2. Concept-Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel;
Tekst van het document
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel Overijssels programma landelijk gebied
PPLG gebiedsteam NWO i.s.m Programmateam
Vierde concept, versie 25 april 2023
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
1
Colofon
Datum 25 april Auteur gebiedsteam NWO i.s.m Programmateam
Adresgegevens Provincie Overijssel Luttenbergstraat 2 Postbus 10078 8000 GB Zwolle Telefoon 038 499 88 99 www.overijssel.nl postbus@overijssel.nl
Inhoudsopgave
1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4.
Inleiding Aanleiding PPLG staat voor een 3 x 3 aanpak Samenwerking in Noordwest Overijssel Leeswijzer
4 5 6 6 8
2. 2.1. 2.2.
Uitwerking doelen PPLG Inleiding Het realiseren van natuurherstel, een robuust watersysteem en minder emissies van broeikasgassen 2.2.1 Schoon water 2.2.2 Waterkwantiteit 2.2.3 Veenweide 2.2.4 Natuurherstel 2.2.5 Stikstof Het behoud en de versterking van de sociaaleconomische kwaliteit van het platteland Het realiseren van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw
9 9 10 10 12 15 20 21
3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5.
Realisatiestrategie Inleiding Visie op de realisatie Rollen en verantwoordelijkheden Communicatie Lopende gebiedsprocessen en initiatieven 3.5.1 Baarlingerpolder 3.5.3 Boeren Blokzijl 3.5.3 Pilot Veldiger Binnenlanden 3.5.4 Coöperatief plan Staphorst 3.5.5 Overige initiatieven en activiteiten
30 30 30 38 39 40 41 41 43 43 43
4. 4.1. 4.2. 4.3.
Aanpak Inleiding Fasering van de uitvoering Kennisontwikkeling
45 45 45 46
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4.
Middelen Inleiding Instrumenten Financiën en effecten Uitvoeringsorganisatie
49 49 49 49 49
6.
Jaarplan 2023-2024
51
2.3. 2.4.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
23 26
3
1.
Inleiding
Voor u ligt het concept Gebiedsprogramma voor Noordwest Overijssel (Gebiedsprogramma NWO). Het is een eerste doorvertaling van het ontwerp Provinciaal Programma Landelijk Gebied Overijssel (ontwerp-PPLG Overijssel) voor Noordwest Overijssel (NWO). Dit concept Gebiedsprogramma is opgesteld door het Gebiedsteam Noordwest Overijssel, met input van de gebiedspartners van NWO. In het Gebiedsprogramma NWO geven wij aan hoe wij in NWO invulling geven aan de realisatie van de 3 doelen van het PPLG Overijssel: 1. Het realiseren van natuurherstel, een robuust watersysteem en minder emissies van broeikasgassen. Dit zijn de doelen voor natuur, water en klimaat uit het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Deze wettelijke doelen volgen uit (inter)nationale verplichtingen als de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). 2. Het behoud en de versterking van de sociaaleconomische kwaliteit van het platteland; 3. Het realiseren van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw Het realiseren van natuurherstel, een robuust watersysteem en minder emissies van broeikasgassen valt of staat met het behoud van de sociaaleconomische kwaliteit van het platteland en het bieden van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw. De drie doelen zijn onlosmakelijk verbonden (zie ook hieronder: de 3x3 aanpak).
Dit gebiedsprogramma is mede gebaseerd op de reeds eerder voor NWO opgestelde conceptStartdocument, Gebiedsanalyse en de Gebiedsagenda. Daarnaast is tijdens gebiedsdagen en ambtelijke en bestuurlijke tafels input opgehaald (zie de beeldverslagen van de gebiedsdagen in de bijlage). Ook zijn concepten van dit gebiedsprogramma aan deze tafels besproken. Status Het concept Gebiedsprogramma NWO is een tussenproduct. Een deel van de randvoorwaarden (zoals het Landbouwakkoord) en Rijksopgaven kennen we nog niet. Wel geeft het Gebiedsprogramma inzicht in de gebiedspecifieke opgaven en op welke manier we hieraan willen werken. Het concept gebiedsprogramma NWO is een eerste doorvertaling van het ontwerp-PPLG en de basis hoe we de transitie van het platteland in dit gebied willen aanpakken. Het nu voorliggende concept Gebiedsprogramma zal ter kennisname aan Provinciale Staten en het Rijk worden voorgelegd. In de periode tot eind van het jaar blijven we als gebiedspartners volop doorwerken aan de definitieve versie van het Gebiedsprogramma. Nationaal Programma Landelijk Gebied en Provinciaal Programma Landelijk Gebied Het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) biedt kaders die de provincies gebruiken om het Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG) op te stellen.
Het ontwerp-PPLG voor Overijssel is uitgewerkt in een algemeen deel en zes gebieden, die samen de hele provincie beslaan: Noordwest-Overijssel, Salland, Vechtdal, West-Twente, Noordoost-Twente en Zuidoost-Twente. Naast het PPLG Overijssel werkt ieder gebied een Gebiedsprogramma uit.
Schematische samenhang NPLG – PPLG – GGA gebiedsprogramma’s
4
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
1.1. Aanleiding Noordwest Overijssel is een uniek gebied met en geheel eigen identiteit. Dat maakt het een prachtig gebied om te wonen, te werken en te recreëren. Door de sterke combinatie van laagveen met landbouw, rietteelt, dorpen en (hanze)steden trekt Noordwest Overijssel veel gasten uit binnen- en buitenland. De toeristische sector heeft een economisch en sociaal belang in NWO. Het gebied beslaat de gemeenten Kampen, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle. In het gebied ligt het grootste veenmoeras van Noordwest Europa. In het gebied liggen het Nationaal Landschap IJsseldelta en de Natura 2000 gebieden van Oldematen/Veerslootlanden, Wieden-Weerribben, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Zwarte Meer en de IJssel uiterwaarden. Noordwest Overijssel kenmerkt zich door de aanwezigheid van dorpen, diverse grotere kernen en de stad Zwolle. Tussen de kernen, de stad en het buitengebied ontstaat steeds meer een wisselwerking. Stad en land leken soms twee aparte werelden. Hier is steeds minder sprake van. In het buitengebied wekken we tegenwoordig onze duurzame energie op, vinden er ruimte om water af te voeren voor droge voeten in de stad als gevolg van klimaatverandering en recreëren er alsof het een lieve lust is. Dit naast de meer traditionele functies die het buitengebied heeft als plek voor natuur, landschap en agrarisch ondernemen.
Bewoners van stad en land maken gebruik van elkaars ‘voorzieningen’. De één winkelt in het centrum van dorp, kern of stad, de ander fietst door een fraai landschap in het landelijk gebied. Door toenemende verstedelijking in de stad en het ontstaan van een meer multifunctioneel buitengebied is het noodzakelijk die gebieden ook in samenhang te bekijken en in relatie tot het Daily Urban System1. Welke keuzes gaan we maken met het besef dat niet alles overal kan? Dat in samenhang bekijken doen we in het proces om te komen tot een Nieuwe Omgevingsvisie voor Overijssel. In stappen werken we, parallel aan het PPLG toe naar een Nieuwe Omgevingsvisie die de kaders biedt voor uitvoeringsprogramma’s zoals het PPLG en Regionale Energie Strategieën. Daarnaast hebben gebiedspartners ook Omgevingsvisies of plannen voor het buitengebied of werken in regionaal niveau aan plannen zoals de verstedelijksstrategie regio Zwolle. Noordwest Overijssel is uniek in kwaliteiten maar ook uniek in opgaven: de natuur moet worden hersteld, de broeikasgassen teruggedrongen, de bodemdaling tegengegaan, het watersysteem robuuster gemaakt waarbij de landbouw omvormt van voornamelijk gespecialiseerde, hoogproductieve voedselproductie naar het in samenhang produceren van duurzaam en gezond voedsel, het leveren van bodem- en waterbeheer en natuurdiensten en productie van bio-based grondstoffen.
Op de website van de provincie Overijssel is een data hub beschikbaar gesteld waar veel informatie over Noordwest Overijssel terug te vinden is. Zie GGAHUB_stikstof (arcgis.com). Figuur: Kaart Noordwest Overijssel. Met groen is de situering van de Natura2000-gebieden aangegeven. Bron: Atlas van Overijssel (https://geo.overijssel.nl/viewer/app/master/v1) 1 Daily Urban System (DUS): dit zijn grotere en kleinere steden en dorpen waar dagelijks gewoond, gewerkt en geleefd wordt, die liggen in regio’s die elkaar aanvullen en versterken)
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
5
1.2. PPLG staat voor een 3 x 3 aanpak De afgelopen periode wordt gekenmerkt door grote onzekerheid en veel vragen die leven op agrarische erven. De provincie Overijssel kiest ervoor om te werken aan de landelijke doelen maar wel op een zodanige manier dat draagvlak, de leefbaarheid op het platteland en perspectief voor agrarische ondernemers centraal staan. Dat noemen we de 3 x 3 aanpak. (zie onderstaand figuur).
Figuur : 3x3 aanpak
1.3. Samenwerking in Noordwest Overijssel Samenwerking met gebiedspartners vanaf 2018 In september 2022 is de provincie Overijssel gestart met het Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG). In Noordwest Overijssel werken gebiedspartners al langer samen in een gebiedsproces. Voor het starten van dit gebiedsproces zijn er meerdere aanleidingen, zoals de aankondigingen van een lange termijnvisie Veenweide in het waterbeheerplan van WDODelta en in de Omgevingsvisie Overijssel (beide 2016). Ook in het kader van Samen Werkt Beter is afgesproken (2016) dat het waterschap een Veenweidevisie opstelt. Dat werd van nog groter belang toen de peilbesluiten herzien moesten worden. Het belang van een integrale benadering van de bodemdaling maakte dat het waterschap, samen met de provincie, een verkenning liet uitvoeren naar de bodemdaling in Noordwest Overijssel. In 2018/2019 ontstond op landelijk niveau het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP-VP) en het Klimaatakkoord. Met het IBP-VP startte een ambtelijk en bestuurlijk platform voor een gebiedsplan dat zich op een Vitaal Platteland in Noordwest Overijssel richt, dus met een bredere scoop dan alleen bodemdaling. In het Klimaatakkoord is vervolgens de opdracht verwoord om per veenweidegebied een strategie (een Regionale Veenweidestrategie) op te stellen.
Waar het IBP is gericht op samenwerking tussen de vier overheidslagen, gaat het Klimaatakkoord uit van een gebiedsproces waarbij ook maatschappelijke partijen zijn betrokken. Provinciale Staten van Overijssel hebben in oktober 2020 de doelstellingen en werkwijze van de stikstofaanpak vastgesteld. Er wordt gewerkt in zes gebieden, waarvan Noordwest Overijssel er één is. Om een aantal gebiedsprocessen, dat inhoudelijk ook nog sterk verbonden is (veenweidestrategie en GGA stikstof), in hetzelfde gebied naast elkaar te laten lopen, vinden de overheidsbestuurders geen goed idee. Besloten is dat in één gebiedsproces,
6
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
nu geheten Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel, op te pakken en verder te ontwikkelen. Regiegroep, Programmateam en drie Deelgebiedscommissies Binnen de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel werken de gebiedspartners op verschillen niveaus samen. Voor Noordwest Overijssel als geheel aan de bestuurlijke gebiedstafel (Regiegroep) en aan de ambtelijke gebiedstafel (Programmateam). Daarnaast in drie deelgebiedcommissies. Deze deelgebiedcommissies zijn georganiseerd rondom de drie grote veengebieden in NWO: Wieden Weerribben, Staphorsterveld en Polder Mastenbroek/ Kamperveen. De Regiegroep (bestuurlijk) en de Deelgebiedscommissies (met lokale vertegenwoordiging van stakeholders) werken samen aan het Toekomstperspectief voor de middellange (2030) en de lange (2050) termijn. Daarbij is de inbreng van de Regiegroep vooral strategisch en vanuit de beleidskant en die van de Deelgebiedscommissies vooral operationeel, vanuit de praktijk en gericht op draagvlak. De volgende stappen zijn de afgelopen periode gezet: • Uitgangspunten voor de gebiedsgerichte aanpak In januari 2021 hebben de Colleges van B&W van de gemeenten Steenwijkerland, Staphorst, Zwartewaterland en Kampen en van Gedeputeerde Staten en het DB van waterschap Drents Overijsselse Delta de Uitgangspunten voor de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel vastgesteld en hun algemene besturen (raden.
Staten en AB) hiervan in kennis gesteld (2020/0318469). In de Uitgangspunten staat dat overheden en maatschappelijke partners werken aan een integraal Toekomstperspectief voor een leefbaar en vitaal platteland, dat economisch, ecologisch, milieutechnisch en waterhuishoudkundig duurzaam is en goed is om te wonen, werken en recreëren. • Gebiedsdata en gebiedsanalyse Per GGA-gebied zijn de gebiedsdata in kaart gebracht. Het resultaat is een brede verzameling gedetailleerde statistische gegevens afkomstig uit openbare bronnen van RIVM, BIJ12, CBS, PBL, aangevuld met gegevens die bij de provincie bekend zijn en van partijen uit de GGAgebieden. De data zijn bij elkaar gebracht in een digitale tool, te raadplegen via https://ggahub-stikstof-overijssel.hub.arcgis.com/. De gebiedsdata zijn niet statisch, maar voortdurend in ontwikkeling. Zodra nieuwe data beschikbaar komen, worden deze verwerkt. De in de Uitgangspunten benoemde opgaven, zijn uitgewerkt in de Gebiedsanalyse die in 2021 is uitgevoerd. Zie deze link voor de Gebiedsanalyse Noordwest Overijssel.
https://overijssel.notubiz.nl/document/10977404/1/Stand van zaken en vooruitblik aanpak stikstof). Hierin zijn opgaven en (beleids-)wensen geïnventariseerd uit de verschillende beleidsvelden, zijn verbanden gelegd tussen de verschillende thema's, hebben we Rode Draden uitgewerkt en zijn er conclusies getrokken over de thematiek die voor het komen tot een Gebiedsagenda en Toekomstperspectief van belang zijn. De Gebiedsanalyse is een gezamenlijk product van de Regiegroep Noordwest Overijssel, de Deelgebiedscommissies en het Programmateam. Uit de Gebiedsanalyse volgen de opgaven voor Noordwest Overijssel. De hoofdopgaven van de Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel zijn het tegengaan van bodemdaling en de reductie van broeikasgassen (veenweide) en de reductie van stikstofuitstoot. • Concept Startdocument (tevens Regionale Veenweidestrategie 1.0 (februari 2022). De Gebiedsanalyse is verder ontwikkeld naar een concept-Startdocument. Zie deze link voor het concept Startdocument en Investeringsvoorstel Statenvoorstel+investeringsvoorstel+Gebiedsgerichte+aanpak+Noordwest+Overijssel (notubiz.nl). Het Startdocument is het vertrekpunt voor het gebiedsproces in Noordwest Overijssel, dat zal leiden naar een Toekomstperspectief met een uitvoeringsstrategie voor het gebied. Zowel de opgaven (het wat) als het proces (het hoe) staan erin beschreven.
Alle 19 partners in dit gebiedsproces, vertegenwoordigd in de Regiegroep Noordwest Overijssel, bespreken dit concept-Startdocument in hun besturen. Het Startdocument, met als bijlage de
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
7
Verkenning bodemdaling veenweidegebieden in Overijssel, is tevens de Overijsselse invulling van de Regionale Veenweidestrategie 1.0. Het Toekomstperspectief voor Noordwest Overijssel zal in 2023 de basis zijn voor de Regionale veenweidestrategie 2.0. • Concept gebiedsagenda stikstof (2022). De gebiedsanalyse is uitgewerkt tot een concept Gebiedsagenda stikstof met een eerste verkenning van kansrijke maatregelen, effecten en kosten gericht op stikstofreductie. Deze is als concept besproken in de Regiegroep NWO en vormt input voor het voorliggende PPLG. Participatie in 3 Gebiedsdagen in eerste helft 2023 De uitwerking van en participatie in het PPLG hebben we in het eerste kwartaal van 2023 vormgegeven, samen met onze gebiedspartners, door het organiseren van 3 gebiedsdagen en daaropvolgende gesprekken in de Regiegroep (RNWO). Tijdens deze gebiedsdagen en in de RNWO hebben we input opgehaald voor zowel de Omgevingsvisie als het PPLG. Een beeldverslag is opgenomen in de bijlage.
1.4. Leeswijzer In hoofdstuk twee worden de doelen van het PPLG en de opgave voor noordwest Overijssel uitgewerkt. Hoofdstuk 3 gaat in op de realisatiestrategie en hoofdstuk 4 gaat in op de aanpak voor de korte termijn, de middellange termijn en de lange termijn. In hoofdstuk 5 komen de middelen aan bod en in hoofdstuk 6 wordt het jaarplan beschreven.
8
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
2.
Uitwerking doelen PPLG
2.1. Inleiding Voor de uitvoering van het PPLG werken we aan drie doelen: 1. Het realiseren van natuurherstel, een robuust watersysteem en minder emissies van broeikasgassen; 2. Het behoud en de versterking van de sociaaleconomische kwaliteit van het platteland; 3. Het realiseren van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw. Deze doelen werken we in de achtereenvolgende paragrafen uit voor Noordwest Overijssel. Dit doen we mede in het licht van de ‘Rode Draden’ die Gebiedspartners voor NWO hebben benoemd. Rode Draden In 2021 is voor Noordwest Overijssel een Gebiedsanalyse uitgevoerd. De Gebiedsanalyse is een gezamenlijk product van de Regiegroep Noordwest Overijssel, de Deelgebiedscommissies en het Programmateam. Hierin hebben we 7 belangrijke thema’s benoemd: landbouw, veenweide/bodemdaling, natuur, stikstof, water en overig ruimtegebruik. Uit de analyse van kansen en knelpunten, zijn de ‘Rode Draden’ gedestilleerd. Deze ‘Rode Draden’ worden in NWO herkend en erkend. Inhoudelijke rode draden (uit de Gebiedsanalyse) zijn (op willekeurige volgorde, zoals vermeld in de Gebiedsanalyse): 1. Aanpak stikstof- en veenweide-/bodemdalingsproblematiek logische twee-eenheid in Noordwest-Overijssel. De uitdaging is samen plannen te maken met dalende emissies en broeikasgasssen en het tegengaan van bodemdaling gericht op de toekomst. 2.
Naar een robuust watersysteem waarin gebruik en peil in balans zijn en maatwerk mogelijk is. Klimaatverandering maakt een robuust watersysteem noodzakelijk en we moeten op zoek naar een nieuw optimum waarbij gebruik en peil in balans zijn. 3. Bronmaatregelen zorgen voor reductie van stikstofemissie en robuustere natuur. Voor (deelgebieden in) Noordwest Overijssel is het de vraag hoe we de landelijke en lokale bronmaatregelen op de juiste wijze in kunnen zetten. 4. Versterken weidevogelgebieden biedt veel kansen. Weidevogels zijn indicatoren van het systeem (vernatting, passend beheer (maaien en bemesten), biodiversiteit). Het versterken van omstandigheden voor weidevogels biedt (koppel)kansen. 5. Samenwerking tussen natuur en landbouw levert voor allebei wat op. Agrariërs en natuurorganisaties werken lokaal samen om doelen te realiseren. In de gepolariseerde beeldvorming goede voorbeelden van hoe het óók kan. Natuurbeheerders en agrariërs kunnen van elkaar leren. 6. Verdienmodellen uit maatschappelijke diensten zijn voor duurzame landbouw van essentieel belang. Een betere vergoeding uit maatschappelijke diensten en het realiseren van maatschappelijke opgaven kan een belangrijke rol spelen voor de toekomst van de duurzame landbouw. 7. Spreiding recreatie en toerisme van belang voor leefbaarheid en sector zelf.
Noordwest Overijssel is aantrekkelijk voor recreanten en toeristen, maar de drukte op en naar de twee concentratiegebieden is groot. Dat is niet aantrekkelijk voor de toeristen/recreanten noch voor de bewoners (leefbaarheid). Daarom wordt ingezet op spreiding door het jaar heen en fysiek door het aantrekkelijk maken van toeristische hotspots: de poorten aan de randen van de Wieden-Weerribben.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
9
2.2. Het realiseren van natuurherstel, een robuust watersysteem en minder emissies van broeikasgassen Inleiding In deze paragraaf werken we de opgaven natuur- water- en klimaat voor NWO uit (hierna groen/blauwe opgaven). We beschrijven wat dit betekent voor Noordwest Overijssel. Achtereenvolgens komen de thema’s water, klimaat (incl veenweide), natuurherstel en stikstof aan bod. Per thema beschrijven we: • Wat is het knelpunt? • Wat is de opgave? • Wat zijn koppelkansen? • Wat zijn mogelijke maatregelen? Ruimtebeslag groen/blauwe opgaven Het totale gebied is 82629 ha groot en onderverdeeld in 10776 ha stedelijk en 71853 ha landelijk (natuur en landbouw). In onderstaande tabel is het areaal van de groen/blauwe opgaven opgenomen. Het gaat hier om opgaven die een ruimtebeslag hebben en niet over de opgaven waarbij er sprake is van reductie van de emissies van stikstof, lachgas en methaan. Hieruit blijkt dat in ruim 60 % van NWO verschillende groen/blauwe opgave samenkomen.
Thema opgave termijn Areaal • Natura 2000-gebieden met instandhoudings-doelen: voor maatregelen zie Beheerplannen/ Gebiedsanalyses (inclusief uitbreiding NNN in uitwerkingsgebieden) Zoekgebied • maatregelen Kader Richtlijn Water (waterkwaliteit) opgave oppervlakte- en grondwater: maatregelen bepalen in gebiedsproces Overgangsgebieden***: • zoekgebied natuurinclusieve landbouw met leefgebied VHR soorten (zoals weidevogels) in boerenland i.c.m. vermindering stikstofemissie Veenweide • opgave
12.981ha
Uitbreiding • bos /bossenstrategie (indicatieve meekoppelopgave) Overlap • van gebieden onder 2-5
200 ha
Groen • blauwe dooradering
10% van de prioritaire gebieden* 62 %
Areaal • uitwerkingsgebieden natuurinclusieve landbouw in combinatie met water, natuur en klimaat opgaven als percentage van landbouwareaal (areaal met meervoudige opgave) ** Programmatische • Aanpak Grote Wateren IJsselvechtdelta
15 ha
2027
11.823 ha
19.000 ha
6376 ha
2050
*Prioritaire gebieden i.k.v. NPLG zijn de veenweidegebieden, de beekdalen en de overgangsgebieden. ** hieronder valt ook de opgave voor weidevogels. Zie ook aanvalsplan Grutto. ***Overgangszone / overgangsgebied. Komt uit Startnotitie NPLG voor gebieden waar doelen niet met sectoraal beleid gehaald kunnen worden. Hulpmiddel in de ruimtelijke ordening.
10
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
2.2.1 Schoon water Voor het PPLG Noordwest Overijssel komen de meest dwingende wateropgaven voort uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Een korte uitleg hieronder: De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel de chemische en ecologische waterkwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in Europa structureel te verbeteren. De KRW kent hiervoor meerdere planperioden van 6 jaar waarin maatregelen moeten worden genomen die leiden tot het behalen van de doelen. De derde planperiode eindigt eind 2027 en dat is het moment waarop de doelen bereikt moeten zijn. De KRW stopt daarna niet, en loopt dus door na 2027 (t.b.v. vasthouden van de doelen). De doelstellingen en maatregelpakketten en de daarbij behorende KRW-factsheets zijn vastgelegd in het Stroomgebiedsbeheerplan (voor ons: SGBP Rijn). Dit plan is opgebouwd uit de plannen van de rijksoverheid (Nationaal Waterprogramma en Beheerprogramma Rijkswateren), provincie (Regionaal Waterprogramma) en waterschap (Waterbeheer Programma). De uitvoering van de maatregelen en daarmee het behalen van de doelen zijn een wettelijke resultaatsverplichting. Tevens geldt er een rapportageplicht (3-jaarlijks). De rijksoverheid is verantwoordelijk voor de coördinatie, rapportage naar Brussel en het nemen van generieke maatregelen.
De provincies stellen formeel de ecologische doelen vast (chemische doelen zijn voor het grootste deel voorgeschreven op Europees en deels nationaal niveau) en zijn verantwoordelijk voor de grondwaterkwaliteit- en kwantiteitsdoelen. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor inrichtingsmaatregelen in het oppervlaktewatersysteem, emissiereductie op rwzi’s, vergunningverlening en handhaving van puntlozingen en de monitoring van de oppervlaktewaterkwaliteit. Het terugdringen van diffuse lozingen zijn de verantwoordelijkheid van de sectoren waar dit speelt en/of generieke regelgeving vanuit de rijksoverheid (o.a. productenbeleid, mestbeleid en -wetgeving, gewasbeschermingbeleid– en regelgeving). Een selectie van een aantal watersysteem gerelateerde opgaven en uitdagingen relevant voor het PPLG komen aan bod in deze paragraaf. Voor uitgebreidere informatie verwijzen wij u naar het Waterbeheerprogramma van het waterschap welke beschikbaar is via www.wdodelta.nl/waterbeheerprogramma. Knelpunten In het gebied NWO zijn de overschrijdingen van fosfaat en stikstof beperkt. De concentraties bevinden zich net iets boven of onder de norm voor de Kader Richtlijn Water (KRW). Voor ammonium wordt in polder Mastenbroek, Staphorsterveld en de Goot/Ganzendiep een grotere overschrijding geconstateerd. De oorzaak is niet geheel duidelijk. De ecologie is in meerdere wateren nog niet op orde.
Deels komt dat doordat het herstel van de flora en fauna tijd nodig heeft en omdat de inrichting en (peil)beheer nog niet op orde zijn deels door een (na-ijlende) nutriëntenlevering. Vanuit de KRW gezien is de situatie gunstig maar is enige verdere daling van de nutriënten gewenst om op termijn een stabiele gunstige situatie te krijgen. Door de maatregelen vanuit de Rijksoverheid (mestvrije zones langs watergangen en de verlaging van de mestgift) en de extensivering van de landbouw die volgt vanuit dit generieke beleid zal deze gewenste daling naar verwachting vanzelf plaatvinden en zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Van belang is wel dat de maatregelen doorgang vinden en dat er geen grootschalige verschuiving plaats vindt van grasland naar akkerbouw gecombineerd met bestrijdingsmiddelen (met negatief effect op de waterkwaliteit) en verlaging van het waterpeil. Als gevolg van vernatting van veenbodems is er kans op tijdelijke achteruitgang van de waterkwaliteit. Opgave/ maatregelen De KRW-maatregelen zijn onder te verdelen in inrichtingsopgaven (vistrappen, natuurlijke oevers e.d.) en opgaven die de chemische kwaliteit van grond- en oppervlaktewater verbeteren (beperken emissies). In het gebied zijn er nog waterlichamen waar herinrichting moet plaatsvinden in het kader van de KRW; Goot/ganzendiep en Dedemsvaart. Voor het
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
11
waterlichaam Goot/Ganzendiep is hiervoor nog grond grenzend aan het waterlichaam noodzakelijk. Nadere invulling moet nog plaatsvinden maar er moet rekening gehouden worden met circa 10ha benodigde grond. Voor de herinrichting van het waterlichaam de Dedemsvaart zijn kansen in combinatie met de renovatie van de N377 en dient rekening te worden gehouden met circa 5ha benodigde grond. Het KRW-waterlichaam Vecht heeft een opgave voor de KRW; 5,4 km ontstenen van oevers en 25 ha natuurlijk inrichten van uiterwaarden. Geografische valt deze opgave deels in Noordwest-Overijssel en deels in Vechtdal. In 2023 zal bepaald worden waar de KRW-opgave ingevuld gaat worden. Het is te verwachten dat van deze KRW-opgave slechts voor een klein deel in NWO komt te liggen. Overige waterkwaliteitsaspecten Alhoewel de fosfaatconcentraties in de boezem voldoen aan de KRW-eisen zijn deze toch te hoog voor de Natura2000 natuurdoeltypen. Hiervoor moeten de concentraties verder naar beneden worden gebracht. Er wordt onderzoek gedaan naar het zuiveren van inlaatwater rondom de landbouwpolders. Dit vindt plaats in het kader van de Natura2000 beheerplannen. Mogelijk komt hiervoor nog een claim van enkele tientallen ha voor de aanleg van helofytenfilters. Waar deze helofytenfilters komen is nog niet bekend. Mogelijk lenen zich deze helofytenfilters zich ook voor meervoudige doelstelling.
Naast nutriënten en ecologie stelt de KRW ook eisen aan bestrijdingsmiddelen en zware metalen. In het PPLG zullen de opgaven die hieruit voorvloeien voor het landelijk gebied en de landbouwsector verder geconcretiseerd worden. En zal bepaald worden of en welke gebiedsgerichte maatregelen (naast generiek landelijk beleid) nodig zijn om de waterkwaliteitsdoelen te bereiken in 2027. Koppelkansen De aanpak van de schoon water gerelateerde opgaven kent een aantal gekoppelde opgaven: • Extensivering van de landbouw als gevolg van generiek beleid (mestbeleid/ derogatie eraf) • Minder bemesting/minder uitspoeling van nutriënten • Behoud/ vergroting beschikbaarheid van zoet water • Hogere peilen en aanpassingen systeem kunnen maaivelddaling beperken en bijdragen aan behoud veen. NB Een risico van vernatting van veengebieden is dat dit de eerste jaren leidt tot meer uitspoeling van nutriënten naar het oppervlaktewater.
2.2.2 Waterkwantiteit De klimaatontwikkeling (zowel extreem natter als droger) vraagt om maatregelen in het watersysteem. Uitgebreide informatie staat in het Waterbeheerprogramma van het waterschap (www.wdodelta.nl/waterbeheerprogramma). Knelpunten Klimaatverandering De belangrijkste min of meer autonome ontwikkelingen met gevolgen voor het watersysteem in NWO zijn klimaatverandering en maaivelddaling. Klimaatverandering heeft gevolgen voor het watersysteem en het beheer ervan. Meer neerslag in de winter en drogere zomers, als ook de zomerse extreme piekbuien betekent dat het watersysteem kwetsbaarder wordt en het beheer ervan op het scherpst van de snede moet. In droge perioden en bij (dreigende) lage grondwaterstanden, streeft het waterschap met het (peil)beheer naar het maximum oppervlaktewaterpeil. In de hoger gelegen gebieden zonder wateraanvoer betekent dit dat we zoveel mogelijk water vasthouden en daarbij het maximum peil hanteren. In de lagergelegen gebieden is doorgaans wateraanvoer mogelijk. Samen met maatregelen voor het vasthouden van water in lagergelegen gebieden en deze wateraanvoer, hanteert het waterschap hier zo lang mogelijk het maximum peil. Dit kan met flexibel
12
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
peilbeheer. Daarnaast dient spaarzaam omgegaan te worden met het beschikbare water. In geval van een (regionaal) watertekort zal het beschikbare water zo goed mogelijk worden verdeeld.
Maaivelddaling/veenweide Door maaivelddaling ontstaan functie-conflicten. Rekening houdende met alle functies, de plaats in het watersysteem en de verschillende (water)opgaven is functiebediening niet altijd mogelijk. In gebieden met veen geldt dat door de drooglegging het veen oxideert waardoor de bodem daalt. Deze veenoxidatie zorgt o.a. voor maaivelddaling, het verdwijnen van veen en CO2uitstoot. Dit betekent voor het waterbeheer dat het steeds complexer en duurder wordt en in de huidige vorm op termijn mogelijk onhoudbaar is. Het waterschap richt zich op beperking van de maaivelddaling, een duurzaam beheer van het veenweidegebied en een bijdrage aan de landelijke klimaatdoelstelling voor het veenweidegebied. Ondersteunend hierbij is flexibel peilbeheer. Toekomstbestendig (Water en Bodem Sturend) De brief Water en Bodem Sturen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat2 bevat 33 richtinggevende keuzes vanuit het water- en bodemsysteem voor een aantal thema’s met het oog op toekomstbestendigheid: water en bodem (voldoende en schoon water, ruimte voor water), veenweide, verziltende kustgebieden, hoge zandgronden en bebouwd gebied.
Daarbij gaat het bijvoorbeeld om verhoging van het waterpeil in veenweidegebieden om CO2-uitstoot en bodemdaling tegen te gaan, verhoging van het grondwaterpeil in zandgebieden om verdroging tegen te gaan, ruimtelijk reserveren van 5-10% diepste polders voor waterberging en een richtinggevend kader voor bouwlocaties vanuit het water- en bodemsysteem. Met ruimtelijke inrichtingen geredeneerd vanuit de geschiktheid van de bodem moeten er keuzes worden gemaakt om nieuwe functies op de juiste plaats in te vullen. Opgave Klimaatverandering Het is nodig om te blijven investeren in maatregelen om de waterbeschikbaarheid in het watersysteem te vergroten. Daarbij zoekt het waterschap uitdrukkelijk naar maatregelen om het water langer vast te houden of te bergen. Maaivelddaling/veenweide Het behoud van veen en het beperken van de maaivelddaling door klink en oxidatie van veen is in Noordwest Overijssel een belangrijk aandachtspunt bij het peilbeheer. Het is niet waarschijnlijk dat alle functies in het hele beheergebied kunnen worden bediend met de voor die functies gewenste peilen. Water en Bodem Sturend Met het uitgangspunt van Het waterschap vindt de toepassing van de principes van Water en Bodem Sturend bij ruimtelijke ontwikkelingen zeer waardevol. Met name het niet afwentelen van problemen in ruimte, tijd of van privaat naar publiek.
De uitwerking van Water en Bodem Sturend naar de praktijk is nog volop in ontwikkeling binnen het waterschap. Drinkwater De drinkwatervoorziening staat onder druk als gevolg van droge zomers en een grotere vraag naar drinkwater. Vraag en aanbod zullen weer in evenwicht gebracht moeten worden. Stuurknoppen zijn de beïnvloeding van de vraagzijde en het op korte termijn realiseren van aanvullende wincapaciteit. Bovendien zal de kwaliteit bij bestaande winningen op orde 2
Brief I&W 25-11-2022 IENW/BSK-2022/283041
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
13
gebracht moeten worden. De opgave is om te zoeken naar toekomstbestendige winningen die ingepast worden in de PPLG-plannen en gebiedsontwikkelingen. In deze regio zijn een tweetal bestaande drinkwaterwinningen (Engelse Werk en Sint Jansklooster) en een reservering (Koppelerwaard) aanwezig. Gedacht kan worden aan vergroting van de wincapaciteit bij Sint-Jansklooster of bijvoorbeeld bijmenging van oppervlaktewater (om overschrijding van winvergunningen te voorkomen) of bijvoorbeeld nieuwe onttrekkingen in de IJsselvallei. Hierbij kan worden gezocht naar concepten die weinig gevolgen hebben voor het bodem- en watersysteem (zoals winning oppervlaktewater uit de IJssel) of concepten die als integraal onderdeel van het gebiedsproces worden ingepast waardoor nadelige gevolgen op functies kunnen worden voorkomen (combinaties met natuur of extensieve landbouw). Koppelkansen De aanpak van de water gerelateerde opgaven (klimaatverandering, maaivelddaling, veenweide, toekomstbestendig) kent een aantal gekoppelde opgaven: Extensivering landbouw • Kan in veenweidegebieden bijdragen aan klimaatadaptatie • Behoud/vergroting beschikbaarheid van zoet water • Hogere peilen en aanpassingen systeem kunnen maaivelddaling beperken en bijdragen aan behoud veen. NB Door het voeren van hogere peilen neemt de berging in het watersysteem af en verhoogt het risico op wateroverlast.
NB Een risico van vernatting van veengebieden is dat dit de eerste jaren leidt tot meer uitspoeling van nutriënten naar het oppervlaktewater. • Groenblauwe dooradering • Biedt ruimte voor opvang van extreem natte en droge omstandigheden, vasthouden/bergen water langs waterlopen, schaduw voor koeien, infiltratie langs diepe doorworteling, betere beschikbaarheid grondwater door diepe doorworteling, bemestingsvrije stroken, KRW-zones, bosstrategie en/of ecosysteemdiensten. Maatregelen Een aantal van de 33 richtinggevende keuzes in de brief Water en Bodem Sturend zijn specifiek van belang voor laagveengebieden en zijn hieronder beschreven. Nr. 25 Grondwaterstand 20 – 40 cm onder maaiveld. We bewegen (waar passend) toe naar een grondwaterstand van 20 cm tot 40 cm onder maaiveld, afhankelijk van de bodemcompositie, omstandigheden van het watersysteem en de behoeften van het gebied. Hiermee wordt bereikt dat bodemdaling wordt geminimaliseerd en uitstoot van broeikasgassen wordt gereduceerd. Dit wordt in NPLG gebiedsprocessen door alle betrokken partijen samen uitgewerkt. Nr. 26 Minder aanvoer gebiedsvreemd water. We minimaliseren de aanvoer van gebiedsvreemd water. De provincies en waterschappen maken in gebiedsprocessen ruimte voor het vasthouden en bergen van zoveel mogelijk gebiedseigen water.
Daardoor houden we zoveel mogelijk zoetwater beschikbaar voor peilopzet en tegengaan van verzilting. Met name in perioden van droogte zal externe aanvoer toch nodig blijven. Vanwege alle mogelijke vernattingsmaatregelen in de veenweidegebieden zal de vraag naar externe aanvoer toenemen. Juist in droge periodes neemt de veenoxidatie toe als de waterpeilen uitzakken. Nr. 27 Duurzaam beheer landbouwgronden en veengronden. We beheren onze landbouwgronden duurzaam. We voorkomen hiermee onomkeerbare oxidatie van veen en behouden ook voor de toekomst waardevolle landbouwgronden. We werken maatregelen voor beheer van landbouwgronden op het gebied van materieel,
14
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen etc. uit. Het Rijk vraagt provincies stevig in te zetten op het behoud van grasland.
2.2.3 Veenweide Knelpunten Het veenweidegebied is een gebied waar veel opgaven samen komen en waar een grote transitiedruk op het gebied staat vanuit overheidsdoelstellingen. Er liggen in de veenweiden uitdagingen op het gebied van broeikasgasuitstoot, bodemdaling en -kwaliteit, waterkwaliteit en op nabij liggende natuurgebieden en de biodiversiteit. Er heerst landschapspijn. Vitaliteit van kleine kernen staat onder druk en heeft baat bij een stevige landbouwstructuur.
De veengronden kennen een aantal knelpunten die naar verwachting verergeren als gevolg van klimaatverandering. Het veenweidegebied in NWO bestaat uit organische gronden, die volledig of gedeeltelijk uit veen bestaan. Door daling van het grondwater staat dat veen meer bloot aan lucht en oxideert de grond. Bij deze verbranding komen broeikasgassen vrij zoals koolstofdioxide (CO2) maar ook lachgas (N2O) en soms methaan (CH4). Deze broeikasgassen komen in de atmosfeer en dragen bij aan het opwarmen van het klimaat. Hierdoor daalt ook de bodem. Voor de huidige gebruiksfuncties verlagen we kunstmatig de (grond)waterstand. Dit leidt tot bodemdaling waardoor opnieuw verlaging van het waterpeil nodig is (peil volgt functie). Dit proces van waterpeilverlaging, gevolgd door bodemdaling, is al eeuwen bezig. Het doorbreken van deze vicieuze cirkel is een probleem. De bodemdaling verschilt in de deelgebieden, maar wordt momenteel ingeschat op gemiddeld ca. 0,5-1,0 cm per jaar. Toelichtend: Ongeveer 3-4 % van de totale CO2 -eq. uitstoot komt uit de veenweidegebieden, als gevolg van veenoxidatie. Veenoxidatie vindt plaats boven de grondwaterstand, waar zuurstof in de bodem dringt. Er komt daarbij het broeikasgas CO2 vrij. Door het verdwijnen van veen in de vorm van CO2 treedt ook bodemdaling op. Veenoxidatie is een complex proces waarin veel factoren een rol spelen.
Belangrijke factoren zijn de temperatuur, de zuurstofindringing en bodemvocht (bepaald door onder andere de grondwaterstand), de dikte van een eventueel kleidek en het type veen. In warme droge zomers is er sprake van meer veenoxidatie, meer CO2 en meer bodemdaling.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
15
Opgave In de Klimaatwet is vastgelegd dat in 2030 de uitstoot van broeikasgassen uit veenweidegebieden in Nederland moet zijn gereduceerd met 49% ten opzichte van 1990, en in 2050 met 95% 1Mton CO2-reductie in 2030. Hierin is een CO2-reductiedoel voor veenweidegebieden afgesproken van 1 megaton in 2030. Indicatief wordt aangehouden dat Noordwest Overijssel 10% moet bijdragen. Dit komt overeen met een reductieopgave van 100.000 ton CO2-eq per jaar. Ter vergelijking, in Noordwest Overijssel leidt oxidatie van veenweidegebied momenteel alleen al tot een uitstoot van ca. 200.000 tot 300.000 ton per jaar van het broeikasgas CO2 3. Hierbij zijn andere broeikasgassen niet in meegenomen. NB. Opgemerkt dient te worden dat het bovengenoemde alleen (de reductie van) broeikasgasemissie uit het veenweidegebied in Noordwest Overijssel betreft en niet uit (veenhoudende) Natura2000-gebieden in Noordwest Overijssel. Voor de veenweidegebieden wordt gestreefd naar vernatting tot een grondwaterstand van 20 tot 40 centimeter beneden maaiveld in de veenweidegebieden, zoals ook is meegegeven in de kamerbrief Water en bodem sturend van 28 november 2022. Hierop wordt gericht omdat deze grondwaterstand, volgens de huidige inzichten, zorgt voor een minimale uitstoot van emissies uit de veenbodem en daarbij een afremming van de bodemdaling. De opgave treft ca.
20.000 ha landbouwgrond in NWO, zo’n 10% van het totale landbouwareaal in Overijssel. Werken aan de opgave betekent niet dat overal evenveel vernatting nodig is. Dit is afhankelijk van bodemsamenstelling, omstandigheden watersysteem en behoeften van het gebied. In een aantal polders in NW Overijssel zijn de peilen al ingeregeld op 20 tot 40 cm beneden maaiveld. Ook is in delen van het gebied een kleilaag op de veengrond aanwezig, waardoor het veen ter plaatse minder snel oxideert. In die specifieke gebieden is de opgave beperkt mits er geen peilverlagingen doorgevoerd gaan worden. Belangrijk aandachtspunt bij vernatting is de toenemende vraag naar (gebiedseigen)zoetwater voor het behalen van de hogere peilen. Een ander belangrijk aandachtspunt is de afnemende waterbergingscapaciteit als gevolg van de hogere peilen. Door de geringe drooglegging kan aan de norm voor wateroverlast niet worden voldaan en bieden de klassieke oplossingen (vasthouden, bergen, afvoeren) waarschijnlijk onvoldoende perspectief. Nader onderzoek moet uitwijzen wat dit betekent voor Noordwest Overijssel. Koppelkansen De aanpak van veenweideproblematiek haakt in op de aanpak van een aantal andere opgaven in Noordwest Overijssel.
Een aantal belangrijke gekoppelde opgaven zijn: • de aanpak van de stikstofemissie; • de aanpak van droogte; • waterkwaliteit (KRW); • behoud natura2000 gebieden • weidevogelbeheer • de energietransitie;
Afgeleid uit de rapportages ‘Verkenning bodemdaling veenweidegebied Overijssel’, juni 2020 door Infram en ‘Notitie CO2-emissieberekeningen voor de provincie Overijssel’, juni 2022 door G. van Staveren, uitgaande van de berekeningsmethode van Infram. Er wordt gewerkt aan een landelijke berekeningsmethode SOMERS, die andere uitgangspunten hanteert, waardoor de berekeningsresultaten verschillen. 3
16
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
Een voorbeeld is dat het extensiever gebruik van de grond (lagere veebezetting per hectare) t.b.v. lagere stikstofuitstoot het mogelijk maakt om het grondwaterpeil plaatselijk te verhogen. Andersom biedt de aankoop van grond (incl. bedrijf) t.b.v. vernatting, mogelijkheden voor extensivering van omringende melkveebedrijven (qua veebezetting per hectare). Maatregelen en instrumenten Een belangrijke vraag die bij veel partijen leeft is welke maatregelen er op welk termijn getroffen worden in het veenweidegebied waar iemand woont, werkt of recreëert. Met name agrarische ondernemers willen een toekomstperspectief weten voor hun bedrijf. Het veenweidegebied in Noordwest Overijssel is complex en uniek. Hierdoor kan er niet simpelweg één ‘goedwerkende’ maatregel uitgerold worden over het gehele gebied. Uit opgedane kennis blijkt dat er veel maatwerk in de deelgebieden nodig is, doorgaans meer dan in andere veengebieden in Nederland. Dit komt voornamelijk doordat in Overijssel de gebieden plaatselijk sterk verschillen in eigenschappen van het bodem- en watersysteem. Wat in een bepaald deel van het veenweidegebied kan werken, werkt mogelijk in het andere gebied dus averechts. Om deze reden worden dan ook plaatselijk praktijk proeven (pilots) uitgevoerd, vaak in combinatie met een gebiedsproces (zie ook paragraaf 3.5 voor toelichting en uitgebreidere voorbeelden).
Een voorbeeld is het onderzoek naar onderwaterdrainage in veenweide in de omgeving van Rouveen. Uit deze proeven is o.a. gebleken dat deze maatregel, die in veenweidegebieden in west-Nederland wel goed werkt, lokaal in het veenweidegebied van Noordwest Overijssel niet goed of anders uitwerkt. Lokale verschillen in bodem, kwel en wegzijging vragen dus om verschillen in aanleg qua diepte afstand en type (met verzameldrain, of drukdrainage). Het dus belangrijk dat maatregelen goed worden onderzocht. Vanwege de diversiteit van de gebieden in noordwest Overijssel wordt er gekeken naar een breed maatregelenpakket. De veenweide opgave is groot, alle maatregelen worden daarbij onderzocht. Technische maatregelen en bodemmaatregelen kunnen ongewenste effecten hebben, daarom is ook nodig om deze effecten te onderzoeken en in beeld te brengen. Maatregelen t.b.v. de veenweideopgave die momenteel worden onderzocht op toepasbaarheid zijn: • technische maatregelen waarmee het grondwaterpeil gestuurd kan worden, zoals: o verhogen slootwaterpeil in combinatie met een onderwaterdrainagesysteem (passief waterinfiltratiesysteem) o Het aanbrengen van drukdrainagesysteem in het veenweideperceel (actief waterinfiltratiesysteem) o Slootafstand verkleinen en meer greppels aanleggen o Realiseren van hydrologische bufferzones.
• bodemmaatregelen, zoals: o Het inbrengen van klei in veenweidepercelen (klei in veen); o Het opbrengen van zandgrond of bezanden van veenweidepercelen (overlagen) o Het opbrengen van kleigrond op veenweidepercelen (klei op veen) o Het omkeren van het bodemprofiel van (dunne) veenbodems op zandgrond (profiel keren) Ook wordt gekeken naar instrumenten die gebruikt kunnen worden in de veenweideopgave. Deze instrumenten zijn gericht op aanpassing in beheer en bedrijfsvoering van agrarische bedrijven en terrein beherende organisaties. Instrumenten die beschouwd worden als instrumenten met potentie voor het gebied zijn: o Compensatie inkomsten uit agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) o Compensatie inkomsten uit weidevogelbeheer o Compensatie inkomsten uit stikstofgelden o Compensatie inkomsten uit Valuta voor Veen o Overstap naar andere landbouwvorm, zoals natte teelten
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
17
o o
Compensatie inkomsten uit energieopwekking (zonnepanelen of windmolens) Compensatie uit of volledig overstappen naar overige inkomstenbronnen, zoals recreatie, toerisme, horeca en dienstverlening
Niet elke maatregel is op grote schaal wenselijk en even goed toepasbaar in elk gebied. Om te komen tot de juiste maatregel in een gebied moet zoals eerder aangegeven worden samengewerkt met alle (lokale) partijen. Deelgebieden Noordwest Overijssel is voor de veenweideopgave ingedeeld in 3 deelgebieden: MastenbroekKamperveen, Wieden-Weerribben (en omgeving) en Staphorsterveld. Dit zijn dezelfde gebieden als in de gebiedsgerichte aanpak voor de stikstofopgave worden gebruikt. Het bodem- en watersysteem in de deelgebieden werkt verschillend. Ook binnen de gebieden zijn er lokaal verschillende subsystemen. Het is daarom van belang ook het plaatselijke bodem- en watersysteem te beschouwen bij het toepassen van een maatregel of een instrument. • Wieden-Weerribben en omgeving Binnen het deelgebied Wieden-Weerribben en omgeving is een grote diversiteit in bodem- en watersysteem. De Weerribben en Wieden zijn Natura2000 gebieden met veenmoeras gerelateerde natuurdoeltypen. Het waterpeil is er hoger dan de landbouwpolders die het natuurgebied omringen. Ten westen van de Wieden en Weerribben liggen landbouwpolders (veeteelt) tussen het natuurgebied en de Noordoostpolder in. Deze kenmerken zich door de aanwezigheid van een laag klei boven op het veen, die dikker wordt (tot circa 1 meter dik) in de richting van de oude zuiderzeedijk.
Door een peilverschil van 3 à 4 m met de dieper gelegen Noordoostpolder zijgt hier veel grondwater weg richting het westen, waardoor bodemdaling plaatsvindt. Ook treedt er wegzijging op naar andere lager gelegen polders rondom Scheerwolde. Meebewegen met het oppervlaktewaterpeil met de bodemdaling om te voldoen aan de voor landbouw gewenste drooglegging of om te voorkomen dat laagste gelegen percelen in de polder inunderen betekent een groter peilverschil tussen natuurgebied en landbouwpolders. De consequentie daarvan is dat er nog meer water wegzijgt uit het natuurgebied. De bodemdaling in de klei-op-veen-polders kan deels worden geremd met een dicht netwerk van onderwaterdrainage (afstand 4 meter). Wel vraagt dit om de aanvoer van meer water naar het gebied met een goede kwaliteit als deze maatregel grootschalig wordt ingezet. Op grote schaal is deze maatregel dus niet haalbaar. Ook gaat aan de randen van de polders de wegzijging te snel, waardoor de maatregel hier niet werkt niet. Langs de randen van het natuurgebied is het vanwege kwelwater juist wel voldoende nat en is de veenweideopgave lokaal kleiner. Een ander kenmerkend gebied bestaat uit de landbouwpolders ten oosten van de Weerribben, rondom Scheerwolde, en ten westen van Giethoorn. Veel van deze polders worden intensief gebruikt door agrarische bedrijven.
Het veen is hier op diverse plekken dun en mogelijk al verdwenen. Sommige van deze polders hebben een veel lager peil dan het peil in het natuurgebied (meer dan 2 m peilverschil). Dit leidt tot wegzijging van relatief veel water uit het natuurgebied en veel kwel in deze diepe polders. Doordat het veen in deze polders grotendeels is verdwenen en het overgebleven veen snel oxideert, is het de verwachting dat ten aanzien van de veenweideopgave er geen grootschalige maatregelen genomen hoeven worden: er moet relatief veel geïnvesteerd worden om het resterende veen te behouden in de polders. Verwacht wordt dat bodemdaling de komende decennia hier stabiliseert. Echter, om wegzijging uit het natuurgebied, en daarmee verdroging en bedreiging van natuurwaarden, tegen te gaan is het wel nodig om lokaal hydrologische bufferzones te realiseren. •
Kamperveen/ Mastenbroek
De Mastenbroekerpolder is een veenpolder tussen de IJssel, het Zwarte Water, IJsselmuiden/Kampen en het Kampereiland die vooral bestaat uit landbouwgronden. In het noordwesten bevindt zich de Koekoekspolder, die veel lager ligt (circa 2 meter) dan de rest van de Mastenbroekerpolder. In de Koekoekspolder is glastuinbouw een belangrijke functie. Het Kamperveen bestaat uit de veengronden die ingeklemd liggen tussen IJssel en de hoge
18
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
gronden ten zuiden van de IJssel. De bodemopbouw in de Mastenbroek en Kamperveen bestaat grotendeels uit veengrond met een kleidek. De dunste veenlagen bevinden zich aan de zuidrand. De dikste bevinden zich bij Genemuiden (plaatselijk meer dan 3 meter dik). In beide gebieden vindt bodemdaling plaats door drooglegging van het veen. De veenweide opgave in Kamperveen is anders dan in de Mastenbroekpolder. Door grote wegzijging van water uit de Mastenbroekerpolder naar de Koekoekspolder daalt de bodem in de randzone rond de Koekoekspolder snel en kan er lokaal sprake zijn van water op maaiveld bij hoogwatersituaties. Bij het verlagen van het peil in de randzone om de landbouwfuncties te faciliteren daalt de bodem nog sneller en breidt deze zone zich steeds verder oostwaarts uit. Aan de zuidoostzijde van de Mastenbroekerpolder (en ook in het Kamperveen) treedt juist verdroging op van de gronden. Dit wordt veroorzaakt door de combinatie van grote peilvakken en ongelijkmatige bodemdaling. Om bodemdaling in de beide polders te vertragen zijn meerdere maatregelen naar verwachting een optie, zoals peilvakverkleining, het opzetten van zomerpeil, het verkleinen van slootafstanden, het plaatselijk toepassen van waterinfiltratiesystemen, maar ook het gebruik van instrumenten zoals weidevogelbeheer. Een combinatie van maatregelen wordt als kansrijker gezien dan een enkele maatregel4.
In de randzone van de Koekoekspolder in Mastenbroek wordt een hydrologische bufferzone ook als kansrijk beschouwd5. Deze zone zorgt naar verwachting voor een afname van 35% van de bodemdaling in de hele Mastenbroekpolder ten opzichte van de huidige situatie. Deze hydrologische waterbuffer kan in tijden van droogte worden ingezet voor Mastenbroek. Omdat de waterbuffer wordt gevuld met kwelwater vanuit de Koekoek, zal inzet bij droogte ook bijdragen aan de waterkwaliteit in Mastenbroek (geen inlaat van voedselrijker water vanuit IJssel en Vecht nodig). Daarnaast kunnen met deze waterbuffer nog andere doelen worden gerealiseerd: meerlaagsveiligheid (compartimentering - deltaprogramma), optimalisatie glastuinbouw (waterberging niet meer in Koekoek maar in waterbuffer), energieopwekking (drijvende zonnepanelen) etc. (rapport randzone Infram). •
Staphorsterveld
Het gebied helt licht af van oost naar west. De afwatering vindt overwegend in oost-westelijke richting plaats richting het Zwarte Water. Kenmerkend voor het gebied is het dikker worden van het veenpakket van oost naar west. Tevens wordt het gebied van oost naar west minder zandig. Halverwege de Olde Maten wordt het veen bedekt met een dunne laag klei, die in de richting van het Zwarte Water steeds dikker wordt tot circa 3 meter dik. Ten zuiden en ten oosten van de Olde Maten is de veendikte ten hoogste circa 1.5 meter dik. In het westen van het gebied is er sprake van een suboptimale situatie bij de overgang tussen landbouwpolders rondom Natura2000-gebied de Olde Maten. Het veen in de Olde Maten zelf wordt in sommige delen snel dunner. Met het huidig peilbeheer in het natuurgebied zal het veen op den duur geheel verdwijnen. De veengebieden rondom het natuurgebied zijn ook op de meeste plekken in droge situaties relatief nat. In deze gebieden is er sprake van goed doorlatende bodems en op diverse plaatsen een kwelsituatie. De bodemdaling en veenoxidatie in de veengebieden rondom het natuurgebied is over het algemeen beperkter. Dit komt doordat veel plekken rond het natuurgebied ook in droge periodes relatief nat zijn en de aanwezigheid van een laag klei op het veen, die veenoxidatie helpt te voorkomen.
In Staphorsterveld blijft het echter een suboptimale situatie voor met name het natuurgebied en de omliggende landbouwgronden. Plaatselijk kunnen maatregelen worden genomen, om de situatie te optimaliseren, of kunnen instrumenten worden gebruikt in het kader van de veenweideopgave. Op basis van praktijkproeven (pilots) met onderwaterdrainage in dit gebied is gebleken dat voor de toepassing hiervan goed gekeken moet worden naar de (hydrologische) werking van het bodem- en watersysteem. Onderwaterdrainage heeft hydrologisch gezien namelijk beperkt effect in het Staphorsterveld vanwege de relatief hoge 4 Onderzoek behoud veenweidegebied Mastenbroek, v.0.9, Infram en BWZ, december 2022. 5 Aanpak randzone Koekoekspolder en behoud veenweidegebied Mastenbroek, v.1.0, Infram, februari 2022.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
19
zomergrondwaterstanden in het gebied. Deze worden veroorzaakt door zowel de aanwezigheid van kwel als het feit dat in het westelijke deel de grondwaterstand sterk wordt beïnvloed door het peil van het oppervlaktewater. Doordat er al hoge grondwaterstanden zijn is het effect minder groot. Voor individuele percelen kan een maatregel als onderwaterdrainage nog wel interessant zijn. Ook is in dit gebied in het verleden plaatselijk grondverbetering toegepast, zandgrond opgebracht of het bodemprofiel gekeerd. Bij het laatste wordt het zand onder het veen naar boven gehaald en zoveel mogelijk veen onder de grondwaterspiegel gebracht, met als doel de veenoxidatie- en daarmee de uitstoot van broeikasgassen en bodemdaling- te reduceren. Het keren van het bodemprofiel of overlagen met grond is mogelijk voor de oostelijke gronden met een relatief dunne veentoplaag interessant. Om deze reden worden in het gebied ook twee VIPNL pilots gestart op dit thema, waarbij deze maatregelen in de praktijk worden onderzocht.
2.2.4 Natuurherstel Knelpunt De natuur In NWO is niet op orde. In de beheerplannen Natura 2000 beheerplannen - BIJ12. staat de huidige toestand van natuur beschreven. Opgave/ maatregelen Natuurdoelanalyses Uit de Natuurdoelanalyses blijkt dat er voor De Wieden en Weerribben aanvullende natuurherstelmaatregelen (o.a. verlaging concentraties fosfaat en stikstof) nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te kunnen bereiken. Maar ook de natuur in de Olde Maten / Veerslootlanden vraagt om monitoring (zie Brief van GS over vaststellen Natuurdoelanalyses Provincie Overijssel (notubiz.nl)). Realisatie instandhoudingsdoelen Natura 2000 Dit is een bestaande opgave. In de Wieden worden in diverse deelgebieden maatregelen uitgewerkt. In de Weerribben zijn in Noordmanen en Kooi van Pen de natuurmaatregelen gericht op behoud en uitbreiding van verschillende verlandingsstadia. Daarvoor worden petgaten gegraven, bovengrond afgeschraapt en bosopslag verwijderd en het creëren en verbinden van leefgebied voor een aantal doelsoorten. Het waterpeil wordt verhoogd, met hydrologische effecten in de naastgelegen Baarlingerpolder. De uitstoot van stikstof en de uitstoot van koolstof a.g.v. de maatregelen in de Wieden en de Weerribben heeft aandacht. In Oldematen Veerslootlanden is de natuurontwikkeling afgerond met de realisatie van 1000 ha aaneengesloten nieuwe natuur.
Ook de onderhoudstatus van bestaande natuur vraagt aandacht. De maatregelen zijn beschreven in de beheerplannen/ gebiedsanalyses. Deze opgave omvat ook de uitbreiding van het NNN conform de afspraken van het Natuurpact. In beheerplannen voor natuurgebieden zijn maatregelen beschreven die worden uitgevoerd (zie Natura 2000 beheerplannen - BIJ12) Aanvullend areaal nieuwe natuur voor VHR-doelen Deze opgave voor aanvullend nieuw areaal natuur is nog niet toebedeeld aan de PPLGgebieden. In het voorjaar zal duidelijk worden om welke natuurdoelen het gaat. Dan kan bepaald worden waar deze gerealiseerd worden. Verwachting is dat het in Overijssel gaat om ca 6.000 tot 8.000 ha te realiseren in 2050. Opgave is een deel hiervan - ca 2.450 ha - voor 2030 te realiseren. Aanvullend areaal natuurinclusieve landbouw voor leefgebied voor VHR-soorten (o.a. weidevogels) in boerenland. Voorjaar 2023 zal duidelijk worden om welke natuurdoelen het gaat en hoe groot het ruimtebeslag is. Dan kan bepaald worden waar deze gerealiseerd
20
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
worden. De verwachting is dat het in Overijssel gaat om tot ca 58.000 ha in 2050, waarvan een derde te realiseren tot 2030. Koppelkansen In verschillende projecten en andere samenwerkingsvormen werken agrariërs en natuurorganisaties samen om doelen te realiseren die voor beide kanten voordeel opleveren. Dit natuurinclusief boeren gaat bijvoorbeeld om weidevogelbeheer en natuurbeheer door agrariërs en om het opbrengen van maaisel op akkerland ten behoeve van grondverbetering, met minder kunstmest en minder droogtestress tot gevolg. Vooral in een zone rondom Natura 2000-gebieden biedt samenwerking tussen natuur en landbouw kansen voor boeren die niet meer in dieraantallen groeien, maar wel een rol kunnen hebben in natuurbeheer. Wij zien kansen om de opgave vooral te realiseren in gebieden waar voor de landbouw sprake is van beperkingen vanuit veenweidebodem, stikstof en water. Langjarige beloning van agrarisch natuurbeheer kan een bouwsteen van het agrarisch verdienmodel zijn. Weidevogels zijn iconen voor de veenweidegebieden. Het zijn indicatoren van het systeem (vernatting, stabiliteit in beheer, biodiversiteit). Met het versterken van de omstandigheden voor weidevogels werken we daarmee tegelijk aan verschillende opgaven.
Denk hierbij aan duurzaam waterbeheer, tegengaan bodemdaling en de C02-uitstoot omlaag brengen, kansen voor reductie van stikstofuitstoot, een grotere biodiversiteit (naast vogels ook andere dieren en planten) en behoud van het unieke en kwetsbare open landschap. Wat je verliest door te extensiveren, kun je mogelijk verdienen uit maatschappelijke diensten (o.a. agrarisch natuurbeheer). Bij de natuurmaatregelen komt veel organisch materiaal vrij. Een deel van dit organisch materiaal (maaisel) wordt afgezet in de landbouwketen als bodemverbetering. Een grote hoeveelheid vrijkomend veenmateriaal (aantal miljoenen m3’s) bij het graven van petgaten wordt in de Beulakerwiede onder het wateroppervlak opgeslagen. Daardoor wordt de CO2uitstoot van het uitgraven van de petgaten geminimaliseerd. Ook in Overijssel zijn er recreatieondernemers die zich richten op natuurinclusief ondernemen. In de zones rondom natura2000 gebieden kan extensieve recreatie een goede invulling zijn.
2.2.5 Stikstof Knelpunt Een deel van de natuur in Noordwest Overijssel is (sterk) overbelast door stikstof die in de natuur neerslaat. Hierdoor gaat de natuurkwaliteit achteruit, vooral in de Natura 2000 gebieden de Weerribben en de Wieden en Olde Maten - Veerslootlanden. Door jurisprudentie kunnen vergunningen voor ontwikkelingen die stikstof uitstoten alleen worden verleend wanneer voldoende concreet en gebiedsgericht onderbouwd kan worden dat door maatregelen de benodigde depositiedaling en daarmee de natuurdoelen worden bereikt. Om Nederland weer van het ‘slot’ te halen en de achterruitgang van de natuur tegen te gaan zijn maatregelen nodig om de stikstofemissie te reduceren. Broeikasgassen Naast CO2 uit veenweide moet de uitstoot van methaan en lachgas moet landelijk met 6,7 Mton CO2 eq. worden verminderd. Dit gebeurt grotendeels via extensivering, maar er zal zeker nog een aanvullende opgave zijn. Het aandeel van de Provincie Overijssel hierin is nog niet bekend.
Gebiedsprogramma Noordwest Overijssel
21
Opgave Noordwest Overijssel heeft een totale stikstofemissie van ca. 3.402 ton/jaar (emissieregistratie RIVM). Onderstaand figuur toont aan welk aandeel elke sector heeft in de totale stikstofemissie van Noordwest Overijssel. We willen in Overijssel 50 % van de stikstofemissie reduceren. Dat komt voor Noordwest Overijssel overeen met circa 1700 ton stikstof per jaar. In de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (Wsn) staat dat in 2030 50 % van de omgevingswaarde moet zijn gerealiseerd moet zijn gereduceerd. Dat correspondeert met 26 % emissiereductie. In 2035 gaat het om 74 % van de omgevingswaarde, waarvoor 50 % emissiereductie nodig is. In de autonome ontwikkeling wordt circa 10 % emmissiereductie gerealiseerd. Aanvullend is een reductie van 40 % nodig. Landbouw en verkeer en vervoer zijn de grootste uitstotende sectoren in Noordwest Overijssel. In Noordwest Overijssel hebben er ongeveer 200 agrarische bedrijven een grote stikstofuitstoot (>2.000 kg stikstof). Meer feiten en cijfers van de gebiedsanalyse met betrekking tot de stikstofuitstoot in Noordwest Overijssel kunnen worden geraadpleegd via de volgende link: https://overijssel.notubiz.nl/document/10977404/1/Stand van zaken en vooruitblik aanpak stikstof).