1. Ruimtelijke onderbouwing met bijlagen.
Tekst van het document
Zicht vanaf de hoek Broerenstraat -Nieuwstraat richting de Broerenkerk.
Begrenzing noordzijde: Drie Pistolengang Aan de noordzijde grenst het plangebied deels aan bestaande bebouwing in de vorm van een (woon)winkel op de hoek Broerenstraat – Achter de Broeren. Achter de Broeren is een klein plein, omringd door de Broerenkerk, het bouwblok met de Xenos, het Eiland en de noordzijde van de oorspronkelijke Weeshuispassage. De winkel op de hoek Broerenstraat – Achter de Broeren bevindt zich vanaf het plein gezien aan de entree van de Drie Pistolengang. In de Drie Pistolengang bevindt zich in de huidige situatie een toegang tot de C&A. Deze entree is min of meer weggestopt en ondergeschikt aan de hoofdingang aan de Broerenstraat. Verder zijn in de Drie Pistolengang etalages aanwezig in de plint en is het pand vanaf de verdieping opgetrokken uit beton. Aan de andere zijde van de Drie Pistolengang bevindt zich de
47
bebouwing van Het Eiland. Net zoals dat geldt voor het pand van de C&A, bestaat ook de eerste laag van de bebouwing van Het Eiland uit een commerciële plint. Daarboven bevinden zich woningen. Op de volgende foto’s zijn de bestaande situatie aan de noordzijde van het plangebied en in de drie Pistolengang weergegeven.
Foto links: bebouwing op de hoek Broerenstraat – Achter de Broeren. Foto rechts: toegang tot de Drie Pistolengang vanaf Achter de Broeren.
Foto links: zicht op de Drie Pistolengang vanaf de zijde Achter de Broeren. Foto rechts: bestaande bebouwing Het Eiland ter hoogte van de Drie Pistolengang.
48
4.1.2 Stedenbouwkundige visie De opgave ligt voor om het Broerenkwartier zodanig te transformeren, dat het gebied op langere termijn toekomstbestendig kan functioneren. Het Broerenkwartier moet een volwaardig onderdeel van de binnenstad vormen waar wordt gewerkt, gewoond en dat een aanvulling vormt op de rest van de historische binnenstad en de Thorbeckegracht. Op onderstaande afbeelding is de routestructuur rondom het plangebied weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied tussen verschillende routestructuren van de binnenstad ligt.
Routestructuur rondom plangebied. Bron: Tim Versteegh. Architect.
De samenhang tussen het Broerenkwartier en de binnenstad ontbreekt echter, ondanks een bestaande routestructuur. In de huidige situatie wordt het grootste deel van het Broerenkwartier dusdanig slecht benut, dat bezoekers van de binnenstad letterlijk aan het gebied voorbij gaan. Voor de locatie van de C&A valt dit relatief gezien mee omdat het plangebied grenst aan Het Eiland en aan de verbinding tussen de Diezerstraat en de Broerenkerk ligt. Door het gehele Broerenkwartier zowel ruimtelijk als functioneel op te waarden, gaan het gehele gebied en dus ook voorliggend plangebied, weer onderdeel uit maken van de binnenstad en gaat het als verbinding fungeren tussen het kernwinkelgebied en de Thorbeckegracht.
4.1.3 Verschijningsvorm Algemeen Algemeen uitgangspunt van het plan is dat het gebouw zowel ruimtelijk als functioneel bijdraagt aan de opwaardering van het Broerenkwartier, onderdeel wordt van de routing tussen de Diezerstraat en de Broerenkerk en dat het toevoegen van woningen bijdraagt aan de levendigheid van dit deel van de binnenstad. Met het toevoegen wordt ook bijgedragen aan de woonbehoefte in Zwolle.
49
De eerste en tweede bouwlaag blijven behouden. Dat betekent dat de karakteristieke betonnen omranding van de eerste verdieping en het hoekelement op de hoek Broerenstraat – Nieuwstraat worden geïntegreerd in het plan. Doordat het plan wordt gerealiseerd boven op de bestaande bebouwing betekent dit dat de bestaande constructie van het pand als uitgangspunt is gehanteerd voor de uitwerking van het plan. Dat is van invloed heeft op de ruimtelijke en architectonische invulling van het plangebied en daarmee op het programma. De bouwlagen die worden toegevoegd zijn in hoogte en situering afgestemd op de omgeving. Vanaf de tweede bouwlaag is de bebouwing op minimaal 2 meter teruggelegd waardoor lucht in het plan ontstaat. Aan de zijde van de drie Pistolengang betekent dit dat er ook voldoende afstand ontstaat tussen de bestaande bebouwing van Het Eiland en de nieuwe bouwlagen. Ten aanzien van de bouwhoogte wordt grotendeels aansluiting gevonden bij de bestaande planologische mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan. Op onderdelen wordt hier van afgeweken (om een lift mogelijk te maken), maar dat is door het toepassen van setbacks ruimtelijk en functioneel gezien in aansluiting op de omgeving. Verder is een belangrijk uitgangspunt dat het plan bijdraagt aan de gemeentelijke duurzaamheids- en klimaatdoelstellingen.
Door het toevoegen van groen op de daken wordt hittestress tegengegaan, wordt de binnenstedelijke biodiversiteit vergroot en wordt water langer vastgehouden dan nu het geval is in de bestaande versteende omgeving. In de navolgende alinea’s wordt beschreven op welke wijze het plan, bezien vanuit verschillende zijden van het gebouw, bijdraagt aan de hiervoor beschreven doelstellingen. Alle in dit document opgenomen afbeeldingen vormen impressies. Hier kunnen geen rechten aan worden ontleend. Zijde Nieuwstraat De versteende gevel van het pand aan de zijde van de Nieuwstraat en het doorgaande verkeer ter plaatse van de Nieuwstraat zorgen in de bestaande situatie voor een onaantrekkelijke leef- en verblijfsomgeving. Dit contrasteert met de afwisseling van woningen en bedrijven aan de overzijde van de weg. Door het realiseren van een entree, het toevoegen van groen en het realiseren van woningen wordt het plangebied ruimtelijke en functioneel onderdeel van de Nieuwstraat. Een woonfunctie leidt tot levendigheid en meer sociale controle. Het toevoegen van groen draagt eveneens bij aan het vergroten van het woon- en leefklimaat en op kleine schaal aan de vergroting van de biodiversiteit. Naast het toevoegen van een nieuwe functie, wordt ook de pui van de bestaande commerciële plint transparant en daarmee overhoeks gemaakt. Hierdoor ontstaat meer openheid naar de straat.
Het bestaande hoekelement met lift blijft behouden, evenals de betonnen omranding van de eerste bouwlaag die het pand karakteriseert. Met het opwaarderen van het pand aan de zijde van de Nieuwstraat wordt aangesloten bij de plannen aan de zuidzijde van de Weeshuispassage, zijde Nieuwstraat. Ook hier wordt een woonomgeving gecreëerd. Op de volgende impressie is de het nieuwe pand vanaf de zijde van de Nieuwstraat-hoek Broerenstraat weergegeven.
50
Zicht op de Nieuwstraat, richting Broerenstraat. Bron: Tim Versteegh. ARCHITECT.
Aan de achterzijde van het pand, op de hoek waar het pand grenst aan de Nieuwstraat en Sikkes, blijft de betonnen rand ook behouden. De woningen worden net als aan de hele zijde van de Nieuwstraat met een 'setback' terug liggend ten opzichte van de gevel gesitueerd. Hierdoor ontstaat ‘lucht’ in het gebouw. Deze trapsgewijze opbouw van het pand met diverse setbacks wordt in de verschillende verdiepingen voortgezet. Op de volgende afbeeldingen is de oude situatie afgezet tegen de nieuwe situatie.
Zicht op de achterzijde van het pand vanaf de Nieuwstraat. Bron: Tim Versteegh. ARCHITECT.
Broerenstraat De hoofdentree van het gebouw bevindt zich aan de zijde van de Broerenstraat. Zoals in hoofdstuk 2 al is toegelicht, is deze entree georiënteerd op een belangrijke looproute tussen de Diezerstraat en de Broerenkerk. Ook de aanwezigheid van de WE aan de overzijde van de Broerenstraat zorgt er voor dat dit deel van de Broerenstraat een belangrijke looproute is voor bezoekers van de binnenstad.
51
Waar nu sprake is van een deels betonnen zijde op de tweede bouwlaag, wordt deze zijde van de winkel met dit plan opgewaardeerd door meer raampartijen te maken. De betonnen omranding wordt als het ware deels ‘doorgezaagd’ door raampartijen toe te voegen, waardoor een opdeling van de oorspronkelijke rand ontstaat. Door het toevoegen van woonlagen die zijn georiënteerd op de Broerenstraat ontstaat, in combinatie met groen op de buitenruimten van de bouwlagen, een aantrekkelijke situatie. Op de volgende afbeeldingen zijn de bestaande en nieuwe situatie tegen elkaar afgezet.
Links: zicht richting Broerenkerk in bestaande situatie. Rechts Zicht richting Broerenkerk in de nieuwe situatie. Bron: Tim Versteegh, Architect.
Broerenkerkplein Aan de zijde van het Broerenkerkplein, doorlopend tot de toegang tot de Driepistolengang, is een winkel tegen het pand van de C&A aangebouwd. Deze heeft nagenoeg dezelfde bouwhoogte als het pand van de C&A. Het C&A-pand ligt daarvoor min of meer verscholen achter het bestaande gebouw en is vrijwel niet zichtbaar als je vanuit de Klokkensteeg richting de Drie Pistolengang kijkt. Door het toevoegen van bouwlagen wordt het pand vanaf het Broerenkerkplein zichtbaar. Omdat de bouwlagen in de vorm van setbacks trapsgewijs de lucht in worden gebouwd, valt dit nauwelijks op. Op de volgende afbeelding is de huidige situatie afgezet tegen de nieuwe situatie.
Zicht richting Drie Pistolengang vanaf Broerenkerkplein in bestaande situatie (links) en in nieuwe situatie (rechts). Bron: Tim Versteegh, Architect.
52
Drie Pistolengang De Drie Pistolengang is in de bestaande situatie een vrij doodse doorgang aan de achterzijde van Het Eiland. De bebouwing van Het Eiland bestaat hier uit een commerciële plint met daar boven woningen. Er bevinden zich, behoudens de tweede entree van de C&A, geen entrees voor deze winkels en woningen in Het Eiland. Met voorliggend plan krijgt de Drie Pistolengang een ander karakter en gaat een logischer onderdeel vormen van de woonomgeving. De entree van de appartementen wordt aan de Drie Pistolengang gesitueerd en ook bevindt zich hier de toegang tot de fietsenstallingen van de woningen. Daar waar nu, met name na sluitingstijd van de winkels een vrij doodse en sociaal onveilige situatie heerst, wordt dit door het toevoegen van de woningen anders. Er ontstaat een levendiger en sociaal veiligere situatie. Aan de Drie Pistolengang kan de bebouwing tot de in het bestemmingsplan opgenomen maximale bouwhoogte worden opgetrokken. Daar is in voorliggend plan bewust niet voor gekozen om te voorkomen dat er een te groot bouwvolume ten opzichte van de naastgelegen bebouwing ter plaatse van Het Eiland ontstaat. Er is gekozen voor een trapsgewijze opbouw van de woonlagen om lucht, licht en ruimte te creëren, zowel voor de nieuwe bewoners, als voor de bewoners van Het Eiland.
Op de volgende afbeeldingen is effect van de maximale planologische bebouwingsmogelijkheden in de vorm van een hoog opgetrokken muur, afgezet tegen het bouwplan. Het geeft een beeld hoe de bewoners van Het eiland tegen het bouwplan aankijken. Door gebruik te maken van setbacks bij de verschillende bouwlagen ontstaat lucht in het plan.
Zicht in de Drie Pistolengang. Links: maximale planologische mogelijkheden. Recht het bouwplan met lucht. Licht en ruimte.
Dit beeld is genomen vanaf de zijde van de Sikkens (Nieuwstraat) , door de Drie Pistolengang richting de entree van de C&A. Op de volgende afbeelding is dat weergegeven met de gele pijl.
53
Op de volgende afbeeldingen is de situatie in tegengestelde richting weergegeven, overeenkomstig de rode pijl in bovenstaande afbeelding.
Zicht in de Drie Pistolengang. Links: maximale planologische mogelijkheden. Recht het bouwplan met lucht. Licht en ruimte.
54
4.1.4 Toelichting op het programma In de bestaande situatie kent het gebouw alleen een commerciële functie. Als gezegd wordt deze commerciële functie afgewaardeerd tot circa 1.800 m2 en wordt alleen de begane grond en een klein deel van de eerste bouwlaag voor detailhandel gebruikt. Op de begane grond worden twee entrees ten behoeve van de woningen gerealiseerd (op de hoek Nieuwstraat-Broerenstraat en in de Drie Pistolengang). Ook wordt aan de zijde van de Drie Pistolengang een deel van het gebouw benut voor het realiseren van bergingen van de bewoners van de 68 appartementen. De appartementen worden gerealiseerd in de tweede (bestaande), derde, vierde en vijfde bouwlaag. Op basis van voorgaande kent voorliggend bouwplan het volgende programma: Begane grond - commercieel, ca 1.700 m² (bestaand, geen onderdeel van het bouwplan) - 104 fietsenstallingen - twee entrees Verdeeld over de verdiepingen de volgende appartementen: - 1e verdieping: o commerciële ruimte o 19 appartementen o 17 bergingen e - 2 verdieping: 18 appartementen - 3e verdieping: 18 appartementen - 4e verdieping: 13 appartementen Voor een specifieke omvang van de appartementen wordt verwezen naar de tekeningen van de architect die onderdeel uitmaken van de aanvraag omgevingsvergunning.
4.2 Groen 4.2.1 Huidige situatie Aan de zijde van de Nieuwstaat staan tegen het pand 6 bomen. En aan de zijde van Sikkes 4 bomen. Deze kunnen mogelijk niet worden gespaard. Op grond van gemeentelijk beleid is dit hoofdgroenstructuur en moet er een kapvergunning worden gevraagd en geldt een herplantplicht indien de bomen daadwerkelijk worden gekapt. In overleg met de gemeente wordt bepaald waar deze bomen worden herplant indien de bomen gekapt moeten worden. In de bestaande situatie is sprake van een groot versteend dakoppervlak en is geen sprake van openbaar groen. Op de volgende afbeelding is dit weergegeven.
55
Bestaande situatie. Binnen het plangebied is sprake van een versteend oppervlak. Bron: Google maps.
4.2.2 Uitgangspunten voor het plan Met het toevoegen van woningen in het Broerenkwartier wordt de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied vergroot. Het toevoegen van groen op het dak van het gebouw is een belangrijk element om de leefbaarheid verder te vergroten. Met het realiseren van deze groene daken wordt een grote bijdrage geleverd aan de opvang, buffering en vertraagde afvoer van regenwater. Een grote meerwaarde ten opzichte van de huidige situatie waar sprake is van een versteend dakoppervlakte. Ook draagt het groen bij aan het tegengaan van hittestress en levert het een bijdrage aan de biodiversiteit. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan het gemeentelijke KEC-beleid. Op de hoeken van de 3e en 4e verdieping van het gebouw wordt over een oppervlakte van 131 m2 het type ‘verblijfsdak’ gerealiseerd. Dit type dak heeft een waterbuffering van 110 – 160 liter per m2. De vegetatie bestaat uit vaste planten, heesters en gazon. Op het dak boven de 4e verdieping wordt over een oppervlakte van 687 m2 een retentiedak aangelegd. Dit type dak heeft een waterbuffer van 20 liter per m2. Dit type dak zorgt voor een Meanderende afvoer van regenwater, enorme vermindering piekafvoer, is toe te passen met extensieve begroeiing. Dit betekent: 131 m2 x 110 à 160 l/m2 = 14,3 à 21,0 m3 waterberging. 687 m2 à 20 l/m2 = 13,7 m3 waterberging.
De totale waterberging bedraagt 28,0 à 34,7 m3 gerelateerd aan circa 1640 m2 dakoppervlak betekent dit 17,1 mm à 21,2 mm waterberging. Er is geen sprake van waterbuffering in de drainagelaag, enkel van vertraging. Op de volgende impressie is de wijze waarop de groene daken worden vormgegeven aan de hand van een impressie weergegeven.
56
Vogelvluchtimpressie van het bouwplan. Op deze impressie is goed zichtbaar dat binnen het plan sprake is van een toename van het groen op het dak van het gebouw. Bron: Tim Versteegh. Architect.
4.3 Archeologie 4.3.1 Huidige situatie In de Erfgoedwet stellen Rijk en provincie dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Daarnaast dient aangetoond te worden dat het voorziene plan geen afbreuk doet aan bestaande cultuurhistorische waarden. Op een deel van de gronden ter plaatse van het plangebied rust de bestemming ‘Waarde – Archeologie’. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de archeologische monumenten die ter plaatse aanwezig zijn en het behoud van de archeologische monumenten, waarvan de aanwezigheid redelijkerwijs vermoed wordt. Tot een gebruik strijdig met deze bestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval gerekend een gebruik ten behoeve van een andere bestemming waardoor een onevenredige afbreuk aan het belang van de archeologische monumentenzorg wordt gedaan.
Op deze gronden is het verboden zonder omgevingsvergunning een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, welke kunnen leiden tot het verstoren van de bodem op een grotere diepte dan 0,5 meter en over een grotere oppervlakte dan 30 m². De aanvrager van een omgevingsvergunning dient in het belang van de archeologische monumentenzorg een rapport te overleggen waarin de archeologische
57
waarden van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld, indien meer dan 100 m² en dieper dan 0,5 meter wordt ontgraven. Voorliggend plan voorziet in het voortzetten van het gebruik van de bestaande bebouwing en het optoppen van deze bebouwing om woningen mogelijk te maken. In het kader van dit plan wordt de grond niet geroerd. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.3.2 Uitgangspunten voor het plan Het aspect archeologie is niet relevant voor het plan omdat geen bodemingrepen plaatsvinden.
4.4 Cultuurhistorie 4.4.1 Huidige situatie Het plangebied maakt deel uit van het Broerenkwartier. In december 2018 is het document ‘Cultuurhistorische verkenning Broerenkwartier Zwolle’ uitgebracht. Een cultuurhistorische biografie waarin de geschiedenis van het Broerenkwartier uitgebreid wordt beschreven. In voorliggend plan is veelvuldig teruggegrepen op de cultuurhistorische structuren, waarden en geschiedenis zoals die in de biografie beschreven zijn. Voor een nadere onderbouwing van de volledige geschiedenis van het Broerenkwartier wordt verwezen naar deze biografie, hieronder een beknopte geschiedenis. Beknopte geschiedenis3 Het huidige Broerenkwartier is zijn bestaan niet op één moment of als één samenhangend kwartier begonnen, maar is gegroeid uit twee opeenvolgende uitbreidingen van het laatmiddeleeuwse Zwolle. Het gebied tussen de voormalige waterstroom kleine Aa en de huidige Thorbeckegracht wordt in historische bronnen ‘Het eiland’ genoemd, terwijl het gebied tussen de Kleine Aa en de Nieuwstraat een onderdeel was van een eerdere laatmiddeleeuwse uitbreiding. Na de verstedelijking van Het Eiland in de 16e eeuw groeiden beide stadsdelen naadloos aan elkaar, omdat ook Het eiland, net als de rest van de binnenstad, groeide op een pre stedelijke ondergrond, weliswaar op onderdelen gestuurd door de stad, maar niet gepland naar hedendaagse maatstaven.
Het Eiland en de strook tussen Kleine Aa en Groote Aa-Diezerstraat werden tezamen de wijk Waterstraat genoemd. Vóór de grootschalige sloop van het Broerenkwartier in de jaren ’60 van de vorige eeuw waren de verschillen tussen beide stadsdelen nog altijd waar te nemen, maar subtiel en vloeiend in elkaar overgaand. Alleen een historisch geoefend oog had de exacte groeinaden tussen beide stadsdelen kunnen herkennen. Toch ontwikkelden het Eiland en de wijk Waterstraat wel hun eigen endogene eigenschappen die door werden gegeven aan nieuwe ontwikkelingen. Hierdoor behield dit deel van de binnenstad door alle veranderingen en tijdperken heen een eigen karakter. Veel van de eigenheid van dit stadsdeel was terug te voeren op zijn afwijkende sociaaleconomische status: er was sprake van een sterker concentraat van kleine middenstand (ambachtslieden, neringdoenden) dan in andere buurten. Deze in welvaartstermen tweederangspositie heeft zich door de eeuwen heen telkens vertaald in van de rest van de stad afwijkende ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. Zo waren hier meer kleinere woningen dan elders in de stad en werden er in de 19e en begin 20e eeuw minder nieuwe openbare functies gehuisvest dan in de zuidelijke binnenstad. 3
Bron: ‘Cultuurhistorische verkenning Broerenkwartier Zwolle’, gemeente Zwolle, 2018.
58
Wellicht heeft deze status ook invloed gehad op de drie belangrijkste transformatieprocessen in dit stadsdeel tot aan de tweede helft van de 20e eeuw: ‘inbreiden’, ‘inpakken’ en ‘hergebruik’. Hoewel deze specifieke verdichtingsprocessen eigen zijn aan elke historische stad, komen zij in het Broerenkwartier wel bijzonder pregnant naar voren. De tot aan de jaren ‘60 van de 20e eeuw bijna volledig ingepakte middeleeuwse stadsmuur heeft een bijzondere rol gespeeld in de stedelijke verdichting van de buurt en heeft bovendien alle eeuwen doorstaan, een zeer zeldzaam gegeven voor een al in de 17e eeuw buiten gebruik geraakte vestingmuur. Iets soortgelijks geldt voor het laatmiddeleeuwse Broerenklooster, dat voor het grootste deel bewaard is gebleven en nog altijd het middelpunt is van de noordelijke binnenstad. Ook dat is ongebruikelijk in een historische stad. Vertaling naar plangebied Ten aanzien van het plangebied geldt dat na de grootschalige sloop in de jaren ’60 van de vorige eeuw, in de jaren ’70 een winkelgebied werd gebouwd. Dat gebied bestond uit vier delen: het overdekte winkelgebied de Weeshuispassage (noord- en zuidzijde), de locatie van de voormalige V&D en de locatie van de C&A (voorliggend plangebied). het gebied is aangeduid als het Broerenkwartier.
Al geruime tijd is algemeen geaccepteerd dat dit winkelgebied zowel ruimtelijk als functioneel zijn aansluiting op de historische binnenstad mist. De dalende bezoekersaantallen en leegstaande winkels zijn een schrijnende reflectie hiervan. Meer dan 40 jaar na de realisatie is ook duidelijk geworden dat deze situatie vraagt om transformaties. Functies passen zich meer dan in het verleden aan het historisch erfgoed aan, in plaats dat dit erfgoed het veld ruimt voor veranderend programma. In nieuwe ontwerpen, zo ook voor onderliggend plan, wordt meer dan enkele decennia geleden rekenschap gegeven van de historische context. Deze cultuuromslag brengt met zich mee dat bij elke nieuwe opgave in de historische binnenstad, zeker als het om grotere transformatiegebieden gaat, een verdieping in de geschiedenis van het gebied en in de specifieke ruimtelijke en cultuurhistorische waarden nodig is. De ‘Cultuurhistorische verkenning Broerenkwartier Zwolle’ biedt deze verdieping en is gehanteerd bij de planuitwerking. In het document worden diverse aanbevelingen gedaan ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van het gebied. Het betreft aanbevelingen ten aanzien van stedenbouw, architectuur, openbare ruimte en routestructuren.
Deze aanbevelingen zijn door de initiatiefnemer, de architect, de gemeentelijk stedenbouwkundige en Het Oversticht als uitgangspunt genomen bij het maken van voorliggend plan. Zo is als uitgangspunt gehanteerd dat plinten een opwaardering moeten krijgen en afgestemd moeten zijn op de nieuwe woonfunctie, zonder dat de aantasting van de oorspronkelijke massa wordt aangetast. Dat heeft er toe geleid dat de oorspronkelijke uitstraling van het gebouw (eerste lagen) en de tijdgeest waarin het pand is gebouwd (jaren ’60) nog af te lezen is. Aan de zijde van de Nieuwstraat wordt de bestaande rooilijn gerespecteerd, maar worden de gesloten plinten geopend waardoor het gebied ‘toegankelijker’ wordt. Verder draagt het plan bij aan de versterking van de routing tussen de Broerenkerk en de Diezerstraat. Daarbij heeft waar mogelijk afstemming plaatsgevonden met omliggende ontwikkelingen in het Broerenkwartier (oord- en zuidzijde). Dat heeft er toe geleid dat het plan zowel ruimtelijk als functioneel past binnen de doelstellingen van het Broerenkwartier en zijn afgestemd op cultuurhistorische waarden.
59
4.4.2 Uitgangspunten voor het plan Het plan voorziet in een transformatie van een deel van het Broerenkwartier waarbij afstemming plaatsvindt met de cultuurhistorische waarden en de geschiedenis van het gebied. Er wordt aangesloten op het document ‘Cultuurhistorische verkenning Broerenkwartier Zwolle’ waarin diverse aanbevelingen ten aanzien van de ruimtelijke en functionele structuur van het gebied zijn weergegeven. Het plan zorgt onder andere voor een samenhangend geheel met de omgeving, versterking van het openbaar gebied, aansluiting op bestaande architectuur en versterking van de (historische) routestructuren en zichtlijnen.
4.5 Verkeer In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte te bepalen wordt door de gemeente Zwolle gebruik gemaakt van het parapluplan parkeren. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een wijziging van het bestemmingsplan moet zijn verzekerd dat op eigen terrein, dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden voldaan worden aan de parkeeropgave, zoals neergelegd in de ‘Regeling Parkeernormen 2016, versie 2021’. Indien deze regeling wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging.
4.5.1 Huidige situatie Bereikbaarheid Het plangebied ligt in de binnenstad van Zwolle. Te voet en per fiets is de locatie goed bereikbaar. Via de Nieuwstraat is het plangebied ook voor auto’s bereikbaar. Binnen het plangebied bevinden zich geen parkeerplaatsen. Parkeren wordt in openbare parkeervoorzieningen opgelost. Het gemeentelijk beleid is erop gericht om het autoverkeer in de binnenstad terug te dringen. Dit beleid komt terug in de vastgestelde gemeentelijke mobiliteitsvisie 2020-2030 en het Ontwikkelprogramma Ons Stadshart van Morgen. Door de gemeenteraad vastgesteld op 16 december 2019. Voor dit project is relevant: stimuleren fiets en OV, gebruik STOMP-principe en ambitie van verkeerluwe binnenstad. In het Ontwikkelprogramma Ons Stadshart van Morgen is de ambitie opgenomen voor een autoluwe binnenstad.
4.5.2 Uitgangspunten van het plan Ten gevolge van het plan vindt geen wijziging in de wegenstructuur plaats. De bereikbaarheid van het plangebied blijft vooralsnog zoals die nu is. De wens is om de Nieuwstraat een fietsstraat te maken (1.200 mve in model voor 2035, dit aantal ligt nu op 800). De Nieuwstraat is één van de routes door het Stadshart die aangewezen is als een belangrijke fietsroute. Het is de ambitie om de Nieuwstraat een inrichting mee te geven die past bij de uitgangspunten van deze fietsroute. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeercijfers wordt aangesloten bij het gemeentelijk verkeer- en parkeerbeleid. Uitgangspunt van dat beleid is de Regeling Parkeernormen Zwolle (2024) waarin wordt verwezen naar de geldende Parkeercijfers van de CROW. In voorliggend geval de CROW cijfers van 2024. Op basis van de gebiedsindeling uit het parkeerbeleid van de gemeente Zwolle bevindt het plangebied zich in het centrum in zeer sterk verstedelijkt gebied.
60
Verkeersgeneratie Op basis van het programma heeft het plangebied de volgende potentiële verkeersgeneratie op basis van de CROW-normeringen: -
Commerciële functie, 23,3 bewegingen/100 m2 bvo, 1.844/100*23,3 63 Koop appartement < 75 m2, norm 1,6 bewegingen/woning 3 koop appartement 75 – 100 m2, norm 3,3 bewegingen/woning 2 koop appartementen > 100 m2, norm 4,9 bewegingen/woning Totaal
= 428,7 = 101 = 9,9 = 9,8 = 595 (549,4)
In totaal vinden er per etmaal op basis van voorliggend plan 595 verkeersbewegingen plaats. De woningen beschikken niet over een eigen parkeerplaats. Bewoners en bezoekers zullen ten behoeve van het laden en lossen van spullen incidenteel gebruik maken van de Nieuwstraat, maar niet frequent omdat bewoners en bezoekers voor het parkeren van de auto aangewezen zijn op één van de drie commerciële parkeerplaatsen in de omgeving van het plangebied (zie navolgende onderbouwing van de parkeeropgave). Dat betekent dat de verkeersgeneratie rondom het plangebied (Nieuwstraat) niet significant zal toenemen. Ten aanzien van de winkel wordt uitgegaan van verkeer dat niet tot aan het plangebied komt maar, zoals dat voor de gehele binnenstad het geval is, gebruik maakt van de bestaande wegen van en naar de gebouwde algemene parkeervoorzieningen. Parkeren auto’s De regeling Parkeernormen, versie 2024 is in de gemeente Zwolle het toetsingskader voor parkeren in het geval van vastgoedontwikkelingen, bestemmingsplannen en aanvragen van een omgevingsvergunning. Hierbij wordt verwezen naar de laatste kencijfers van de CROW (in voorliggend geval uit 2024). Daarbij geldt voor het plangebied zich bevindt in het centrum, in sterk stedelijk gebied en dat sprake is van koopappartementen met verschillende oppervlakten en bijbehorende normen.
De parkeeropgave bij een bouwplan of een ontwikkeling dient primair op eigen terrein gerealiseerd te worden. Om de parkeeropgave te bepalen en een invulling aan de parkeeropgave te geven, worden diverse stappen doorlopen. In de navolgende stappen wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze bij voorliggend plan invulling wordt gegeven aan de parkeeropgave. Hierbij wordt aangesloten bij de wijze waarop parkeren bij de eerdere plannen voor de ontwikkeling Broerenkwartier noordzijde en Broerenkwartier Zuidzijde is vergund op basis van de nul-vergunningen systematiek en het plaatsen van de appartementen op de POET-lijst. Stap 1. Bepalen parkeeropgave Huidige situatie Er moet, afhankelijk van de omvang, de bestemming, de functie en het gebruik van het gebouw en/of terrein, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s parkeerruimte op het eigen terrein worden aangelegd conform de parkeeropgave. De parkeeropgave wordt bepaald op basis van de Parkeerkencijfers CROW publicatie 744 en de regeling Parkeernormen Zwolle, versie 2024. Bij het bepalen van de norm wordt het gemiddelde van de bandbreedte van de CROW-norm gehanteerd. Een berekening die resulteert in een getal met een decimaal, wordt bij decimalen van 4 of lager afgerond naar hetzelfde getal en bij decimalen hoger dan 4 afgerond naar het eerstvolgend getal.
61
Om de opgave te bepalen wordt van de nieuwe opgave de oude opgave afgetrokken. In de huidige situatie is sprake van een winkelfunctie in een binnenstad van een stad met 100.000 – 175.000 inwoners, in het centrum van zeer sterk stedelijk gebied. Op basis van deze functie is op basis van de CROW Richtlijn een parkeeropgave van 3,5 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Het oppervlak van de winkel is 3.914 m². Dat betekent concreet dat ten behoeve van de bestaande situatie een parkeerbehoefte is van 3914/100 * 3,5 = 137 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte wordt in de bestaande situatie op openbaar gebied (betaalde parkeervoorzieningen) afgewenteld. Het maatgevende moment van de winkelfunctie is op zaterdagmiddag. Voorziene situatie In de voorziene situatie is sprake van een afname van het winkeloppervlakte en het toevoegen van een gevarieerd woningbouwprogramma in de vorm van 68 appartementen. Het programma met bijbehorende parkeeropgave is als volgt: -
Commerciële functie, 3,5 pp/100 m2 bvo, 1.844/100*3,5 63 Koop appartement < 75 m2, norm 0,9 (incl. bezoeker parkeren) 3 koop appartement 75 – 100 m2, norm 1 (incl. bezoeker parkeren) 2 koop appartementen > 100 m2, norm 1,1 (incl. bezoeker parkeren) Totaal
= 65 (64,54) = 56,7 =3 = 2,2 = 127 (126,44)
Het aandeel parkeerplaatsen ten behoeve van bezoekers (woonfunctie) betreft 0,1*68 = 7 (6,8) van het totaal. Bij nieuw- en verbouw worden de (nieuwe) parkeernormen van de bestaande bebouwing(sfuncties) in mindering gebracht op de (nieuwe) parkeernormen van de nieuwbouw(functies). Het (positieve) verschil in parkeervraag moet op eigen terrein worden gerealiseerd. Ten gevolge van voorliggend plan neemt het aantal parkeerplaatsen per saldo af. Waar in de bestaande situatie een opgave is van een opgave van 137 parkeerplaatsen, is dat in de nieuwe situatie 127 parkeerplaatsen. Het is echter zo dat in de bestaande situatie alleen sprake is van een parkeervraag ten behoeve van een detailhandelsfunctie. In de nieuwe situatie is een deel van de parkeervraag ook toe te rekenen aan een woonfunctie. Dat betekent dat er ten gevolge van de wijziging van de parkeervraag sprake is van andere maatgevende momenten van de parkeervraag. Met name in de avonden en in de nacht zal de parkeervraag toenemen, omdat de huidige winkel dan gesloten is, maar de nieuwe woonfunctie wel een parkeervraag met zich meebrengt in de vorm van bewoners van de appartementen. Per saldo is er daardoor met name in de avond- en nachtperiode een toename van parkeervraag die rechtstreeks te koppelen is aan de woningen die worden gerealiseerd.
Het gaat daarbij (maatgevend moment voor de woonfunctie) om een toenemende parkeervraag van 62 parkeerplaatsen. Stap 2. Parkeren op eigen terrein In de vorige stap is geconstateerd dat ten gevolge van het plan de parkeerbehoefte in de avond- en nachtperiode toeneemt. De extra parkeervraag ten gevolge van het plan dient in navolging van het parkeerbeleid in beginsel op eigen terrein opgelost te worden. In voorliggend plan is sprake van het 62
toevoegen van bouwlagen waarin woningen worden gerealiseerd. Het gehele plangebied is en blijft bebouwd. Stap 3. Parkeren in openbare ruimte Alleen als er overwegende bezwaren zijn om op eigen terrein (volledig) te voorzien in de parkeeropgave en de aanvrager dit ook voldoende aannemelijk heeft gemaakt, kan gekeken worden of (een deel van) de parkeeropgave van het plan binnen het invloedgebied van het plan kan worden opgelost. Redenen die de gemeente hierbij kan betrekken zijn: -
De omvang van het plan; De ruimtelijke consequenties; De financiële en economische consequenties.
Het plan is stedenbouwkundig beoordeeld door de gemeente en door welstand. Hieruit volgt dat er sprake is van een wenselijk plan dat stedenbouwkundig goed ingepast wordt in haar omgeving. Wijziging van dit plan om parkeren op eigen terrein mogelijk te maken stuit op bezwaren: -
-
-
Indien op eigen terrein geparkeerd wordt, zou een deel van de bebouwing gesloopt moeten worden. Sloop van een deel van de bebouwing om parkeren op maaiveld mogelijk te maken tast de stedenbouwkundige structuur van het gebied (Broerenkwartier) aan; Het realiseren van parkeren in de bebouwing (eerste of tweede bouwlaag) leidt tot een afname van het aantal winkelmeters. Dat is economisch gezien niet wenselijk in het kader van de ontwikkeling van het Broerenkwartier en de Zwolse binnenstad. Ook de uitstraling van het pand richting haar omgeving wordt ten gevolge van inpandig parkeren aangetast, wat de leefbaarheid aantast. Nu is sprake van een open en transparante plint. Indien inpandig geparkeerd wordt is daar geen sprake meer van; Het realiseren van een parkeergarage onder het pand stuit ook op bezwaren. De kosten zijn hoog, technisch gezien is het niet eenvoudig om een parkeergarage onder de bestaande constructie te maken en mogelijk worden archeologische waarden aangetast. Daarnaast trekt een parkeergarage in stedelijk gebied verkeer aan. Dit is niet wenselijk aangezien het gemeentelijk beleid er op gericht is om het autoverkeer uit de binnenstad te weren.
Stap 4. Voldoende mogelijkheden in openbaar gebied/alternatieven Als de ontwikkeling of het (bouw)plan gewenst is vanuit ruimtelijk of economisch perspectief, kan er van de eis om de parkeeropgave op eigen terrein te realiseren, worden afgeweken, mits op een andere wijze in de parkeeropgave is voorzien zonder op de omliggende buurt benodigde parkeercapaciteit te drukken. De verantwoording om aan te tonen dat een alternatieve oplossing in de parkeeropgave voorziet, ligt bij de initiatiefnemer van het nieuwe vastgoedproject of de aanvrager van desbetreffende omgevingsvergunning. Op basis van het plan neemt de parkeervraag voor bewoners van het gebied toe. Het aantal bezoekers neemt door het verdwijnen van een deel van de commerciële functie af. Geconstateerd is dat de parkeerbehoefte van bewoners op het maatgevende moment van de woonfunctie (in de avond en op zaterdagmiddag) niet op eigen terrein gerealiseerd kan worden. Er is onderzocht of in de omgeving plekken aanwezig zijn om parkeren op eigen terrein op te lossen. Dat is niet het geval. Vanwege de dicht bebouwde stedelijke omgeving zijn geen locaties voorhanden die ingezet kunnen worden om parkeerplaatsen voor dit plan te realiseren. Alle gronden zijn in gebruik en/of niet beschikbaar.
63
Er is onderzocht of er parkeervergunningen beschikbaar zijn binnen de parkeersector waar voorliggend plan binnen valt. Het blijkt dat geen parkeervergunningen beschikbaar zijn waar de toekomstige bewoners van de appartementen aanspraak op kunnen maken. De appartementen worden daarom op de POET-lijst gezet, wat betekent dat er geen aanspraak op een parkeervergunning gedaan kan worden door toekomstige bewoners. Dit wordt in de huurcontracten met de bewoners vastgelegd. Daarbij wordt opgemerkt dat de doelgroep van de appartementen (een- en tweepersoonshuishoudens) lang niet altijd wenst te beschikken over een parkeerplaats en dat in de vorm van voldoende fietsenstallingen ook een goed vervoersalternatief wordt geboden en dat het plangebied goed wordt ontsloten door het Openbaar Vervoer. Als laatste wordt opgemerkt dat het weren van auto’s uit de binnenstad onderdeel is van het gemeentelijk beleid (vastgestelde mobiliteitsvisie, Ontwikkelingsvisie Binnenstad en Ontwikkelprogramma Ons Stadshart van Morgen). Dat beleid is ook bij het vergunnen van de noord- en zuidzijde van het Broerenkwartier gehanteerd. Alternatief Ondanks het feit dat op eigen terrein geen parkeerplaats beschikbaar is en dat er geen vergunningen beschikbaar zijn, is er voor de bewoners en de bezoekers wel een terugvaloptie voor handen binnen het invloedgebied van het plangebied.
Het invloedgebied is het gebied rondom een plan dat wordt begrensd op basis van acceptabele loopafstanden behorende bij de functie van het plan. Wanneer het plan gelegen is binnen een parkeervergunningengebied, is het invloedgebied gelijk aan de parkeersector en de daarbij behorende parkeeraccommodaties. Dat betekent concreet dat het plangebied valt onder de sector ‘Binnenstad Noord 1’. Op onderstaande afbeelding is dit gebied weergegeven.
Globale ligging binnen parkeersector ‘Binnenstad Noord 1’.
In het geval dat er toch bewoners zijn die een auto kunnen stallen, dan is er de mogelijkheid om een parkeerabonnement af te sluiten in de openbare parkeergarages. Conform de regeling is het invloedsgebied binnenstad Noord 1. De verwachting is dat deze vraag klein zal zijn, waardoor het 64
aannemelijk is dat deze opgevangen kan worden in de gemeentelijke accommodaties. Het gaat daarbij om de volgende accommodaties: -
Parkeergarage Diezerpoort (334 parkeerplaatsen) Parkeergelegenheid ‘Noordereiland’ (690 parkeerplaatsen) Parkeergarage Het eiland (329 plaatsen)
De bewoners kunnen een abonnement in een van deze drie (commerciële) parkeeraccommodaties afnemen indien gewenst. Bezoekers kunnen gedurende hun bezoek eveneens gebruik maken van deze parkeerfaciliteiten. Dat doen ze nu ook al. Omdat het aantal parkeerplaatsen in commerciële parkeeraccommodaties en in de openbare ruimte dusdanig groot is en de parkeervraag van bezoekers relatief klein (het aantal bezoekers van de commerciële functie neemt af), is het aannemelijk dat de parkeervraag van bezoekers opgevangen kan worden. Het uitvoeren van een parkeerdrukmeting is overbodig. Binnen het invloedgebied van het plan zijn geen alternatieve locaties beschikbaar die de initiatiefnemer kan benutten om op eigen terrein (door aankoop van panden of gronden) parkeerplaatsen te realiseren. Door de nulvergunningenafspraak en de terugvaloptie in openbare parkeerfaciliteiten is voldoende aannemelijk dat de parkeeropgave kan worden opgelost. Fietsparkeren Met voorliggend plan wordt invulling gegeven aan de parkeeropgave voor fietsen. Het plan voorziet in 68 appartementen. Het CROW- kencijfer voor fietsparkeren voor een appartement is 0,75 per kamer, met een minimum van 2 parkeerplaatsen voor een appartement. In voorliggend plan is sprake van 37 appartementen met 1 kamer en 31 woningen met twee slaapkamers.
Op basis van een minimaal aantal van 2 plekken per appartement is sprake van een opgave van 68*2 = 136 plekken. Op de begane grond worden 104 fietsparkeerplekken gerealiseerd. Op de verdiepingen bevinden zich nog eens 17 bergingen waar 2 fietsen gestald kunnen worden. Daarmee komt het aantal beschikbare plekken binnen het plan op 138, waarmee invulling wordt gegeven aan de maximale opgave van 136 plekken. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het plan.
4.6 Flora en fauna In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld in de Wet natuurbescherming. Op het gebied van gebiedsbescherming regelt de wet de bescherming van zes verschillende soorten natuurgebieden: het natuurnetwerk Nederland, bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, nationale parken, bijzondere nationale natuurgebieden en Natura 2000-gebieden. Bij activiteiten of ontwikkelingen die kunnen leiden tot 65
negatieve effecten op instandhoudingsdoelen voor een van deze gebieden moet een vergunning worden aangevraagd.
4.6.1 Huidige situatie In het kader van de wijziging van het bestemmingsplan dient te worden onderzocht of binnen en in de nabijheid van het plangebied beschermde plant- en diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of deze worden aangetast. Deze eerste stap om de aanwezigheid van beschermde soorten en/of gebieden te bepalen, is het uitvoeren van een QuickScan flora en fauna, waarbij wordt ingegaan op gebiedsbescherming en soortenbescherming. Onderzoek Voorafgaand aan de uitvoering van de plannen dient te worden onderzocht of binnen en in de nabijheid van het plangebied streng beschermde plant- en diersoorten en/of natuurgebieden aanwezig zijn en of deze worden aangetast. Deze eerste stap om de aanwezigheid van beschermde soorten en/of gebieden te bepalen, is het uitvoeren van een quickscan flora en fauna. De quickscan is als bijlage 1a opgenomen. De quickscan flora en fauna beschrijft in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de effecten van de ingreep op soortenbescherming en gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op houtopstanden. Uit deze quickscan blijkt of de plannen (mogelijk) leiden tot aantasting van beschermde soorten en/of gebieden en of vervolgstappen noodzakelijk zijn, zoals nader onderzoek, een ontheffing en/of een vergunning.
De quickscan bestaat uit een onderzoek naar soortenbescherming en gebiedsbescherming. De resultaten van het onderzoek zijn als volgt. Soortenbescherming De bebouwing in het plangebied is ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen of als nestplaats voor vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Ten aanzien van andere soorten geldt dat geen sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is wat dat betreft niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels op het platte dak, waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken (deelgebied Uiterwaarden IJssel) op ca. 2,8 km afstand van het plangebied. Het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water & Vecht ligt op ca. 3,7 km afstand van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 5 km) van het plangebied. Het plangebied ligt in het binnenstedelijk gebied van Zwolle en is niet direct zichtbaar vanuit omliggende Natura 2000-gebieden.
Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op de ligging van het plangebied in het binnenstedelijk gebied van Zwolle en de beperkte impact van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden), kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten.
66
Herzien rapport Het hiervoor beschreven ecologische onderzoek dateert van 2020. Om die reden heeft in november 2024 een actualisatie van het rapport plaatsgevonden. Deze actualisatie is als bijlage 1b van deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de voorgenomen herontwikkeling geen ernstige nadelige gevolgen heeft voor de lokale staat van instandhouding van Rode lijssoorten. De voorgenomen ingreep leidt daarnaast niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Overijssel ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Verdere toetsing in de vorm van een Nee, tenzij-toets’ en het opstellen van een compensatieplan is niet aan de orde. Stikstof Om de effecten van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden te kunnen bepalen is in het kader van het plan een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd in de vorm van een AERIUS-berekening. Daarbij is in beeld gebracht of er significante negatieve effecten zijn tijdens de aanleg- en gebruiksfase van het voorziene plan. Uit dit onderzoek blijkt dat het plan geen negatieve effecten ten gevolge van stikstofuitstoot heeft. De onderzoeksresultaten zijn als bijlage 1c t/m 1e toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing.
4.6.2 Uitgangspunten voor het plan Uit het verkennend natuuronderzoek is gebleken dat beschermde natuurwaarden op voorhand uitgesloten kunnen worden. Zodoende zijn vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Een AERIUS-berekening heeft aangetoond dat het plan is op basis van het aspect ‘gebiedsbescherming’ eveneens uitvoerbaar is op basis van het aspect ‘stikstofdepositie’.
4.7 Water 4.7.1 Huidige situatie De gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van hemelwaterinfiltratie vastgelegd in de Hemelwaterverordening van 2022. Verder zijn in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 (GRP) ontwerprichtlijnen en beleidskeuzes beschreven waaraan voldaan moet worden. In het plangebied ligt een gemengd rioolstelsel van de gemeente Zwolle. De droogweerafvoer (DWA) uit het plangebied moet naar dit gemeentelijk riool worden afgevoerd. Bij de ontwikkeling van het gebied is sprake van een beperkte toename van de hoeveelheid afvalwater ten opzichte van de huidige situatie aangezien er 68 appartementen worden gerealiseerd. Er is echter geen sprake van overbelasting ten aanzien van de capaciteit van het rioleringsstelsel en de capaciteit van zuivering technische werken (rioolwaterzuiveringsinstallatie, transportleidingen en rioolgemalen). Deze beperkte toename in combinatie met andere ontwikkeling in de ‘Broerenkwartier’ zorgt wel voor een behoorlijke toename van afvalwater uit het gebied. De gemeente treft daarom voorbereidingen voor het uitbreiden van de capaciteit en zal daarbij rekening houden met de uitbreiding van de capaciteit ten gevolge van voorliggend plan en omliggende plannen in het Broerenkwartier. Hierover is met de gemeente gesproken. Het plan leidt niet tot een toename van verhard oppervlak.
Het hemelwater moet afgevoerd worden naar de noordzijde, richting Drie Pistolengang - Achter de Broeren, en aangesloten worden op HWA
67
put 17886. De binnenstad is echter kwetsbaar voor wateroverlast door neerslag, zoals op de volgende afbeelding is weergegeven.
Wateroverlast bij T=100. Bron: gemeente Zwolle.
Bijna alle gebouwen in het Broerenkwartier hebben bij een regenbui van T=100 water tegen of in het pand staan. De insteek is dat de ‘sponswerking’ wordt vergroot. De binnenstad is daarbij aandachtsgebied. Conform de NBW-afspraken is ook hier de trits ‘vasthouden - bergen – afvoeren’ van kracht. Om in te spelen op de gemeentelijke wens om zoveel mogelijk hemelwater op te vangen op eigen terrein, worden de daken van het plan voorzien van groen oppervlak. In paragraaf 4.2 is weergegeven op welke wijze dat gebeurt. Dit groen draagt bij aan de berging van hemelwater op eigen terrein. Het overtollige water moet geloosd kunnen worden op een Groenblauwnetwerk; voor de binnenstad is dat de Stadsgracht. Daar kan ook opslag en kan transport van overtollig water plaats vinden. Met voorliggend plan wordt aangesloten op dit bestaande systeem dat de komende jaren door de gemeente wordt uitgebreid. Met de uitbreiding van het bestaande stelsel wordt rekening gehouden met alle plannen die worden ontwikkeld in het Broerenkwartier.
Digitale watertoets Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd.
68
De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In het kader van onderliggend initiatief heeft een digitale watertoets plaatsgevonden (zie bijlage 2). Daarnaast is het plan ook voor besproken met het waterschap. Het plan is, vanuit het waterschap bezien, niet van belang. Invloed op waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. De toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m² (er wordt geen verhard oppervlak toegevoegd). Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt normaal gesproken door het waterschap een ontwateringsdiepte geadviseerd. Omdat in onderliggend geval gebouwd wordt boven bestaande bebouwing, is dit niet van toepassing. Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders, wordt uiteraard aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater. Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem.
Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is (zoals in onderliggend plan), is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. In voorliggend geval is sprake van een binnenstedelijke omgeving waar reeds verhard oppervlak aanwezig is. Ondanks dat de hoeveelheid verhard oppervlak niet toeneemt, wordt voor de opvang en (vertraagde) afvoer van hemelwater gebruik gemaakt van groene daken, zoals hiervoor en in paragraaf 4.2 reeds is toegelicht. Hemelwaterbeleid gemeente Zwolle Gemeente Zwolle heeft in de Wateragenda (2015) uitgangspunten vastgelegd om vorm te geven aan de opgaven rondom water en (aanpassen aan het) klimaat. Gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van hemelwaterinfiltratie vastgelegd in de gemeentelijke bouwverordening.
Verder zijn in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 ontwerprichtlijnen en beleidskeuzes beschreven waaraan voldaan moet worden. De hemelwaterafvoeren moeten aan de noordzijde (Drie pistolengang – Achter de Broeren) worden aangeboden. Vandaar moeten er door de gemeente nieuwe hemelwaterleiding(en) worden gelegd naar bestaande gemeentelijke HWA put 17886. Deze nieuwe hemelwaterleiding(en) (van pand naar put 17886) moeten aangevraagd worden bij de gemeente Zwolle. Vanaf put 17886 wordt het overtallige water te zijne tijd via een hemelwaterleiding afgevoerd richting de stadsgracht.
69
Het vuilwater moet aan de zuidzijde (Nieuwstraat) worden aangeboden. Indien gebruik gemaakt kan worden van bestaande rioolaansluitingen dan heeft dat de voorkeur van de gemeente Zwolle. Kan dit niet, dan moeten deze nieuwe VWA aansluiting(en) ook aangevraagd worden. Overstromingsrisico Het plangebied is gelegen achter een waterkering, waarbij in extreme situaties een kans op overstroming bestaat. Het gebied dat dan overstroomt, wordt omsloten door IJssel, ZwolleIJsselkanaal/Zwarte Water, Vecht en aan de oostzijde door hoger gelegen gronden. Voor plannen in gebieden waar een kans op overstroming vanuit het primaire watersysteem bestaat, is een overstromingsrisicoparagraaf vereist. Risico-inventarisatie Dijktrajecten die een gebied tegen overstromingen beschermen, kennen een overstromingskans. Voor het primaire dijktraject ten westen van het plangebied geldt een overstromingskans van 1 op 3.000 per jaar. De overstromingskans wordt in de Waterwet toegelicht als: ‘kans op verlies van waterkerend vermogen van een dijktraject, waardoor het door het dijktraject beschermde gebied zodanig overstroomt, dat dit leidt tot dodelijke slachtoffers of substantiële economische schade’. De regionale waterkering rondom de Zwolse stadsgrachten kent een overschrijdingskans van 1 op 200 per jaar.
De gehele Zwolse binnenstad ligt buitendijks en heeft dus geen veiligheidsnorm met betrekking tot waterveiligheid. Met behulp van de riscokaart uit de Atlas van de Leefomgeving wordt de maximale waterdiepte in het plangebied tijdens een overstroming geschat tussen de 1 tot 1,5 meter (zie volgende afbeelding).
70
Maximale waterdiepte bij een overstroming (bron: Atlas van de Leefomgeving ).
Bij de ontwikkeling van het plangebied dient rekening te worden gehouden met mogelijke overstroming(en). Het betreft hierbij ook bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Wat betreft maatregelen kan worden gedacht aan: voldoende hoog aanbrengen vloerpeil, verhoogde drempels, zodanige inrichting gebouw dat bij eventuele overstroming schade zoveel mogelijk wordt beperkt (denk aan materiaalgebruik en minder gevoelige ruimten op de begane grond), aansluiting van het plangebied op dichtstbijzijnde weg waardoor bereikbaarheid gewaarborgd blijft. Het risico voor het plangebied is echter beperkt. Daarnaast worden de appartementen op de verdiepingen gerealiseerd. van overstromingsrisico in de appartementen is daardoor nagenoeg geen sprake.
4.7.2 Uitgangspunten voor het plan Het plan voorziet niet in een toename van verhard oppervlak. Voor het vergroten van de opvang van hemelwater op eigen terrein worden groene daken gerealiseerd, zoals beschreven in paragraaf 4.2. Door toename van groen ontstaat een afname van de afvoer van hemelwater. Dit is een positief effect van voorliggend plan ten opzichte van de bestaande situatie. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van bestaande voorzieningen die door de gemeente ten behoeve van de ontwikkeling van het gehele Broerenkwartier de komende jaren worden vergroot. Het plan leidt tot een toename van de productie van afvalwater ten gevolge van de toename van het aantal woningen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het bestaande gemengde stelsel. Dit stelsel wordt in het kader van de gehele ontwikkeling van het Broerenkwartier vergroot en biedt zodoende voldoende capaciteit. Indien blijkt dat extra rioolaansluitingen gerealiseerd moeten worden, wordt hiervoor een aparte vergunningsaanvraag ingediend. Het plangebied kent een overstromingsrisico. In geval van overstroming kunnen mensen zich binnen afzienbare tijd naar grote hoogte brengen dan de voorziene overstroming ( - 1,5 meter waterdiepte). Ook kunnen mensen zich in veiligheid stellen door gebruik te maken van de bestaande wegen.
Bij het opstellen van het plan is rekening gehouden met de bovengenoemde wateraspecten voorvloeiend uit het waterschapsadvies. Water vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.8 Milieu 4.8.1 Bodem Bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan en/of bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Voor een bestemming zoals wonen, gelden andere normen dan voor bijvoorbeeld de bestemming bedrijven. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
71
Analyse Voorliggend plan betreft de transformatie van bestaande bebouwing en de optopping van deze bebouwing met enkele bouwlagen. Alle bebouwing wordt binnen het bestaande bouwvlak gerealiseerd. De grond wordt niet geroerd, waardoor geen bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Conclusie Het plan is op basis van het aspect bodemkwaliteit uitvoerbaar.
4.8.2 Luchtkwaliteit Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: -
er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Analyse Het plan betreft transformatie van een locatie waar 68 appartementen worden toegevoegd. Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3a van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is op basis van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.
4.8.3 Geluid Geluidsoverlast kan worden veroorzaakt door industrielawaai, railverkeerslawaai, wegverkeerslawaai en luchtverkeerslawaai. De Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet kennen grenswaarden voor geluid. Bepaalde geluidgevoelige objecten mogen alleen worden toegelaten als zij geen ontoelaatbare geluidsbelasting ondervinden. Daartoe moeten op grond van artikel 3.3.1 Besluit ruimtelijke ordening zones in het bestemmingsplan worden opgenomen rond geluidbronnen. Het bestemmingsplan moet de ligging en de afmetingen van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en van 72