2. Concept-Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel;
Tekst van het document
Figuur: Stikstofemissie Noordwest Overijssel per sector, cijfers 2019. Bron: Emissieregistratie RIVM (www.emissieregistratie.nl).
Koppelkansen De twee hoofdopgaven van de Gebiedsgerichte Aanpak Noordwest Overijssel, de aanpak van bodemdalingsproblematiek van veengronden en de aanpak voor de reductie van stikstofemissie, haken stevig in elkaar. In 2030/2035 dient de stikstofuitstoot gehalveerd te zijn en zal de bodemdaling geremd moeten zijn door met name hydrologische maatregelen. Het veenweidegebied zal dan veel natter zijn. Een hoger grondwaterpeil draagt bij aan het tegengaan van C02 uitstoot. De uitdaging is samen een plan te maken met een dalende stikstoflijn en het tegengaan van bodemdaling gericht op de toekomst, waarbij we de verschillende schaalniveaus (watersysteem, deelgebied, polder) bekijken.
22
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
2.3. Het behoud en de versterking van de sociaaleconomische kwaliteit van het platteland Deze paragraaf beschrijft de tweede pijler van het PPLG voor Noordwest Overijssel. Het behouden en versterken van de sociale en economische kwaliteit van het platteland. De derde pijler, het perspectief voor de landbouw, komt in de volgende paragraaf aan bod. Voor het behalen van de doelen van het PPLG zijn de drie pijlers essentieel en onlosmakelijk met elkaar verbonden. Noordwest Overijssel is uniek De kop van Overijssel is een uniek gebied met bijzondere kwaliteiten. Het grootste veenmoeras van noordwest Europa, met de grootste toeristische trekker van ruraal Nederland: Giethoorn. De IJsseldelta is Nederland in het klein, een laaggelegen delta waarin veen, klei en zand tussen oude rivierarmen en hooggelegen stuwwallen en keileembulten het landschap en grondgebruik bepalen. Met een bijzondere verwevenheid van landbouw, natuur, bodem, cultuur en recreatieve infrastructuur. Met waardevolle kwaliteiten van natuur, water en landschap. In het gebied liggen daarom het Nationaal Park Wieden-Weerribben, het Nationaal Landschap IJsseldelta, een deel van de Unesco-waardige Koloniën van Weldadigheid en de Natura 2000 gebieden van de Oldematen/ Veerslootlanden, de Wieden-Weerribben, de Uiterwaarden Zwarte Water - Vecht.
Onder de rook van steden als Zwolle, Kampen en Steenwijk, en met historische plaatsen als Hasselt, Zwartsluis, Staphorst, Vollenhove en Blokzijl. Het is een levend landschap, waarin wordt gewoond en gewerkt, recreanten worden ontvangen, bijzondere zuivel wordt geproduceerd en de rietcultuur nog leeft. En waar de hooiwinning en biezenverwerking deel uitmaken van de cultuurhistorie. Diverse organisaties en een groot aantal inwoners neemt de verantwoordelijkheid om bij te dragen aan dit economisch, sociaal en landschappelijk vitale gebied. Knelpunt Doel van het PPLG is om vanuit dit unieke profiel de sociaaleconomische kwaliteit te behouden en te versterken. Dit betekent dat op zijn minst de negatieve impact op de sociaaleconomische kwaliteit van maatregelen uit het PPLG moet worden omgebogen naar een neutrale of positieve impact. Dit doen we samen met inwoners en gebiedspartijen in drie stappen: 1. Inzicht: Wat is de sociaaleconomische impact van het PPLG in Noordwest Overijssel? 2. Uitzicht: Hoe ziet het sociaaleconomisch perspectief eruit voor Noordwest Overijssel? 3.
Uitvoering: Welke maatregelen voeren we uit in Noordwest Overijssel om het sociaaleconomisch perspectief te realiseren? Opgave Om te bepalen welke maatregelen bijdragen aan het vergroten van de brede welvaart in Noordwest-Overijssel werken we vanuit een aantal uitgangspunten: • De maatregelen sluiten altijd aan bij plannen en voorkeuren van het gebied zelf. • Perspectief voor de individuele agrariër gaat gelijk op met perspectief creëren met en voor het gebied. • We maken de koppeling met bestaande instrumenten, processen en investeringen. • We meten impact aan de hand van de brede welvaart methodiek (zie onderstaand figuur). Gebiedspartners zetten actief in op: o Stimuleren economische ontwikkelingen (inzet op nieuwe markten of uitbreiden bestaande markten zoals vrijetijdseconomie6, innovatie, kansen voor de rietteelt, nieuwe verdienmodellen);
Gebiedsonderzoek zou moeten uitwijzen of er voldoende vraag is naar recreatieve neventakken. 6
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
23
o Aanpakken regionale woningopgaven; o Verbeteren bereikbaarheid voorzieningen; o Versterken van positieve gezondheid; o Behouden en versterken van identiteit en erfgoed; o Versterken van Lokale kracht en Sociale cohesie In Noordwest Overijssel zien we hierbij in ieder geval vier aandachtsgebieden: 1. Blijvende boeren: ontwikkelperspectief blijvers (innovatie, verbreding, korte keten), in relatie met de omgeving; 2. Stoppende boeren: kwaliteit/ transformatie vrijkomende erven, in relatie met de omgeving; 3. Landschap: regie op kwaliteit en samenhang 4. Vrijetijdseconomie: spreiding recreatie en toerisme Figuur: de 8 elementen van brede welvaart
Koppelkansen Het platteland van Noordwest-Overijssel is levend en steeds veranderend. Er wordt in gewerkt en gewoond, met respect voor cultuurhistorie en met het vizier op de toekomst. Met de realisatie van de doelen van de PPLG willen we deze natuurlijke dynamiek versterken. Aandachtspunt is dat het gelijktijdig oppakken van de gelijksoortige vraagstukken in de gebiedsprocessen zal leiden tot gelijksoortige oplossingen. Er is weinig tijd om van elkaar te leren. Bovendien zal in de individuele gebiedsprocessen de impact van de maatregelen soms niet direct duidelijk zijn, maar zal uit de optelsom van alle gebiedsprocessen pas blijken wat de impact daadwerkelijk is. Dit is een risico voor de sociaaleconomische kwaliteit: de impact op het landschap, de toeristisch-recreatieve beleefbaarheid, de voorzieningen etc. zal aan de achterkant pas blijken. Dit vraagt om regie en om participatie. • Regie vanuit de overheid, om voor een aantal voorstelbare ontwikkelingen beleidskaders op te stellen en vóóraf een afweging te maken waar wat kan. Als meekoppelkans bij de uitvoering van gebiedsprocessen denken we in ieder geval aan maatregelen voor recreatieve toegankelijkheid en beleefbaarheid. Van belang is om bij nieuwe investeringen in natuur en landschap de recreatieve spreiding en ontsluiting mee te nemen.
Dit kan ook helpen om de recreatieve druk op bestaande natuurgebieden niet verder te laten toenemen. • We betrekken de lokale samenleving. Het programma kan bijdragen aan een gezonde omgeving en een aantrekkelijk landschap om in te wonen, te werken en te recreëren. Bij de uitwerking van de gebiedsprocessen zal de lokale samenleving betrokken worden om de kansen hiervoor te benutten.
24
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
Maatregelen • Perspectief voor blijvende boeren in samenhang met omgevingskwaliteit bepalen Voor de sociaaleconomische kwaliteit van het platteland in Noordwest Overijssel is het essentieel dat er een duurzaam perspectief is voor de blijvende boeren. In de volgende paragraaf wordt gesignaleerd dat dit, vanwege de gestapelde opgaven in vrijwel geheel NWO, in de meeste gevallen een extensievere vorm van landbouw zal zijn. Extensief in de zin van een lage veedichtheid per hectare. Daarnaast zullen boeren kiezen voor innovatie en techniek, voor verbreding van hun inkomsten met andere activiteiten of voor specialisatie. Een ontwikkelperspectief in deze richtingen moet in samenhang met de omgevingskwaliteit worden bepaald. Zo kan rekening worden gehouden met aspecten als gezondheid, geur, geluid, landschappelijke inpassing, infrastructuur, etc. Dit is onderdeel van het gebiedsproces.
• Effect op werkgelegenheid en economie in beeld brengen De blijvende boeren zullen met minder in getal zijn dan nu, en het is waarschijnlijk dat dit zal doorwerken in de gehele keten van toeleverende, afnemende en dienstverlenende bedrijven. Dit heeft effect op de (concurrentie) positie van de blijvers, en ook op de werkgelegenheid in de keten. Om de impact van het PPLG op dit aspect te kunnen bepalen is inzicht nodig in de huidige werkgelegenheid en economie van Noordwest-Overijssel en het belang van de landbouw daarin. De verschillen binnen Noordwest Overijssel kunnen daarbij groot zijn. In samenwerking met de gemeenten brengen we in beeld hoe de huidige economie en werkgelegenheid in het landelijk gebied is opgebouwd, met daarbij een beeld van verschillende te onderscheiden (en nader te bepalen) “deelgebieden”. • Aandacht voor vrijkomende gebouwen en erven Voor de versterking van de sociaaleconomische kwaliteit is het belangrijk aandacht te hebben voor de vrijkomende erven (de woningen en bedrijfsgebouwen) van stoppers. Het is zeer gebiedsafhankelijk hoe waardevast vrijkomende erven zijn, en of er perspectief is op transformatie of juist sloop. Als er risico is op leegstand, verpaupering en ondermijning, dan heeft dit een negatieve impact op de leefbaarheid. Dit kan worden omgebogen door actief in te zetten op sloop, en met nieuwe woningen dorpen en kernen te versterken.
Bij transformatie gaat het om hergebruik van de zogenaamde Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB’s) of, in sommige gevallen, sloop en nieuwbouw volgens de principes van ‘rood voor rood’ (RvR) en de Kwaliteitsimpuls groene omgeving (KGO). Om dit te bereiken moet er enerzijds gekeken worden hoe er voldoende planologische ruimte geboden kan worden om plannen op vrijkomend erven te realiseren en is een goede digitale ontsluiting van het platteland een voorwaarde. Anderzijds moet er gekeken worden of nieuwbouw van woningen als resultaat van sloop van bedrijfsgebouwen geclusterd kan plaatsvinden bij bestaande kernen. Dit laatste vooral met het oog op de mogelijkheden voor de blijvende boeren, maar ook vanwege de kwaliteit van het landschap en de kernen. In Noordwest Overijssel zullen we aansluiten bij de resultaten van de herijking van het VABbeleid die op dit moment door de provincie Overijssel wordt uitgevoerd. In dit kader worden de gemeenten door de provincie gevraagd om tot samenhangende programma's voor de herontwikkeling van VAB's te komen. Ook ervaringen uit het provinciale programma Leefbaar Platteland, hoewel vooral gericht op dorpen en kernen, kunnen toegepast worden in NWO. Tot slot zullen we gebruik maken van de resultaten van het koploperproject Baarlingerpolder, waar nadrukkelijk naar de sociaaleconomisch impact van het PPLG is gekeken.
Bij de voorbereiding en uitvoering van plannen loopt een groot gedeelte van de mensen aan tegen belemmeringen, het gevolg hiervan is dat de aanpak wordt uitgesteld of de uitvoering stagneert. VAB-eigenaren geven aan dat zij behoefte hebben aan duidelijke informatie, ruimere regelgeving, duidelijk advies over de mogelijkheden en een persoonlijk gesprek. Daarnaast zijn er veel VAB-eigenaren die aangeven dat een of meerdere schuren op dit moment nog (gedeeltelijk) worden gebruikt, bijvoorbeeld voor (enkele) dieren of als opslag.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
25
Dit kan een verklaring zijn waarom deze VAB-eigenaren ook andere stallen laten staan, bij RvR geldt namelijk dat in de meeste gevallen alle stallen afgebroken moeten worden.
2.4. Het realiseren van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw Uit de beschrijving van de opgaven blijkt dat ruim 60% van het landbouwareaal te maken heeft met NPLG opgaven natuur, water en klimaat. Deze paragraaf gaat in op wat dit betekent voor het toekomstperspectief voor de landbouw in Noordwest Overijssel. De derde pijler van het PPLG. Voor het behalen van de doelen van het PPLG zijn de drie pijlers essentieel en onlosmakelijk met elkaar verbonden. Huidige situatie Noordwest Overijssel In de onderstaande taartdiagrammen wordt het landgebruik en het aantal en type landbouwbedrijven weergegeven. Type bedrijven. Noordwest Overijssel is het deelgebied binnen de gebiedsgerichte aanpak met het grootste areaal landbouwgrond. In totaal 44.170 ha. Het overgrote deel hiervan wordt gebruikt door de melkveehouderij. De helft van alle agrariërs in Noordwest Overijssel is melkveehouder. Hiermee bestaat het overgrote gedeelte van de gronden uit grasland. Zo’n 85 % van de agrarische grond is in gebruik als grasland, wat veel hoger is dan het landelijk gemiddelde (54%). De resterende agrarische bedrijven bestaan intensive veehouderijen en akker- en tuinbouwers. Een bijzondere vermelding verdient het glastuinbouwgebied De Koekoek in de polder Mastenbroek bij IJsselmuiden. Tot slot is er een restpost van hobbymatige of in afbouw zijnde bedrijven.
Ook in NWO heeft de sector zich gericht op intensivering en schaalvergroting. Type boeren Noordwest Overijssel is een sterke agrarische regio met veel familiebedrijven die een sterke binding hebben met het gebied. Noordwest Overijssel heeft in vergelijking met de rest van de provincie een relatief lage melkveedichtheid. Van het totale areaal landbouwgrond zit 47% boven de 2,1 GVE (grootvee – eenheden) per ha. Slechts 17% boven de 2,5 GVE en nog maar 4% boven de 3 GVE. Knelpunten In vergelijking met andere gebieden, zijn de natuur, water en klimaat opgaven in Noordwest Overijssel fors voor de landbouw. In Noordwest Overijssel liggen veenweidegronden. Om veenafbraak te verminderen en CO2- en methaanemissie te beperken zullen maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast zijn er meerdere (grote) N2000 gebieden (Weerribben,
26
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
De Wieden, Olde Maten, Veerslootslanden, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, IJssel) en een relatief groot aantal bedrijven dichtbij (<1 km) Natura 2000 gebieden. Daarnaast ligt er een opgave voor verbetering van de waterkwaliteit. Door al deze gestapelde opgaven zal ruim 60 % van het landbouwareaal in meer of mindere mate geëxtensiveerd moeten worden. De mate van extensivering kan per gebiedsdeel verschillen, afhankelijk van de huidige situatie ter plekke (m.n. bodemopbouw en waterkwaliteit en waterpeil). Per gebiedsdeel op boer- en buurtniveau zal dit nader ingevuld moeten worden. Toekomstige situatie Noord West Overijssel Op 20 december 2022 heeft GS de Overijsselse visie op de landbouw vastgesteld. In deze visie heeft GS vier doelen centraal gesteld; Voedselproductie, Natuur, Klimaat en Water. Redenerend vanuit het principe ‘water en bodem’ leidend (vanuit het Fundament van de nieuwe Omgevingsvisie) in combinatie met deze doelen komt er een verschuiving van ruimtegebruik van het landbouwareaal naar voren. De ‘gangbare’ landbouw zoals we die nu in NWO kennen zal richting de toekomst een transitie maken naar een ‘natuurinclusieve’ landbouw die in samenhang met natuur, bodem en water en omgeving zowel landbouwproducten als producten voor natuur bodem en landschap voortbrengt.
De overheid kan en wil de boeren helpen met ondersteuning in deze transitie naar een ander type bedrijfsmodel. Opgave voor de landbouw • In 60 % van het agrarisch gebied van NWO: in de veenweidegebieden en rondom Natura 2000, zal een basiskwaliteit natuur plus gehaald moeten worden. Hier ligt een opgave voor extensivering en waarbij meer agrobiodiversiteit en ecosysteemdiensten (zoals weidevogelbeheer) financieel en langjarig ondersteund moeten gaan worden. • Ter versterking van de boer- burgerverbinding liggen er rondom steden zoals Zwolle en Kampen, kansen voor verbreding van agrarische bedrijfsmodellen (korte keten, zorg, recreatie, ed.) en groen- blauwe - bruine (recreatiepaden) dooradering. • Landschappelijke achteruitgang kan worden gekeerd door invulling te geven aan groen- blauwe - bruine (recreatiepaden) dooradering. • Hoge veedichtheid is een aandachtspunt. Als grondgebondenheid maatgevend wordt (om te kunnen voldoen aan de opgaves voor water, klimaat en natuur) zal de landelijke veestapel krimpen. • In de hoogproductieve landbouw gebieden zijn we zuinig op goede geschikte landbouwgronden, dus weinig extra nieuwe functies die belemmerend kunnen werken, mogelijk maken. • Grond is goed en schaars. Het is daarom zaak om grond van stoppers aan te kopen en zo veel mogelijk weer uit te geven aan agrariërs die door willen.
Mogelijke transitiepaden We leggen geen transitiepaden vast. Ondernemers bepalen bij voorkeur hun eigen transitie pad op basis van intrinsieke motivatie. We verwachten in NWO wel van de ondernemer dat er keuzes gemaakt worden. Blijven op de bestaande plek kan een aanpassing of transitie van het bedrijf betekenen. De keuze van de ondernemer, in combinatie met de omgevingseisen leiden voor veehouders tot negen type ‘ontwikkelpaden’ (zie nevenstaande tabel en bijlage 1). Binnen deze ontwikkelpaden moeten de instrumenten (knoppen, zie onderstaande figuur en bijlage 2) zodanig worden ingericht dat het voor de ondernemer uitvoerbaar wordt de juiste stappen te zetten.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
27
Provinciaal landbouwbeleid zeven draaiknoppen
via
De ‘knoppen’ bepalen hoe we deze ontwikkelpaden vorm kunnen geven in het PPLG. In bijlage 1 is een matrix opgenomen van ontwikkelrichtingen. Hieronder gaan we in op de ontwikkelpaden ‘omschakelen en extensiveren’, gericht op ontwikkeling richting ‘natuurinclusieve’ landbouw7, en ‘stoppen/ afbouwen’. Omschakelen en extensiveren In Noordwest Overijssel zal in de toekomst voor boeren die verder willen met hun bedrijf vooral ruimte zijn voor extensieve, natuurinclusieve landbouw. Ondernemers die verder willen met hun landbouwbedrijf zullen hun bedrijf hierop moeten afstemmen. Mogelijke ontwikkelingsrichtingen hiervoor zijn extensivering, verbreding met nieuwe producten of diensten en technische- en managementinnovaties. Deze vorm van bedrijfstransformatie is niet van de ene op de andere dag ingezet. Daar komt een heleboel bij kijken. De overheid staat hierbij voor een aantal zaken aan de lat. Aan de hand van de zeven uitvoeringsknoppen kan de provincie bedrijven ondersteunen bij deze transitie. Drie elementen zijn bij de omvorming naar extensieve vormen van landbouw heel belangrijk: 1. Beschikbaarheid van grond/ grondbank (knop II) 2. Planologische ruimte (knop IV) 3. Vergoedingen voor ecosysteemdiensten (knop III) Stoppen/ afbouwen Ieder jaar stoppen er boeren. Historisch gezien ca. 2 à 3 % per jaar.
De komende jaren onder invloed van de grote transitieopgaven waarschijnlijk nog meer dan in de afgelopen jaren. We gaan er van uit dat in NWO circa 200 boeren stoppen in de autonome ontwikkeling en dat daar nog 50 boeren bijkomen door regelingen van het rijk. Grond van stoppers biedt ruimte voor de boeren die willen doorgaan en gaan extensiveren. Het rijk wil door stoppersregelingen (eerder) stoppen stimuleren, waarbij ook de fosfaat- en dierrechten worden beëindigd en vrijgekomen agrarische bebouwingen worden hergebruikt of gesloopt en eventueel worden omgezet in (rood voor rood) woningen. Vervroegd stoppen doet een boer niet zomaar; ook hier moet voor de boer een aantrekkelijk/ realistisch perspectief worden geboden. Een aantal delen van Noordwest Overijssel zijn vanwege de grond- en de wateromstandigheden ook op lange termijn geschikt voor productievere vormen van landbouw. Daarbij gelden de nationale en internationale normen en regels. Ook is hier sprake van voldoende afstand tot woningen en natuur. In onderstaand figuur zijn de gebieden voor
7
Natuurinclusieve landbouw is landbouw die in samenhang met natuur, bodem en water en
omgeving zowel landbouwproducten als producten voor natuur bodem en landschap voortbrengt.
28
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
natuurinclusieve landbouw en hoogproductieve landbouw8 weergegeven. Grootte en invulling van zogenaamde overgangszones zullen afhankelijk van gebleken noodzaak ter plekke verder worden ingevuld.
Themakaart Landbouw (Fundament Nieuwe Omgevingsvisie)
Hoogproductieve melkveehouderij In hoogproductieve grondgebonden gebieden is het voor melkveehouders mogelijk om hun hoogproductieve bedrijfsvoering voort te zetten, als ze aan alle opgaves (gaan) voldoen. Zo geldt voor melkveehouders dat zij grondgebonden moeten zijn in 2032. Bedrijven die dichtbij natuur liggen en te maken hebben met de stapeling van opgaven maar wel de ambitie hebben de hoogproductieve bedrijfsvoering te willen behouden, zullen moeten verplaatsen. Bijvoorbeeld naar bedrijven van eventuele stoppers in andere hoogproductieve grondgebonden gebieden (stoppers voor blijvers).
Hoogproductieve landbouw. In een aantal delen van Noordwest Overijssel zijn vanwege de gronden de wateromstandigheden de gebieden ook op lange termijn geschikt voor productievere gangbare vorm van (grondgebonden) landbouw. 8
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
29
3.
Realisatiestrategie
3.1. Inleiding In dit hoofdstuk gaan we in de op de realisatiestrategie. Allereerst wordt ingegaan op de visie op de realisatie. Daarna gaan we achtereenvolgens in op de rollen en verantwoordelijkheden van gebiedspartners, de communicatie in het gebied en geven we voorbeelden van de lopende gebiedsprocessen en hoe deze bijdragen aan de doelen.
3.2. Visie op de realisatie In het PPLG Overijssel gaan we uit van een gecombineerde aanpak. De natuur-, water- en klimaatopgaven hebben grote impact op de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw in Overijssel. Er is een andere koers voor de landbouw nodig zodat deze sector kan bijdragen aan het realiseren van de doelen. De sociaal economische draagkracht in het landelijk gebied is randvoorwaardelijk voor de uitvoering van de maatregelen die uit de genoemde opgaven zullen worden genomen. Het doel is een duurzame toekomstbestendige landbouwsector en een sector die naast voedselproductie ook bijdraagt aan manieren om biodiversiteit te versterken, koolstof vast te leggen, water vast te houden, de landschappelijke kwaliteit en culturele identiteit te versterken en een gezonde leefomgeving te bieden (ecosysteemdiensten). De verwachting is dat de komende tien jaar ongeveer 30% van de agrarische ondernemers het bedrijf beëindigt. Onze inzet is dat de gronden van deze stoppende bedrijven voor het grootste deel beschikbaar komen voor blijvende bedrijven. Zo ontstaat een basis voor een toekomstbestendige en meer grondgebonden bedrijfsvoering. De agrarische sector heeft op dit moment het overgrote deel van de Overijsselse grond in eigendom en/of gebruik (ca. 192.000 ha).
Daar gaat als gevolg van autonome ontwikkelingen een klein deel vanaf, maar nog zeker 180.000 ha blijft primair in gebruik als landbouwgrond; voor hoogproductieve landbouw, natuurinclusieve en extensieve landbouw. Daarnaast zetten we in op vitaal platteland met hechte gemeenschappen. Gecombineerde aanpak PPLG Onze denklijn (vanuit het PPLG) voor de realisatie van de doelen is een gecombineerde aanpak met verschillende sporen: 1. Provinciebreed geleidelijk realiseren van een grondgebonden melkveehouderij (binnen de kaders van het verwachte Landbouwakkoord) 2. Gebiedsgericht realiseren van een aanpak voor de KRW-opgave op met name de droge zandgronden in Twente, de veenweide opgave in Noordwest Overijssel, de opgave voor minder stikstofemissie en extra (boerenland-)natuur in de overgangsgebieden rond Natura 2000-gebieden en de opgave voor de groenblauwe dooradering; 3. Bedrijfsgericht uitvoeren van maatregelen voor toekomstbestendige landbouw binnen de randvoorwaarden voor milieu en met goede verdienmodellen; Daarbij geldt een drietal randvoorwaarden. Randvoorwaarden vanuit het PPLG 1. We pakken de drie doelen vanuit het PPLG integraal op. 2. We werken de drie doelen gebiedsgericht en op verschillende niveaus uit. 3.
Alle sectoren dragen naar rato bij aan de uitwerking van de natuur-, water- en klimaatdoelen en ook andere programma’s dragen bij aan de realisatie en aan een aanpak die lerend en adaptief is. Zo kunnen we ook eventuele meekoppelkansen benutten. Het totaal moet een goede integrale mix van stimulerende, normerende en regulerende maatregelen
30
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
worden, waarbij het Rijk aan zet is om hierin duidelijke keuzes te maken en de kaders te bieden voor de verdere invulling en uitvoering. Realisatie in Noordwest Overijssel
Uit hoofdstuk twee blijkt dat in Noordwest Overijssel opgaven stapelen op het gebied van natuurherstel, bodemdaling, veenweide CO2-reductie en stikstof reductie. In bijna heel het gebied hebben boeren te maken met beperkingen van natuur die dichtbij ligt, water of veenweidebodems. In NWO zal moeten worden toegewerkt naar een natuur en water en bodem inclusief bedrijfs-/ beheersmodel. Daarvoor moet het gebied toewerken naar meer extensieve bedrijfsvoering. De opgave is om bedrijfs- of beheersmodellen te ontwikkelen die passen op basis van het water- en bodem systeem en wat er nodig is om het initiële inkomstenverlies wat met de omslag gepaard gaat af te dekken, en tegelijkertijd naar een reëel inkomstenmodel voor de toekomst te werken. Focus op PPLG spoor 2 In NWO ligt de focus in deze gebiedsprocessen daarmee op de gecombineerde aanpak van opgaven (PPLG Overijssel spoor 2) door onder andere extensivering en vernatting. Voor het restant van de opgave betrekken we bedrijfsgerichte maatregelen (PPLG Overijssel spoor 3). Bedrijfsgerichte maatregelen dragen onder meer bij aan het sluitend maken van de stoffenbalans. Daarnaast werken we aan het zichtbaar én werkbaar maken van de sociaal economische effecten in de opgaven die we hebben in het landelijk gebied op natuur, water, klimaat en landbouw.
Gebiedspartners investeren in projecten om sociaaleconomische versterking te realiseren. Gebiedsprocessen De opgaven realiseren we in gebiedsprocessen in kleinere werkgebieden van tussen de 5005000 ha. Deze processen zijn gericht op een duurzaam sociaal economisch toekomstperspectief voor de bewoners en gebruikers en het realiseren van de diverse PPLG opgaven. Om de doelstellingen te halen, is extensivering over het hele gebied noodzakelijk: Minder intensief grondgebruik, minder intensief bemesten, minder dieren of tenminste minder afwenteling op de omgeving en/ of de toekomst in combinatie met vernatting om de veenweidebodemdaling en de uitstoot van CO2 tegen te gaan. Voor de boeren die extensiveren zullen inkomsten uit voedselproductie gecombineerd worden met andere inkomstenbronnen, zoals agrarisch natuurbeheer voor de (door het rijk nog te concretiseren) aanvullende doelen uit de VHR. Dit vraagt een bijdrage van de hele keten werkzaam in de voedselindustrie, maar ook van banken en het Rijk met wet- en regelgeving. Concreet denken we in circa 25 kleinere werkgebieden in NWO de komende jaren integrale gebiedsprocessen op te starten. Het aantal van 25 is een indicatie (zie onderstaande kaart), dat zullen er in de praktijk mogelijk meer kunnen worden.
Voor Noordwest Overijssel is het van belang dat een gebiedsproces aansluit bij een waterhuishoudkundige eenheid, bv polder niveau. Hier worden meerdere opgaven aangepakt in balans met de diverse belangen, noden en wensen uit de gebieden, met draagvlak en kennis uit het gebied. Parallel aan de gebiedsprocessen zullen we ervoor moeten zorgen dat grondeigenaren de mogelijkheid hebben om zich langjarig te laten belonen voor maatschappelijke diensten (onder
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
31
meer vernatting, weidevogelbeheer, beheer van landschapselementen). Hiermee wordt bijgedragen aan het verdienmodel van de boer. Tot 2030 stoppen in Overijssel naar verwachting ten minste 2.000 agrarische bedrijven en verliest ongeveer 3 miljoen vierkante meter bebouwing haar huidige agrarische functie. De herontwikkeling van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) vormt daarom een belangrijke opgave in de transitie van het landelijk gebied. Gedeputeerde Staten hebben besloten gemeenten te ondersteunen bij het opstellen van een VAB-programma, waarin de noodzakelijke koppeling gelegd wordt tussen de herontwikkeling van agrarische erven, het toekomstperspectief van gebieden en de transitie-opgaven in het landelijk gebied. Daarmee gaan deze programma’s bijdragen aan de juiste functies op de juiste plek. Dit biedt duidelijkheid en sociaaleconomisch perspectief voor stoppers én blijvers in de agrarische sector en voor iedereen die woont en werkt in het landelijk gebied. Figuur vingeroefening indeling werkgebieden voor gebiedsprocessen
Langetermijnperspectief Veenweidegebieden Het is van belang om voor de veenweidegebieden een langetermijnperspectief te ontwikkelen. Een kijk in de toekomst biedt zekerheid voor de keuzes die nu gemaakt moeten worden. We willen de uitdagingen die in het veenweidegebied liggen aanpakken met het oog op de lange termijn (2050 en verder). We willen dat de keuzes die we nu maken van duurzame aard zijn (White paper, 2020). We streven er dan ook naar om aan de hand van een toekomst analyse van het water en bodem systeem keuzes te maken in het nu. Vernatting is nodig, maar dit geeft extra druk op het watersysteem, en zeker met klimaatverandering (meer droge zomers en meer piekbuien) kan dit tot (nieuwe) problemen leiden in de toekomst als hier geen rekening mee wordt gehouden. Aan de hand van een dergelijke analyse van het water en bodem systeem tot aan 2100, ontstaat er een duidelijk beeld van wat waar kan en wat waar niet (meer) kan. Ook wordt er een beeld geschetst van het scenario waar er niet wordt ingegrepen. Het bodem en water systeem willen we als context gebruiken tijdens de gebiedsprocessen (zie figuur 2). Daarbij houden we zoveel mogelijk keuzemogelijkheid bij het gebied in een helder gesteld kader.
32
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
Figuur Het langetermijnperspectief als leidend kader voor de gebiedsprocessen. Eén van de voornaamste uitgangspunten voor de aanpak van de opgave in het veenweidegebied is, dat het een adaptief en lerend proces is. Dat wil zeggen dat op voorhand niet geheel te voorzien is hóe de doelstelling worden bereikt, omdat vanuit het kennisprogramma kennisleemtes ingevuld moeten worden. De nieuw opgedane kennis beïnvloedt de te maken keuzes en het te doorlopen proces. Landelijk wordt de Veenweideproblematiek besproken in IPO verband. We nemen tijd om te meten, te weten en te werken. Tot en met 2023 nemen we de tijd om te weten. We doen dit middels diverse pilots met diverse onderzoekspartijen en in verschillende gebieden van Nederland waaronder ook in Noordwest Overijssel. Na het weten volgt een fase van wat we per specifiek gebied zouden willen om daarna over te gaan tot “werken” in een uitvoeringsprogramma. Dit uitvoeringsprogramma kan parallel oplopen met het programma herziening peilbesluiten van WDODelta. Daarnaast wordt gewerkt op basis van een gebiedsgerichte aanpak. Hierdoor wordt de lokale kennis gecombineerd met kennis van partners en kan gezamenlijk een maatregelenpakket worden gekozen dat het beste werkt voor iedereen in een gebied. Gezamenlijke verantwoordelijkheid is hiermee een basis van de werkwijze.
Rode draden Gebiedsanalyse In 2021 is voor Noordwest Overijssel een Gebiedsanalyse uitgevoerd. Hierin zijn naast Rode draden op de inhoud ook een aantal ‘Rode Draden’ voor het vervolgproces benoemd. 1. Vrijkomende grond als aanjager voor het gebiedsproces. De komende jaren stoppen in het gebied diverse agrarische bedrijven. De vrijkomende grond biedt kansen bijvoorbeeld voor het extensiveren van blijvende bedrijven, voor vernatten (veenweide-aanpak) of voor andere opgaven. Kavelruil en pacht kunnen als hulpmiddel worden ingezet. 2. Samenwerking tussen betrokken partijen, herstel vertrouwen en langjarig beleid. Er is behoefte aan zekerheid in de vorm van langjarig consistent beleid. Vertrouwen kan groeien als er een integraal toekomstperspectief is waar aan vast wordt gehouden. 3. Omgaan met nieuwe informatie en (beleids-)ontwikkelingen. Het stikstofdossier is sterk in beweging binnen een ingewikkeld politiek en maatschappelijk krachtenspel in alle bestuurslagen. Onze inzet is er op gericht paniekvoetbal te voorkomen, koers te houden, het stuur in handen te nemen en zelf plannen te ontwikkelen. 4. Werken in deelgebieden maakt lokaal maatwerk mogelijk 5. Kennis en ervaring opdoen en delen en bottom-up initiatieven dragen bij aan het Toekomstperspectief voor Noordwest-Overijssel. Ondanks alle onzekerheden (zie 10) moeten we proeftuin durven te zijn en experimenteerruimte hebben.
6. Koppelkansen van de grote opgaven parallel aan de Gebiedsgerichte aanpak.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
33
7.
8.
Noordwest Overijssel zoveel mogelijk (in zijn geheel) benutten. Diverse opgaven leiden tot ruimtebeslag. Voorkomen dat we kansen mislopen, tegelijkertijd ook niet vertragen. Voorop staat het behoud van het waardevolle cultuurlandschap van Noordwest-Overijssel Financieringsvraagstuk voor en na 2030
Sturingsfilosofie / monitoring en verantwoording Sturingsfilosofie (zie ook ontwerp-PPLG Overijssel) We willen een leefbaar, gezond en toekomstbestendig landelijk gebied voor NWO. Een leefbaar, gezond en toekomstbestendig landelijk gebied kan alleen slagen als we ons hier samen verantwoordelijk voor voelen in Overijssel. Waar mogelijk ligt het eigenaarschap voor het realiseren van de benodigde maatregelen zo laag mogelijk. Dit kan alleen met heldere kaders en passende randvoorwaarden en instrumenten. De provincie geeft deze vooraf mee met het PPLG Overijssel en de nadere uitwerking daarvan. Dat betekent werken vanuit vertrouwen. Per PPLG-gebied, dus ook voor NWO, wordt aangegeven welke doelen gerealiseerd moeten worden. Het is aan NWO om aan te geven met welke maatregelen zij deze doelen wil gaan realiseren. Werken vanuit vertrouwen betekent ook loslaten en accepteren dat doelen op een andere wijze gerealiseerd kunnen worden. Loslaten betekent niet dat de provincie geen rol heeft; er worden afspraken gemaakt op doelniveau en de daarbij behorende maatregelen en checks en balances. Dit gebeurt bij voorkeur voor NWO als geheel, maar afspraken per deelgebied of per gebiedsproces zijn ook denkbaar. Belangrijk is dat het ‘vrijwillig, maar niet vrijblijvend’ is. Indien nodig sturen we vanuit onze verantwoordelijkheid bij.
Wanneer het voor de gebieden niet mogelijk is zelf het voortouw te nemen in de realisatie van de doelen zal de provincie de regie op het totaal op zich nemen. Het is dus aan het gebied om de benodigde maatregelen voor de gezamenlijke PPLG-doelen te realiseren, tenzij … en niet de provincie heeft de regie, tenzij… Zo maken we optimaal gebruik van de kennis en kunde van het gebied. Voor het behoud en versterking van het landelijk gebied (sociaal-economisch en landbouw) weten gebieden en inwoners zelf het beste wat nodig is om tot een ‘gebiedsoptimale’ koppeling met de doelen voor natuur, water en klimaat te komen. Bij de Overijsselse manier van werken hoort oog hebben voor ‘alleen ga je sneller, maar samen kom je verder’. Dat gaat om de initiatiefnemers in de gebieden maar ook om de samenwerking met de gemeenten, waterschap, terreinbeherende organisaties, agrarische partijen en andere gebiedspartijen. De sturingsstijl, passen wij hierop aan. Deels is de provincie voor het PPLG de kader stellende (bijv. concrete doelen per gebied) of regulerende overheid (bijv. Nieuwe Omgevingsvisie) en afhankelijk van de positie die de gebieden kiezen zijn we de samenwerkende, regisserende of stimulerende overheid of de ondersteunende, faciliterende overheid.
Passend bij onze mogelijke rollen, zorgt de provincie voor de juiste randvoorwaarden, een goed gevulde instrumentenkoffer, bemensing en organisatie. Bij deze sturingsstijl hoort een gefaseerde aanpak. Naast duidelijke kaders per gebied over welke doelen gerealiseerd moeten worden, wordt bij iedere fase duidelijke afspraken met het gebied gemaakt over wat nodig is voor een positief beslismoment (go/no go). In alle gevallen is de provincie verantwoordelijk voor dat er in de gebieden een adequaat proces plaatsvindt (procesregie). Alle benodigde belangen horen daarbij goed aan tafel vertegenwoordigd te zijn, waarvan het provinciaal belang er één is. De ingezette lijn gaat uit van gebiedsgericht werken en denken in partnerschap. We willen leren hoe we hier verder invulling aan geven. De koploperprojecten en de pilots in de gebieden met een meervoudig complexe opgave zijn hiervoor geschikt. Monitoring We gaan voor NWO niet separaat monitoren maar sluiten aan bij de monitoring en verantwoording van het PPLG Overijssel waarvoor het NPLG de kaders stelt. Monitoring vormt een belangrijke basis voor een adaptieve aanpak: het biedt de mogelijkheid om op basis van tussentijds behaalde resultaten en effecten (doelbereik en neveneffecten) waar nodig bij te sturen.
Monitoring vindt plaats op de mate waarin de in het PPLG gestelde doelen worden behaald (‘richten’), op de manier waarop dat via maatregelpakketten in de gebiedsprocessen invulling krijgt (‘inrichten’), en op de daadwerkelijke uitvoering van de plannen (‘verrichten’). De monitoring wordt gebruikt om waar nodig bij te kunnen sturen, maar ook om GS en PS te informeren over de voortgang en om richting Rijk onze inspanningen en behaalde resultaten te kunnen verantwoorden. We maken daarbij gebruik van de bestaande monitoringssystemen, zoals het registratie en monitoringssysteem broeikasgas uitstoot (zie onder) en zal de
34
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
ecologische autoriteit toezien op het bereik van de instandhoudingsdoelen in de Natura-2000 gebieden. • Registratie- en monitoringssysteem broeikasgasuitstoot Om te kunnen bijhouden hoeveel broeikasgas per jaar er wordt uitgestoten vanuit de Nederlandse organische gronden en te bepalen hoeveel reductie per jaar is behaald door het uitvoeren van maatregelen wordt in opdracht van het ministerie van LNV het registratiesysteem Subsurface Organic Matter Emission Registration System (SOMERS) ontwikkeld. Met behulp van SOMERS kan voor verschillende soorten veengebied de emissiereductie worden bepaald bij het toepassen van maatregelen. Alle provincies in Nederland moeten gebruik maken van dit systeem, zodat er een gestandaardiseerde monitoringsmethodiek is voor alle provincies. Ook provincie Overijssel werkt met dit systeem. Momenteel wordt in Nederland met de set rekenregels van SOMERS 1.0 gerekend, en wordt gewerkt aan een nieuwe versie van SOMERS (versie 2.0 oplevering 2023). Deze rekenregels zijn vooralsnog vooral goed toepasbaar op het veenweidegebied in west Nederland en minder goed op de situatie in Overijssel. Om deze reden worden berekende uitstootcijfers voor de deelgebieden nog niet gepresenteerd.
Het is verder de verwachting dat de verschillen tussen SOMERS 1.0 en SOMERS 2.0 ook nog aanzienlijk zullen zijn, omdat in deze eerste ontwikkelfase toevoegingen nog veel gevolgen voor de uitkomsten hebben, maar SOMERS 2.0 zal ook rekening houden met de situatie in Overijssel. In toekomstige modellen zullen de volgende punten worden ontwikkeld: • Met de langere meetreeksen die beschikbaar zullen zijn zal er een steeds beter beeld ontstaan van de hydrologie in de veenweidegebieden. • Meer data en informatie over de mate van methaan en lachgasuitstoot bij genomen maatregelen. Erfcoaches De erfcoaches nemen een belangrijke rol in als luisterend oor en sparringpartner voor de agrarische ondernemer. Ook kunnen zij de boer in verbinding brengen met de overheid, een adviseur of een andere partij die hem verder kan helpen met een gekozen ontwikkelingsrichting. De Erfcoach is onafhankelijk en de gesprekken zijn vertrouwelijk. Leren van koploperprojecten In Noordwest Overijssel gaan we, in de gebiedsprocessen, uit van een lerende aanpak, waarbij we de leerpunten uit eerdere gebiedsprocessen gebruiken om de aanpak continue te evalueren en waar het kan te verbeteren. Zo blijkt uit het koploperproject Baarlingerpolder en de Boeren van Blokzijl dat het van belang is om: • Aan te sluiten bij energie in het gebied. Faciliteer partijen die een gebiedsproces willen starten.
Breng deze in hun kracht en geef ruimte om ‘out of the box’ te denken. • Te starten met het op gelijk kennisniveau te brengen van alle betrokkenen. Dit kan door avonden voor alle belangstellenden te organiseren en hier sprekers uit te nodigen over de meest relevant onderwerpen in het gebied. • Helder overzicht te hebben van de doelen in het gebied. • Vervolgens door individuele gesprekken een beeld te krijgen van de toekomst. Bijvoorbeeld door interviews af te nemen bij alle potentiële deelnemers. • Een praatplaat te maken met mogelijke bewegingen van bedrijven. Dit kan een eerste schets zijn op basis van de uitkomsten van de interviews. • Laat vervolgens relevante gebiedspartijen, waaronder gemeente(n) aansluiten om mee te denken. Wat speelt er verder? Waar moet (verder) rekening mee worden gehouden? • Ten behoeve van de realisatie van het gebiedsplan maken de initiatiefnemers en gebiedspartijen afspraken over de inzet van instrumenten (ruimtelijk, vergunningen, financieel, etc.). Dit vanuit ieders rol en verantwoordelijkheden.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
35
Deze aanpak leidt via het uitwerken van scenario’s tot een uitgewerkt gebiedsplan. Om de leermomenten te borgen en vertrouwen te creëren willen we boeren uit eerdere gebiedsprocessen vragen de ervaringen te delen en mogelijk een rol te spelen in de begeleiding van nieuwe gebiedsprocessen. Een uitgebreider overzicht van de lessen uit de Baarlingerpolder: zie kader.
Een greep uit de lessen uit de Baarlingerpolder geeft inspiratie voor gebiedsprocessen: • Eigen budget geeft zelfstandigheid voor de groep. • Onafhankelijke trekkers helpen voor het vertrouwen van de groep in de overheid en in elkaar. • Werken met agenda, actiepunten en verslagen houdt iedereen bij de les en het proces transparant. • Verwachtingsmanagement is cruciaal. Nieuwe opgaven en de factor tijd zijn grote uitdagingen. • Positieve provinciale en gemeentelijke bestuurders en ambtenaren helpen de groep stappen te zetten en/of door te zetten. • Meedenkende stakeholders is cruciaal. • Data over de opgaven is ingewikkeld, er zijn geen kant en klare spreadsheets. • Inzet en hulp van provinciale ambtenaren van de verschillende afdelingen en hun interne afstemming is cruciaal. • De inzet van de werkgroep-leden bepaalt voor een groot gedeelte de snelheid en de creativiteit. • De afspraken die er vooraf gemaakt worden zijn cruciaal voor het gebiedsproces en tijdens een "crisis”. • Tijdens de verkennings- en ontwerpfase is er gestart met uitvoering. In een gebiedsproces gaan ondernemers anticiperen op de informatie die ze krijgen. Door dit te faciliteren wordt het vertrouwen van de groep groter in een goede afloop. • Een vrijwillig gebiedsproces en verplichtende instrumenten passen niet bij elkaar. • De werkgroep moet tijdig de groep bijpraten.
Een bijpraatsessie met de groep onder koffietijd werkt goed. • De appgroep van de groep niet gebruiken voor een inhoudelijke discussie. • Mijlpalen benoemen. Ondernemers vinden vaak dat het proces te langzaam gaat of dat er geen vooruitgang wordt geboekt. • Het gebied is voor een gebiedsproces aan de kleine kant. • Een go no go geeft de groep de regie over de volgende stap en is tegelijktijdig een check of iedereen nog verder wil. Bij grote beslissingen voor een go no go helpt om nog een keer bij de deelnemers een korte inventarisatie te doen.
Instrumentarium in gebiedsprocessen (zie ook Ontwerp PPLG) Om tot uitvoering van maatregelen te komen moeten we over het juiste instrumentarium beschikken. Zo hebben we instrumenten nodig om grond van stoppers tegen de juiste financiële voorwaarden bij blijvers te krijgen. Ook is er instrumentarium nodig voor de herontwikkeling van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB). Hiernaast is er behoefte aan instrumenten om langjarig maatschappelijke diensten/ ecosysteemdiensten te kunnen vergoeden. Het gaat deels om nieuwe en deels om bestaande instrumenten. Hieronder volgt een nadere toelichting. Aankoop grond stoppende ondernemers De inschatting is dat tussen 2023 en 2030 er van de ruim 1000 agrarische ondernemers, er ca 200 zullen stoppen. Daarnaast is er een deel die zoals gezegd al wilde stoppen. De inschatting is dat dit ongeveer 50 agrarische ondernemers zijn.
36
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
De eerste inschatting is dat door het bovenstaande er ca. 250 agrarische bedrijven zullen stoppen tussen nu en 2030. Voorwaarde hierbij is dat deze ondernemers een goede regeling wordt geboden wanneer zij (eerder) stoppen. De productierechten van de stoppende ondernemers zullen voor een groot deel uit de markt worden gehaald om hiermee reductie van methaan- en ammoniakemissie te bewerkstelligen. De grond van deze stoppende bedrijven kan worden aangekocht door de provincie. Op dit moment is het anticiperend grondfonds hiervoor een mogelijkheid. De grond kan worden ingezet voor de blijvende ondernemers met een extensiveringsopgaaf en bedrijven die hun bedrijfsvoering willen aanpassen. Ook kunnen vrijkomende bedrijven worden aangeboden aan ondernemers uit andere gebieden die willen verplaatsen. Afwaardering en vergoeding beheer De gronden in NWO worden in belangrijke mate geëxtensiveerd vanwege de ‘gestapelde opgaven'. In onze optiek blijven deze gronden in principe in eigendom en beheer bij de agrarische ondernemers. Omdat deze grond niet meer (volledig) bruikbaar is voor gangbaar agrarische gebruik, is het nodig dat deze gronden worden afgewaardeerd. Daarnaast dient er een vergoeding te komen voor gemis aan inkomsten (met verrekening van rente uit de afwaarderingsvergoeding) en een vergoeding van (extra) beheerskosten voor ecosysteemdiensten en maatschappelijke diensten.
Deze vergoeding voor inkomstenderving en beheer, dient jaarlijks te worden vergoed, waarbij de afspraken voor deze jaarlijkse vergoeding voor langjarige periode vast komt te liggen om hiermee ondernemers duurzaam zekerheid te geven. Aankopen van piekbelasters Het rijk werkt op dit moment aan een regeling voor de uitkoop van piekbelasters. Deze regeling voorziet in het uitkopen van bedrijven waarbij sprake is van een hoge stikstof uitstoot en grote impact op de vaak nabijgelegen natuur. Hoe de regeling er exact uit komt te zien is op het moment van schrijven nog niet bekend. Ook is niet bekend hoeveel bedrijven in NWO hiervoor in aanmerking komen. Wel gaan we ervan uit dat tenminste enige bedrijven in NWO van deze regeling gebruik kunnen en zullen maken. Dit zal daarmee leiden tot een reductie van de emissies van methaan en ammoniak. De gebouwen kunnen eventueel worden aangekocht. We gaan er in onze aannames vanuit dat er 200 bedrijven stoppen, door middel van een aantrekkelijke regeling. Toepassen herverkaveling Doordat een groot aantal ondernemers naar verwachting zal stoppen en er opgaven liggen zal een herverkaveling in de meeste gebieden voor de hand liggen. Hiermee krijgen de blijvende agrarische ondernemers de gronden die ze nodig hebben, waar mogelijk dicht bij huis. Ook kan hiermee gestuurd worden op een efficiënte inrichting van de gebieden.
Hier ligt een taak voor de overheden om zich als goede partners hierop voor te bereiden. Waar mogelijk zal dit gaan middels een vrijwillige kavelruil. In verband met de verplichting van de overheid om grond die ze wil verkopen, via een openbare verkoop van de hand te doen, kan het ook zijn dat de herverkaveling plaats vindt via een WILG-procedure. Technische- en managementinnovaties Bij resterende opgave worden in de gebiedsprocessen technische- en managementmaatregelen meegenomen. Op dit moment gaat dit in hoofdzaak over de reductie van de stikstofemissies en in mindere mate over methaanemissies. Mogelijkheden zijn bv de aanpassing van het voerregime (minder eiwitrijk voer), het toepassen meer weidegang, mest aanlengen met water in de stal of bij het uitrijden en toepassen van een stikstofstripper. Aandachtspunt hierbij is de juridische borging. Norm voor grondgebondenheid Op dit moment wordt ervan uitgegaan dat er, als onderdeel van het landbouwakkoord, een norm voor grondgebondenheid komt voor de melkveehouderij. Door deze norm is het voor een deel van de melkveehouders noodzakelijk om meer grond onder hun bedrijf te krijgen. Deze grond moet dan komen van andere ondernemers. Wil een bedrijf dit niet, dan kan ervoor
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
37
gekozen worden om het aantal dieren te verminderen. Links of rechtsom neemt hierdoor het aantal dieren per hectare af en daarmee de emissie van methaan en stikstof in NWO. Vrijkomende agrarische bebouwing Voor de herontwikkeling van vrijkomende agrarische bebouwing vraagt de provincie de gemeenten om samenhangende programma's voor de herontwikkeling van VAB’s op te stellen. Hierbij neemt de provincie het Fundament voor de nieuwe provinciale Omgevingsvisie en de volgende richtinggevende uitgangspunten als vertrekpunt. Deze zullen ook richtinggevend zijn voor de beoordeling van lopende VAB-initiatieven: • Passend binnen het natuurlijk bodem en watersysteem. • Landbouw is leidend, herontwikkeling is volgend. • Het levert een bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit/gebiedskenmerken/zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. • Het is passend bij de provinciale gebiedskenmerken en bij provinciale gebiedsopgaven en het PPLG: we bieden (economisch) perspectief voor individuele grondeigenaren en (dorps)gemeenschappen. • Passend binnen het provinciaal beleid. • Een goede ontsluiting is gewaarborgd. • Aansluiting bij lokale identiteit en leefbaarheid. Borging gebiedsproces We constateren dat er een instrument nodig is voor de borging van het gebiedsproces.
Het idee ontstond dat we een ‘vergunningenstolp’ nodig hebben zodat een bedrijf binnen een gebiedstolp verder kan ontwikkelen, mits de totale doelen niet overschreden worden.
3.3. Rollen en verantwoordelijkheden Samenwerking in NWO We werken in NWO samen aan de gebiedsgerichte aanpak voor Noordwest Overijssel gericht op een duurzaam Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel. Als onderdeel hiervan werken we ook aan de PPLG doelen. Dat doen we met gebiedspartners op verschillende niveaus. Enerzijds op bestuurlijk en ambtelijk niveau voor Noordwest Overijssel als geheel. Daarnaast werken we samen in drie deelgebieden. Deze indeling in deelgebieden is gemaakt omdat er op fysiek en organisatorisch gebied veel verschillen bestaan tussen Wieden Weerribben, Staphorsterveld en Polder Mastenbroek / Kamperveen. In deze gebieden waar veenweide problematiek stapelt met andere opgaven zijn Deelgebiedscommissies ingesteld. Regiegroep Noordwest Overijssel (RNWO) (bestuurlijke gebiedstafel) Dit is het overkoepelende bestuurlijk overleg voor Noordwest Overijssel als geheel. Het is de bestuurlijke gebiedstafel met een brede samenstelling van betrokken (vertegenwoordigende en belanghebbende) gebiedspartners. Het gremium is regisserend (van gebiedsproces), adviserend (naar betrokken overheden), afstemmend, informerend en inspirerend (partners onderling). Bestuurders van de betrokken overheden en maatschappelijke partners vormen samen de Regiegroep Noordwest Overijssel (RNWO). De provincie Overijssel coördineert en faciliteert het proces.
De RNWO komt enkele keren per jaar bijeen. Programmateam Noordwest Overijssel (ambtelijke gebiedstafel) Aan het Programmateam (PT) nemen de ambtelijke vertegenwoordigers van de partijen uit de RNWO deel. Belangrijkste taak is het adviseren van de Regiegroep. Daarnaast zijn belangrijke taken het elkaar informeren over en afstemmen van ontwikkelingen binnen en buiten de GGA NWO (met invloed op de GGA NWO), het bewaken van de voortgang van projecten, het elkaar inspireren en het vormen van de schakel met de eigen organisatie. Het eigenaarschap van opgaven, producten en proces ligt bij alle partijen uit het PT (en de RNWO). Het PT komt regelmatig bijeen. Programmaleider en programmasecretaris worden door provincie Overijssel geleverd.
38
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
Een kernteam (proces) en gebiedsteam (inhoudelijk) ondersteunen het gebiedsproces. Deelgebiedscommissies Per deelgebied is er een Deelgebiedscommissie die wordt voorgezeten door een wethouder, die ook in de RNWO is vertegenwoordigd. In de Deelgebiedscommissies wordt gewerkt aan (de start van) pilotprojecten, aan het maken van voorstellen voor de Gebiedsagenda en aan het Toekomstperspectief voor dat deelgebied. Ten behoeve van uitwisseling van kennis en kruisbestuiving van ideeën wordt ook tussen de DGC’s samengewerkt. De Deelgebiedscommissies bestaan uit ambtelijke vertegenwoordigers van de betrokken gemeenten en het waterschap en uit de (lokale) vertegenwoordigers uit het gebied. Er zijn Deelgebiedscommissies voor Mastenbroek / Kamperveen, Staphorsterveld en Wieden Weerribben. Specifieke verantwoordelijkheden waterschap provincie en gemeenten Besluitvorming over ruimtelijke en financiële aspecten vindt plaats in Provinciale Staten en gemeenteraden. De provincie heeft de verantwoordelijkheid om een PPLG aan te leveren aan het rijk voor 1 juli 2023 en o.a. beleidsuitvoering voor natuur. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap de waterhuishoudkundige aspecten van de strategie op. Besluitvorming daarover vindt plaats in het AB van waterschap Drents Overijsselse Delta.
Daarnaast heeft het waterschap verantwoordelijkheden voor het uitvoeren van de Europese Kaderrichtlijn Water (zie paragraaf schoon water).
3.4. Communicatie Voor NWO is een concept gebiedscommunicatieplan opgesteld dat in de bijlage is opgenomen. De belangrijkste communicatieopdracht is het informeren en communiceren met gebiedspartners en inwoners (en dan met agrarisch ondernemers, waarvan een groot deel nu nog onder de radar is). Actief de boer op De opgave van het PPLG is breed en complex. Met name veel agrarisch ondernemers, die het meest met de uitvoering van het PPLG te maken krijgen, moeten vroegtijdig worden geïnformeerd. We moeten als gebiedspartners gezamenlijk aan deze informatievoorziening te voldoen. ‘Actief de boer op’ draagt bij aan het vergroten van het vertrouwen en het samen en gemakkelijker realiseren van de doelen in het PPLG.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
39
De communicatiestrategie in één oogopslag:
3.5. Lopende gebiedsprocessen en initiatieven We beschrijven in deze paragraaf de lopende gebiedsprocessen: de Baarlingerpolder, de Boeren van Blokzijl, de Veldiger Binnenlanden en het Coöperatief plan Staphorst. Daarna gaan we in op overige lopende projecten en activiteiten.
Figuur: gebiedsprocessen in NWO
40
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
3.5.1 Baarlingerpolder (koploperproject) Negen boeren in de Baarlingerpolder, net boven Blokzijl tegen het Natura 2000-gebied de Weerribben-Wieden aan, hebben zich verenigd om een gebiedsproces te starten. Aanduwer van dit gebiedsproces is de uitwerking die het PIP (Provinciaal Inpassing Plan) Noordmanen heeft op het gebied. De vernatting van Noordmanen zorgt voor een effect op de omliggende landbouwgrond, wat weer effect heeft op de gebruikersmogelijkheden van de gronden. Nieuwe natuur met nieuwe doelen kan weer nieuwe opgaven met zich meebrengen. Maar tegelijkertijd kwam het besef dat de stikstof/ KDW-opgave direct invloed heeft op de bedrijfsvoering in het gebied. Bijzonderheden: De diversiteit van de negen bedrijven is groot. Biologisch, intensief, extensief, natuurinclusief, kleine, gemiddelde en grote bedrijven. Er zijn geen stoppers in het gebied en de komende 10 jaar worden er geen stoppers verwacht. Het aantal koeien is sinds 2018 toegenomen in het gebied. Dit gebiedsproces betreft een zogenoemd koploperproject. Het kader geeft een inkijk in de stappen die zijn gezet in het gebiedsproces Baarlingerpolder.
3.5.2 Boeren Blokzijl Aanleiding In navolging van het koploperproject Baarlingerpolder zijn de boeren ten zuiden van Blokzijl in actie gekomen. Net bijgekomen van de ontwikkelopgave die een ruilverkaveling met zich meebracht, kwam een groepje van zes boeren tot de conclusie dat er nieuwe opgaven in het gebied aan zitten te komen. Deze ondernemers boeren al jaren in en naast een N2000 gebied. De vogelrichtlijn is IN dit gebied van toepassing. Omdat ook dit N2000 heet en de boeren erin wonen en werken, lijkt het net alsof het gebied een steeds grotere stempel krijgt als N2000 gebied op de kaarten en onderdeel wordt van de ingekleurde N2000 gebieden van de Weerribben-Wieden. De boeren vinden het belangrijk om niet langer af te wachten wat er wordt ingekleurd en pakken zelf de handschoen op. Samen met het gebiedsteam GGA is er een logisch gebied geformuleerd. De inwoners van dit gebeid zijn uitgenodigd voor een startbijeenkomst. Een deelnemer uit de werkgroep van de Baarlingerpolder heeft tijdens de startbijeenkomst aan het gebied uitgelegd hoe hun koploperproject te werk gaat en het gebied heeft besloten eenzelfde traject te gaan uitzetten. Het gebied bestaat uit 23 deelnemers en is ongeveer drie keer zo groot als de Baarlingerpolder.
Verkenningsfase De initiatiefgroep heeft zich gevormd doordat een boer een aantal andere boeren heeft gevraagd om met het PPLG-team NWO om de tafel te gaan en de mogelijkheden voor een gebiedsproces te bespreken. De initiatiefgroepleden hebben zich vervolgens ingezet om de andere bedrijven in het gebied bij het gebiedsproces te betrekken. Er zijn, vooraf aan de interviews, twee groepsverkenningen gedaan. Het PPLG is uitvoerig besproken, duidelijk is geworden dat de opgaven voor het gebied zijn gestapeld en er is een verkenning gedaan van het INFRAM-rapport over de veenweideopgaven. Vervolgens is er besloten om de keukentafelgesprekken te gaan doen. Deze zijn intussen uitgevoerd en het gebied krijgt nu de terugkoppeling van de uitkomsten. Intussen is het concept plan van aanpak klaar. Na de volgende groepsbijeenkomst wordt besloten of het gebied verder wil in de ontwerpfase. Bijzonderheden: • Het gebied ligt in een N2000 gebied, Vogelrichtlijngebied. • Er is lang geprotesteerd tegen het scheurverbod (dat is er nu af) • Er is geprotesteerd tegen de ontwikkelopgave • Er zijn melkveebedrijven uitgekocht voor de ontwikkelopgave • Er is een melkveebedrijf opgekocht in de eerste opkoopregeling van het rijk • Er zijn een aantal melkveebedrijven omgevormd naar vleesveehouderij • Er wordt een recreatiepark aangelegd
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
41
Kijkje in het gebiedsproces Baarlingerpolder De volgende stappen zijn doorlopen: Verkenningsfase Verdiepingen Om iedereen van de groep op hetzelfde kennisniveau te krijgen voordat de individuele keukentafelgesprekken beginnen zijn er verschillende verdiepingen gedaan: • Stikstofopgave/KDW met de deskundige van de provincie • Veenweideopgave met de INFRAM-deskundige en deskundige van het waterschap WDOD • Bodem en water sturend/ KRW met de deskundige van WDOD Later kwam daarbij het verliezen van de derogatie, de verplichting van de bufferstroken van het 7e actieprogramma nitraat en de wens van de grondgebondenheid. Tijdens de afrondende fase kwam het aanvalsplan Gruttoland er nog bij. Individuele gesprekken of interviews Om een beeld te krijgen van de individuele belangen en de toekomstvisie van de betrokken ondernemers en om te achterhalen hoe elke ondernemer in de wedstrijd staat en welke toekomst hij/zij voor het bedrijf ziet, zijn interviews in de vorm van keukentafelgesprekken zeer belangrijk. Het interview wordt afgenomen door een onafhankelijk adviseur die verbonden is aan de werkgroep, in dit geval een kartrekker. Ontwerpfase Praatplaat of schets Aan de hand van de uitkomsten van de interviews wordt een praatplaat of schets gemaakt met mogelijkheden. Deze praatplaat geeft gespreksstof en doorbreekt het “kaarten voor de borst” houden.
Scenario’s De groep bedenkt scenario’s. Twee extreme scenario’s omdat zo duidelijk wordt wat helpt om de opgaven te behalen.
1. Alle agrarische bedrijven verlaten de polder en het land wordt alleen nog als hooiland gebruikt. 2. Alle agrarische bedrijven gaan met technische maatregelen op stalniveau aan de slag. 3. Een mengvorm van bovenstaand De uitwerkingen van de scenario’s geven inzicht over hoe groot de opgaven zijn en wat er met de scenario’s bereikt kan worden voor de opgaven, voor zowel de stikstofopgave als de veenweide. Alle opgaven bij elkaar: Stikstof, klimaat (CO2 en Methaan), KRW en biodiversiteit brengt de groep bij de conclusie dat er ruimte in de polder gemaakt moet worden. Er zijn te veel bedrijven, de opgaven kunnen niet door alleen maar technische oplossingen behaald worden. Verdiepingen Er worden allemaal mogelijke oplossingen bedacht om de opgaven te kunnen halen en het verdienvermogen van de bedrijven in de benen te houden. Om scherp te krijgen wat de consequenties van deze oplossingen kunnen zijn voor de individuele bedrijven en het gebied, waren en meer verdiepingen nodig. Voorbeeld van mogelijke verdiepingen zijn energietransitie, excursie natuurgebied, gesprek met de bank, gesprek met de gemeente etc etc. Eerste uitkomsten In dit gebiedsproces is geprobeerd het bed op te maken voor de volgende generatie. Innovatie om de opgaven te behalen is een aantrekkelijke oplossing.