CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Energievisie Overijssel 2050

Raad Besluitvormingsronde 6 oktober 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Ontwikkelingen grootschalige energieopwek en -infra in Zwolle25.550 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdkeuze 2: Welk aandeel van onze energievraag wekken we zelf op in Overijssel in 2050?

Waterstof

Bij hoofdkeuze 1 is aangegeven dat we waterstof als belangrijk onderdeel van de energiemix in Overijssel zien. Voor de productie van water­ stof zijn andere energiedragers (o.a. (bio)gas en elektriciteit) nodig. In Overijssel is grootschalige productie dan ook niet voor de hand liggend aangezien we deze energiedragers zelf direct kunnen inzetten. Dit sluit aan bij de keuzes in het Programma Energiehoofdinfrastructuur. Vanuit de startprincipes is volledige zelfvoor­ zienendheid moeilijk te motiveren als hier een grote aanvullende inzet op opwek van elektrici­ teit volgt, met name vanuit impact op ruimtelijke kwaliteit. Het volledig zelf opwekken van 9 PJ aan waterstof zou het equivalent van ongeveer 100-200 windturbines extra vragen, nog los van de benodigde elektrolysers en elektriciteitsin­ frastructuur. Wel kan lokale waterstofproductie aantrekkelijk zijn voor toepassingen in de mobili­ teit, zeker als er lokaal veel overschotten aan duurzame elektriciteit zijn. Deze lokale water­ stofproductie kan bijdragen aan een robuuster en efficiënter energiesysteem en is het een belangrijke stap in de marktontwikkeling en daarmee bijna voorwaardelijk voor onze hoofd­ keuze 1.

Energievisie Overijssel 2050 / 33

2

Hoofdkeuze 2: Welk aandeel van onze energievraag wekken we zelf op in Overijssel in 2050?

Elektriciteit Ons uitgangspunt voor 2050 is dat er op kleine schaal, vanuit een behoefte aan een lokale toe­ passing of als opstap in de marktont­wikkeling, lokaal waterstofproductie plaatsvindt uit elektriciteit (lokaal opgewekt waar mogelijk). We verwachten dit met name rond de voedings­ gebieden van de beoogde regionale aftakkingen of bij specifieke toepassingen waar ook warmte en zuurstof nuttig toegepast kunnen worden. Afhankelijk van de prijs- en marktontwikkeling, zou dit in een derde van onze beoogde water­ stofvraag kunnen voldoen1. Het merendeel van onze waterstofvraag ver­ wachten we ook op lange termijn te importeren vanuit andere provincies of het buitenland. Bij voorkeur is deze waterstof klimaatneutraal en van duurzame oorsprong2. Import vindt

1

Ter indicatie: 3 PJ waterstofproductie vraagt circa 180 MWe opgesteld vermogen, wat middels een aantal kleinere instal­ laties gerealiseerd kan worden. Als bijproduct ontstaat ook 1 PJ warmte en een stroom aan zuurstof die bijvoorbeeld bij rioolwaterzuivering tot energiebesparing kan leiden.

2

Zeker in de transitiefase, wanneer duurzame waterstof duur is, kan tijdelijke inzet van minder duurzame waterstof nodig zijn om de ontwikkeling op gang te krijgen en bijvoorbeeld een versnelde bijdrage aan netcongestie te kunnen leveren.

plaats via de nationale hoofdinfrastructuur (de backbone) of via logistieke routes (met trailers / containers). Wellicht kan dit beeld veranderen als door innovatieve doorbraken kleinschalige opwek van waterstof een betaalbaar a ­ lternatief wordt. In het ontwikkelpad in hoofdstuk 5 staan we stil bij welke rol kleinschalige opwek wel kan spelen om de vraag naar waterstof te ­ontwikkelen.

Figuur 8 geeft - onder een aantal a ­ annames die in bijlage 2 worden toegelicht - aan wat de potentie is voor de voornaamste technieken voor elektriciteitsopwekking in O ­ verijssel. De potentie voor wind en zon overschrijdt de totale elektriciteitsvraag ruim, ook in het scenario van hoge elektrificatie. Bij kleinschalige kern­ energie, is de potentie op dit moment onbekend en in onderzoek1. In bovenstaande figuur is ter vergelijking (dus niet als voorgestelde inzet) de productie opgenomen die overeenkomt met vier SMR's van 20 MW (ruimtebeslag is circa 2 hec­ tare per installatie). Deze leveren per installatie ongeveer evenveel elektriciteit als 50 MW aan windturbines (circa 8 grote windturbines). Er zijn ook SMR's met fors grotere vermogens (bv. 300 MW). Die hebben een groter ruimte­ beslag (circa 14 hectare) en vragen veel extra energieinfrastructuur als er lokaal niet een

1

Op basis van de gehouden werksessies achten wij het voor­ stelbaar dat op ongeveer 4 plekken in Overijssel een SMR vanuit het energiesysteem bezien een rol zou kunnen spelen. Dit is niet gebaseerd op een volledig onderzoek en kan, zeker als economische haalbaarheid meegenomen wordt, verande­ ren, zowel omhoog als omlaag qua aantallen.

Energievisie Overijssel 2050 / 34

2

vergelijkbaar grote elektriciteitsvraag is. De nabijheid van een constante en substantiële elektriciteitsvraag is erg van belang. In samen­ werking met het Rijk wordt onderzocht hoe groot de potentie van SMR's is. In het ontwikkel­ pad wordt expliciet aandacht besteed aan hoe omgegaan kan worden met de onzekerheid in deze ontwikkeling. Ook schetsen we hier welke stappen we kunnen zetten om, in aansluiting op nationale verkenningen, de kansen voor SMR's in Overijssel scherp te krijgen. In bijlage 2 is een vergelijking met meer informatie te vinden over de diverse typen SMR's. In tegenstelling tot de eerste hoofdkeuze en deze keuze voor de andere energiedragers wijzen de startprincipes voor elektriciteit ­verschillende kanten op. Vanuit de ambitie om proportioneel bij te d ­ ragen aan een klimaatneutraal Nederland is het gewenst om meer dan de Overijsselse elektriciteitsbehoef­ te op te wekken in Overijssel. Een stevige ambitie past bij wat redelijkerwijs van Overijssel verwacht kan worden gezien het beperkte energieverbruik binnen Overijssel en de opwekpotentie. Het rea­ liseren van deze energieopwekking - grotendeels

met zonne- en windenergie biedt ook lokale kan­ sen om van duurzame energie te profiteren. Vanuit het startprincipe robuust en efficiënt is meer opwek in Overijssel dan haar eigen elektriciteits­ behoefte niet voor de hand liggend. Een dergelijke omvang heeft ook impact op het netwerk, die deels beperkt kan worden door aanvullende maatregelen (o.a. curtailment2 en opslag). Bij een ambitie van ruim 50 PJ zijn met name investeringen nodig in flexibiliteit inclusief opslag en verzwaringen op de lagere netniveaus (afhankelijk van locatiekeuzes). Vanuit het benutten van lokale kansen is het ook onduidelijk of een (te) hoge ambitie economisch nog iets oplevert: op momenten dat er in Overijs­ sel een overschot aan productie is, zal dat ook bij onze buurprovincies waarschijnlijk het geval zijn (zon en wind zullen vergelijkbaar zijn) met grote overschotten als gevolg. Deze overschotten geven drukte op het net en leiden waarschijnlijk tot lage elektriciteitsprijzen. Op deze manier wordt het voor ondernemers weinig zinvol om hier kapitaal in te investeren.

2

Hoofdkeuze 2: Welk aandeel van onze energievraag wekken we zelf op in Overijssel in 2050?

Een proportionele bijdrage aan de ­nationale opwek van hernieuwbare opwek op land bedraagt qua orde grootte ruim 50 PJ. Dit is gebaseerd op de verwachte bij­ drage in 2050 van Wind op land (180 PJ) en Zon op land/dak (486 PJ) uit het Nationaal Plan Energiesysteem. Op basis van een vergelijking van de ruimte en mogelijk­heden per provincie is een proportioneel deel daarvan ruim 53 PJ voor Overijssel. Hiervoor zijn o.a. de analyses van NP RES gebruikt. Deze 53 PJ overstijgt naar verwachting de elektriciteitsvraag van Overijssel in 2050. Daarmee zou Overijssel netto exporteur kunnen worden. Om deze opgave op reali­ teit in te schatten en een gevoel te krijgen bij de omvang kan deze vergeleken worden met de verwachte opwek rond 2030: 15 PJ (80% grootschalig vanuit RES'en en 20% kleinschalige zon op dak).

Zie bijlage 2 voor toelichting.

Energievisie Overijssel 2050 / 35

2

Opties voor invulling elektriciteitsvraag

Hoofdkeuze 2: Welk aandeel van onze energievraag wekken we zelf op in Overijssel in 2050?

Geschikte sectoren Gebouwde omgeving

Hoge elektrificatie 42 PJ

Mobiliteit

Industrie en landbouw

Export

H₂

Variatie in de mix 34 PJ Obv 4 SMR’s

Voor- en nadelen elektriciteit Import Veelzijdig inzetbaar

Moet altijd in balans

Groot potentieel

Afhankelijk van infrastructuur (€)

Autonomie

Zelf opwekbaar

Opwek zichtbaar in landschap

Proportionele bijdrage

Wind

Zon

Nucleair

Potentie 30 PJ

Potentie 52 PJ

Potentie 2 PJ

Impact op het landschap

Impact op het netwerk

Haalbaarheid

Figuur 8: opties voor invulling elektriciteitsvraag Energievisie Overijssel 2050 / 36

2

Bovendien gaat met name elektriciteitsopwek­ king gepaard met grote ruimtelijke ingrepen: windparken, zonneparken en in de toekomst mogelijk ook SMR's hebben allen een niet gering ruimtebeslag. Dit gaat in tegen het startprincipe van zuinig en multifunctioneel ruimtegebruik. Zon op dak is hiervoor wellicht een uitzondering, aangezien deze techniek per definitie geen aanvul­ lend ruimtebeslag heeft. Indien het toekomstige energiesysteem beter kan omgaan met decentrale opwek van stroom (zie hoofdkeuze 3), dan is hier nog een flinke slag mogelijk. Hierbij is een aan­ vullende bijdrage van 5 PJ realistisch en deze kan mogelijk nog hoger uitvallen door innovatie. Voor elektriciteit is er spanning tussen de startprincipes. Door maximale inzet op energiebesparing en de inzet van andere ener­ giedragers, beperken we de elektriciteitsvraag in Overijssel. De resterende elektriciteitsvraag van 34 PJ gebruiken we als richtpunt voor onze opwekambitie in 2050 om daarmee een proportionele bijdrage te leveren aan een klimaatneutraal Nederland en ook rekening te houden met de andere startprincipes.

Hoofdkeuze 2: Welk aandeel van onze energievraag wekken we zelf op in Overijssel in 2050?

Onze keuze voor Overijssel: zelfvoorzienend voor alle energiedragers behalve waterstof In Overijssel zetten we vol in op energie­besparing en voorzien we in 2050 zelf in onze behoefte aan warmte en biogas. Waterstof importeren we grotendeels vanwege het verwachte gebrek aan mogelijkheden om lokaal grootschalige waterpro­ ductie te realiseren. Voor elektriciteit streven we zelfvoorzienendheid na door enerzijds in te zetten op een beperkte stijging van de elektriciteitsvraag (tot 34 PJ in plaats van 42 PJ) en anderzijds door maximaal in te zetten op opwek in eigen provincie. Hierbij richten we ons op 34 PJ, tenzij het door toe­ komstige ontwikkelingen eenvoudiger wordt om meer te doen. Welke technieken, buiten zon op dak, hier na 2030 een rol in gaan spelen, bepalen we bij de herijking in 2028 als er meer duidelijk­ heid is over het perspectief van SMR's, lokale waterstofproductie en we inzicht hebben in de nationale richting. Ook kunnen we dan de voort­ gang zien bij zon op dak en zijn de procedures voor de bestaande ambitie van 2 TWh windener­ gie als het goed is doorlopen. Hierbij zijn we ons er van bewust dat om voortgang te blijven boeken deze keuzes dan ook gemaakt moeten worden.

Energievisie Overijssel 2050 / 37

2

Hoofdkeuze 2: Welk aandeel van onze energievraag wekken we zelf op in Overijssel in 2050?

Ambitie voor zelfvoorzienendheid Elektriciteit Niet zelfvoorzienend

Elektriciteit Zelfvoorzienend

Afweging startprincipes Robuust en efficiënt Lokale kansen benutten

Import

Voor- en nadelen

Proportionele bijdrage

Voor- en nadelen

Duidelijke keuzes maken Minder impact op leefomgeving

Grote afhankelijkheid

Minder ruimte nodig voor opwek

Geen proportionele bijdrage

Minder impact op energiesysteem

Warmte Lokale bronnen

Ruimtelijke kwaliteit

Proportionele bijdrage aan klimaatneutraal NL

Keuze Overijssel

Lokale kansen / inkomsten Meer zekerheid over kosten

Biogas Lokale en regionale mestvergisting

Wind: impact op leefomgeving Kernenergie: onzekerheid en kosten Zon: ruimtebeslag en impact op energiesysteem

Waterstof H₂

Op termijn vooral import

Figuur 9: ambitie voor zelfvoorzienendheid Energievisie Overijssel 2050 / 38

3.3 Hoofdkeuze 3:

3

Keuzes over inrichting energiesysteem

We hebben gesproken over de ambitie voor opwek en daarvoor over de energiemix. Daar­ uit volgt het ontwerp van het energiesysteem. Waar breng je welke energie naartoe? Keuzes die we hier moeten maken, hebben veel invloed op de ruimtelijke inrichting en het ontwerp van het Overijsselse energiesysteem in 2050. We kijken bij deze hoofdkeuze specifiek naar het aspect van clustering en de vraag op welk schaalniveau in het energiesysteem je bepaalde vragen wil oplossen. Op beide keuzes blijven we bij deze hoofdkeuze op hoofdlijnen, omdat dit op sommige vlakken ook op nationale schaal nog onvoldoende uitgewerkt is. Deze vraag is niet zo zwart-wit als in figuur 10 gepresenteerd. Wel is duidelijk dat een bepaalde mate van clustering de opgave om een robuust en efficiënt energiesysteem te ontwikkelen positief kan beïnvloeden. We lopen kort de betreffende energiedragers langs.

Bij de beoogde rol van warmte in 2050 is nabijheid van vraag en aanbod noodzakelijk, aangezien warmte zich niet makkelijk efficiënt over grote afstanden laat verplaatsen. Ook is het van belang, vanuit efficiëntie, om zo veel mogelijk vraag naar warmte te bundelen en daarmee de aantrekkelijkheid van een collectief warmtenet te vergroten. Voor biogasproductie is de keuze voor clusteren zeer locatieafhankelijk (en zelfs afhankelijk van de sector). We gaan ervan uit dat de meeste pro­ ductiebronnen vrij lokaal zijn. Voedselindustrie, rioolwaterzuivering en de land- en tuinbouw zitten echter vrij verspreid over Overijssel en zijn niet makkelijk te verplaatsen vanwege hun karakter. Wel kan het voordelig zijn om bio­ gashubs gezamenlijk te realiseren, bijvoorbeeld als meerdere partijen in een gebied gezamen­ lijk biogas of groen gas willen produceren. In sommige gevallen kan ook gezamenlijke groot­ schalige mestverwerking overwogen worden.

waterstof te krijgen vanaf de backbone. Anders resteert een oplossing van lokaal aanvoer via water of land die al snel inefficiënt en prijzig is. Een fijnmazig distributienet ligt hier niet voor de hand, tenzij door innovatie lokale, kleinschalige opwek van waterstof een grote vlucht neemt. Er is wel een dekkend netwerk van waterstof vul­ punten voor de logistiek. Ook kan waterstof een systeemfunctie aannemen voor een groter gebied dan alleen de direct betrokken afnemers. Zowel vanuit robuustheid als kostenefficiëntie bezien kan het verstandig zijn de aanleg van een regio­ nale aftakking te leiden langs één of meerdere clusters waar vraag samenkomt. Een verkenning hiernaar is opgenomen in het ontwikkelpad en wordt afgestemd met onze buurprovincies en Duitsland.

Voor waterstof is vraagclustering noodzakelijk door vraagontwikkeling op een aantal plekken te organiseren. Alleen zo kan voldoende vraag georganiseerd worden om regionaal toegang tot

Energievisie Overijssel 2050 / 39

3

Hoofdkeuze 3: Keuzes over inrichting energiesysteem

Gaan we clusteren of niet? Clusteren

Niet clusteren

Vraag en aanbod samenbrengen op geselecteerde plekken

Energie brengen naar waar dat nodig is

EN / OF

Dilemma Wat cluster je? Vraag energie Gevolgen Regie op ruimtelijke ordening Schaalvoordeel met grote aansluitingen Variatie in ontwikkelmogelijkheden

Aanbod energie Vraag en aanbod

Gevolgen Vrijheid met veel kleine aansluitingen Uitvoeringsopgave wordt zwaarder Hogere kosten systeem

Figuur 10: opties clusteren Energievisie Overijssel 2050 / 40

3

Voor elektriciteit geldt dat een bepaalde mate van clustering, zowel van vraag als van aanbod, bijdraagt aan een efficiënt en robuust energie­ systeem. Ook is vraag dichtbij aanbod prettig. Dit past echter niet altijd goed als de impact op en belastbaarheid van de leef­omgeving en andere opgaven meegenomen worden. Bovendien vindt grootschalige opwek over het algemeen op enige afstand plaats van de vraag. Dat is niet zorgelijk. Netbeheerders hebben in onze werksessies aangegeven dat clustering van aanvullende opwek in veel gevallen de benodigde infrastructuuruitbreidingen en dus de kosten, substantieel verlaagd als daarmee het aantal uitbreidingen beperkt kan worden. Wel zijn er niveaus van clustering waarboven verdere clustering weinig meer toevoegt omdat de gewenste ruimte- en kostenefficiëntie dan bereikt is. Vanuit impact op de leefomgeving zou

Hoofdkeuze 3: Keuzes over inrichting energiesysteem

enige clustering op projectniveau en clusteren bij bestaande opweklocaties goed scoren. Daar staat tegenover dat dit op bepaalde gebieden relatief veel impact heeft. Wel verwachten we dat het voor de haalbaarheid van SMR’s rea­ lisatie nabij de vraag van groot belang is om uitbreidingen aan het elektriciteitsnetwerk te voorkomen. In het algemeen concluderen we dat een bepaalde mate van clustering gewenst is, maar dat verspreiding ook nodig is om in alle deelnetten ook een goede balans tussen vraag en aanbod te houden.

Onze keuze: voor waterstof is clustering essentieel, voor warmte en biogas ontstaat deze natuurlijk en voor elektriciteit is deze van beperkt belang.

Energievisie Overijssel 2050 / 41

3

Hoofdkeuze 3: Keuzes over inrichting energiesysteem

Clusteren vraag en/of aanbod? Waterstof

H₂

Waterstof

H₂

Clusteren

Niet clusteren

Afweging startprincipes Robuust en efficiënt

Flevola

nd

Lokale kansen benutten Lokaal

Proportionele bijdrage Duitsland

Voor- en nadelen Doorbreken kip-ei door keuze We geven ondernemers op aantal plekken keuze

Lokaal Lokaal

Niet alle gebieden toegang tot hoofdinfra

Lokaal Lokaal

Duidelijke keuzes maken Ruimtelijke kwaliteit

Keuze Overijssel

Lokaal

Voor- en nadelen Geen investeringen

Waterstof blijft (te?) duur Variatie in de mix onbereikbaar

Kostenefficiënte infrastructuur

Warmte

Biogas

Elektriciteit

Lokaal vraag en aanbod clusteren

Opwek lokaal, inzet lokaal of groen gas

Zon/wind: gespreid clusteren SMR: nabij grote vraag

Figuur 11: keuze clusteren Energievisie Overijssel 2050 / 42

3

Na clustering is de tweede deelvraag op welk schaalniveau in het energiesysteem we bepaalde vragen willen oplossen. Doen we dat decentraal of centraal? Figuur 12 geeft onze gedachten weer over welke vraagstukken je op centraal of decentraal niveau wil oplossen. Momenteel wordt er veel gekeken naar decentrale oplossingen, vanwege congestie op het hoogspanningsnet. Is dat na alle verwach­ te uitbreidingen nog steeds de moeite waard als alle geplande uitbreidingen op het net zijn gerealiseerd? Vanuit een aantal startprincipes is daar zeker voor te pleiten en dit kwam tijdens de werksessies sterk naar voren, met name als hier dure uitbreidingen in de hoofdinfrastructuur mee te voorkomen zijn. Een aantal vraagstukken is bewust niet op centraal of decentraal inge­ deeld, omdat de lokale situatie soms tot een andere afweging kan leiden. Dit vraagstuk is vanuit de netbeheerders nog lastig te duiden, maar een aantal algemene conclusies is wel te trekken. Zo wil je de loka­ le opwek van zon op dak het liefst decentraal oplossen door deze lokaal te verbinden met de vraag of het tijdelijk op te slaan (bijvoorbeeld

Hoofdkeuze 3: Keuzes over inrichting energiesysteem

met opladen elektrische voertuigen). Ook de mogelijke rol van gelijkstroom is nog onduidelijk. Nationaal beleid kan hier een grote rol spelen. Zo zijn ook principiële keuzes voorstelbaar die sterkere prikkels geven, waarmee met name op laagspannings-niveau veel capaciteits­problemen voorkomen kunnen worden. Denk aan mensen die hun gedrag veranderen of gewoon beperkt worden in de mogelijkheden. Naar aanleiding van hoofdkeuzes 1 en 2 gaan we nog met de netbeheerders in gesprek om te bepalen welke impact deze keuzes hebben. Denk aan de behoefte aan flexibiliteitsopties in het systeem (conversie en opslag) en in welke mate er duidelijkheid te geven is over welk vraagstuk je op welk niveau wil oplossen.

Onze keuze: zowel centrale als decentrale oplossingen zijn nodig. De mate waarin onderzoeken we verder.

Energievisie Overijssel 2050 / 43

Decentraal en centraal

3

Elektriciteit

Hoofdkeuze 3: Keuzes over inrichting energiesysteem

Elektriciteit

Decentraal

Centraal

Afweging startprincipes Robuust en efficiënt Lokale kansen benutten Proportionele bijdrage Duidelijke keuzes maken Ruimtelijke kwaliteit

Goede balans Vraag Kleinschalig

Opwek Dag/nacht

Warmte Klein decentraal Groot centraal

Decentraal oplossen • Lokaal warmtenet • Nieuwbouwwijken (netneutraal) • Zon op dak (opschaling) in EV • Opladen personenwagens • Koelvraag zomer gebouwen • Flex op buurt/wijkniveau

Figuur 12: decentraal vs. centraal

Opslag Kleinschalig

Vraag Grootschalig

Situationeel oplossen • Biogas • Zon (grootschaling) • Wind • Flex • batterij • power to heat • power to gas

Opslag Grootschalig

Waterstof

Biogas Biogas decentraal Groen gas centraal

Opwek Seizoenen

H₂

Korte termijn decentraal Lange termijn centraal

Centraal oplossen • Regionaal warmtenet • Waterstof voor industrie en logistiek • Snelladen vrachtwagens • Groen gas (beperkt) • Wind grootschalig • Balansering elektriciteit

Energievisie Overijssel 2050 / 44

4. Gewenst toekomstbeeld I

n eerdere hoofstukken behandelden we de ontwikkeling van de vraag, startprincipes en hoofdkeuzes. Dit hoofdstuk beschrijft de stip op de horizon voor Overijssel in 2050. Hoe ziet Overijssel eruit als we de keuzes in het voorgaande hoofdstuk realiseren? Dit hoofdstuk geeft een impressie van het toekomstige energiesysteem. Hierbij hebben we gekozen voor een actieve schrijfstijl om te kunnen inspireren. Het is echter niet bedoeld als hard toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen. Aan het einde van dit hoofdstuk staan we ook stil bij de impact op de sectoren.

Energievisie Overijssel 2050 / 45

4. Gewenst toekomstbeeld 4.1 Overijssel in 2050 Ontwikkelingen in de vraag naar energie Het aantal woningen, de economische ­activiteiten en de mobiliteit zijn in 2050 naar verwachting met circa 10% tot 20% toegenomen. Deze groei heeft redelijk verspreid over heel Overijssel plaatsgevonden in lijn met de ver­ schillende verstedelijkingsstrategieën. Er is veel aandacht voor energiebesparing in Overijssel en er wordt veel bewuster met energie omge­ gaan. De blijvende inzet op energiebesparing heeft geleid tot een substantiële verbetering in de ­efficiëntie van apparaten en productie­ processen. In combinatie met elektrificatie van een groot deel van de mobiliteitssector en de gebouwde omgeving, is de energievraag gedaald met ruim 30% van bijna 90 PJ naar circa 60 PJ. Door een stevige inzet op warmte, biogas en waterstof beperken we de stijging in de elektrici­ teitsvraag tot 34 PJ, wat bijna een verdubbeling is ten opzichte van de vraag in 2024.

Duurzame warmte gaat ruim 15% van de toekomstige vraag naar energie voorzien Vanuit de wens om een robuust en efficiënt energiesysteem te ontwikkelen en daarbij lokale kansen te benutten, wordt ruim 15% van de Overijsselse energievraag met duurzame warmte ingevuld, vanuit een divers spectrum van bronnen. Zo voorziet geothermie een aantal gebieden van een stabiele warmtevoorziening. In Twente is de bijdrage van warmte relatief hoog, mede door de historische aanwezigheid van restwarmte uit afvalverbranding en het daaraan gekoppelde warmtenet. Door de overgang naar een meer circulaire economie is een groot deel van deze restwarmte in 2050 vervangen door duurzame warmte vanuit andere processen. In Overijssel wordt er daarbij op ingezet om één op de vier huishoudens te voorzien van warmte vanuit een collectief ­warmtenet, met name in stedelijk gebied.

Daarnaast is ongeveer een derde van de ­proceswarmtevraag uit de industrie ingevuld met warmte. Door deze keuze is de belasting van de elektriciteitsnetten, met name in de winter, beperkter. Daarmee is ook een bijdrage geleverd aan de betaalbaarheid van de toekomstige energiehuishouding.

Energievisie Overijssel 2050 / 46

We benutten de potentie voor biogas maximaal om onze eigen restvraag aan duurzaam gas (nagenoeg) te vervullen We maken volop gebruik van de lokale kansen bij biogas. Vanuit diverse routes (o.a. rioolwater­ zuivering, mestvergisting en voedingsindustrie) is er biogasproductie mogelijk op diverse locaties in Overijssel. We vullen bijna 7% van de Overijsselse energievraag in met biogas. We gebruiken dit biogas vooral voor toepas­ singen waar geen ander (klimaatneutraal en betaalbaar) alternatief voor beschikbaar is: hoge temperatuur warmte voor de industrie en de warmtevraag van (historische panden in) oude binnensteden. Waar lokaal geen inzet van biogas mogelijk is, wordt het omgezet naar groen gas en in het gasnet ingevoed. Welk deel van de energievraag in Overijssel uiteindelijk met biogas wordt ingevuld is nog onduidelijk, maar zal ongeveer overeenkomen met de eigen opwek. Doordat vraag en aanbod zowel qua tijd als locatie zal verschillen blijft een deel van de oude gasinfrastructuur bestaan. Dit zal echter veel minder fijnmazig en dekkend zijn.

H₂

Op een aantal locaties biedt waterstof industrie en zware logistiek een alternatief voor elektriciteit

Om Overijssel qua vestigingsklimaat aantrek­ kelijk te houden en ondernemers met een hoge energievraag een alternatief te bieden voor elektriciteit, zijn er drie regionale aftakkingen vanaf de waterstofbackbone. Hiermee zijn de verzwaringen aan het elektriciteitsnet beperkt gebleven en is het Overijsselse energiesysteem bovendien robuuster. Iedere aftakking heeft zijn eigen verhaal en draagt bij aan de keuze om de grootschalige vraag naar waterstof te clusteren rond een aantal gebieden. Zo houden we de kosten van infrastructuur in de hand. De verbinding richting Twente is met name gericht op de Twentse industrie. Deze wordt op termijn ook verbonden met de Duitse waterstofback­ bone. De tweede aftakking voorziet een deel van de energie-intensieve industrie in Noord­ west-Overijssel van waterstof. Deze aftakking valt grotendeels samen met een aftakking naar de Maximacentrale in Flevoland. Door gebruik te maken van de oude gashoofdinfrastructuur

en het voorkomen van grote aanvullende vraag naar elektriciteit, is de ruimtelijke impact op de leefomgeving beperkt gebleven. Rond Deventer is een derde aftakking gerealiseerd vanwege de zeer korte afstand tot de backbone en de lokale situatie. Er zijn daar beperkte mogelijk­ heden voor geothermie en warmte. Rond deze regionale aftakkingen is lokaal ook enige lokale waterstofproductie en is actief gekeken naar kansen net over de grens met Gelderland. Ook buiten de voorzieningsgebieden van de drie aftakkingen wordt op kleine schaal waterstof geproduceerd en/of gebruikt. Hiervoor is echter geen hoofdinfrastructuur voor handen.

Energievisie Overijssel 2050 / 47

In 2050 wekken we onze elektriciteitsvraag zelf op met zo min mogelijk impact op de leefomgeving en het energiesysteem Rond 2030 is circa 15 PJ elektriciteit duurzaam opgewekt: bijna de helft van de elektriciteits­ vraag in 2050 (34 PJ). We hebben een relatief kleine elektriciteitsvraag en veel ruimte, daarom voorzien we in onze eigen elektriciteitsvraag. Of dat in 2050 helemaal gelukt is, is nog de vraag. We willen verdere inzet op zon en wind op land zoveel als mogelijk beperken, zonder onze ambitie van zelfvoorzienendheid los te laten. Daar waar wind op land een rol speelt blijven we dit clusteren en richten we ons op de provinciale voorkeursgebieden. De bijdrage van zon op dak groeit wel door inclusief innovaties op het gebied van lokale opslag (bijvoorbeeld in

Overijssel levert een proportionele bijdrage aan een Klimaatneutraal Nederland die afgestemd is op de Overijsselse situatie batterijen van elektrische voertuigen). Zo wordt het energiesysteem er niet sterk mee belast. Dit levert een bijdrage van rond de 5 PJ of meer, afhankelijk van de technische ontwikkelingen. Op een aantal locaties kunnen Small Modular Reactors een aanvullende bijdrage leveren met een stabiele elektriciteitsproductie. Vanuit het energie­s ysteem bekeken is Twente hier, door de beperkte potentie voor windenergie, een voor de hand liggende optie. Geschikte locaties hier­ voor zijn nog onbekend, maar nabij i­ndustrie met een grote constante elektriciteitsvraag is een pré. Verder is de opwek van elektriciteit redelijk verspreid over Overijssel gerealiseerd, mede omdat onze vraag ook verspreid is.

Overijssel neemt haar verantwoordelijkheid door over het jaar beschouwd zelfvoorzienend te zijn voor warmte, biogas en elektriciteit. In 2050 hebben we door energiebesparing, elek­ trificatie en bewust omgaan met energie ons verbruik met ruim 30% verminderd ten opzichte van 2024, ondanks de groei in activiteiten. Daar­ naast hebben we ongeveer een kwart van onze resterende vraag met (lokaal opgewekte) warm­ te en biogas ingevuld. Om het elektriciteitsnet verder te ontzien is een deel van de regionale gashoofdinfrastructuur omgebouwd tot regio­ nale waterstofinfrastructuur. Onze vraag naar waterstof is grotendeels afhankelijk van aanvoer van de backbone, waarbij we ­indirect profiteren van wind op zee en grootschalige kernenergie elders in Nederland. Ruim de helft van onze energievraag in 2050 is elektriciteit en deze wek­ ken we zelf op, met zo min mogelijk ruimtelijke impact en met oog voor het energiesysteem. We zetten daarom in op meer zon op dak en verkennen innovaties waaronder Small Modular Reactors. Over vier jaar maken we een keuze over met welke mix van technieken we in onze eigen elektriciteitsvraag willen voorzien. Energievisie Overijssel 2050 / 48

Overijssel gaat voor een gebalanceerd systeemontwerp: robuust en efficiënt In 2050 is het energiesysteem in Overijssel robuust en efficiënt. Robuust door de keuze voor diverse energienetwerken en keuzes om het energiesysteem minder afhankelijk te maken van de hoofdinfrastructuur. Dat doen we met decentrale systeemoplossingen (opslag op het juiste schaalniveau, uitwisseling vraag en aanbod, etc.). Daarmee zijn ook diverse uitbrei­ dingen aan de hoofdinfrastructuur beperkt gehouden. We voorzien in de energievraag met: • Een beperkt aantal aftakkingen van de waterstof backbone voor grote energie­ vragers • Vier deelnetten van TenneT • Beperkte regionale gasinfrastructuur (rond decentrale vraag en opweklocaties) • Een aantal collectieve warmtenetten Een deel van de opwek van energie (warmte, biogas en elektriciteit) sluit niet goed aan qua timing op wanneer de energievraag zich voor­

doet. Denk aan dag en nacht, zomer en winter. Daarom blijven we enerzijds goed verbonden met de (inter)nationale hoofdinfrastructuur voor uitwisseling en vragen we anderzijds aan nieuwe ontwikkelingen netbewust vorm te geven (zie tekstbox “Netbewuste nieuwbouw / ­woonwijken”). Om het verschil in timing tussen vraag en aanbod van verschillende energie­ stromen op te lossen is ingezet op de verdere ontwikkeling van decentrale energiesystemen. Er zijn veel meer smart energyhubs, locaties waar vraag en aanbod van energie lokaal goed op elkaar worden afgestemd. Daarnaast draagt opslag en conversie van energie, ingepast op de juiste plek in de energie-infrastructuur, bij aan een efficiënt systeem. Flexibiliteit in het systeem door energievraag bij te sturen en opslag en conversie op de juiste momenten in te zetten draagt ook bij aan een robuust systeem. Dit vraagt in veel gevallen ook een ­gedragsverandering van de eindgebruikers.1

1

Netbewuste nieuwbouw / woonwijken is nog in ontwikkeling. Een eerste voorzet hiervoor bevat drie belangrijke aspecten: a) Verlaag het netto verbruik en daarmee de totale (netto) belasting b) Spreid verbruik zo gelijk als mogelijk over de dag en verlaag daarmee het piek­ verbruik c) Zorg dat de belasting tot op zekere mate “stuurbaar” is zodat woonwijken in kun­ nen spelen op schommelingen op het landelijke en regionale elektriciteitsnet

De tekstbox is gebaseerd op een werkdocument uit novem­ ber 2024: Netbewuste nieuwbouw: Ontwerpprincipes om netbewust te bouwen.

Energievisie Overijssel 2050 / 49

4.2 Impact gebouwde omgeving Bij de gebouwde omgeving is de grootste uitda­ ging de verduurzaming van de warmtevraag van het oudere woningbestand. Voor nieuwbouw is de netto energiebehoefte laag en met een beperkte eigen opwek zelf op te wekken. Deze huizen zijn heel goed geïsoleerd en gebruiken lage temperatuurverwarming. Nieuwe wij­ ken worden netbewust ontworpen, met waar mogelijk warmtenetten op basis van lokale warmtebronnen.

Elektrische warmtepompen, elektrische voer­ tuigen, batterijen en meer zon-op-dak zijn het nieuwe normaal, maar vragen om goede oplos­ singen op buurt- en wijkniveau. Omdat deze met elkaar verbonden zijn, zijn grote verzwaring van het laagspanningsnet en afwenteling op de nationale hoofdinfrastructuur voorkomen. Hier­ door is ook de hoeveelheid zon-op-dak die een gebied zonder netproblemen kan absorberen, flink toegenomen.

De energievraag van het oudere woningbestand daalt door verdergaande isolatie. Een aantal (historische panden in) oude binnensteden zal nog met groen gas worden verwarmd (waar mogelijk met hybride warmtepomp). Daarnaast wordt een groot deel van dichtbebouwde gebie­ den met collectieve warmtenetten van warmte voorzien, gevoed vanuit diverse bronnen. In sommige gevallen kan een geschikte nabije (rest)warmtebron ook kernen in het buiten­ gebied via een lokaal warmtenet van warmte voorzien. Daar waar collectieve warmtenetten geen mogelijkheid bieden, wordt ingezet op isolatie en elektrische warmtepompen.

Energievisie Overijssel 2050 / 50

Impact gebouwde omgeving Elektriciteit

Nieuwbouw

Historische binnenstad

Oude wijken

Buitengebied

Warmtenet

Warmtebron Groen gas

Netbewust

Isolatie

Figuur 13: impact gebouwde omgeving Energievisie Overijssel 2050 / 51

4.3 Impact industrie, land- en tuinbouw Een grote opgave vanuit de energietransitie ligt bij de industrie, met name lokale industrie met een grote warmtevraag. Naast sectorbre­ de inzet op energiebesparing stappen veel bedrijven over van aardgas naar elektriciteit. Er is een aantal uitzonderingen. Zo gebruikt de industrie die dichtbij de regionale aftakking zit en behoefte heeft aan hoge temperatuur warmte, waterstof. Daar waar in de buurt biogas wordt geproduceerd, wordt deze door indus­ trie gebruikt die een constante vraag heeft. Voor industrie en glastuinbouw met een vraag naar midden temperatuur warmte biedt geo­ thermie op een aantal plekken een alternatief

(rekening houdend met beperkingen vanuit drinkwatervoorziening). Nieuwe industrie houdt bij vestiging rekening met de beschikbaarheid van deze alternatieven. Op sommige plekken is vanuit nichetoepassingen ook lokale waterstof beschikbaar. Voor grote volumes is nabijheid bij de regionale aftakkingen noodzakelijk. De industrie is een grootverbruiker en dus draagt zij actief bij aan het voorkomen van netcongestie. Door eigen vraag (en opwek) lokaal/decentraal uit te wisselen bijvoorbeeld of tijdelijk op te slaan op het niveau waarop dit efficiënt kan (o.a. smart energy hubs).

Energievisie Overijssel 2050 / 52

Impact industrie, land- en tuinbouw Lokaal

Netwerk

Cluster

Elektriciteit

Backbone Warmtenet

Biogas

Groen gas

Geothermie

Hoge tempraturen

Aftakking waterstof

Figuur 14: impact industrie, land- en tuinbouw Energievisie Overijssel 2050 / 53

4.4 Impact mobiliteit Door de beschikbaarheid van waterstof langs de snelwegen en logistieke knooppunten, is een groot deel van de grote vermogensvraag die met elektrisch vrachtvervoer gepaard gaat vermeden. Nieuwe logistieke bedrijven kiezen hun vestigingsplaats zorgvuldig. Waterstof die wordt aangevoerd vanuit de backbone heeft nog wel een opwaardering nodig voordat deze in de mobiliteitssector kan worden ingezet (in fuel cells). Mobiele werktuigen hebben bij grote projecten (o.a. wegenonderhoud, dijkverzwaring) op basis van lokale omstandigheden een keuze tussen operatie aangedreven vanuit elektriciteit of waterstof.

Alle personenvoertuigen zijn elektrisch aangedreven. Deze voertuigen houden met hun laadgedrag, zowel qua locatie als tijdstip, rekening met de mogelijkheden op het elektriciteitsnet en verlenen, indien niet onderweg, op termijn een bijdrage aan een robuust en efficiënt elektriciteitsnet.

Energievisie Overijssel 2050 / 54

Impact mobiliteit Decentraal in de wijk Elektriciteit

H₂

Mobiliteitshub

Cluster Backbone H₂

Waterstof

Netbewust

Aftakking waterstof met opwaardering

EU

Figuur 15: impact mobiliteit Energievisie Overijssel 2050 / 55

4.5 Vier Overijsselse deelnetten De vier verschillende deelnetten hebben een vrij vergelijkbare energievraag. De beschik­ baarheid van lokale warmtebronnen en het potentieel van biogas en windenergie verschil­ len wel per deelnet. Twente heeft een grote ­warmtebron waarmee regionaal een deel van de warmte­vraag kan worden ingevuld maar heeft qua windenergie minder potentie dan ­West-­Overijssel. Daarnaast zijn er binnen deel­ netten soms ook nog beperkingen (bijvoorbeeld rond geothermie). In bijlage 2 zijn de gegevens hierover opgenomen. Een ander belangrijk verschil is dat door de keuze om waterstof op een selectief aan­

tal gebieden vanuit de hoofdinfrastructuur te bedienen, er binnen de deelnetten gebieden zijn met en zonder toegang tot deze waterstof­ infrastructuur. Vanuit de hoofdinfrastructuur elektriciteit bekeken, zijn er voldoende mogelijkheden om zelfs bij de hoge mate van zelfvoorzienendheid op elektriciteit, per deelnet een passende balans tussen vraag en aanbod te kiezen die recht doet aan de startprincipes. Hierbij helpt het dat de lagere potentie van windenergie in Twente deels gecompenseerd wordt door de ruimere beschik­ baarheid van warmtebronnen.

Energievisie Overijssel 2050 / 56

5. Hoe bereiken we ons toekomst­beeld? I

n dit hoofdstuk beschrijven we de ontwikkelpaden. Waar in het vorige hoofdstuk de stip op de horizon is beschreven, richten de ontwikkelpaden zich meer op de weg er naar toe. Per e ­ nergie­ keten schetsen we de belangrijkste mijlpalen die bijdragen aan het bereiken van onze stip op de horizon. Er zijn veel actoren betrokken bij het zetten van de gewenste stappen en samen met die partijen moeten we dan ook invulling geven aan de genoemde stappen. De ontwikkelpaden zoals in dit hoofdstuk beschreven dienen dan ook gezien worden als een eerste aanzet om samen met alle partners – met name de gemeenten en netbeheerders – een uitvoeringsagenda op te stellen voor de eerstkomende jaren.

Energievisie Overijssel 2050 / 57

5. Hoe bereiken we ons toekomstbeeld? 5.1 Biogas De belangrijkste bijdrage voor biogasproductie komt uit mestvergisting. Onze huidige ambitie is dat in 2030 de helft van de beschikbare mest wordt vergist waarmee we ongeveer 3 PJ biogas kunnen produceren. Hoewel de omvang van de ambitie staat is de verwachting dat we deze niet eerder dan 2035 bereiken. Momenteel benutten we circa 5% van de beschikbare mest. E ­ ssentieel is daarmee om op korte termijn te werken aan een grote opschaling van de productie van bio­ gas. Daarbij moeten we rekening houden met de ontwikkeling van de veestapel, de consequenties van de terugloop van het (fossiele) gasgebruik voor de instandhouding van het netwerk, mogelijk alternatieve bronnen (naast mest) en alternatieve technieken (vergassing op termijn). Onderdeel van de benodigde opschaling is ook een verdere verkenning naar de mogelij­ ke bijdrage van grootschalige mestvergisting (biogasfabrieken), daarvoor benodigd locatie-­ onderzoek én waar nodig ruimte r­ eserveren voor de ontwikkeling van de benodigde locaties.

Ook hebben we een gedragen visie nodig op de allocatie van biogas: waar gaan we biogas toepassen? Conform de lijn in deze visie willen we biogas met name gebruiken voor de indus­ trie en waar nodig voor (historische p ­ anden in) oude binnensteden. Belangrijke f­ actoren zijn de verhouding tussen biogas en groen gas en voor het groene gas de mate w ­ aarin instandhouding van het netwerk houdbaar en haalbaar is op bepaalde plekken. Gerelateerd hieraan heeft Enexis recent gevraagd om in de energievisie een aantal ­leidende principes te overwegen, waaronder het aanbieden van maximaal twee energiedragers per buurt. Dit aspect kan meegenomen worden in de visie op de regionale infrastructuur en is met name relevant voor wijken waar gas een rol blijft spelen voor de gebouwde omgeving.

herijken. Afhankelijk van Rijksbeleid is het voor­ stelbaar dat gestuurd wordt op een inzet van biogas/biogrondstoffen voor primair de industrie om in koolstofbehoefte te voorzien. Tegelijkertijd komt er naar verwachting de komende jaren een bijmengverplichting voor gasleveranciers om groen gas bij te mengen. Omdat dit een impact kan hebben op de benodigde infrastructuur én omdat het mogelijk betekent dat er alternatieven nodig zijn voor verwarming van de gebouwde omgeving of warmte voor de industrie, is het van belang deze herijking te doen voordat maximaal is opgeschaald.

Tot slot is het van belang om rond 2035 de allo­ catie van biogas (binnen en buiten Overijssel) te

Energievisie Overijssel 2050 / 58

Vraag en aanbod

Ontwikkelpad biogas Actieplan 2PJ in 2030

Opschaling klein- en grootschalige productie

• Aanpak kleinschalige mestvergisting • Aanpak alternatieve biogasproductie • Verkenning locaties en aanpak grootschalige mestvergisting • Toepassingsladder biogas/groen gas

Productie

Productie

0,6 PJ

2025

2 PJ

2026

2027

2028

2029

2030

Infrastructuur

Regionale visie toekomst (bio)gas infrastructuur

Productie

3 PJ

2035

Productie

4 PJ

2040

2045

2050

Mogelijk vervangen bestaande mestvergisters Biogashubs operationeel Herijken einddoel op basis van allocatie biogas en ontwikkeling landbouw

Figuur 16: Ontwikkelpad biogas Energievisie Overijssel 2050 / 59

5.2 Elektriciteit Gezien de centrale rol van elektriciteit in het systeem staan de komende jaren in het teken van het opschalen van de e ­ lektriciteitsproductie, met name door middel van windenergie. De vervolgstap is om richting 2030 de energievisie te herijken en concrete invulling te geven aan onze proportionele bijdrage, zowel qua omvang, het aandeel van de verschillende opwektechnieken en waar in Overijssel dit een plek kan krijgen. Om richting te krijgen formuleren we dan ook een tussendoel voor 2040. We bepalen hiertoe in 2025 eerst welke (aanvullende) inzet op besparing nodig is om de verwachte besparing te realiseren. Ook verkennen we de mogelijkheden van opschaling kleinschalige zon op dak in combinatie met slim gebruik en opslag. Rond 2028 verwachten we meer zicht op de haalbaarheid en inzetbaarheid van SMR’s en ontstaat er ook in de uitvoeringsagenda weer ruimte om nieuwe projecten aan te jagen voor de periode na 2030. Om dat zicht te krijgen op SMR’s sluiten we aan bij de nationale verkenning en doen we zelf ook diverse onderzoeken. Onderdeel hiervan is ook een locatieonderzoek: waar in Overijssel zou een SMR passen?

Voor de infrastructuur is het kortetermijnbelang dat er maximaal wordt ingezet op de uitbreiding en ontwikkeling van decentrale oplossingen om de negatieve impact van netcongestie op de energietransitie te beperken. We zetten daar­ bij in op een nadere capaciteitsstudie: hoeveel capaciteit wordt er gerealiseerd op basis van de plannen van de netbeheerders (IP261, Targetgrid) en hoeveel is er nodig? En kan het elektrici­ teitsnet de warmtetransitie via de elektrische route in het landelijk gebied accommoderen? Met onze keuze voor variatie in de energiemix willen we met de netbeheerders sturen op IP28 en een “Targetgrid 2.0”. Mogelijk volgt daarbij ook de behoefte om ruimtelijke reserveringen te doen voor toekomstige uitbreidingen van de elektriciteits­infrastructuur. Daarnaast wer­ ken we een aanpak uit voor het opschalen van ­decentrale oplossingen: waar is behoefte aan welke vorm van flexibiliteit, met name in de vorm van opslag? Hoeveel, waar en op welk niveau is dit nodig? Voor grootschalige flexibiliteit moe­

1

ten vooral het Rijk en Tennet duidelijkheid gaan geven over de behoefte en gewenste invulling. Met betrekking tot seizoensopslag wordt dit vraagstuk in samenhang met de andere ont­ wikkelpaden bekeken worden, waarbij vaak omzettingen naar beter op te slaan energie­ dragers een rol spelen (power-to-X).

Investeringsprogramma’s van netbeheerders worden per 2 jaar uitgebracht en afgekort met IP gevolgd door het publica­ tiejaar.

Energievisie Overijssel 2050 / 60

Vraag en aanbod

Ontwikkelpad elektriciteit Verkenning energiebesparing

Mogelijk repoweren zon en wind

Aanpak zon op dak slim (aanbod)

Bepalen invulling elektriciteitsmix 2050

Onderzoeken potentie SMR’s

Procedures 2TWh (7,2PJ) wind

2025

2026

Netcapaciteitsstudie

Infrastructuur

Herijken eigen opwekambitie

Verkenning behoefte aan flex

Realisatie windparken

2027

Eventueel ruimtelijke reserveringen

Verkenning elektrisch laden Logistiek

2028

2029

Opwek

Opwek

34 PJ

15 PJ

2030

2035

2040

2045

2050

Uitbreiding Tennet / HSMS stations gerealiseerd

4 deelnetten Tennet gerealiseerd

Plaatsing systeembatterijen

Opschaling decentrale oplossingen (o.a. SEH)

Figuur 17: Ontwikkelpad elektriciteit Energievisie Overijssel 2050 / 61

5.3 Warmte De ambitie voor warmtenetten is hoog. We moeten snel stappen zetten. Daar waar elektrificatie autonoom doorgaat voor de verwarming van huizen, worden de kansen voor warmtenetten in woonwijken kleiner. Mogelijk ook op plekken waar juist warmtenetten de voorkeur hebben. Een belangrijke actie is daarom om te kijken naar de warmte­ programma’s van gemeenten. Welke ambities komen daar in te staan en hoe verhouden die zich in totaal tot de warmte-ambitie uit deze visie? Als gevolg hiervan zou kunnen blijken dat er extra inzet nodig is op de isolatie van huizen en het voorkomen dat individuele oplossingen worden doorgezet in wijken die juist geschikt zijn voor warmtenetten. Vanzelfsprekend is er naast inzicht ook actie nodig. Door het organiseren van een (inter) provinciaal warmtebedrijf wordt gewerkt aan publieke realisatiekracht. Hiermee kunnen gemeenten in de toekomst zowel financieel als inhoudelijk ondersteund worden. Waar dit niet voldoende is kijken we ook naar het Rijk om warmtenetten (financieel) te ondersteunen.

Tot slot is een belangrijk aspect bij warmtenetten de beschikbare bron(nen). Omdat de beschikbaarheid niet vaststaat is het noodzakelijk om op tijd zicht te hebben en houden hierop. Zo is Twence in de komende jaren een belangrijke leverancier, maar hierbij is bijvoorbeeld de vraag hoe de afvalstromen zich in de toekomst gaan ontwikkelen. Daarnaast wordt er in Twente en in WestOverijssel gekeken naar de mogelijkheden voor kleinschaliger geothermie. Misschien kunnen ook kleinere kernen via een lokaal warmtenet van warmte worden voorzien. De kansen worden in de bronnenstudie in kaart gebracht en omgezet worden in een actieplan. We verwachten rond 2030 een herijking van de inzet van warmte te kunnen maken op basis van de ontwikkelingen rond warmtenetten en de uitkomsten van de bronnenstudie.

Energievisie Overijssel 2050 / 62

Vraag en aanbod

Ontwikkelpad warmte WCW/WGIW

Verkenning lange termijn beschikbaarheid

Warmteprogramma’s gemeenten

Herijken inzet

Verbinding tussen ambitie warmte en warmteprogramma’s gemeenten Bronnenstudie duurzame warmte

2025

2026

2027

Inzicht welke wijken voor 2034 van het gas af zijn

Infrastructuur

Eerste wijken van het aardgas af

Actieplan Geothermie & Warmtebronnen

2028

2029

2030

2035

100.000130.000 weq

2040

180.000 weq

2045

2050

Nieuwe warmtenetten in publieke handen

Opbouw publieke realisatiekracht Realisatie eerste warmtenetten

Figuur 18: Ontwikkelpad warmte Energievisie Overijssel 2050 / 63

H₂

5.4 Waterstof De focus bij het gebruik van waterstof ligt op de industrie en mobiliteit. Het grootste risico daar­ bij is dat ondernemers verduurzamen zonder te wachten op de beschikbaarheid van waterstof. Het is essentieel om zo snel als mogelijk een helder perspectief op waterstof te schetsen, de energievisie is daarin een eerste stap. Uiteindelijk zullen ondernemers alleen over­ stappen als dat perspectief er is. Dat betekent allereerst maximale inzet op organisatie van het aanbod. Daaraan vooraf gaat een studie naar en aanpak voor, waar waterstof decentraal ­geproduceerd en getransporteerd kan worden. Van belang hierbij is waar de potentiële vraag zit. Daarbij zien we kleinschalige opwek (via elektrolysers) voor een gedeelte als “korte ter­ mijn’ opstap naar gebruik van waterstof uit een aftakking van de backbone. Die kleinschalige opwek vindt voor een deel plaats bij bedrijven die op termijn gebruik kunnen maken van water­ stof uit de aftakking. Deze initiatieven zien we al ontstaan in bijvoorbeeld Deventer (GROWH), Almelo/Vriezenveen (H2-Hub) en Zwolle, met vaak een behoefte aan ondersteuning voor de opschaalfase. De ondersteuning van lokale productie willen we positief stimuleren met

de samenwerking Hydrogen Valley. Ook zal er mogelijk een H2-innovatiefonds nodig zijn voor verdere opschaling. Voor de mobiliteit betekent dit dat er niet alleen opwek moet zijn, maar dat er rond 2030 ook een dekkend netwerk van vul­ punten voor waterstof moet zijn. We beginnen daarom met een studie naar locaties, waarbij we partijen als Rijkswaterstaat betrekken. Daarbij kijken we niet alleen naar waterstof, maar in brede zin naar clean energy hubs en het aanbod van duurzame energie voor de logistiek op die plekken. Parallel aan de ontwikkeling in aanbod werken we aan de organisatie van de vraag. Omdat ondernemers nu geen perspectief hebben op waterstof richten ze zich al snel op elektriciteit. Dit vraagt om nadere afstemming met onderne­ mers waarbij we verder in kaart brengen waar de potentiële vraag zit en wat ervoor nodig is om hen het comfort te bieden om af te wach­ ten (met perspectief). Hierbij zal ook de inzet van het Rijk nodig zijn en mogelijk flankerend beleid vanuit de provincie. Bij het Rijk zou beleid rekening kunnen houden met het moment dat waterstof beschikbaar komt als optie of de hogere kosten van belevering met tube trailers.

Als provincie kunnen we daarbij – samen met gemeenten – zorgen voor launching customers door te sturen op de inzet van waterstof en door zelf als launching customer te fungeren. Ook kan gekeken worden naar – waar nodig – r­ uimtelijk vestigingsbeleid om de vraag naar waterstof geografisch te clusteren. Rond 2030 verwachten we nader inzicht in wanneer en waar er uiteindelijk aftakkingen van de backbone worden gerealiseerd. Dit betekent dat we dan ook een keuze maken in de mate van verdere opschaling van decentrale produc­ tie versus het afnemen van waterstof via een aftakking. Het zicht op aftakkingen ontstaat echter niet vanzelf. We beginnen daarom met een nadere studie voor regionale aftakkingen op basis van de in deze visie geschetste richtin­ gen. Belangrijke partijen hierin zijn de Gasunie/ NHS, het Rijk en de buurprovincies voor moge­ lijke verbindingen. Zodra duidelijk is waar deze aftakking (ongeveer) moeten komen zal er ingezet moeten worden op lobby, financiering, aansluiting op de backbone en commitment van het bedrijfsleven voordat overgaan kan worden tot realisatie.

Energievisie Overijssel 2050 / 64

Ontwikkelpad waterstof Vraag en aanbod

H₂

Actieplan lokale productie Organisatie lokale productie H2 Valley aanvraag (EU-subsidie)

Hydrogen Valley

Inzet H2

Inzet H2

2025

2026

2027

2028

2029

2030

Inzet H2

6 PJ

2035

Backbone oost operationeel

Verkenning naar locaties waterstofvulpunten

Infrastructuur

Inzet H2

0,5-1 PJ

0 PJ

2040

9 PJ

2045

2050

H2 grootschalig beschikbaar via aftakking

Haalbaarheidsstudies regionale aftakkingen H₂

Ontwikkeling aftakkingen backbone

Realisatie vulpunten H2 voor de logistiek

Figuur 19: Ontwikkelpad waterstof Energievisie Overijssel 2050 / 65

5.5 Energiebesparing Voorgaande ontwikkelpaden zijn opgebouwd langs de vier energiedragers waarmee we in 2050 invulling geven aan onze behoefte van – naar de huidige inzichten – 58 PJ aan e ­ nergie. Met die 58 PJ aan energie verbruiken we min­ der energie dan nu in 2025. Het grootste deel daarvan is het gevolg van de efficiency die elektrificatie met zich meebrengt. En tegelijker­ tijd blijft ook besparing van belang. Wat je niet verbruikt hoef je immers niet op te wekken en niet te betalen. Dat onderkennen we ook door aan te sluiten bij de hoofdkeuzes uit het NPE, waaronder hoofdkeuze 2: energiebesparing als belang­ rijke hoeksteen in het energiebeleid. Ook in ­Overijssel zetten we in op energiebesparing om de energievraag te beperken. Deze besparing vinden we van belang omdat de andere opgaven daarmee kleiner worden, denk aan de hoeveel­ heid energie die we moeten opwekken. En het maakt ons als Overijssel minder gevoelig voor tegenvallers in het energiegebruik als landelijke maatregelen minder opleveren dan verwacht.

Energiebesparing is in elk ontwikkelpad en elke sector van belang. De inzet die we hier in Overijssel op plegen en wat er aanvullend nodig is nemen we mee in de op te zetten uitvoerings­agenda. Daarbij gaat het niet alleen om efficientie, zoals het beter isoleren, verder ontwikkelen van auto’s en efficiënte processen in de industrie. Op dat vlak is het (inter)­nationaal beleid in veel gevallen sturend. Het gaat ook om gedrag. Hoe kunnen we minder vaak de auto pakken, zuiniger omgaan met energie in huis, de industrie s­ timuleren om te kiezen voor besparings­maatregelen en het bewustzijn daar­ omtrent vergroten? En ook als overheid daarin het goede voorbeeld geven? Bij de uitwerking van de ontwikkelpaden wordt hier expliciet aandacht aan besteed om te borgen dat energiebesparing voldoende aandacht krijgt.

Energievisie Overijssel 2050 / 66

5.6 Vervolgstappen & monitoring Deze energievisie is de eerste in het kader van het integraal programmeren en kent een doorwerking naar het pMIEK. Van belang is om de komende tijd met de netbeheerders – regi­ onaal en landelijk – en het Rijk te verkennen hoe de doorwerking van de provinciale ener­ gievisies wordt geborgd. Hoe vindt dit zijn weg in de netvisies en investeringsplannen van de netbeheerders. Niet alleen op papier (integraal programmeren), maar ook in de praktijk. Daarnaast is het vooral van belang om aan de slag te gaan. Veel van de in de ontwikkelpaden opgenomen acties richten zich op de komende jaren en hebben alleen kans van slagen als ze in gezamenlijkheid opgepakt worden. Op basis van de genoemde acties is de eerste stap om samen met gemeenten, netbeheerders en andere par­ tijen die van belang zijn voor het energiesysteem een uitvoeringsagenda op te stellen voor de komende jaren. Een agenda waaruit blijkt welke acties de komende jaren opgepakt worden om de doelen uit energie te bereiken, wie dat doet en wanneer. Daarbij moet ook een beeld ontstaan van de relatie tussen deze uitvoeringsagenda en de bestaande samenwerkingen en acties binnen de RES'en en Energyboard.

Het is verstandig om deze energievisie over een aantal jaar te herijken en bij de vertaling naar (omgevings-)beleid voldoende flexibiliteit te hou­ den om onze aanpak bij te kunnen stellen waar nodig. Veel partijen hebben de noodzaak voor een heldere en adaptieve energievisie onderschreven. We kiezen daarom voor herijking eens in de vier jaar om zo de aansluiting te houden bij de plan­ ning van het pMIEK in de cyclus van het integraal programmeren. Concreet betekent dit een eerste herijking in 2028. Een herijking over 4 jaar betekent niet dat er geen tussentijdse wijzigingen mogelijk zijn. Mocht tussentijds bijstelling nodig zijn, bij­ voorbeeld omdat op een van de energiedragers onvoldoende voortgang wordt geboekt, dan moet duidelijk zijn wat de beste terugvalopties zijn. Dit nemen we als actie op in de uitvoeringsagenda. Momenteel monitoren we met name de ener­ gievraag (per sector en per drager) en de opwek van duurzame energie. De indicatoren worden bijgehouden op de website Overijssel in Cijfers. Voor de opwek van zonne- en windenergie wor­ den in het kader van de RES ook pijplijnprojecten gemonitord, waardoor er inzicht ontstaat of er voldoende plannen zijn om (tijdig) doelstellingen te gaan halen. Monitoring op klimaatdoelen laat

niet direct zien of we de komende jaren vol­ doende inzet plegen op de hiervoor genoemde onderwerpen. Als onderdeel van de uitvoerings­ agenda maken we dan ook afspraken hoe we de voortgang op activiteitenniveau monitoren. Alleen dan kunnen we snel en op tijd ingrijpen als we onvoldoende voortgang boeken. Diverse gemeenten hebben aangegeven aan de slag te gaan met een gemeentelijke energie­ visie. Samen met de gemeenten verkennen we daarom hoe deze visies vormgegeven kunnen worden op zo’n manier dat ze qua inhoud, detailniveau en vervolgstappen goed aansluiten bij de provinciale energievisie. Daarbij kijken we ook hoe dit past in een systematiek van herij­ king van de provinciale energie en relatie met de visies en plannen van de netbeheerders. Tot slot is het van belang om in de uitvoeringsa­ genda stil te staan bij de benodigde middelen en ondersteuning. Wat hebben we als decentrale overheden nodig om alle acties uit te kunnen voeren? Wat verwachten we daarin van elkaar, wat doen we met onze Overijsselse partners, met andere provincies en wat verwachten we van het Rijk?

Energievisie Overijssel 2050 / 67

5.7 Provinciale rol in de uitvoering Deze energievisie is slechts de start. De komen­ de jaren zal er veel moeten gebeuren om zicht te houden op de stip. Met de hiervoor geschetste ontwikkelpaden hebben we getracht de belang­ rijkste zaken in beeld te brengen. Voor veel van de activiteiten die opgepakt moeten worden zijn bepaalde rollen wettelijk belegd. Denk aan de warmtetransitie in de gebouwde omgeving waarvoor gemeenten primair aan de lat staan of het bevoegd gezag over de meeste windener­ gieprojecten dat bij de provincie ligt. Ook zijn er zaken die minder duidelijk belegd zijn, maar die wel opgepakt moeten worden. Dit onder­ streept het belang om gezamenlijk te komen met een uitvoeringsagenda waarin we antwoor­ den geven op de vragen van het hoe, wie en wanneer. Het “wat” is beschreven in deze visie. De inzet van onszelf in de uitvoering zal daarbij landen op diverse plekken. Enerzijds binnen het bestaande uitvoeringsprogramma Nieu­ we Energie Overijssel (Statenvoorstel Nieuwe Energie - Q3 2025) en het Provinciaal Program­ ma Energiestrategie. Anderzijds mogelijk ook op nieuwe plekken als de Regionale Mobiliteits­ programma’s en de programmeringsafspraken bedrijventerreinen.

Ondanks dat de provincie Overijssel slechts één van de partijen is in de uitvoering voelen we ons tegelijkertijd wel verantwoordelijk voor het geheel, met respect voor de diverse rollen en verantwoordelijkheden van alle stakeholders. Deze verantwoordelijkheid wil niet zeggen: wat blijft liggen pakken wij op. Wel zegt het: wij organiseren het proces om in beeld te brengen wat er allemaal moet gebeuren vanuit de rich­ ting die we geven in de energievisie. We kijken of de totale inzet voldoende is en in lijn met de ambities in de energievisie. En we monitoren de voortgang. Daarmee nemen we onze verant­ woordelijkheid voor deze grote opgave die in veel gevallen gemeente overschrijdend is, maar waarbij we de ruimte geven aan iedereen om bij te dragen.

en een Agenda energietransitie West-Overijssel biedt kansen voor verdere samenwerking. Een belangrijk kader voor de verdere rolverdeling zijn ook de interbestuurlijke afspraken tus­ sen het Rijk, VNG, IPO en waterschappen over samenwerken aan het energiesysteem van de toekomst.

Een andere mogelijke rol voor de provincie is gebiedsregisseur om te zorgen voor samenhang tussen de energie-gerelateerde ontwikkelingen in een gebied. Wellicht dat in gesprek met de twee RES-regio’s in Overijssel nog andere rollen naar voren komen. De huidige doorontwikkeling in die regio’s met een Energiestrategie Twente

Energievisie Overijssel 2050 / 68

5.8 PMIEK projecten voortkomend uit de energievisie Op basis van de hoofdkeuzes en de geschetste ontwikkelpaden brengen wij een aantal ontwik­ kelingen in het pMIEK proces in om daar via het afgesproken proces te laten beoordelen: •

De nieuwe 380 kV koppelpunten voor de vier Overijsselse deelnetten om de centrale elektriciteitsinfrastructuur te verzwaren en daarmee de toenemende elektrificatie te kunnen faciliteren.

•

Het regionale warmtenet in Twente vanuit de hoofdkeuze variatie in de mix.

•

De drie regionale aftakkingen van de waterstofbackbone vanuit de hoofdkeuzes variatie in de mix en clustering bij waterstof vanuit de hoofdinfrastructuur.

Op basis van het afwegingskader in het pMIEK zal gekeken worden hoe deze projecten de juiste prioriteit kunnen krijgen.

Energievisie Overijssel 2050 / 69

Bijlage 1

Bijlage 2 Verantwoording data en bronnen nieuweenergieoverijssel.nl/energievisie

Energievisie Overijssel 2050 / 70

Bijlage 1 1.1 Landelijke kaders voor de energievisie In hoofdstuk 2 is een korte duiding gegeven van de relatie tussen de energievisie, het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) en de provinciale omgevingsvisie (Overijssel voor en met Elkaar!). Voor de volledigheid volgen hieronder nog een drietal (type) kaders die we betrokken hebben bij het opstellen van de energievisie.

Programma Energiehoofdstructuur (PEH) Het PEH is de ruimtelijke visie voor de energie­ hoofdstructuur voor Nederland in 2050 op land. Het PEH is een van de programma’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en bevat structurerende keuzes voor de energiehoofd­ infrastructuur en vormt daarmee een belangrijke bouwsteen voor de Nota Ruimte. Een aantal ontwikkelingen uit het PEH raakt Overijssel en is al redelijk concreet qua impact, zoals de voorziene waterstofbackbone die door Overijssel heen loopt. Een aantal andere ontwikkelingen die op weg naar een klimaatneutraal energiesysteem ruimtelijk ingepast moeten worden zijn minder concreet qua omvang en locatie (systeembatterijen en mogelij­ ke ondergrondse opslag van waterstof).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=9680adba-a1ef-43eb-b73f-ff5dbd0211ff