1. Ruimtelijke onderbouwing met bijlagen.
Tekst van het document
geluidsgevoelige terreinen gelegen binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder aangeven. Als een bepaalde bestemming en/of een bepaalde geluidsbron niet in de Wet geluidhinder of Luchtvaartwet is geregeld, moet in het kader van de goede ruimtelijke ordening toch een akoestische afweging gemaakt worden. De Wet geluidhinder geeft mogelijkheden om een hogere waarde vast te stellen voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai. Onderzoek Voorliggend plan maakt de functie ‘wonen’ mogelijk. Deze bestemming dient als geluidsgevoelig te worden aangemerkt. Uit een analyse van de omgeving blijkt dat er drie bronnen aanwezig zijn die een akoestisch effect op de voorziene woningen kunnen hebben: de Nieuwstraat (wegverkeer), horecagelegenheden (ruimtelijke inpassing) en warmtepompen (industrielawaai). In het kader van onderliggend initiatief hebben diverse onderzoeken plaatsgevonden. De resultaten van de onderzoeken worden hierna toegelicht. De betreffende onderzoeksrapporten zijn als bijlage van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Wegverkeerslawaai Een deel van het voorziene bouwplan ligt in het invloedsgebied van de Nieuwstraat. Daarom heeft onderzoek plaatsgevonden naar de geluidsbelastingen van het wegverkeerslawaai op de nieuw te bouwen appartementen voor de toekomstige situatie.
Voor het volledige rapport (Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Nieuwstraat, Ancoor, 13 februari 2024) wordt verwezen naar bijlage 3. Conclusies onderzoek De te verwachten geluidsbelastingen [Lden] vanwege het wegverkeer op de gevels van de in de directe omgeving van het plangebied geprojecteerde appartementen als gevolg van de zoneplichtige wegen, bedraagt minder dan 48 dB. Hieruit blijkt dat de hiervoor vastgestelde voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. De zoneplichtige wegen (> 50 km/uur wegen) vormen overeenkomstig het gestelde in de Wet geluidhinder, derhalve geen belemmering voor de realisatie van het geprojecteerde bouwplan. Voor een goede ruimtelijke inpassing [beoordeling van een goed woon- en leefklimaat] van de appartementen in haar directe omgeving, zijn naast de zone plichtige wegen ook de niet zone plichtige wegen [30 km/uur wegen] in het akoestisch onderzoek mee beschouwd. De optredende geluidsbelastingen als gevolg van deze secundaire wegen behoeven volgens de Wet geluidhinder niet te worden getoetst aan de gestelde grenswaarde, maar zouden wel kunnen leiden tot geluidoverlast. Met name als gevolg van het verkeer over klinkerverharde wegen.
Om na te kunnen gaan of er als gevolg van het wegverkeer over alle in de directe omgeving van het plangebied aanwezige wegen, sprake is van een goed woon- en leefklimaat, zijn de optredende geluidbelastingen afkomstig van zowel de gezoneerde als de niet gezoneerde wegen in kaart gebracht. De gecumuleerde geluidbelasting afkomstig van de niet gezoneerde wegen bedraagt maximaal 59 dB. Het wegverkeer over de Nieuwstraat verzorgt hierbij het leeuwendeel van deze geluidbelasting. Omdat het toepassen van bronmaatregelen en van effectieve overdrachtsmaatregelen op praktische, verkeerskundige en/of financiële bezwaren stuit, stellen wij voor om middels het aanbrengen van
73
geluidwerende voorzieningen aan de schilconstructie van appartementen waarbij sprake is van een overschrijding van de voorgestelde grenswaarde van 48 dB, een binnenniveau van 33 dB te realiseren gebaseerd op de gecumuleerde geluidbelastingen afkomstig van het wegverkeer. Dit houdt in dat de buitengevels van de zwaarst belaste geluidgevoelige bebouwing als gevolg van het gecumuleerde geluidniveau afkomstig van het wegverkeer reeds voldoen bij de toepassing van een geluidwering overeenkomstig het gestelde in het Bouwbesluit van ten minste 20 dB. Deze waarde kan overigens nog in negatieve zin worden bijgesteld, als deze wordt gecumuleerd met het optredende geluidniveau afkomstig van het geluidniveau afkomstig van de in de directe omgeving gelegen inrichtingen (Industrielawaai). Uit het inmiddels eveneens uitgewerkte akoestische onderzoek met betrekking tot de optredende geluidbelastingen afkomstig van de in de directe omgeving aanwezige inrichtingen (zie resultaten hierna), blijkt dat de maximaal optredende geluidbelastingen maximaal 59 dB bedraagt. Hierbij zal rekening worden gehouden bij de nadere uitwerking van het voorzieningenpakket aan de gevels. Dit volgt uit het onderzoek geluidwering gevels naar voren komt. Zie de volgende paragraaf.
Geluidwering gevels Indien de optredende geluidbelastingen op de gevels van de geprojecteerde appartementen gecumuleerd niet tot een optredende geluidbelasting van 53 dB kunnen worden verlaagd, zoals in het onderhavige geval, dan dient bij de aanvraag Omgevingsvergunning een aanvullend akoestisch onderzoek naar de geluidwerende kwaliteit van de gevels te worden toegevoegd. Hierbij dient te worden aangetoond dat de karakteristieke geluidswering Ga,k van de uitwendige scheidingsconstructies ter plaatse van geluidsgevoelige ruimten voldoet aan de hiervoor (onder ‘conclusies onderzoek, vorige paragraaf) gestelde grenswaarden uit het Bouwbesluit. Omdat er ook een aantal horeca-inrichtingen met terrasvoorzieningen (industrielawaai) in de directe nabijheid van het plangebied zijn gelegen, dient voor de vaststelling van de daadwerkelijke gecumuleerde optredende geluidbelastingen afkomstig van het wegverkeer en de industriële inrichtingen gezamenlijk, een cumulatietabel te worden opgesteld waarbij de optredende geluidbelastingen afkomstig van zowel het wegverkeer als het optredende geluidniveaus afkomstig van het industrielawaai bij elkaar te worden opgeteld.
De geluidswering van de uitwendige scheidingsconstructies van het geprojecteerde appartementencomplex dienen ten minste gelijk te zijn aan het verschil tussen de cumulatieve geluidsbelasting zoals opgenomen in het onderzoek ‘Wegverkeerslawaai’ en de grenswaarde voor het geluidsniveau in geluidsgevoelige ruimten van 33 dB. Een en ander zoals vermeld in afd. 3.1 van het Bouwbesluit. De karakteristieke geluidswering Ga,k dient in alle situaties echter ten minste 20 dB te bedragen. Op basis van voorgaande is een onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd, zie bijlage 4 van deze ruimtelijke onderbouwing (Akoestisch onderzoek geluidwering gevels, Nieuwstraat, Ancoor, 5 maart 2024). In het rapport is voor de maatgevende verblijfsgebieden en -ruimten de karakteristieke geluidswering (Ga,k) berekend. De resultaten van deze berekeningen zijn weergegeven in de volgende tabel.
74
Appartement Blad 1 Blad 2 Blad 3 Blad 4 Blad 5
Verblijfsgebied Woonkamer Woonkamer Woonkamer Woonkamer Woonkamer Woonkamer Woonkamer Woonkamer
Verblijfscode Voorgevel Voorgevel Zijgevel Voorgevel Zijgevel Voorgevel Zijgevel Voorgevel
Toe te passen beglazing Thermobel 10-15-6 Thermobel 10-15-6 Thermobel 10-15-6 Thermobel 10-15-6 Thermobel 10-15-6 Thermobel 10-15-6 Thermobel 10-15-6 Thermobel 10-15-6
G a,k Norm 26,0 26,0 26,0 21,0 21,0 22,0 22,0 22,0
G a,k Berekend 27,3 30,1 30,1 25,6 25,6 25,7 25,7 25,6
Tevens staan in deze tabel de minimale karakteristieke geluidswering (Ga,k norm [min]) weergegeven, waaraan de gevels moeten voldoen. De uitgebreide berekeningen zijn weergegeven in bijlage 04 van het onderzoek ‘Geluidwering gevels’ (bijlage 4). Daarnaast is er een voorstel opgenomen voor de toe te passen minimale beglazing, om aan deze minimale karakteristieke geluidwering te kunnen voldoen. Uit de berekeningen blijkt dat de karakteristieke geluidswering van de gevel(s), volgens de in het rapport vermelde uitgangspunten en op te nemen aanvullende voorzieningen, voldoet aan de minimaal hieraan te stellen vereiste karakteristieke geluidswering. Voor het verkrijgen van de in dit onderzoek berekende binnenniveaus is het van het grootste belang dat tijdens de bouwfase de voorgestelde voorzieningen vakkundig en zorgvuldig worden uitgevoerd. Hierop dient te worden toegezien. Horeca-inrichtingen In het kader van voorliggend plan is akoestisch onderzoek ingesteld naar de optredende geluidsbelasting afkomstig van een aantal horeca-inrichtingen in de directe omgeving van het voorziene bouwplan. In de directe omgeving van het plangebied zijn vier horeca-inrichtingen aanwezig waarvan is onderzocht of deze inrichtingen akoestisch van invloed zijn op het voorziene bouwplan. Het gaat daarbij om: -
Het terras van Waanders (Broerenstraat) Terras van Het Pestengasthuys (Nieuwstraat) Dunnink, met terras
Het onderzoek (Akoestisch onderzoek ruimtelijke inpassing Appartementencomplex, Ancoor, 14 februari 2024) is als bijlage 5 van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Het toetsingskader voor de geluidsbelasting afkomstig van de inrichtingen op de gevels van geprojecteerde woningen is in feite tweeledig. Wanneer sprake is van een ruimtelijke inpassing van geprojecteerde woonbebouwingen in de directe omgeving van een of meerdere inrichtingen, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de geprojecteerde woonbestemmingen. Daarnaast dient er te worden nagegaan in hoeverre er voldoende zekerheid bestaat dat deze ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor deze inrichtingen om hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden uit te kunnen blijven oefenen [inwaartse zonering]. Als er op grond van het gestelde in de VNG-publicatie, uitgaande van een representatief in werking zijn van een inrichting, aan de richtwaarden wordt voldaan, dan kan toetsing in het kader van het Activiteitenbesluit achterwege blijven. Voor het plangebied geldt het omgevingstype ‘Gemengd gebied’ als gevolg van de in de directe omgeving aanwezige menging van meerder bedrijfsmatige activiteiten en woonfuncties. De horeca-inrichtingen betreffen een categorie 1 inrichting. Hierbij is 75
voor een Restaurant en voor cafés uitgaande van een representatieve situatie een geluidsafstand van 0 meter noodzakelijk. Dit houdt in dat overeenkomstig het gestelde in de Handreiking bij een representatief in werking zijn van de betreffende inrichtingen formeel geen aanvullende eisen noodzakelijk zijn en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te bouwen woonbestemmingen. Voor het representatief in werking zijn van de genoemde inrichtingen, blijkt op grond van het gestelde in de Handreiking [Stap 1] reeds aan het gestelde afstandscriterium te worden voldaan. Om na te kunnen gaan in hoeverre inrichtingen als gevolg van de geprojecteerde woonbestemmingen in de directe omgeving hiervan, in hun maximale planologische mogelijkheden worden geschaad, dient aanvullend inzichtelijk te worden gemaakt wat de optredende geluidbelastingen zouden zijn wanneer alle inrichtingen gelijktijdig conform de maximale planologische ruimte in gebruik zouden zijn. In dat geval dient te worden getoetst of ter plaatse van de gevels van de geprojecteerde appartementen de volgende grenswaarden niet zullen worden overschreden: -
50 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT (etmaalwaarde); 70 dB(A) maximale geluidsniveaus LAmax (etmaalwaarde);
Conclusies onderzoek Als uitgangspunt voor de uitwerking van het bijgaande akoestische onderzoek is aangehouden, dat er geen enkele beperking in de bedrijfsvoering van de in de directe omgeving van het plangebied gelegen inrichtingen op zou mogen treden. Om dit volledig uit te kunnen sluiten, is bij de nadere uitwerking van de bedrijfssituatie voor elke inrichting worst-case uitgegaan van een maximale bezetting op de terrassen gedurende de dag- en avondperiode. Geconcludeerd kan worden dat wanneer het langtijdgemiddelde geluidsniveau op de geprojecteerde woonbestemmingen, gebaseerd op de omschreven uitgangspunten, wordt getoetst aan de richtgrenswaarden van respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode, dan kan worden gesteld dat hieraan op nagenoeg alle beoordelingspunten kan worden voldaan. Enkel ter plaatse van de in de volgende tabel opgenomen ontvangerpunten is, bij een maximale bezetting van de terrassen in de dag- en avondperiode, sprake van een maximale overschrijding van 6 dB(A). De genoemde overschrijdingen van de ter plaatse geldende grenswaarden in de avondperiode, zijn allen afkomstig van het terras van Dunnink op de hoek van de Broerenstraat en de Nieuwstraat. Naam TP01-13_A TP02-29_C TP01-01_A TP02-33_C TP02-34_C TP02-29_B TP01-11_A TP02-30_B
Om sc h rij vin g Toetspunt 01-13 Toetspunt 02-29 Toetspunt 01-01 Toetspunt 02-33 Toetspunt 02-34 Toetspunt 02-29 Toetspunt 01-11 Toetspunt 02-30
Ho o gt e* D ag d B(A) Avo n d d B(A) Nac h t d B(A) To et s (D ) To et s (A) To et s (N) Afw ij kin g (D ) Afw ij kin g (A) Afw ij kin g (N) 6,50 49,9 51,1 0,0 50 45 40 6 15,75 44,6 45,9 0,0 50 45 40 1 6,50 44,5 45,8 0,0 50 45 40 1 15,75 44,5 45,7 0,0 50 45 40 1 15,75 44,4 45,6 0,0 50 45 40 1 12,75 44,3 45,5 0,0 50 45 40 1 6,50 44,0 45,2 0,0 50 45 40 0 12,75 43,9 45,1 0,0 50 45 40 0 -
Voorgesteld wordt om zodanige voorzieningen te treffen aan de gevels van de betreffende appartementen, dat er zelfs bij een maximale bezetting van de terrassen in de dag- en avondperiode, kan worden voldaan aan de gestelde maximale binnenniveaus. Door het aanbrengen van de in het rapport omschreven geluidwerende voorzieningen kan worden onderbouwd dat de in de directe omgeving van het plangebied gelegen inrichtingen op geen enkele wijze in hun bedrijfsvoering (en dus in hun belangen) worden geschaad door de realisatie van het geprojecteerde appartementencomplex.
76
Laden en lossen In het kader van het geldende activiteitenbesluit zijn voor de aanwezige horecabedrijven rondom het plangebied reeds regels opgesteld ten aanzien van laden en lossen in de nacht- en avondperiode. Hierbij zijn beperkingen opgesteld ten aanzien van het produceren van geluid. Omdat in de nabijheid van de plekken voor laden- en lossen reeds geluidgevoelige bebouwing aanwezig is waarmee bij het laden en lossen ter plaatse reeds rekening gehouden dient te worden gehouden, worden laad- en losactiviteiten zowel overdag als in de nacht- en avondperiode niet extra belemmerd ten gevolge van voorliggend plan. In voorliggend geval is sprake van laden en lossen ten behoeve van de C&A. de te laden en lossen vrachtwagen staat met de open achterzijde onder de aanwezige overkapping. Bepalend voor de geluidsemissie naar de omgeving is het rijden met (kleding)containers in de laadbak van de vrachtwagen en op de klinkerbestrating ter plaatse van de losdeuren van het magazijn. De relevante bronnen voor het laden en lossen zijn in de regel: het aan- en afrijden en manoeuvreren, het sluiten/openen van de laadklep en het rijden met containers.
Het gemiddelde geluidniveau van deze activiteiten bleek bij een uitgevoerde meting elders op een variërende afstand van 15 tot 30 meter, gedurende een totale meettijd van 19 minuten 50 dB(A) te bedragen, hetgeen overeenkomt met een bronvermogen van alle handelingen gezamenlijk van gemiddeld 85 dB(A). Bij het aanrijden van de vrachtwagen of bestelbus in voorliggende situatie behoeft er niet gemanoeuvreerd te worden. Men kan aanrijden, lossen en weer doorrijden. Dit houdt in dat niet achteruit gereden hoeft te worden of ingestoken hoeft te worden. Het aan0 en afrijden kan derhalve worden gezien als zijnde integraal onderdeel van het reguliere wegverkeer, welke reeds is beschouwd in het kader van het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (zie bijlage 3). Laden en lossen heeft zodoende geen negatief effect op voorliggend plan. Installaties Bij diverse appartementen worden de installaties geplaatst in een ruimte die via een deur in directe verbinding staan met een verblijfsruimte. De geluidwering met betrekking tot de installaties voldoet aan de eisen uit afdeling 3.2 van het Bouwbesluit. De deur van de technische ruimte wordt geluidswerend uitgevoerd ter bescherming tegen geluid van installaties. De installatie veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijke verblijfsruimte een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek geluidsniveau van ten hoogste 30dB en voldoet daarmee.
Zie eveneens renvooi. Warmtepompen In het kader van voorliggend plan is onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke inpassing van een centrale warmtepomp op het dak van een voorgenomen appartementencomplex voor bewoning bestemde bebouwing. Het onderzoek is als bijlage 6 van deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Het doel van het ingestelde onderzoek is het inzichtelijk maken van de optredende geluidsbelasting op de in de directe omgeving van de betreffende inrichting aanwezige geluidgevoelige bestemmingen of aangrenzende percelen van andere woonbestemmingen, na het in gebruik nemen van deze warmteen koude opwekking installatie. Tevens dient er te worden nagegaan in hoeverre de geprojecteerde installatie ruimtelijk is in te passen in de betreffende omgeving, zonder hierbij overlast te veroorzaken voor de direct omwonenden.
77
Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat zowel bij de toetsing van de ruimtelijke inpassing als bij de toetsing aan het gestelde in het Bouwbesluit, uitgaande van een maximaal geluidvermogen van de warmtepomp type ZETA SKY HP R7 SLN [R32] van 85 dB(A), sprake is van een overschrijding van maximaal 10 dB(A). Dit houdt in dat wanneer er een warmtepomp met een maximaal geluidvermogen van 75 dB(A) zou worden toegepast, zowel wordt voldaan aan het gestelde in het kader van het Bouwbesluit als met betrekking tot de ruimtelijke inpassing. Wanneer er een warmtepomp wordt toegepast met een hoger geluidvermogen, zoals het type waarmee gerekend is met een LW van 85 dB(A), dan dient er voor de buitenunit een geluid reducerende omkasting te worden aangebracht met een geluidreductie van ten minste 10 dB(A). De momenteel in de markt aangeboden geluid reducerende omkasting, kunnen het geluid tussen de 9-17 dB(A) reduceren [bijvoorbeeld akoestische omkasting van Merford]. Dit houdt in dat wanneer de warmtepomp wordt opgesteld op de in dit onderzoek aangegeven positie, daar waar nodig voorzien wordt van een geluid reducerende omkasting, voldaan kan worden aan de gestelde geluideisen in het Bouwbesluit en er tevens sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de geprojecteerde woonbestemmingen.
Geconcludeerd kan worden dat in het onderzoek is aangetoond dat, deels middels de toepassing van geluid reducerende omkasting, voldaan kan worden aan de gestelde grenswaarden ten aanzien van warmtepompen in het Bouwbesluit. Indien aan de in het Bouwbesluit gestelde grenswaarden wordt voldaan, zo blijkt uit de rekenresultaten in dit onderzoek, is er tevens sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de geprojecteerde woonbestemmingen. Conclusie Ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai is onderzoek uitgevoerd om te bepalen of het concrete bouwplan voldoet aan het akoestisch niveau. Op basis van dit onderzoek zijn in het bouwplan maatregelen getroffen om het akoestische niveau binnen de wettelijke kaders te brengen. Ten aanzien van industrielawaai zijn geen maatregelen noodzakelijk. Ten aanzien van warmtepompen zijn alleen maatregelen noodzakelijk als het geluidniveau van de warmtepompen boven de 75 dB(A) komt. In het onderzoeksrapport zijn maatregelen benoemd die het akoestisch niveau op 75 dB(A) (wettelijk niveau) kunnen brengen. Het plan is ten aanzien van het aspect akoestiek uitvoerbaar indien wordt voldaan aan hetgeen voortvloeit uit de uitgevoerde onderzoeken. Met de genoemde maatregelen wordt een goed woonen leefklimaat gerealiseerd voor de bewoners van de voorziene appartementen en worden bestaande bedrijven niet in de bedrijfsvoering beperkt.
4.8.4 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving van een beoogde ontwikkeling worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij om interne en externe werking. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die
78
bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Het plan voorziet in het realiseren van een woonbestemming. Dit is een gevoelige bestemming die binnen het bestemmingsplan reeds mogelijk is. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich diverse functies die passen binnen de bestemming ‘Centrum-detailhandel’. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied, gelet op de verschillende functies in de omgeving van het plangebied, aangemerkt kan worden als een 'gemengd gebied'. In zijn algemeenheid geldt dat in binnenstedelijke locaties enige invloed van omgevingsfactoren ervaren kan worden.
De ruime bestemming ‘Centrum – detailhandel’ die in de directe omgeving van het plangebied aanwezig is, maakt dat in het plangebied reeds functiemenging aanwezig is die enige invloed op een woonbestemming kan hebben. Hier dient in de bestaande situatie door bedrijven al rekening mee gehouden te worden. De invloed op onderliggend bouwplan dat woningen mogelijk maakt, is dan ook beperkt. Binnen de bestemming ‘Centrum-Detailhandel’ zijn onder andere gebouwen toegestaan met de functies detailhandel, wonen en dienstverlening. Deze functies hebben een richtafstand van 10 meter en binnen gemengd gebied geen richtafstand. Verder zijn bedrijfsmatige functies toegestaan die zijn opgenomen in de lijst van bedrijfsactiviteiten bij functiemenging. De toegestane functies hebben in gemengd gebied geen negatief milieukundig effect op de voorziene woningen. Als laatste zijn horeca-activiteiten toegestaan binnen de bestemming. Hier wordt op een aantal locaties invulling aan gegeven. Het akoestisch effect van deze horeca-activiteiten is in paragraaf 4.8.3 reeds beschouwd. Hieruit komt naar voren dat fysieke maatregelen aan het pand worden uitgevoerd ten einde te komen tot een aanvaardbaar akoestisch niveau, zonder dat horecagelegenheden worden beperkt in hun bedrijfsvoering.
Behoudens de horecagelegenheden bevinden zich binnen het invloedgebied van het bouwplan geen activiteiten of bestemmingen die tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners leiden of die van invloed zijn op bestaande bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Binnen het plangebied is sprake van functiemenging. Op de begane grond bevindt zich een winkel, op de verdiepingen de nieuwe woningen. De winkel heeft geen milieukundig effect op de bovengelegen woningen. Alleen het laden en lossen van de winkel speelt een rol. In paragraaf 4.8.3 is reeds aangegeven dat dit, mede door het nemen van gevelmaatregelen om alle akoestische effecten te elimineren, niet leidt tot een negatief effect op het bouwplan. Conclusie Het plan is op basis van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ uitvoerbaar.
79
4.8.5 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: -
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: -
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. In het kader van onderliggend ontwikkeling is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat zich in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen bevinden die enige invloed op de uitvoerbaarheid van het plan hebben. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ heeft geen invloed op het voorziene bouwplan.
4.8.6 MER-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 80
1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: -
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en de bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. De kenmerken van het project zijn in hoofdstuk 3 en 4 beschreven. Aangezien de ontwikkeling zich beperkt tot het toevoegen van bouwlagen ten behoeve van woningen boven een bestaand pand, zijn de effecten van het plan op de omgeving beperkt. De effecten hebben met name te maken met een toename van huisvuil en afvalwater. Dit wordt volgens de gemeentelijke normen verwerkt. Gezien de schaal en aard van de ontwikkeling kan gesteld worden dat ook de effecten van het verkeer en de emissies verwaarloosbaar zijn. Er treden daarmee geen effecten op kwetsbare gebieden op. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten in dit hoofdstuk in beeld gebracht. Door deze beoordeling is inzicht verkregen in het feit dat het plan geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze bevindingen zijn vertaald in een aanmeldnotitie MER (Vormvrije M.E.R.-beoordeling Broerenkwartier Oostzijde, BP&A, februari 2022) die als bijlage 7 van deze onderbouwing is opgenomen. Daaruit wordt geconcludeerd dat er geen m.e.r. hoeft te worden opgesteld.
Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld.
4.9 Afval In het Broerenkwartier wordt een behoorlijk aantal woningen toegevoegd. Ten aanzien van de inzameling van afval wordt door de gemeente een plan gemaakt voor de wijze van het inzamelen van dit afval. Vanwege het ontbreken van opstelplaatsen van afvalcontainers zal daarvoor gebruik worden gemaakt van ondergrondse inzamelcontainers waar de bewoners van voorliggend plan gebruik van kunnen maken.
81
4.10 Kabels en leidingen Om een beeld te krijgen van de kabels, leidingen en riolering in het plangebied in de huidige situatie is een KLIC-melding uitgevoerd. De aanwezige kabels en leidingen, zoals weergegeven op de volgende afbeelding, leiden niet tot beperkingen voor de ontwikkeling. Bij de uitvoering van de werkzaamheden en de aansluiting van de woningen wordt rekening gehouden met het bestaande netwerk.
4.11 Bezonning Het voorziene bouwplan voorziet in de toename van enkele bouwlagen in een binnenstedelijke omgeving waar meer hoogbouw aanwezig is. In het kader van voorliggend plan zijn daarom de effecten van het bouwplan op de schaduwwerking op omliggende bebouwing onderzocht aan de hand van een bezonningsonderzoek op basis van de lichte TNO-norm (Bezonningsonderzoek Herontwikkeling pand C&A Zwolle, ITX Bouwconsult, 2024). Deze studie is opgenomen als bijlage 8. De lichte TNO-norm schrijft minimaal twee uur zon per dag in de periode 19 februari tot en met 21 oktober voor. De volledige formulering van de ‘lichte norm’ luidt als volgt: ‘er wordt voldaan aan de lichte TNO-norm als de zon minimaal 2 uur per dag op het midden van de vensterbank aan de
82
binnenkant van het raam van de woonkamer valt, gedurende de periode 19 februari t/m 21 oktober’. 19 februari en 21 oktober zijn de data waarop de schaduwwerking het grootst is vanwege de lage stand van de zon. Na 19 februari zal de situatie elke dag verbeteren tot en met 21 juni, wanneer de zon op haar hoogst staat en er dus nauwelijks schaduwwerking is. Daarna wordt de schaduwwerking weer elke dag een beetje groter, tot het einde van de onderzoeksperiode op 21 oktober. Vanwege dit ‘parabolische’ effect volstaat het om de schaduwwerking op drie dagen te onderzoeken: 19 februari, 21 juni en 21 oktober. Op elk van deze data wordt met een interval van 1 uur onderzocht hoe de schaduwwerking op de omliggende woningen op de betreffende dag is, zodat inzichtelijk is hoeveel uur per dag de te onderzoeken gevels in de schaduw liggen. Bij toetsing aan de TNO-norm dient de bezonning van het midden van de vensterbank in de woonkamer onderzocht te worden. In de regel bevindt de woonkamer zich in ieder geval aan de voorzijde van de woning. Het uitgevoerde onderzoek is uitgevoerd op basis van voorgaande uitgangspunten en leidt tot de volgende conclusies.
Conclusies bezonningsstudie Uit het 4-seizoenen zon- en schaduwonderzoek komt naar voren dat zowel het appartementengebouw, hoek Drie Pistolengang-Klokkensteeg, hoek Weeshuisstraat-Achter de Broeren-Broerenstraat en hoek Weeshuisstraat-Broerenstraat, als de meest kritische panden aan te merken zijn. Uit het onderzoek op 19 februari naar de appartementen Drie Pistolengang-Klokkensteeg blijkt dat de appartementen D, E en F voldoen aan de TNO-norm en geen beïnvloeding ondervinden van de geplande bebouwing. Appartementen B en C voldoen net niet maar ook hier is geen sprake van een beïnvloeding door de geplande bebouwing. Appartement A zal na de realisatie niet voldoen aan de TNO-norm, de afwijking van de norm bedraagt 48 minuten. Uit het onderzoek op 19 februari naar de appartementen Achter de Broeren-Broerenstraat komt naar voren dat de TNO-norm niet gehaald wordt, Appartement G kent een vermindering van 55 minuten en appartement H een vermindering van 24 minuten ten opzichte van de TNO-norm. Uit het onderzoek naar de appartementen Weeshuisstraat-Broerenstraat komt naar voren dat Appartement I voldoet aan de TNO-norm en niet beïnvloed wordt door de geplande bebouwing. Appartement J voldoet niet en kent een vermindering van 67 minuten ten opzichte van de TNO-norm.
Verder blijkt uit het onderzoek naar het verschil tussen de geplande bebouwing en het vigerend bestemmingsplan, exclusief de 10% vrijstelling in de hoogte, dat in alle onderzocht gevallen het bestemmingsplan een aanzienlijke verslechtering geeft in vergelijking met de geplande bebouwing. Alleen de appartement Drie Pistolengang-Klokkensteeg F en appartement WeeshuisstraatBroerenstraat I voldoen aan de TNO-norm. Conclusie De onderzochte appartementen ondervinden in meer en mindere mate een schaduwtoename door de geplande nieuwbouw. Deze is minder dan hetgeen volgens het vigerend bestemmingsplan is toegestaan. Voor een binnenstedelijke ontwikkeling zoals hier in hartje centrum Zwolle zijn de vastgestelde zonafnames acceptabel te noemen. Het plan is zodoende op het punt van schaduwwerking uitvoerbaar. 83
4.12 Asbest Kader In het Bouwbesluit is bepaald dat het verboden is om zonder of in afwijking van een sloopmelding te slopen of te verbouwen indien daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m² zal bedragen. Van de melding maakt een asbestinventarisatierapport deel uit. De inventarisatieplicht geldt niet voor gebouwen die na 1994 zijn gebouwd. Analyse Het gebouw is van vóór 1994 en dus asbestverdacht. Daarom is een asbestinventarisatie voor het gebouw uitgevoerd. Uit het onderzoek komt naar voren dat ter plaatse van het plangebied nog asbest aanwezig is. Het aanwezige asbest wordt ten behoeve van voorliggend plan op basis van de inventarisatie gesaneerd. De asbestinventarisatie is als bijlage 9 opgenomen. Conclusie Het aanwezige asbest wordt op basis van de wettelijk voorgeschreven wijze verwijderd en verwerkt.
4.13 Conclusie Algemeen Op basis van voorgaande is aangetoond dat de plannen ruimtelijk, milieukundig en functioneel goed inpasbaar zijn in de omgeving. De plannen dragen door verschijningsvorm en functie bij aan het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid. Door woonfuncties en commerciële functies te combineren wordt het gebied leefbaar en aantrekkelijk. Met name aan de zijde van de Nieuwstraat en de Drie Pistolengang draagt het plan bij aan de vergroting van de sociale veiligheid. Het plangebied maakt ruimtelijk en functioneel verbinding met de omgeving. Afwijken van bestemmingsplan In hoofdstuk 1 is geconstateerd dat het voorziene bouwplan op een aantal onderdelen afwijkt van het geldende bestemmingsplan. Het plan wordt op basis van een omgevingsvergunning uitgebreide procedure mogelijk gemaakt. Hieronder is samengevat weergegeven op welke wijze het plan bijdraagt aan een goed woon- en leefklimaat. Het toevoegen van het aantal woningen Rondom het plangebied, met name aan de zijde van de Drie Pistolengang en de Nieuwstraat, is buiten de openingstijden van winkels, sprake van een sociaal onwenselijke situatie. Het toevoegen van meerdere woningen vergroot de leefbaarheid rondom het plangebied en komt de bestaande leefbaarheid ten goede.
Ook het toevoegen van groen op het dak van het gebouw draagt bij aan de leefbaarheid van het gebied omdat de belevingswaarde wordt vergroot en het groen tevens een bijdrage levert aan de opvang van hemelwater. Door het toevoegen van bouwlagen waar deze woningen in worden gerealiseerd ontstaat geen afbreuk van de bestaande stedenbouwkundige kwaliteiten van het gebied. De bebouwing is afgestemd op de omgeving. Vergroting bouwhoogte Binnen het bestemmingsplan is de mogelijkheid opgenomen om in maatvoering 10% af te wijken van maatvoeringen uit het bestemmingsplan. Zoals aangegeven wijkt het bouwplan op onderdelen af van 84
de maximaal toegestane bouwhoogte uit het bestemmingsplan en ook van de bouwhoogte als deze met 10% wordt verhoogd. Door hier gebruik van te maken wordt de mogelijkheid geboden om zowel ruimtelijk/architectonisch, als programmatisch een goed plan te realiseren. Ruimtelijk/architectonisch door hoogteverschillen in de bebouwing te realiseren. Dit draagt bij aan de verscheidenheid van het Zwolse dakenlandschap. Programmatisch biedt het de kans om meer woningen te realiseren waardoor beter ingespeeld kan worden op de woonbehoefte van de doelgroep. Daarnaast is het functioneel nodig om een liftschacht te realiseren die iets hoger is dan de huidige planologische mogelijkheden. Deze opbouw valt in combinatie met de rest van het plan en de omgeving niet uit de toon. Op basis van voorgaande kan geconcludeerd worden dat het bouwplan (inclusief de afwijkingen van het bestemmingsplan) niet leiden tot een aantasting van het stedenbouwkundig beeld en de woonsituatie.
85
5. Uitvoerbaarheid 5.1 Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In deze paragraaf staat het contact beschreven tussen initiatiefnemer met bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden (participatiejournaal). Bij deze ontwikkeling hechten we veel waarde aan de inbreng en belangen van de omgeving. In de afgelopen jaren is er regelmatig en op verschillende manieren contact geweest met betreffende stakeholders. Er is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bewoners aan de Drie Pistolengang. Zo zijn setbacks gerealiseerd om afstand te houden tot de belendende bebouwing aan de Drie Pistolengang en wordt veel groen toegevoegd om het woon- en leefklimaat verder te vergroten. Waar eerder buiten het bestaande bouwvlak zou worden gebouwd en daarmee meer richting de Drie Pistolengang, is dit in de definitieve plannen niet meer het geval. Inloopavonden: Op 13 oktober 2021 is het plan voor het eerst getoond aan het publiek. In de vorm van een informatieavond, georganiseerd door de Gemeente Zwolle. De reacties op de plannen waren overwegend positief. Naar aanleiding van de informatieavond zijn er twee buren naar voren gekomen die echt moeite hadden met de plannen. Het betreft bewoners van Het Eiland. Met hen zijn we in gesprek gegaan. Op 20 april 2022 heeft de gemeente Zwolle opnieuw een informatieavond georganiseerd. Dit keer in het Academiehuis Grote Kerk. Ook nu waren de reactief positief.
Buren: Tijdens de informatieavond hebben 2 huishoudens zich gemeld en hun zorgen uitgesproken over de voorgenomen ontwikkeling. Ze vrezen minder zicht en licht maar zien ook dat het bouwplan binnen de eigen erfgrens blijft. Verder is er de angst voor waardevermindering van de eigen woningwaarde van deze bewoners. Met deze bewoners heeft overleg plaatsgevonden op 2 en 25 november 2021. In november 2023 zijn per huishouden persoonlijke afspraken vastgelegd en ondertekend waardoor ze zich gehoord voelen en afzien van eventuele bezwaren en beroepen. Indien gewenst kunnen wij deze verklaring delen maar wel alleen na goedkeuring van de betreffende buren. Brasserie Dunnik: Op 29 september 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden met de eigenaresse van Brasserie Dunnik. Hierin zijn de plannen besproken en of er vanuit hen eventuele bezwaren zijn hierop. Tijdens de bouw
86
zal wellicht wat overlast ervaren worden maar verder is het plan goed ontvangen. Voor Brasserie Dunnik kan het ook zorgen voor meer klandizie. Vrienden van Stadskern en Koplopersgroep Naast omwonenden en omringende bedrijven hebben ook gesprekken plaatsgevonden met de Vrienden van de Stadskern (op 25 maart 2021) en de Koplopersgroep (6 oktober 2021). Zowel de Vrienden van de Stadskern als de ‘Koplopersgroep’ hebben het plan omarmd. Zowel vanuit ruimtelijk opzicht als vanuit functioneel opzicht. Het realiseren van woningen draagt volgens partijen bij aan de leefbaarheid van het Broerenkwartier. Verder heeft ambtelijk en bestuurlijk overleg plaatsgevonden en zijn de plannen besproken met welstand. Welstand heeft aanbevelingen gedaan ten aanzien van het behoud van rooilijnen, bouwmassa’s en behoud van de herkenbaarheid van de tijd waarin het oorspronkelijke pand is gebouwd. Ook is geadviseerd de puien van het gebouw aan de Nieuwstraat transparanter te maken. Aan de aanbevelingen is invulling gegeven door behoud van een deel van de oorspronkelijke stenen gevel en het vergroten van de raampartijen aan de Nieuwstraat. Het pand behoudt hierdoor haar oorspronkelijke karakter, waardoor de tijdgeest van de bebouwing afleesbaar blijft. Ook is groen toegevoegd aan het gebouw en is gebruik gemaakt van setbacks om ‘lucht’ in het plan te brengen.
Het plan is door welstand positief beoordeeld. Naast de informatiebijeenkomsten en overlegmomenten is ook een projectwebsite gelanceerd. Via deze site kunnen mensen vragen stellen over het plan en op die manier in overleg treden met de ontwikkelaar. Vanuit privacyoverwegingen zijn er geen gespreksverslagen van de gesprekken en is het een geanonimiseerd verslag. Vanuit de gemeente kan rechtstreeks contact met de ontwikkelaar worden opgenomen om een toelichting op de gesprekken te krijgen. Vooroverlegpartners Op grond van artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is de ontwikkeling voorgelegd aan de betrokken overlegpartners. Bij de voorbereiding van de ontwerp-projectomgevingsvergunning zijn de volgende organisaties gevraagd een overlegreactie/advies te geven: 1. Provincie Overijssel; 2. Waterschap Drents Overijsselse Delta; 3. Veiligheidsregio IJsselland. De reacties van de overlegpartners zijn als bijlage 10 van deze ruimtelijke onderbouwing samengevat en beantwoord.
5.3 Economische uitvoerbaarheid Onderliggend initiatief wordt uitgevoerd op risico van een commerciële partij. Alle kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van het initiatief zijn voor rekening van deze ontwikkelaar. In het kader van voorliggend plan is een anterieure overeenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente afgesloten waarin afspraken zijn vastgelegd over het kostenverhaal, het tijdvak en locatie-eisen. Aan de overeenkomst is een allonge toegevoegd over de woningbouwcategorieën waarvoor gebouwd mag worden. 87
De gemeente is verplicht, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwplannen in de zin van artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, in combinatie met een bestemmingsplan, wijzigingsplan, projectuitvoeringsbesluit of omgevingsvergunning een exploitatieplan vast te stellen. Van deze verplichting kan worden afgeweken als sprake is van gemeentelijke gronduitgifte dan wel, dat een anterieure overeenkomst wordt gesloten met een eigenaar om de kosten van de grondexploitatie anderszins te verzekeren. Bij de afwijking van het bestemmingsplan, op basis van een omgevingsvergunning, is bij deze ontwikkeling sprake van een aangewezen bouwplan op het bij de ontwikkelaar in eigendom zijnde perceel, kadastraal bekend gemeente Zwolle, sectie F nummer 8008. Ten aanzien van dit perceel is een anterieure overeenkomst gesloten. Op basis van deze anterieure overeenkomst zijn de kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd. Bij vaststelling van het bestemmingsplan wordt de gemeenteraad, op grond van de anterieure overeenkomst, geadviseerd geen exploitatieplan vast te stellen. Op basis van het bovenstaande wordt de ontwikkeling op basis van de afwijking van het bestemmingsplan geacht economisch uitvoerbaar te zijn.
88
Bijlagen Bijlage 1a. Ecologische quickscan Bijlage 1b. Actualisatie ecologische quickscan Bijlage 1c. Voortoets stikstofdepositie Bijlage 1d. Projectberekening aanlegfase Bijlage 1e. Projectberekening gebruiksfase Bijlage 2. Digitale watertoets Bijlage 3. Akoestisch onderzoek wegverlkeerslawaai Bijlage 4. Akoestisch onderzoek geluidwering gevels Bijlage 5. Akoestisch onderzoek ruimtelijke inpassing Bijlage 6. Akoestisch onderzoek warmtepompen Bijlage 7. Aanmeldnotitie MER Bijlage 8. Bezonningsstudie Bijlage 9. Asbestinventarisatie Bijlage 10. Vooroverlegreacties
89
Postadres: Korenbloemstraat 30, 8012 XS Zwolle | info@bureaupena.nl | www.bureaupena.nl