CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Energievisie Overijssel 2050

Raad Besluitvormingsronde 6 oktober 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Ontwikkelingen grootschalige energieopwek en -infra in Zwolle25.550 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Sectorale plannen De afgelopen jaren zijn er verschillende sec­ torale energieplannen ontwikkelt. Denk aan de Regionale Agenda Laadinfrastructuur (RAL), de Cluster Energiestrategieën (CES), transitievisies warmte en de Regionale Ener­ giestrategieën (RES). Maar ook op andere gebieden dan energie zijn al diverse sectorale ambities afgesproken, bijvoorbeeld op het vlak van wonen (Woondeals) en bedrijventerreinen (Programmeringsafspraken bedrijventerrei­ nen). Deze opgaven hebben altijd een vraag naar en/of aanbod van energie of zijn van invloed op de ruimtelijke mogelijkheden voor energie(infrastructuur). De energievisie is daar­ mee enerzijds richtinggevend voor de verdere ontwikkelingen in de verschillende sectoren. Anderzijds zijn deze sectorale plannen mee­ genomen als input voor de ontwikkelingen die verwacht worden, met de kanttekening dat veel sectorale plannen een kortere tijdshorizon hebben, vaak tot 2030.

Specifiek voor de RES'en merken we op dat daar­ in momenteel gewerkt wordt aan een strategie en uitvoeringsplannen voor de komende jaren. De energievisie is daarbij richtinggevend voor de provinciale rol en opvattingen daarin.

(Investerings)plannen Netbeheerders De energieinfrastructuur is constant in ontwik­ keling. De nationale netbeheerders, TenneT en Gasunie en de regionale netbeheerders, Enexis, Coteq en RENDO, zijn al diverse uitbreidin­ gen en nieuwe energieinfrastructuur aan het realiseren. Daarnaast hebben ze in hun investe­ ringsplannen diverse uitbreidingen opgenomen die op basis van huidige inzichten noodzakelijk zijn. Mogelijk dat deze nog deels worden bijge­ steld op basis van de energievisie of keuzes in het pMIEK. Wel is er een aantal ontwikkelingen aan de energiehoofdinfrastructuur die naar alle waarschijnlijkheid gaan plaatsvinden en we daarom als uitgangspunt voor de Overijsselse energievisie hebben gebruikt:

Energievisie Overijssel 2050 / 71

-

Realisatie waterstofbackbone: een deel van de bestaande gashoofdinfrastructuur wordt hiervoor (her)gebruikt. Dit tracé loopt dwars door Overijssel vanuit gasknooppunt ­Vilsteren zuidwaarts tot het tussen Deventer en Holten Overijssel verlaat.

-

Regionaal warmtenet Twente: in een samenwerking tussen een aantal Twentse gemeenten, netbeheerder Cogas en T ­ wence, wordt er gewerkt om het huidige lokale warmte­net, gevoed vanuit restwarmte van Twence, uit te breiden tot een regionaal warmtenet waarmee circa 100.000 woning­ equivalenten van warmte worden voorzien in Twente.

-

TenneT uitbreiding van twee tot vier deel­ netten: het figuur rechts laat de beoogde opsplitsing zien van de twee bestaande deelnetten (Zwolle en Oele) in vier deelnet­ ten (Hessenpoort, Zwolle, Almelo, Hengelo) en een indicatieve schets van de voedings­ gebieden. Deze deelnetten gebruiken we om de impact van ontwikkelingen - bijvoorbeeld rondom de opwek en vraag naar energie - te kunnen beoordelen.

Figuur 20: Overzicht vier toekomstige deelnetten van TenneT inclusief de huidige HS/MS stations.

Energievisie Overijssel 2050 / 72

1.2 Werksessies en bijeenkomsten energievisie Deze energievisie is van de provincie ­Overijssel, maar ook voor de hele provincie Overijssel. Vanaf het begin zijn gemeenten, netbeheer­ ders en maatschappelijke organisaties daarom betrokken geweest. Hieronder vindt u een overzicht van de georganiseerde bijeen­komsten, doelgroep, datum en onderwerp. Voor de volledigheid zijn de momenten waarop de energie­visie in GS en PS aan de orde is geweest ook toegevoegd (blauwe tekst).

Onderwerp

Datum

Doelgroep

2023 Plan van aanpak

17 oktober

Netbeheerders + aantal gemeenten

Plan van aanpak

26 oktober

Netbeheerders + aantal gemeenten

Plan van aanpak

7 december

Werkplaats Twente (gemeenten/netbeheerders)

Plan van aanpak

12 december

Vaststelling door GS

Plan van aanpak

14 december

Werkplaats West-Overijssel (gemeenten/netbeheerders)

Plan van aanpak

15 december

Plan van aanpak gedeeld met alle gemeenten/netbeheerders met verzoek intern (ambtelijk/bestuurlijk) te delen/bespreken

2024 Startprincipes

8 februari

Werksessie Twente (gemeenten/netbeheerders/maatschappelijke organisaties)

Startprincipes

15 februari

Werksessie West-Overijssel

Plan van aanpak

13 maart

Commissie milieu en energie (naar aanleiding van PS-brief: PS24-000125)

Startprincipes

14 maart

Werksessie Twente

Startprincipes

21 maart

Werksessie West-Overijssel

Toekomstbeelden

22 april

Ontwerpatelier deelnet Hessenweg – West Overijssel (gemeenten/ netbeheerders/maatschappelijke organisaties)

Startprincipes

24 april

Webinar voor gemeenten/netbeheerders

Toekomstbeelden

25 april

Ontwerpatelier deelnet Zwolle – West Overijssel

Startprincipes

Begin mei

Schriftelijke input bestuurders RES West-Overijssel

Energievisie Overijssel 2050 / 73

Onderwerp

Datum

Doelgroep

Toekomstbeelden

6 mei

Ontwerpatelier deelnet Almelo – Twente

Toekomstbeelden

7 mei

Ontwerpatelier deelnet Hengelo – Twente

Startprincipes

13 mei

Energyboard

Toekomstbeelden

13 mei

Kwantitatieve werksessie West-Overijssel (gemeenten/netbeheer­ ders)

Toekomstbeelden

14 mei

Kwantitatieve werksessie Twente (gemeenten/netbeheerders)

Algemene toelichting / startprincipes

24 mei

BBO RES Twente

Toekomstbeelden

13 juni

Werksessie opbrengsten - Twente(gemeenten/netbeheerders)

Toekomstbeelden

20 juni

Werksessie opbrengsten – West Overijssel (gemeenten/netbe­ heerders)

Verduurzaming bedrijven

Juli / augustus

1-op-1 interview aantal bedrijven

Hoofdkeuzes

3 juli

Bestuurlijk platform RES West-Overijssel

Hoofdkeuzes

8 juli

Bestuurders RES Twente

Startprincipes

10 juli

Commissie milieu en energie

Hoofdkeuzes

12 juli

Energyboard

Startprincipes

17 juli

PS

Startprincipes

18 juli

Brief aan gemeenten (colleges) en netbeheerders over vaststellen startprincipes en vervolgproces (waaronder consultatie, verzoek om raden te informeren en waar nodig van gedachten te wisselen)

Proces en data

12 september

Werkplaats Twente (gemeenten/netbeheerders)

Proces en data

19 september

Werkplaats West-Overijssel (gemeenten/netbeheerders)

Concept energievisie

1 oktober

Gemeenten/netbeheerders Twente ambtelijk

Concept energievisie

3 oktober

Gemeenten/netbeheerders West-Overijssel ambtelijk

Procesupdate

4 oktober

Energyboard

Energievisie Overijssel 2050 / 74

Aanvullend op bovenstaande bijeenkomsten is het proces van de totstandkoming van de ener­ gievisie begeleid door een kernteam dat om de week overleg had over voortgang en de vervolg­ stappen. Onderdeel van dit kernteam waren: • • • • • • • • • • • •

Provincie Overijssel Tennet Gasunie Rendo Coteq Enexis Noaberkracht (gemeenten Dinkelland/Tubbergen) Gemeente Enschede Gemeente Hengelo Gemeente Ommen Gemeente Zwolle Gemeente Dalfsen

Onderwerp

Datum

Doelgroep

Concept energievisie

8 oktober

Buurprovincies

Concept energievisie

8 oktober

Ministerie EZK/KGG

Concept energievisie

11 oktober

Bestuurders RES West-Overijssel / netbeheerders

Concept energievisie

16 oktober

Bestuurders RES Twente / netbeheerders

Concept energievisie

24 oktober

Maatschappelijke organisaties

Concept energievisie

7 november

Webinar voor gemeenten/netbeheerders

Concept energievisie

20 november

Scholieren en hun ouders

Concept energievisie

27 november

Commissie Milieu en Energie

Opbrengsten consultatie

4 december

Bestuurders RES Twente

Opbrengsten consultatie

4 december

Bestuurders RES West-Overijssel

Opbrengsten consultatie

20 december

Energyboard en voorafgaand presentatie aan Bestuurders RES West-Overijssel (18 december)

Energievisie Overijssel 2050 / 75

1.3 Startprincipes Principe 1 Het huidige energiesysteem is ontworpen op een systeem waarin de energievraag voorspelbaar groeide en van energie voorzien werd vanuit een aantal centrales (elektriciteit), de gasbel bij Slochteren (gas/warmte) en door raffinage van geïmporteerde olie (brandstof). Eenvoudig op- en afregelbaar in lijn met de ontwikkelingen in de vraag en met een hoofdinfrastructuur die ener­ gie efficiënt transporteert en distribueert naar de afnemers. Deze afnemers waren qua energie­ vraag vrij voorspelbaar en de vraag ontwikkelde zich vrij stabiel over de tijd. In een paar decennia moet dit hele systeem een transitie doormaken naar een energiesysteem waarin een groot deel van de energieproductie decentraal plaatsvindt en bovendien weers- en seizoensafhankelijk is. Industrie en mobiliteit stappen (groten)deels over van gas en benzine/diesel op hernieuwbare elek­ triciteit. De voorspelbaarheid qua belasting van het systeem is veel lastiger. Deze ontwikkelingen vragen een enorme verbouwing en systeemver­ andering die op dit moment niet bij te benen is door de netbeheerders, met alle gevolgen van dien. Ondernemers kunnen niet uitbreiden, de woonopgave en de verduurzaming van diverse sectoren worden vertraagd en de beschikbaar­

heid van energie is niet langer vanzelfsprekend op ieder moment. Gezien deze ontwikkelingen is enerzijds een wens om een robuust energie­ systeem te ontwikkelen dat om kan gaan met veranderende omstandigheden, zowel inciden­ teel (storingen) en structureel (vraaguitval of nieuwe innovaties). Anderzijds willen we ook oog voor efficiëntie: een systeem dat op alles voor­ bereid is, kan ook onbetaalbaar en inefficiënt zijn omdat het met alles rekening houdt. Om die betaalbaarheid mee te nemen is het belangrijk dat kostenefficiëntie (o.a. in de energiemix) en het efficiënt benutten van beschikbare capaciteit (zowel voor transport, opslag en conversie) een grote bijdrage leveren.

Voor- en nadelen van dit principe: +

Door energievraag, -aanbod en -opslag opti­ maal aan elkaar te koppelen. Door hierbij te kiezen voor het juiste schaalniveau lossen we lokale vraagstukken lokaal op, waardoor onnodige belasting op de hoofdinfrastruc­ tuur voorkomen wordt): wijkgericht, lokaal, gebiedsgerichte oplossingen.

+

Door het energiesysteem efficiënt en slim in richten, beperken we de m ­ aatschappelijke kosten die het energiesysteem met zich meebrengt. Hiermee beperken we, voor zover mogelijk, de benodigde investeringen in het energiesysteem.

+

Een energiesysteem met een goede mix van energiedragers toegepast op de juiste schaal met mogelijkheden om zich aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen vergroot onze mogelijkheden om alle maatschappelijke opgaven te realiseren.

-

Een robuust en efficiënt systeem vraagt ook lastige keuzes over waar en in welke

Dit leidt tot het volgende principe:

Het energiesysteem van de toekomst is robuust en efficiënt. Het systeem is robuust genoeg om onvoorziene ontwikkelingen op te vangen en vergroot onze mogelijkheden om onze maatschappelijke opgaven te realiseren.

Energievisie Overijssel 2050 / 76

Principe 2: sectoren we welke schaarse energiedragers willen inzetten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan keuzes rond de inzet van waterstof die vanuit het NPE een systeemfunctie toe­ geschreven is, met uitspraken over in welke sectoren deze energiedrager wel en geen rol kan spelen. Niet alles kan meer overal. -

Ook bij de keuze in energiebronnen kunnen er spelregels komen. Bijvoorbeeld: om een efficiënt energiesysteem te bouwen en de druk op het elektriciteitsnet te verlagen kan het gewenst zijn om een collectief warm­ tenet aan te leggen. Om dit warmtenet goed te laten functioneren, is een bepaalde afname van warmte een belangrijke rand­ voorwaarde en kan het nodig zijn de inzet van andere (individuele) oplossingen zoals een warmtepomp te ontmoedigen.

De energietransitie biedt veel kansen, waar­ bij op alle vlakken ook meegeprofiteerd kan worden van de economische kansen die zij biedt. Energie die je niet gebruikt, hoef je niet te betalen en energie die je zelf opwekt kan veel goedkoper zijn en je veel onafhankelijker maken van marktprijzen. Waar bij de eerste stappen in de energietransitie de lusten en lasten nog onvoldoende eerlijk verdeeld werden, ontstaan nieuwe kansen voor inwoners en bedrijven waarbij ook (lokale) samenwerking zijn vruch­ ten afwerpt. Het benutten van lokale kansen afgestemd op het lokale energiesysteem vraagt goede afstemming met de ontwikkeling van lokale en regionale energieinfrastructuur.

zoveel mogelijk terug naar de lokale omge­ ving, waardoor vaak meer mogelijk wordt door het toenemende draagvlak. +

Betrokkenheid van lokaal bedrijfsleven in ­lokale energievoorziening stimuleert innovatie.

+

Noaberschap kan een belangrijke basis voor samenwerking zijn in energiegemeen­ schappen, om energie te besparen, samen op te wekken en samen te delen. Net als bestaande en op te richten publiek-private samenwerkingen.

+

Door lokale kansen voor duurzame energie te benutten, versterken we onze strate­ gische autonomie. Overigens kunnen die soms groter zijn door ze regionaal te delen.

+

Er liggen kansen om recreatie en energie aan elkaar te verbinden. Het energiesys­ teem van de toekomst biedt perspectief voor nieuwe verdienmodellen in de ener­ gietransitie voor (agrarisch) ondernemers en ten aanzien van landschapsbeheer. Deze nieuwe verdienmodellen kunnen doorwer­ ken in een versterking van de leefbaarheid.

Dit leidt tot het volgende principe:

Lokale kansen om van duurzame energie te profiteren worden benut. Voor- en nadelen van dit principe +

Lokaal collectief eigenaarschap van ener­ gie biedt kansen en vraagt samenwerking. Winsten vanuit duurzame energie vloeien

Energievisie Overijssel 2050 / 77

Principe 3: -

-

De afstemming van de ontwikkeling van lokale en regionale energieinfrastructuur kan leiden tot beperkt gebruik van regio­ nale infrastructuur, waarbij de wens wel blijft dat deze altijd hulp kan bieden als het incidenteel nodig is. Hoe de kosten van deze leveringszekerheid goed te socialiseren is een complex vraagstuk. Lokaal beschikbare energie is niet altijd de meest gewenste en/of “goedkoopste” ener­ giebron.

In de transitie waar we als samenleving voor staan, gebeurt al heel veel vanzelf. Sommige grote stappen brengen echter grote risico’s en investeringen met zich mee. Om deze stappen te zetten moet er voldoende comfort en zeker­ heid zijn. Denk bv. aan een grote onderneming die voor een miljoeneninvestering staat om afscheid te nemen van zijn productieproces op basis van aardgas. Hoe ontwikkelt de prijs voor waterstof en/of elektriciteit zich? Komt er voldoende infrastructuur en is die tijdig beschikbaar voor deze onderneming? Waar en in welke mate gaat kernenergie een rol spelen? En vanuit de wens voor een efficiënt energiesysteem weten we dat niet alles overal kan. Sommige sectoren, denk aan industrie en logistiek, hebben door de aard en intensiteit van hun energiegebruik een beperkt aantal mogelijkheden: hoe gaan we om met de schaar­ ste van energiebronnen? Hoe geven we hierin voldoende duidelijkheid met voldoende ruimte én perspectief voor het nemen van eigen ver­ antwoordelijkheid van alle partijen binnen de energietransitie? Het is hierbij de kunst om de keuzes op het passende schaalniveau te maken. Dit leidt tot het volgende principe:

Er worden - waar dit nodig is - duidelijke keuzes gemaakt om te zorgen dat de energietransitie voort kan en iedereen daarin mee kan en aan kan bijdragen. Voor- en nadelen bij dit principe: +

Duidelijke keuzes geven helderheid over het handelingsperspectief van inwoners en ondernemers. Door de toenemende druk op de ruimte en het energiesysteem kan niet alles meer overal. Duidelijkheid over waar wat wel kan, geeft belangrijk inzicht aan inwoners en ondernemers en richting aan de energietransitie.

+

Door de duidelijke keuzes te beperken tot vraagstukken waarvoor dit noodzakelijk is en te nemen op het relevante schaalniveau, geven we inwoners en ondernemingen, binnen die keuzes, de vrijheid om ener­ gie-initiatieven te ontplooien die goed passen bij hun situatie.

+

Overijssel heeft veel industrie verspreid over haar provincie. Met duidelijke keuzes kunnen we de aantrekkelijkheid om ook relevante

Energievisie Overijssel 2050 / 78

Principe 4: hoofdinfrastructuur te realiseren in Overijs­ sel verhogen, door een attractief perspectief te bieden aan het Rijk en de nationale netbe­ heerders en/of private partijen met een rol in het energiesysteem (denk aan flex-aanbie­ ders en huidige warmtebedrijven). -

-

-

Het bouwen aan het energiesysteem van de toekomst vraagt om een intensieve inzet vanuit alle overheden, ondernemers, maatschappelijke organisaties en inwoners. Vanwege de verschillende belangen en rol­ len is een goede rolverdeling van belang om voldoende voortgang te kunnen maken. De keuzes die nodig zijn, zijn deels afhanke­ lijk van keuzes op nationale schaal en soms pas wat later in de tijd te maken. Te vroeg de verkeerde keuzes maken kan suboptimaal en kostbaar zijn. Soms leiden keuzen, bijvoorbeeld tot clustering, ertoe dat gebieden buiten de clusters voor bepaalde sectoren minder aantrekkelijk worden. Dat kan, in het geval van industrie, effect op werkgelegenheid en leefbaarheid hebben.

In 2050 wordt Overijssel nog steeds gewaardeerd om haar rust, ruimte en recrea­ tiemogelijkheden. Tegelijkertijd staat de ruimte in de provincie steeds meer onder druk. Want alle ruimtelijke opgaven hebben de afgelopen decennia om meer ruimte gevraagd. Natuur­ versterking, beheer van landschappelijke kwaliteiten, landschapsversterking, extensive­ ring in de landbouw, versterking van water- en bodemkwaliteit en zo ook de energietransitie. Tevens is het onvermijdelijk dat het landschap - en ook het stedelijk gebied - gaat veranderen door de energietransitie. In die onvermijdelijke verandering is het belangrijk zoveel mogelijk oog te hebben voor het versterken van ruimte­ lijke kwaliteit en in te zetten op meer en meer slimme oplossingen om de ruimte multifuncti­ oneel te gebruiken. De benodigde ruimte voor het toekomstige energiesysteem wordt een mee te wegen aspect in de keuze voor het energie­ systeem van de toekomst (inclusief energiemix). Ook kan het helpen om onze blik te verbreden van een project-businesscase naar meer brede maatschappelijke welvaart. Hierbij neem je naast enkel economische afwegingen voor een initiatiefnemer, de maatschappelijke kosten en baten mee voor de hele maatschappij, waar­

bij o.a. ook aan sociale en milieu-effecten een waarde wordt toegekend. Bepaalde (economisch duurdere) investeringen in energiebronnen of energie-infrastructuur kunnen de moeite waard zijn omdat daarmee fysieke ruimte blijft bestaan voor andere sectoren/ontwikkelingen en daar­ mee alsnog "terugverdiend" kunnen worden. Dit leidt tot het principe:

De inrichting van het toekomstige energiesysteem benut de beschikbare ruimte in Overijssel optimaal: zuinig en multifunctioneel waar mogelijk. Voor- en nadelen van dit principe +

Door optimaal en multifunctioneel ruim­ tegebruik blijft er ruimte voor gewenst ontwikkelingen

+

Het waardevolle landschap in Overijssel blijft zoveel mogelijk behouden

+

Bepaalde ontwerpkeuzes voor het energiesys­ teem kunnen de behoefte aan en eventuele zichtbaarheid van, nieuwe en/of verzwaarde

Energievisie Overijssel 2050 / 79

Principe 5: energieinfrastructuur flink beperken. Ook menselijk gedrag kan hierin een rol spelen. Besparen is beter dan verzwaren. -

-

-

Inzet op multifunctioneel ruimtegebruik maakt oplossingen complexer en kan vertra­ gend werken. De ontwikkeling van energieinfrastructuur en de opwek van energie is niet overal mogelijk en kent veel randvoorwaarden. Hierdoor is het niet altijd mogelijk dit goed te combineren met andere functies. Multi­ functioneel ruimtegebruik is dan ook slechts een gedeeltelijke oplossing. Inzet op multifunctioneel ruimtegebruik beperkt (in eerste instantie) de mogelijkheid om te kiezen voor oplossingen die vanuit energetisch, financieel, draagvlak en andere aspecten een meer logische keuze zijn.

Heel Nederland is in 2050 klimaatneutraal. We gebruiken 100% duurzame energie, uit verschil­ lende energiebronnen, deels zelf opgewekt, deels geïmporteerd. We werken toe naar een robuust, slim, efficiënt en rechtvaardig ener­ giesysteem, dat vraagt veel. De vraag naar energie in Nederland zal ondanks besparing en innovatie substantieel zijn en hierbij is het ongewenst om deze volledig te voorzien met grootschalige opwek uit enkele bronnen op locatie elders. Van alle landen en regio’s wordt verwacht een bijdrage te leveren aan deze grote opgave. Dit is nog los van de wens naar een kleinere afhankelijkheid van andere landen voor onze energievoorziening. Dit vraagt om het langdurig maatschappelijk rendement mee te nemen bij keuzes over wel of niet aanboren van lokale energiebronnen. Hierdoor kan de mate van zelfvoorzienendheid (individueel en op gebiedsniveau) sterk stijgen, dit wordt uitge­ drukt als het aandeel van zelf geproduceerde energie (opwek) in de eigen energievraag. Ook Overijssel kan hiermee – naar haar mogelijkhe­ den – een bijdrage aan leveren. Dit leidt tot het volgende principe:

Overijssel draagt proportioneel bij aan een Klimaatneutraal Nederland met een duidelijke ambitie qua mate van zelfvoorzienendheid Voor- en nadelen van dit principe +

Met een substantiële bijdrage nemen we ook de verantwoordelijkheid voor de toe­ komstige generaties die hun keuze nog niet kenbaar kunnen maken.

+

Er zijn veel sectorplannen ontwikkeld voor (een stap richting) een Klimaatneutraal Nederland (denk aan RES, CES6, RAL). Door een Overijsselse ambitie te bepalen voor de mate van zelfvoorzienendheid in 2050 kan mede richting gegeven worden aan de gewenste ambitie van deze sectorplan­ nen. Deze ambitie relateren we aan onze opwekmogelijkheden en zal schuren met de andere startprincipes.

+

Overijssel is verbonden met grotere gebie­ den: het energiesysteem stopt niet bij de (lands)grens. Door die verbinding te houden en onze eigen afhankelijkheid te beperken,

Energievisie Overijssel 2050 / 80

kunnen we andere regio’s helpen en waar nodig geholpen worden. We blijven verbon­ den met landelijke infrastructuur voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat aangezien we voor onze sectoren industrie en mobili­ teit (met name) logistiek niet de verwachting hebben alle benodigde energie zelf op te kunnen/willen wekken, zonder hierbij de brede maatschappelijke welvaart in Overijs­ sel flink te verlagen. -

Overijssel blijft voor een gedeelte afhankelijk van de landelijke infrastructuur om al haar sectoren van duurzame energie te voorzien in 2050. In welke mate vraagt een politieke keuze waarbij de toekomstbeelden uit de energievisie de consequenties schetsen.

Energievisie Overijssel 2050 / 81

1.4 Samenvatting toekomstbeelden Als denkoefening voor het komen tot een energievisie voor de provincie Overijssel in 2050 zijn er vier toekomstbeelden bedacht. Welke richtingen zou het systeem zich op kunnen ontwikkelen? Hiermee hebben we getracht inzicht te krijgen in de verschillen en bijbehorende vragen die dit oproept: 1.

Energie is volgend. Energie-infrastructuur, opslag en opwek volgen in principe ander ruimtelijk beleid en ruimtelijke structuren. Energie faciliteert dit beleid.

2.

Energie is sturend. Energie-infrastructuur, opslag en opwek zijn (mede)sturend in de ruimtelijke ordening van de toekomst. Vraag en aanbod van energie wordt geclusterd en ruimtelijke ordening volgt deze clustering.

3.

Energie is innovatie.

4.

Energie is lokaal.

Hierbij wordt opgemerkt dat de eerste twee toekomstbeelden op zichzelf staande volwaar­ dige toekomstbeelden zijn. Dit geldt niet voor toekomstbeelden 3 en 4. Deze toekomstbeelden kunnen gezien worden als aanvullingen op de eerste twee toekomstbeelden.

Toekomstbeeld 1: Energie is Volgend Het energiesysteem sluit zoveel mogelijk aan bij de landschappelijke en ruimtelijke structuren. Energie is “volgend” – en daarmee faciliterend aan andere ruimtelijke opgaven. Wel kunnen er duidelijke keuzes gemaakt worden en kan er regie gepakt worden, alleen is daarin dan het ener­ giesysteem niet sturend of van doorslaggevend belang, maar zijn dit andere belangen. Dit toe­ komstbeeld lijkt het meest op de huidige situatie.

Energievraag Overijssel zet maximaal in op energiebesparing. In stedelijk gebied voorzien we een groot deel van de woningen met warmtenetten, mede om de benodigde opwek van elektriciteit met windparken en zonneparken te voorkomen. Waar dit niet mogelijk is, vervullen warmtepom­ pen deze rol. In landelijk gebied helpt isolatie, ­warmte-koude opslag (waar mogelijk) en ­elektrificatie iedereen de winter door. Bedrijventerreinen ontwikkelen zich conform de huidige ideeën waarbij kleine(re) kernen de

Energievisie Overijssel 2050 / 82

eigen bedrijventerreinen beperkt uitbreiden voor de “eigen” ambitie. Daarnaast staan er in Overijssel een aantal grote uitbreidingen gepland zoals Almelo XL (100 ha). In Overijssel maken 21 locaties deel uit van het CES6-cluster. Naast deze clusters is er ook daarbuiten industrie gevestigd, met name levensmiddelenindustrie. In 2050 is deze industrie verregaand geëlektrificeerd, waarbij relatief eenvoudig winbare geothermie of nabij opgewekt biogas wel gebruikt wordt voor de middentemperatuur warmtevraag. Ook wordt er ingezet op warmte-integratie voor industrie in de omgeving van Twence. Biogas wordt in de industrie beperkt ingezet voor hoge tempera­ tuurvraag nabij opweklocaties. Door het uitblijven van door de overheid gestuur­ de “vraagclustering” is de aftakking van de waterstofbackbone er niet gekomen en komen initiatieven die waterstof gebruiken slechts op een paar plekken lokaal van de grond. Deze waterstof wordt per vrachtwagen getranspor­ teerd naar de gebruikers. Energiecoöperaties en bedrijvenverenigingen zijn een drijvende kracht in de ontwikkeling van slimme energiehubs. Zij werken, vanuit economische en bedrijfsmati­

ge motieven, intensief met elkaar samen om “pieken” in het net te voorkomen, beschikbare energie slim te delen en energie te besparen. Het openbaar vervoer is in 2050 geheel elek­ trisch. Het is hierbij wel de verwachting dat de vraag naar OV toeneemt en er dus meer energie voor nodig zal zijn. Ook de personenmobiliteit en de logistieke sector zijn verreweg geëlektrifi­ ceerd, waarbij veel gebruik gemaakt wordt van “eigen” laadpalen en de voorzieningen bij de vele (snel)laadstations. Voor het opladen van elektrische voertuigen kunnen grote laadpleinen op strategische locaties (vanuit logistiek per­ spectief) ontwikkeld worden om de logistieke sector van energie te voorzien. Een klein deel van het zwaar transport gebruikt waterstof. In Overijssel zal een beperkt aantal waterstof­ tankstations zijn die vooral gericht zijn op het bedienen van transport langs de internationale transport corridors. Waterstof kan ook een bijdrage leveren aan het beperken van de elek­ triciteitsvraag. Qua locatiebeleid vindt er geen sturing plaats vanuit energie. Nieuwe of uitbreidingen van activiteiten die energie vragen, bepalen zelf

grotendeels waar zij zich vestigen. Tevens ­bepalen inwoners en ondernemers zelf of zij op hun terrein energie willen opwekken (zon op dak, “eigen” mestvergister, erfmolen). Zij hoeven hiermee geen rekening te houden met beschik­ baarheid van de energie infrastructuur, die volgt uiteindelijk hun behoefte. Daardoor moeten zij over het algemeen wel langer wachten op een aansluiting en/of beschikbare capaciteit van de energie-infrastructuur.

Energieaanbod In dit toekomstbeeld worden in Overijssel voor zover als mogelijk voor technieken geko­ zen die met minimale impact op de directe leefomgeving energie opwekken (zon-op dak, biogasproductie en geothermie). De grootscha­ lige elektriciteitsopwekking die wel plaatsvindt positioneren we op plekken die ruimtelijk het beste geschikt zijn. Warmtenetten zijn een belangrijke oplossing voor het verwarmen van woningen. Niet zo zeer vanuit een systeem overweging waarbij ener­ gie sturend is, het vraagt immers veel regie en vraag coördinatie, maar we vanuit de ambitie

Energievisie Overijssel 2050 / 83

om het Overijsselse landschap zo veel moge­ lijk te ontzien. De potentie voor warmtenetten verschilt daarbij per plek. In Twente springt de beschikbare warmte van Twence daarbij in het oog. Op sommige andere plekken behoort geothermie tot de mogelijkheden en ook rest­ warmte vanuit de industrie is een belangrijke bron. Naast de grootschalige en collectieve oplossingen voor de warmtevoorziening zullen er ook diverse individuele toepassingen zijn waarbij omgevingswarmte wordt benut voor (ruimte)verwarming. Voor woningen in het buitengebied en even­ tueel voor monumenten blijft ook het gebruik van biogas een optie. Dit naast het gebruik van groengas in de industrie. Ook kan groen gas een rol spelen voor flexibele elektriciteitsproductie door bestaande gas gestookte centrales hier­ voor aan te passen. Om ruimte-efficiënt toch voldoende opwek te realiseren, heeft een beperkt aantal grootscha­ lige windparken de voorkeur boven “overal een paar” en wordt grootschalige zon-op-land niet toegestaan. We sluiten voor het locatiebeleid van grootschalige windenergie hiervan zo veel

Figuur 21: FICTIEF - conceptuele schets van energiesysteem in toekomstbeeld “volgend’

Energievisie Overijssel 2050 / 84

mogelijk aan op reeds bestaande structuren (zoals snelwegen en bestaande locaties voor grootschalige zon en wind. In de afweging welke locaties we hiervoor beschikbaar stellen kijken we zeer beperkt naar de impact op het Overijs­ selse energiesysteem (qua efficiëntie).

Het energiesysteem In dit toekomstbeeld worden weinig explicie­ te keuzes gemaakt die een (positieve) impact hebben op energiestromen en het gebruik van verschillende energiedragers. Zo is er geen aftakking van de waterstof backbone omdat er onvoldoende vraag bundeling heeft plaats­ gevonden. Veel biogasopwek wordt lokaal toegepast met een buisleiding of als groen gas ingevoed in de huidige gasinfra. De benodigde energie-infrastructuur volgt in grote mate ontwikkelingen en netbeheerders behouden een faciliterende, reactieve rol. Er zijn weinig prikkels om maatschappelijk optimale keuzes te stimuleren die bijdragen aan systee­ mefficiëntie. Denk daarbij aan het lokaal en in tijd koppelen van vraag en aanbod van elektri­ citeit of het aanwijzen van warmte-intensieve

en elektriciteitsluwe gebieden. Door energiebe­ sparing, inzet op warmtenetten en geothermie beperken we de noodzaak tot verzwaring van elektriciteitsnetten enigszins, met name op de lagere netniveaus. Door het volgende karakter van energie-infra­ structuur, zal de ontwikkeling van infrastructuur en benodigde capaciteit hierop altijd in grote mate vertraagd zijn waardoor partijen lang moeten wachten op capaciteit en aansluitingen. Door de keuzevrijheid voor nieuwe activiteiten is er op een groot aantal plekken uitbreiding van bestaande / nieuwe energie-infrastructuur nodig. Dit toekomst­ beeld leidt dus naar alle waarschijnlijkheid tot een grotere uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk dan het toekomstbeeld Energie is Sturend.

dagen. Die dagen gebruiken we – waar moge­ lijk - onze verbindingen met de (inter)nationale elektriciteitsmarkt. Dit vraagt wel flinke uitbrei­ dingen van het HS/MS net. Door meer infrastructuur en meer opslag­ behoefte, is het aannemelijk dat de totale energiekosten zullen stijgen. Hoe zou het energiesysteem er dan uit kunnen zien?

Het is aannemelijk dat meer behoefte aan flexibiliteitstoepassingen (opslag) is om pieken die niet door de infrastructuur kunnen wor­ den opgevangen alsnog te kunnen opvangen. Deze flexibiliteitstoepassingen zullen ook een extra ruimtevraag met zich meebrengen. Op de hogere netten valt op dat er geen oplossing is gevonden voor de grote warmtevraag in de win­ ter en de hoge opwekpiek op zomerse zonnige

Energievisie Overijssel 2050 / 85

Toekomstbeeld 2: Energie is Sturend In dit toekomstbeeld bepaalt de impact op het energiesysteem waar nieuwe of uitbreidingen van activiteiten die energie vragen, zich kunnen vestigen. Soms direct via omgevingsbeleid, soms door structurerende keuzes, bijvoorbeeld door een regionale aftakking van de waterstofbackbone naar een specifieke locatie te faciliteren. Inwoners en ondernemers bepalen in Overijssel zelf of zij op hun terrein energie willen opwekken (zon op dak, “eigen” mestvergister, erfmolen). Echter zullen zij er rekening mee moeten houden dat de energi­ einfrastructuur niet alles overal faciliteert en zich concentreert op een aantal locaties in Overijssel. Er is het besef dat we zonder bepaalde keuzes over ons toekomstige energiesysteem we het bepaalde sectoren niet makkelijk maken om voortgang te maken in de energietransitie. Op provinciale schaal is de puzzel opgelost om vanuit een brede maatschappelijke afweging, de “juiste” energievoorkeursmix te bepalen. Ook is er door slimme keuzes in de oplossingen en energetisch doordacht locatiebeleid gezorgd dat we de uitbreidingen aan het energiesysteem beperkt hebben weten te houden, mede door vraag en aanbod te clusteren rond bepaalde energie-intensieve gebieden.

Energievraag In stedelijk gebied voorzien we een groot deel van de woningen met collectieve warmtenetten, waardoor er veel minder individuele warm­ tepompen zijn in stedelijk gebied. In landelijk gebied helpt maximale isolatie, warmte-koude opslag (waar mogelijk) en elektrificatie van de warmtevraag iedereen de winter door. Daar waar alternatieven zijn voor elektriciteit, via geothermie, restwarmte, waterstof of nabij opge­ wekt biogas, wordt een afweging gemaakt welke mix de voorkeur heeft voor de industrie. Een goed voorbeeld hiervan is het cluster rondom Twence waar, op dit moment, nog veel warmte beschik­ baar is. Ook in dit toekomstbeeld blijft elektrificatie echter een dominante oplossingsrichting voor de verduurzaming van de industrie, echter de uitbreiding van het elektriciteitsnet voor energie-in­ tensieve bedrijvigheid wordt beperkt tot een aantal specifiek daarvoor aangewezen locaties. Dit betekent niet dat in de overige gebieden geen uitbreiding van het elektriciteitsnet aan de orde is, echter hier is geen plek voor grote energievragers.

Vanwege de realisatie van clusters met energie intensieve bedrijvigheid is er ook ingezet op realisatie van aftakkingen van de waterstof­ backbone. Hierdoor is waterstof grootschalig aanwezig voor bepaalde sectoren (met name industrie en de logistiek). Het OV is geheel elektrisch. De personenmobi­ liteit en een groot deel van de logistieke sector zijn verreweg geëlektrificeerd. Een aantal nieuwe logistieke ontwikkelingen op basis van waterstof hebben zich geconcentreerd rond de clusters die voorzien zijn van waterstof. Daarbij draagt een grotere beschikbaarheid van waterstof ook bij tot een verdere uitbreiding van het netwerk van vulpunten voor mobiliteit. Hierdoor is een groot deel van het zware transport (en soms ook het lichter transport) en de binnenvaart overgestapt naar waterstof als energiedrager. Tegelijkertijd is hierdoor de vraag naar (snel) laden voor vrachtverkeer verlaagd ten opzichte van het “Energie is Volgend” toekomstbeeld. Ondanks deze verlaging bestaat er nog steeds een uitgebreid infrastructuur netwerk met (veel­ al (semi-)publieke) laadpleinen/palen en veel (snel)laadstations.

Energievisie Overijssel 2050 / 86

Energieaanbod In Overijssel worden vooral technieken gekozen die bijdragen aan een efficiënt energiesysteem. Lokale warmtebronnen (WKO, geothermie, bio­ gas, restwarmte) worden benut, ook als zij iets duurder zijn, om hiermee grote verzwaring van het elektriciteitsnet te voorkomen en het energie­ systeem efficiënt te maken. Dit betekent onder meer een benutting van de warmte die Twence kan leveren. Daarnaast is er intensief onderzoek gedaan daar de rol van geothermie. Daar waar dit beschikbaar is kunnen bedrijven met een grote en constante warmtevraag zich vestigen. In aanvulling op de bestaande locaties voor wind wordt er verder onderzocht waar groot­ schalige windparken mogelijk zijn en waar deze energetisch het beste aangesloten kunnen worden in relatie tot de energievraag in de ener­ gieclusters. De potentie voor windenergie is in Twente significant kleiner dan de potentie voor wind in West-Overijssel. Dit bemoeilijkt de clustering van vraag en aanbod voor de energieclusters in

Twente. Voor een optimale clustering van vraag en aanbod betekent dit dat de windpotentie in Twente optimaal benut moet worden. Er wordt actief gezocht naar kansen voor grootschalige opwek nabij industrie met een grote elektrici­ teitsbehoefte. Ook wordt er, net zoals in het “Energie is Lokaal” toekomstbeeld, gekeken of het lokaal omzetten van beschikbare elektriciteit van zon en wind op moment dat het aanbod hoger is dan de vraag, naar waterstof zinvol is. Dit heeft op een aantal locaties met een vraag naar waterstof (vanwege beperkte alternatieven) die een te grote afstand tot de regionale aftakking van de waterstofback­ bone hebben, geleid tot elektrolysers. Ook groen gas speelt in dit toekomstbeeld een rol waarbij er voor gekozen wordt om een groter aantal grootschalige mestvergisters te realiseren die indien mogelijk ook in de directe omgeving van de energieclusters worden gere­ aliseerd omdat hiermee een deel van de vraag naar hoge temperatuur warmte kan worden ingevuld. Daarnaast wordt er in dit toekomst­ beeld ook maximaal ingezet op de realisatie van kleinschalige mestvergisters.

Energieinfrastructuur In dit toekomstbeeld wordt er sterk gestuurd op een energie-efficiënt systeem. Daarin worden vraag en aanbod van energie in de tijd en per energiedrager beter op elkaar afgestemd, wordt vraag zo veel als mogelijk gebundeld, waardoor transport van energie op alle netniveaus en mid­ dels alle infrastructuren zoveel mogelijk wordt beperkt. De noodzaak tot verzwaring van de HS/MS stations is dan ook beperkter dan in het toekomstbeeld Energie is volgend. Dit geldt met name voor die gebieden waar andere alternatie­ ven zijn ontsloten. Daar waar deze alternatieven niet ontsloten zijn en we inzetten op elektrifi­ catie is er nog altijd sprake van verregaande elektrificatie en daarmee verzwaring nodig. Op energie-intensieve bedrijventerreinen zijn Smart Energy Hubs (gemeengoed en randvoorwaardelijk) geworden, waarbij bij vrijkomende percelen een “passend energiepro­ fiel” meeweegt bij de uitgave van grond op deze bedrijventerreinen. Waar mogelijk is synergie gevonden met omliggende woonwijken, bijvoor­ beeld met restwarmte en koelbehoefte. Door de regionale aftakking van de waterstofinfra­

Energievisie Overijssel 2050 / 87

structuuris er meer keuzevrijheid voor nieuwe activiteiten met een specifieke energiebehoefte. Ook is er een aantal lokale waterstofnetten ont­ staan gevoed door lokale elektrolysers. Er zijn duidelijke keuzes gemaakt over waar gasnetten blijven liggen en waar deze komen te verdwijnen/niet meer worden gebruikt. Daar waar potentie voor groen gas groot is, zijn gas­ netten gekoppeld en/of gasboosters geplaatst. De hoeveelheid warmtenetten is toegenomen door actieve sturing op de realisatie hiervan, met name in de meer stedelijke gebieden. Er is op een aantal plekken ruimte gereserveerd voor initiatieven die flexibiliteit kunnen bieden (o.a. batterijsystemen). Mede door strategische locatiekeuze van elektrolysers, de koppeling van vraag en aanbod en vraagsturing is de hoeveelheid flexibiliteit aan de vraagzijde in het net verhoogd en is de hoeveelheid (systeem) batterijen beperkt gebleven. Ook zijn er voor flexibiliteit en opslag lokale oplossingen gecreëerd op het juiste schaal­ niveau (buurtbatterij, collectieve warmteopslag)

Figuur 22: FICTIEF - conceptuele schets van energiesysteem in toekomstbeeld “sturend’

Energievisie Overijssel 2050 / 88

Toekomstbeeld 3: Energie is innovatie die met name op de lagere netten de netver­ zwaring beperkt houden en de noodzaak tot individuele opslag beperken. Op de hogere netten valt op dat door de inzet van waterstof en de grootschaliger inzet van warmtenetten en collectieve flex-oplossingen, de grote warm­ tevraag in de winter en de hoge opwekpiek op zomerse zonnige dagen beter te verwerken zijn. Onze verbindingen met de (inter)nationale elek­ triciteitsmarkt zijn nog steeds van belang maar worden minder intensief gebruikt. Al met al is de behoefte aan opslag en flexibele oplossingen in dit toekomstbeeld minder dan bij energie is volgend. Hoe zou het Overijsselse energiesysteem er dan uit kunnen zien?

In het toekomstbeeld Energie is innovatie ver­ wachten we met innovatieve technieken een sterke bijdrage te leveren aan het reduceren van energietransport. Als gevolg hiervan hebben we met behulp van innovaties de (ruimtelijke) impact die verwacht werd voor het energiesys­ teem van de toekomst weten te beperken.

Energievraag Technologische ontwikkelingen hebben ver­ zorgd dat het energiesysteem van de toekomst verregaand geautomatiseerd is. Een aantal dienstverleners hebben de positie verworven om huishoudens betrouwbaar en betaalbaar van energie te voorzien op basis van een gewenst servicepakket. Dit servicepakket wordt gekozen per woning op basis van de wensen van de bewoners en rekening houdend met lokale situatie, zoals bijvoorbeeld de aan- of afwe­ zigheid van lokale energieopslag en/of opwek. Op deze manier worden vraag en aanbod van energie continu op elkaar afgestemd. Elektrificatie is nog steeds een dominante oplos­ singsrichting voor de verduurzaming van de industrie, waarbij bedrijven strategische afwe­

gingen maken over hoe afhankelijk zij willen zijn van hun elektriciteitsleverantie. Daarnaast wordt mogelijk gewerkt met een gedeelde backupfaciliteit met eigen elektriciteitsop­ wekking vanuit waterstof uit een gezamenlijk georganiseerde waterstofopslag. Deze opslag wordt gevoed vanuit lokale opwek of vanuit een regionale aftakking van de waterstofbackbone. Ook andere innovatieve manieren van opslag van energie worden hiervoor ingezet. Het OV is geheel elektrisch. Zelfrijdende deelau­ to’s verzorgen een groot deel van het lokale (na) transport. De personenmobiliteit en een deel van de logistieke sector zijn geëlektrificeerd. Er is een uitgebreide infrastructuur met (semi-) publieke) laadpleinen/palen en veel (snel)laad­ stations. Hierbij is het benutten van stilstaande elektrische auto’s voor lokale stabiliteit in het netwerk gewoon geworden. Doordat waterstof in een groter gebied beschikbaar is vanuit de regionale aftakking, is een groter deel van het zware transport en soms ook lichtere transport, overgestapt op waterstof, waardoor ook het aantal vulpunten flink is toegenomen en provin­ ciaal dekkend is. Dit heeft de vraag naar (snel) laden voor vrachtverkeer flink verlaagd.

Energievisie Overijssel 2050 / 89

Innovatie gaat echter niet alleen om technische oplossingen maar ook om het beïnvloeden van gedrag van mensen. Dit gaat niet vanzelf en vraagt om verregaande sturing. Voorbeelden hiervan zijn het op bepaalde momenten aan of uitschakelen van laadsystemen van elektrische auto’s, het uitschakelen van zonnepanelen, het verhogen van de wegenbelasting, strikter hand­ haven op het nemen van besparingsmaatregelen en terugdringen van de omvang van nieuwbouw­ woningen. Maar sturing op gedrag kan ook op een positieve manier, bv. door flinke investe­ ringen in deelmobiliteit waarmee het autobezit wordt vervangen door gezamenlijk autogebruik. Ook het aanpassen van productieprocessen aan de capaciteit van het energiesysteem (in plaats van andersom) door bijvoorbeeld in de winter bepaalde processen niet uit te voeren is een voorbeeld van het veranderen van gedrag.

Energieaanbod De provincie heeft ingezet op de realisatie van een of meerdere kleine kerncentrales. Deze kerncentrales worden ingezet waar bedrijven zijn met een constante hoge energievraag. Hier­ bij wordt wel opgemerkt dat het onderzoek naar

deze SMR’s nog veel tijd in beslag zal nemen. Het is dan ook onzeker op welke termijn deze reactoren gerealiseerd kunnen worden.

bruggen van de piekvragen in de winter voor de gebouwde omgeving en industrie.

Energieinfrastructuur Naast de komst van SMR’s is ook het grotere aandeel van zonne-energie verrassend. Deze is het gevolg van een doorbraak in innovatieve toepassingen (op gevels, verticaal in combina­ tie met landbouw) en de mogelijkheid om toch een vlak profiel te verzorgen met innovatieve aansturing en de nieuwe opslagtechnieken. Dit heeft ervoor gezorgd dat we elektriciteit in overvloed hebben en de luxe hebben om deze gedeeltelijk om te zetten naar groene waterstof. Deze innovatie in de opwek van elektriciteit brengt ook een beperktere ruimtevraag met zich mee dan de traditionele opwek van her­ nieuwbare elektriciteit. Naast de mogelijke aanleg van een aftakking op de waterstofbackbone, wordt er in dit toekomst­ beeld ook ingezet op het lokaal omzetten van de grote hoeveelheden (met name) energie uit zon naar waterstof. De energie die door middel van deze (relatief kleine) elektrolysers wordt vastge­ legd kan op diverse manieren worden ingezet. Dit kan voor mobiliteit, maar ook voor het over­

In dit toekomstbeeld gaan we uit van verre­ gaande (technologische) ontwikkeling, waarvan de implicaties voor het energiesysteem op dit moment nog niet exact duidelijk zijn. In alge­ mene zin gaan we ervanuit dat deze innovaties helpend zijn in het vermijden of verminderen van grootschalige netverzwaringen van het elektriciteitsnet. De koppeling van (weersafhankelijke) duurzame opwek en afname op alle schaalniveaus zorgt voor afname van de behoefte aan transport van elektriciteit. Op energie-intensieve bedrij­ venterreinen zijn Smart Energy Hubs rand voorwaardelijk geworden voor het vestiging of uitbreiding bedrijven geworden. SMR’s bij grote afnemers zullen er bijvoorbeeld voor zorgen dat er minder behoefte is aan transport van elektri­ citeit tussen landelijke en regionale netten. Ook is er een regionaal waterstofnet ontstaan gevoed door lokale elektrolysers en/of de backbone, afhankelijk van wat er nodig is, met een onder­

Energievisie Overijssel 2050 / 90

Toekomstbeeld 4: Energie is Lokaal grondse opslag. Deze heeft enerzijds de rol om de extra warmtevraag in de winter te vervullen en anderzijds een functie als alternatief voor inzet van elektriciteit (backup voor industrie). Voor flexibiliteit en opslag zijn dienstverleners die, aanvullend op lokale oplossingen, op het juiste schaalniveau (buurtbatterij, collectieve warmteopslag, elektrolyser) met name op de lagere en regionale netten de netverzwaring beperkt houden. Op de hogere netten valt op dat de inzet en opslag van waterstof, de grote warmtevraag in de winter en de hoge opwekpiek op zomerse zonnige dagen beter te verwerken zijn. Al met al voorkomt innovatie niet dat de energieinfrastructuur op specifieke locaties toch verzwaard zal moeten worden. Zo zullen de laagspanningsnetten alsnog verzwaard moeten worden, aangezien er op het lokale net meer uitwisseling van elektriciteit plaats zal vinden.

In dit toekomstbeeld bestaat het energiesys­ teem uit vele lokale energiegemeenschappen (kleine hubs), die lokaal vraag naar en aanbod van energie verbinden en in balans houden. Deze hubs zijn zoveel mogelijk zelfvoorzienende gemeenschappen (voor energie), zullen soms zelf off-grid kunnen functioneren en kunnen verschillende afmetingen kennen. Denk bijvoor­ beeld aan het opwekken van warmte op een sportveld, dat gedeeld kan worden met een nabije school en zwembad. Bedrijven, bewoners en (sport)verenigingen delen zelf energie, wek­ ken het op en slaan het op. Energie wordt ook geleverd vanuit collectieve voorzieningen, zoals kleine, lokale warmtenetten. Energie is het nieu­ we weefsel in de samenleving: samen energie delen en opwekken brengt verbondenheid en versterkte sociale cohesie. De gemeenschappen vragen wel veel organisatiekracht en aandacht voor brede participatie van iedereen in de gemeenschap.

Energievraag Doordat er lokaal veel bewustzijn ontstaat over energieverbruik, is de stimulans om energie te besparen in dit toekomstbeeld erg sterk. Er zijn

veel energieleverende huizen. De energiege­ meenschappen hebben met netbeheerders een afspraak gemaakt over een maximale transport­ behoefte lager ligt dan de gangbare gemiddelde transportbehoefte in de andere toekomstbeel­ den. Grote energievragers vanuit de industrie kijken welke rol zij lokaal kunnen spelen (bijvoorbeeld in het delen van restwarmte). Smart Energy Hubs vormen de basis voor de energievoor­ ziening op bedrijventerreinen waarbij ook de (directe) omgeving van bedrijventerreinen in beschouwing wordt genomen bij het optimali­ seren van het lokale energiesysteem. Indien er geen kansen voor koppeling van lokale opwek en afname aanwezig zijn of indien ondernemers deze kansen niet willen gebruiken dienen zij zelf hun aansluiting op de energieinfrastructuur betalen. Voor mobiliteit geldt - net als bij de overige toekomstbeelden dat de mobiliteit verregaand is geëlektrificeerd. Hierbij wordt ook voor laad­ infrastructuur zoveel mogelijk de koppeling gezocht met lokale opwek en worden er maat­ regelen genomen om vraag en aanbod op elkaar

Energievisie Overijssel 2050 / 91

af te stemmen, bijvoorbeeld door het beïnvloe­ den van het laadgedrag.

Overijssel zorgt het bieden van lokale kansen dat waarschijnlijk niet het meest efficiënte sys­ teem wordt ingericht.

Energieaanbod Om lokale energiegemeenschappen meer mogelijkheden te geven om zichzelf van voldoende energie te voorzien, is er in het omgevingsbeleid ruimte voor solitaire windmo­ lens en zonneparken van diverse omvang en zijn er mogelijkheden voor kleinschalige energie-­ opslag. Lokale energiegemeenschappen rond bedrij­ venterreinen en rond de uitvalswegen bij grote steden kunnen ook kiezen voor meer groot­ schalige opwek. De ontwikkeling van nieuwe grootschalig wind- en zonne-energie is meest­ al in beheer van lokale energie­coöperaties. Winsten vloeien lokaal terug om energie­ gemeenschappen sterker te maken. Dit toekomstbeeld leidt tot een grote verspreiding in het landschap van kleinere energievragers en energiebronnen. Er is lokaal een actieve sturing op goede balans tussen wind, zon en opslag. Op de schaal van

In dit toekomstbeeld wordt ook vol ingezet op de productie van biogas vanuit mestvergisting op lokaal niveau en waar mogelijk directe toe­ passing hiervan op lokale schaal

Energieinfrastructuur

en kleinschalige batterijen op huisniveau) die pieken in de capaciteitsvraag beperken. Het energienetwerk blijft wel belangrijk en zal in plaatsen alsnog moeten worden verzwaard, daar waar zelfvoorzienendheid niet gerealiseerd kan worden. Naast de beprijzing van energie, zal er ook een beprijzing zijn die afhankelijk is van de grote van de netaansluiting. Dit zal eraan bijdragen dat het lokaal afstemmen en benutten van energie ook financieel aantrekkelijk wordt.

In dit toekomstbeeld vindt er intensieve afstem­ ming plaats op lokaal niveau tussen vraag- en aanbod van energie in de tijd en plaats door de inzet van energiegemeenschappen. Hierdoor verlaagd de behoefte aan energietransporten op lokaal niveau wat een doorwerking heeft op hoge niveaus. Door de afname van transport­ behoefte en dus capaciteitsbehoefte, neemt ook de behoefte aan energie-infrastructuur af en kunnen uitbreidingen en verzwaringen van elektriciteits- en gasnetten gedeeltelijk worden voorkomen. Om dit te realiseren vraagt het wel een grote inzet van lokaal gerealiseerde opslag (o.a. door middel van een buurtbatterij, warmteopslag

Energievisie Overijssel 2050 / 92

Colofon De Energievisie Overijssel 2050 is opgesteld door de provincie Overijssel en ter besluitvorming voorgelegd aan de Provinciale Staten in februari 2025. Meer informatie is op te vragen bij Coen Hanschke (cb.hanschke@overijssel.nl) en Mart oude Egbrink (m.oudeegbrink@overijssel.nl) en te vinden op nieuweenergieoverijssel.nl/energievisie.

Energievisie Overijssel 2050 / 93

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=9680adba-a1ef-43eb-b73f-ff5dbd0211ff