CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Gewijzigd bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

Raad Besluitvormingsronde 10 februari 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 6433.329 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

27/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

2.6.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. De bescherming is zodoende planologisch geregeld. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 2.6.3

Gemeentelijk groenbeleid

Groenbeleidsplan (1998) en Structuurplan 2020 Het Groenbeleidsplan, vastgesteld door de gemeenteraad op 30 maart 1998, geeft aan dat de hoofdgroenstructuur stevig genoeg moet zijn om duurzaam in stand te worden gehouden. Het groen zal meerdere functies vervullen, zal natuurwaarden in zich bergen en duidelijk herkenbaar zijn in de stad. Het netwerk van groene dragers in het Structuurplan 2020 is grotendeels afgeleid van het Groenbeleidsplan en aangevuld met nieuw structuurgroen dat voor de periode tot 2020 op het programma staat. Buurtgroen staat niet zelfstandig op de plankaart van het Structuurplan. Wel vormt het een onlosmakelijk onderdeel van de ruimtelijke opzet en inrichting van woon- en werkmilieus. Bomenverordening 2021 De concept Bomenverordening 2021 geeft regels over het vellen van bomen. Voor het vellen van een boom binnen de op de Groene Kaart weergegeven hoofdgroenstructuur is een (kap)omgevingsvergunning nodig voor bomen met een omtrek groter dan 30 cm, die staat op een perceel van 400 m² en groter. De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand. Bomen in de hoofdgroenstructuur hebben een hoge waardering.

Het beschermen van de natuur, het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van klimaatverandering, het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, de beeldbepalende waarde van houtopstand, de cultuurhistorische waarde van houtopstand en het houden van een kwalitatief goed bomenbestand wordt bij de afweging betrokken.

2.7

Waterbeleid

Europees en nationaal beleid Duurzaam schoon oppervlaktewater en bescherming van het drinkwater voor de toekomst. Dat zijn heel in het kort de belangrijkste doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Waterbeheer 21e eeuw (WB21). De Kaderrichtlijn Water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater uiterlijk in 2027 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat “een goede ecologische toestand”. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand). In de geldende Europese richtlijnen en de EU richtlijn Prioritaire Stoffen staat precies omschreven wat een goede chemische toestand voor oppervlaktewater is.

De ecologische doelstellingen stellen de lidstaten onderling vast in zogeheten (internationale) stroomgebiedbeheersplannen. Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de 28/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering centraal. Er wordt uitgegaan van het geheel van relaties tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit, oppervlaktewater, grondwater, watergebruikers en grondgebruikers. Hierbij wordt het juridische kader geschept voor het Nederlandse waterbeheer in de komende decennia. Per 1 januari 2017 is de Waterwet gewijzigd. De beoordeling van de veiligheid van primaire waterkeringen wordt nu gebaseerd op de overstromingskans. In 2050 moeten de waterkeringen voldoen aan de normen die per 1 januari 2017 van kracht zijn. Waterbeheer 21e eeuw WB21 anticipeert op toekomstige ontwikkelingen zoals klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging. Deze ontwikkelingen stellen strengere eisen aan het waterbeheer. In WB21 wordt uitgegaan van twee principes (tritsen) voor duurzame waterkwantiteit- en duurzaam waterkwaliteitsbeheer: vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren schoonhouden, scheiden en zuiveren. Bij 'vasthouden, bergen en afvoeren' wordt (overtollig) regenwater zoveel als mogelijk lokaal bovenstrooms vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Wanneer er nog meer valt wordt het water eerst tijdelijk geborgen in grotere bergingsgebieden en pas daarna vertraagd afgevoerd.

Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het om een milieutechnische voorkeursvolgorde waarbij de voorkeur uitgaat naar het voorkomen van verontreiniging (schoonhouden). Als er toch verontreiniging ontstaat, moeten schoon en vuil water zoveel mogelijk worden gescheiden. Ten slotte wordt het verontreinigde water zo goed mogelijk gezuiverd. Deltawet Het doel van de Deltawet, aangenomen op 28 juni 2011, is het land nu en in de toekomst beschermen tegen hoogwater en de zoetwatervoorziening op orde houden. De afgelopen eeuw is de zeespiegel sneller gestegen dan daarvoor, de bodem gedaald en is het snel gemiddeld bezien warmer geworden. Deze trend zet door, blijkt uit de cijfers van het KNMI. Hevigere weersomstandigheden, zoals meer regen en periodes van droogte, zijn zaken om rekening mee te houden. Het Deltaprogramma is er om de huidige veiligheid op orde te krijgen en ervoor te zorgen dat Nederland beter is voorbereid op de toekomst en daarbij de juiste maatregelen te nemen voor een veilig en aantrekkelijk Nederland met voldoende zoetwater. In het Deltaprogramma werken het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen samen met maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en kennisinstituten. Dit gebeurt onder regie van de Deltacommissaris.

Naast de lopende programma's, zoals Ruimte voor de Rivier, Maaswerken, Zwakke Schakels Kust en HWBP, staan in het Deltaprogramma vijf deltabeslissingen centraal. Deze beslissingen gaan over de normen van onze belangrijkste dijken en andere waterkeringen en de strategieën voor onze waterveiligheid, over de beschikbaarheid en verdeling van zoetwater, over het peil van het IJsselmeer, over de manier waarop gebieden veilig kunnen blijven zonder aan economische waarde in te boeten en over hoe bij het bouwen van buurten en wijken rekening kan worden gehouden met water. In 2014 zijn de deltabeslissingen in de Tweede Kamer besproken. Provinciaal beleid Provincie Overijssel heeft haar beleid vastgelegd in een omgevingsvisie en de omgevingsverordening. Op 12 april 2017 zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening vastgesteld. Hierin is het ruimtelijk beleid van de provincie vastgelegd. De Omgevingsvisie heeft tevens de status van Regionaal Waterplan onder de Waterwet en het Milieubeleidsplan onder de Wet milieubeheer. De Omgevingsvisie en Omgevingsverordening worden jaarlijks geactualiseerd. Waterschapsbeleid Zwolle ligt in het beheergebied van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD). Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in het Waterbeheerprogramma

29/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

2022-2027, de Kadernotitie Stedelijk Water, beleid inrichting beheer en onderhoud op maat en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Het beleid van het waterschap sluit nauw aan bij de uitgangspunten van WB21. In 2021 is de Kadernotitie Stedelijk Water vastgesteld. Deze notitie beschrijft de voor het waterschap gewenste situatie in bestaand en nieuw stedelijk gebied. Om deze situatie te bereiken heeft het waterschap in 2015 het beheer en onderhoud van deze wateren overgenomen van de gemeente Zwolle. Op watergangen en keringen van Waterschap Drents Overijsselse Delta is de waterschapsverordening van het waterschap Drents Overijsselse Delta van toepassing. In de waterschapsverordening zijn regels gesteld wat wel en niet mag bij o.a. watergangen, waterkeringen, kernzones en bijvoorbeeld lozingen. Gemeentelijk beleid De gemeente Zwolle heeft haar beleid ten aanzien van hemelwaterinfiltratie vastgelegd in de Hemelwaterverordening van 2022. Verder zijn in het Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 (GRP) ontwerprichtlijnen en beleidskeuzes beschreven waaraan voldaan moet worden. Ook heeft Zwolle een raamwerk klimaat- en watersysteem vastgesteld als onderdeel van de Omgevingsvisie van 2021.

2.8

Milieubeleid

Milieu algemeen De gemeenteraad van Zwolle heeft in 2005 de milieuvisie "Milieu op scherp" vastgesteld. De milieuvisie geeft de richting aan van het Zwolse milieubeleid. In de milieuvisie worden ambities en doelstellingen geformuleerd en worden prioriteiten gesteld in de ontwikkeling en uitvoering van het Zwolse milieubeleid. In de milieuvisie is de strategie geformuleerd die Zwolle wil hanteren om te komen tot een effectief en efficiënt milieubeleid. Er worden parallelle sporen gevolgd. Per sector (geluid, bodem, externe veiligheid, luchtkwaliteit enz.) wordt beleid geformuleerd. Op dit moment is voor de sectoren energie, duurzaam bouwen, bodem, grondwater, geluid, afval en externe veiligheid beleid vastgesteld. Zwolle heeft daarnaast gebiedsgericht milieubeleid ontwikkeld. Door middel van een gebiedsgerichte aanpak wordt het sectorale milieubeleid per gebied geïntegreerd. Het principe is dat binnen het grondgebied van Zwolle diverse gebiedstypen worden onderscheiden op basis van ruimtelijke kenmerken en functies. Vervolgens wordt vastgesteld welke milieukwaliteit nagestreefd wordt bij een dergelijk gebiedstype. Uiteindelijk zal dit referentie milieu kwaliteitsprofiel de basis vormen voor de uitwerking van het milieubeleid in een specifiek gebied.

Het beleid voor de aspecten (vormvrije)m.e.r.-beoordeling, geluid, trillingen, milieuzonering, luchtkwaliteit en externe veiligheid zijn relevant voor de ontwikkeling. Hierna wordt kort ingegaan op de voornoemde aspecten. De toetsing vindt plaats in paragraaf 3.8. (Vormvrije)m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Geluid In de milieuvisie “Milieu op scherp” wordt de ambitie voor geluid als volgt omschreven. Zwolle is een dynamische stad met geluidniveaus die passen binnen de wettelijke grenswaarden. Er zijn alleen geluiden 30/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

die passen bij de functie van een gebied. Een belangrijke doelstelling is het verminderen van geluidshinder in bestaande woningen en voorkomen van geluidshinder bij renovatie en nieuwbouw. Een belangrijke maatregel om deze doelstelling te bereiken is het toepassen van stillere wegdeksoorten. Een andere maatregel is het meenemen van de geluidsdoelstellingen bij de ruimtelijke planontwikkeling. In de door de gemeenteraad vastgestelde “Handreiking gebiedsgericht werken aan milieu gemeente Zwolle (juli 2007) en in de beleidsregel Hogere waarden Wet geluidhinder (9 februari 2007) worden de ambities en de grenswaarden (dit is maximale waarde waarvoor nog hogere grenswaarden worden vastgesteld) per gebiedstype genoemd. Stadshagen behoort tot het gebiedstype “groen stedelijk”. Het groenstedelijke gebiedstype is een rustig gebiedstype met overwegend een woonfunctie. De dichtheid is vrij laag maar varieert. Het primaat in dit gebiedstype is rust en ruimte. De verkeersfunctie is ondergeschikt aan de verblijfsfunctie. Indien uit het akoestisch onderzoek blijkt dat kan worden voldaan aan de grenswaarde dan geldt dus een eenvoudige administratieve toets. De ingezette lijn in het voorgaande bestemmingsplan voor wat betreft voldoen aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB Lden) blijft gehandhaafd. Aan het verlenen van hogere waarden wordt niet meegewerkt.

Trillingen In algemene zin geldt dat door het rijden van treinen over de spoorlijn trillingen kunnen worden opgewekt, die zich voortplanten door de bodem en vervolgens funderingen kunnen aanstoten en in trilling kunnen brengen. Deze trillingen planten zich voort in de gebouwconstructie. Eventuele (objectiveerbare) trillinghinder is afhankelijk van de optredende trillingssterkten en de mate van voorkomen (hoe vaak is een trilling voelbaar). In Nederland bestaan op dit moment geen wettelijke regelingen en normen, die duidelijke grenswaarden met een beoordelingssysteem voor trillingen geven. Sinds 1993 is er wel de meet- en beoordelingsrichtlijn van de SBR “Trillingen deel B – Hinder voor personen in gebouwen", waarin streefwaarden worden gegeven, waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er geen hinder optreedt. De SBR-publicatie is in 2002 geactualiseerd. Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de “Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen” (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking wordt twee afstandscriteria aangegeven ten aanzien van de beoordeling van het aspect trillingen.

Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van honderd meter van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een onderzoek trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 meter afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/ of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek. Bedrijvigheid en Inwaartse zonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we enerzijds het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen en gevoelige bestemmingen zoals woningen. Anderzijds worden milieugevoelige functies zoals wonen en recreëren beoordeeld. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen: Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteit duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De gemeente Zwolle hanteert bij de uitwerking van het bovenstaande principe de veel gebruikte VNG-handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” (2009). Hierin zijn richtafstanden aangegeven die aangehouden kunnen worden tussen bedrijven en gevoelige bestemmingen (voorzieningen en woningen). Luchtkwaliteit

31/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

In het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) wordt de luchtkwaliteit langs alle wegen in Zwolle jaarlijks gemonitord. Hieruit blijkt dat de kwaliteit gestaag verbetert. Om de kwaliteitsverbetering voort te zetten zijn in het luchtkwaliteitsplan van gemeente Zwolle de volgende doelen geformuleerd: voldoen aan wet- en regelgeving; knelpunten in de toekomst voorkomen, wat betekent dat de luchtkwaliteit in het planvormingsproces van ruimtelijke plannen en verkeersplannen wordt meegenomen; beleid ten aanzien van luchtkwaliteit inbedden in bestaand gemeentelijk beleid voor verkeer en vervoer, ruimtelijke ordening en vergunningen en handhaving. Externe veiligheid De beleidsvisie externe veiligheid is op 6 maart 2007 vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeente streeft ernaar voor haar gehele grondgebied te voldoen aan de basisveiligheid. Dit betekent dat: overal voldaan wordt aan de normen voor plaatsgebonden risico; een gebiedsgericht invulling wordt gegeven aan groepsrisicobeleid met een gebiedsgericht kader externe veiligheid; veiligheidsdoelstellingen passend bij de typering van het gebied worden ontwikkeld; zoveel mogelijk geanticipeerd wordt op de landelijke beleidsontwikkeling die een ongunstige invloed kunnen hebben op de veiligheidssituatie in Zwolle met als doel het bewaken van een optimaal veiligheidsniveau.

Op 20 januari 2009 heeft het college van B & W het gebiedsgericht beleidskader externe veiligheid vastgesteld. Het gaat om een ruimtelijke uitwerking van het externe veiligheidsbeleid dat aansluit op het gebiedsgerichte milieubeleid. Op basis van kenmerken (fysieke omgeving, hulpverleningsniveau en zelfredzaamheid) die bij een bepaald gebiedstype horen is een beleidsstandpunt bepaald ten aanzien van ene mogelijke toename van het groepsrisico. Een afwijkend gebiedstype vormen de stroomzones. Stroomzones zijn gebieden rondom infrastructuur (spoorlijnen, wegen en waterwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor stroomzones is een apart beleidskader geformuleerd. Het beleidskader voor de stroomzone is, anders dan de overige gebieden, niet normatief (t.a.v. het groepsrisico) maar is vooral gericht op een goede borging van de externe veiligheid belangen in het gebiedsontwikkelingsproces. Dit betekent dat er bij het ontwerpproces op voorhand geen maximaal groepsrisiconiveau voorgeschreven wordt maar dat er gezamenlijk gezocht wordt naar een verantwoorde ontwikkeling. Dit gebeurt door vanuit het beleidskader randvoorwaarden, uitgangspunten en handreikingen aan het ontwerp mee te geven ten aanzien van functies, inrichting en eventuele maatregelen.

Op deze manier zal het groepsrisico zoveel mogelijk beperkt worden en kan het bestuur een verantwoord besluit nemen over het eventueel te accepteren restrisico.

32/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

Hoofdstuk 3

Planbeschrijving

In dit hoofdstuk wordt de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied omschreven. Daarnaast wordt een beschrijving gegeven van de uitgangspunten die gehanteerd zijn bij het maken van dit bestemmingsplan.

3.1

Stedenbouw

3.1.1

Huidige situatie

De Buckhorstlaan ligt in het stadsdeel Stadshagen. Kenmerkend voor de stedenbouwkundige opzet van het stadsdeel is de integrale ontwikkeling van de water- en groenstructuur, de ontsluiting, de verkaveling en de wooncategorieën. De oude lijnen in het landschap - de Oude Wetering (als groenzone) en de Werkerlaan (als strategische zone) - zijn als dragers gebruikt voor het stedenbouwkundig plan. Op de samenkomst van deze nieuwe zones ligt het voorzieningencentrum van de wijk. De woonbuurten liggen als een waaier om het centrum en zijn als samenhangende clusters ontwikkeld. De drager van Stadshagen, de groene Oude Weteringzone verbindt het hart van de wijk (het winkelcentrum) met de Mastenbroekerpolder. De invulling van de zone verwijst naar het polderlandschap: grote openheid met weinig bebouwing. In de zone is op terpen, van oudsher kunstmatige verhogingen in het landschap om bij hoog water een droge plek te hebben, ruimte voor wonen en voor sport- en spelvoorzieningen. De terpen hebben een landelijke uitstraling en bebouwing op de terp valt weg in het landschappelijk beeld: bebouwing is ondergeschikt aan de groene ruimte op en om de verhoging in het landschap. De overgangen tussen de verschillende functies in de Oude Weteringzone zijn groen (beplanting). De planlocatie is één van de solitaire terpen in de Weteringzone.

Doordat de terp de volledige ruimte tussen de omliggende watergangen beslaat, wijkt deze af van de andere terpen. Ook zijn de bestaande landelijke kavels veel groter dan die op de andere terpen. Beleid welstand De gemeenteraad heeft de Welstandsnota 2023, versie juli 2023 vastgesteld. Doel van de welstandsnota is het bieden van een toetsingskader voor de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. De nota geeft gebieds- en objectgerichte welstandscriteria. De welstandsnota beperkt zich daarbij niet tot alleen gebouwen en andere bouwwerken, maar is ook een toetsingskader voor onder andere reclame-uitingen en woonschepen. Voor de gemeente biedt de nota een toetsingskader voor ingediende bouwinitiatieven, voor de burger biedt de welstandsnota vooraf het kader en de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van nieuwe bouwinitiatieven. 3.1.2

Ruimtelijke inpassing plan / Beeldkwaliteit

De ontwikkeling aan de Buckhorstlaan moet passen in de bovenstaande beschrijving van de Oude Wetering. Voor de ontwikkeling gelden ook voorwaarden die meer specifiek voor de planlocatie zijn. Die voorwaarden hebben betrekking op de gewenste beeldkwaliteit in het gebied. De terp oogt door de landschappelijk ingerichte buitenranden als een landelijke en groene eenheid. De haag en de brede bomenzone dragen bij aan het groene beeld van de Weteringzone. De noord- en de zuidzijde bestaan uit een slootrand met knotwilgen en/of een houtwal. De westzijde (Buckhorstlaan) heeft een open slootrand. De ligt op een schakelpositie in de hoofdgroenstructuur van Stadshagen. Hier omgrenzen watergangen en boomsingels de locatie. In stand houden bestaande watergangen. De kavelranden bepalen het landschappelijk beeld. Dat stelt hoge eisen aan de inrichting van het achtererf en aan de erfscheiding: aan de slootzijde mag geen haag of gebouwde erfafscheiding komen. Kernmerken voor de slootrand zijn openheid, knotwilgen en beplanting in combinatie met een bebouwingsvrije, groene zone op de kavels.

33/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

Aan de Weteringzone vallen de bouwvolumes weg in het landschappelijk beeld: de woning is ondergeschikt aan en opgenomen in het groen om en op de terp. Aan de zijde van de Buckhorstlaan zijn de woningen iets zichtbaarder, maar ze gaan qua maat en uitstraling nog steeds op in het landschap. Dat betekent in ieder geval een passende goothoogte (4 meter) en nokhoogte (10 meter) en het gebruik van materialen en kleuren met een landelijke uitstraling, bijvoorbeeld rieten daken en aardetint baksteen of naturel hout (in drie periodes), geen wit. De landelijke uitstraling van de terp betekent dat het totale grondvlak van bouwvolumes (woningen, uitbouwen en bijbehorende gebouwen) ondergeschikt is aan de open of groene ruimte op de terp. a. Tussen de woningen door blijven een open en groene doorzichten van minimaal 10 meter breed. De doorzichten, de tuinen en de groene overgangszone(s) naar de sloot blijven vrij van bebouwing. b. Erfafscheidingen langs de laan en tussen de percelen bestaan uit (wintergroene) begroeiing. c. De afstand tot de zijdelingse perceelgrens is tussen de woningen minimaal 5 meter. d. De afstand tussen de woning en de openbare ruimte aan de voorzijde is minimaal 5 meter. e. De bouwvlakken hebben een diepte van 25 meter. Maximaal 50% van het totale bouwvlak wordt ingezet voor het grondvlak van de bouwvolumes. Een kap is verplicht, kapvorm en nokrichting zijn vrij. a.

Het dak moet worden voorzien van een rieten kap. b. De gevel bestaat uit natuurlijke materialen, passend in het milieu van de Weteringzone (zoals handvorm baksteen in aardetinten, hout, glas) Bouwen in Stadshagen betekent tenminste energieneutraal, klimaatbestendig en natuurinclusief en verder een aantoonbare inspanning om circulair te bouwen. 3.1.3

Uitgangspunt bestemmingsplan

Het plan bestaat uit het realiseren van drie woonkavels ten behoeve van drie vrijstaande woningen op de plek waar eerst een nutsvoorziening stond. Voor de inrichting van de woonkavels gelden kavelpaspoorten. De bepalingen in de kavelpaspoorten vormen de leidraad voor het inrichten van een woonkavel en bouwen van een woning. De kavelpaspoorten zitten als Bijlage 1 bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. De bepalingen in de kavelpaspoorten kregen samen met in paragraaf 3.1.2 genoemde punten een doorvertaling in de (bouw)regels van dit bestemmingsplan. Een opmerking is dat de woningen minimaal energieneutraal moeten zijn. Dat betekent extra inzet op het gebied van duurzaamheid, want in de huidige wet- en regelgeving is bijna energieneutraal bouwen de norm. Voldoende zonnepanelen op de daken van de woningen gaan zorgen voor de benodigde energie om een goed huishouden te hebben. Dit betreft echter vaak alleen gebouwgebonden energie. Voor gebruiksgebonden energie is het nog vaak noodzakelijk om bij een energiemaatschappij energie in te kopen. Eventuele overtollige energie is dan te compenseren door de energiemaatschappij, die het doorverkoopt aan derden. Daarmee is te voorzien in de eigen energiebehoefte als bij te dragen aan de energietransitie in Nederland.

3.2

Klimaat, energie en circulariteit

3.2.1

Uitgangspunt bestemmingsplan

Klimaat Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van drie bouwkavels voor vrijstaande woningen mogelijk op een voormalig bedrijfsperceel waar een nutsvoorziening heeft gestaan. In de toekomstige situatie van het plangebied is ten opzichte van de voormalige situatie minder verharding aanwezig en beter verdeeld. Rondom de kavels wordt gezorgd voor groene open doorzichten waarop niet gebouwd mag worden. Tevens wordt een groenstrook gerealiseerd om het verlies aan groen te compenseren en ter versterking van de biodiversiteit. Het groen zorgt voor een verkoelende werking (door schaduw en verdamping) bij warm weer, 34/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

waardoor hitte eenvoudiger kwijtgeraakt kan worden. Dit is ook gunstig voor het vasthouden van water binnen het plangebied. Het plan geeft hiermee invulling aan een goede klimaatadaptatie. Energie Zwolle wil in 2050 energieneutraal zijn. De woningen in het plangebied zullen gasloos zijn en naar keuze van de bewoners eenvoudig energieneutraal te maken door toevoeging van extra zonnepanelen. Dit is een bewuste keuze omdat "gasloos" een extra investering vraagt. De stap naar energieneutraal is op dit moment economisch niet realistisch. De voorzieningen zijn echter aanwezig om in 2050 energieneutraal te zijn. Hiermee wordt bijdrage geleverd aan het verwezenlijken van de gemeentelijke doelstelling om in 2050 energieneutraal te zijn. Circulariteit Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen wordt nader aangetoond dat er voldaan wordt aan de Zwolse standaard voor het circulair bouwen van nieuwbouw, renovatie en de aanleg en beheer van de buitenruimte. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij landelijke keurmerken en regelgeving.

3.3

Archeologie

3.3.1

Uitgangspunt bestemmingsplan

Archeologie Hoewel voor een klein gedeelte van de gronden binnen het plangebied de dubbelbestemming archeologie is toegekend, is het plangebied in de Archeologische Waarderingkaart van de gemeente Zwolle aangewezen als onbekend. Aangezien in het verleden al onderzoek is verricht op het naast gelegen bouwterrein en ter plaatse al is opgegraven, is een archeologisch onderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk. Wanneer tijdens bodemroerende werkzaamheden een archeologische vondst wordt gedaan, dan dient die vondst te worden gemeld bij het bevoegde gezag. Derhalve wordt geconcludeerd dat er vanuit 'Archeologie' geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Cultuurhistorie Er zijn geen monumenten binnen het plangebied, ook niet in de nabije omgeving. Derhalve wordt geconcludeerd dat er vanuit 'Cultuurhistorie' geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

3.4

Verkeer

3.4.1

Uitgangspunt bestemmingsplan

Het plan is in overeenstemming met het verkeersbeleid, zoals beschreven in paragraaf 2.5. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt het plangebied niet minder bereikbaar ten opzichte van de huidige situatie, aangezien de bestaande infrastructuur zal blijven bestaan. Het plangebied zal nog steeds in verbinding staan met de Nijenhuislaan via de Buckhorstlaan en Oude Wetering en daarom dus goed bereikbaar is voor toegankelijk voor fietsers, voetgangers en automobilisten. Ten aanzien van parkeren is het uitgangspunt dat er op eigen terrein parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Volgens de meest actuele CROW richtlijnen - uitgaande van een sterk stedelijk gebied en rest bebouwde kom - bedraagt de parkeernorm voor een vrijstaande woning gemiddeld 2,1 parkeerplaatsen. Voor drie woningen komt dit neer op 6,3 parkeerplaatsen, oftewel afgerond 6 parkeerplaatsen. Gelet op dat de kavelpaspoorten opgenomen als Bijlage 1 bij de toelichting van dit bestemmingsplan zes parkeerplaatsen

35/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

mogelijk maken, wordt er voldaan aan de parkeernorm vanuit de CROW. Geacht wordt dat dit in overeenstemming is met gemeentelijk beleid. Derhalve wordt geconcludeerd dat er vanuit 'Verkeer' geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

3.5

Groen

3.5.1

Uitgangspunt bestemmingsplan

Het plangebied ligt binnen de hoofdgroenstructuur, waarin het uitgangspunt is dat dit in de toekomst behouden blijft, of waar nodig aangevuld, vanwege het belang voor de gemeente als geheel. Door de gemeente wordt een terughoudend beleid gevoerd ten aanzien van het toevoegen van nieuwe bebouwing binnen de hoofdgroenstructuur. Tenzij sprake is van bebouwing in combinatie met een groenfunctie, waarbij wordt gestreefd naar behoud en/of verbetering van de biodiversiteit. Gelet op de huidige situatie van het plangebied betreft het een voormalige locatie van een nutsvoorziening die reeds gesloopt is. Momenteel liggen de gronden dus braak, waarbij sprake is van een grasveld. Zoals reeds beschreven is voorliggend bestemmingsplan opgesteld om drie woonkavels ten behoeve van de bouw van drie vrijstaande woningen mogelijk te maken. Gelet op dat sprake is van een verandering van de hoofdgroenstructuur, dient de biodiversiteit binnen het plangebied behouden te blijven of verbeterd worden. Het is logisch om te stellen dat als het grasveld wordt bebouwd, dat de biodiversiteit zal verslechteren. Dit omdat de betreffende gronden worden verhard en daardoor geen planten en dieren op de gronden kunnen leven. Opgemerkt wordt dat niet het gehele plangebied wordt bebouwd. Er komen slechts drie bouwvlakken ten behoeve van de woningen, zoals dat het geval is net als bij andere woningen in de omgeving.

Er mag alleen gebouwd worden binnen het bouwvlak en tussen de woningen moet er sprake zijn van open groene doorzichten, waarop geen gebouwen gebouwd mogen worden. Eventuele planten en dieren kunnen op deze gronden verder leven. Gelet op de bomenverordening als bedoeld in paragraaf 2.6 is voor het vellen van een boom binnen de hoofdgroenstructuur een (kap)omgevingsvergunning nodig voor bomen met een omtrek groter dan 30 cm, die op een perceel staan van 400 m² en groter. De omgevingsvergunning voor het vellen van beschermde houtopstand wordt geweigerd, indien de belangen van het vellen van de houtopstand niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand. Bomen in de hoofdgroenstructuur hebben een hoge waardering. Het beschermen van de natuur, het beschermen van de gezondheid en het tegengaan van klimaatverandering, het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, de beeldbepalende waarde van houtopstand, de cultuurhistorische waarde van houtopstand en het houden van een kwalitatief goed bomenbestand wordt bij de afweging betrokken. Aangezien het plangebied een perceeloppervlakte heeft van circa 2.800 m2 en er bomen aanwezig zijn die als gevolg van het plan mogelijk gekapt moeten worden, is een omgevingsvergunning noodzakelijk. In het kader van het geven van een tegenprestatie, wordt naast het plangebied een groenstrook gerealiseerd.

Door realisatie van de groenstrook wordt de biodiversiteit verhoogd en de groenstructuur versterkt. Voor de groenstrook is er een beplantings-/inrichtingsplan opgesteld, zie figuur 2.8. Het beplantings-/inrichtingsplan is als Bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan opgenomen, waarbij de woningen gekoppeld zijn aan de groenstrook. Daarmee is de realisatie en instandhouding van de groenstrook juridisch goed geborgd. Zonder de realisatie van de groenstrook en instandhouding daarvan kan er niet worden gebouwd en gewoond binnen het plangebied. Om de groenstrook verder vrij te stellen van toekomstige bebouwing, is voor dat deel van het plangebied een groenbestemming opgenomen. Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat voldaan wordt aan het groenbeleid van de gemeente Zwolle.

36/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

Figuur 2.8: uitsnede beplantings-/inrichtingsplan (Bron: Ad Fontem)

3.6

Natuur

3.6.1

Uitgangspunt bestemmingsplan

Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is, binnen het huidige regime van de Omgevingswet, een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De Omgevingswet vormt het voornaamste juridische toetsingskader op het vlak van gebiedsbescherming soortenbescherming en bescherming houtopstanden. Deze wet is op 1 januari 2024 in werking getreden en vervangt de Wet natuurbescherming. Voorliggend bestemmingsplan is nog onderhevig aan het regime van de Wet ruimtelijke ordening (vervallen per 01-01-2024), wat betekent dat op het onderdeel Natuur het Overgangsrecht Wet natuurbescherming van toepassing is. Hierin geldt overgangsrecht voor verplichtingen natuurgebieden, bescherming van soorten en houtopstanden. Waar in het natuurwaardenonderzoek wordt gesproken over een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, lid 2, onder g, van de Omgevingswet, is hier een ontheffing van een verbod ter bescherming van soorten (artikel 3.3, lid 1 en lid 3, 3.4, lid 2 en lid 3, 3.8, lid 1, lid 3 en lid 4, 3.9, lid 2, 3.10, lid 2, 3.22, lid 2, 3.34, lid 3 en lid 5, Wet natuurbescherming) van toepassing. Dit volgt uit artikel 2.6, lid 1, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. Op de onderwerpen gebiedsbescherming en houtopstanden is het overgangsrecht niet nodig, zoals zal blijken uit het natuurwaardenonderzoek.

37/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

3.6.1.1 Natuurwaardenonderzoek Ten behoeve van het onderzoek naar de natuurwaarden, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Onderstaand worden de belangrijkste conclusies uit deze quickscan beschreven. Voor de volledige inhoud van het rapport Quickscan Flora en Fauna Buckhorstlaan 64 TE Zwolle, d.d. 23-12-2024, Lycens, wordt kortheidshalve verwezen naar het in Bijlage 4, bij de toelichting van dit bestemmingsplan, opgenomen natuurwaardenonderzoek. Gebiedsbescherming De invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en de afstand met het Natuurnetwerk Nederland (NNN) dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Ook negatief effect van fysieke activiteiten op Natura 2000-gebied kan worden uitgesloten. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied mogelijk als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels.

Vleermuizen en beschermde ongewervelden bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. In de zomer en het najaar van 2024 is nader onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Dit rapport Nader Soortenonderzoek, Buckhorstlaan 64, Zwolle, d.d. 02-12-2024, Lycens is als Bijlage 5 opgenomen bij de toelichting van dit bestemmingsplan, voor de concrete inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar deze bijlage. In de onderstaande alinea worden de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek beschreven. Uit het onderzoek is gebleken dat geen sprake is van essentieel leefgebied van kleine marterachtigen. Er zijn ook geen vaste rust- en voortplantingsplaatsen aangetroffen. Het bouwrijp maken van het perceel leidt derhalve niet tot wettelijke consequenties. Tijdens het onderzoek is wel de steenmarter waargenomen. Het onderzoeksgebied maakt deel uit van het foerageergebied, maar vormt hiervan géén essentieel onderdeel vanwege het relatief kleine oppervlak. Er wordt niet verwacht dat de steenmarter een vaste rust- en voortplantingsplaats binnen het onderzoeksgebied bezet, doordat de aanwezige beplanting hiervoor onvoldoende dekking biedt.

De egel bezet mogelijk een vaste verblijfplaats in het onderzoeksgebied, hier moet rekening mee worden gehouden in de planvorming door de initiatiefnemer. Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen of worden niet negatief aangetast door de geplande werkzaamheden. Er hoeft dan ook geen omgevingsvergunning voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd.

Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten. In het kader van de specifieke zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de

38/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Houtopstanden De te rooien bomen worden niet beschermd op gronden van de rijksregels en vallen niet onder de bomenverordening van de desbetreffende gemeente. Er hoeft geen (omgevings-)vergunning te worden aangevraagd en de voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties in het kader van houtopstanden. 3.6.1.2 Soortversterkende maatregelen Het voormalige nutsgebouw binnen het plangebied is gesloopt en het meeste groen is verwijderd vóór het meest recente natuurwaardenonderzoek (Bijlage 4). Hierdoor is de inrichting van het plangebied dusdanig gewijzigd dat er geen beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied verwacht worden. Voor de egel is dit mogelijk enkel nog in de randen van het perceel. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek voor deze soorten, wordt daarom redelijkerwijs gezien niet noodzakelijk geacht. Wel is het van belang dat nieuw geschikt leefgebied voor de voornoemde diersoorten teruggebracht wordt. Ook is het van belang dat alsnog rekening wordt gehouden met de nog aanwezige soorten binnen het plangebied, zoals geconcludeerd en geadviseerd is in de quickscan, opgenomen als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan.

Initiatiefnemer heeft de benodigde soortversterkende maatregelen/herstelmaatregelen uitgewerkt met betrekking tot gebouw bewonende vleermuizen in de Notitie herstelmaatregelen vleermuizen Buckhorstlaan 64, Lycens, d.d. 13 september 2024. Voor de egel worden eveneens soortversterkende maatregelen genomen. Daarnaast is belangrijk om op te merken dat binnen het plangebied een groenstrook wordt gerealiseerd om de biodiversiteit te versterken en de uitvoering en instandhouding van de groenstrook door middel van een voorwaardelijke verplichting in de regels van voorliggend bestemmingsplan juridisch geborgd worden. 3.6.1.3 Stikstofdepositie berekening Uit het quickscan natuurwaardenonderzoek dat als Bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot negatief effect van fysieke activiteiten voor Natura 2000-gebieden. Desondanks is er een stikstofberekening (AERIUS) uitgevoerd en als Bijlage 6 bij de toelichting van voorliggend bestemmingsplan opgenomen. De AERIUS berekening is uitgevoerd met het rekeninstrument AERIUS Calculator 2024. Het rekeninstrument AERIUS Calculator 2024 berekent zowel de stikstof- als ammoniakdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. De uitkomst van de berekening geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan voor wat betreft stikstof en ammoniak.

Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er NOx en NH3 vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening die als Bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen, is aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot een meetbare depositie van NOx of NH3 in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In zowel de aanleg- als gebruiksfase ligt de emissie niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanleg- en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

3.7

Water

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijn de waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk proces-instrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening.

39/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

3.7.1

Huidige situatie

Het plan ligt in het (deel)stroomgebied Polder Mastenbroek. Rond het plangebied liggen A watergangen die WDODelta beheert (Oude Wetering VR.15.330 en VR.15.820). Het peilgebied bevat één peilvak(ken) en heeft een maximumpeil van NAP -0.5 m. Dit peil is de instelhoogte bij een peilscheidend kunstwerk. Lokaal kunnen er verschillen optreden in het peil, afhankelijk van de afstand tot de instelhoogte. Bestaande waterhuishouding

Figuur 3.1: kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied (Bron: Watertoets Normale Procedure) 2023, Drents Overijsselse Delta) De bodem (deklaag) bestaat voornamelijk uit kleigronden. Voor een analyse van diepere grondlagen kan gebruik worden gemaakt van Dinoloket. Door de aanwezigheid van slecht doorlatende (klei) lagen kunnen schijngrondwaterstanden tot dicht onder het maaiveld voorkomen. Watergang en taluds zijn onderdeel van de groenblauwe zone. Bij extreme neerslag wordt wateroverlast in of bij het plangebied verwacht (zie Klimaatatlas WDODelta). 3.7.2

Uitgangspunt bestemmingsplan

Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. Het plan is via de digitale watertoets op 5 juni 2023 bij het waterschap Drents Overijsselse Delta aangemeld (zie bijlage 7). De ontvangen uitgangspunten van het waterschap zijn in deze paragraaf verwerkt. Voor het plan is de normale watertoets gevolgd. Een waterhuishoudingsplan en een rioleringsplan zullen bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen beschikbaar zijn. In de navolgende alinea's wordt ingegaan op de diverse wateraspecten binnen het plangebied. Samenvattend zijn de volgende punten onderhavig bestemmingsplan van belang: De obstakelvrije zone van 5 meter is in het stedenbouwkundig plan verwerkt en op de verbeelding van

40/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

het bestemmingsplan en in de regels opgenomen onder de bestemming 'Tuin' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van tuin - waterhuishoudkundige functie'. hemelwater wordt op binnen de perceelsgrenzen opgevangen, waarbij voor elke m2 aan verharding 20 mm aan waterbergende voorzieningen gerealiseerd zullen worden. Dit is met een voorwaardelijke verplichting in de regels van voorliggend bestemmingsplan geborgd, zodat bij de aanvraag omgevingsvergunning een toetsing kan plaatsvinden. In het plangebied is geen sprake van het dempen van watergangen / sloten. Ook worden in het kader van compensatie geen nieuwe watergangen toegevoegd. De bestemming 'water' is dus niet voor het bestemmingsplan noodzakelijk. De te realiseren woningen zullen een peilmaat ( = bovenkant afgewerkte begane grondvloer) hanteren van 30 cm boven het kruin van de weg gelegen voor de 3 nieuw te bouwen respectievelijke 2 bestaande woningen. Hiermee ontstaat een drooglegging van 80 cm en wordt er voldaan aan het advies van het waterschap. Bij de verdere uitwerking van de plannen worden de volgende onderzoeken uitgevoerd: stress-test, rioleringsplan, grondwateronderzoek. Deze onderzoeken worden in nauw overleg tussen de initiatiefnemer, de gemeente en het waterschap opgesteld en uitgevoerd.

Watersysteem Binnen het plangebied ligt (een beschermingszone van) een A-watergang van WDODelta, zoals weergegeven in figuur 3.2 (VR.15.330 en VR.15.820). Het is noodzakelijk dat de functie van deze watergang(en) altijd is gegarandeerd, rekening houdend met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven en gevisualiseerd in de Legger. Met betrekking tot deze watergangen gelden de binnen de Keur opgenomen gebods- en verbodsbepalingen. Voor werkzaamheden binnen de beschermingszone moet een Watervergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Ten behoeve van het beheer en onderhoud geldt langs de watergang (vanaf de insteek) een obstakelvrije zone van 5 meter. Door middel van een Watervergunning kan hiervan worden afgeweken. De obstakelvrije zone van 5 meter is in het stedenbouwkundig plan verwerkt en op de verbeelding van het bestemmingsplan en in de regels opgenomen onder de bestemming 'Tuin' met de functieaanduiding 'specifieke vorm van tuin - waterhuishoudkundige functie'. Voor het dempen van watergangen / sloten (ook die niet in beheer zijn bij het waterschap) dient altijd een Watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. In het plangebied is geen sprake van het dempen van watergangen / sloten. Ook worden geen nieuwe watergangen toegevoegd.

Wateroverlast Het plan wordt zo ontworpen dat kortstondige hevige buien zonder problemen worden opgevangen op eigen terrein en in de openbare ruimte. Zodoende treedt er geen wateroverlast op bij woningen of andere kwetsbare functies. De ontwikkelaar houdt rekening met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. Er wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die de gemeente stelt aan: het benutten, lokaal verwerken of vertraagd afvoer van hemelwater binnen eigen perceelsgrenzen; het gescheiden houden van hemelwater; de capaciteitseisen voor bergen en afvoer van hemelwater; de eisen die aan woningen, andere kwetsbare functies en openbare ruimte worden gesteld ter voorkoming van wateroverlast. Toetsbui voor extreme neerslagsituatie Het waterschap toetst het watersysteem op basis van een hoeveelheid neerslag die eens in de 100 jaar wordt overschreden. Het waterschap houdt rekening met een bui van 111 mm in 48 uur. De toegestane afvoer in deze neerslagsituatie is 1,6 L/s/ha. Het is belangrijk dat bij deze buien geen regenwater in woningen komen en belangrijke ontsluitingswegen blijven vrij van water. Onderstaande tabel toont aan dat STOWA statistieken op basis van deze uitgangspunten leiden tot een bergingsopgave van 80 mm.

41/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

Figuur 3.2: tabel STOVA statistiek en (bron: Stowa rapport 2015-10) Ontwerp in de dagelijkse situatie Hoe hoog het waterpeil kan stijgen is afhankelijk van de beschikbare ruimte voor water en de toegestane afvoer. Om de versnelde afvoer van water naar het omliggende gebied te beperken, hanteert het waterschap een afvoernorm. De te hanteren afvoernorm voor een situatie die 1 of 2 dagen per jaar optreedt, is maximaal 1,6 L/s/ha. Bij het ontwerp van het oppervlaktewatersysteem in de dagelijkse beheersituatie is het belangrijk om rekening te houden met de hydraulische afvoercapaciteit van het rioolstelsel. De dagelijkse regenbui moet zonder problemen kunnen uitstromen. Daarom bepalen onder meer de hoogte van de drempels in de riolering de peilstijging van het oppervlaktewater in de normale situatie. Er zal rekening gehouden moeten worden met de oppervlaktewaterpeilstijging in de berekening van de overstort. In een normale situatie kan er niets aan de hand zijn, terwijl met een flinke bui en/of wind het oppervlaktewater snel kan stijgen (dat wordt opstuwing genoemd) waardoor de overstort blokkeert. Het waterschap adviseert hiermee in de uitwerking van voorliggend plan rekening te houden. Verder adviseert het waterschap een stress-test uit te voeren met een bui die boven de genoemde normen uitgaat. Deze hoosbui kan lokaal tot veel wateroverlast leiden.

Het is belangrijk dat de gevolgen hiervan in beeld worden gebracht. Het gaat in deze situatie vooral om de afstroming van het hemelwater over het maaiveld. De initiatiefnemer kiest welke boven normatieve situatie hij of zij bekijkt. Te denken valt aan een range van 60 mm tot 150 mm in een uur. Dat zijn zeer grote hoeveelheden, maar deze kunnen zeker met de verandering van klimaat voorkomen. De gemeente kan ook ervaring hebben met extreme gebeurtenissen en van daaruit een referentiekader hebben. Op grond van artikel 5, onder 2a van de Hemelwaterverordening 2022 die door de gemeenteraad van gemeente Zwolle is vastgesteld, geldt als eis dat bij ontwikkelingen met minder dan 10 wooneenheden en/of een totale perceelsomvang van maximaal 1.500 m² 20 liter hemelwater per m2 op perceel niveau moet kunnen worden opgevangen. Voorliggende bestemmingsplanherziening voorziet in de regeling (voorwaardelijke verplichting) dat bij de aanvraag omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat aan deze eis wordt voldaan. Grondwateroverlast Grondwateroverlast bij bebouwing Grondwateroverlast bij bebouwing In gebieden waar grondwateroverlast op kan treden, wordt vanuit het waterschap geadviseerd de volgende voorkeursvolgorde toe te passen: 1. kruipruimteloos bouwen 2. ophogen van het plangebied.

Om een goed inzicht te krijgen in het grondwatersysteem adviseert het waterschap om in overleg zo spoedig mogelijk te starten met een grondwateronderzoek. Dit kan in eerste instantie op basis van bestaande peilbuizen binnen of in de omgeving van het plangebied. Indien noodzakelijk kan de initiatiefnemer nieuwe peilbuizen plaatsen. De initiatiefnemer zal tijdig een ingenieursbureau inschakelen

42/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

voor het benodigde onderzoek en zal hierover tijdig in overleg treden met het waterschap en de gemeente. De gemeente beheert de grondwaterstandsbuizen in de bebouwde kom. Aanleghoogte van bebouwing Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) adviseert het waterschap een aanleghoogte van de vloer van minimaal 80 cm ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Het streefpeil van naastgelegen watergang is -0,50 m NAP. De GHG binnen het plangebied kan hoger liggen. De te realiseren woningen zullen een peilmaat ( = bovenkant afgewerkte begane grondvloer) hanteren van 30 cm boven het kruin van de weg gelegen voor de 3 nieuw te bouwen respectievelijke 2 bestaande woningen. Het wegpeil bedraagt +1,10 tot +1,20 m NAP. Hiermee ontstaat een drooglegging van 80 cm en wordt er voldaan aan het advies van het waterschap. Riolering Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te beschermen door onder andere een doelmatige werking van de rioolwaterzuivering na te streven en de vuillast vanuit riolering naar oppervlaktewater te beperken. Hiervoor is een goede afstemming over aanvoer naar de rioolwaterzuivering en een juiste werking van de riolering noodzakelijk, afvoer vanuit riolering. Dit wil het waterschap bereiken door aandacht te hebben voor de volgende onderwerpen.

Voorkeursvolgorde afvoer hemelwater: Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat het afstromend hemelwater ter plaatse in het milieu wordt teruggebracht. Dat wordt gedaan door infiltratie in de bodem. Hiervoor wordt in voorliggend plan rekening gehouden met voldoende open ruimte op de kavels, zodat het hemelwater binnen de perceelsgrenzen kan worden geïnfiltreerd (conform Hemelwaterverordening Zwolle). Daarbij is de norm dat er 20 mm per m2 verhard oppervlak hemelwater wordt geborgen binnen de perceelsgrenzen. Dit kan door het water af te laten stromen in verlaagd groen in de eigen tuin (goed voor de planten in de tuin) of door eventueel een infiltratievoorziening. Een goed infiltrerende ondergrond is daarbij wel van belang. Storende (klei)lagen in de bodem moeten doorbroken worden met een verbinding naar de vaste zandgrond. Lozing afvalwater: Voor de lozing van afvalwater (al het water waarvan de initiatiefnemer zich moet ontdoen) vanuit een woning of een inrichting gelden de diverse wetten, besluiten en regels. Voor lozingen van huishoudelijk afvalwater vanuit woningen geldt het "Besluit lozing afvalwater huishoudens" (Blah). Het uitgangspunt is dat het huishoudelijk afvalwater op een gemeentelijk rioolstelsel wordt geloosd. Hieraan zal worden voldaan. De woningen zullen afzonderlijk aangesloten worden op de gemeentelijke rioolstelsel.

Gemeentelijk rioleringsbeleid: de gemeente heeft een zorgplicht voor doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. In het plan wordt rekening gehouden met het gemeentelijke rioleringsbeleid. Afvalwater wordt op de gemeentelijke rioolstelsel geloosd en hemelwater wordt binnen de perceelsgrenzen geïnfiltreerd. Externe werking ruimtelijk plan Beschermen en handhaven grond- en oppervlaktewatersysteem om nadelige gevolgen op de omgeving te voorkomen: relatie oppervlaktewater en grondwater: in onderhavig plan worden de waterstanden binnen plangebied tijdens of na het bouwrijip maken niet structureel verlaagd. Een melding of vergunning voor tijdelijke of structurele grondwateronttrekking is op grond van de Waterwet niet noodzakelijk Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden. Het betreft zowel waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterbeleving. Het is nodig dat de inrichting van het gebied zo is, dat het efficiënt en effectief beheer en onderhoud van het watersysteem mogelijk is. Bij nieuw aan te leggen water dient overleg plaats te vinden met het waterschap. Middels voorliggend plan wordt geen nieuw water aangelegd, waardoor overleg niet is benodigd. Wijze van onderhoud watersysteem:

43/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

Er dient rekening gehouden te worden met de wijze van onderhoud (varend of vanaf de kant) en de daarbij geldende voorwaarden. Voor activiteiten binnen de aangegeven zones van WDODelta, is een vergunning op grond van de Waterwet of algemene regels bij de Keur en straks de waterschap verordening noodzakelijk. De eisen voor stedelijk water zijn op te vragen bij het waterschap. Hieronder zijn de belangrijkste punten samengevat: 1. Rijdend onderhoud vanaf de kant: Bij onderhoud vanaf de kant geldt een obstakelvrije zone van 5 m vanaf de boven insteek van de watergang. Dat betekent dat er vanaf de bovenkant van de talud naar het plangebied een zone moet zijn van 5 meter lang waarin bebouwing niet is toegestaan. Deze obstakelvrije zone wordt in voorliggend bestemmingsplan geborgd door middel van de functieaanduiding 'specifieke vorm van tuin - waterhuishoudkundige functie'. Eventueel is het mogelijk om binnen deze zone een steiger te realiseren. Hiervoor is dan wel een omgevingsvergunning vereist van het bevoegd gezag. 2. Varend onderhoud: Varend onderhoud is mogelijk bij een doorvaarbare watergang. In principe houdt u rekening met een minimale totale oeverlengte van 300 m of een totale oppervlakte van 1.500 m2. U houdt rekening met een minimale doorvaarhoogte van 1,25 m ten opzichte van het maximale waterpeil. De doorvaarbreedte is minimaal 2,50 m.

Voor varend onderhoud geldt bovendien een minimale diepte van 1,10 m met een aanleg- en onderhoudsdiepte van 1,30 m. Elk onderhoudswater heeft een goed bereikbare inlaadplaats voor de boot en minimaal 1 losplaats voor het maaisel per 100 m oeverlengte. De bestaande oevers worden niet gewijzigd in de toekomstige situatie dus worden geen problemen verwacht. Toegankelijkheid van water Het is noodzakelijk dat alle wateren die een functie hebben in de waterhuishouding (afvoer, aanvoer of berging) voor het waterschap toegankelijk zijn. Hieraan kan worden voldaan, aangezien onderhavig plan een obstakelvrije zone van 5 meter breed mogelijk maakt. Waterveiligheid Overstromingsrisico Het plan ligt in een dijkringgebied. Wanneer gebouwd wordt in dijkringgebieden (gebieden met een risico op overstromingen) verplicht de Provincie Overijssel om in het bestemmingsplan een overstromingsrisico paragraaf op te nemen. Deze paragraaf heeft aandacht voor voorzieningen die zorgen dat er bij een overstroming geen slachtoffers vallen en dat de schade beperkt blijft. Bij nieuwe ontwikkelingen is het gewenst dat tijdig wordt nagedacht over voorzieningen dan wel maatregelen die kunnen worden getroffen, waarbij eventuele risico's en nadelige effecten van een overstroming kunnen worden beperkt.

Het betreft ook een stuk bewustwording dat bouwen in risicovolle gebieden bepaalde risico's met zich meebrengt en dat hier adequaat mee omgesprongen dient te worden. Het plangebied bevindt in zich overstroombaar gebied. Zie figuur 3.3 hieronder (uitsnede kaart watergebiedsreserveringen, omgevingsverordening Overijssel).

44/239

15-01-2025 bestemmingsplan Stadshagen I, Buckhorstlaan 64

Figuur 3.3: watergebiedreserveringen (bron: omgevingsverordening Overijssel) De ernst van een overstroming wordt bepaald door: de maximale waterdiepte tijdens een overstroming (is af te leiden uit de risicokaart); de kans op een overstroming; de beschikbare tijd voor evacuatie / noodmaatregelen (hoelang duurt het tot het water er is?). Maximale waterdiepte bij en kans op overstroming De gemaakte stedenbouwkundige keuzes in zowel Stadshagen als voorliggend plan zorgen ervoor dat het plangebied bepaalde mate bestand is tegen overstromingen. De woningen worden gerealiseerd op een hoger gelegen talud, waardoor wateroverlast kan worden voorkomen. Bovendien is aansluitend aan het plangebied een waterberging aanwezig in de vorm van een watergang, waar het water heen kan stromen. Volgens de risicokaart ligt Buckhorstlaan 64 in het gebied met een kleine kans op overstroming door hoogwaterstanden. Volgens de kaart zal bij overstroming de maximale waterdiepte ter plaatse van Buckhorstlaan 64 minder dan 1 m zijn (maximale waterdiepte beschermd, veiligheidsnorm 1/1.000 per jaar). Door de overmaat aan waterberging in de omgeving zal de waterpeilstijging worden vertraagd, zodat de bewoners langer de tijd hebben om spullen en zichzelf in veiligheid te brengen. Volgens de risicokaart ligt het gebied in de zone waar de maximale stroomsnelheid minder relevant is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=5309588f-dd0e-4214-84c5-78066e7f8328