1. Concept provinciale omgevingsvisie.
Tekst van het document
Verdichten vraagt daarbij om een integrale kijk op de invulling van de openbare ruimte, met vaak een andere rol voor binnenstedelijke mobiliteit. Daarmee ontstaat verdichting mét oog voor leefbaarheid, verplaatsingen, ontmoetingen klimaatadaptatie en groen. Als inbreiding in bestaand bebouwd gebied niet mogelijk is, dan is uitbreiding in de groene omgeving onder voorwaarden mogelijk. In eerste instantie zal dat plaatsvinden aan de rand en/of buiten een kern.
55
Uitbreiding buiten of aan de kern kan alleen als dit voorzien is van een onderbouwing. Die onderbouwing kan gevonden worden in bijvoorbeeld een ‘ruimtescan’ bij een ruimtelijke procedure, een visie op hoger bouwen, kwalitatieve woningbouwvraag die binnenstedelijk niet gevonden kan worden, een visie op het principe van nabijheid (woon/werk/mobiliteitsbalans), groenblauwe hoofdstructuur, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie. De uitwerking hiervan vindt plaats in een stedenbouwkundig plan. Een andere mogelijkheid is om gebruik te maken van de ruimte binnen bestaande erven. Bij een nieuwvestiging of uitbreiding kan ook de eis gesteld wordt dat (elders) opstallen gesloopt worden en verharding wordt verwijderd. Bij nieuwe ontwikkelingen moet gekeken en onderbouwd worden of de bestaande situatie of toekomstige ontwikkelingen niet worden belemmerd door deze nieuwe ontwikkeling en of er ruimte overblijft voor andere functies. Dit noemen we zorgvuldig ruimtegebruik. Dit moet niet alleen bekeken worden per gebied, maar ook over de hele provincie. Zo willen we in sommige gebieden geen functies toestaan die de ruimte voor de leidende functie in een gebied beperkt. Een voorbeeld is dat we geen zonnevelden willen op agrarische en/of natuurgronden. Deze zonnevelden nemen namelijk een te groot oppervlak van de landbouwgronden in beslag.
Windturbines nemen minder ruimte in en zijn hierdoor onder voorwaarden wel mogelijk in deze gebieden. Voor opwekking van duurzame energie door wind zijn de doelen nog niet gehaald. Een onderdeel van zorgvuldig ruimtegebruik is ook meervoudig en multidimensionaal ruimtegebruik. Als een gebied of locatie bijvoorbeeld meerdere functies kan hebben, dan geven wij daar voorrang aan boven gebruik van een gebied of locatie voor maar één doel. Een voorbeeld is om op gebouwniveau verschillende functies zoals wonen, werken en parkeren te realiseren. Er wordt hierbij niet alleen gekeken naar
Ga naar inhoudsopgave
functies bovengronds, maar ook wat er ondergronds mogelijk is. We zien vooral kansen voor meervoudig en multidimensionaal ruimtelijk gebruik als er meerdere opgaven in een gebied spelen, bijvoorbeeld in landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen. Nieuwe ontwikkelingen moeten aansluiten op de kenmerken van het gebied, het water- en bodemsysteem, de economische structuur, aanwezige mobiliteitsnetwerken en de beschikbaarheid van nutsvoorzieningen. Daarnaast moeten nieuwe ontwikkelingen passen in of bijdragen aan de bestaande kwaliteit, de identiteit, cultureel erfgoed en de leefbaarheid en moet de nieuwbouw ruimtelijke kwaliteit toevoegen. Dit houdt onder andere in het aansluiten bij het eigen karakter van steden, dorpen en kernen en omliggend landschap. Het gaat hierbij om het herontdekken of zelfs opnieuw uitvinden van de dragende kwaliteiten en structuren en daarbij aansluiten met eigentijdse vormen van grondgebruik en inrichting. Het bebouwde gebied en de groene omgeving blijven hierbij met elkaar in balans en we versterken het contrast tussen de dynamische en luwe gebieden. Concentratie, nabijheid en (boven)regionale afstemming: concentratie houdt in dat nieuwe ontwikkelingen zich zoveel mogelijk concentreren in en nabij de grote steden in de DUS-regio’s en de andere bebouwde gebieden, bij voorkeur op locaties die goed ontsloten zijn voor openbaar vervoer.
Ontwikkelingen moeten passen en bijdragen aan de behoefte en kenmerken van deze gebieden, en ook bij het omliggende landschap en de bestaande netwerken. Een belangrijk onderdeel hiervan is het streven naar nabijheid. Hierbij wordt gestreefd naar het bij elkaar brengen van wonen, werken, voorzieningen, ruimte voor groen, recreatie, ontspanning en cultuur. Daarbij hoort een goede bereikbaarheid in onze provincie, passend bij het profiel van de directe omgeving. Door te streven naar nabijheid en een goede basisbereikbaarheid, zijn voor onze inwoners de basisvoorzieningen zoveel mogelijk bereikbaar. Daarbij is het een motor achter de mobiliteitstransitie (minder, anders, schoner). Gemeenten stemmen onderling op basis van programmeringen af waar nieuwe ontwikkelingen plaats kunnen vinden.
56
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met ruimte voor klimaat-, biodiversiteits-, milieu- en leefbaarheidsopgaven. We noemen dit ook wel toekomstbestendigheid. Nieuwe initiatieven moeten bijdragen aan een duurzame benadering van ontwikkelingen die voorzien in de behoefte van de huidige generatie, maar die opties openhoudt om ook te voorzien in behoeften van toekomstige generaties. Het gaat dan om een evenwichtige benadering van het welzijn van mensen, economische welvaart, rekening houden met klimaatverandering en het water- en bodemsysteem, het beheer van natuurlijke voorraden en het opwekken van duurzame energie. Bij nieuwe ontwikkelingen willen we dat ze bijdragen aan het verminderen van CO2-uitstoot, aan circulariteit, aan de biodiversiteit, gezondheid, sociale kwaliteit en dat ze bestand zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering. Bovenstaande hebben we opgenomen in onze Omgevingsverordening (Overijsselse Ladder voor Duurzame Verstedelijking). Duurzaam omgaan met voorraden Op het gebied van het zuinig omgaan met voorraden werken we toe naar een circulaire economie en maatschappij. Dit is een economie en maatschappij die spaarzaam omgaat met grondstoffen, waar winning, gebruik en maximaal hergebruik dicht bij elkaar plaatsvinden (kringlopen sluiten) en waar gebruik van hernieuwbare grondstoffen wordt gestimuleerd.
Dit beperkt het gebruik van niet-hernieuwbare grondstoffen, zoals fossiele brandstoffen. Dat willen we doen door onder andere gebruik te maken van de volgende uitgangspunten: • Inzetten op het duurzaam omgaan van het gebruik van materiaal en hergebruik van grondstoffen en het sluiten van (regionale) kringlopen. • Inzetten op innovaties, optimalisatie van productieprocessen waaronder het zuinig en scheiden van grondstoffen, milieu en zeer zorgwekkende stoffen. Dit geldt voor het bedrijfsleven, overheid, agro- en foodsector, en dergelijke. We willen voorwaarden scheppen waaronder groene innovaties tot stand kunnen komen, bijvoorbeeld door het stimuleren van kennisdeling, keten-
Ga naar inhoudsopgave
•
57
ontwikkeling en waar mogelijk en gewenst door actieve ondersteuning. Inzetten op de energie- en warmtetransitie. Dit doen we door het opwekken van energie uit bronnen als zon, wind, biomassa, monomestvergisting, ondergrond en mogelijk in de toekomst andere duurzame energievormen zoals waterstof en kernenergie. We zien daarnaast goede mogelijkheden voor besparing en efficiënter gebruik van energie in woningen en productieprocessen van bedrijven, bij de verwarming en verkoeling van gebouwen en bij verkeer en vervoer. Innovatie en andere systemen zullen hier in de toekomst ook een bijdrage aan leveren. Er is steeds meer sprake van normering, waardoor energie-efficiëntie de standaard wordt. Denk hierbij aan herstructureringsopgaven van woon- en werklocaties waarbij energieopwekking en -besparing als uitgangspunt wordt genomen, herbestemming van cultureel erfgoed en vernieuwing en verduurzaming van bestaande bedrijven.
•
Inzetten op het besparen van (drink)water. Dit kan door het water in gebieden langer vast te houden (zeker in droge perioden), te laten infiltreren in de bodem, maar ook door zelf minder (drink)water te gebruiken. Bijvoorbeeld door ook lokale ingrepen te doen, zoals het opvangen van water in huis en tuin en door hergebruik van grijs water. En ook door circulair gebruik van (drink)water, inclusief het water uit industriële processen en het binnen de Rijkskaders - hergebruik van effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties. (Drink)waterbesparing draagt bij tot het behoud van ons milieu. Het vermindert energie die nodig is om water te verwerken en te leveren, wat weer leidt tot vermindering van vervuiling die ontstaat bij die processen.
Ga naar inhoudsopgave
3.3 Water en bodem sturend maken in onze ruimtelijke inrichting Dit Leidende Principe houdt in dat het water- en bodemsysteem de basis vormt voor de (toekomstige) inrichting van onze provincie. In ons omgevingsbeleid zoeken we daarom naar oplossingen die zich goed verhouden tot het water- en bodemsysteem. Als we bij (ruimtelijke) keuzes sturen op basis van het water- en bodemsysteem, dan kunnen we veilig en gezond in onze provincie blijven wonen, werken en leven. Ook als we te maken krijgen met een ander en grillig klimaat. We streven naar een klimaatrobuust en vitaal water- en bodemsysteem. Dit betekent dat het systeem klimaateffecten opvangt en dat er voldoende en schoon water beschikbaar is voor functies, zoals wonen, natuur, landbouw, (industriële) consumptie of drinkwaterwinning. Dit houdt in dat het water- en bodemsysteem gericht moeten zijn op het vasthouden van water voor een droge periode, het laten infiltreren van water in de bodem, en ook op het bergen van water bij extreme neerslag. Soms kan dit betekenen dat bepaalde functies op een bepaalde plek niet mogelijk zijn, omdat er niet voldoende water beschikbaar is of de effecten van de klimaatverandering niet voldoende kunnen worden opgevangen.
Om dit goed in beeld te hebben, vinden wij het van belang om vroegtijdig in planvorming met de benodigde expertise van het bodem- en watersysteem vanuit waterschappen aan tafel te zitten. Een klimaatrobuust en vitaal water- en bodemsysteem bereiken we door bij gebiedsontwikkeling, projecten en initiatieven in het bebouwde gebied en de groene omgeving dit systeem leidend te laten zijn voor het ontwerp. Uitgangspunt is dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden ontworpen met het bestaande water- en bodemsysteem als uitgangspunt. Voor bestaande functies geldt dat we in sommige gevallen meer overlast moeten accepteren, de huidige situatie moeten aanpassen of omvormen. Wij kijken daarbij naar stroomgebieden en
58
maken onderscheid in maatregelen die passend en nodig zijn in de verschillende delen van de provincie. In veenweidegebieden vraagt dit iets anders dan op zandgronden of in de gebieden rondom de IJssel, Vecht en Delta. In gebieden waar wateraanvoer nu nog mogelijk is, zal rekening gehouden moeten worden dat deze wateraanvoer in de toekomst onzeker en niet gegarandeerd is. Dit als gevolg van veranderende rivierafvoeren onder invloed van klimaatverandering. Technische maatregelen zijn en blijven lokaal mogelijk, maar daarbij wordt wel gekeken of deze technische maatregelen passen bij het ‘in balans zijn en komen met het water- en bodemsysteem’ en ook of ze een goede keuze zijn gelet op de toekomst, houdbaarheid en betaalbaarheid. Bij dit Leidende Principe gaan we uit van zeven uitgangspunten (voortkomend uit de Kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’, november 2022): Afwentelen voorkomen Bij ontwikkelingen wentelen we negatieve effecten niet af op toekomstige generaties (tijd), naar andere gebieden of functies (ruimte) en van privaat naar publiek (in kosten). • Afwentelen voorkomen naar andere generaties: dit betekent nu rekening houden met belasting van het huidige systeem, klimaatverandering en beheerkosten in de toekomst.
Door ruimte in te nemen voor bijvoorbeeld woningbouw of infrastructuur op plaatsen waar we als gevolg van klimaatverandering in de toekomst ruimte voor klimaatmaatregelen nodig hebben, zadelen we toekomstige generaties op met een probleem. • Afwentelen voorkomen naar andere gebieden of functies: activiteiten op een bepaalde locaties, zoals afstromen van verontreinigd regenwater in bebouwd gebied, mogen niet leiden tot effecten op een andere locatie, bijvoorbeeld wateroverlast en verslechtering van de waterkwaliteit. Onderbouwde uitzonderingen blijven mogelijk op dit principe, doordat afwentelen soms onvermijdelijk is. Dit kan echter alleen met een goede
Ga naar inhoudsopgave
•
onderbouwing dat er geen andere mogelijkheden of oplossingen zijn. Afwentelen voorkomen van privaat naar publiek: door bij investeringen voldoende rekening te houden met bijvoorbeeld klimaatverandering, bodemdaling en bodem- en watervervuiling, worden de kosten hiervoor nu meegenomen en niet naar de toekomst doorgeschoven. Een voorbeeld hiervan is onvoldoende rekening houden met het water- en bodemsysteem bij het bouwrijp maken van een gebied, waardoor we kosten afwentelen op overheden en bewoners die in de toekomst geconfronteerd worden met instandhouding van woningen, funderingen, wegen en leidingen.
Meer rekening houden met extremen In beleid, ruimtelijke inrichting en het ontwerpen van maatregelen houden we veel meer rekening met bovennormatieve weersextremen die horen bij klimaatverandering. Bijvoorbeeld momenten van extreme regenval. Door in de ruimtelijke inrichting meer flexibiliteit en veerkracht in te bouwen, kan beter omgegaan worden met deze extremen. Hiervoor kunnen klimaatrobuuste ontwerpprincipes gehanteerd worden. Zo geeft de Maatlat klimaatadaptief bouwen (Maatlat groene klimaatadaptieve bebouwde omgeving Klimaatadaptatie (klimaatadaptatienederland.nl) hier al verreikende handvatten voor. In samenhang omgaan met wateroverlast en droogte Het flexibel omgaan met wateroverlast en droogte vraagt om een samenhangende aanpak. Zowel wateroverlast als droogte vraagt vaak tijdelijk om ruimte. Deze tijdelijke ruimte is nodig om beheersbaar om te kunnen gaan met effecten van weersextremen. Voor wateroverlast vraagt dit om voldoende buffer- en afvoercapaciteit. Voor droogte om voldoende berging in de bodem en het grondwater door vergroting van het organisch stofgehalte in de bovenlaag en het vergroten van de sponswerking.
59
Meerlaagsveiligheid Meer aandacht voor meerlaagsveiligheid is nodig om de risico’s op en gevolgen van overstromingen in de toekomst te beperken. Dit geldt niet alleen voor het hoofdwatersysteem, maar ook voor het regionale watersysteem, beekdalen en onbedijkte rivierdelen. Meerlaagsveiligheid bestaat uit: 1) 2)
3)
Preventie: verkleinen van de overstromingskans door aanleg en versterken van dijken en keringen. Gevolgbeperking: met behulp van ruimtelijke inrichting en maatregelen de effecten van een overstroming beperken. Denk aan bescherming van kritische infrastructuur, aangepast bouwen of instellen van risicozones. Crisisbeheersing: voorbereiden op een overstroming door verbeteren van de crisisbeheersing (organisatie en communicatie bij een eventuele calamiteit).
Minder afdekken, minder vergraven, minder verontreinigen Een vitale bodem en het benutten van de natuurlijke kracht van de bodem is van belang voor het bestrijden van wateroverlast, droogte en hittestress. Daarnaast zijn duurzaam beheerde bodems beter bestand tegen klimaateffecten en helpen deze bij het opslaan en vastleggen van CO2 en stikstof. Daarom gaan we bodemafdekking met ondoordringbaar materiaal, vergraven en extra verontreinigen van de bodem tegen. Hiermee bedoelen we: • Minder bodemafdekking: afdekking van de bodem met ondoordringbaar materiaal of door verwoesting gaat vaak ten koste van vruchtbare landbouwgrond of stadsbodem, is een risico voor de biodiversiteit, vergroot de kans op overstromingen en waterschaarste en draagt bij aan de opwarming van de aarde. Bodemafdekking vormt een van de grootste oorzaken van bodemaantasting in de Europese Unie. • Niet vergraven: het behouden van een bodem met een intact profiel, omdat deze betere bodemecosysteemdiensten (water vasthouden, stikstof en fosfaat kringloop, diversiteit
Ga naar inhoudsopgave
•
bodemorganismen, bufferen van verontreinigende stoffen) vervult dan een vergraven bodem. Niet verontreinigen: beperken van emissies naar water en bodemsysteem houden gevoelige functies – landbouw, natuur, drinkwater, industrie/bedrijfsleven, wonen – mogelijk.
Integrale aanpak in de leefomgeving Het water- en bodemsysteem is de onderlegger voor ruimtelijke opgaven zoals: verstedelijking, woningbouw, landbouw en energievoorziening. Door in te spelen op de natuurlijke systeemwerking kunnen de diverse ruimtelijke functies op een logische, kosteneffectieve en houdbare manier worden ingericht. Het is de basis voor onze leefomgeving.
60
Comply or explain: pas toe of leg uit Het inspelen op de condities van het water- en bodemsysteem moet de basis zijn van de ruimtelijke inrichting. Door dit te doen wordt een bijdrage geleverd aan het bereiken van doelen met betrekking tot bijvoorbeeld biodiversiteit, klimaatmitigatie en waterkwaliteit. Mochten er onverhoopt toch redenen zijn om hiervan af te wijken dan geldt het principe ‘comply of explain’, ofwel: ‘pas toe of leg uit’. Als wordt afgeweken, moet uitlegbaar en toetsbaar zijn hoe dan wel de doelen bereikt worden.
Ga naar inhoudsopgave
3.4 We zetten in op krachtige DUSregio’s Dit Leidende Principe gaat uit van sterke en krachtige DUS-regio’s (Daily Urban System). In onze provincie zien we drie duidelijke DUSregio's: Regio Zwolle, Stedendriehoek (Deventer) en Twente. Dit zijn samenhangende regio's waar een groot deel van het dagelijks leven van mensen in plaatsvindt. Of je nu woont in één van de steden, dorpen of in het landelijk gebied. Mensen bewegen binnen een DUS voor hun dagelijkse activiteiten heen en weer tussen wonen, werken en leven. Als we zeggen dat we willen inzetten op krachtige DUS-regio’s, dan betekent het dat we graag ontwikkelingen zien die de bestaande DUSregio’s versterken en verbeteren. Het versterken van de samenhang binnen een DUS, zorgt dat voor mensen de dagelijkse activiteiten geconcentreerd en in nabijheid van elkaar uitgevoerd kunnen worden. Functies binnen het DUS versterken elkaar dan ook. Denk aan voorzieningen, wonen of werkgelegenheid. Daarnaast hoort hierbij een leefbaar platteland, waar inwoners goed kunnen wonen, werken en leven in een gezonde en mooie omgeving. DUS-sen bevatten bij voorkeur een mix aan meerdere woonmilieus, een gevarieerd aanbod aan werkgelegenheid en bereikbare voorzieningen. Hiermee draagt een DUS bij aan het streven naar zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. En ook aan concentratie en nabijheid.
Woningen komen in de buurt waar voorzieningen en werk dichtbij elkaar en duurzaam bereikbaar zijn. Het bij elkaar zetten van wonen, werken en voorzieningen zorgt er ook voor dat diensten, voorzieningen, bedrijven en kennisinstellingen het meest van elkaar profiteren. Dit bevordert de werkgelegenheid en arbeidsproductiviteit. Maar nog belangrijker: het vergroot de leefbaarheid en brede welvaart in onze regio’s.
Bij het versterken van de DUS-regio’s zetten we de grote steden (Zwolle, Almelo, Hengelo, Enschede en Deventer) centraal als kloppend hart en motor van de regio. Hardenberg en Steenwijk hebben als streekcentrum in hun specifieke regio ook een centrale rol. In de steden komen werkgelegenheid, wonen en voorzieningen samen en is ruimte voor de (boven)regionale behoefte. De steden zijn de poort voor de verbinding met de rest van Nederland en daarbuiten. Zeker met het openbaar vervoer. Het gros van de opgave voor wonen en werken landt in deze steden, hier is ruimte voor het opvangen van de (boven)regionale woonbehoefte en (boven)regionale bedrijvigheidsbehoefte. In de steden ontstaat de opgave om dit in samenhang vorm te geven en daarbij aandacht te hebben voor de opgaven die dit met zich meebrengt op andere verstedelijkingsthema’s. Voor deze omvangrijke en samenhangende opgave hanteren we bewust de term ‘verstedelijking’. Dit duidt de samenhang tussen en diversiteit van de opgaven in de bebouwde omgeving. Verstedelijking gaat om méér dan ‘slechts’ woningbouw, economie en bereikbaarheid. Een DUS functioneert niet alleen door de steden. Stad en land functioneren in een DUS juist in een innig verband. De samenhang met de omliggende kernen en het landelijk gebied is erg belangrijk. Mensen bewegen zich voor de dagelijkse bezigheden, dagelijks door het hele Daily Urban System.
Voor woon-werkverkeer, familiebezoek, gebruik van voorzieningen, ondernemen of recreatie en ontspanning. Dat maakt ook de onderlinge verbindingen binnen een DUS zo belangrijk. Bereikbaarheid van iedere kern, passend bij de aard van de kern moet daarom ook op orde zijn. Om dit optimaal te laten functioneren werken we aan een mobiliteitstransitie waarin minder, anders en schoner leidraad zijn. De gekozen term ‘verstedelijking’ omvat de vele functies die we in steden en dorpen tegenkomen: wonen, werken, winkels, voorzieningen
61
Ga naar inhoudsopgave
(onderwijs, sport, cultuur, infrastructuur, etc.) en de samenhang hiervan met de opgaven rondom vergroening, biodiversiteit en klimaat in het bebouwde gebied. In kernen is ruimte om te bouwen voor de lokale behoefte. Hier is het van belang dat er samenhang aangebracht wordt bij het programmeren van woningbouwlocaties en nieuwe werklocaties en dat goed gekeken wordt naar de bereikbaarheid van beide. Zowel bij woningbouw- als bedrijvigheidontwikkeling is zuinig ruimtegebruik een belangrijk uitgangspunt. Dit betekent dat we steviger voorwaarden stellen aan stedenbouw, uitgaan van hoger bouwen en slimmer ruimtegebruik. Voor bedrijvigheid willen we dat bedrijven zich vestigen in clusters met een profiel, bijvoorbeeld op Topwerklocaties of locaties rond innovatieve thema’s. Of clusters van bedrijven met hogere milieu categorieën. Grootschalige bedrijvigheid wordt geclusterd op plekken met ruimte en goede aansluitingen voor overslag (weg, water en spoor). Voor overige kernen geldt dat zij enkel kunnen voorzien in hun behoefte aan bedrijventerrein op basis van de geldende programmeringsafspraken. Voor de drie DUS-regio’s stellen we Ruimtelijk Economische Bouwstenen op.
Deze bouwstenen geven een helder economisch profiel voor de DUS-regio tot aan 2040 en vormen input voor ruimtelijk-economische afwegingen binnen de programmering van bedrijventerreinen, verstedelijkingsstrategieën en de aanpak van het landelijk gebied.
Dit vraagt in de programmering van functies ook regionale afstemming. Door hierop in te zetten willen we ook de brede welvaartsverschillen tussen regio’s tegengaan. Dit sluit aan op de resultaten uit het rapport ‘Elke regio telt’ van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. Dit geldt voor iedere regio in Nederland onderling en daarmee dus ook voor onze regio’s. Op het gebied van de mobiliteitstransitie bouwen we voort op onze sterke netwerken zoals weg, water en spoor, waarbij we aandacht hebben voor snelheid en doorstroming ten behoeve van de bereikbaarheid van, naar en binnen onze provincie. Vanwege het grote belang van de bereikbaarheid in de hele provincie, streven we voor iedere kern in een DUS naar een passende vorm van (publieke) bereikbaarheid. De steden zijn vervolgens de poort en verbinding naar de rest van het land en daarbuiten. De belangrijke corridors die de onderlinge verbinding vormen tussen de drie DUS-regio's zijn van cruciaal belang om deze schakel te kunnen zijn tussen regionaal en nationaal vervoer. Tot slot kennen we drie Cultuurregio’s die samenvallen en verweven zijn met de DUS-regio’s. Elke Cultuurregio heeft een eigen profiel, waarin de ambities staan voor het cultuurbeleid in die regio.
We willen dat de DUS-regio’s (zowel de steden, als de dorpen en kernen, met bijbehorende werklocaties en voorzieningen) elkaar versterken. Dit willen we doen door ruimte te bieden aan bedrijvigheid en versterking van de grootstedelijke cultuur én door in te zetten op concentratie van (boven)regionale functies en voorzieningen op de hoogdynamische plekken binnen de stedelijke netwerken waar zij het beste tot hun recht komen. Iedere DUS-regio heeft zijn eigen profiel met een daarbij passend pakket aan woon- en werkmilieus en een totaalpakket aan voorzieningen.
62
Ga naar inhoudsopgave
3.5 Voortbouwen op onze bestaande sterke netwerken Dit Leidende Principe houdt in dat we voort willen bouwen op onze bestaande en sterke netwerken en dat nieuwe ontwikkelingen hierop aansluiten. Op verschillende gebieden is onze provincie bedekt met een sterk netwerk. Of het nou gaat over mobiliteit, natuur, landbouw of sterke sociale structuren zoals Noaberschap, of de samenwerking die diepgeworteld zit in ons midden- en kleinbedrijf (mkb). Deze sterke netwerken bieden een goede basis om ontwikkelingen aan te koppelen. Wij willen deze netwerken blijvend robuust hun functie laten vervullen. Robuust in de zin dat zij bestand zijn tegen ontwikkelingen in de toekomst en de impact die dat op een netwerk heeft. Denk aan de gevolgen van de voortgaande klimaatverandering, de toename van de verstedelijking, veranderingen in ons energiegebruik en –opwek, of nieuwe vormen van mobiliteit. Een robuust netwerk heeft flexibiliteit en veiligheid om mee te bewegen op verandering in de omgeving. Netwerken vertakken zich vaak door de hele provincie. Een goed functionerend netwerk is daarmee een krachtig middel om bij te dragen aan de balans die we in de provincie hebben en willen houden.
63
Dit netwerk fungeert namelijk als verbinding tussen bijvoorbeeld stedelijk en landelijk gebied, producent en afnemer, ondernemer en klant, flora en fauna, Overijssel met de rest van het land en daarbuiten, en zeker zo belangrijk: als verbinder voor onze inwoners. Door voort te bouwen op deze robuuste en sterke netwerken zorgen we dat ontwikkelingen optimaal profiteren van de kracht van de netwerken en dat netwerken onderling elkaar versterken. Vanuit dit principe zetten we bijvoorbeeld in op: • Voorkeur voor ontwikkelen van wonen en werken op goed (OV-) bereikbare plekken, boven het realiseren van grootschalige nieuwe infrastructuur. We blijven ons basis-ov-netwerk in de hele provincie waar mogelijk versterken; • Werken ontwikkelen in nabijheid van werknemers; • Een krachtige landbouwsector als drager van een leefbaar platteland/ plattelandskracht; • Energie-opwek nabij energienetwerk en energievraag nabij opwek; • Natuurnetwerken beschermen, ontwikkelen en verbinden; • Samenwerking als basis voor regionale ontwikkeling.
Ga naar inhoudsopgave
3.6 De Redeneerlijn: toepassen van de Leidende Principes De ruimte in onze provincie is beperkt, wat maakt dat er keuzes nodig zijn over wat passende ontwikkelingen zijn op verschillende plekken in onze provincie. Dit doen we aan de hand van de hierboven genoemde vier Leidende Principes. Deze vier Leidende Principes raken elkaar en dit vraagt soms ook om een prioritering. Om hier houvast in te hebben is onderstaande Redeneerlijn ontwikkeld. De Redeneerlijn is het kader dat helpt bij de afweging ‘waar’ een ontwikkeling een plek kan krijgen. Het is daarmee een hulpmiddel dat helpt om binnen de kaders van de Omgevingsvisie een afweging te maken, of om te kunnen reageren op een initiatief tot functieverandering. Bij het beoordelen of een ontwikkeling of initiatief passend is op een locatie, wordt de hele Redeneerlijn doorlopen. In de Redeneerlijn is onderscheid gemaakt in de mate van afweegruimte. Op elementen hoger in de Redeneerlijn wordt minder lokale afweegruimte geboden. Hier sturen (Europese, landelijke) wettelijk bepalingen of ons provinciale beleid in deze Omgevingsvisie en onze Omgevingsverordening meer. Lager in de Redeneerlijn is meer ruimte voor lokale afweging en invulling. De Redeneerlijn is nadrukkelijk een instrument dat gaat over locatiekeuze (waar).
Het gaat daarmee dus ook niet over de vraag of een ruimteclaim terecht is (of/ wat) en ook niet over de ruimtelijke inpassing in een gebied (hoe). Afbeelding: de Redeneerlijn op basis van de vier Leidende Principes
Uitgangspunt is dat per horizontale balk een afweging wordt gemaakt. Hierbij wordt beoordeeld of een functie geen belemmering vormt voor (instandhouding of ontwikkeling van) een te beschermen kwetsbare plek en of wordt bijgedragen aan een toekomstbestendig en klimaatrobuust Overijssel. Onderstaand volgt per horizontale balk in de Redeneerlijn een korte toelichting.
64
Ga naar inhoudsopgave
Wettelijk beschermde gebieden Als eerste stap wordt gekeken welke juridisch verankerde bescherming er op een locatie rust. Bescherming uit bijvoorbeeld wettelijke bepalingen, Europese richtlijnen of zaken die we in onze eigen Omgevingsverordening juridische bescherming hebben willen of moeten geven. Dit gaat bijvoorbeeld om drinkwaterwingebieden, Natura 2000gebieden of beschermde stad- en dorpsgezichten. Nieuwe ontwikkelingen mogen hiermee niet in strijd zijn. Functies die goed samengaan met de wettelijk beschermde status van het gebied kunnen uiteraard wel ontwikkeld worden.
Maatregelen die nodig zijn om in te spelen op klimaatverandering Hiermee geven we, voor wat betreft de locatiekeuze, nadere invulling aan het Leidende Principe 3.3 “water en bodem sturend maken in onze ruimtelijke inrichting”. Vertrekpunt voor de beoordeling of een nieuwe functie passend is, is het onderscheid in vier gebiedstypen waar verschillende maatregelen nodig zijn om in te spelen op doorzettende klimaatverandering. Voor ieder van de vier gebiedstypen en het bebouwde gebied zijn richtinggevende uitspraken opgesteld, die inspelen op de doorzettende klimaatverandering en de specifieke effecten die dat op verschillende gebieden heeft. Nieuwe functies dienen te passen bij de eigenschappen en doelen die bij het gebied horen.
65
In onze Omgevingsverordening is opgenomen dat inzichtelijk moet worden gemaakt of een ontwikkeling bijdraagt aan een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Bij een initiatief is het nodig om inzichtelijk te maken op welke wijze de voorgenomen functie passend is bij de richtinggevende uitspraken van het betreffende gebied en hoe de functie inspeelt op doorzettende klimaatverandering. Afwijkingen zullen goed moeten worden onderbouwd. Als een functie strijdig is aan de richtinggevende uitspraken, moet in ieder geval in beeld gebracht worden dat alternatieve locaties voor de ontwikkeling niet mogelijk zijn.
Landgebruik dat afhankelijk is van specifieke natuurlijke omstandigheden Er is een onderscheid tussen functies (vormen van landgebruik) die wel of niet gebonden zijn aan specifieke natuurlijke omstandigheden van een plek. Voorbeelden van functies die wel afhankelijk zijn van specifieke omstandigheden zijn bijvoorbeeld natuur of landbouw met generieke opgaven en kansen. Voorbeelden van functies die minder gebonden zijn aan specifieke omstandigheden, en daardoor op meerdere plekken ontwikkelt kunnen worden, zijn woningbouw, bedrijvigheid of het opwekken van (duurzame) energie. Doorzettende klimaatverandering gaat effect hebben op de natuurlijke omstandigheden van een plek. Om de ruimte in onze provincie zorgvuldig te gebruiken vinden wij het van belang om mee te wegen of een functie afhankelijk is van deze omstandigheden. Die functie willen wij waar nodig dan ook voorrang geven boven functies die minder
Ga naar inhoudsopgave
gebonden zijn aan de natuurlijke omstandigheden. Reden hiervoor is dat als gevolg van doorzettende klimaatverandering deze plekken schaarser worden en wij het van belang vinden om zuinig te zijn op deze gebieden en ze zorgvuldig te benutten. Het te strikt hanteren van dit uitgangspunt kan echter ongewenste effecten opleveren. Bijvoorbeeld omdat kernen volledig zijn gelegen in een gebied met gunstige omstandigheden voor landgebruik dat daar afhankelijk van is en daardoor geen uitbreidingsmogelijkheden meer zouden hebben. Bijvoorbeeld als een kern direct omsloten is door veel natuur of landbouwgrond met generieke opgaven en kansen. In zo'n geval zou dan nauwelijks nog mogelijkheden overblijven voor het ontwikkelen van woningen, voorzieningen of werklocaties. Dit staat echter haaks op het Leidende Principe dat we werken aan sterke DUSregio’s, waarvoor ook een ruimtevraag geldt. Daarom is het van belang om een uitzonderingsmogelijkheid op te nemen om voor verstedelijkingsopgaven die regionaal zijn afgestemd binnen de DUSregio. Ook kan het zijn dat er gunstige omstandigheden zijn voor een opgave op een bepaalde plek, maar dat elders voor die opgave al voldoende is gedaan. Denk bijvoorbeeld aan leefgebied van te beschermen soorten waarvoor specifieke omstandigheden nodig zijn.
Als zich een ruimtevraag aandient in een gebied dat hier geschikt voor is, dan zou dat bij het hanteren van het beschermen van het leefgebied voorrang vragen. Wanneer echter elders in de provincie al voldoende leefgebied zou zijn voor een gunstige staat van instandhouding van deze soorten, zou er meer afwegingsruimte geboden kunnen worden om af te wegen of ander gebruik passend is op die locatie.
66
Om invulling te geven aan de afweegruimte die we hier bieden, nemen we in onze Omgevingsverordening op dat bij de beoordeling van plannen inzichtelijk moet zijn gemaakt dat de voorgenomen functie niet elders ontwikkeld kan worden op een locatie waar zich geen functies die gebonden zijn aan natuurlijke omstandigheden bevinden. Als dat toch het geval is, wordt beoordeeld of de ontwikkeling plaatsvindt in het kader van een regionale programmeringsafspraak. Daarmee stimuleren we ook bovengemeentelijke afweging.
Duurzaam omgaan met ruimte en voorraden Een volgende stap in de Redeneerlijn biedt nog meer ruimte voor afweging aan de hand van het Leidende Principe “3.2 duurzaam omgaan met ruimte en voorraden”. Duurzaam omgaan met ruimte en voorraden kent hierin twee belangrijke onderdelen, namelijk inbreiding voor uitbreiding en meervoudig gaat voor enkelvoudig ruimtegebruik. Door af te wegen of nieuw ruimtebeslag kan worden beperkt of voorkomen zorgen we ervoor dat er zuinig wordt omgegaan met schaarse ruimte. Zo heeft het onze voorkeur om invulling van de opgave van 10% groenblauwe dooradering, met name te laten landen in gebieden met meervoudige opgaven en kansen voor klimaat, water en natuur. Ook kijken we bij inbreiding voor wonen, werken of voorzieningen naar de optimale mogelijkheden om, passend bij de lokale identiteit, in hogere dichtheden te bouwen. Voor hulp bij de afweging bij deze stap verwijzen we naar hetgeen beschreven staat onder dit Leidende Principe.
Ga naar inhoudsopgave
opgaven rondom bijvoorbeeld groenblauwe dooradering of de realisatie bedrijventerreinen niet in de weg zitten. Als aan alle opgaven is voldaan, kan er meer ruimte gelaten worden voor afweging. Ontwikkelingen die aansluiten op bestaande netwerken en deze versterken Het Leidend Principe “3.5 voortbouwen op bestaande netwerken” vraagt om het in beeld brengen van de verschillende netwerken die er zijn (denk bijvoorbeeld aan natuur, energie, infrastructuur, bebouwing of een sociaal netwerk). Is het mogelijk om hierop voort te bouwen en dat netwerk te versterken?
Opgaven gaan voor ambities Om voldoende ruimte te hebben voor alles wat een plek nodig heeft in onze provincie, is het relevant om onderscheid te maken tussen opgaven/taken en ambities/streven. Wanneer een opgave/taak nog niet voldoende is ingevuld, moet dit meewegen en prioriteit krijgen wanneer keuzes nodig zijn. Als er aanvullende ruimte gevraagd wordt voor functiegebruik waarvoor al aan de opgave is voldaan, is er dus sprake van een aanvullende ambitie. Deze ambitie, moet de ontwikkeling van een functie waar nog een opgave op te behalen is, niet in de weg zitten. Zo gaat op het moment dat de doelstellingen voor zon op land al behaald zijn, het behouden van voldoende landbouwgrond met oog op voedselzekerheid, vóór op het realiseren van een lokaal zonneveld. Of als bijvoorbeeld in de regionale woondeals is afgesproken om bij een kern 100 woningen te realiseren, mag eventuele aanvullende woningbouw bovenop die 100, het ontwikkelen van nog niet bereikte
67
Weeg toekomstbestendigheid en effecten op brede welvaart mee Als laatste stap is het ook belangrijk om mee te wegen of een ontwikkeling op die plek, als 10 of 20 jaar vooruit wordt gekeken, ook een verstandige ontwikkeling is. Past de beoogde ontwikkeling dan op deze plek? Dit is bedoeld om dit aspect ook te betrekken op het moment dat een keuze wordt gemaakt. Hetzelfde geldt voor het betrekken van de effecten op brede welvaart. Hiervoor verwijzen we naar hetgeen beschreven is in “2.5. Brede welvaart voor al onze inwoners met onze Rode Draden” van deze Omgevingsvisie en de uitwerking van de Rode Draden in hoofdstuk 4 van deze Omgevingsvisie. Brede afweging van alle elementen in de redeneerlijn De groene pijl in de Redeneerlijn symboliseert dat het van belang is om alle aspecten uit de Redeneerlijn te betrekken in de afweging. Ook in beschermde gebieden liggen wellicht kansen die goed te combineren zijn met de functie die bescherming nodig heeft en zo zou bij kunnen worden gedragen aan het versterken van de brede welvaart, of het binnen bereik brengen van een ambitie.
Ga naar inhoudsopgave
Hoofdstuk 4: Werken aan brede welvaart met Rode Draden
68
Ga naar inhoudsopgave
4.1 Inleiding Brede welvaart is alles wat mensen van waarde vinden. Naast materiële/economische welvaart gaat het ook om gezondheid, onderwijs, milieu, leefomgeving, sociale cohesie, persoonlijke ontplooiing en (on)veiligheid. Bovendien betreft het niet alleen de kwaliteit van leven in het ‘hier en nu’, maar ook de effecten van onze manier van leven op het welzijn van mensen ‘elders’ (buiten de regio) en ‘later’ (toekomstige generaties).
We werken aan het behouden en verbeteren van brede welvaart met onze Rode Draden: Ruimtelijke Kwaliteit, Sociale Kwaliteit, Gezondheid en Duurzaamheid. De Rode Draden zien we als belangrijke waarden die bijdragen aan een mooi, sociaal, duurzaam en gezond Overijssel. We hebben hiervoor kwaliteitsambities opgesteld, die hieronder nader worden toegelicht. Deze kwaliteitsambities raken alle thema’s binnen de fysieke leefomgeving.
Met deze Omgevingsvisie willen we een bijdrage leveren aan de brede welvaart van onze inwoners. We nemen daarom ook economische en sociaal-maatschappelijke aspecten in onze ruimtelijke afwegingen mee. Zo houden we oog voor de impact op de mens en de maatschappij. Dit doen we in hoofdzaak met Rode Draden en ons economische beleid. Bij nieuwe initiatieven vragen we te onderbouwen hoe deze initiatieven bijdragen aan de brede welvaart.
69
Ga naar inhoudsopgave
4.2 Ruimtelijke Kwaliteit
herkennen, koesteren en verder uitbouwen van de dragende structuren van het agrarische cultuurlandschap is onze leidraad. Dragende structuren zijn bijvoorbeeld de wegenstructuur, de structuur van waterlopen, bebouwingslinten en nederzettingsvormen, het web van verspreide boerderijen met onderlinge verbindingslijnen en patronen van landschapselementen. Door nieuwe initiatieven zorgvuldig in te passen en aan te sluiten op de dragende structuren van een gebied, kan het karakter en het onderscheid met andere gebieden versterkt worden. Het is daarbij de kunst om vormen van grondgebruik, bebouwingsvormen en infrastructuur zo te ordenen dat naast het karakter ook de samenhang in het gebied wordt versterkt en nieuwe kwaliteiten (kunnen) ontstaan. Zorgvuldige arrangementen van bebouwing, versterking van landschappelijke structuren en het beheer van kenmerkende landschapselementen horen daar vanzelfsprekend bij.
Ruimtelijke Kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor mens, plant en dier. Ruimtelijke Kwaliteit gaat hierbij niet zo zeer over ‘mooi’, maar vooral over ‘goed’: gebiedseigen (belevingswaarde), functioneel (gebruikswaarde) en toekomstbestendig. Ruimtelijke Kwaliteit is van grote betekenis voor de inwoners en voor de gebruikers en de bezoekers van onze provincie. Het draagt bij aan een goed, mooi en prettig woon- en werkklimaat. Maar ook aan het vestigingsklimaat voor bedrijven en recreatieve en toeristische mogelijkheden. We hebben voor Ruimtelijke Kwaliteit zeven kwaliteitsambities die hun vertrekpunt hebben in de bestaande kwaliteiten van Overijssel: •
•
70
Natuur als ruggengraat. Voor heel Overijssel streven we naar een basiskwaliteit natuur en een groenblauwe dooradering voor diverse doelen, met name natuur, landschap en water. Onder basiskwaliteit natuur wordt verstaan: een set van condities die nodig is om algemene soorten algemeen te laten zijn, blijven of worden. De groenblauwe dooradering verbindt natuurgebieden onderling en het stedelijk met het landelijk gebied. Het gaat hier om groene en blauwe verbindende elementen, zoals houtwallen, watergangen, kruidenrijke graslanden, soortenrijke stroken in de akkerbouw, die bijdragen aan de biodiversiteit. Dit sluit ook aan op het stimuleren van natuurinclusieve landbouw. Voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen. Het aanzien van bijna driekwart van het oppervlak van onze provincie wordt bepaald door het agrarisch cultuurlandschap. Het vormt voor veel inwoners hun woon- of werkomgeving en voor nog meer mensen de omgeving waarin ze hun vrije tijd, fietsend, wandelend, varend, doorbrengen. Het
•
Brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus: elk buurtschap, dorp en stad zijn eigen kleur. Mensen koesteren verschillende wensen ten aanzien van hun woning en woonomgeving. Dit verschil in woonwensen neemt eerder toe dan af. Het aanbod van woonmilieus moet daarop reageren met een breed spectrum aan mogelijkheden. Wonen in het landschap, wonen in de stadsrand, wonen in de nieuwe stad, wonen in de oude stad. Het palet van steden en dorpen met een eigen karakteristieke opbouw, met eigen gebiedskenmerken en inbedding in het landschap is een bijzonder kenmerk van Overijssel. Het is goed de veelkleurigheid van het palet een impuls te geven. Hier gaat het om het herontdekken of zelfs opnieuw uitvinden van de eigen dragende kwaliteiten en structuren en daarop aansluiten met eigentijdse vormen van grondgebruik en inrichting. Denk aan wonen en werken op erven, op landgoederen, in buurtschappen, dorpse wijken, dorpsranden, diverse stadsringen, centra, villabuurten en wonen aan het water. En bedien ook de uitersten: kleinschalige extensieve milieus aan de ene en hoogstedelijke compacte milieus aan de andere kant. Daarbij inspelend op hittestress, vergroening en andere
Ga naar inhoudsopgave
klimaatopgaven in de steden. We streven hierbij naar fraaie dorpen en vitale steden. Met eigen cultuurhistorische identiteit, klimaatbestendig en met natuur om de hoek. •
Het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken. Een belangrijk onderscheid vanuit beleving is die tussen rust en drukte, tussen gebieden waar het ‘s nachts nog echt donker is en gebieden waar het licht nooit uit gaat. Dit contrast willen we versterken door hoog dynamische ontwikkelingen te concentreren rondom bestaande hoofdinfrastructuur, stedelijk gebied en bedrijventerreinen.
•
Aantrekkelijke routes voor een toegankelijk en beleefbaar Overijssel. Verschillende groepen mensen met verschillende aanspraken en behoeften maken gebruik van de mogelijkheden die het landschap biedt voor grote en kleine ommetjes, voor grote en kleine tochten en ontdekkingsreizen. Een netwerk van routes voor wandelen, fietsen, paardrijden varen en autorijden verhoogt de belevingskwaliteit aanzienlijk, omdat het de binnensteden, dorpscentra, landgoederen, de recreatievoorzieningen, de toeristische attracties en de natuurgebieden verbindt. Een verbindend netwerk, niet alleen als ontsluiting, zodat je er kan komen, maar ook als ruimtelijke structuur, zodat je het landschap kan ervaren. Aantrekkelijke routes en een toegankelijk landschap stimuleren het naar buiten gaan, wat onder meer goed is voor de mentale en fysieke gezondheid. De kernrandzones vervullen een cruciale rol in de verbinding tussen stad en land. Zij zijn zowel de poort van de stad, als de toegang vanuit de stad naar het landelijk gebied. Onze inzet is het accentueren en het beleefbaar houden of maken van regionale lange lijnen en randen in onze provincie. Het gaat hier bijvoorbeeld om het herstellen en complementeren van de laanstructuren van Twente en Salland. Een ander voorbeeld is het (her)inrichten van de grote doorgaande routestructuren van het provinciale wegen- en kanalennetwerk als lineair landschap.
Maar het gaat ook om de beleving van de kwaliteiten van het
71
Overijsselse landschap als je je rijdend, fietsend, wandelend of varend over de diverse routestructuren beweegt. •
Sterke ruimtelijke identiteiten als merken voor Overijssel. Gedeelde verhalen en waardering van gebieden met een sterke ‘sense of place’ zorgen ervoor dat mensen er identiteit en betekenis aan toekennen. Overijssel heeft een aantal ‘sterke merken’ in huis: van de waterrijke Kop van Overijssel, de Hanzesteden, het Wilde Hart van Vecht, Regge en Sallandse stuwwal, het landgoederenlandschap ten noorden van Deventer, het rivierenlandschap van de IJssel, de Twentse steden en het Twentse essen- en stuwwallenlandschap. We halen ‘alles uit de kast’ om de potentiële kwaliteiten van de sterke ruimtelijke identiteiten van Overijssel te verzilveren. Dit betekent inzet op de inrichtingskwaliteit, het eigen gezicht, het stimuleren van ondernemerschap, van streekproducten, vergroting/verdieping/verbreding van recreatieve mogelijkheden en inzet op marketing. Niet alleen vanuit economisch oogpunt, maar ook voor de vitaliteit en leefbaarheid van de genoemde gebieden.
•
Bodem als basis met een robuust en beleefbaar watersysteem. Het water- en bodemsysteem vormt de basis voor de (toekomstige) inrichting van onze provincie. Zie hiervoor ook paragraaf 3.3. ‘Water en bodem sturend maken in onze ruimtelijke inrichting’.
Ga naar inhoudsopgave
4.3 Sociale Kwaliteit Met de Rode Draad Sociale Kwaliteit bedoelen we hoe mensen hun leefomgeving waarderen als het gaat om zaken als Noaberschap, vitaliteit, inclusie en gezondheid. Door het stimuleren van sport en bewegen, positieve gezondheid en initiatieven van onderop draagt Sociale Kwaliteit bij aan een gezonder en gelukkiger Overijsselse samenleving. Daarbij streven wij ernaar dat Overijsselaars gezond en vitaal blijven en initiatief blijven nemen voor een fijne buurt en een omgeving die past bij wat ze nodig hebben. Zodat zij zo lang mogelijk zelfstandig kunnen leven in hun eigen fijne leefomgeving. Waar mensen lekker in hun vel zitten en voor elkaar klaar staan. En waar iedereen mee doet en zichzelf kan zijn. Onze inwoners maken onze provincie tot wat ze is: een aantrekkelijke plek om te wonen, werken, recreëren en leven. Met de Rode Draad Sociale Kwaliteit dragen we bij aan deze aantrekkelijke leefomgeving zodat inwoners er zichzelf kunnen zijn en er zich thuis voelen en Overijssel de fijne provincie voor hen blijft. We hebben voor deze Rode Draad de volgende kwaliteitsambities: •
Een inclusieve en participatieve samenleving. Een samenleving waar iedereen mee kan doen en veilig zichzelf kan zijn. Een inclusieve samenleving zonder fysieke of sociale beperkingen betekent dat iedereen meedoet en meetelt. Zodat iedereen een fijn sociaal leven heeft. Dat we allemaal op onze eigen wijze bijdragen aan veiligheid en acceptatie in de samenleving. En dat we bereid zijn ons over verschillen heen te zetten en om te kijken naar de ander.
•
Een actieve samenleving. Een samenleving waar de mogelijkheid om te sporten en te bewegen in de directe omgeving beschikbaar is en de omgeving uitdaagt tot bewegen. Sporten verbindt mensen met elkaar en versterkt de vitaliteit van de inwoners.
72
We ondersteunen en stimuleren Overijsselaars om hun leven lang te bewegen, op hun eigen niveau en met hun eigen doel. Vitale en gezonde mensen hebben meer energie en kunnen goed voor zichzelf en hun leefomgeving zorgen. •
Een gezonde samenleving. Een samenleving waar toegang is tot voorzieningen en/ of activiteiten die bijdragen aan (positieve) gezondheid. Positieve gezondheid is veel meer dan niet ziek zijn: het gaat om goed voor jezelf zorgen en plezier uit het leven kunnen halen. Denk daarbij aan goede voeding, bewegen in de buitenlucht, een fijn sociaal leven en mee kunnen doen in de samenleving. We zorgen ervoor dat inwoners de kans hebben gezond te blijven, gelukkig te zijn en te bewegen. Een gezonde omgeving heeft gezondheid bevorderende aspecten zoals een omgeving die uitnodigt tot beweging, ontspanning en sociale contacten.
•
Overijssels Noaberschap. Een samenleving waarin de sociale verbinding wordt versterkt vanuit de Overijsselse identiteit. Vrijwilligers en initiatiefnemers zijn de basis voor een vitale en aantrekkelijke leefomgeving. Deze vrijwilligers, mantelzorgers en mensen die belangeloos voor hun omgeving zorgen, doen belangrijk werk en zijn onmisbaar. Als provincie waarderen en stimuleren wij de Overijsselse vrijwilligers. Samen voor elkaar en met elkaar. Inwoners bedenken samen de mooiste initiatieven om hun omgeving mooier, toekomstbestendiger en socialer te maken. Want inwoners weten zelf het beste hoe zij hun omgeving aantrekkelijk willen houden of maken. En hoe mooi is het om een eigen idee, samen met buurtbewoners, leden van verenigingen of stichtingen, uit te voeren. Wij faciliteren initiatiefnemers bij het verwezenlijken van hun plannen.
•
Een samenleving waarin mensen elkaar kunnen ontmoeten in een omgeving met voldoende vitaliteit van stads- en dorpscentra met beleving van jong en oud. Bij sociale ontmoetingsplekken in dorpen
Ga naar inhoudsopgave
en wijken ontmoeten mensen elkaar en kunnen ze van elkaar leren. Het is de plek waar goede ideeën ontstaan voor een aantrekkelijke en sociale leefomgeving. Een plek om te sporten, samen activiteiten te doen, naar een goede voorstelling gaan, een boek te halen of gewoon gezellig koffiedrinken. De ontmoetingsplekken vormen ‘het cement van de samenleving’. Daarom ondersteunen en helpen wij bij het komen tot eigentijdse sociale ontmoetingsplekken. Het gaat hierbij om lokale dorpshuizen, kulturhusen en multifunctionele accommodaties.
73
Ga naar inhoudsopgave
4.4 Gezondheid Met onze Rode Draad Gezondheid geven we in ons omgevingsbeleid expliciet uitvoering aan één van de belangrijke doelen van brede welvaart. Met Gezondheid willen we zorgen voor "een langer leven in goede gezondheid en verminderde gezondheidsverschillen" voor en tussen onze inwoners. Gezondheid is een brede term en bevat zowel milieukundige gezondheid als positieve gezondheid: • Milieukundige gezondheid bestaat uit maatregelen die de gezondheid beschermen en maatregelen die de gezondheid bevorderen. • Positieve gezondheid geeft niet alleen aandacht aan lichamelijke of mentale ziekte, maar ook aan zingeving, kwaliteit van leven, meedoen en dagelijks functioneren. De Rode Draad Gezondheid heeft een relatie en overlap met de Rode Draad Sociale Kwaliteit. Dit komt omdat de ambities voor beide Rode Draden vaak zowel de sociale kwaliteit en de gezondheid van mensen raakt. Een groene omgeving om te bewegen en te ontmoeten, draagt bijvoorbeeld zowel bij aan de gezondheid van mensen als aan de sociale kwaliteit. We hebben voor deze Rode Draad de volgende kwaliteitsambities: •
74
Het realiseren van een langer leven in goede gezondheid en verminderde gezondheidsverschillen van de inwoners van Overijssel. Iedereen heeft recht op een lang en gezond leven. We nemen maatregelen om te zorgen dat inwoners van Overijssel kwalitatief langer leven. De verschillen tussen inwoners van Overijssel verminderen we, hierbij kan gedacht worden aan verschillen stad en platteland, theoretisch en praktisch opgeleid en arm en rijk.
•
Gezonde leefomgeving, met een goede milieukwaliteit (lucht, water, geluid en bodem), een groene en klimaatadaptieve leefomgeving en veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen. De leefomgeving heeft grote invloed op onze gezondheid. Enerzijds willen we met een goede milieukwaliteit ervoor zorgen dat de omgeving geen negatieve impact heeft op de gezondheid. Anderzijds willen we de leefomgeving zo inrichten dat deze positief bijdraagt aan de gezondheid door uit te nodigen tot beweging en ontmoeting.
•
Actief in de wereld, waarin we met ons mobiliteitsbeleid inzetten op actief bewegen (fietsen, rennen, wandelen). In ons beleid voor de woon- en werkomgeving maken we meer plek voor beweging en ontmoeting en faciliteren we initiatieven die inzetten op meer bewegen. Actief bewegen draagt bij aan de fysieke en mentale gezondheid. Daarnaast zetten we in op meer beweging door sociale ontmoetingen aan te moedigen omdat de verbinding met anderen bijdraagt aan de gezonde actieve deelname in de samenleving.
•
Thuis voelen, met aandacht voor inclusiviteit, cultuurhistorie en korte voedselketens. Iedereen moet zich in Overijssel thuis voelen. Door inclusiviteit te bevorderen, creëren we ruimte voor alle Overijsselaars in al hun diversiteit. Dit maakt Overijssel sterk. De cultuurhistorie van Overijssel is iets wat ons daarbij allemaal bindt. Deze verbinding is er ook tussen stad en platteland en producent en consument. Zodat we elkaar begrijpen en respecteren.
Ga naar inhoudsopgave
4.5 Duurzaamheid Met de Rode Draad Duurzaamheid gaat het om een duurzame ontwikkeling die voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om in hun behoeften te voorzien. Daarbij spelen onder andere schoon, veilig, leefcondities, milieu/natuur, circulariteit en minder verbruik van grondstoffen een belangrijke rol.
•
Bevorderen van een duurzame economie en leefomgeving die voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar te brengen. De economische ontwikkeling van en in onze provincie koppelen we bij voorkeur aan de sterke kanten van Overijssel, aan de (top)sectoren die ook in de toekomst kansen bieden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de agroen foodsector, waar we voorlopers ruimte geven in proeftuinen en samen met onze partners - de kansen voor ketenoptimalisatie concretiseren. Daarnaast gaat het ook om besparen van grondstoffen en drinkwater. En het opwekken van duurzame (betaalbare) energie en ontwikkeling van innovatie, infrastructuur en industrie.
•
Toekomstbestendig kringlopen sluiten, waarbij we inzetten op minder gebruik van niet hernieuwbare grondstoffen, efficiënt (her)gebruik van grondstoffen, producten en materialen en vermindering van de CO2-uitstoot. In onze provincie willen we verantwoord omgaan met grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen en hebben we, als stip aan de horizon, de ambitie toe te groeien naar een circulaire economie. Een economie die spaarzaam omgaat met grondstoffen, waar winning, gebruik en hergebruik dicht bij elkaar plaatsvinden. Waarin reststoffen maximaal worden hergebruikt en biobased toepassingen worden gestimuleerd. Het sluiten van kringlopen staat hierbij centraal. Dit draagt ook bij aan het borgen van een gezonde leefomgeving door het beperken van schadelijke emissies, hier in onze provincie of elders.
We hebben voor deze Rode Draad de volgende kwaliteitsambities: •
•
75
Een schone en veilige leefomgeving in Overijsel. Een ieder heeft het recht op een gezonde en veilige leefomgeving. Door het waarborgen en bevorderen van onder andere de (fysieke) milieucondities en vergroening van onze leefomgeving dragen we bij aan de materiële welvaart, het welzijn en de gezondheid van onze inwoners alsook het realiseren van duurzame steden en gemeenschappen. In stand houden en bevorderen van de leefcondities, waarbij we met inwoners, bedrijven, gemeenten en maatschappelijke organisaties de milieukwaliteit, biodiversiteit en de natuur in Overijssel duurzaam beschermen, benutten en beleven. Met het bewerkstelligen van natuur/biodiversiteit in alle onderdelen van ons beleid, versterken we de natuurlijke situatie en de milieucondities van onze provincie. Hiermee dragen we bij en uitwerking aan het welvaartsprincipe gericht op het natuurlijk kapitaal en een duurzame ontwikkeling van schoon water, leven op aarde en klimaat.
Ga naar inhoudsopgave
Hoofdstuk 5: Bestuursstijl, uitvoering, samenwerking en monitoring. Van Visie naar Praktijk
76
Ga naar inhoudsopgave
Uitgangspunten van onze bestuursstijl
5.1 Bestuursstijl Inleiding Onze bestuursstijl is de manier waarop wij onze opgaven aanpakken. Het is een belangrijk onderdeel van onze Omgevingsvisie voor Overijssel. Het draait namelijk niet alleen om de inhoudelijke keuzes voor een goede verdeling van de ruimte en de kwaliteit van onze (toekomstige) leefomgeving, maar ook om hóe we die keuzes maken en uitvoeren. Als provincie liggen er veel taken en verantwoordelijkheden op ons bordje, we hebben grote opgaven te realiseren. We staan aan de lat voor zaken van provinciaal belang die het schaalniveau van gemeenten te boven gaan. Daarnaast hebben we op basis van wet- en regelgeving specifieke taken en bevoegdheden. We nemen daarin onze verantwoordelijkheid, ook wanneer het gaat om het maken van moeilijke keuzes. Dat doen we ten behoeve van het algemeen belang in Overijssel én met oog voor de effecten op inwoners, ondernemers en samenleving. Vanuit de basisgedachte ‘decentraal, tenzij’ draagt iedere betrokken partij in lijn met de Omgevingswet bij aan de maatschappelijke opgaven vanuit de eigen expertise, rol, positie en verantwoordelijkheden. Afspraken bespreken we vooraf en leggen we vast. Bij alles wat we doen, zetten we ons in voor de Overijsselse samenleving. De manier waarop we dat doen, is onze bestuursstijl. Onze bestuursstijl wordt ook zichtbaar in de Omgevingsvisie.
77
We willen Noaberschap in het bestuur brengen De grote uitdagingen kunnen én willen we alleen samen oppakken. Het uitgangspunt is de rol die de verschillende overheden hebben in de opgave. We gaan uit van de kracht van de samenleving. Onze ambitie voor bestuursstijl kenmerkt zich door ‘Noaberschap’: • Luisteren en verbinden: we brengen verschillende belangen, perspectieven en ideeën bij elkaar en leren daarvan. We hebben oog voor inhoud, proces én samenwerking. • Eerlijk en betrouwbaar: we doen wat we zeggen en we zeggen wat we doen. We geven aan wat wél en niét mogelijk is. Wanneer we opgaven oppakken, beschrijven we hoe we inwoners, partners en medeoverheden betrekken. Daarover maken we afspraken. Binnen de afspraken is ruimte voor maatwerk om plannen uit te voeren. • Open en uitlegbaar: we communiceren in duidelijke taal en spreken als provincie met één mond. We vertellen hoe we hebben nagedacht over besluiten die we nemen en wat we met ideeën en suggesties hebben gedaan. • Betrokken: het perspectief van de inwoners staat centraal. Onze inwoners betrekken we in de volle breedte. Dat doen we op allerlei manieren, passend bij de doelgroepen. En we denken mee met initiatieven. Hoe kan het wél? We willen zoveel mogelijk werken als één overheid in en met de samenleving De samenleving heeft overheden nodig die in nauw overleg met elkaar als één overheid opereren.
Dat is binnen een politieke context niet eenvoudig. We hebben de ambitie om zoveel mogelijk als één overheid te werken. We proberen daar zo dicht mogelijk bij te komen, maar we zullen daar nog de nodige uitdagingen in tegenkomen. We maken afspraken over hoe we samenwerken, passen het geleerde toe en geven dit een plek in onze overleggen, zoals het Inter Bestuurlijke Toezicht.
Ga naar inhoudsopgave
We willen gebiedsgericht werken en ruimte laten voor oplossingen in gebiedsprocessen Elk gebied is verschillend en vraagt dus om andere oplossingen. Wij zorgen ervoor dat de aanpak aansluit op de specifieke behoeften van onze regio’s en gebieden. Met ons Omgevingsbeleid bieden we heldere kaders voor de gebiedsprocessen én laten we binnen de kaders van ons beleid zoveel mogelijk ruimte voor maatwerk om plannen uit te voeren en in gebiedsprocessen met elkaar oplossingen te vinden. Met ons omgevingsbeleid sturen we daarom op doelen zodat duidelijk is waaraan voldaan moet worden. We ‘leren door te doen’ We moeten aan de slag om de opgaven aan te pakken. Daarnaast geldt dat de inrichting van onze fysieke leefomgeving nooit af is en continu verandert. Dat gebeurt door nieuwe ontwikkelingen en in aansluiting op nieuwe wensen en eisen die de samenleving en leefomgeving stellen. Deze vragen soms om nieuw of aangepast beleid. Hierbij past een lerende aanpak: ‘leren door te doen’. Monitoring en evaluatie zijn essentieel om te weten wat wél en niét werkt en om een aanpak bij te stellen wanneer daar aanleiding voor is. Provincie als gebiedsregisseur Als provincie vervullen wij een belangrijke rol bij het realiseren van de grote opgaven in onze leefomgeving. We weten wat er speelt en kennen de belangen van de verschillende partijen in het gebied.