1. Visie Openbare Ruimte Spoorzone
Tekst van het document
- Tegelijkertijd de zichtbaarheid en beeldwaarde van het water en de waterafvoer vergroten. Dit maakt het gebied meer aantrekkelijk, ecologisch en vergroot de bewustwording bij bewoners en gebruikers. - De sponswerking van het gebied vergroten door ontwikkeling van een groenblauw netwerk (Parkwonen / Willemsvaart), waarbij cascaderen van regenwater een belangrijke maatregel is: daken – groene gevels – wadi’s en goten – watergangen – Willemsvaart / Spoolderbos. Een stevig groenblauw netwerk (inclusief groene gevels) verkleint de kansen op hittestress.
- Klimaatadaptatie en slim waterbeheer zijn structureel Beplanting staat altijd in de volle grond. Boomen struikbakken binnen de ontwikkeling van Willemskwartier. Hierbij is worden alleen bij hoge uitzondering toegepast vanwege hun afstemming met omliggende gebieden belangrijk voor extreme gevoeligheid voor uitdroging. het realiseren van een adaptief systeem. Het maakt het gebied veerkrachtig en beter afgestemd op toekomstige - Water zoveel mogelijk vasthouden in het gebied en Zorg voor eenklimaatverandering. natuurlijke buffer van water voor bevloeiing gebruiken voor bewateren van bijvoorbeeld groene We willen extra- Vergroten water vasthouden in het gebied om huidig beplanting van de capaciteit van het watersysteem, daken en gevels, tuinen en het doorspoelen van toiletten. waardoor zware leiden voorzien. tot wateroverlast en in tijden van extreme droogte vanbuien waterniet te kunnen -schade. Binnen het gebied waterbuffering van een Het bufferen van regenwater is daarom in elk is ontwikkelgebied T=100 bui mogelijk. uitgangspunt. De manier waarop is afhankelijk van de situatie en kan in de vorm van open water, maar ook ondergronds in de Het Stationsplein is een goed voorbeeld van een klimaatadaptieve inrichting vorm van berging in buizen (cisternes), kelders of kratten onder plantvakken.
5.3 Hittestress
Door klimaatverandering neemt het aantal dagen met extreme hitte toe. Op deze warme dagen warmt de stad meer op dan het omliggende platteland: het hitte-eilandeffect. Overdag zorgt dit voor een hogere gevoelstemperatuur, maar vooral in de avond plinten aan de Hanzelaan groene zone Hanzelaan stedelijke wadi Beplante wadi’s zorgen voor zichtbare bergings- en infiltratiecapaciteit en ’s nachts zorgt het voor hogere luchttemperaturen. Ook de Spoorzone is gevoelig voor het hitte-eilandeffect waardoor een Realiseer droogtebestendige vegetatievormen en pas onaangenaam verblijfsklimaat kan ontstaan. Dit kan leiden tot GEZONDHEID droogteresistente soorten toe verminderde arbeidsomstandigheden, slechter slapen en schade omgeving, gezonde eetpatronen dankzij urban farming Veel mensen kampen met gezondheidgerelateerde De beplantingskeuze in de spoorzone is passend bij een veraan infrastructuur. of meer bewegen in het appartementencomplex door klachten. Ook de Covid-19 periode heeft geleerd hoe anderend klimaat; beter bestand tegen langere periodes van vormgeving en positionering van de trap ten opzichte kwetsbaar de volksgezondheid is en hoe belangrijk droogte. Dit begint bij het realiseren van vegetatievormen die Elke bewoner is binnen loopafstand op een koele plek van de lift. Een groene omgeving vermindert tegelijkertijd een fijne, groene leefomgeving is.
Het Willemskwartier als eco-systeem verdamping tegengaan (gesloten bladerdak, geTijdens warmere periodengezond zijn er voldoende en goed hittestress en mentale stress. stimuleert gedrag en koele gezonde keuzes. Hierbij kan laagde opbouw, nabijheid van water etc.). Vervolgens wordt bij de groenebereikbare plekken in de Spoorzone. Deoverkapping vuitstregel daarbij isindat plein voor de rode hal en sporten een groene en besloten openbare ruimte worden gedacht aan wandelen stationsentree met bomen soortkeuze gekozen voor soorten die bestand zijn tegen langere elke woning binnen loopstand (maximaal enkele honderden meperiodes van droogte. ters) een koele plek van minimaal 200m2 heeft. In de Spoorzone Waterpleinen als oplossing voor de meer hoogstedelijke delen van de Spoorzone
25
besloten en kleinschalige openbare ruimte
groene luifels
ontmoeting langs de plint
wordt dit deels stedenbouwkundig geborgd doordat er compact wordt gebouwd met (deels) ook hogere gebouwen die schaduw werpen. Op die plekken waar aanvullende maatregelen nodig zijn wordt voorzien in andere oplossingen zoals schaduwrijke boomstructuren. Het aantonen van het voldoen aan deze regel maakt onderdeel uit van het opstellen van een VO voor de openbare ruimte.
Gebouwen en installaties dragen niet bij aan de opwarming van verblijfsruimte in de directe omgeving Bij het ontwerpen van gebouwen en de positionering van installaties wordt voorkomen dat deze een negatief effect hebben op de omgevingskwaliteit (temperatuur maar ook geluid, geur etc.) van de aangrenzende openbare ruimtes.
5.4 Wind in de stad Zorg voor voldoende schaduwplekken Door oplopende hittestress in de stad is het bieden van voldoende schaduwrijke plekken en routes steeds belangrijker. Zorg er daarom voor dat in de stedenbouwkundige positionering van gebouwen op en rond deze routes schaduwwerking (en natuurlijke verkoeling) wordt gegenereerd. Dit kan aangevuld worden met gesloten bladerdaken van bomen die vanuit de soort voldoende schaduw geven. De openbare ruimte is ‘groen tenzij’ Het minimaliseren van de hoeveelheid verharding heeft een positief effect op het terugdringen van hittestress doordat groen minder warmte vasthoudt en stralingswarmte afgeeft in de nacht. Bovendien biedt het groeiruimte voor bodem die schaduw geven. Ook om die reden wordt ook hier het uitgangspunt ‘groen tenzij’ nogmaals benoemd. Albedo-effecten worden meegewogen bij materialisatie van gebouwen en openbare ruimte Groen koelt ook door een gunstiger albedo-effect (meer inkomende straling wordt terug de ruimte ingekaatst) en doordat het nauwelijks hitte opslaat (en ’s avonds en ’s nachts weer afgeeft). Het albedo-effect van verhardingen en inrichtingselementen loopt enorm uiteen en kan daarom net als beplanting een substantiële bijdrage leveren aan de reductie van hittestress.
Er wordt daarom op plekken die gevoelig zijn voor hittestress extra aandacht gegeven aan het toepassen van materialen die een gunstiger albedo-effect hebben dan de huidige inrichting.
Windstroming in de stad wordt vooral beïnvloed door de aanwezige bebouwing en hoe de gebouwen ten opzichte van elkaar staan. Ten eerste is er op grote open ruimten, zoals grote pleinen, vaak meer wind omdat de wind de ruimte heeft om snelheid te maken. Vooral als er op zulke plekken mensen willen verblijven, is het dan wenselijk om windbescherming te bieden. Ten tweede ontstaan rondom hoge gebouwen veel windstromingen. Dit zijn enerzijds de stromen die door het hoge gebouw naar beneden worden geleid. Anderzijds ontstaan er stromen om de hoeken van grote volumes, omdat daar de lucht samen wordt geperst. Daarom valt er aan de voet van hoge gebouwen ook veel te verbeteren. De windstromen van boven kunnen door luifels of heel dichte boompakketten worden afgebogen. De windstromen aan de zijkant kunnen met verticale windschermen worden afgebogen naar plekken waar ze minder overlast veroorzaken. Maar bij wind geldt altijd: je heft wind niet op, maar je verplaatst hem. Soms kan de wind dan elders weer een probleem veroorzaken. Daarom is het voor alles wat met wind te maken heeft van belang om van tevoren goed te analyseren waar problemen kunnen ontstaan en de ontwerpen op hun effecten te analyseren. Bijvoorbeeld in de vorm van een Hoogbouw Effect Rapportage. Met de te verwachten veranderende klimaatomstandigheden zullen met name buien frequenter en intensiever worden.
De daarmee gepaarde windbelasting zal in de stad toenemen. De stroming van de wind wordt daardoor belangrijker in stedelijk gebied. Windstromingen moeten bij obstakels immers van richting veranderen. Daardoor vertraagt de wind op de ene plek er
26
ontstaan luwteplekken, maar versnelt in vernauwde ruimtes waar de wind als het ware wordt samengeperst. Bij deze richtingsveranderingen ontstaan er soms vlagen op die steeds vaker zullen voorkomen. Bij sterkere wind zoals buien, en grotere obstakels zoals hoogbouw verhoogt dus de vlagenintensiteit. De hinder van wind willen we beperken, zodat je prettig kan lopen, slenteren of zitten in de openbare ruimte tussen de gebouwen. Windhinder kan voor straten, pleinen, parken en andere verblijfsgebieden ongewenste situaties opleveren voor fietsers en voetgangers. Om windhinder te voorkomen zullen we in de Spoorzone toetsen en sturen op de windbelasting op maaiveld, vooral omdat er intensief verdicht wordt.
5.5 Overstromingsrisico De inrichting van de openbare ruimte van de Spoorzone zal maar zeer beperkt van invloed kunnen zijn op het beperken van risico’s van overstromingsgevaar vanuit de IJssel. Toch is dit wel een punt van bewustwording voor ontwerpers. Waar ‘drempels’, hogere plekken en veilige verbindingen tussen stadsdelen, gerealiseerd kunnen worden is dat wenselijk.
Zie voor de normen voor windhinder: NEN norm windhinder informatiepunt leefomgeving www.iplo.nl
Thema B: Klimaatadaptatie
Doelen
Ontwerpuitgangspunten •
B1: vergroten van de capaciteit van het huidige systeem
•
•
B2: vergroten van de sponswerking van de openbare ruimte
•
•
B3: stimuleren bewustwording •
B4: verminderen droogteschade
•
•
Realiseer voldoende bergingscapaciteit conform de Zwolse richtlijnen. Realiseer een klmaatadaptieve buitenruimte met maximale waterbergingscapaciteit.
•
Realiseer de nog ontbrekende verbindingen in het watersysteem aan in de vorm van zoveel mogelijk open water. Verbreed profielen met stenige kades waar mogelijk naar oeverzones.
•
Buffer regenwater maximaal in het gebied zodat het in periodes van droogte kan worden gebruikt voor watergift. Combineer waar nodig bovengrondse oplossingen (open water) met ondergrondse voorzieningen zoals cisternes (opvang in buizen)
Beperk de hoeveelheid verharding tot een minimum. Werk waar mogelijk met open bestrating.
•
Realiseer voldoende bergings- en infiltratiecapaciteit in de openbare ruimte in de directe nabijheid van verharde oppervlaktes.
Realiseer boven- en ondergrondse experimenten en maak deze zichtbaar voor het publiek. Maak inzichtelijk hoe het water als (getrapt) systeem in elkaar zit.
•
Gebruik water als ontwerp-element om plekken te maken voor spelen, bewegen, ontmoeten, plezier en verkoeling.
•
Zet langs het Engelenpad maximaal in op water als drager van de beleving en daarmee bewustwording.
Realiseer vegetatietypes die uitdroging van de bodem tegengaan (schaduw op bodem, vertering van blad, lucht in bodem, schimmels en miccoriza’s etc.).
•
Pas droogtebestendige beplanting toe op die plekken die gevoelig zijn voor hittestress. Zet beplanting in de volle grond en niet in bakken.
•
Realiseer (ondergrondse) voorzieningen waarin water kan worden geborgen voor het bevloeien van beplanting in tijden van droogte.
•
27
Thema B: Klimaatadaptatie
Doelen
Ontwerpuitgangspunten •
B5: beperk de temperatuur
B6: verminder het effect van hitte
B7: voorkom en beperk windhinder en windgevaar
•
• • •
Zorg voor voldoende schaduwwerking. Neem dit aspect als ontwerpmiddel al mee op stedenbouwkundig niveau en vul het waar nodig aan met een (deels) schaduwrijke inrichting van de openbare ruimte.
•
Breng de zon en schaduwwerking van gebouwen en beplanting op routes en grote groenplekken in beeld en zorg ervoor dat hoofdroutes en de belangrijkste verblijfsplekken op zomerse dagen voldoende schaduw bevatten.
•
Breng de invloed van gebouwen op het windklimaat op het maaiveld in beeld. Neem waar nodig maatregelen om windhinder te voorkomen. Langs hoofdroutes voor fietsers, op het Engelenpad en in het Koggepark
Oriënteer bebouwing zodanig dat de opwarming van de zon minimaal is (zowel van de gebouwen als de aangrenzende openbare ruimte). Geef extra aandacht aan het reduceren van albedo-effecten bij de keus en kleurstelling van materialen voor
•
•
•
28
•
•
verhardingen en inrichtingselementen. Hanteer het principe ‘groen tenzij’ om warmteopslag en uitstraling in de bodem te minimaliseren. Voorkom dat installaties van gebouwen de temperatuur van de aangrenzende openbare ruimtes negatief beïnvloeden.
Zorg ervoor dat elke bewoner binnen 200 meter een koele plek in de buitenruimte kan bereiken. Toon al in het VO aan dat hieraan voldoen kan worden. Zorg dat er voldoende beplanting is die op warme dagen voor verdamping kan zorgen.
•
Stimuleer een natuurlijke verkoeling door een aangename luchtstroming te realiseren (zie ook B7).
geldt maximaal windklasse C. Op verblijfsplekken binnen deze zones is het streven naar windklasse A. Rondom entrees van gebouwen en in binnentuinen geldt maximaal een windklasse B.
•
Bij gebouwen hoger dan 25 meter is een hoogebouweffectrapportage verplicht (zie omgevingsvisie / hoogbouwvisie). Nergens treedt windgevaar op (maximaal toegestaan is windklasse D).
•
Groene innovaties – de Spoorzone als proeftuin Eén van de economsiche sectoren waar de het innovatiedistrict Spoorzone zich op richt, is klimaatadaptatie. In de openbare ruimte van de Spoorzone ligt een grote kans om praktijkgericht onderzoek te doen naar de effecten van maatregelen op het gebied van klimaatadaptatie. Gedurende het ontwerp kan gebruik gemaakt worden van de laatste wetenschappelijke inzichten via het netwerk SIGS en de Climate Campus Zwolle. Door vooraf nulmetingen te doen en tijdens en na de aanleg te monitoren wat de effecten zijn van ingrepen, kan worden bijgedragen aan de verdere ontwikkelen op het gebied van klimaatadaptatie. De Spoorzone als proeftuin. Verder gaat het als ook de natuur zelf gaan verbinden met digitale technologie. In een onderzoek naar de ‘Internet of Nature’ wordt de potentie van het digitaal monitoren van stedelijke ecosystemen onderzocht.“[We] introduceren [...] het ‘Internet of Nature’ om de kloof tussen groenere en slimmere steden te overbruggen en om de toekomst van het beheer van stedelijke ecosystemen te verkennen in een tijdperk van snelle verstedelijking en digitalisering.
(Galle et al)” Maar ook is er in de Spoorzone ruimte voor innovaties als Urban Reef (Urban Reef ontwerpt en creëert open leefomgevingen die de groei en diversiteit van het leven in stedelijke omgevingen zoals straten, pleinen en gebouwen stimuleren), Omlab (Omlab onderzoekt, ontwerpt en maakt voor bouw, bodem en biodiversiteit) en fieldlabs als The Green Village (fieldlab voor duurzame innovatie in de stedelijke omgeving). Bij het ontwerp, de aanleg en het beheer willen wij in samenwerking met onderzoekspartners en ondernemers in het innovatiedistrict onderzoeken hoe de openbare ruimte innovatie op het gebied van klimaatadaptatie, circulariteit en biodiversiteit kan helpen.
intermezzo 29
6. Biodiversiteit De Spoorzone moet waarde krijgen voor mens, plant én dier. Een goede groene dooradering van het plangebied is noodzakelijk zodat het voor verschillende soorten ‘begaanbaar’ wordt en in verbinding staat met het omliggende gebied. Biodiversiteit is daarmee een cruciale factor in de gezondheid van het gehele ecosysteem van mens, plant en dier. Hoe groter de variatie is hoe groter de capaciteit van het ecosysteem om schokken te weerstaan en leven te ondersteunen.
6.1 Wat te doen voor betere biodiversiteit? Dieren stellen eisen aan hun leefomgeving en deze worden omschreven door de 5 V’s. Essentieel is de aanwezigheid van voedsel, verblijfplaatsen en veiligheid. Daarnaast moeten leefgebieden verbonden zijn met elkaar en dient er variatie te zijn in het gebied. Het gaat bijvoorbeeld om variatie in vegetatiestructuur, beplanting, etc. Wanneer een van deze aspecten ontbreekt, heeft dit gevolgen voor de functionaliteit als leefgebied voor soorten. Een gebied is geschikt voor een soort wanneer er aan de 5V’s wordt voldaan en als het oppervlak voldoende groot is om een populatie te huisvesten met voldoende genetische variatie. Met vaak eenvoudige ingrepen in de openbare ruimte en bebouwing kan de biodiversiteit verbeterd worden en de juiste leefomstandigheden te creëren. Het experimentele stadium hiervan is voorbij en er zijn voldoende praktijkvoorbeelden die als inspiratie kunnen dienen voor het realiseren van een daadwerkelijk natuurinclusieve Spoorzone. De 5 V’s vormen daarom de basis voor de gehele Spoorzone. Het is daarom raadzaam om gedurende het gehele proces van uitwerking een ecoloog te betrekken. Door in een vroegtijdig stadium een natuurtoets voor de Wet natuurbescherming uit te voeren kan men aanwezige waarden behouden en achteraf compenseren voorkomen.
6.2 Doelsoorten als leidraad Op basis van de NDFF-gegevens (Nationale Databank Flora en Fauna) en het toekomstige gebruik van de Spoorzone zijn doelsoorten bepaald die passen bij een hoog stedelijk gebied. In veel gevallen profiteren meerdere soorten van te nemen maatregelen voor de betreffende soorten. Het gaat daarbij om vrij generieke soorten omdat er geen aanwijzingen zijn dat de Spoorzone op dit moment specifieke soorten bevat die vragen om een specifiek ander milieu vragen. Uitzondering daarop vormen de bermen en zoom/mantelvegetatie langs de IJsselallee die van bijzondere betekenis zijn voor de Sleedoornpage (bedreigde vlindersoort op de Rode lijst).
De vijf v’s:
Voortplanting: Geschikte plekken zijn om te nestelen.
Voedsel:
Voldoende water, wormen, insecten, zaden, bessen, noten of vruchten.
Veiligheid: Plekken waar dieren snel naar toe kunnen vluchten.
Variatie: Een divers palet aan beplantingstypes.
Voor de doelsoorten van de Spoorzone zijn verschillende maatregelen te nemen. We onderscheiden hierbij maatregelen in de groene ruimte, de natte omgeving en de bebouwing. Welke maatregelen dat zijn en wat het effect is, is vastgelegd in de notitie Natuurinclusief bouwen Zwolle. De eisen waaraan bij natuurinclusief bouwen voldaan moet worden zijn vastgelegd in het bij de notitie behorende puntensysteem.
6.3 Het verticale stadslandschap Het ecologisch landschap van de Spoorzone beperkt zich niet tot het maaiveld. Ook de wanden en daken van gebouwen maken daar een integraal onderdeel van uit. De stad is daarmee voor dieren een berglandschap met een eindeloze reeks gradiënten verspreid tussen maaiveld en maximaal 70 meter (de maximale hoogtemaat voor de ‘Zwolse prominenten’, de hoogste gebouwen, in de Spoorzone). Elke hoogte is daarmee voor andere dieren van betekenis Om echt te bouwen aan een ecologisch drie-dimensionaal landschap moet daar bij het ontwerp van gebouwen aandacht voor zijn. Dat vraagt kennis van ontwerpers en waar nodig de inzet van specialisten. 30
Verplaatsing:
Zorg voor een groene dooradering van een gebied zodat dieren zich kunnen verplaatsen.
Flora
Zoogdieren Eekhoorn Vleermuis
Neerslag
drogere zijde
Vogels Huismus Spreeuw Zangvogels
drogere zijde
drogere zijde
Doelsoorten droge, vochtige en natte omgeving
NOORD
Flora
Fauna
120m
120m
Fauna
Flora
Fauna
Legend
Zoogdieren Egel Kleine grondgebonden zoogdieren
Grasland
Vogels Watervogels
Groene
Eekhoo Egel
Insecten Vissen Amfibien
Vogels Spreeuw Zangvogels Zwarte roodstaart Fauna
Kleine g
zoogdie
Sleedoo
Insecte
Zangvo
Zoogdieren
Insecten Sleedoornpage
Insecten Egel Sleedoornpage
Fauna
Kleinde grondgebonden
Natte b
Zoogdieren
Amfibienzoogdieren
Vissen
120m
Eekhoorn
80m
80m
Watervo
Vleermuis
Vogels
Spreeuw
Vogels
Vogels
Zangvogels
Watervogels
Huismus
Witte kwikstaart
80m
Fauna
Insecten
Sleedoornpage
Vissen
Amfibieeën
Amfibieeën
Insecten
Sleedoornpage
Doelsoorten groene buitenruimte:
Gierzwa
Spreeu
Vleerm
Insecten 40 m
Gebouw
Huismu
Spreeuw
40 m
Amfibie
Witte kw Zwarte
NEST
Legenda
VERBLIJF
LEEFGEBIED
Groene buitenruimte
30m
30m
20m
Eekhoorn
20m
30m 20m
Egel Kleine grondgebonden zoogdieren 15 m
Sleedoornpage
15 m
Insecten Zangvogels 10 m
10 10m m
10m
Natte buitenruimte Vissen Watervogels
6m
6m
Amfibieën
6m
4m 4m
Gebouwbewonend
3m
3m3m
6m
4m 4m 3m
6m
4m
3m
Gierzwaluw Huismus Spreeuw Vleermuis Witte kwikstaart Zwarte roodstaart
Beheerd groen en ruig groen Gevel Noord
Grasland en (riet)moeras/ Vochtige zone
Beheerd groen en ruigBeheerd groen_droge groengrond en ruig groen_droge Beheerd groen grond en ruig Beheerd groen_droge groen en grond ruig groen_droge grond Droge grond
Gevel Noord Flora
Flora
Flora
Flora
Flora
Flora
31
Water en oever/ natte en aquatische zone
grondwaterstand <40cm
grondwaterstand <20cm
Grasland en(riet)moeras_vochtige Grasland en(riet)moeras_vochtige zone Grasland en(riet)moeras_vochtige zone Grasland en(riet)moeras_vochtige zone zone Infrastructuur_droge Infrastructuur_droge zone Infrastructuur_ Water & Oever_natte &Water aquatische & Oever_natte zone & aquatische Water & Oever_natte zone Water & aquatische & Oever_natte zone & aquatische zonezone Flora
Flora
Flora Flora
Flora
Flora
Flora
Flora
Flora
Flora
Maatregelen natuurinclusief bouwen per oriëntatie en hoogte Doelsoorten Eekhoorn Egel Kleine grondgebonden zoogdieren Vleermuis Huismus Gierzwaluw
Spreeuw Watervogel Witte kwikstaart Zangvogel Zwarte roodstaart Insecten Sleedoornpage Vissen Amfibien
Fauna
Fauna
Fauna
Fauna
Fauna
Vogels Dakbroeders -Scholekster
Zoogdieren -Vleermuis
Zoogdieren -Vleermuis
Vogels -Gierzwaluw -Huismus -Spreeuw -Witte kwikstaart -Zwarte roodstaart
Vogels -Gierzwaluw -Huismus -Spreeuw -Witte kwikstaart -Zwarte roodstaart
Zoogdieren -Vleermuis
Zoogdieren -Vleermuis
Insecten Alg. vlinders
Insecten Alg. vlinders
Zuid
West
Oost
120 m
120 m
80 m
Noord
120 m
80 m
80 m
60 m
40 m
30 m
30 m 30 m
20 m
20 m 30 m
15 m
15 m
15 m
10 m
10 m
20 m 30 m
10 m
10 m
10 m
6m 6m
5m 4m
4m
4m
3m 3m 3m
32
6m 6m 4m
4m 3m 3m 3m
4m
70 meter: maximale bouwhoogte ‘Zwolse prominenten’
6.4 Beplanting Pas een biodivers en klimaatbestendig assortiment toe Om een bijdrage te leveren aan het vergroten van de biodiversiteit gaat de voorkeur uit naar een inheems beplantingsassortiment voor de boomlaag, heesterlaag, oeverzones en kruidenvegetaties. Uitgangspunt is daarom dat er soorten worden toegepast die goed aangepast zijn aan onze (toekomstige) klimaatomstandigheden en voldoende diversiteit in hun genetische materiaal hebben. Dat maakt ze weerbaarder. Daarnaast vergroot het de mogelijkheden dat de vegetatie ook kan functioneren als waard- of drachtbeplanting voor inheemse insecten en vlinders. Cultivars die steriele bloemen of vruchten hebben die niet bijdragen aan de biodiversiteit worden vermeden. Waar dit met inheemse soorten kan heeft dit de voorkeur. Er worden uiteraard geen invasieve exoten toegepast. Beperkt ruimte voor uitzonderingen Op een beperkt aantal plekken binnen de Spoorzone wordt bewust ruimte geboden om bij de soortkeuze af te wijken van bovenstaande. Het gaat daarbij om de directe omgeving van het Engelenpad waar de expressiviteit van de beplanting een factor kan zijn in het ‘laden’ van het Engelenpad. Als dat kan met inheemse soorten heeft dat de voorkeur maar in de weging kunnen hier andere prioriteiten worden gesteld. Hetzelfde geldt voor kleinere binnenhoven en de buitenruimte van het Stationscarré.
Realiseer een gevarieerd boombestand De biodiversiteit is gebaat bij een grote(re) variatie in soorten. De boomstructuur is daarbij de ruggegraat en kent op dit moment een zeer eenzijdig assortiment van bomen die bovendien ook grotendeels dezelfde leeftijd hebben. Dat maakt ze kwetsbaar voor uitval en bovendien draagt het niet bij aan de gewenste biodiversiteit. Daarom wordt ingezet op een divers bomenbestand met een grotere menging van soorten, ook voor laanstructuren. Dat kan bijvoorbeeld door de ‘10-20-30’ regel van Santamour te hanteren als vuistregel. Er wordt dan maximaal 30 procent bomen van dezelfde familie (b.v. Fagaceaa) toegepast, 20 procent bomen van hetzelfde geslacht (b.v. eik) en 10 procent van dezelfde soort (bijvoorbeeld zomereik). We beoordelen per gebied / structuur wat de juist vorm is om hier stappen in te zetten.
Haagbeuk
Sporkehout
Carpinus betulus
Frangula alnus
Sleedoorn meidoorn Prunus spinosa Crateagus monogyna Esdoorn
Ruwe berk
Acer pseudoplatanus
Betula pendula
Zwarte els
Ratelpopulier
Geoorde wilg
Alnus glutinosa
Populus tremula
Salix aurita
Haagbeuk
Sporkehout
Mispel
Carpinus betulus
Frangula alnus
Mespilus germanica
Sleedoorn Koggepark
Prunus spinosa
Spoorpark IJsselallee
Ratelpopulier
Geoorde wilg
Wilde lijsterbes
Populus tremula
Salix aurita
Sorbus aucuparia
Pleinen Engelenpad Hanzesingel
Een greep uit het basisassortiment van inheemse en grotendeels droogteresistente soorten die passend zijn voor de drogere delen van de Spoorzone (het grootste deel). Waar gradiënten natter zijn kan dit worden aangevuld met andere soorten zoals schietwilg (Salix alba) en zwarte els (Alnus glutinosa). Niet inheemse soorten zijn mogelijk als aanvulling op een meer klimaatrobuust beplantingsbeeld met voldoende biodiversiteit en genetische variatie.
33
Thema C: biodiversiteit
Doelen
Ontwerpuitgangspunten •
C1: vergroot de biodiversiteit
•
•
C2 vergroot bewustzijn
•
Zie de spoorzone als een robuust driedimensionaal ecologisch landschap waaarbij gebouwen en openbare ruimte samenhangen als netwerk van gradiënten . Pas de vijf V’s toe als leidraad voor de vormgeving van zowel gebouwen als de openbare ruimte. Gebruik de doelsoorten als basis voor het kiezen van de juiste inrichtingsele-
menten en natuurinclusief bouwen. • Realiseer een gevarieerd boombestand, ook bij laanstructuren. • Realiseer een gevarieerd beplantingsassortiment dat is toegespitst op de • bodem- en waterhuishouding in het gebied en toekomstige klimaatomstandigheden. Bij voorkeur inheemse soorten, aangevuld met soorten die goed toepasbaar zijn in veranderende klimaatomstandigheden.
• •
Geef natuureducatie en lokale initiatieven een plek in het ontwerp(proces) en het beheer.
34
Uitzonderingen zijn het Engelenpad, stationscarré en binnenhoven. Maximaliseer het aantal waard- en drachtplanten. Maak de meerwaarde van de gekozen maatregelen expliciet (voor welk dier, wat, waar en hoe).
Circulair groen, struikroven In de motie ‘eetbaar groen’ van de raad wordt ook verwezen naar ‘circulair groen’. In principe is het beste voor een gebied bestaand groen zoveel mogelijk te handhaven en nieuw aan te planten groen niet te verplaatsen. Dit biedt de beste uitgangssituatie voor het ontstaan van een robuuste groenstructuur met natuurwaarde en gebruikswaarde. Bij gebieden in ontwikkeling zijn er echter vaak struiken en planten die het veld moeten ruimen. Een initiatief als ‘struikrovers’ biedt daarvoor een alternatief, door voor bouwwerkzaamheden de planten en struiken weg te halen. Deze planten krijgen dan opnieuw ergens een plek en een kans om verder te groeien. Onderdeel van deze strategie is het aanleggen van een zogenaamde ‘roverstuin’. Een Roverstuin is een logeertuin voor sloopgroen. De Roverstuin biedt een oplossing voor het verdwijnen van bestaand groen dat makkelijk een tweede leven kan krijgen. In plaats van dat het in de groenbak belandt of wordt afgevoerd naar de composteerder, wordt het beschikbaar gesteld voor de Roverstuin en daarmee voor de buurt. Hiermee wordt het niet langer meer gezien als afval, maar als waardevol materiaal. De planten worden (tijdelijk) ingekuild in de Roverstuin, verzorgd en beheerd. Vervolgens worden de planten op een sociale manier gedistribueerd onder bewoners of bestemmingen in de regio.
Een Roverstuin wordt gevuld met planten: • die overblijven na een Struikroofactie • die vrijkomen bij herinrichting en anders zouden worden afgevoerd door hoveniers of groenbeheerders • uit de openbare ruimte (groenbeheer voor de gemeente) • van particulieren die de tuin herinrichten • van kwekers of tuincentra (kneusjes of planten die ‘uit de collectie’ gaan) In de Spoorzone gaan we in overleg of wij een plek aan kunnen wijzen waar een dergelijke roverstuin een plek kan krijgen, zodat bestaand groen in het gebied kan blijven en beschikbaar is voor herplant. De meest aangewezen locatie daarvoor is een plek in het spoorpark, aangezien we daar een ruiger en natuurlijker beeld voorstaan.
intermezzo 35
7. Gezondheid De openbare ruimte heeft invloed op onze gezondheid; fysiek maar zeker ook mentaal. Het is een plek om te bewegen, in de vorm van spelen, sporten, wandelen of fietsen én het is de plek waar mensen elkaar kunnen ontmoeten of zich juist even kunnen terugtrekken in een rustige, groene omgeving. Het kan gezond voedsel produceren en een gezonde leefstijl stimuleren. Verschillende doelgroepen hebben daarbij verschillende behoeftes. Niet elke groep is daarbij even snel in beeld. Dat vraagt een open blik en waar nodig het actief op zoek gaan naar (vertegenwoordigers) van toekomstige gebruikers.
Een toegankelijke openbare ruimte In Zwolle willen we dat iedereen de openbare ruimte op een zelfstandige, gelijkwaardige en zo onafhankelijk mogelijke manier kan gebruiken. Daarom geldt er voor de hele stad een basisniveau qua toegankelijkheid. Het basisniveau houdt in dat de ruimte zo is ingericht dat die bereikbaar, bruikbaar en begrijpelijk is voor iedereen, ook mindervaliden. In en rond voorzieningen die veel publiek trekken of waar relatief veel mensen met een beperking komen, worden hogere eisen gesteld. Dat gaat in de Spoorzone in ieder geval om het Stationscarré met de uitlopers richting Lübeckplein en het Hallenplein (Wärtsilä-hal).
7.1 Basisvoorwaarden Een veilige omgeving Een basisvoorwaarde voor een gezonde leefomgeving is een veilige omgeving in termen van geluid, (externe) veiligheid, trillingen, bodemkwaliteit (verontreiniging) en uitstoot. In de ontwikkeling van plannen wordt vanzelfsprekend rekening gehouden met de wettelijke vereisten ten aanzien van deze milieuaspecten. Gezonde mobiliteit Uitgangspunt voor een beweegvriendelijke en daarmee gezonde leefomgeving is dat mensen zoveel mogelijk lopen en fietsen. Dit wordt in de Spoorzone gedaan door in te zetten op het STOMP-principe. Hierbij wordt het autoverkeer aan de randen van het gebied opgevangen en worden aantrekkelijke, comfortabele en veilige routes voor voetgangers en fietsers gemaakt. Tel daarbij op dat de Spoorzone zeer goed ontsloten is door Openbaar Vervoer; in de Spoorzone zijn bij uitstek de randvoorwaarden voor een beweegvriendelijke stad aanwezig.
Zie voor de ontwerprichtlijnen voor een toegankelijke openbare ruimte: www.zwolle.nl/toegankelijkestad
7.2 Spelen Buitenspelen wordt meestal gekoppeld aan kinderen maar als een openbare ruimte goed wordt ingericht, kunnen ook jongeren en ouderen hiervan genieten en er aan meedoen. De grens tussen spelen en sporten is daarbij niet hard te trekken. In de Spoorzone wordt gebouwd voor mensen met een stedelijke levensstijl, met op sommige plekken de nadruk op 1- en 2-persoons huishoudens en op andere plekken meer ruimte om ook gezinnen te huisvesten. Het is logisch om bij de inrichting en de spreiding van het aantal speelplekken extra aandacht te geven aan de behoeftes van juist deze doelgroepen.
36
Algemene ontwerpuitgangspunten • Hoe jonger de gebruikers, des de kleiner de afstand tot de woning en des te meer toezicht er is gewenst. • Natuurlijk spelen past in de groenblauwe structuur van de spoorzone beter dan artificiële objecten. • In de ontwikkelgebieden past juist een stedelijker opzet, met mogelijk een relatie met beeldende kunst, klimaatadaptatie (waterplein) etc. De verschijningsvorm van speelvoorzieningen kleurt dus mee met de in hoofdstuk 2 onderscheiden sfeergebieden (zie ook deel III). • Speelplekken zijn toegankelijk voor iedereen, dus ook voor kinderen met een beperking. • Speelplekken bieden ook gebruikswaarde voor andere doelgroepen dan kinderen om zo meervoudig grondgebruik, ontmoeting, interactie en sociale veiligheid te stimuleren. • Speelplekken liggen centraal in de woonomgeving en zijn zoveel mogelijk gekoppeld aan langzaamverkeersroutes en bereikbaar zonder barrières. • Geeft extra aandacht aan doelgroepen die andere behoeftes hebben (b.v. meiden, zie intermezzo pagina 42-43). Ontwerpuitgangspunten jonge kinderen (0-6 jaar) Kinderen tot ongeveer 6 jaar spelen dichtbij de eigen woning en mogen niet (alleen) verder van huis dan 100 meter. Voor hun spel hebben ze behoefte aan zand, water en enkele speelobjecten die speciaal voor jonge kinderen zijn gemaakt. Maar ook groen, kleine spelaanleidingen en verharde ruimten (voor b.v.
driewielers) zijn wenselijk. Veiligheid in al zijn facetten telt zwaar. De grootte van een dergelijke plek varieert van 100 tot 500 m2.
baby en peuter 0-3 jaar leren veel, vooral individueel, snelle ontwikkeling uitdaging: beschutte plek in veilige omgeving, in zicht van volwassenen nabijheid: dicht bij huis, bij kinderdagverblijf veiligheid: kind afhankelijk van ouders, plekken niet groot, maar wel overzichtelijk en beschut
kleuter 4-6 jaar Houden van uitdagingen, klimmen. kinderen zijn op elkaar gericht. uitdaging: beschutte plek in veilige omgeving, in zicht van volwassenen, grotere plek nabijheid: dicht bij huis, maar op eigen initiatief te bezoeken via veilige routes veiligheid: plekken overzichtelijk en enigszins beschut, voldoende sociale controle schoolkind 6-12 jaar Deze kinderen zijn sterk op elkaar gericht, beginnen competitiedrang te ontwikkelen, nemen meer risico’s, gericht op snelheid uitdaging: veelzijdig bewegen, diversiteit speelplekken, op loopafstand nabijheid: spelen met vriendjes, buiten eigen woning, goede en veilige routes naar uitdagende speelplekken in de buurt veiligheid: kind mag en kan meer zelfstandig naar grotere plekken komen
puber 10-15 jaar Spelen maakt plaats voor behoefte aan sportieve activiteiten en ontmoeting. Spelen wordt veel gedaan in de vorm van wedstrijd- en regelspel uitdaging: openbare ruimte als ontmoetingsplek, plek van vrijheid, buiten bereik en zicht van ouders, afspreken met vrienden nabijheid: veilige weg om ernaar toe te komen, sociale controle van de omgeving belangrijk veiligheid: ligt bij puber zelf en bij de omgeving adolescent 15-23 jaar Deze groep heeft - net als pubers- behoefte aan plekken voor sportieve activiteiten en ontmoeting uitdaging: openbare ruimte al sociale ontmoetingsplek, bewegen als reden om af te spreken, trainen en showen van wat ze kunnen nabijheid: bereikbaarheid belangrijker dan nabijheid, grote actieradius, bewegen door hele stad veiligheid: ligt bij adolescent zelf
wensenpakket 37
volwassenen 23+ Jongvolwassenen zijn op de top van hun lichamelijk kunnen. Deze periode is geschikt voor topprestaties op het gebied van sport. Hierna begint het biologische verouderingsproces uitdaging: bewegen is reden voor ontmoeting. Ontmoetingsruimten zijn makkelijk te vinden, en bieden ruimte voor spellen naar eigen inzicht nabijheid: volwassenen hebben behoefte aan plekken die nabij zijn én goed bereikbaar. Plekken in de buurt én plekken in de stad (parken) veiligheid: plekken moeten aangenaam en gezellig zijn
Oudere ouderen 75+ Oudere ouderen worden minder mobiel en veerkrachtig, maar regelmatig bewegen houdt ze fitter en gezonder. uitdaging: ondanks verouderingsproes in beweging blijven en daarvan genieten nabijheid: dicht bij huis, maar op eigen initiatief te bezoeken via veilige routes veiligheid: overzichtelijk en enigszins beschut, voldoende sociale controle
Ontwerpuitgangspunten schoolkinderen (6 tot 12 jaar) In de leeftijd van 6 tot 12 jaar wordt er veel buiten gespeeld. Het is een leeftijdscategorie die al wat verder weg kan en mag. Voor deze leeftijdscategorie geldt een actieradius van zo’n 300 à 500 meter. Deze leeftijdsgroep heeft een grote ruimtebehoefte voor bewegen, die voor een deel opgevangen kan worden met veilige straten, paden en openbaar groen. Voorts is behoefte aan een speeldomein (500 tot 2.000 m2) met vooral ruimte voor sport en spel aangevuld met uitdagende, grote en stevige speeltoestellen. Veel toestellen zijn aantrekkelijk voor deze groep. Een zo divers mogelijke inrichting met kwalitatief goede toestellen trekt een divers publiek, hetgeen een belangrijke voorwaarde is voor het goed functioneren van speelplekken. Ook voor deze leeftijdscategorie is een meer natuurlijke en/of avontuurlijke inrichting een mogelijkheid. Ontwerpuitgangspunten jongeren (12 tot 18 jaar) Als kinderen de basisschool verlaten, wordt hun actieradius opeens veel groter. Toch blijven de 12-plussers voor hun sporten, kletsen en rondhangen meestal in de eigen woonomgeving. Een hangplek en een sportvoorziening (minimaal 2.000 m2) zijn belangrijk. Vanaf deze leeftijd zijn ook de ontwerpuitgangspunten voor sport en beweging ook zwaarwegend.
7.3 Sport en beweging Ruimte voor georganiseerd en ongeorganiseerd sporten Sporten kan in meer of minder georganiseerde vorm plaatsvinden. Voor georganiseerd sporten zijn er in de Spoorzone enkele sportscholen aanwezig en er liggen in de directe omgeving (Voorsterpoort, Assendorp) ook sportfaciliteiten. Windesheim voegt in potentie veel (georganiseerde) sportfaciliteiten toe (zwembad, klimmuur, sporthal) die door de realisatie van het Engelenpad zowel fysiek als mentaal beter bereikbaar worden.
Ongeorganiseerde vormen van sportbeoefening winnen aan populariteit en kunnen levendigheid aan een gebied toevoegen. Dit betekent dat de openbare ruimte (ook) fungeert als ‘sportschool’. Hoe dit werkt, is al te zien op het Lübeckplein, waar de geplaatste rekken talloze mensen uitdagen om te bewegen. Ook voor andere gebieden zetten we in op het vergroten van die sportieve aanleidingen. Denk als ontwerper daarom goed na hoe de basisinrichting een gezonde en sportieve leefstijl kan stimuleren. Urban Sports als identiteitsdrager De Spoorzone is een gebied waar de nieuwe economie van Zwolle tot wasdom komt. Creatief, ondernemend en experimenteel zijn belangrijke waarden. Stedelijk georiënteerde doelgroepen moeten in het gebied gaan wonen, werken en recreëren. Sporten die bij een stedelijke leefstijl horen, urban sports, passen goed bij deze waarden en de beoogde doelgroepen.
Bij het uitlaten van honden in de openbare ruimte is de eigenaar zelf verantwoordelijk voor het opruimen van uitwerpselen. Op meerdere plekken langs het Koggepark worden ‘hondenhaltes’ geplaatst met gratis opruimzakjes en een afvalbak. Gezien de ligging van diverse voorzieningen in de directe nabijheid en de investeringen die gedaan worden in het verbeteren van de verbindingen naar die gebieden wordt er op voorhand geen plek gereserveerd voor een honden losloopterrein in de Spoorzone.
Zie voor het hondenuitlaatbeleid van Zwolle: www.zwolle.nl/voorzieningen-voor-honden
Urban sports is een verzamelnaam van sporten die zich kenmerken door een vrij (over het algemeen niet of los georganiseerd), expressief en creatief karakter en die zich afspelen in een stedelijke setting. Urban sports drukken een belangrijke stempel op de leefwijze van de beoefenaars. Deze vorm van sportbeoefening past goed bij de beoogde doelgroepen én het economisch profiel van de spoorzone. Het buitenaspect maakt het sporten wel sterk seizoensgebonden. Om hun sport het hele jaar door te kunnen beoefenen, hebben urban sporters ook behoefte aan indoorvoorzieningen. Liever niet te groot, maar juist op meerdere locaties verspreid door de stad en met ruimte om meerdere sporten te combineren. Een ommetje maken (met de hond) Natuurlijk kun je ook gewoon een ommetje lopen in de Spoorzone. Alleen, met je vrienden of je collega’s of met je hond. Dit maken we mogelijk door de routes voor voetgangers zoveel mogelijk met elkaar te verbinden, zodat je korte en lange rondjes kunt lopen en afwisselende routes kunt kiezen.
38
Realiseer een openbare ruimte met aanleidingen voor urban sports zoals free-running.
Zonering speelplekken, sportplekken en sportvoorzieningen Verdeling speel en sportplekken Spoorzone
39
7.4 De Eeetbare stad Voedsel in de stad is een opkomend thema. Dat heeft er mee te maken dat voedsel raakvlakken heeft met vrijwel alle aspecten van de stedelijke samenleving. Of we nu de gezondheid van bewoners willen bevorderen, sociale cohesie willen stimuleren, minder afval willen produceren, kringlopen van grondstoffen willen sluiten, vervoersstromen efficiënter willen maken, of de werkgelegenheid een impuls willen geven. Voorbeelden van voedsel verbouwen in de stad zijn gemeenschapstuinen, eetbare stadsbossen en daktuinen. Faciliteer en stimuleer Voor het tot stand komen en onderhouden van dergelijke plekken, is actieve inzet nodig van bewoners en gebruikers of professionele betrokkenheid van ondernemers. Een grote betrokkenheid van bewoners bij hun leefomgeving, vergroot de sociale cohesie. Het verbouwen van voedsel is bij uitstek geschikt om deze betrokkenheid te stimuleren. De gemeente Zwolle kent op dit moment geen beleid voor voedsel in de stad. De rol van de gemeente bestaat er daarom uit deze initiatieven te faciliteren en op het gebied van regelgeving te ondersteunen.
Eetbaar groen en beheer Het beheer van eetbaar groen in de openbare ruimte brengt vraagstukken met zich mee. Fruitbomen bijvoorbeeld, plant je met een horizon van zestig tot tachtig jaar. De vraag is hoe je daarbij zorgt voor voldoende kennis en ervaring in het beheer. Daarnaast is het zaak om die kennis door te geven aan de toekomstige beheerders en gebruikers van deze vruchtbomen. De directe betrokkenheid van buurtbewoners blijkt vaak de sleutel te zijn voor het beheer en gebruik: het gaat om eigenaarschap, letterlijk of gevoeld, en de verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van de bomen. Dat vertaalt zich in nuttig gebruik van de oogst, in aandacht voor goed beheer en het voorkomt dat het (val)fruit vooral als een last wordt gezien. Ook stadsmoestuinen vragen een intensiever beheer dan de gemeente kan leveren en zijn daarmee afhankelijk van het beheer door ondernemers en/of bewoners.
Daarnaast willen we graag dat in de openbare ruimte ook meer ruimte komt voor soorten die ook een voedselcomponent hebben (voor mens maar zeker ook dier). Vooral voor het Hanzekwartier zetten we hier op in omdat dit goed aansluit op de in het NVU vastgelegde gebiedsidentiteit en de inspiratie die er daarvoor ligt in het kwekerijverleden van de Spoorzone. Eetbaar groen en bodemkwaliteit De Spoorzone is deel voormalig industriegebied, waardoor de bodemkwaliteit niet altijd passend is bij het nieuwe gebruik. Als er moestuinen in de volle grond gerealiseerd gaan worden, moet de grond minstens de kwaliteit wonen hebben. Voor het stimuleren van voedsel uit de stad en de gezondheid, moet de bodemkwaliteit moet passen bij het gebruik dat wordt voorgesteld.
De meerwaarde van het terugbrengen van voedselproductie in de stad is enorm. Voor de mens, maar zeker ook onze dierlijke medebewoners.
40
Thema D: Gezondheid
Doelen
Ontwerpuitgangspunten •
D1: buiten spelen is vanzelfsprekend en toegankelijk voor alle kinderen
• •
•
•
D2: De openbare ruimte stimuleert een sportieve en gezonde levensstijl
D3: we maken ruimte voor eetbaar groen
•
•
•
Realiseer voldoende en goed verdeelde speelomgevingen voor alle leeftijden. Verknoop de plekken met elkaar zodat • er een beweegnetwerk ontstaat. Zorg dat de openbare ruimte ook buiten formele speelplekken voldoende • spelaanleidingen bevat. Geef speelplekken voldoende maat (06jr. 100 tot 500 m2, 6-12 jr. 500-2.000 m2, 12-18 jr. min. 2.000 m2). Ontwerp speelplekken zo dat ze voor alle kinderen (ook mindervalide) be-
Zorg ervoor dat ‘een ommetje’ wandelen een laagdrempelig onderdeel wordt van de dagelijkse beweegroutine door een routenetwerk van lusjes (groot en klein) te maken.
•
•
• Leg een goede basis door eetbaar groen (voor mens en dier) in te passenin de grotere groenstructuren. Geef ruimte aan initiatieven van bewoners / ondernemers voor vormen van stadslandbouw.
reikbaar en bruikbaar zijn en gebruikswaarde hebben voor andere leeftijdsgroepen (b.v. ouderen). Geef bijzondere aandacht aan behoeftes van specifieke doelgroepen zoals meisjes en meiden. Programmeer de plekken altijd in samenwerking met de gebruikers, bijv. voor urban sports, met beweegprogramma’s, online trainingsschema’s, bootcamproutes, sportverenigingen en onderwijs. bedrijven in het gebied.
•
Voeg langs routes en op de grote verblijfsplekken elementen toe die sportief gebruik stimuleren. Zet urban sports in als onderdeel van placemaking.
•
Geef dit thema prioriteit bij de uitwerking van het Hanzekwartier (zie ook deel III).
41
•
•
Realiseer een uitdagende inrichting die alle speelbehoeftes aanspreekt. Kies in de meer parkachtige delen van de Spoorzone (Spoorpark, Koggepark, ontwikkelgebieden Willemskwartier, Hanze-oost) voor natuurlijk ogende speelobjecten. Veiligheid is vanzelsprekend (fysiek, verkeerskundig en sociaal).
Zorg voor voorzieningen voor honden en goede verbindingen richting de dichtsbijzijnde uitlaatgebieden.
Een buitenruimte voor iedereen Mensen met een beperking, vrouwen en mensen met een laag inkomen en/of laag opleidingsniveau spelen en bewegen (veel) minder. Hoe kan de buitenruimte zo ingericht worden dat zij aantrekkelijker wordt voor deze doelgroepen?
Spelen voor iedereen De gemeente Zwolle zet al enige tijd in op het toegankelijk maken van haar speelplekken voor kinderen met een beperking. In de Spoorzone zetten we dit beleid voort.
Sporten in de buitenruimte als alternatief voor de sportclub Uit onderzoek blijkt dat jeugd uit gezinnen met een laag gezinsinkomen minder sporten en bewegen: gemiddeld sporten zij 2,6 uur minder per week dan kinderen met een hoog gezinsinkomen. Het faciliteren van urban sports kan een geschikt middel zijn om sportparticipatie onder jongeren te verhogen. Door toegankelijke voorzieningen als skateparken, calisthenicsfaciliteiten en urban playgrounds te bouwen ‘voor sport moeilijk te bereiken jeugd’ in beweging te brengen en te houden. Hiermee worden jongeren bedoeld die zich niet (meer) willen of kunnen binden aan een vereniging en achterblijven in sportdeelnamecijfers.
Sporten en spelen voor meiden Voor jongeren is de openbare ruimte vooral een sociale ontmoetingsplaats. Ze willen elkaar zien, gezien worden en elkaar ontmoeten. Sport- en speelmogelijkheden in het zicht van huizen of plekken waar veel mensen komen zijn daarom favoriet. Uit studies blijkt dat het aantal meisjes van 9-13 jaar in openbare parken significant kleiner is in vergelijking met jongens. Ook meiden (14 – 18 jaar) zijn minder aanwezig in bijvoorbeeld parken dan jongens van dezelfde leeftijd. De reden voor de terughoudendheid van meisjes in de toe-eigening van openbare ruimte ligt in een complex samenspel van ruimtelijk en sociale factoren. Er is een flink verschil in de manier waarop meiden en jongens gebruik maken van de buitenruimte Zo speelt voor meiden het gevoel controle te hebben over de sociale interacties een belangrijke rol. Zij worden bijvoorbeeld minder actief wanneer er meer jongens aanwezig zijn. Tegelijkertijd neemt het sportgedrag van meiden sterk af tijdens hun tienerjaren. Het probleem manifesteert zich met name wanneer er een gebrek aan ruimte om te spelen en te bewegen is en er daardoor een sterk verdringingsmechanisme optreedt
intermezzo 42
tussen de verschillende gebruikersgroepen. In een zich verdichtende stad kan dit onbedoeld zorgen voor de afwezigheid van meisjes en meiden in de openbare parken en speel- en sportplekken. Dit heeft belangrijke implicaties voor hoe actief meisjes zijn en (daardoor) voor hun gezondheid op latere leeftijd. Ook bepaalt het hoe ze zichzelf zien als mensen die (niet) thuishoren in de openbare ruimte. Het is daarom extra belangrijk dat we de buitenruimte zo inrichten dat deze aantrekkelijk blijft voor meiden om te gebruiken. De eerste stap is om een plek te creëren waar meiden zich sociaal veilig voelen en die aansluit bij hun wensen en behoeften. Stap twee is om op verschillende plekken ook aanbod te organiseren voor deze doelgroep. Uit een onderzoek naar een Krajicek Playground in Ede blijkt dat meiden, wanneer er specifiek activiteitenaanbod voor hen wordt georganiseerd, in de dagen daarna ook meer gebruik maken van de speelplek. Ook op Urban Dance Grounds worden activiteiten als danslessen georganiseerd om meiden bij de plek te betrekken.
In verschillende Europese landen is onderzocht op welke manieren parken en pleinen veel aantrekkelijker gemaakt kunnen worden voor meisjes, zonder hoge kosten. De interventies omvatten: • betere verlichting; • bredere ingangen naar speelplaatsen; • kleinere, onderverdeelde sportterreinen, of het toevoegen van een tweede meer open plek; • zithoeken die in groepen in plaats van lijnen zijn opgesteld; • cirkelvormige paden rond de omtrek van het park; • meer schommels; • goede kwaliteit toiletten.
Bronnen: kennisbanksportenbewegen.nl: Case Studies - Make Space for Girls; planung.rtf (wien.gv.at) Parks - ways to implement gender mainstreaming (wien.gv.at); https://urbact.eu/knowledge-hub/gender-equal-cities/public-spaces-foster-gender
43
8. Ontmoeting De openbare ruimte is bij uitstek de plek om je medemens te ontmoeten, georganiseerd of spontaan, bekend of onbekend. Mensen trekken mensen aan, we zijn immers sociale wezens. Een goede openbare ruimte zorgt er daarom voor dat mensen ervoor kiezen er te verblijven en er activiteiten te willen ondernemen. De deense architect Jan Gehl maakte decennia lang studie van hoe de openbare ruimte het leven op straat zo goed mogelijk kan bedienen. De beste plekken voor mensen zijn veilig, gezond, duurzaam en levendig, zegt hij. Hij stelde op basis van zijn onderzoek een checklist op met twaalf criteria voor goede openbare ruimten. In de Spoorzone hanteren we zijn gedachtegoed bij het ontwerp en de inrichting van de buitenruimte.
8.1 Veiligheid, comfort en plezier Om te komen tot een buitenruimte die uitnodigt tot ontmoeting en interactie moet er aan de volgende criteria worden voldaan: • Zorg voor veiligheid: zonder basale bescherming tegen auto’s, lawaai, regen en wind, zullen mensen over het algemeen vermijden tijd in een ruimte door te brengen. kunst langs Engelenpad • Zorg voor comfort: zonder elementen die het lopen, het gebruik van een rolstoel, staan, zitten, zien en praten comfortabel maken, nodigt een plek mensen niet uit om te blijven. • Zorg voor plezier: aantrekkelijke openbare ruimtes bieden meestal positieve esthetische en zintuigelijke ervaringen, profiteren van het lokale klimaat en bieden elementen op menselijke schaal, zodat mensen zich niet verloren voelen in hun omgeving.
8.2 Herbergzaamheid: de menselijke maat De Spoorzone moet een levendig nieuw stukje stad worden, waar mensen zich thuis voelen. Door de menselijke maat als uitgangspunt te nemen voor de opzet van de gebouwen en de openbare ruimten, maken we plekken waar mensen zich veilig voelen, die comfortabel zijn en waar iets te beleven valt. Dat vraagt op alle schaalniveaus bijzondere aandacht maar het begint al bij het stedenbouwkundig ontwerp. Daar wordt de uitgangssituatie bepaald. Gaat het daar fout dan los je dat zelden meer op in de uitwerking van de openbare ruimte.
8.3 Sociale veiligheid, voor iedereen!
Referenties Innovatie Ecosysteem
72
Het gevoel van sociale veiligheid verschilt per individu, gebaseerd op leeftijd, gender, culturele achtergrond, de mate waarin je mobiel bent en seksuele oriëntatie. Beduidend meer vrouwen voelen zich bijvoorbeeld weleens onveilig dan mannen (42% tegen 24%). Dit geldt voor alle leeftijdsgroepen. Onder jongere vrouwen jaar zijn deze percentages het hoogst. informele inrichting binnenplein
Het gevoel van sociale (on)veiligheid beïnvloedt de keuze voor bepaalde routes. Als mensen zich veiliger voelen in de openbare ruimte, zijn ze meer geneigd gebruik te maken van OV of te gaan lopen. Mensen voelen zich het veiligst in openbare ruimten met Referenties Innovatie Ecosysteem veel activiteiten en veel mensen in de buurt. Het is een opgave 72 routes in en naar de Spoorom te zorgen voor sociaal veilige zone, met name van en naar de mobiliteitshubs en het station. Het betrekken van perspectieven van andere groepen (vrouwen, minderheden, minder-validen, kinderen en ouderen) is daarbij essentieel.
Deze criteria zijn op de volgende pagina gebundeld in een matrix met doelstellingen. Een aantal elementen die voor de Spoorzone bovengemiddeld van belang zijn worden extra toegelicht.
informele inrichting binnenplein
Referen
Herbergzame plekken met een menselijke maat, met zon, schaduw, een briesje of juist beschut. Variatie laat mensen kiezen waar ze zich op dat moment thuis voelen.
44
Bescherming
12 URBAN QUALITY CRITERIA
Bescherming tegen verkeer en ongevallen • •
Bescherming voor voetgangers en fietsers Veilige oversteekplekken
Bescherming tegen schade door anderen • • • •
Comfort
Ruimte om te lopen Interessante gevels Geen obstakels Goede bestrating Toegankelijk voor iedereen
Redelijke zichtafstand Ongehinderd zicht Interessant uitzicht Makkelijke oriëntatie Verlichting (als het donker is)
Ontworpen op menselijke schaal
Plezier
• • • •
Opties om te zien • • • • •
•
Zijn de gebouwen en de openbare ruimte van een menselijke schaal in relatie tot zintuigen, bewegingen, grootte en gedrag.
Levendige openbare ruimte ‘ogen op straat’ Diversiteit aan functies 24/7/365 Goede verlichting op menselijke maat
Bescherming tegen onaangename zintuiglijke ervaringen • • • • •
Opties om te staan en te blijven hangen
Opties om te lopen en fietsen • • • • •
locatie:
Aantrekkelijke en functionele randen Plekken om te blijven Objecten om tegen aan te leunen of naast te staan Gevels met detaillering die uitnodigd om te blijven
Opties om te zitten • • • •
Laag geluidsniveau Openbare zitplekken die communiceren bevorderen
• • • •
zon / schaduw warmte / koelte beschutting tegen wind
Opties voor fysieke beweging, spelen en vermaak op straat Tijdelijke activiteiten (markt, festival, tentoonstelling, etc) Overdag en ‘s nachts In de zomer en winter
Ervaring van esthetische kwaliteiten en positieve zintuiglijke ervaringen.
Mogelijkheden om te genieten van de positieve aspecten van het klimaat. • • •
Aangewezen plekken om te zitten Plezierige uitzichten, mensen bekijken Goede mix van publieke en horeca zitplekken Rust en wacht plekken
Opties om te spelen en bewegen
Opties om te praten en luisteren • •
Wind / tocht Regen / sneeuw Kou / hitte Vervuiling Stof, lawaai
• • • •
goed ontwerp en detaillering goede materialen uitzicht rijke zintuigelijke ervaringen: bomen, planten, water
Kwaliteitscriteria voor een geslaagde openbare ruimte volgens Jan Gehl 45
Het Zwolse Stationsplein: een plek die zeer goed scoort op de 12 urban quality criteria
8.4 Comfort, voor alle doelgroepen De buitenruimte in de Spoorzone vormt de dagelijkse leefomgeving voor een breed palet aan doelgroepen. Juist daarom vragen we extra aandacht voor het realiseren van comfort voor die doelgroepen die vaak niet voldoen aan de standaard zoals mensen die minder mobiel zijn. Zorg bijvoorbeeld voor voldoende en comfortabale zitvoorzieningen langs routes zoals het Koggepark, Engelenpad waar mensen even kunnen uitrusten. Comfort en toegankelijkheid voor alle doelgroepen wordt ook expliciet meegewogen bij de keuze van verhardingsmaterialen.
•
hoog. Ook in deze zones bevindt zich stedelijk publiek programma in gebouwplinten en de openbare ruimte, maar dit is meer pleksgewijs geclusterd. Naast drukte zijn er ook luwteplekken. Ontspannen: In de luwte van de doorgaande structuren liggen gebieden die (in gradaties) minder intensief zijn geprogrammeerd. Het gaat om gebieden die primair een betekenis hebben voor de directe bewoners en gebruikers. Alleen op strategische plekken wordt hier publiek programma ingepast. Volledig monofunctionele (woon- of werk-) gebieden worden echter ook hier voorkomen.
8.5 Programmering van rust en reuring Niet overal in de Spoorzone is het even druk. Dat is een kwaliteit maar alleen als er op de schaal van de gehele Spoorzone een duidelijke visie is op waar we een openbare ruimte met rust willen en waar reuring een absolute voorwaarde is om te komen tot een openbare ruimte die voldoet aan de hiervoor beschreven criteria. Uitgangspunt is dat de programmering van rust en reuring in de openbare ruimte op een logische manier samenvalt met de programmering van de gebouwen die de ruimte vormen. Daarbij worden drie niveaus onderscheiden: • Druk en dynamisch: De grootste dynamiek en reuring is gewenst in de plinten en openbare ruimte(s) langs het Engelenpad, het Stationscarré en het Lübeckplein en de ruimte voor de Wärtsilä-hal. Deze zones vormen concentratiepunten van stedelijk publiek programma waardoor er een levendig, hoogstedelijk gemengd milieu ontstaat met een grote interactie tussen gebouwen en openbare ruimte. Zowel overdag als ook in de avonduren. • Levendig: De doorgaande structuren van het Koggepark en de Willemsvaart vormen belangrijke verbindingsroutes op het niveau van de Spoorzone maar ook als connectie tussen stadsdelen. De dynamiek en levendigheid is hier minder
Het succes van de openbare ruimte van de Spoorzone ontstaat mede door de afwisseling tussen rust en reuring op zeer korte afstand van elkaar.
46
8.6 Prikkel de zintuigen Het laatste kwaliteitscriterium van Jan Gehl (zie vorige pagina) richt zich expliciet op de zintuigelijke en esthetische ervaring van de openbare ruimte. Esthetiek is daarmee geen doel op zich maar een belangrijk middel om te komen tot een plezierige buitenruimte. Niet alleen langs de hoogstedelijke en dynamische plekken van bijvoorbeeld het Engelenpad maar tot in de haarvaten van de Spoorzone. Veel zintuigelijke belevingen zijn gekoppeld aan specifieke momenten. We beleven de openbare ruimte immers anders in het licht of donker, in de zomer of de winter, als het zonnig is of regenachtig. Het is de kunst om ervoor te zorgen dat er op elk moment sprake is van een positieve ervaring. Dan kan door bijvoorbeeld na te denken over ‘bloeibogen’, een type beplantingsplan waarbij er bewust wordt aangestuurd om op elk moment van het jaar een (andere) belevingswaarde te realiseren.
Ontwerp de openbare ruimte zo dat alle zintuigen worden geprikkeld en esthetiek daar een rol in speelt. Dat kan gericht zijn op een afwisselende beleving over het jaar heen (‘bloei-bogen’) of juist op specifieke momenten zoals de korstondige massale bloei of herfstverkleuring van een speciale boomgroep.
Zonering speelplekken, sportplekken en sportvoorzieningen
Zonering rust en reuring
47
8.7 Participatie en placemaking De toekomstige identiteit van de Spoorzone is niet in beton gegoten. Hij zal namelijk pas ontstaan op het moment dat het gebied in gebruik wordt genomen en letterlijk en figuurlijk wordt ingekleurd. Ontwerpers hebben daardoor op voorhand nooit de volledige scope op de behoefte van alle gebruikers. Dat hoeft ook niet, zolang ze zich ervan bewust zijn. Een goed participatieproces kan helpen om die ongeziene perspectieven wel in het ontwerpproces te krijgen. Het lastige is dat in de Spoorzone de nieuwe gebruikers er nog niet zijn; ze komen er pas wonen op het moment dat de ontwerpen voor de openbare ruimte al in grote lijnen gereed zijn. Het is daarom van belang om tijdens het ontwerpproces wel een vertegenwoordiging van de toekomstige bewoners te bevragen - het type mensen dat in de Spoorzone zal gaan wonen. Daarnaast kan de openbare ruimte zo ontworpen worden dat er, binnen de kaders van het geheel, plekken overblijven voor nadere invulling door de gebruikers. Zo ligt het voor de hand om een skatepark te ontwerpen met de lokale skate community en een sportplek met de lokale bootcamp- en sportclubs. De rol van placemaking Het faciliteren van veranderlijkheid is ook een middel om experiment en creativiteit een permanente plek te geven in de openbare ruimte. Ook placemaking speelt daarin een belangrijke rol.
Placemaking inspireert mensen om openbare ruimtes samen opnieuw te verbeelden en uit te vinden als het hart van de gemeenschap. Placemaking versterkt de band tussen mensen en de plekken die ze delen. Het staat voor een vorm van samenwerken waarmee we de openbare ruimte kunnen vormgeven om zo de gedeelde (maatschappelijke) waarde ervan te maximaliseren.
Placemaking is daarom meer dan alleen het promoten van een stedenbouwkundig ontwerp of het opstarten van een gebiedsontwikkeling. Het faciliteert creatieve gebruiksvormen, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de fysieke, culturele en sociale identiteiten die een plek definiëren en de voortdurende evolutie ervan ondersteunen. De verschijningsvorm van placemaking kan zeer veelzijdig zijn. Een voorbeeld is het Wärtz-podium dat in deelgebied rond de Werkplaatsen en Lurelui specifiek voor placemaking wordt ingezet. Het kunnen ook plekken in de groenstructuur zijn waar ruimte is voor een tiny forest, voedselbos, het samenwerken met leerlingen van Zonecollege aan het onderhoud van de oevers van de Hanzesingel etc. Terugkerend principe is echter altijd dat het gebeurt in sterke samenwerking met de (toekomstige) lokale gemeenschappen die zich aan de Spoorzone willen binden. Wanneer we hier in de fase van planvorming al mee beginnen, zijn we aan het placemaken.