van de veldbezoeken is een verblijfplaats van vleermuizen aangetroffen in de onderzochte bebouwing. Als gevolg van de herontwikkeling gaan dus geen zomer-, kraam-, paar- of winterverblijfplaatsen van vleermuizen verloren. De voorgenomen sloop van het betreffende gebouw leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen. Tijdens de vleermuisbezoeken zijn enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen rond de begroeiing op het perceel. Het plangebied bevat geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen dat van wezenlijk belang is voor de functionaliteit van buiten het plangebied gelegen voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen. Van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van essentieel foerageergebied van vleermuizen is derhalve geen sprake. Tijdens de vleermuisbezoeken zijn geen vliegroutes van vleermuizen aangetroffen in het plangebied. Van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van essentiële vliegroutes van vleermuizen is derhalve geen sprake.

3

3.2 Huismus Tijdens het veldonderzoek is geen huismusactiviteit in het onderzoeksgebied waargenomen. Er zijn geen nestplaatsen van huismus aanwezig in de onderzochte bebouwing. Er zijn ook geen foeragerende huismussen aangetroffen in het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied vormt geen essentieel foerageergebied voor de huismus. De voorgenomen herontwikkeling leidt niet tot een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus. 3.3 Gierzwaluw Tijdens het veldonderzoek is geen gierzwaluwactiviteit in het onderzoeksgebied waargenomen. Er zijn geen nestplaatsen van gierzwaluw aanwezig in de onderzochte bebouwing. Er zijn ook geen foeragerende gierzwaluwen aangetroffen in het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied vormt geen essentieel foerageergebied voor de huismus. De voorgenomen herontwikkeling leidt niet tot een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van de gierzwaluw. 4 Conclusie Uit het aanvullend veldonderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw blijkt dat er in de te slopen bebouwing geen vaste rust- en verblijfplaatsen (zomer-/kraam-, paar- of winterverblijven) van vleermuizen of nestplaatsen van huismus en gierzwaluw aanwezig zijn. De ingreep leidt derhalve niet tot een aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen of nestplaatsen van huismus en gierzwaluw.

Er gaat ook geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen, huismussen of gierzwaluwen verloren en zijn geen vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

4

mei 2022 bestemmingsplan Berkum, Campherbeeklaan 16-20

Bijlage 3 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

71/306

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling Campherbeeklaan 16-20 Zwolle

datum projectnummer

205531

Aveco de Bondt BV Burgemeester van der Borchstraat 2, 7451 CH Holten Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 548 85 33 33 www.avecodebondt.nl

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling project

Milieuplanologische onderzoeken Campherbeeklaan Zwolle

projectnummer projectleider

opdrachtgever postadres

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

205531 Wouter Reilink DLH Ontwikkeling Burg. Van Roijensingel 6 8011 CS Zwolle

contactpersoon

De heer E. van Roodselaar

status

Definitief

versie

1

auteur

Rianne Arendsen

paraaf gecontroleerd

Jeroen Hendriks

P3

Inhoudsopgave

datum referentie

1 1.1 1.2 1.3

Inleiding Aanleiding Toetsingskader Leeswijzer

5 5 5 5

2 2.1 2.2 2.3 2.4

Kenmerken project Projectbeschrijving Kenmerken omgeving Huidige situatie Beoogde situatie

6 6 7 8 9

3 3.1 3.2 3.3

Procedurele en inhoudelijke aspecten (vormvrije) m.e.r. beoordeling Wet- en regelgeving Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen Procedure en betrokken partijen

10 10 11 12

4 4.1 4.2 4.3

Vormvrije m.e.r.-beoordeling De plaats en kenmerken van het project Kenmerken van het potentiële effect Samenvatting milieueffecten

13 13 16 19

5 5.1 5.2

Beoordeling van de effecten en conclusies Conclusie t.a.v. mogelijke aanzienlijke milieueffecten Conclusie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling

20 20 20

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

1

Inleiding

1.1 Aanleiding DLH Ontwikkeling is voornemens de locatie aan de Campherbeeklaan 16-20 te Zwolle te herontwikkelen. Het voornemen bestaat uit het slopen van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw van vier 2-onder-1 kap woningen, bestaande uit twee bouwlagen met kap. De voorgenomen ontwikkeling is op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Berkum’ niet toegestaan. Voor dit plan is momenteel een bestemmingsplan in voorbereiding, wat het juridischplanologische kader vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. In deze notitie is de toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. Het Besluit m.e.r. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. 1.2 Toetsingskader In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten wanneer m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig zijn. Deze aanmeldnotitie betreft de m.e.r.-beoordeling op basis waarvan het bevoegd gezag (de gemeente Zwolle) kan besluiten of het mogelijk maken van de voorgenomen ontwikkeling al dan niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure (waaronder het opstellen van een milieueffectrapportage). Onderhavige rapportage betreft de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling op basis waarvan het bevoegd gezag dat besluit kan nemen.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de kenmerken van het project beschreven. In hoofdstuk 3 wordt in gegaan op de huidige wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. Vervolgens wordt het beoogde plan getoetst aan deze wetgeving. Hoofdstuk 4 bevat de (vormvrije) m.e.r.beoordeling. In hoofdstuk 5 worden de conclusies van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling verwoord in een advies aan het bevoegd gezag.

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P5

2

Kenmerken project

2.1 Projectbeschrijving DLH Ontwikkeling is voornemens de locatie aan de Campherbeeklaan 16-20 te Zwolle te herontwikkelen. Het voornemen bestaat uit het slopen van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw van vier 2-onder-1 kap woningen, bestaande uit twee bouwlagen met kap. Het plangebied staat kadastraal bekend als kadastrale gemeente Zwollerkerspel, sectie F, nummers 3963, 3964, 3965, 3966 en 3967 met een totale oppervlakte van 1.375 m 2. Figuur 2.1 geeft de globale begrenzing van het plangebied weer.

Figuur 2.1 globale begrenzing

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P6

2.2 Kenmerken omgeving De situering en de directe omgeving van het plangebied is weergegeven in figuur 2.2.

Figuur 2.2: Plangebied en omgeving

Het plangebied ligt ten noordoosten van het historisch stadscentrum van Zwolle. Het plangebied ligt in de wijk Berkum. De directe omgeving kenmerkt zich door een gemengd gebruik met functies zoals bedrijven, detailhandel, maatschappelijke voorzieningen en woningen. Ten noorden van de plangebied ligt de Rijksweg A28.

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P7

2.3 Huidige situatie In de onderstaande figuur is een recente luchtfoto van het plangebied weergegeven.

Figuur 2.3: Luchtfoto plangebied

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een woonboerderij en een woon-winkelpand.

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P8

2.4

Beoogde situatie

De beoogde situatie van het plangebied is weergegeven in figuur 2.4. Het voornemen bestaat uit het realiseren van vier 2-onder-1 kap woningen, bestaande uit twee bouwlagen met kap.

Figuur 2.4: beoogde situatie

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P9

3

Procedurele en inhoudelijke aspecten (vormvrije) m.e.r. beoordeling

3.1 Wet- en regelgeving De m.e.r.-procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet Milieubeheer en in het Besluit m.e.r. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.-toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets. Figuur 3.1 geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn waarmee wordt beoordeeld of sprake is van: • een directe m.e.r.-plicht of; • een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht of; • een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht.

Figuur 3.1: Schema m.e.r.-toets

Onderstaand zijn deze drie vormen nader toegelicht: • m.e.r-plicht: voor activiteiten die zijn opgenomen op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en de drempelwaarde daarvan overschrijden geldt de directe m.e.r.-plicht. Naast de C-lijst zijn ook plannen waarvoor een passende beoordeling opgesteld moet worden m.e.r.-plichtig en kunnen provincies in een provinciale verordening m.e.r.-plichtige activiteiten aanwijzen. Voor deze activiteiten moet een milieueffectrapportage worden opgesteld om de milieugevolgen van de activiteit op de leefomgeving in beeld te brengen zodat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld om de milieugevolgen bij haar afwegingen te betrekken. Voor een zorgvuldige afweging bevat het rapport bovendien alternatieve oplossingen met bijbehorende milieueffecten. • m.e.r.-beoordelingsplicht of plan-m.e.r.: voor activiteiten die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en de drempelwaarde overschrijden geldt de (formele) m.e.r. beoordelingsplicht. Indien de activiteit waarvan de drempelwaarde op de D-lijst wordt overschreden mogelijk wordt gemaakt door middel van een plan (kolom 3), dan geldt altijd en direct de plan-m.e.r. • vormvrije m.e.r.-beoordeling: voor activiteiten die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. maar niet de drempelwaarde overschrijden geldt de (vormvrije) m.e.r. beoordelingsplicht.

De procedure en inhoud van de ‘vormvrije’ versie is nagenoeg gelijk aan datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 10

de (formele) m.e.r.-beoordeling. Dat betekent dat voorafgaand aan de activiteit een besluit genomen moet worden of het doorlopen van een m.e.r.-procedure (opstellen milieueffectrapportage) al dan niet noodzakelijk is. Dit besluit moet worden onderbouwd door middel van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling die aantoont dat de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu c.q. leefomgeving. De inhoud van de beoordeling dient te voldoen aan de criteria zoals opgenomen in ‘bijlage III van de Europese MER richtlijn’. 3.2 Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een directe m.e.r.-plicht; de voorgenomen activiteiten zijn niet opgenomen op de C-lijst, er hoeft geen passende beoordeling opgesteld te worden en de provincie heeft geen m.e.r.-plichtige activiteiten aangewezen. Er is geen sprake van een directe m.e.r.-plicht, maar mogelijk wel van een vormvrije of formele m.e.r.-beoordelingsplicht. Hiervoor is de D-lijst van het Besluit m.e.r. het toetsingskader. Toetsing aan D-lijst De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 4 grondgebonden woningen. Deze activiteit valt in kolom 1, onderdeel D11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

In de onderstaande tabel is de volledige tabel behorend bij dit onderdeel uit het Besluit MER overgenomen. Tabel 1: D-lijst, bijlage, besluit Milieueffectrapportage

Kolom 1 Activiteiten

Kolom 2 Gevallen

Kolom 3 Plannen

Kolom 4 Besluiten

D11.

De aanleg, wijziging

In gevallen waarin de

De structuurvisie,

De vaststelling van het

2

of uitbreiding van

activiteit betrekking heeft

bedoeld in de

plan, bedoeld in artikel

een stedelijk

op:

artikelen 2.1, 2.2 en

3.6, eerste lid,

ontwikkelingsproje

1°. een oppervlakte van 100

2.3 van de Wet

onderdelen a en b, van

ct met inbegrip van

hectare of meer,

ruimtelijke ordening,

de Wet ruimtelijke

de bouw van

2°. een aaneengesloten

en het plan, bedoeld

ordening dan wel bij

winkelcentra of

gebied en 2000 of meer

in artikel 3.1, eerste

het ontbreken daarvan

parkeerterreinen.

woningen omvat, of

lid, van die wet.

van het plan, bedoeld

3°. een

in artikel 3.1, eerste

bedrijfsvloeroppervlakte

lid, van die wet.

van 200.000 m2 of meer.

Het te nemen besluit (het bestemmingsplan) komt voor in zowel kolom 3 als 4. Omdat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling na vaststelling van het bestemmingsplan geen andere besluiten meer worden genomen die voorkomen in kolom 4 van de D-lijst, is het bestemmingsplan te beschouwen als een 'besluit' in de zin van het Besluit m.e.r.. De drempelwaarde in kolom 2 wordt niet overschreden. Er is derhalve geen sprake van een formele m.e.r.-beoordeling, maar wel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld.

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 11

3.3

Procedure en betrokken partijen

Betrokken partijen Bij deze m.e.r.-beoordelingsprocedure zijn de volgende partijen aan te merken als initiatiefnemer en bevoegd gezag. DLH Ontwikkeling is initiatiefnemer van de voorgenomen ontwikkeling. De gemeente Zwolle treedt op als bevoegd gezag. De gemeente moet een bestemmingsplan vaststellen om dit plan mogelijk te maken. Procedure De initiatiefnemer deelt aan het bevoegd gezag mede dat zij voornemens is een m.e.r.beoordelingsplichtige activiteit te realiseren. Dit doet de initiatiefnemer in deze aanmeldingsnotitie waarin zij de benodigde informatie opneemt op basis waarvan het bevoegd gezag een besluit kan nemen over de noodzakelijkheid tot het doorlopen van een m.e.r.procedure. Het bevoegd gezag neemt binnen zes weken na ontvangst van deze aanmeldingsnotitie een besluit of er al of niet een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden. Het vormvrije m.e.r.- beoordelingsbesluit vormt een bijlage bij het te nemen besluit. Er staat bij een m.e.r.-beoordeling geen direct bezwaar en beroep open. Bezwaar en beroep vindt plaats in het kader van de procedure van het te nemen besluit (in dit geval het bestemmingsplan).

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 12

4

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

De vormvrije m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag (gemeente Zwolle) om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De beoordeling dient te worden uitgevoerd op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema’s: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. 4.1 De plaats en kenmerken van het project Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: A. de omvang van het project; B. de cumulatie met andere projecten; C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; D. de productie van afvalstoffen; E. verontreiniging en hinder; F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; G. risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: H. het bestaande grondgebruik; I. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied; J.

het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: ▪ wetlands, oeverformaties, riviermondingen; ▪ kustgebieden; ▪ berg- en bosgebieden; ▪ natuurreservaten en -parken; ▪ gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; ▪ gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen; ▪ gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; ▪ landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 13

Ad A. de omvang van het project Zoals omschreven in hoofdstuk 2 voorziet het project in het realiseren van 4 grondebonden woningen. Het betreft een kleinschalige ontwikkeling op een perceel van 1.375 m2. Ad B. cumulatie met andere projecten De realisatie van de vier grondgebonden woningen betreft een op zichzelf staand project en maakt geen onderdeel uit van een grotere ontwikkelingslocatie. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen andere grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. Ad C. gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Naast de reguliere materialen en hulpbronnen ten behoeve van realisatie van de vier woningen worden geen natuurlijke hulpbronnen gebruikt in het onderhavige plan. De wooneenheden worden bovendien niet meer aangesloten op aardgas (fossiele brandstof) en kennen een hoge energieprestatie. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een milieueffectrapportage dient te worden opgesteld. Ad D.

de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van voorgenomen ontwikkeling en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Ad E. verontreiniging en hinder Voor verontreiniging en hinder kunnen diverse aspecten relevant zijn, te denken aan bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, waterkwaliteit, geluidhinder, verkeershinder, hinder in de vorm van verstoring van natuurwaarden door bijvoorbeeld stikstof, geluid en licht, etc. Ten aanzien van bovengenoemde aspecten wordt onder paragraaf 4.2, kenmerken van het mogelijke effect, beschreven wat de mogelijke effecten zijn. Ad F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering De realisatie en ingebruikname van de woningen betreft geen risicovolle inrichting. In de omgeving van het plangebied is de A28 gelegen, een route waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden. Deze rijksweg is op voldoende afstand gelegen van het plangebied, waarbij kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De personen binnen het plangebied hebben voldoende mogelijkheden om zichzelf in veiligheid te brengen.

Het plangebied wordt goed ontsloten en in geval van een incident op de A28 zijn er voldoende mogelijkheden om van de risicobron af te vluchten. Wel dient er gebruik te worden gemaakt

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 14

van een mechanische ventilatiesysteem dat handmatig kan worden uitgeschakeld om het mogelijk indringen van toxische gassen tegen te gaan. Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. In paragraaf 4.2 wordt daar verder op ingegaan als onderdeel van het aspect water. Ad G. risico’s voor menselijke gezondheid Bij de functie welke mogelijk wordt gemaakt bij voorgenomen ontwikkeling (wonen) ontstaat er geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. Ad H. het bestaande grondgebruik Zoals omschreven in hoofdstuk 2.3 bestaat het bestaande grondgebruik uit een woonboerderij en een woon-winkelpand. Het plangebied kent volgens het vigerende bestemmingsplan ‘Berkum’ de enkelbestemmingen ‘Detailhandel-bovenwoning’, ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Ad I. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied Het plangebied bestaat uit verharding en tuin (gras).

In de huidige situatie is er geen sprake van een rijkdom aan kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. Ad J. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht) ligt op een afstand van circa 580 meter van het plangebied. Daarnaast heeft het plangebied ook geen rijkdom aan archeologie en cultuurhistorie, het plangebied is gelegen in een zone waar reeds verstoringen hebben plaatsgevonden.

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 15

4.2 Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria die besproken zijn onder paragraaf 4.1 (de plaats en kenmerken van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: • de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten; • de aard van het effect; • het grensoverschrijdend karakter van het effect; • de intensiteit en de complexiteit van het effect; • de waarschijnlijkheid van het effect; • de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; • de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; • de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. De mogelijke milieueffecten worden, indien aan de orde, aan de hand van de verschillende relevante thema’s beschreven. Bij onderhavig project worden de volgende thema’s als relevant beschouwd: Bodem; Geluid; Luchtkwaliteit; Flora en Fauna en Water. Bovengenoemde aspecten worden achtereenvolgens toegelicht. 4.2.1 Bodem Potentiële effecten ten aanzien van bodem zijn niet te verwachten. Er wordt geen activiteit mogelijk gemaakt die een mogelijk bodemrisico met zich mee brengt. Daarnaast blijkt uit het uitgevoerde verkennende bodemonderzoek ter hoogte van het plangebied dat er milieuhygiënisch gezien geen bezwaar is tegen de toekomstige nieuwbouw.

4.2.2 Geluid Met het planvoornemen worden geen functies gerealiseerd die geluid produceren. Wel kent de voorgenomen woonfunctie een verkeersgeneratie. Deze zal echter ongeveer gelijk zijn aan die van huidige (planologische) situatie. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve akoestische consequenties gepaard gaan. 4.2.3 Luchtkwaliteit (excl. stikstofdepositie) Potentiële effecten ten aanzien van luchtkwaliteit zijn met name gerelateerd aan de toename van het aantal verkeersbewegingen die het plan met zich mee brengt. Gelet op het ‘Besluit niet in betekenende mate’ kan geconcludeerd worden dat met voorgenomen ontwikkeling er geen significante verslechtering van de luchtkwaliteit plaatsvindt. De luchtkwaliteit in de huidige situatie voldoet ruimschoots aan de geldende normen.

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 16

4.2.4 Flora en Fauna (incl. stikstofdepositie) Potentiële effecten ten aanzien van flora en fauna zijn met name gerelateerd aan soortenbescherming binnen en direct rondom het plangebied en gebiedsbescherming van natuurgebieden. Effecten ontwikkeling op soortenbescherming Uit ecologisch onderzoek is het volgende gebleken: Het pand waarin de fietsenzaak is gevestigd (Campherbeeklaan 18) is potentieel geschikt als nestplaats voor huismus en gierzwaluw en als verblijfplaats voor vleermuizen. Aan de hand van aanvullend veldonderzoek dient vastgesteld te worden of deze soorten daadwerkelijk in het onderzoeksgebied verblijven. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen herontwikkeling. Ten aanzien van andere niet-vrijgestelde beschermde soorten geldt dat geen sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is wat dat betreft niet aan de orde. Door middel van aanvullend veldonderzoek naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw dient vastgesteld te worden of daadwerkelijk sprake is van een verblijfplaats van vleermuizen, gierzwaluw en/of huismus in de te slopen bebouwing.

Het slopen van de bebouwing kan pas uitgevoerd worden nadat is vastgesteld of er wel of geen vleermuizen of huismus aanwezig zijn. Het aanvullend veldonderzoek naar de huismus, gierzwaluw en vleermuizen wordt uitgevoerd in de periode maart t/m september 2021. Indien de vleermuizen, gierzwaluw en/of huismus aanwezig zijn dient er een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming te zijn verleend voordat er met slopen van de woning begonnen kan worden. Effecten ontwikkeling op gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een Natura 2000-gebied. De voorgenomen ingreep leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” is niet aan de orde. Het plangebied ligt op circa 580 m vanaf het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht en op 5,9 km vanaf het Natura 2000-gebied Rijntakken. Van oppervlakteverlies en/of versnippering van kwalificerende habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten is geen sprake. Eventuele verstoring door geluid, licht en trilling is niet aan de orde, gelet op de afstand tot het natuurgebied.

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 17

De stikstofdepositie als gevolg van het slopen van de bestaande bebouwing en het realiseren van de woningen en de daarbij behorende verkeersgeneratie in de gebruiksfase is in beeld gebracht. Uit de AERIUS-calculatie1 blijkt dat: • De totale stikstofemissie tijdens de gebruiksfase (2023) leidt niet tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar). In de gebruiksfase is er geen sprake van significant negatieve effecten. • De totale stikstofemissie tijdens de realisatiefase (2022) leidt tot stikstofdepositie van 0,02 mol/ha/j op het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht. Rijk en provincies hebben een beleidslijn afgesproken dat project met tijdelijke stikstofdeposities van transport en mobiele werktuigen in de aanlegfase kleiner of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan, bijvoorbeeld maximaal 1 jaar 0,1 mol/ha/j) niet vergunningsplichtig zijn voor de Wet natuurbescherming. Kleine en tijdelijke deposities leiden op voorhand niet tot significant negatieve effecten. De provincie Overijssel heeft aangegeven deze beleidslijn te hanteren. Op basis van deze beleidslijn is dit project niet vergunningsplichtig voor de Wet natuurbescherming op het gebied van stikstof.

Voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie Uit aanvullend veldonderzoek moet blijken of er in de bebouwing aan de Campherbeeklaan 18 vleermuizen, gierzwaluw en/of huismussen zitten. Mochten deze er zitten dan worden er maatregelen getroffen en een Wet natuurbeschermingsvergunning aangevraagd. Totdat uitgesloten is of deze beschermde soorten er zitten en of een Wet natuurbeschermingsvergunning verleend wordt, wordt de bebouwing aan de Campherbeeklaan 18 nog niet gesloopt. Op deze wijze is de bescherming van de soorten geborgd en zijn belangrijke negatieve effecten dus niet te verwachten. Belangrijke negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie zijn niet aanwezig. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van flora en fauna geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

1 AERIUS-calculatie, Aveco de Bondt, d.d. 26 mei 2021

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 18

4.2.5 Water Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. In de huidige situatie is het plangebied deels verhard. De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor een toename van het verhard oppervlak. In de huidige situatie is het verhard oppervlak qua afwatering van het hemelwater volledig aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. In de toekomstige situatie zal het hemelwater van daken (en overige verharding van het perceel) niet worden afgevoerd naar de riolering, maar worden er infiltratievoorzieningen getroffen op het perceel. In de infiltratievoorziening moet een waterberging aanwezig zijn van minimaal 20 mm per m2 aangesloten verhard oppervlak. In het plan worden infiltratiekratten opgenomen conform de geldende eisen van de gemeente Zwolle. Zo wordt overbelasting van het rioolstelsel tijdens piekbuien voorkomen. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke nadelige gevolgen zijn voor het milieu. 4.3 Samenvatting milieueffecten In tabel 4.1 zijn de conclusies van de beoordeling van de potentiële effecten van de ontwikkeling samengevat en is aangegeven of het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk is.

tabel 4.1: Samenvatting milieueffecten (milieu)thema

Conclusie beoordeling potentiële effecten

Doorlopen m.e.r.procedure noodzakelijk?

Bodem

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem geen

Nee

belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu. Geluid

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geluid geen

Nee

belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu. Luchtkwaliteit

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van

Nee

luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu. Flora en fauna

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van flora en

Nee

fauna geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu. Water

Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen

Nee

belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 19

5

Beoordeling van de effecten en conclusies

5.1 Conclusie t.a.v. mogelijke aanzienlijke milieueffecten Het voornemen om vier grondgebonden woningen te realiseren leidt in beperkte mate tot effecten voor het milieu en de omgeving. Voor alle onderzochte aspecten geldt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Wanneer er geen ‘belangrijke nadelige gevolgen’ zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. 5.2 Conclusie (vormvrije) m.e.r.-beoordeling Op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van deze m.e.r.beoordeling, kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert. Geadviseerd wordt om de gemeente Zwolle op basis van deze aanmeldnotitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

P 20

datum referentie

23 juni 2021 205531_R_RAN03_1939

mei 2022 bestemmingsplan Berkum, Campherbeeklaan 16-20

Bijlage 4 Geluidsonderzoek

93/306

Akoestisch onderzoek Campherbeeklaan 16-20 te Zwolle

Akoestisch onderzoek Campherbeeklaan 16-20 Zwolle

datum projectnummer

16 september 2021 205531

Rapport

Aveco de Bondt BV Burgemeester van der Borchstraat 2, 7451 CH Holten Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 548 85 33 33 www.avecodebondt.nl

Akoestisch onderzoek Campherbeeklaan 1620 te Zwolle project projectnummer projectleider

opdrachtgever postadres

Akoestisch onderzoek Campherbeeklaan 16-20 Zwolle 205531 Wouter Reilink DLH Ontwikkeling Burgemeester van Roijensingel 6 8011 CS ZWOLLE

contactpersoon

status

Concept

auteur

Ramon Nieborg

paraaf gecontroleerd

Paula van der Horst - Entius

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=b233480d-904d-45ad-b849-1ad91a925120