2. Concept-Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel;
Tekst van het document
Maar in een gebied met gestapelde opgaven, die vooral ruimtelijk werken, is innovatie een deel van de oplossing. Het andere deel van de oplossing is de extensivering van het gebied. Extensivering is een manier om zowel de stikstof, de veenweide en de methaan opgave vorm te geven. Dat betekent dat er ruimte in het gebied gemaakt moet worden, door een aantal bedrijven te verplaatsen. Een melkveehouderijbedrijf heeft inmiddels een andere locatie gevonden en het bedrijf in de Baarlingerpolder is aangekocht door de provincie. Hoe verder? De ondernemers van de Baarlingerpolder beraden zich nu over het verdere vervolg. De verkennings- en ontwerpfase zijn klaar. De veenweideopgave zou ingevuld kunnen worden door de achterste percelen tegen het natuurgebied te vernatten, mits er ruimte gemaakt wordt door bedrijven te verplaatsen. Een zonnepark op de vernatte percelen geeft in ieder geval zicht op een verdienmodel op die gronden, zolang de overheid zelf niet met concrete keuzemogelijkheden komt. Een zonnepark brengt de verplichting mee om ook 20 ha voor de andere doelen in te richten. Deze hectares kunnen ingericht worden voor de weidevogels en het verhogen van de biodiversiteit. Een aantal van de melkveehouderijbedrijven hebben al een extensieve natuurinclusieve bedrijfsvoering en er zijn mogelijkheden om met de andere bedrijven ook stappen te maken.
Stikstofstripper met of zonder mestvergisten geeft een bedrijf de mogelijkheid om aan de 42 Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel stikstof- en methaanopgaven te werken voor het gebied. De managementmaatregelen, mits ze juridisch geborgd worden, leveren een bijdrage aan de opgave stikstof en methaan.
3.5.3 Veldiger Binnenlanden Aanleiding Een van de boeren in de Veldiger Binnenlanden is lid van de deelgebiedscommissie Staphorsterveld in NWO. Daar is de afgelopen 2 jaar veel informatie gedeeld en er is veel gebiedskennis aanwezig. De betreffende boer heeft samen met het gebiedsteam besproken of er mogelijkheden zijn om ook in zijn eigen polder een gebiedsproces te starten. Samen met de andere boeren in het gebied is er een avond geweest waarop de mogelijkheden voor een gebiedsproces zijn voorgelegd en de groep heeft besloten een eerste verkenning op te starten. Verkenningsfase De landbouwpolder ligt naast het natuurgebied De Oldematen en is aan de andere kant ingesloten door de dijk. De veeweideopgave en de PPLG opgaven zijn besproken. Wederom een gebied met gestapelde opgaven in een randzone van een N2000 gebied. Er is veel data in het gebied aanwezig over de peilen, waterkwaliteit en bodemdaling. De volgende bijeenkomst is samen met het waterschap om te verkennen wat deze data voor de opgaven van het gebied kunnen betekenen.
3.5.4 Coöperatief plan Staphorst Een gezonde agrarische sector en een vitaal platteland zijn speerpunten voor de gemeente Staphorst. De gemeenteraad heeft dit onderstreept door bij de bespreking van het startdocument voor de gebiedsgerichte aanpak, motie 142 aan te nemen. Met deze motie is het college opgeroepen om er voor te zorgen dat in de GGA het goede gesprek gevoerd blijft worden tussen overheid, agrariërs, TBO's (terrein beherende organisaties) en overige stakeholders in het gebiedsproces. Ook vraagt de raad om het areaal landbouwgrond in het gebied te waarborgen en het agrarisch natuurbeheer en de economische en sociale waarden van de landbouwsector in Staphorst te behouden en te versterken. Daarnaast vraagt de raad om de instandhoudingsverplichting van de bestaande natuur in de natuurgebieden als vertrekpunt te nemen, waarbij de instandhoudingsdoelen in de beheersplannen als kans worden gezien. Tot slot wordt aan het college gevraagd om de raad te blijven betrekken en informeren bij de vaststelling van de Gebiedsagenda en het Toekomstperspectief. De voorgenoemde motie heeft primair betrekking op het deelgebied Staphorsterveld. De gemeente heeft binnen dit gebied het initiatief genomen voor een coöperatief plan Staphorst e.o. Van oudsher wordt er in het deelgebied Staphorsterveld veel samengewerkt met de natuur d.m.v. de collectieven.
De gemeenschap is een hechte agrarische gemeenschap en heeft met de melk- en veevoerfabriek in het gebied een sterke lokale binding. Stakeholders in het gebied zijn gevraagd om mee te schrijven aan een plan waarin uiting wordt gegeven aan deze verbondenheid. In het plan zijn tien kernpunten geformuleerd, waarmee een aanzet wordt gedaan over wat er belangrijk is in deze agrarische gemeenschap en op welke manier er gewerkt kan worden aan het perspectief voor de bewoners en de boeren in Staphorst. Het plan geeft de randvoorwaarden of kaders voor een gebiedsproces van de initiatiefnemers aan. Het Coöperatief Plan Staphorst is daarmee een goede opmaat om in kleinere gebieden de opgaven te verkennen en verdere stappen te nemen samen met de gebieden.
3.5.5 Overige initiatieven en activiteiten • Uitvoeren IBP-projecten: Uitvoeringsprogramma Oldematen Zwartewaterklooster; Benutten biomassastromen Nationaal Park Weerribben-Wieden; Onderzoek randzone Koekoekspolder; Onderzoek Behoud veenweidegebied Polder Mastenbroek; Onderzoek en realisatie graven petgaten zonder CO2-uitstoot; Waterkwaliteitsonderzoek rond Wieden Weerribben (mogelijk ook biocascade); Pilotonderzoek onderwaterdrainage. In voorbereiding zijn projecten: CO2 binden in landschapselementen en Duurzaam waterbeheer Weerribben.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
43
• Uitvoeren Impulsmiddelen Veenweide: realiseren van naar verwachting ruim 250 hectare vernatting en in combinatie met functieverandering naar natuur in de Uitwerkingsgebieden Natura 2000, in het kader van de Ontwikkelopgave N2000 • Barsbekerbinnenpolder verbeteren voor weidevogels en verminderen van veenoxidatie (en dus verminderen van bodemdaling en CO2-uitstoot op 160 ha) door Natuurmonumenten in samenwerking met een erfpachter. Dit project is tevens een pilot voor Valuta voor Veen. • Meerdere pilots voor onderwaterdrainage, waaronder één in combinatie met een meetlocatie voor bodemdaling en CO2 uitstoot in het kader van het landelijke onderzoeksprogramma van het NOBV. Een tweede Overijsselse meetlocatie bevindt zich binnen het natuurgebied Weerribben-Wieden • Werkgroep om één loket voor maatschappelijke diensten. De eerste stap richting ‘Eén loket’ is gezet. Op 12 juli 2022 heeft een bijeenkomst plaats gevonden waarvoor adviseurs van het agrarisch collectief Noordwest Overijssel (AC), Stichting Particuliere Landschapselementen IJsseldelta (SPLIJ), Gebiedscoöperatie IJsseldelta (GC), Stichting Groenblauwe Diensten Overijssel (SGBDO) en van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer waren uitgenodigd. Doel was om elkaar beter te leren kennen en om kennis uit te wisselen.
• In Noordwest Overijssel hebben we een concept menukaart ontwikkeld waarin de keuzemogelijkheden voor de ondernemer worden vertaald in een ‘menukaart met technische maatregelen/ innovaties’. De menukaart is een concept dat getoetst moet worden. Dat willen we in drie jaar tijd doen met een pilot bij 5-10% van de bedrijven. • Op dit moment worden door Novus AgroEcology emissiemetingen gedaan bij een zevental melkveebedrijven in Noordwest Overijssel naar het effect van het toepassen van Kopros, een microbiologische oplossing. Hierbij wordt een vermindering van stalemissies geclaimd met gemiddeld 75% tot 4 kg per koe per jaar terwijl de emissie van ammoniak (en stank) bij mestaanwending nagenoeg worden geëlimineerd. Ook moet de toepassing van Kopros via de verbetering van mest een waardevolle bijdrage leveren aan de bodemvruchtbaarheid en aan de productie van ruwvoer en andere gewassen. • Bedrijven die er behoefte aan hebben worden op weg geholpen met een routekaart voor individuele stikstofadviezen. Aan bureau Boerenverstand is opdracht verleend om deze routekaart in samenwerking met de Overijsselse Erfcoaches en landbouwadviseurs uit de Gebiedsgerichte Aanpak te ontwikkelen. De routekaart helpt de boer om een eerste ‘stikstofscan’ te doen.
Deze routekaart kunnen adviseurs, landbouwdeskundigen, ErfCoaches en eventueel andere ‘erfbetreders’ die bij de boer op het erf en aan de keukentafel komen, gebruiken. • GLB-pilots door Collectief Noordwest Overijssel gericht op de vraag hoe maatregelen t.b.v. weidevogelbeheer en tegengaan veenoxidatie goed in te passen zijn in melkveehouderijbedrijven. • Onderzoek van het watersysteem op een gedetailleerder niveau dan de Verkenning bodemdaling veenweide Overijssel (Infram) op kleiner schaalniveau. • Aangesloten bij landelijke onderzoeksinstellingen of -samenwerkingsverbanden op het gebied van de veenproblematiek: NOBV (twee meetlocaties), VIP-NL en het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling. • In het kader van VIP-NL is een proeftuintrekker (Stimuland) voor Noordwest Overijssel gestart. Overijssel is samen met de Friesland partner in de twee onderzoeks- en innovatieprojecten voor andere bodemmaatregelen dan (alleen) vernatting: profielkeren en overlagen. Daarnaast wordt een de onderzoeksvraag doorontwikkeld die is opgesteld door de rietsector, om die als onderzoeksvoorstel in te dienen bij VIP-NL. • Excursies en informatiebijeenkomsten. • Doorrekening van de bedrijfseconomische effecten van de PPLG opgaven voor een aantal landbouwbedrijven in Mastenbroek.
44
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
4.
Aanpak
4.1. Inleiding In dit hoofdstuk gaan we in de eerste paragraaf in op de gefaseerde uitvoering van het Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel. Daarna wordt in de tweede paragraaf ingegaan op de kennisontwikkeling.
4.2. Fasering van de uitvoering We gaan uit van een gefaseerde uitvoering van het gebiedsprogramma Noordwest Overijssel met minimaal 25 deelgebieden. In iedere fase bevindt een aantal werkgebieden zich in verschillende fasen. De verdeling zou er als volgt uit kunnen zien (indicatief): Fase Verkenningsfase Ontwerpfase Realisatiefase
Aantal werkgebieden 2023-2025 2025-2030 3 9 1 5 1 10
2030-2035
14
Korte termijn 2023-2025 In deze periode is de inzet gericht op: • • •
•
• • • • • • •
Opstellen en afronden gebiedsprogramma Uitvoeren communicatieplan Gebiedsprocessen opstarten en eerste gebiedsprocessen in uitvoering brengen. Op korte termijn starten gebiedsprocessen in circa 5 werkgebieden met gebiedsprocessen gericht op extensivering, verbreding en vernatting. Hierbij gaan we er vanuit dat we daar starten waar de energie zit. Dat zijn in ieder geval: o Baarlingerpolder: realisatiefase o Boeren Blokzijl: realisatiefase o Veldiger Binnenlanden: verkenning- en ontwerpfase o Coöperatief plan Staphorst: verkennings- en ontwerpfase Inventarisatie sociaaleconomische effecten – naar model brede welvaart- voor NWO, verdiepen en waar data beschikbaar is, daar ook aan te toetsen. Opstellen dynamisch factsheet voor NWO om op deze manier de komende jaren transparant te monitoren hoe de brede welvaart in het landelijk gebied zich ontwikkelt, zodat er kan worden bijgestuurd en kansen benut. Opstellen Toekomstperspectief NWO (indien na PPLG / omgevingsvisietraject verdiepingsslag voor NWO nog is gewenst) Opstellen Regionale Veenweidestrategie 2.0 en 3.0 Afspraken met partners over de wijze van samenwerking waaronder de governancestructuur. Informeren en betrekken inwoners, bestuurders en volksvertegenwoordigers Inrichting uitvoeringsorganisatie; Aankopen eerste bedrijven; Onderzoek t.b.v. detaillering opgaven.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
45
Middellange termijn 2025-2030 • Gebiedsprocessen in uitvoering • Uitvoeren communicatieplan • Opschalen uitvoeringsorganisatie • Verkenningsfase en planuitwerkingsfase in alle werkgebieden In deze fase gaan we ervanuit dat in alle werkgebieden de verkenningsfase wordt opgestart. De werkgebieden bevinden zich in verschillende fasen. Vanaf 2025 zijn de eerste grotere effecten te verwachten door de realisatie van uitvoeringsplannen. • Blijven informeren en betrekken inwoners, bestuurders en volksvertegenwoordigers; • Aankopen bedrijven en inzetten t.b.v. herverkaveling/ extensiveringsopgaven; • Monitoring effecten maatregelen; • Indien nodig verfijning/ bijsturing opgaven; • Rapportage en verantwoording. Lange termijn 2030-2035 In deze laatste periode is de inzet gericht op de volgende zaken • Oplevering gebiedsprocessen; • Uitvoeren communicatieplan; • Monitoring effecten maatregelen; • Afbouwen uitvoeringsorganisatie; • Rapportage en verantwoording.
4.3. Kennisontwikkeling Op het gebied van veenweide (bodemdaling en uitstoot broeikasgassen) wordt veel onderzoek gedaan. Daarvoor is op landelijk niveau een onderzoeksprogramma (NOBV) gestart, dat ook (juist) op lokaal niveau onderzoek doet, om zo de verschillende (veen-) situaties in beeld te brengen. Daarnaast wordt ook veel onderzoek naar stikstof en stikstof reducerende maatregelen gedaan. Geconcludeerd kan worden dat er al veel onderzoek is gedaan, maar dat er ook nog kennishiaten zijn. Om alle beschikbare informatie zoveel mogelijk te delen houden we de online gebiedsdata up to date en breiden we deze uit met data over alle PPLG-thema’s (zie GGAHUB_stikstof (arcgis.com)). Om een weloverwogen keuze te maken voor de aanpak van het veenweidegebied is de provincie aangesloten bij een aantal landelijke onderzoeksprogramma’s, zijn er studies uitgevoerd naar verschillende toekomstscenario’s en worden er ook praktijkproeven (pilots) gedaan om de werking van maatregelen in het landschap te testen. Onderzoeksprogramma’s Om grip te krijgen op de veenweideopgave en informatie uit te wisselen met andere provincies, waterschappen en het rijk is provincie Overijssel aangesloten bij een aantal landelijke onderzoeksprogramma’s naar de veenweideopgave: VIPNL, NOBV en BbHW.
Vanuit die programma’s worden ook onderzoeken en proeven in Noordwest Overijssel uitgevoerd, in samenwerking met lokale partijen.
Veenweiden Innovatie Programma Nederland (VIP NL) Met het oog op de opgaven in de Nederlandse veenweidegebieden is in 2022 het Veenweiden Innovatie Programma Nederland (VIPNL) van start gegaan. VIPNL is een landelijk veenweideprogramma waarbij de uitvoering in de regio plaatsvindt. VIPNL is ontstaan uit een initiatief vanuit de veenweidenregio’s om gezamenlijk op te trekken en de wens vanuit LNV om een landelijk consortium voor innovaties te organiseren. VIPNL werkt met programmapartners, die samen financieel en inhoudelijk verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van VIPNL. De programmapartners dragen zorg voor het aanvragen en
46
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
verantwoorden van een of meerdere thema’s. De huidige programmapartners zijn het Veenweiden Innovatiecentrum (VIC) en Landschap Noord-Holland (LNH). Ook zoekt VIPNL bij de uitvoering verbinding met landelijke organisaties en programma’s voor het ontwikkelen en uitwisselen van kennis. Er wordt intensief samengewerkt met het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) dat bij verschillende thema’s metingen doet aan broeikasgassen en onderzoek doet om het mechanistisch begrip te vergroten.
Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) Voor veenweiden is in het Klimaatakkoord een reductie van de jaarlijkse emissie met 1,0 Mton in 2030 vastgelegd. Het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden (NOBV) is in 2019 gestart om antwoord te geven op vragen omtrent deze opgave. Wat zijn de effecten van verschillende maatregelen tegen bodemdaling op broeikasgasuitstoot? Hoe werken de maatregelen die zijn ontwikkeld, of nog ontwikkeld worden, om emissies te beperken? En welke rol spelen bijvoorbeeld bodemleven en veentype bij de veenafbraak? De conclusies volgen in 2024. Doel van het NOBV is de effectiviteit van maatregelen te onderzoeken en de emissies beter te voorspellen. Daarbij worden tevens de effecten op bodemdaling in beeld gebracht. Het onderzoek richt zich op het zogenaamde mechanistisch begrip van veenafbraak en het ontstaan van broeikasgassen. Daarom wordt niet alleen de emissie van verschillende broeikasgassen gemeten. Ook worden metingen gedaan aan allerlei factoren die van invloed kunnen zijn op het ontstaan van broeikasgasemissies. Zo kunnen vooraf veel betere voorspellingen worden gemaakt van de effectiviteit van maatregelen onder verschillende omstandigheden. Er wordt gebruik gemaakt van onderzoek op locaties verspreid over het Nederlandse veenweidegebied.
Aan het onderzoeksprogramma nemen verschillende universiteiten en kenniscentra deel. Het onderzoek loopt tot medio 2024 en wordt uitgevoerd met subsidie van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit onder aansturing van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA).
Onderzoeksprogramma Boeren bij Hoog Water (BbHW) Boeren bij Hoog Water (BbHW) richt zich op de ontwikkeling van een veenweidenbedrijf met minimale klimaatimpact. Het gaat om een verkenning van een nieuw economisch haalbaar bedrijfsmodel met melkvee, bij minimaal gebruik van kunstmest en krachtvoer. Ook de reductie van stikstofemissies en het verbeteren van waterkwaliteit zijn onderdeel van dit nieuwe bedrijfssysteem. Voor de ontwikkeling van het nieuwe bedrijfsmodel volgens Boeren bij Hoog Water is het onderzoeksprogramma Boeren bij Hoog Water opgezet. Daarbij wordt ingezet op een grondwaterstand van 20 centimeter beneden maaiveld omdat deze grondwaterstand – volgens de huidige inzichten van deskundigen- zorgt voor een minimale uitstoot van emissies uit de veenbodem. Of dat ook in een rendabel bedrijfssysteem past wordt onderzocht door in de praktijk aan de slag te gaan. Dat gebeurt op de Hoogwaterboerderij van KTC Zegveld. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Wageningen University & Research, het Louis Bolk Instituut, KTC Zegveld en PPP-Agro Advies. In de ontwikkeling van Boeren bij Hoog Water komen verschillende innovaties van het VIC (Veenweide Innovatie Centrum) samen. Productie naar letterlijke en figuurlijke draagkracht van de bodem, met als uitgangspunt minimale broeikasgasemissies, borduurt voort op Veenweiden Veerkracht.
Bij het realiseren van een hoge grondwaterstand wordt gebruik gemaakt van de kennis die is opgedaan over waterinfiltratie onder druk (drukdrainage) binnen Werken met Water. Ook zijn er initiatieven vanuit het GLB waaronder Vooruitboeren op Veen. In de 3 deelgebieden doen 18 ondernemers mee aan een proef (met onderwaterdrainage).
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
47
In de Barsbekerbinnenpolder wordt een pilot Valuta voor Veen uitgevoerd. In een gebied van 165 ha worden de waterpeilen verhoogd. Met als verdienmodel CO2-reductie te bewerkstelligen om vervolgens een CO2-certificaat te ontvangen, incl. financiële middelen.
48
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
5.
Middelen
5.1. Inleiding Om tot uitvoering van maatregelen te komen moeten we over het juiste instrumentarium beschikken. Vooral grondinstrumentarium (om grond van stoppers tegen de juiste financiële voorwaarden bij blijvers te krijgen) en instrumenten om langjarig maatschappelijke diensten/ ecosysteemdiensten te kunnen vergoeden. Zie ook onder 3.2.
5.2. Instrumenten En zie hierboven onder 3.2: Instrumentarium voor gebiedsprocessen
5.3. Financiën en effecten PM nader uit te werken Voor de realisatie van de 3 doelen van het PPLG Overijssel zijn in NWO middelen nodig voor de uitvoering en het beheer. In de eerste versie van het PPLG is een eerste kostenraming voor de realisatie van de doelen tot 2030 opgenomen van circa 5 miljard. Een nadere toerekening naar de deelgebieden wordt nog uitgewerkt door de programmaorganisatie PPLG. Bedrijfseconomische effecten Om een beter beeld te krijgen van de bedrijfseconomische effecten van het PPLG willen de agrarische partijen in NWO een nader onderzoek (laten) doen. Er wordt gewerkt aan de een verkenning, ter bespreking in de Regiegroep, voor een van de werkgebieden. Kosten vernattingsmaatregelen In de bijlage is een indicatieve uitwerking kosten van vernattingsmaatregelen opgenomen.
5.4. Uitvoeringsorganisatie In de afgelopen maanden zijn er gesprekken gevoerd over hoe we als partners invulling willen geven aan de verschillende rollen en verantwoordelijkheden. Deze gesprekken lopen op dit moment nog. Het is in dit stadium dan ook niet mogelijk nu al een beschrijving te geven van de uitvoeringsorganisatie met daarbij de taken, rollen, verantwoordelijkheden en benodigd aantal fte's. Het tweede en derde kwartaal van 2023 zal hier meer duidelijkheid over komen. Wel is nu al duidelijk dat er sprake zal zijn van een forse personele inzet om de opgaven tijdig te kunnen realiseren. Deze inzet zal ook vanuit de verschillende gebiedspartners moeten komen. Gedacht kan worden aan inhoudelijke expertise op het gebied van natuur, water, veenweide en landbouw, maar ook aan expertise op het gebied van het leiden en begeleiden van projecten en processen. Het verzoek aan de gebiedspartners is dan ook om hier nu reeds over na te denken en dit in de eigen organisatie onder de aandacht te brengen en op te nemen in de P&C cyclus. De verwachte stijging in personele inzet is op 9 maart 2023 door bestuurders van gemeenten bevestigd in een door de VNG georganiseerd bestuurlijk overleg over het landelijk gebied.
In dit kader heeft de Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied (RTLG) in een VNG webinar van 30 maart 2023 aangekondigd dat er een artikel 2 onderzoek gaat komen naar de uitvoeringslasten. Hierbij onderkent het RTLG dat alleen geld niet dé
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
49
oplossing is. Vanwege de krappe arbeidsmarkt ligt de uitvoeringscapaciteit immers niet voor het oprapen. Met name op het vlak van ruimtelijke ordening is sprake van grote schaarste.
50
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
6.
Jaarplan 2023-2024
PM
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
51
Bijlagen
52
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
Bijlage 1: Matrix transitie perspectieven Richtinggevende kansrijke ontwikkelingen voor veehouders op basis van 9 algemene profielen, elke situatie is uniek. De agrarisch ondernemer is zelf aan zet om een ontwikkelrichting te kiezen die past bij de ondernemer en de omgeving. Ook een combinatie van ontwikkelrichtingen kan mogelijk zijn. De Rijksoverheid en provincie helpen agrariërs bij deze transitie.
Gebieden / type boer / bedrijfsmodellen Boer die wil afbouwen / stoppen
Boer die zo veel mogelijk op intensieve pad door wil
Extensieve natuurinclusieve landbouw (veenweide, hoge zandgronden, rondom N2000) A1 verkoop fosfaatrechten, rundvee, VAB's verpachten of verkopen (landschaps) grond
Grondgebonden hoogproductieve landbouw A2 verkoop fosfaatrechten, rundvee, VAB's verpachten of verkopen grond
Intensieve veehouderij (varkens, kippen, kalveren, geiten) A3 verkoop dierrechten, varkens / kippen, VAB's
kleine hobbyboer
kleine hobbyboer
kleine hobbyboer
ander werk/ pensioen B1 bedrijfsverplaatsing naar gebied met grondgebonden hoogproductieve landbouw
ander werk/ pensioen B2
ander werk/ pensioen B3
grondgebondenheid + extra milieu opgaven = randvoorwaarde bodemverbetering weidegang melkkoeien (vakmanschap en technische) innovatie
(technische) innovatie
weidevogelbeheer
Boer die het bedrijf op de huidige plek extensiever wil runnen en/of verbreden (omvormen)
competenties op orde C1 meer grond onder bedrijf
competenties op orde C2 meer grond onder bedrijf
competenties op orde C3 meer grond onder bedrijf
verkoop deel fosfaatrechten en rundvee, eventueel VAB's en grond extensievere manier van dieren houden VAB's aanpassen naar vrijloop, potstal, e.d. weidegang zoog- of melkkoeien
verkoop deel fosfaatrechten en rundvee, eventueel VAB's extensievere manier van dieren houden VAB's aanpassen naar vrijloop, potstal, e.d.
verkoop deel dierrechten en varkens / kippen, eventueel VAB's extensievere manier van dieren houden VAB's aanpassen naar vrijloop, potstal, e.d.
bodemverbetering
bodemverbetering
weidegang melkkoeien
bedrijfsverbreding, o.a.: biologisch akkerbouw zoals eiwit (met gewasrotatie door wisselteelt) en biobased gewassen
biologisch akkerbouw zoals eiwit (met gewasrotatie door wisselteelt) en biobased gewassen
natuurbeheerpakket
natuurbeheerpakket
biologisch
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
53
agroforestry / bos
agroforestry
korte keten recreatie zorg zonneparken woningbouw (rood voor rood)
windmolens
competenties op orde
competenties op orde
competenties op orde
Leeswijzer: Hiervoor is de matrix met de negen richtinggevende ontwikkelpaden, zoals beschreven in de ‘Uitwerkingsnotitie (voorbeeldcasussen) ontwikkelpaden “ Perspectief voor de landbouw” opgenomen en hieronder volgt een toelichting. De letters in de matrix staan voor het type boer. A is een boer die wil stoppen of afbouwen. B is een boer die zoveel mogelijk op het intensieve pad door wil. C is een boer die het bedrijf op de huidige plek extensiever wil voortzetten en mogelijk zijn bedrijfsactiviteiten gaat verbreden. De cijfers staan voor de verschillende gebiedstypes gebaseerd op het fundament van de omgevingsvisie waar het bedrijf gevestigd is. De boer krijgt zo een beeld wat er in het gebied waar het bedrijf nu gevestigd is, mogelijk is. In de gebiedsgerichte aanpak zal duidelijk moeten worden wat dit op erf niveau gaat betekenen. Dit hangt o.a. af van de exacte opgave voor het gebied en welke richting de buren in willen en kunnen slaan. De 1 staat voor een extensiveringsgebied (grondgebonden). De 2 voor hoogproductieve gebieden (grondgebonden). Het 3de gebied is de uitwerking voor intensieve niet grondgebonden bedrijven (bijvoorbeeld: varkens, kippen, geiten en kalveren). A1 De boer die wil afbouwen/stoppen in een extensiveringsgebied Een stoppende of afbouwende boer in een extensiveringsgebied zal zijn of haar vee met bijbehorende rechten verkopen.
Mogelijk ook verkoop van vrijgekomen agrarische bebouwing. Er kan voor gekozen worden om de grond bij het bedrijf te verkopen of te verpachten. Het is niet meer mogelijk om een inkomen te halen uit de veehouderij, het blijft wel mogelijk om hobbymatig een aantal dieren te houden. De boer gaat met pensioen of gaat op zoek naar andere werkzaamheden. A2 De boer die wil afbouwen/stoppen in een hoogproductief gebied Een stoppende of afbouwende boer in een hoogproductief gebied zal zijn of haar vee met bijbehorende rechten verkopen. Mogelijk ook verkoop van vrijgekomen agrarische bebouwing. Er kan voor gekozen worden om de grond bij het bedrijf te verkopen of te verpachten. Het is niet meer mogelijk om een inkomen te halen uit de veehouderij, het blijft wel mogelijk om hobbymatig een aantal dieren te houden. De boer gaat met pensioen of gaat op zoek naar andere werkzaamheden. A3 De boer die wil afbouwen/stoppen met een intensief niet-grondgebonden landbouwbedrijf Een stoppende of afbouwende boer met een intensief niet-grondgebonden landbouwbedrijf zal zijn of haar vee en bijbehorende rechten verkopen. Mogelijk ook verkoop van vrijgekomen agrarische bebouwing. Het is niet meer mogelijk om een inkomen te halen uit de veehouderij. Afhankelijk van de grootte van het erf en eventuele bijbehorende grond is het wel mogelijk om hobbymatig een aantal dieren te houden.
De boer gaat met pensioen of gaat op zoek naar andere werkzaamheden. B1 De boer die zo veel mogelijk op het intensieve pad door wil in een extensiveringsgebied
54
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
Een boer die zo veel mogelijk een intensieve bedrijfsvoering wil voortzetten, zal niet in een extensiveringsgebied kunnen blijven. Het bedrijf zal dan moeten verplaatsen naar een hoogproductief gebied. Ook in het hoogproductieve gebied zal de boer moeten voldoen aan de norm voor grondgebondenheid en bepaalde competenties (vakmanschap, zoals het sturen op prestatie –indicatoren van de kringloopwijzer die doorontwikkeld wordt richting afrekenbare stoffenbalans). B2 De boer die zo veel mogelijk op het intensieve pad door wil in een hoogproductief gebied Ook in een hoogproductief gebied zullen boeren in de toekomst aan de actuele milieuopgaves en ene basiskwaliteit natuur moeten voldoen. Naar verwachting kan er door te werken aan bodemverbetering, door (veel meer) weidegang en vakmanschap en technische innovaties worden ingezet om emissies te beperken. Ook weidevogelbeheer en windmolens behoren op sommige plekken tot de mogelijkheden. B3 De boer die zo veel mogelijk op het intensieve pad door wil met een intensief nietgrondgebonden landbouwbedrijf Voor boeren met een intensief niet-grondgebonden landbouwbedrijf is het mogelijk om bij gesloten systemen door middel van technische innovaties emissies te verminderen.
Ook zal er voldaan moeten worden aan de nog in ontwikkeling zijnde eisen voor een dierwaardige veehouderij, nieuwe eisen om zoönose risico' s te beperken en mogelijk ook nieuwe grondgebondenheidseisen. Ook boeren op deze bedrijven moeten voldoen aan (nieuwe) competenties. C1 De boer die wil extensiveren/verbreden op de huidige locatie in een extensiveringsgebied Een boer die wil extensiveren in een extensiveringsgebied zal meer grond onder zijn bedrijf moeten krijgen of zal een deel van zijn of haar vee verkopen met de daarbij behorende rechten. Het extensiever houden van vee vraagt om aanpassing van de bedrijfsvoering. Denk hierbij aan het overstappen van een ligboxenstal naar een potstal, veel weidegang, overstappen van melknaar vleesvee en actief bezig zijn met het verbeteren van het voortbrengend vermogen van de bodem. Doordat er meer grond nodig is voor hetzelfde vee, brengt dit meer kosten met zich mee. Als er minder vee wordt gehouden op hetzelfde areaal, dan zijn er minder inkomsten op het bedrijf. Dit kan op meerdere manieren opgevangen worden. De ondernemer kan er voor kiezen om het bedrijf te verbreden. Dit kan op het gebied van voedselproductie, zoals zelf gaan verzuivelen, agroforestry teelten en teelten van eiwit en bio-based gewassen. Ook een andere tak binnen het bedrijf behoort tot de mogelijkheden.
Denk hierbij aan bijvoorbeeld een zorgboerderij, een recreatietak, de aanleg van een zonnepark, woningbouw (rood voor rood) of natuurbeheer. De overheid zal in deze gevallen (financiële) ondersteuning bieden voor deze transitie (zoals planologische ruimte, goedkopere landschapsgrond, vergoeding voor ecosysteemdiensten). C2 De boer die wil extensiveren/verbreden op de huidige locatie in een hoogproductief gebied Een boer die wil extensiveren in een hoog productief gebied zal een deel van zijn of haar vee verkopen met de daarbij horende rechten. Het extensiever houden van vee vraagt om aanpassing van de bedrijfsvoering. Denk hierbij aan het overstappen van een ligboxenstal naar een potstal, meer weidegang, eventueel overstappen van melk- naar vleesvee en actief bezig zijn met het verbeteren van het voortbrengend vermogen van de bodem. Doordat er minder (intensief) vee wordt gehouden zijn er minder inkomsten op het bedrijf. Dit kan op meerdere manieren opgevangen worden. De ondernemer kan er voor kiezen om zijn of haar bedrijf te verbreden. Dit kan op het gebied van voedselproductie, zoals zelf gaan verzuivelen, agroforestry teelten, teelten van eiwit en bio-based gewassen. In een hoogproductief gebied zijn activiteiten zoals een zorgboerderij, een recreatietak of woningbouw (rood voor rood) niet wenselijk en geen optie voor deze boer.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
55
C3 De boer die wil extensiveren/verbreden op de huidige locatie met een intensief niet-grondgebonden landbouwbedrijf Een boer met een intensief niet-grondgebonden landbouwbedrijf kan er voor kiezen om te extensiveren door een deel van zijn of haar dierenrechten te verkopen en minder dieren te gaan houden. Vrijgekomen agrarische bebouwing kan worden aangepast naar andere minder intensieve stalsystemen. Een mogelijkheid is het omschakelen naar biologisch en/of tuinbouw. Dit is mogelijk mits een bedrijf voldoende grond heeft of verwerft voor uitloop/weidegang en tuinbouw. Door bijvoorbeeld biologisch te produceren kan de ondernemer een meerprijs vragen voor zijn of haar product. Ook kan gedacht worden bijvoorbeeld verlenging van de eigen keten (bijvoorbeeld slagerij) en directe verkoop in combinatie met een recreatiefunctie.
56
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
Bijlage 2 – de knoppen landbouwvisie met toelichting Knop 1 Milieuopgaven uitwerken per deelgebied Kunnen we de milieuopgaven uitwerken per deelgebied van Overijssel? En wat betekent die milieuopgave dan concreet voor het erf van de boer? Als dat overzicht er is, kan de boer gemakkelijker, en met meer vertrouwen voor de lange termijn, bedrijfseconomische keuzes maken. Knop 2 Opzetten grondfonds Grond is duur en schaars. Jaarlijks komen agrarische gronden van stoppers beschikbaar. Het Rijk wil dat deze vrijkomende gronden voedselproducerend blijven en tegelijk een bijdrage gaan leveren aan de groene opgaven. Het kabinet wil veel geld steken in een landelijke grondbank waar boeren tegen een schappelijke prijs deze gronden kunnen verwerven. Zo kunnen ze groene opgaves die minder renderen, gemakkelijker integreren in hun bedrijf. De provincies moeten de aankoop en verkoop voor de grondbank aan uitvoeren in hun gebied. Knop 3 Bundeling vergoedingen voor ecosysteemdiensten Boeren kunnen extra inkomen verwerven door ecosysteemdiensten te gaan uitvoeren. Maar de vergoedingen daarvoor zijn onzeker en versnipperd. Ook is de markt nog niet altijd klaar voor bepaalde ecosysteemdiensten; denk aan koolstofvastlegging. Om het boeren mogelijk te maken hun bedrijfsmodel aan te passen, moeten vergoedingen worden gebundeld en voor de lange termijn gegarandeerd.
Ook moet gezorgd worden voor kennisvergroting bij de boer, zodat hij gekwalificeerd wordt voor het werk. Knop 4 Planologische functieverruiming erf en land De overheid kan boeren meer proactief tegemoetkomen door planologische ruimte te scheppen in gebieden waar extensivering en bedrijfsverbreding is gewenst. Denk aan zorg, wonen, recreatie en productverwerking. In andere gebieden kan zij juist meer de primaire voedselproductie handhaven met beperkte functieverruiming. Knop 5 Vergunningsruimte voor technische innovaties Technische innovaties zijn een belangrijk middel waarmee de boer kan voldoen aan milieuopgaven. De provincie moet ruimte geven aan pilots, zodat nieuwe technieken zich kunnen bewijzen, en moet vervolgens vergunningsruimte geven voor successen. Knop 6 Afspraken met keten en markt Het succes van landbouwtransities hangt voor een belangrijk deel af van de medewerking van keten en markt. Veranderingen worden geregeld tegengehouden; omdat het om nietstandaard gewassen gaat, om kleine hoeveelheden of om verwerkte producten in plaats van producten af-land. De provincie kan de regie nemen, maar daarachter zijn afspraken nodig met de keten en de markt, maar ook met terrein beherende organisaties, grootgrondeigenaren, natuurorganisaties en collega-overheden.
Knop 7 Kennisinfrastructuur en sociale ondersteuning boer Boeren zullen meer en meer een andere rol krijgen; in de maatschappij en in het landschap. Ze worden natuur- en waterbeheerder, recreatieaanbieder, zorgverlener, productverwerker, kortom: vormgever van de landschappelijke, sociale en culturele leefomgeving van de burger. Dat vraagt kennis en een mentale verandering. Daarvoor moet een infrastructuur worden opgebouwd via welke de boer kennis, ervaring en steun kan krijgen van voorbeeldboeren, adviseurs, onderzoekers en trainers.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
57
Bijlage 3 Gebiedscommunicatieplan
58
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
Bijlage 4 Coöperatief plan Staphorst
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
59
Bijlage 5 indicatie kosten per hectare van vernattingsmaatregelen
Indicatie van kosten van vernattingsmaatregelen De (nu bekende) technisch geraamde kosten van vernattingsmaatregelen zijn in de tabel hieronder samengevat (zie Haalbaarheidsstudie Betaalbaarheid van het NOBV en de factsheet over Onderwater- en drukdrainage van het NKB, 2018): Maatregel
Kosten afhankelijk van:
Kosten (per ha)
Afschrijfperiode
PWIS
- Drainafstand - Drainlengte - Aanleg waterreservoir (put, verzameldrain of niet) - Materiaal van de drainage - Obstakels in de bodem (bijv. bomen) - Marktwerking
€ 2000 – 3000 per ha.
20 jaar
AWIS
- Pompput - Verdere ontwikkeling van techniek - Materiaal drainage - Obstakels in de bodem (bijv. bomen) - Marktwerking
€ 2500 – 6000 per ha.
Onbekend
Naast de kosten van aanleg van de vernattingsmaatregelen, brengen de vernattingsmaatregelen ook kosten met zich mee voor de bedrijfsvoering van de agrariër. Deze kosten kunnen nog moeilijk worden gekwantificeerd. De opbrengstderving voor de landbouw bij het verhogen van het grondwaterpeil verschilt per uitgangssituatie, regio, bodemtype en type bedrijf. Er moet meer ervaring worden opgedaan wat hogere waterstanden betekent voor de gewasopbrengst en de algehele bedrijfsvoering (gebruik machines, onderhoud en beheer drainage etc.). Een onderzoek van RLI naar vernatting in het Groene Hart laat de volgende kosten zien voor de agrariër. Kosten bedrijfsvoering agrariër bij peilopzet Peilopzet
Kosten per hectare
Van -1 meter naar -80 cm
Geen extra kosten
Van -80 naar -60 cm
€ 87
Van -60 naar -40 cm
€ 312
Van -40 naar -20 cm
€ 470
Daarnaast liggen er bijkomende kosten op het gebied van proceskosten, monitoringskosten (o.a. onderhoud en beheer). Dit soort kosten gelden voor alle maatregelen. Ten slotte zijn er grote kosten ten behoeve van het waterbeheer. Dit hangt af van in welke mate er vernat zal worden en de huidige inrichting van het systeem per gebied, maar verwacht wordt dat er aanpassingen zullen moeten worden gemaakt in het watersysteem.
60
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
Bijlage 6 Beeldverslagen gebiedsdagen NWO
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
61