CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Energievisie Overijssel 2050

Raad Besluitvormingsronde 6 oktober 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Ontwikkelingen grootschalige energieopwek en -infra in Zwolle25.550 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Energievisie Overijssel 2050 Schoon, robuust, betaalbaar

Voorwoord Samen met nieuwe energie naar 2050 In Overijssel gaan we overstappen van f­ ossiele naar nieuwe, duurzame energiebronnen. Deze overgang vraagt ontzettend veel van ons energie­s ysteem en we herkennen allemaal de huidige groeipijn.

netbeheerders plannen voor maken en de juiste voorwaarden creëren. En als biogas een grote rol krijgt, moeten we nu nadenken over hoe en waar we dat willen produceren en voor welke doeleinden.

Tegelijkertijd moet deze overgang snel verlopen en betaalbaar blijven. De huidige maatschap­ pelijke opgaven in Overijssel zijn groot en vragen erom. Denk aan nieuwe woningen, schone industrie en mobiliteit. En het aardgasvrij maken van 100.000’en bestaande woningen.

Ik wens ons allen het enthousiasme en de ­creativiteit toe van onze jeugdige inwoners. Vele leerlingen hebben met een prijsvraag ­enthousiast gewerkt aan oplossingen om Overijssel de winter door te helpen. Voor die generatie moeten we nu de juiste keuzes maken, en dat is precies wat we met deze visie beogen.

Om deze overgang goed te laten lopen, ­moeten verschillende partijen dezelfde richting op werken. Want als we in willen zetten op warmte­ netten, moeten we daar nu met gemeenten en

Met een stip op de horizon is het gemakkelijker werken aan deze opgave, die soms te groot lijkt. Daarom hebben we als provincie Overijssel

deze visie opgesteld, samen met de Overijsselse gemeenten, netbeheerders en maatschappelijke organisaties. Zij hebben in vele bijeenkom­ sten hun kennis en kunde gedeeld. Daar is de ­energievisie beter van geworden en breed gedragen. Dank daarvoor! Dat brede draagvlak is ongelofelijk belangrijk. Want de energietransitie gaat ons allemaal raken. Daarom is het belangrijk om er samen de schouders onder te zetten. Deze visie is een ­eerste stap. Wij kijken er naar uit om de komen­ de jaren gezamenlijk te werken aan alle acties die hieruit voortvloeien. Doet u mee? Tijs de Bree en Gert-Harm ten Bolsscher Gedeputeerde Staten Overijssel

Energievisie Overijssel 2050 / 2

Inhoudsopgave Voorwoord

2

Samenvatting

4

1. Aanleiding en context

24

3.1 Hoofdkeuze 1: Met welke energiemix vullen we in 2050

10

1.1 Aanleiding – een nieuw energiesysteem voor Overijssel

3. Keuzes rond de energie-­ ­huishouding voor 2050

de Overijsselse energievraag in?

25

3.2 Hoofdkeuze 2: 11

Welk aandeel van onze energievraag wekken

1.2 Een Overijsselse energievisie

12

we zelf op in Overijssel in 2050?

1.3 Relatie met landelijke en Overijsselse kaders

13

1.4 Leeswijzer

16

31

3.3 Hoofdkeuze 3: Keuzes over inrichting energiesysteem

39

5. Hoe bereiken we ons toekomst­beeld?

57

5.1 Biogas

58

5.2 Elektriciteit

60

5.3 Warmte

62

5.4 Waterstof

64

5.5 Energiebesparing

66

5.6 Vervolgstappen & monitoring

67

5.7 Provinciale rol in de uitvoering

68

5.8 PMIEK projecten voortkomend uit

2. Een gezamenlijke energievisie

17

4. Gewenst toekomstbeeld

45

2.1 De energievisie in een aantal stappen

19

4.1 Overijssel in 2050

46

4.2 Impact gebouwde omgeving

50

19

4.3 Impact industrie, land- en tuinbouw

52

2.3 Startprincipes

21

4.4 Impact mobiliteit

54

2.4 Toekomstbeelden

22

4.5 Vier Overijsselse deelnetten

56

2.2 Verwachte autonome ontwikkeling in de Overijsselse energievraag

2.5 Van toekomstbeelden naar een energievisie: de hoofdkeuzes in Overijssel

de energievisie

69

Bijlage 1

70

1.1 Landelijke kaders voor de energievisie

71

1.2 Werksessies en bijeenkomsten energievisie

73

1.3 Startprincipes

76

1.4 Samenvatting toekomstbeelden

82

23

Bijlage 2

Verantwoording data en bronnen

nieuweenergieoverijssel.nl/energievisie

Energievisie Overijssel 2050 / 3

Samenvatting Overijssel zit midden in de energietransitie. In de Klimaatwet is vastgelegd dat we in 2030 55% minder CO2 uitstoten en per 2050 volle­ dig klimaatneutraal zijn. We stappen in hoog tempo van fossiele brandstoffen af en ver­ vangen veel daarvan door elektriciteit. Steeds meer opwek van elektriciteit vindt decentraal plaats met windturbines en zonnepanelen. En op allerlei plekken wordt steeds meer ­elektriciteit gevraagd doordat verwarming, transport en productieprocessen worden ­geëlektrificeerd. Het energiesysteem kan deze ontwikkelingen nauwelijks bijbenen. Het meest actuele symp­ toom van deze veranderingen in het systeem is netcongestie en heeft grote gevolgen. Bedrijven kunnen geen aansluiting meer krijgen, de opwek van energie kan niet meer worden aange­ sloten en taxibedrijven krijgen hun wagenpark niet opgeladen. Dit kan voor pijnlijke situaties

­zorgen. Ondernemers lopen vast. Zaken van groot maatschappelijk belang moeten soms wachten. En tegelijkertijd moet de verduur­ zaming wel doorgaan. Nieuwe wijken moeten kunnen worden aangesloten. O ­ verijsselse bedrijven moeten kunnen groeien om toekomst­ perspectief te houden. Daarmee staan we voor een dilemma. Gaan we door op de huidige manier? Door in een situatie waarbij nieuwe ontwikkelingen zich vestigen op plekken waar dat vanuit energie niet handig is? Door met een situatie waarin ondernemers nog vele jaren moeten wachten op een netaan­ sluiting? Of zijn we bereid te sturen? Sturen op een toekomstbestendig systeem waarin we onze maatschappelijke opgaven aankunnen. In Overijssel kiezen we voor dat laatste. Waarbij we weten dat frequente bijstelling van de energie­ visie nodig is vanwege de grote onzekerheden rondom toekomstige ontwikkelingen.

Onze keuzes

Het energiesysteem gaat in essentie om de com­ binatie van vraag, aanbod en transport / opslag van energie. Om ons toekomstbeeld te kunnen schetsen geven we antwoord op drie vragen:

1

Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in?

2

Welk aandeel van de Overijsselse energievraag willen we in 2050 zelf opwekken en met welke mix van ­technieken?

3

Welke keuzes maken we rond het ­ontwerp van het energiesysteem?

In Overijssel streven we naar een gebalanceer­ de energiemix, waarbij we onze vraag vanuit verschillende energiedragers willen invullen. Warmte, waterstof en biogas1 gaan een belang­ rijke rol spelen om de grote toename in de elektriciteitsvraag te beperken. Hiermee zetten

1

In deze visie gebruiken we biogas als overkoepelende term voor zowel biogas als groen gas (opgewerkt tot aardgas­ kwaliteit), tenzij specifiek aangegeven.

Energievisie Overijssel 2050 / 4

we in op een robuust systeem, voorkomen we een te grote druk op de beschikbare ruimte in Overijssel en bieden we kansen voor onze ­inwoners en ondernemers. Elektriciteit Elektriciteit

De vervolgvraag is welk aandeel van onze energie­vraag we zelf opwekken. Dat begint met Warmte energiebesparing. In lijn met het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) willen we daar maximaal op inzetten. We zetten in op energiebesparing om de Gas energievraag voor Overijssel in 2050 te beperken. Realisatie daarvan vraagt wel extra inzet.

89PJ

Elektrificatie

89PJ -30PJ

Warmte

-30PJ

-9PJ

Gas

58PJ -9PJ

Biogas

Na besparing blijft er een vraag naar biogas, warmte, waterstof en elektriciteit over. Voor bio­ gas en warmte voorzienH₂ we inWaterstof 2050 zelf in onze behoefte. De beschikbaarheid van waterstof bouwen we lokaal op, waarbijBrandstoffen we uiteindelijk toewerken naar een situatie waarbij we het grootste deel importeren. Voor elektriciteit streven we naar zelfvoor­ zienendheid. Niet voor ieder gebied en voor ieder moment, maar voor Overijssel als geheel en over het hele jaar beschouwd. We beperken de aanvullend benodigde opwek van hernieuw­ bare elektriciteit in Overijssel door in te zetten

Biogas

H₂

Elektrificatie

Waterstof

Brandstoffen

Huidig

Huidig

Figuur 1: Ontwikkeling energiegebruik

Energievisie Overijssel 2050 / 5

5

op energiebesparing en andere energiedragers dan elektriciteit. Rond 2030 zijn we met onze huidige ambities ongeveer op de helft. Om zelfvoorzienend te zijn streven we in 2050 naar een opwek van 34 petajoule (PJ) aan elektriciteit. Welke technieken - denk aan zon op dak, Small Modulair Reactors (SMR’s) en windenergie -hier na 2030 een rol in gaan spelen, bepalen we over vier jaar, bij de volgende herijking van de energie­visie. Belangrijkste reden hiervoor is dat we op dit moment onvoldoende inzicht hebben in de mogelijke potentie van SMR’s in Overijssel. Figuur 1 geeft inzicht in deze eerste twee hoofd­ keuzes. De figuur laat zien dat we overstappen van een fossiel gedreven energievoorziening naar een CO2-neutrale energievoorziening. Door de efficiency van ­elektrische auto’s en warmte­ pompen, g ­ ecombineerd met energiebesparing, daalt onze energievraag in grote mate. Met de inzet op een gebalanceerde energiemix komen we uit op een vraag naar 58 PJ energie. Hier­ mee beperken we de toename in de vraag naar elektriciteit en bouwen we aan een robuust systeem.

De derde hoofdkeuze gaat over de inrichting van het energiesysteem. Daarbij zetten we in op clustering waar dat nodig is. Dat wil onder meer zeggen dat we vraag en aanbod naar waterstof bij elkaar brengen, om het kip-ei probleem te doorbreken. En clustering van de opwek van elektriciteit om de ruimtelijke k ­ waliteit in O ­ verijssel te bewaken. Tot slot z­ oeken we de balans tussen decentrale en centrale ­oplossingen. Vraagstukken als lokale opwek van zon op dak en het opladen van elektrische auto’s kunnen meestal beter decentraal opge­ lost worden dan met grote uitbreidingen van het centrale elektriciteitsnet. Voor andere vraag­ stukken – denk aan grootschalige opwek of het plaatsen van een SMR – maken we gebruik van het centrale net.

Energievisie Overijssel 2050 / 6

Ons toekomstbeeld

Wat betekenen deze keuzes voor het Overijssel van 2050? Hieronder geven we een impressie van het toekomstige energiesysteem. Dit dient vooral ter inspiratie en niet als toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen. Het aantal woningen, de economische ­activiteiten en de mobiliteit stijgen tot 2050 naar verwachting met 10% tot 20%. Ondanks dat is de energievraag in 2050 gedaald met ruim 30%. Vanuit de wens om een robuust en efficiënt energiesysteem te ontwikkelen en daarbij lokale kansen te benutten, streven we er naar om in Overijssel één op de vier huishoudens te voorzien van warmte vanuit een collectief warmtenet, met name in stedelijk gebied. Daarnaast wordt circa een derde van de pro­ ceswarmtevraag uit de industrie ingevuld met warmte. Door deze keuze is de belasting van de elektriciteitsnetten, met name in de winter, beperkter. Dit is kostenefficiënter, waarmee we ook bij­dragen aan de betaalbaarheid van de toekomstige energiehuishouding. We benutten de potentie voor biogas maximaal om onze eigen restvraag aan duurzaam gas

in te vullen. Daarbij gebruiken we dit biogas idealiter voor toepassingen waar geen ander (klimaatneutraal en betaalbaar) alternatief voor beschikbaar is: hoge temperatuur warmte voor de industrie. Waar nodig wordt biogas ook ingezet voor de warmtevraag van (historische panden in) oude binnensteden. Een beperkt deel wordt ingezet voor de piekvraag van hybri­ de warmtepompen in de gebouwde omgeving. Voor de warmtevraag in het landelijk gebied zet­ ten we in eerste instantie in op elektriciteit. We kijken bij de uitwerking van de energievisie of dit ook past bij de huidige en geplande uitbreidin­ gen van het elektriciteitsnet. Daarnaast wordt de mogelijkheid van kleinschalige warmtenetten voor kleine kernen onderzocht. Om Overijssel qua vestigingsklimaat aantrekke­ lijk te houden en ondernemers met een hoge energievraag een alternatief te bieden voor elektriciteit, is er een drietal regionale aftakkingen voorzien vanaf het landelijke waterstofnetwerk (de waterstofbackbone). Hiermee blijven de verzwaringen aan het elektriciteitsnet beperkt en wordt het Overijsselse energiesysteem bovendien robuuster. Door waar mogelijk gebruik te maken

Energievisie Overijssel 2050 / 7

van de huidige bestaande gashoofdinfrastructuur en het voorkomen van grote aanvullende vraag naar elektriciteit blijft hiermee ook de ruimtelijke impact op de leefomgeving beperkt. Met zon op dak en innovatie verhogen we de beoogde eigen opwek van elektriciteit substan­ tieel richting 2050. We onderzoeken de rol die Small Modular Reactors (SMR’s) hierin kunnen spelen. We willen een proportionele bijdrage aan een klimaatneutraal Nederland leveren. Als pro­ vincie met een relatief kleine elektriciteitsvraag en veel ruimte proberen we daarom onze eigen elektriciteitsvraag op te wekken. Daarbij willen we verdere inzet op opwek met zon op land en wind zoveel als mogelijk beperken, zonder deze ambitie van zelfvoorzienendheid los te laten. Al met al hebben we ongeveer een kwart van onze toekomstige energievraag met (lokaal­

opgewekte) warmte en biogas ingevuld. Om het elektriciteitsnet verder te ontzien is een deel van de regionale gashoofdinfrastructuur ­omgebouwd tot regionale waterstofinfra­ structuur. Onze vraag naar waterstof is grotendeels afhankelijk van aanvoer van de backbone, waarbij we indirect ook een deel wind op zee en grootschalige kernenergie van elders in Overijssel inzetten. Ruim de helft van onze energievraag in 2050 is elektriciteit en deze willen we zelf opwekken zonder grote ruimtelijke impact en met oog voor het energie­ systeem. Door deze inzet nemen we onze verantwoordelijkheid door een grote mate van zelfvoorzienendheid na te streven, waarbij we rekening houden met de impact op onze leef­ omgeving en het energiesysteem en bieden we hiermee kansen voor lokaal en collectief ­eigenaarschap.

Samen stappen zetten

Deze energievisie is van de provincie Overijssel, maar vooral ook vóór de provincie Overijssel. Om die reden zijn gedurende het gehele proces gemeenten, netbeheerders en m ­ aatschappelijke organisaties actief betrokken bij de realisatie van de energievisie. Deze energievisie is geen eindpunt, maar de start. Voor het bereiken van het geschetste toekomstbeeld moeten veel ­partijen aan de slag. Ieder vanuit een eigen rol en verantwoordelijkheid, wetende dat elke bijdrage op zichzelf onmisbaar is. De eerste stap na vaststelling van deze visie is dan ook om samen met gemeenten en netbeheerders een uitvoeringsagenda op te stellen voor de komende jaren. Daarbij betrekken we ook het bedrijfsleven en onderwijs- en kennis­ instellingen. Tegelijkertijd hebben we nog een lange weg te gaan richting 2050. Een weg waarbij we afhan­ kelijk zijn van de voortgang op onderdelen, technologische ontwikkelingen en keuzes die buiten Overijssel worden gemaakt. Dit brengt een grote onzekerheid met zich mee. Daarom is het belangrijk dat we de energievisie frequent herijken. Dat doen we elke vier jaar.

Energievisie Overijssel 2050 / 8

Nieuwe energie

Een energiesysteem waarbij geen CO2 meer vrijkomt, dat betrouwbaar is en waarbij energie betaalbaar blijft. Met ruimte om te groeien en te ondernemen. Dat is waar deze visie over gaat. Deze visie schetst een uitdagend toekomst­ beeld, waar we de samen de schouders stevig onder zullen moeten zetten.

Energievisie Overijssel 2050 / 9

1. Aanleiding en context

Energievisie Overijssel 2050 / 10

1. Aanleiding en context 1.1 Aanleiding – een nieuw energiesysteem voor Overijssel Overijssel zit midden in de energietransitie. In de Klimaatwet is vastgelegd dat we in 2030 55% minder CO2 uitstoten en per 2050 volledig CO2-neutraal zijn. Daar is een nieuw energie­ systeem voor nodig. Dat bouwen we nu en in de komende jaren, maar gaat niet zonder groeipijn. Het huidige energiesysteem in Nederland is ontstaan vanuit de beschikbaarheid van aardgas uit Groningen, import van olie en g ­ rootschalige productie van elektriciteit uit steenkool en aardgas op een paar centrale plekken in Neder­ land. Deze energie wordt over het hele land getransporteerd naar onze huizen en iedereen die dat wil heeft gas en stroom op ieder gewenst moment van de dag. Maar deze vanzelfsprekendheid ligt inmiddels achter ons. We stappen in hoog tempo van fossiele brandstoffen af en vervangen veel daarvan door elektriciteit. Steeds meer opwek van elektriciteit vindt decentraal plaats via wind­ turbines en zonnepanelen. En op allerlei plekken

wordt steeds meer elektriciteit gebruikt doordat verwarming, transport en productieprocessen worden geëlektrificeerd. Daarmee ligt er een veel grotere opgave om vraag en aanbod goed op elkaar af te stemmen. Het gevolg is dat het elektriciteitsnet wordt gebruikt op een manier waarop het niet is ontworpen. Voor veel meer toepassingen wordt elektriciteit gebruikt, vaak ook nog op hetzelfde moment. Op zo’n moment kan capaciteitstekort ontstaan en ontstaat file op het elektriciteitsnet. Meer ruimte via andere infrastructuur, zoals waterstofleidingen of warmtenetten, is vaak nog niet ontwikkeld. Deze netcongestie - het meest actuele symp­ toom van het veranderende energiesysteem - heeft grote gevolgen. Het net zit op slot. Wat netbeheerders voorspellen aan stijgende trans­ portvraag kan gewoonweg niet snel genoeg worden bijgebouwd. In ieder geval niet tot 2030. Het gevolg is dat bedrijven geen aansluiting

Met een energiesysteem bedoelen we het geheel van vraag en aanbod (opwek en gebruik), transport en opslag van verschil­ lende energievormen. Om klimaatneutraal te zijn, moet het Overijssel energiesysteem overgaan op hernieuwbare (duurzame) energievormen. Zoals elektriciteit en water­ stof van duurzame afkomst, warmte, groen gas en groene brandstoffen. Om een nieuw energiesysteem te ontwikkelen hebben we 25 jaar de tijd. We moeten daarom nú al keuzes maken.

meer krijgen, windparken niet overal meer kun­ nen worden aangesloten en taxibedrijven hun wagenpark niet opgeladen krijgen. Dit kan voor pijnlijke situaties zorgen. Ondernemers lopen vast. Zaken van groot

Energievisie Overijssel 2050 / 11

1.2 Een Overijsselse energievisie maatschappelijk belang moeten soms gewoon wachten. En tegelijkertijd moet de verduur­ zaming wel doorgaan. Nieuwe wijken moeten kunnen worden aangesloten. Overijsselse bedrijven moeten kunnen groeien om toekomst­ perspectief te houden. Concluderend: het gebruik en de productie van energie veranderen in hoog tempo, maar het energiesysteem kan dit niet bijbenen. Daarmee staan we voor een dilemma. Gaan we door op de huidige manier? Door in een situatie waarbij nieuwe ontwikkelingen zich vestigen op plekken waar dat vanuit energie niet handig is? Door met een situatie waarin ondernemers nog vele jaren moeten wachten op een netaansluiting? Of zijn we bereid te sturen? Sturen op een toekomstbestendig systeem waarin we onze maatschappelijke opgaven (energetisch) aankun­ nen, wetende dat dit vraagt om een hele grote inzet de komende jaren. In Overijssel kiezen we voor dat laatste. Als vertrekpunt maken we een energievisie voor de periode na 2030. Daarmee zetten we ook in op het voorkomen van toekom­ stige netcongestie.

Energiesysteem als een kans voor Overijssel De verandering van het energiesysteem is geen keuze. De manier waarop dit gebeurt wel. De kansen die dit biedt willen we in Overijssel benutten. De kans om te zorgen voor een goed vestigingsklimaat, waar voldoende energie voor­ handen is. De kans om de ruimte in O ­ verijssel goed te benutten, want opwek en transport van energie gaan wel ruimte vragen. En de kans om iedereen mee te laten doen en de lusten en lasten eerlijk te verdelen. Hier zijn wel keuzes voor nodig. Waar dat vanuit het energiesysteem nodig is sturen we op ruimtelijke ontwikkelingen en kijken we hoe een duidelijke en integrale afweging gemaakt kan worden tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de benodigde energie-infra.

Energievisie Overijssel 2050 / 12

1.3 Relatie met landelijke en Overijsselse kaders Stip op de horizon Met deze energievisie zetten we een stip op de horizon. Dat doen we in de wetenschap dat we niet alles kunnen sturen én te maken hebben met grote onzekerheden. Andere overheden en organisaties zijn op veel vlakken in eerste instan­ tie verantwoordelijk. Deze visie is dan ook niet een wet van Meden en Perzen waar alle stake­ holders zich naar zouden moeten voegen. Deze visie heeft wel de ambitie om richting te geven aan de ontwikkeling van het energiesysteem in Overijssel in de wetenschap dat we er alleen samen komen. Tegen die achtergrond is er ook voor gekozen deze visie tot stand te laten komen in een gezamenlijk proces (zie hoofdstuk 2). In onze aanpak hebben we ons gebaseerd op een recente verkenning (II3050) van de netbeheerders voor een klimaatneutraal Nederland. Hierin zitten diverse aannames over toekomstige economische en technologische ontwikkelingen. Hierdoor kan het beeld tot achter de komma worden doorgerekend, maar daarmee is de onzekerheid niet weg. Toch zullen we - met alle kennis die we wel hebben - k ­ euzes moeten maken. Wanneer we geen richting

Integraal programmeren geven voor de toekomst, kampen we over 10-20 jaar nog steeds met netcongestie en wordt de leefbaarheid van onze provincie aangetast. Daarbij past de energievisie in een cyclus waarin we regelmatig aanpassingen kunnen doen. Tot slot biedt de langetermijnplanning van het energiesysteem ook kansen. Wat nu niet kan, dat kan straks misschien wel. Denk aan bepaal­ de technieken die er nu nog niet zijn. En niet alle keuzes hoeven nu al gemaakt te worden.

Scope Deze energievisie gaat over het energiesysteem in 2050. We richten ons op energie-infrastruc­ tuur met een regionaal belang. We brengen de dilemma’s, oplossingen én gevolgen in kaart, op de schaal van Overijssel. Daarbij houden we rekening met de verwachte ontwikkelingen op de energie-infrastructuur op nationale schaal en op een lager schaalniveau. Daarbij kijken we niet alleen naar elektriciteit, maar ook naar de ketens van warmte en duurzame gassen. Het gaat om de hele keten van opwek tot aan ­l­­evering, inclusief conversie en opslag.

De wens tot een Overijsselse energievisie komt voort uit het coalitieakkoord (Schouder aan schouder), maar staat niet op zichzelf. De net­ beheerders hebben aan de provincies gevraagd om regie te nemen op de ontwikkeling van het energiesysteem. Op veel punten heeft deze ontwikkeling invloed op het leven van inwoners en ondernemers. Daarom is het belangrijk dat de politiek keuzes maakt. Uit die keuzes volgen dan weer de investeringen door netbeheerders, overheden en ondernemers. Voor de regionale infrastructuur heeft de provincie deze regierol, dit is vastgelegd in de nieuwe energiewet. Het nieuwe energiesysteem heeft ook veel invloed op hoe onze omgeving eruit gaat zien en waar welke ontwikkeling mogelijk is. Om het energiesysteem zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de gewenste ruimtelijk-economische ontwikkelingen van de provincie, is het nodig dat het energiesysteem volwaardig onderdeel wordt van de ruimtelijke ordening. Hieraan werken we met een proces genaamd integraal ­programmeren van het energiesysteem.

Energievisie Overijssel 2050 / 13

1. Inzicht krijgen

0. Opstart Aanpak 2e ronde (startnotitie)

Iteratief transitie proces Energie vraag & aanbod sectoren

5. Borgen en uitvoeren

2. Opstellen Energievisie en afwegingskader

Energiesysteem van de toekomst

Uitvoeringsaanpak LANDELIJK REGIONAAL LOKAAL ENERGIEKETENS

Korte termijn 2025

Lange termijn

2030-2050

3. Ontwerpen ontwikkelvarianten

4. Afwegen en kiezen

Het opstellen van een energievisie is een belang­ rijke stap in dit proces. Hierin staan de gewenste en verwachte ontwikkelingen voor Overijssel. Daarna volgt het provinciaal Meerjarenprogram­ ma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK). In dit plan wordt aangegeven welke ontwikkelingen in het energiesysteem eerst moeten gebeuren. In Overijssel heeft GS in maart 2023 het eerste pMIEK vastgesteld. Dit pMIEK 1.0 bevat een advies aan de netbeheerders voor de uitbreidings­ investeringen in het elektriciteitsnetwerk. Om dit in de toekomst op een goede manier te kunnen doen, worden in de volgende pMIEK de lange termijnontwikkelingen mee genomen, zoals die op het gebied van waterstof en duurzaam gas. Hiervoor geeft de energievisie de juiste richting.

pMIEK

Energie-infrastructuur Ruimtelijke ordening Slimme oplossingen

Figuur 2: Cyclus integraal programmeren

Energievisie Overijssel 2050 / 14

Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) en de provinciale omgevingsvisie Nu duidelijk is wat de positie van de energievi­ sie is in het integraal programmeren, is het van belang nog twee belangrijke kaders te schetsen voor de energievisie. Het NPE beschrijft de ontwikkeling van het Nederlands energiesysteem naar een klimaat­ neutrale samenleving. In het NPE staat een langetermijnvisie voor het energiesysteem in 2050. Met een aantal richtinggevende keuzes is het NPE ook voor Overijssel kaderstellend. Hoewel de impact per provincie verschilt is het van belang om te weten waar het Rijk op in zet. Daarbij gaat het onder meer om een maxima­ le opschaling van het aanbod van duurzame energie, waaronder hernieuwbare elektriciteits­ opwekking op land. En energiebesparing als belangrijke hoeksteen in het energiebeleid waar maximaal op ingezet dient te worden. Met toekomstige ambities en opgaven geeft de provinciale omgevingsvisie (Overijssel voor en met Elkaar!) kaders, bijvoorbeeld als het gaat over de ruimtelijke mogelijkheden voor het ontwikkelen van duurzame energie op land. De omgevingsvisie is daarmee ook relevant voor

keuzes in de energievisie. Op gebieds- en project­ niveau geeft de omgevingsvisie daarbij inzicht in hoe ruimteclaims integraal worden afgewogen. Om het energiesysteem daarin volwaardig mee te wegen en gezien de ruimtelijke impact van het energiesysteem worden de startprincipes en de hoofdkeuzes uit deze energievisie dan ook ­opgenomen in de nieuwe omgevingsvisie1. Tegelijkertijd is deze energievisie ook een nadere thematische uitwerking van de omgevings­ visie, waarin ontwikkelingen en ambities verder worden geduid. Op basis van deze energievisie moet de komende tijd veel werk worden verzet. Afhankelijk van de precieze uitwerking kan het resultaat daarvan zijn dat we - in afstemming met gemeenten en netbeheerders - aanvullend kaders opnemen in de omgevingsverordening of dat we onze inzet voor de realisatie van deze visie bundelen in een programma. Kortom, dit betekent dat de energievisie een verbinding

1

heeft met de omgevingsvisie en dat mogelijk ook de instrumenten “omgevingsverordening” en/of “programma onder de omgevingswet” ingezet gaan worden om de doelen te bereiken. De energievisie zoals die nu voorligt is niet planMER-plichtig. Eventuele kaders voor toe­ komstige ruimtelijke besluiten en projecten zullen deze plicht mogelijk wel kennen. Die plicht zal dan ingevuld worden binnen het spoor waar die kaders worden gesteld (bijvoorbeeld de omgevingsvisie, verordening of individuele projecten). Naast het NPE en de provinciale omgevingsvisie zijn er meer kaders en ontwikkelingen die van belang zijn voor de energie. Een aantal hier­ van, bijvoorbeeld de RES’en, is opgenomen in ­bijlage 1.1.

Omdat de nieuwe ontwerp omgevingsvisie naar verwachting later in 2025 nog ter inzage gaat en daarna vastgesteld moet worden kan het zijn dat op het gebied van het energiesys­ teem nog zaken worden veranderd of toegevoegd.

Energievisie Overijssel 2050 / 15

1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een schets van het proces. In hoofdstuk 3 gaan we in op de hoofdkeuzes waar we voor staan. Hoofdstuk 4 beschrijft onze stip op de horizon. Daarbij gaan we ook in op de belangrijkste consequenties voor de verschillen­ de sectoren. Tot slot gaan we in hoofdstuk 5 in op een ontwikkelpad per energiedrager op weg naar de stip op de horizon. Ook schetsen we welke projecten voor regionale energie infra­ structuur we vanuit de energievisie voort zien komen om af te wegen in het pMIEK.

Energievisie Overijssel 2050 / 16

2. Een gezamenlijke energievisie

Energievisie Overijssel 2050 / 17

2. Een gezamenlijke energievisie Deze energievisie is van de provincie ­Overijssel, maar vooral ook vóór de provincie Overijssel. Vanaf het begin zijn gemeen­ ten, netbeheerders en maatschappelijke ­organisaties daarom betrokken geweest bij de realisatie van de energievisie: •

Eind 2023 is het plan van aanpak - om tot deze energievisie te komen – opgesteld. Hierbij is een aantal netbeheerders en gemeenten geraadpleegd.

•

Voor het proces van totstandkoming van de energievisie is een kernteam geformeerd met daarin de provincie, TenneT, Gasunie, regionale netbeheerders en zeven gemeen­ ten uit Overijssel.

•

Bij de totstandkoming van de diverse deel­ producten en discussies (startprincipes, toekomstbeelden, hoofdkeuzes) zijn vele werksessies georganiseerd, vaak opge­ deeld in Twente en West-Overijssel. Alle gemeenten in Overijssel hebben aan één of (meestal) meerdere sessies deelgenomen.

De input die hieruit naar voren is gekomen vormt de basis voor de energievisie. •

Aanvullend is er een aantal bijeenkomsten geweest voor maatschappelijke partners (startprincipes en concept energievisie).

•

De tussentijdse resultaten zijn op een aantal momenten besproken in de Energyboard en de twee bestuurlijke overleggen van de RES Twente en de RES West-Overijssel. Dit is gebeurd voor het plan van aanpak, de startprincipes, hoofdkeuzes en de ­concept energievisie. Hierna volgde nog een raadpleging bij de colleges van B&W en netbeheerders.

In bijlage 1.2 is een overzicht te vinden van de bijeenkomsten die zijn gehouden.

Jongerenparticipatie In het proces om tot een energievisie te komen is veel gesproken met professionele partijen. Tegelijkertijd werken we aan het energiesysteem van de toekomst voor de toekomstige generaties. Daarom is ook het gesprek gevoerd met scholieren en hun ouders: de generaties die het meest te maken krijgen met het energiesysteem van de toekomst. Enerzijds om het vraagstuk voor het voetlicht te brengen. Anderzijds om hun perspectief mee te kunnen nemen in het opstellen van de energievisie. Dit heeft plaatsgevonden door scholieren na te laten denken over de vraag: hoe komt Overijssel de winter door in 2050? Vervol­ gens zijn de scholieren met hun docenten en ouders op 20 november 2024 bijeenge­ komen op het provinciehuis om hun ideeën te presenteren. Tegelijkertijd is het gesprek gevoerd met ouders aan de hand van een aantal stellingen.

Energievisie Overijssel 2050 / 18

2.2 Verwachte autonome ontwikkeling in de Overijsselse energievraag

2.1 De energievisie in een aantal stappen De visie is opgebouwd in een aantal stappen. De eerste stap is dat we gekeken hebben naar de Overijsselse energievraag. Hoe ziet die er nu uit, hoe ontwikkelt deze zich richting 2050 en welke keuzes zijn daarin te maken? Vervolgens zijn we aan de slag gegaan met startprincipes die richting moeten geven aan het toekomstige energiesysteem in Overijssel. Als derde stap hebben we mogelijke toekomstbeelden verkend. Deze toekomstbeelden hebben inzicht gege­ ven in de belangrijkste vraagstukken voor onze energievisie. In dit hoofdstuk staan we stil bij de opbrengsten van deze drie stappen.

Huidige energievraag Op dit moment verbruiken we in Overijssel jaar­ lijks circa 90 PJ aan energie. Het grootste deel van deze energie bestaat uit fossiele brandstoffen: olie en gas. Slechts 20% van onze huidige vraag bestaat uit elektriciteit waarvan we een klein deel in Overijssel zelf opwekken. Onderstaande figuur geeft inzicht in hoeveel opwek nodig is om 1 PJ (in deze voorbeelden elektriciteit) op te wekken.

Toekomstige energievraag Voor een inschatting van de energievraag van Overijssel in 2050 hebben we een scenario­ studie van de netbeheerders naar het energiesysteem van een klimaatneutraal Neder­ land in 2050 (II3050) gebruikt. Deze heeft ook

als basis gediend voor het Nationaal Plan Ener­ giesysteem. Het gebruikte scenario (­Nationaal Leiderschap) is het meest in lijn is met de huidige ontwikkelingen in Nederland met een hoge mate van elektrificatie. In dit scenario blij­ ven zowel de opkomst van warmtenetten als de inzet van waterstof beperkt. Dit scenario is vertaald en verrijkt met O ­ verijsselse data. Zo sluit het goed aan op onderstaande verwachte ontwikkelingen qua woningbouw, mobiliteit en industrie in Overijssel (zie bijlage 2 voor een toelichting op de gebruikte cijfers). In al deze sectoren wordt richting 2050 groei van tussen de 10 en 20 procent verwacht met de onderstaande groei in de energievraag als gevolg. Gebouwde omgeving +5% Huishoudens (14% meer woningen) +10% Gebouwen (18% meer gebouwen)

Mobiliteit +10% Personenvervoer +15% Vrachtvervoer

Benodigd voor 1 PJ

Wind (6MW)

Zonneveld (ha)

Woningen met zonnedaken

Geothermie bronnen

Small Modular R ­ eactors – SMR (20 MW)

14

275

50.000

6

2

Figuur 3: Opwek van 1 PJ

Industrie en landbouw +10% Industrie

Figuur 4: Groei energievraag over de sectoren Energievisie Overijssel 2050 / 19

Huidige vraag

Ruim 2x zoveel elektriciteit nodig H₂

Energievraag in 2050: Hoge elektrificatie

Figuur 5: ontwikkeling energievraag Energiebesparing Er zijn verschillende manieren om energie te besparen. Er zijn technische ingrepen zoals isolatie waardoor je met minder energie je huis comfortabel verwarmt. Of gedrags­ aanpassingen zoals de thermostaat wat lager zetten of carpoolen. In het door ons gebruikte scenario voor een klimaatneutraal Nederland is de totale energiebesparing een fractie hoger dan de toename in het ener­ gieverbruik als gevolg van de groei in onze sectoren. In alle sectoren wordt circa 15% energie bespaard in de periode tot 2050. Deze besparing komt veelal tot stand door (inter)nationaal beleid (bv. Energy Efficiency Directive) en/of hoge energieprijzen. Als het besparingstempo hoger of lager is dan het verwachte tempo, kan dit dus effect hebben op de Overijsselse energievraag.

De vraag naar energie in 2050 is naar verwachting, ondanks de groei in de diverse sectoren en bij­ behorende behoefte aan energie, toch flink lager dan nu. Dat komt uit op (minimaal) ruim 50 PJ en veronderstelt een (autonome) hoge mate van elektrificatie. Een deel van deze verlaging komt door de verwachting dat we in Nederland nog veel energie gaan besparen, bijvoorbeeld door de isolatie van onze huizen en efficiëntere apparaten. Het grootste deel van het lagere energieverbruik wordt veroorzaakt doordat elektrische auto’s en warmtepompen met een veel lagere hoeveelheid elektriciteit dezelfde prestatie kunnen leveren als de huidige technologieën met hun (fossiele) energie­ bron (auto’s met verbrandingsmotor en cv-ketels). Dit komt doordat elektrische voertuigen geen energieverliezen door warmteverliezen en warm­ tepompen “gratis” omgevingswarmte gebruiken. Figuur 5 geeft inzicht in de verschillen tussen de hui­

dige en toekomstige energievraag van O ­ verijssel.1 De figuur laat ook zien dat we naast duurzaam opgewekte elektriciteit in het toekomstig energie­ systeem gebruik maken van warmte, waterstof en biogas2 om Overijssel van energie te voorzien. In 2050 zien we in dit scenario voor Overijssel een vraag van circa 50 PJ, substantieel lager dan de huidige energievraag van circa 90 PJ. We maken geen gebruik meer van de fossiele brandstoffen olie en gas. Wat opvalt is dat de vraag naar elektriciteit meer dan verdubbeld.

1

Dit scenario geeft een beeld over de energievraag in 2050. De energiemix waarmee die vraag wordt ingevuld staat echter niet vast, hierin kunnen we keuzes maken.

2

Vanwege leesbaarheid gebruiken we één term (biogas) voor een breder pallet van toepassingen (biogas, groen gas (= biogas op aardgaskwaliteit), biobrandstoffen en andere toepassingen met biomassa), waarbij groen gas qua orde grootte dominant wordt verwacht binnen deze categorie.

Energievisie Overijssel 2050 / 20

2.3 Startprincipes Dit noemen we ook wel de elektrificatie van het energiesysteem. Veel processen die voorheen gebruik maakten van fossiele brandstoffen stap­ pen in het gekozen scenario over op (duurzaam opgewekte) elektriciteit. Algemene waarschuwing: Bij het interpreteren van toekomstbeelden en het uitwerken van de energievisie moet rekening gehouden met de grote onzekerheid in deze prognose, omdat deze van veel ontwikkelingen afhankelijk is,

waarvan een deel niet of beperkt beïnvloedbaar is. Deze ontwikkelingen zijn ook sterk afhankelijk van beleidskeuzes op lokaal, provinciaal, natio­ naal en internationaal niveau. We baseren onze visie op onze inschatting die met de kennis van nu is gemaakt. Bij een volgende herijking kan een bijstelling plaatsvinden, bijvoorbeeld als digitalisering tot een hoger elektriciteitsverbruik in Overijssel leidt dan verwacht.

De startprincipes vormen het inhoudelijk vertrekpunt en geven richting aan de keuzes in deze energievisie. Bij de totstandkoming van de startprincipes is er samen met alle partners expliciet voor gekozen om vanuit waarden te redeneren naar startprincipes. Daarmee kijken we wat belangrijk is voor het Overijssel in 2050 en de daarin te maken keuzes op het snijvlak van het energiesysteem en ruimtelijke ontwikke­ lingen. De principes zijn als volgt: •

Het energiesysteem van de toekomst is robuust en efficiënt. Het systeem is robuust genoeg om onvoorziene ontwikkelingen op te vangen en vergroot onze mogelijkheden om onze maatschappelijke opgaven te realiseren.

•

Lokale kansen om van duurzame energie te profiteren worden benut.

•

Er worden – waar dit nodig is – duidelijke keuzes gemaakt om te zorgen dat de ener­ gietransitie voort kan en dat iedereen daar in mee kan en aan kan bijdragen.

Hoe ver zijn we met de verduurzaming van onze eigen energievraag? Momenteel wekken we circa 14 PJ hernieuw­ bare energie op, met daarin een relatief groot aandeel vanuit verbranding van restafval (het biogene deel – 5 PJ). Daarnaast mengen we biobrandstoffen bij (2 PJ) en verbranden we (geïmporteerde) houtige bio­ massa (2 PJ). Richting 2030 is er vanuit de Regionale Energie Strategie (RES Twente en West-­Overijssel)

een ambitie geformuleerd voor de opwek van grootschalige hernieuwbare elektriciteit waar­ mee we de huidige opwek van elektriciteit (5,5 PJ) willen verhogen tot circa 15 PJ.

Energievisie Overijssel 2050 / 21

2.4 Toekomstbeelden •

De inrichting van het toekomstige ener­ giesysteem benut de beschikbare ruimte in Overijssel optimaal: zuinig en ­multifunctioneel waar mogelijk.

•

Overijssel draagt proportioneel bij aan een Klimaatneutraal Nederland met een duidelijke ambitie qua mate van zelfvoor­ zienendheid.

Een nadere toelichting op de startprincipes is te vinden in bijlage 1.3.

Met behulp van de startprincipes zijn vervol­ gens vier onderscheidende toekomstbeelden uitgewerkt. De twee belangrijkste en van elkaar verschillende toekomstbeelden zijn “energie is volgend” en “energie is sturend”. Deze toe­ komstbeelden hebben voor de uiteindelijke energievisie geen status, maar hebben bijge­ dragen aan het ontwikkelen van de energievisie.

geclusterd en andere ruimtelijke opgaven volgen die clustering. In essentie gaat het daarmee om een zo efficiënt mogelijk energiesysteem waarbij andere opgaven daarop volgen. Niet alles wordt per definitie gefaciliteerd, sommige ontwikke­ lingen met een bepaalde energievraag zullen alleen mogelijk zijn op bepaalde plekken.

Als energie volgend is sluit het energiesysteem zoveel mogelijk aan bij de landschappelijke en ruimtelijke structuren. Energie is “volgend” - en daarmee faciliterend - aan andere r­ uimtelijke opgaven. Wel kunnen er duidelijke keuzes gemaakt worden en kan er regie gepakt wor­ den, alleen is daarin dan het energiesysteem niet s­ turend of van doorslaggevend belang. Dit scenario lijkt het meest op de huidige situatie.

Deze toekomstbeelden zijn in diverse werk­ sessies met gemeenten en netbeheerders uitgewerkt. Voor deze werksessies is Overijssel in vier gebieden opgedeeld die overeenkomen met de door TenneT beoogde toekomstige voe­ dingsgebieden voor elektriciteit. We refereren hier in de visie naar als deelnet, waarbij expliciet ook alle andere energieinfrastructuur in het voedingsgebied meegenomen is. Zie bijlage 1.1 voor een toelichting hierop.

In een tegenovergesteld toekomstbeeld is ener­ gie juist sturend. Energie-infra, opslag en opwek zijn sturend in de ruimtelijke ordening van de toekomst. Vraag en aanbod van energie wordt

In bijlage 1.4 is een samenvatting van alle vier de toekomstbeelden te vinden om een impres­ sie te geven van de tussenstappen waarmee de energievisie tot stand is gekomen.

Energievisie Overijssel 2050 / 22

2.5 Van toekomstbeelden naar een energievisie: de hoofdkeuzes in Overijssel Het energiesysteem gaat in essentie om de com­ binatie van vraag, aanbod en transport/opslag van energie. De verkenning van de toekomst­ beelden heeft het inzicht gegeven dat er drie belangrijke vragen te beantwoorden zijn:

1

Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in?

2

Welk aandeel van de Overijsselse energievraag willen we in 2050 zelf opwekken en met welke mix van ­technieken?

3

Welke keuzes maken we rond het ­ontwerp van het energiesysteem?

De antwoorden op deze vragen geven de basis voor de energievisie. Om die reden staan we in het volgende hoofdstuk stil bij de overwegingen en argumenten. In hoofdstuk 4 leidt dit tot het gewenste toekomstbeeld voor Overijssel.

Energievisie Overijssel 2050 / 23

3. Keuzes rond de energie­huishouding voor 2050 I

n dit hoofdstuk beschouwen we de drie hoofdkeuzes. We schetsen de mogelijke oplossingsruimte, identificeren een aantal voor- en nadelen en concluderen met onze keuze. Hierbij zijn de door Provinciale Staten vastgestelde startprincipes en de overige relevante kaders gebruikt.

Energievisie Overijssel 2050 / 24

3. Keuzes rond de energiehuishouding voor 2050 3.1 Hoofdkeuze 1:

1

Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in?

De vraag is hoe de energiemix voor Overijssel er uit ziet. Wat past het beste bij ons? Hier­ toe hebben we twee opties uitgewerkt, die in deze paragraaf verder toegelicht worden en ­hieronder in perspectief ten opzichte van de huidige energievraag worden gezet.

Het vraagstuk Het Nationaal Plan Energiesysteem schetst de beoogde contouren van de energiemix voor 2050, waarbij elektriciteit de hoofdrol gaat spelen in onze energievoorziening en er voor waterstof een systeemrol is weggelegd. Daar­ mee wordt bedoeld dat het grootste deel van onze toekomstige energievraag met elektriciteit wordt voorzien en dat waterstof een cruciale rol speelt om het gehele energiesysteem robuust en efficiënt te houden. Als alternatieve energie­ drager voor energie-intensieve industrie en lastig te verduurzamen transportsectoren met een optie voor langduriger opslag kan zij die systeemrol vervullen. Daarnaast wordt ook in een aantal sectoren ingezet op toepassingen van biogas en warmte.

Hoe voorzien we in onze energievraag? Huidige vraag

H₂

Energievraag in 2050: Hoge elektrificatie

H₂

Energievraag in 2050: Variatie in de mix

Figuur 6: opties invulling energiemix

Energievisie Overijssel 2050 / 25

1

Hoofdkeuze 1: Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in?

Scenario 1: hoge elektrificatie Voor- en nadelen van dit scenario: De netbeheerders hebben in hun verkenning voor 2050 (II3050) een aantal scenario’s uit­ gewerkt. Het scenario met een grote rol voor elektriciteit (Nationaal Leiderschap) hebben we uitgewerkt voor Overijssel, waarbij we rekening hebben gehouden met hoe Overijssel er nu en in de toekomst uitziet. Het resultaat daarvan is weergegeven in figuur 5 in Hoofdstuk 2 en komt neer op een energieverbruik van ruim 50 PJ waarvan 42 PJ uit elektriciteit bestaat. In het gepresenteerde scenario wordt ingezet op een sterke elektrificatie waardoor elektri­ citeit een aandeel van 80% in de energievraag van Overijssel heeft. Dit sluit het meest aan op de huidige trend van elektrificatie en versneld afscheid nemen van aardgas. Het is ook de richting waarvan we verwachten dat het op gaat als er landelijk niet wordt ingegrepen. Alleen met beleidsinstrumenten kunnen op korte termijn (grootschalige) collectieve warmtenetten en voldoende en betaalbare waterstof zich als alternatieven ontwikkelen en deze ontbreken momenteel. Deze variant zou gezien kunnen worden als een scenario waarin vanuit overheid, zowel Rijk als provincie, weinig sturend ingegre­ pen wordt om de huidige trends om te buigen.

+

Zeer lage energievraag.

+

Gebaseerd op bestaande technieken.

-

Voor 80% afhankelijk zijn van één ­energiedrager, ook nog eens precies die energiedrager waarbij we momenteel ­netcongestie ervaren.

-

De hoge elektrificatie levert grote uitdagin­ gen op voor en een grote verbouwing1 van het energiesysteem. De kosten hiervan zijn ­moeilijk te overzien en zullen uiteindelijk terecht komen bij onze inwoners en bedrijven.

-

1

De grote verbouwing van het elektriciteits­ net raakt het tempo van de energietransitie en is een grote kans op vertragingen in

+

Geen grote afhankelijkheid van onzekerheid of waterstof en warmte zich ontwikkelen tot betaalbare en aantrekkelijke alternatieven.

diverse maatschappelijke opgaven die van energieinfrastructuur afhankelijk zijn. Denk hierbij aan woningbouw, economische ontwikkelingen en de verduurzaming van de mobiliteit. -

Grote beschikbaarheid van voldoende en betaalbare CO2-vrije elektriciteit nodig. Bij het beoogde grote aandeel van weersaf­ hankelijke opwekopties (wind op zee/land en zon-PV) zijn veel extra maatregelen (zoals opslag) nodig om het elektriciteits­ net betrouwbaar te maken en voldoende ­leveringszekerheid te borgen.

Voor dit scenario is een verzwaring en uitbreiding nodig van het elektriciteitsnet op vrijwel alle schaalniveaus (van straat tot hoogspanningstracés) en flinke investeringen in ­flexibiliteit om het systeem betrouwbaar te houden.

Energievisie Overijssel 2050 / 26

1

Hoofdkeuze 1: Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in?

Scenario 2: variatie in de energiemix Voor Overijssel hebben we ook een variant met minder elektrificatie onderzocht. Hierbij wordt, in lijn met de visie van het Rijk, een rol voor­ zien voor waterstof (met name voor industrie, logistiek en zware mobiliteit), biogas en warmte (zowel in de stedelijke omgeving (warmtenetten) als voor bepaalde industriële toepassingen). In bijlage 2 geven drie figuren de mogelijke toe­ passingen weer en welk deel van de elektrische vraag vervangen kan worden door warmte, biogas en waterstof. Ook zijn de belangrijkste voor- en nadelen van de toepassingen kort samengevat. Belangrijk is om te constateren dat deze vormen van energie nog in beperkte mate onderdeel uitmaken van de toekomstplannen van de industrie vanwege de onzekerheid over de betaalbaarheid en beschikbaarheid. Het NPE stelt dat we zorgvuldige keuzes moeten maken voor de inzet van schaars biogas en voor­ zien een rol voor inzet in de (hoge temperatuur-) industrie, logistiek en zware mobiliteit. Op de lange termijn wordt biogas ook als belangrijke duurzame koolstofbron voor onder andere de chemie en is de inzet voor biogas in de energie­ transitie op lange termijn mogelijk beperkt.

In Overijssel schatten we de maximaal rea­ listische potentiële vraag naar waterstof in Overijssel in op ruim 9 PJ. Hiervan bestaat een derde deel uit industrie met een vraag naar hoge temperatuur warmte en de rest uit poten­ tiële vraag in de logistiek. Bij deze inschatting is 75% van de zware mobiliteit (vrachtwagens) overgestapt op waterstof1. Het lokaal beschik­ baar maken van waterstof vraagt nog flinke investeringen en doorlooptijd. Niet alle bedrij­ ven willen hier op wachten. Momenteel is het zeer onduidelijk welke prijs duurzame waterstof heeft tegen de tijd dat die gebruikt gaat worden. Nu is deze nog heel duur. Voor investerings­ beslissingen van industrie en de logistieke sector is dit perspectief onzeker waardoor ook de investeringsbeslissing voor de infrastructuur lastig is (kip-ei probleem). Voor de mobiliteits­ sector zijn aanvullende investeringen nodig om de waterstof (indien geleverd vanuit de backbo­ ne) nog op te kunnen waarderen tot de hogere kwaliteitseisen die een brandstofcel nodig heeft.

1

Wat wel gunstig is in Overijssel is dat de beoog­ de nationale waterstof hoofdinfrastructuur (de waterstof backbone) dwars door Overijssel loopt en een regionale aftakking op dit moment nog meegenomen kan worden in de planning (bij voldoende perspectief). In dit scenario daalt het totale energiever­ bruik tot net onder de 60 PJ, ruim 10% hoger dan in het scenario hoge elektrificatie. Het elektriciteits­verbruik is bijna verdubbeld tot circa 34 PJ, maar ruim 20% lager dan het ­scenario hoge elektrificatie. Het aandeel elek­ triciteit in de energievraag daalt van ruim 80% naar bijna 60%. Doordat een deel van de sei­ zoensgebonden warmtevraag niet-elektrisch wordt opgelost, wordt met name in de winter­ periode de uitdaging op het elektriciteitsnet minder groot.

Volledige overstap van de zware mobiliteit kan dit potentieel nog verhogen, maar daarover is zoveel onzekerheid dat we dat op dit moment niet als realistisch kunnen aannemen als basis voor onze visie.

Energievisie Overijssel 2050 / 27

1

Hoofdkeuze 1: Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in?

Voor- en nadelen van dit scenario: +

Lagere elektriciteitsbehoefte en s­ ubstantiële vermindering van een groot deel van de geschetste uitdagingen voor het elektriciteitsnet uit de variant hoge elektrificatie variant.

+

Collectieve warmtenetten in dichtbebouwde omgevingen zijn vanuit een maatschappelijk perspectief meestal goedkoper.

-

De hogere energievraag vraagt ergens in het energiesysteem meer opwek (evt. via import).

-

Biogas vraagt wellicht om een groter deel van de huidige gasinfrastructuur in stand te houden en is qua potentie deels afhankelijk van de toekomst van de veeteelt in Overijssel.

-

Warmtenetten zijn momenteel onvoldoende aantrekkelijk: door het huidige beleid en de huidige marktordening voor collectieve warmtenetten komen de lusten bij andere partijen terecht dan bewoners en de partijen, waaronder gemeenten, die aan zet zijn om de warmtenetten te realiseren. En toepassing is afhankelijk van nabije warmtebronnen.

+

Beschikbare lokale bronnen (warmte en biogas) worden benut.

+

Meer keuzevrijheid voor ondernemers voor verschillende energiedragers.

-

Om deze variant te realiseren is meer actie nodig van diverse partijen. Voor de nationale overheid en decentrale overheden betekent het dat er steviger beleid nodig is, zowel voor warmte, biogas als waterstof. Een risico hierbij is dat de overheden door de realiteit ingehaald kunnen worden1.

-

Kip-ei dynamiek rond waterstof: ondanks beoogd hergebruik bestaande gasinfrastructuur is er een relatieve lange doorlooptijd voordat waterstof via regionale infrastructuur beschikbaar komt. Ook is er nog onzekerheid over de kosten vergeleken met andere opties.

1

Individuele keuzes kunnen de aantrekkelijkheid van een ­collectieve warmtevoorziening verminderen, denk daarbij aan isolatie en individuele elektrische oplossingen.

Energievisie Overijssel 2050 / 28

1

Hoofdkeuze 1: Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in?

Onze keuze voor Overijssel: variatie in de energiemix Bij de twee hiervoor beschreven opties zijn diverse voor- en nadelen beschreven. Als we deze afzetten tegen het NPE en de Overijsselse startprincipes is de keuze eenvoudig en is er een duidelijke voorkeur voor de variant met variatie in de energiemix: In Overijssel streven we naar een gebalanceerde energiemix, waarbij we onze vraag (na besparing) vanuit verschillende energiedragers willen invullen. Warmte, waterstof en biogas gaan een belangrijke rol spelen om de grote toename in de elektriciteitsvraag te beperken. De variant hoge elektrificatie scoort relatief slecht op de meeste startprincipes. Een ener­ giesysteem dat voor 80% afhankelijk is van één energiedrager die lastig op te slaan is voor langere tijd is kwetsbaar. Deze variant scoort daarmee slecht op robuustheid. Bovendien is elektriciteit weliswaar in gebruik efficiënt, maar bij opslag, transport en distributie van grote hoeveelheden, relatief gezien duurder. Het niet maximaal inzetten op het benutten van lokale warmtebronnen en biogas strookt niet met het Nationaal Plan Energiesysteem en met ons

startprincipe om lokale kansen te benutten om van duurzame energie te profiteren. Door meer inzet op warmte en (geïmporteerde) waterstof, voorkomen we grote druk op de beschikbare ruimte doordat deze grotendeels ondergronds gerealiseerd worden. Ook zullen er minder bovengrondse landschap-doorsnijdende uit­ breidingen zijn door de transportinfrastructuur voor elektriciteit. Met inzet op beschikbaarheid van waterstof voor gebruik in de industrie en zware industrie bieden we onze onder­nemers keuzevrijheid en flexibiliteit over hoe zij hun energievraag op termijn duurzaam willen invullen. Wel vraagt deze keuze een steviger inzet vanuit diverse partijen en is er een aantal afhankelijkheden die in het ontwikkelpad rich­ ting 2050 aandacht vragen. Met name rond de aantrekkelijkheid van collectieve warmte­netten voor gemeenten en bewoners en een tijdig perspectief op toegang (via infrastructuur) tot betaalbare waterstof.

Energievisie Overijssel 2050 / 29

1

Hoofdkeuze 1: Met welke energiemix vullen we in 2050 de Overijsselse energievraag in?

Energiemix Overijssel in 2050 Hoge elektrificatie

Variatie in de energiemix Afweging startprincipes Robuust en efficiënt H₂

H₂

Lokale kansen benutten

Energievraag in 2050 Totaal 52 PJ

Proportionele bijdrage Voor- en nadelen

Laagste energievraag

Kwetsbaar: voor 80% afhankelijk van één energiedrager

Bestaande technieken

Impact op maatschappelijke opgaven (transportschaarste)

Onafhankelijk van ontwikkeling waterstof en warmte

Verzwaring elektriciteitsinfrastructuur Opslag, transport en distributie duurder

Duidelijke keuzes maken Ruimtelijke kwaliteit

Keuze Overijssel

Energievraag in 2050 Totaal 58 PJ

Voor- en nadelen Lagere vraag elektriciteit t.o.v. hoge elektrificatie

Steviger inzet van diverse partijen

Meer keuze voor ondernemers en industrie

Lusten- en lastenverdeling warmte moet anders

Benutten lokale warmte en biogas

Investeringen en doorlooptijd waterstof

Waterstof en warmte grotendeels ondergronds Lagere elektriciteitspiekvraag in winter

Meerdere infrastructuren onderhouden

Figuur 7: scenario’s energiemix Energievisie Overijssel 2050 / 30

3.2 Hoofdkeuze 2:

2

Welk aandeel van onze energievraag wekken we zelf op in Overijssel in 2050?

Het vraagstuk Het Nationaal Plan Energiesysteem geeft als richtinggevende keuze maximale inzet op aanbod van duurzame energie, maar werkt dit niet uit naar de provincies. Voor 2050 heeft ­Overijssel nog geen ambitie geformuleerd voor de opwek van duurzame energie. In de start­ principes voor de energievisie is wel opgenomen dat Overijssel proportioneel wil bijdragen aan een klimaatneutraal Nederland met een duide­ lijke ambitie qua mate van zelfvoorzienendheid. Dat betekent dat we een substantieel deel van onze eigen energievraag in 2050 zelf op willen wekken, waarmee we ons ook minder afhanke­ lijk maken van externe ontwikkelingen.

Hiervoor zijn verschillende technieken nu al beschikbaar, bijvoorbeeld mestvergisting, zonPV en windturbines. Ook is een aantal meer innovatieve technieken nog in ontwikkeling (o.a. Small Modular Reactors en kleinschalige of ultra­ diepe geothermie) die in de periode 2035-2050 mogelijk ook bij kunnen dragen. We bepalen in de volgende paragrafen per energiedrager (biogas, warmte, waterstof en elektriciteit) een indicatieve bijdrage met behulp van de startprincipes en relateren die aan de gerelateerde energievraag. Voor de eerste drie energiedragers geven de mogelijkheden en de startprincipes een duidelijke voorkeurspositie aan. Voor elektriciteit is de afweging minder eenvoudig en is die uitgebreider onderbouwd. Eerst staan we stil bij besparing en bewust omgaan met energie. Daarmee kunnen we de opgave voor opwek verlagen.

Zelfvoorzienendheid is door een aantal geopolitieke ontwikkelingen belangrijker geworden. We willen minder afhankelijk zijn van andere landen omdat we gezien hebben dat onze grote afhankelijkheid van gas, gecombineerd met enkele leveranciers, tot hoge prijzen heeft geleid na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne. In EU verband wordt mede daarom gewerkt aan een robuust energiesysteem waarbij er een hoge mate van zelfvoorzienendheid wordt nagestreefd om daarmee onze strategische autonomie te versterken. Hierbij is het van belang om te beseffen dat we in de visie de term zelfvoorzienendheid gebruiken voor de mogelijkheid om je totale energievraag zelf in te vullen met de eigen totale opwek over het hele jaar heen. Als Overijssel zijn en blijven we iedere dag van het jaar verbonden met de rest van Nederland waarbij we op sommige momenten energie ­importeren en op andere momenten exporteren.

Energievisie Overijssel 2050 / 31

2

Besparing en bewust omgaan met energie In lijn met het NPE willen we in Overijssel maximaal inzetten op energiebesparing, waar­ van de verwachte bijdrage bijna 9 PJ is. Alle energie die we niet gebruiken hoeven we ook niet op te wekken. Door maximaal in te zett­en op b ­ esparing en het voorkomen van energie­ verbruik (vraagreductie) beperken we de opgave voor lokale opwek. Daarmee beperken we ook de ruimte die we nodig hebben voor onze proportionele bijdrage aan een klimaatneutraal Nederland. Deze maximale inzet op besparing vraagt wel om extra inzet die afgestemd moet worden op het nationale beleid. Dit kan variëren van handhaving tot stimuleren van inwoners en ondernemers tot het nemen van maatregelen. Vanwege de impact op de opgave, is expliciete aandacht voor het besparingstempo gewenst. Een complicerende factor daarbij is dat deze niet altijd helder te bepalen is, bijvoorbeeld door

Hoofdkeuze 2: Welk aandeel van onze energievraag wekken we zelf op in Overijssel in 2050?

Warmte ontwikkelingen in groei1. Deze inzet maken we onderdeel van de ontwikkelpaden (hoofdstuk 5). Bij de volgende paragrafen dient de eventuele onzekerheid van een lagere energiebespa­ ring meegenomen te worden. Bij toekomstige herijkingen van de energievisie kan dan, waar nodig, de opgave voor de eigen opwekambitie ­bijgesteld worden.

Per deelnet hebben we het potentieel warmte­aanbod vergeleken met de verwachte warmtevraag per deelnet die volgt uit hoofd­ keuze 1. Hieruit blijkt dat de potentiële vraag naar warmte (met name de gebouwde omge­ ving en de industrie) grotendeels bediend kan worden door afvalverwerker Twence en door geothermie. Daarbij is de hoeveelheid rest­ warmte op lange termijn, als ook de financiële haalbaarheid van geothermie, wel een onzeker­ heid. In sommige gebieden zijn ook bijdrages van andere bronnen (o.a. power-to-heat) nodig, mede om verschillen tussen continue warmte­ productie en seizoensgebonden warmtevraag te overbruggen. Omdat warmte per definitie van­ uit een lokale bron komt (behoudens eventuele grensgevallen) zijn we voor warmte dus volledig zelfvoorzienend1.

1 1

Energiebesparing is vaak lastig te kwantificeren, dus veel monitoring zal zich richten op de ontwikkeling in het energie­ gebruik (al dan niet gecorrigeerd voor nieuwe of gestaakte activiteiten).

In principe is het potentieel aan diepe geothermie vrij groot (85 PJ) en kan bij een hogere warmtevraag meer warmte ge­ produceerd worden. De risico’s en kosten zijn in veel gevallen zo groot, dat het potentieel realistisch gezien beperkt wordt verondersteld.

Energievisie Overijssel 2050 / 32

2

Biogas In Overijssel vergisten we nu nog geen 5 procent van de beschikbare mest en dat levert samen met een aantal kleine andere toepassingen in totaal nog maar 0,6 PJ biogas op. Als provincie hebben we al de ambitie om in 2030 de helft van de beschikbare mest te vergisten. Voor Overijs­ sel is de totale potentie voor biogasproductie ingeschat op 4 PJ1. Hiervoor is het nodig dat we ruim de helft van de huidige mest in Overijs­ sel vergisten en ook andere biogasproductie maximaal benutten (o.a. bij voedingsindustrie en de rioolwaterzuivering). Dit biedt kansen voor agrariërs en ondernemers en vraagt ook om grote stappen, zowel met kleinschalige als grootschalige vergisting. Het is belangrijk dat het Rijksbeleid deze kansen mogelijk maakt. Hoewel er voldoende mest in Overijssel beschikbaar is en de ambitie ook bij minder beschikbare mest nog haalbaar is, vraagt het wel om een goede analyse van waar de opschaling qua vergisting plaatsvindt. Dat wil zeggen: op die plekken waar naar verwachting mest beschikbaar blijft.

1

De exacte omvang is uiteraard afhankelijk van de ontwik­ kelingen in de veestapel. Zelfs als de veestapel met 20% afneemt, is 4 PJ nog steeds mogelijk, al vraagt dit dan wel maximale inzet op mestvergisting.

H₂

De startprincipes wijzen hier overwegend richting maximale inzet om deze potentie ook te realiseren (onder andere het benutten van loka­ le kansen, het leveren van een proportionele bijdrage met een beperkte ruimtelijke impact). Onder hoofdkeuze 1 hebben we, in lijn met het NPE, slechts een beperkt, moeilijk anders te verduurzamen, deel van de energievraag vervangen door de inzet van biogas, ruim 4 PJ. Daarmee is ook voor biogas zelfvoorzienend­ heid in 2050 een reële en aantrekkelijke optie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=9680adba-a1ef-43eb-b73f-ff5dbd0211ff