1. Concept provinciale omgevingsvisie.
Tekst van het document
Op basis van provinciaal belang en wettelijke taken en bevoegdheden zijn wij als provincie ook een partij met belangen. Deze belangen maken we duidelijk kenbaar en die staan in onze Omgevingsvisie. We hebben een sterk netwerk om in samenhang aan de opgaven te werken. We verbinden opgaven en betrokkenen en creëren zo win-win situaties. Dit doen we onder andere door regelmatig in gesprek te gaan met gemeenten en waterschappen, waarin nieuwe ontwikkelingen vroeg in het proces worden besproken en waarbij gezamenlijk gekeken wordt hoe deze passend kunnen zijn.
78
In de Omgevingswet worden provincies ook wel ‘gebiedsregisseur’ genoemd. Als gebiedsregisseur werken we met gebiedspartners, ondernemers en inwoners aan een mooi Overijssel, nu en in de toekomst. Dit lukt alleen als er een sprake is van: een helder toekomstperspectief, duidelijke doelen en heldere verwachtingen over rollen en bijbehorende instrumenten. Rollen en instrumenten Om invulling aan onze provinciale taken en verantwoordelijkheden te geven, onderscheiden we op hoofdlijnen drie rollen: samenwerken, faciliteren en kaderstellen. Welke rol we vervullen heeft te maken met de opgave, het gebied, de fase, de context en de gewenste samenwerking. Daarnaast kennen we meerdere instrumenten die ingezet kunnen worden om onze bestuursstijl tot uitvoering te brengen. In het schema op de volgende pagina staat de relatie tussen rol en instrumenten. Betekenis voor ons Omgevingsbeleid Onze bestuursstijl komt op allerlei manieren in ons omgevingsbeleid tot uiting. De Omgevingsvisie is zoveel mogelijk op hoofdlijnen. Hierin geven we een toekomstperspectief (waar we naartoe willen) voor Overijssel voor de middellange termijn (2035) en de lange termijn (2050). Daar waar wij een provinciaal belang en wettelijke taken en bevoegdheden hebben, geven wij via kaders, zoals de te behalen doelen in ons omgevingsbeleid, richting aan ontwikkelingen binnen de fysieke leefomgeving.
Dit doen we onder andere in deze Omgevingsvisie, in onze Omgevingsverordening en in de Catalogus Gebiedskenmerken. Deze worden uiteindelijk door onze Provinciale Staten vastgesteld. Daarnaast kennen we ook thematische beleidsstukken. De uitvoering van de Omgevingsvisie vindt waar nodig plaats via beleids- en/of uitvoeringsprogramma’s, met bijbehorende instrumenten, in nauw overleg met en met ruimte voor onze partners, ondernemers en inwoners. Én binnen de gestelde kaders uit ons omgevingsbeleid. Als provincie faciliteren wij initiatieven die bijdragen
Ga naar inhoudsopgave
aan onze leefomgeving zoveel mogelijk (‘ja, tenzij’ of vragen om een nadere onderbouwing ‘dit kan als’). Dat doen we op allerlei manieren met kennis en ervaringen, mensen, middelen en besluiten. Op basis van onze bestuursstijl geven we duidelijke kaders in ons Omgevingsbeleid die ruimte laten voor uitwerking. Zo geven we zo veel mogelijk ruimte voor maatwerk en flexibiliteit en voor het vinden van oplossingen in gebiedsprocessen. Dat is noodzakelijk om in te kunnen spelen op ontwikkelingen en initiatieven te stimuleren die bijdragen aan onze leefomgeving. Daarvoor hebben we in ons omgevingsbeleid richtinggevende en inspirerende uitspraken gedaan. Richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden.
Rol
Hier kun je gemotiveerd van afwijken mits je aannemelijk maakt en kunt onderbouwen dat met het alternatief de ambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden hoe onder andere ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden, bijvoorbeeld in de Catalogus Gebiedskenmerken. Je kunt je hierdoor bij plannen laten inspireren, maar dit hoeft niet. Daarnaast hebben we waar nodig, op basis van provinciaal belang en onze wettelijke taken en bevoegdheden, normerende uitspraken gedaan. Hiervoor geldt dat deze opgevolgd moeten worden. Ze zijn daarom in onze Omgevingsverordening vastgelegd. Kortom, we werken in nauw overleg samen en faciliteren waar het kan, en we geven richting en stellen kaders waar het moet. De Omgevingsvisie is een cyclisch proces. De beleidskeuzes en de uitvoering beïnvloeden elkaar. Leren en monitoring zijn daarom belangrijke elementen in onze werkwijze, zie verderop in dit hoofdstuk.
Samenwerkende rol In deze rol werken we met onze partners als evenwaardige partners aan een helder en gezamenlijk doel.
Faciliterende rol In deze rol anticiperen we op initiatieven uit de samenleving en stimuleren we deze proactief.
Kaderstellende rol In deze rol sturen we door kaders te stellen en normerend op te treden. Wij zien toe op naleving hiervan.
Instrumenten
Instrumenten die passen bij deze rol zijn bijvoorbeeld samenwerkingsovereenkomsten en beleids- en/of uitvoeringsprogramma’s met bijbehorende programmeringsafspraken.
Instrumenten die passen bij deze rol zijn bijvoorbeeld subsidieregelingen, het uitwisselen van best practises, het uitvoeren van onderzoeken of het opzetten van een kennisnetwerk.
Instrumenten die passen bij deze rol zijn bijvoorbeeld de omgevingsverordening, ontheffingen en vrijstellingen.
Wederzijdse verwachtingen
Vertrouwen en gedeeld eigenaarschap zijn essentieel voor goede samenwerking. Dat mogen partners van ons verwachten, en dat verwachten wij ook van hen.
Van onze partners verwachten wij creativiteit, innovativiteit, en proactiviteit. Zij mogen van ons verwachten dat we dit stimuleren en (mede-) mogelijk maken.
Onze partners mogen van ons duidelijkheid verwachten over wat wél en niét kan. Wij verwachten dat partners de kaders en normen naleven.
79
Ga naar inhoudsopgave
5.2 Samenwerking en uitvoering Onze hoofdstrategie: doelgerichte samenwerking en uitvoering in gebiedsprocessen Onze uitvoeringsstrategie is gebaseerd op onze bestuursstijl, waarin we de uitvoering van beleid in nauw overleg met onze medeoverheden en de samenleving samenhangend en gebiedsgericht willen gaan uitvoeren, passend bij het Noaberschap in Overijssel. Met het omgevingsbeleid sturen we op doelen. We beschrijven welke doelen en opgaven we moeten of willen halen. Deze komen vaak voort uit wettelijke verplichtingen of uit bestuurlijke afspraken, maar komen ook uit ons eigen beleid waarin staat beschreven wat wij als provincie belangrijk vinden. We schrijven zo min mogelijk voor hoe of met welke maatregelen we deze doelen en opgaven gaan halen. Die uitwerking vindt waar nodig plaats in programma’s en/of gebiedsprocessen. Dit doen we, omdat we het belangrijk vinden om ruimte voor maatwerk en flexibiliteit te bieden bij het bereiken van de doelen en opgaven door samenwerking en uitvoering.
opgaven in nauw overleg uitgewerkt en uitgevoerd worden, in samenhang dus. Dit vinden wij belangrijk, omdat hierbij actief gezocht kan worden naar maatregelen die elkaar versterken. Gebiedsprocessen zijn er in vele vormen en soorten. De uitvoering vindt dus niet plaats in één gebiedsproces, waarbinnen alle opgaven en doelen bereikt moeten worden. We zoeken bij de samenwerking en uitvoering naar de juiste vorm van een gebiedsproces op het juiste schaalniveau. Het schaalniveau kan het schaalniveau van de provincie zijn, op regionaal niveau, lokaal niveau, maar ook op landelijk niveau of zelf internationaal niveau. Voor de groene omgeving werken we bijvoorbeeld met gebiedsprocessen. Deze gebiedsprocessen zijn gericht op de samenhangende aanpak voor natuur-, water- en klimaatdoelen, het behouden en versterken van een leefbaar platteland en het benutten van economische kansen voor boeren en bewoners. Dat doen we door de 3x3-aanpak centraal te zetten die gericht is op sociaal-economisch perspectief voor de landbouw en het herstel van natuur, watersystemen en klimaat.
De uitvoering is gebaseerd op het uitgangspunt dat we de doelen en opgaven zoveel mogelijk willen behalen door uitvoering in gebiedsprocessen, waarin we in nauw overleg met medeoverheden en andere partners onderzoeken en bepalen welke maatregelen getroffen moeten worden. We willen met gezamenlijk feitenonderzoek gebruik van elkaars kennis. Bijvoorbeeld van de kennis van waterschappen over het water- en bodemsysteem, en van de kennis van gemeenten, gebiedspartners en inwoners over de lokale situatie. We willen hierbij in een zo vroeg mogelijk stadium samen optrekken.
Voor het bebouwde gebied zetten we regio samenwerking en verstedelijkingsstrategieën voor de drie DUS-regio’s centraal. De verstedelijkingsstrategie van de regio Zwolle geeft richting aan de groei van wonen en werken in de regio, in relatie tot mobiliteit, klimaatverandering en de energietransitie. Voor de regio’s Stedendriehoek en Twente worden momenteel verstedelijkingsstrategieën opgesteld. De verstedelijkingsstrategieën zijn daarnaast input voor het proces dat samen met het Rijk doorlopen wordt in het kaders van het Programma NOVEX en de Nota Ruimte.
Uitgangspunt hierbij is zoveel mogelijk ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’. In deze gebiedsprocessen staat voorop dat meerdere
Belangrijk bij gebiedsprocessen is dat we de kenmerken, kwaliteiten en identiteit van het gebied als uitgangspunt nemen. Dit kan betekenen dat er niet één algemene maatregel genomen wordt om een opgave of doel te halen, maar dat dat afhankelijk is van het gebied. Maatwerk en gebiedseigen staat hierbij centraal. Onderdeel van de gebiedsprocessen
80
Ga naar inhoudsopgave
is ook gezamenlijk feitenonderzoek, en op onderdelen een thematische samenwerking en uitvoering. Thematische samenwerking en uitvoering passend binnen onze hoofdstrategie Om de doelen en opgaven te halen werken we niet alleen met onze hoofdstrategie ‘doelgerichte samenwerking en uitvoering in gebiedsprocessen’. We maken daarnaast gebruik van thematische samenwerking en uitvoering. Veel van deze thematische samenwerking en uitvoering vindt nu al plaats. We blijven hiermee doorgaan en sluiten aan op bestaande (uitvoerings)processen. Thematische samenwerking en uitvoering vindt onder andere plaats door middel van: • Thematische beleids- en/of uitvoeringsprogramma’s zoals het Regionaal Waterprogramma (RWP), Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG), het Regionaal Mobiliteitsprogramma (RMP), het Provinciale Programma Energietransitie (PPE) en de Ontwikkelopgave Natura 2000/NNN; • Programmeringsafspraken voor bedrijventerreinen en de woonafspraken. Of afspraken op het gebied van de Bossenstrategie en de Adaptieve Strategie Drinkwater; • Inspireren en stimuleren door het verwerven en delen van kennis, het bieden van subsidies en fondsen, het bieden van inspiratieboeken/ handreikingen of onze Catalogus Gebiedskenmerken; • Onze reguliere werkzaamheden op het gebied van beheer en onderhoud, vergunningverlening en toezicht of het doorlopen van ruimtelijke procedures.
Bij de thematische samenwerking en uitvoering wordt gebruik gemaakt van de meest ideale en doeltreffende vorm van inzet en bijbehorende mix van instrumenten. De thematische samenwerking en uitvoering staat niet los van onze hoofdstrategie ‘doelgerichte samenwerking en uitvoering in gebiedsprocessen’, maar vindt daarbinnen plaats. We zullen als
81
provincie bij de thematische samenwerking en uitvoering breder kijken naar alle andere opgaven/ programma’s / projecten / processen die spelen in een gebied. (Provincie)grensoverschrijdende uitvoering en samenwerking Als provincie zijn we afhankelijk van (inter)nationale wet- en regelgeving, van programma’s en ook van financieringsmogelijkheden. Daarom werken we als provincie veel samen met het Rijk en met de Europese Unie. Het Rijk en de Europese Unie spelen een belangrijke rol bij het realiseren van de grote uitdagingen binnen onze provincie, maar ook bij het ontwikkelen en stimuleren van de ontwikkeling op het gebied van technologische, maatschappelijke en organisatorische innovaties. Deze innovaties kunnen ons helpen om de uitdagingen aan te pakken en tegelijkertijd onze concurrentiepositie versterken, uitdagingen aangaan en een duurzame en welvarende toekomst voor onze provincie nastreven. Als provincie willen we profiteren van de mogelijkheden die de Nationale en Europese samenwerking biedt. Daarom hebben we nauwe betrokkenheid bij Nationale en Europese programma’s, initiatieven en fondsen. Dit stelt ons in staat om kennis uit te wisselen, samen te werken met andere (Europese) partners en gezamenlijk oplossingen te vinden voor grensoverschrijdende vraagstukken.
Door actief deel te nemen aan Nationale en Europese netwerken en samenwerkingsverbanden, kunnen we onze stem laten horen en invloed uitoefenen op het beleid en de besluitvorming die onze provincie beïnvloeden. Participatie We vinden het belangrijk dat iedereen die zich betrokken voelt bij provinciale plannen en programma’s zijn stem heeft kunnen laten horen. En dat ze horen hoe er met hun input is omgegaan. Participatie bij provinciale programma’s, projecten en gebiedsprocessen vindt nu al plaats, zo is deze Omgevingsvisie is bijvoorbeeld tot stand gekomen via een uitgebreid participatief proces met onze gebiedspartners. Een
Ga naar inhoudsopgave
verantwoording van dit proces met bijbehorende participatie is te vinden in bijlage 2 van deze Omgevingsvisie. De inzet en toepassing van participatie in de uitvoering van Omgevingsvisie is divers. Net zo divers als de opgaven waaraan wij werken. Per opgave bepalen we daarom óf en hóe we participatie toepassen, passend bij de doelgroepen en de opgave. Een goed verwachtingenmanagement is hierbij van belang. We geven daarom van tevoren duidelijk de kaders aan waarbinnen geparticipeerd kan worden. Bij gebiedsprocessen nemen we een regisserende rol om te zorgen dat samen met de ‘noabers’ oplossingen worden gevonden. We denken mee met initiatieven van onderop en faciliteren initiatieven die bijdragen aan onze leefomgeving zoveel mogelijk (‘ja, mits’). In de Omgevingswet staat dat initiatiefnemers bij al hun plannen aangeven of participatie heeft plaatsgevonden. Daarom vragen wij aan initiatiefnemers om te laten zien hoe ze participatie hebben vormgegeven. Voorkantsamenwerking en handvatten voor initiatiefnemers en gemeenten Het bereiken van de doelen en opgaven en daarmee het uitvoeren van ons omgevingsbeleid, vindt ook plaats via initiatieven vanuit de samenleving. Wij moedigen inwoners, ondernemers, maatschappelijke partijen en overheden aan om ruimtelijke initiatieven te nemen die bijdragen aan onze leefomgeving en die helpen bij het behalen van de doelen en opgaven.
82
Voor deze initiatieven is vaak de gemeente het eerste aanspreekpunt. Met behulp van voorkantsamenwerking met de gemeenten, helpen we als provincie, vanuit ons eigen omgevingsbeleid, mee aan deze ruimtelijke initiatieven. Voorkantsamenwerking houdt in dat we in een zo vroeg mogelijk stadium overleggen met gemeenten en helderheid bieden over de mogelijkheden voor het betreffende initiatief. We denken mee vanuit de gedachte ‘hoe kan het wel?’. Daarnaast maken we ook gebruik van omgevingstafels, waar we met partners initiatieven die zich aandienen in samenhang bespreken. We vinden het belangrijk dat ook de Waterschappen aan de voorkant goed betrokken worden bij het meedenken en mee-adviseren over initiatieven. We sporen initiatiefnemers daartoe aan. Om gemeenten en de samenleving aan de voorkant te helpen bij het ontwikkelen van initiatieven die passen binnen ons provinciale omgevingsbeleid, hebben we onder andere handvatten ontwikkeld of zijn we die aan het ontwikkelen: • Leidende principes als hulp bij de locatiekeuze – de Redeneerlijn. Deze Redeneerlijn is nader uitgewerkt in hoofdstuk 3 van deze Omgevingsvisie. • Rode Draden als stimulans voor brede welvaart – onder andere de Catalogus Gebiedskenmerken, de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving, het inspiratieboek Sociale Kwaliteit (waaronder positieve gezondheid) en de sociaaleconomische impact analyse (SEIA) landelijk gebied.
Voor een nadere toelichting hierop verwijzen we naar hoofdstuk 4 van deze Omgevingsvisie.
Ga naar inhoudsopgave
5.3 Monitoring, Evalueren en Leren Inleiding Overijssel is nooit af en daarmee deze Omgevingsvisie ook niet. Deze Omgevingsvisie is een levend document dat elk jaar geactualiseerd wordt met vastgesteld beleid. Het betreft dan geen totale herziening. Dit vastgestelde beleid ontstaat doordat er tijdens de looptijd van deze Omgevingsvisie nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden die om beleid vragen. Of omdat op basis van monitoring of praktijkervaringen bijstelling van het beleid nodig is. Hiervoor wordt dan nieuw of aangepast beleid vastgesteld. Dit nieuwe of aangepaste beleid wordt meegenomen in de actualisatieronde van ons Omgevingsbeleid. Deze actualisatierondes vonden tot op heden elk jaar plaats, en zullen ook voor deze Omgevingsvisie de aankomende jaren plaatsvinden. Monitor van de leefomgeving Met de monitor van de leefomgeving monitoren we jaarlijks de staat van de leefomgeving in onze provincie en proberen daarmee indirect de voortgang van de uitvoering van ons beleid te monitoren en evalueren. De monitor van de leefomgeving bestaat uit 36 indicatoren verdeeld over 12 thema’s. De basis voor de monitor is het provinciale Rad van de Leefomgeving dat is gebruikt in de Omgevingseffectrapportage van de Omgevingsvisie. Voor ieder van de thema’s in het Rad zijn drie indicatoren gekozen die samen een beeld geven van de staat van de Overijsselse leefomgeving.
Op deze manier ontstaat een monitor die compact is, maar toch alle belangrijke thema’s dekt. Bij de keuze van de indicatoren is rekening gehouden met diverse criteria: zo moeten ze inzicht bieden in veranderende omstandigheden, moeten er frequent nieuwe cijfers beschikbaar komen en zijn er bij voorkeur data voor lagere schaalniveaus. Op basis van de uitkomsten van de monitor van de leefomgeving bekijken we of ons omgevingsbeleid aangevuld, aangepast of geactualiseerd moet worden.
83
Monitor brede welvaart In de Monitor van de leefomgeving vindt indirect monitoring van onze Rode Draden plaats. Met onze Rode Draden willen we de brede welvaart van onze provincie verbeteren. Die monitoring vullen we aan met de gegevens die komen uit de landelijke Monitor brede welvaart van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Die monitor kijkt niet alleen naar onze brede welvaart ‘hier en nu’, maar ook naar de impact die dit heeft voor volgende generaties in Nederland (brede welvaart ‘later’) en op andere landen (brede welvaart ‘elders’). Daarnaast onderzoekt de monitor hoe brede welvaart verdeeld is onder bepaalde groepen in de samenleving, en geeft het een beeld van hoe schokbestendig de brede welvaart nu is en of we schokken in de toekomst op kunnen vangen. Deze landelijke Monitor brede welvaart geeft ons een goede mogelijkheid om de brede welvaart in onze provincie te vergelijken met die op andere plekken in het land. De Monitor van de leefomgeving en de Monitor brede welvaart geven samen een goed beeld van hoe het gesteld is met de brede welvaart binnen onze provincie, en of het nodig is om ons omgevingsbeleid aan te vullen, aan te passen of te actualiseren. Proces monitor Een laatste variant van monitoring passen we toe op ons interne proces van voorkantsamenwerking.
Deze monitor is opgezet naar aanleiding van het onderzoek van Rekenkamer Oost en daaruit voortkomende aanbevelingen. De monitor brengt voor dit proces in beeld welke thema’s het meeste naar voren komen in de voorkantsamenwerking en wat er vervolgens op besloten is. De analyse van deze gegevens geeft waardevolle informatie waar we ons beleid en proces nog verder kunnen verduidelijken of verbeteren.
Ga naar inhoudsopgave
Hoofdstuk 6: Kaderstelling voor beleid
84
Ga naar inhoudsopgave
6.1 Water, bodem en klimaatadaptatie Ambitie We willen een klimaatrobuust water- en bodemsysteem door beter aan te sluiten bij de natuurlijke kenmerken en processen. Hierdoor zijn we beter bestand tegen weersextremen zoals droogte, piekbuien, piekafvoeren en hittegolven. We willen vervuiling en uitputting van onze natuurlijke bronnen zoals onze zoetwatervoorraad en bodems tegengaan. Zo willen we: • Goed beschermd zijn tegen wateroverlast en overstromingen; • Voldoende zoetwater beschikbaar hebben voor landbouw, natuur, industrie en drinkwater; • Schoon water; • Gezonde en vruchtbare bodems; • Een klimaatrobuuste leefomgeving.
•
•
• •
Doelen en opgaven Europese en Rijksdoelen en opgaven: • Vergunningverlening, toezicht en handhaving voor activiteiten die invloed hebben op de waterkwaliteit, de waterkwantiteit, de waterveiligheid en de waterfuncties (Omgevingswet); • Het oppervlaktewater moet van een goede ecologische en chemische kwaliteit zijn en grondwater moet in een goede chemische en kwantitatieve toestand verkeren in 2027. Achteruitgang moet worden voorkomen, we volgen daarbij de trits preventie, adaptatie, acceptatie; voor drinkwater volgt dat de zuiveringsinspanning niet verder mag toenemen; (Europese Kaderrichtlijn Water);
85
• • •
Primaire keringen langs het hoofdwatersysteem voldoen uiterlijk in 2050 aan de Omgevingswaarden uit de Omgevingswet. Ten behoeve van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (EU-ROR) worden overstromingsrisico’s in beeld gebracht en een Overstromingsrisicobeheerplan opgesteld, waarin meerlaagsveiligheid centraal staat; Het voorkomen en verminderen van bodemverontreiniging en de opgave voor de drinkwatervoorziening volgt uit de Kaderrichtlijn Water, Structuurvisie Ondergrond (STRONG) en landelijk Programma Bodem en Ondergrond (onder de Omgevingswet); Duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond is onderdeel van de NOVI; Nederland moet in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust zijn (Deltaprogramma, Nationale Adaptatie Strategie, Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie, Nationaal Waterprogramma). Dit houdt onder andere in dat wateroverlast en droogte (zo veel mogelijk) voorkomen moet worden; Water en bodem sturend in de ruimtelijke ordening (Kamerbrief Water en bodem sturend, 25-11-2022); Klimaatbestendig maken van de zoetwatervoorziening (Deltaprogramma); De provincie moet voorzien in voldoende bronnen om ook in de toekomst aan de drinkwatervraag te kunnen voldoen (Beleidsnota Drinkwater).
Provinciale doelen en opgaven: • Een robuust en veerkrachtig water en bodemsysteem waarmee we door water vast te houden, vertraagd af te voeren en te bergen, onze zoetwatervoorraad op orde hebben;
Ga naar inhoudsopgave
•
•
•
•
•
•
•
•
•
86
Waterkwaliteit (ecologie en chemie) verbeteren tot ten minste het niveau dat afgesproken is in de EU Kaderrichtlijn Water; uiterlijk eind 2027. Leefgebieden voor waterdieren en -planten en drinkwaterbronnen verbeteren tot ten minste het niveau dat afgesproken is in de EU Kaderrichtlijn Water; Voldoende schone bronnen beschikbaar stellen zodat drinkwaterbedrijven drinkwater van goede kwaliteit kunnen produceren volgens de nationale verplichtingen met zo min mogelijk extra zuivering. Blijven inzetten op besparing en onnodig gebruik van drinkwater; Het (achterliggend) gebied beschermen tegen onaanvaardbare maatschappelijke overstromingsschade vanuit het hoofd- en regionale watersysteem. Regionale keringen voldoen uiterlijk in 2050 aan de in de Omgevingsverordening vastgelegde norm; Het voorkomen, dan wel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door overstroming (inundatie) vanuit oppervlaktewater door extreme neerslag. In de Omgevingsverordening zijn omgevingswaarden voor wateroverlast gekoppeld aan functies, en zijn watergebiedsreserveringen vastgelegd; De asbestbodems en spoedlocaties van PFAS verontreinigde locaties saneren we. In 2030 hebben we de asbestbodemsaneringsopgave in Overijssel afgerond.
De sanering van spoedlocaties van PFAS verontreinigde locaties ronden we zo spoedig mogelijk voor 2030 af; In 2050 hebben we in Overijssel voor de ondergrond een zorgvuldig geordende, optimaal benutte ondergrondse ruimte. Het toepassen van 3D-ordening is hiervan onderdeel; We werken provinciebreed toe naar een gezonde en vitale bodem. We zorgen voor een gestage verbetering van de fysische, biologische en chemische bodemkwaliteit Bodemverontreiniging leidt nergens tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Ecologische risico's, ook van diffuse verontreiniging, worden zo veel mogelijk voorkomen; Ruimtelijke ontwikkelingen passen zich aan de gegeven omstandigheden ter plekke aan. Het water- en bodemsysteem is in 2050 klimaatrobuust.
Strekking van het beleid Veilig water: • Primaire en regionale keringen voldoen uiterlijk 2050 aan de gestelde normen of omgevingswaarden; • Water willen we opvangen en vertragen waardoor piekafvoeren over beken en rivieren minder extreem zijn; • We wijzen gebieden aan die geschikt zijn om piekberging van waterafvoer op te vangen; • We beschermen vitale en kwetsbare functies door de locatiekeuze en/of het ontwerp aan te passen. Voldoende water: • We willen hemelwater beter vasthouden en laten infiltreren naar de ondergrond. Daarbij moet wegzijging en afvloeiing van kwalitatief goed gebiedseigen water vertraagd worden. Hiervoor verkennen we welke gebieden als hydrologische bufferzones nodig zijn om dit tegen te gaan; • Zoet water willen we zorgvuldig en hoogwaardig gebruiken, daarbij moeten we meer grip krijgen op onttrekkingen; • We moeten nattere omstandigheden, zeker in het voorjaar, in lagere delen van gebieden meer accepteren; • We volgen het uitgangspunt 'functie volgt peil’: gebruik en functies moeten zich aanpassen aan grondwaterstanden, niet andersom. In het veenweidegebied doorbreken we hiermee de cyclus van grondwaterstanddaling, veenoxidatie en bodemdaling. Schoon water: • We gaan verontreinigingen aan de bron tegen (o.a.
industrie, landbouw, RWZI’s, overstorten, medicijngebruik); • We willen waterkwaliteit van zowel oppervlakte- als grondwater verbeteren en pakken dit op als een gezamenlijke opgave van Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten met een mix van generieke en gebiedsgerichte maatregelen.
Ga naar inhoudsopgave
Gezonde bodem: • We zetten in op duurzaam bodembeheer met de bodem als startpunt voor gezonde en veerkrachtige bodemecosystemen, een duurzame agrarische bedrijfsvoering en stedelijke ontwikkeling met inachtneming van de specifieke eigenschappen van de bodem; • We willen verdichting, verstoring, afdekking en vervuiling van bodems tegengaan. Klimaatrobuuste verstedelijking: • We laten ontwikkelingen aansluiten bij de kenmerken van het water- en bodemsysteem. Kwetsbare plekken zoals beekdalen, zones langs keringen, diepste plekken van gebieden en polders, gebieden met een slappe ondergrond en buitendijkse gebieden willen we zoveel mogelijk vermijden. Op deze locaties vragen het realiseren van nieuwe ontwikkelingen een zwaardere inspanning om klimaatadaptief te zijn. Om dit goed in beeld te hebben, vinden wij het van belang om vroegtijdig in de planvorming de waterschappen te betrekken zodat zij hun kennis van het bodemen watersysteem mee kunnen geven; • We willen op deze kwetsbare plekken bij renovatie of herbouw van bestaande bebouwing en infrastructuur de locatie of het ontwerp heroverwegen. Klimaatadaptief bouwen wordt de standaard.
Drinkwater: • We zetten in op drinkwaterbesparing bij particulieren, bij bedrijven en in de agrarische sector; • We zoeken naar nieuw aanbod in de lage delen waar effecten beperkt of goed te mitigeren zijn; o Daarbij zoeken we naar een diversificatie van bronnen om de afhankelijkheid van grondwater te verkleinen en risico’s te spreiden; o Transport van drinkwater van west naar oost Overijssel wordt daarbij noodzakelijk; o Op lange termijn willen we voldoende drinkwater in een klimaatbestendig en robuust watersysteem waarbij omgevingseffecten afwezig of zo minimaal mogelijk zijn.
87
Zwemwater: • Wij zien toe op de kwaliteit van goed en veilig zwemwater. Ontgrondingen en mijnbouw: • We willen duurzaam ontgronden en grondstoffen zoveel mogelijk circulair benutten. Gebiedsgerichte uitwerking: • Om te kunnen inspelen op de grote klimaatopgave en om in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te zijn, gebruiken we het wateren bodemsysteem als sturend uitgangspunt. Hierdoor ontstaat een hoofdverdeling van onze provincie in vier type gebieden: zandgronden, IJssel Vecht en Delta, veenweidegebieden en het bebouwd gebied. • Voor al deze gebieden geldt een verschillende opgave en verschillende (on)mogelijkheden voor gebruik en functies. Het betreft een indeling op hoofdlijnen, binnen de gebiedstypes is nog een grote verscheidenheid aan landschappen aanwezig. • Op langere termijn speelt bij de zandgronden de onzekerheid dat wateraanvoer in gebieden waar dat nu nog mogelijk is in de toekomst niet meer gegarandeerd is. In de toekomst zal wateraanvoer vanuit de IJssel steeds minder mogelijk zijn. Het water van Rijn en IJssel is nu nog afkomstig van zowel regenwater als smeltwater van gletsjers. Door klimaatverandering verandert de Rijn van karakter en zal het een regenrivier worden. Dit betekent een grilliger afvoerpatroon met lage dan wel hoge afvoeren. Voor de Vecht geldt al dat dit een regenrivier is.
• Ook de overgang van het ene gebiedstype naar het andere is vaak niet een harde rechte lijn, maar een geleidelijke overgangszone. Toch helpt deze hoofdindeling in gebiedstypen in het structureren van wat water en bodem sturend in de praktijk betekent. Deze gebiedstypes bieden houvast bij het maken van locatiekeuzes aan de hand van de redeneerlijn. Deze Redeneerlijn is opgenomen in hoofdstuk 3 van deze Omgevingsvisie.
Ga naar inhoudsopgave
6.2 Klimaatmitigatie en energie(transitie) Ambitie We dragen bij aan het tegengaan van klimaatverandering en het zo veel mogelijk beperken van de effecten van klimaatverandering (klimaatmitigatie), door in te zetten op: • Het beperken van de uitstoot van broeikasgassen en vastlegging van koolstof in Landbouw en landgebruik; • Het besparen van energie; • Het verbeteren van energienetwerken; • Het opwekken van duurzame energie.
•
Doelen en opgaven Europese en Rijksdoelen en opgaven: • Europese Klimaatwet: klimaatneutraliteit in 2050, ten minste 55% reductie (ten opzichte van 1990) in de netto-uitstoot van broeikasgassen in 2030; • Nederlandse Klimaatwet: in 2050 klimaatneutraliteit voor Nederland. In 2030 is de broeikasgasuitstoot met 55% gereduceerd ten opzichte van 1990. Voor alle sectoren (industrie, mobiliteit, elektriciteit, bebouwde omgeving, landbouw en landgebruik) gelden er taakstellingen met een afgesproken maatregelen pakket. Deze doelen zijn in het Klimaatakkoord (2019) en Klimaatplan 20212030 uitgewerkt; • Provincies hebben zich gecommitteerd om broeikasgasemissies in veenweidegebieden te verminderen met 1 Mton CO2 eq. in 2030, en nadrukkelijk ook verder te kijken naar verdere reductie op langere termijn 2050; • Provincies hebben zich gecommitteerd om 0,4-0,8 Mton CO2 eq. in 2030 vast te leggen in bomen, bossen en andere natuur. Als onderdeel hiervan hebben Rijk en provincies de landelijke bossenstrategie opgesteld. De nationale Bossenstrategie kent de volgende doelen: het areaal bos uitbreiden met 39.000 hectare
88
•
•
(10%) in 2030, bestaande bossen revitaliseren, uitbreiding van natuurbos met 10% in 2030, uitbreiding van het aantal bomen (tot 5% houtige landschapselementen en ondersteuning van de lange termijn ambitie (na 2030) om 25.000 hectare agroforestry te realiseren); In het Klimaatakkoord zijn voor de sectoren bedrijven en industrie, bebouwde omgeving, landbouw, landgebruik en mobiliteit CO2 reductiedoelstellingen opgenomen (zie ook andere thema’s). In het Klimaatakkoord is afgesproken om 0,5 Mton CO2 eq. in 2030 vast te leggen in landbouwbodems door een toename van het organische stofgehalte en een verminderde vorming van lachgas in deze bodems; Het Klimaatakkoord, verder aangescherpt in het nationaal Beleidsprogramma Klimaat geeft voor de landbouw een opgave tot het reduceren van broeikasgasemissies. Internationaal heeft Nederland zich verplicht met de Methaanstrategie (2020) om tussen 2020 en 2030 de nationale methaanemissie met 30 procent te reduceren. Tot 2030 is de opgave voor de landbouw een extra broeikasgasemissiereductie methaan van 5 Mton CO2 eq waarvan minimaal een reductie van 3,8 Mton CO2 eq methaanemissie; In Nederland voor 2030 49TWh duurzame elektriciteit opwekken op zee en 35 TWh op land. In Nederland worden in 30 RES-regio’s Regionale Energie Strategieën (RESsen) gemaakt die opgeteld de doelstelling van 35 TWh gaan invullen.
Omdat al in 2030 35 TWh moet worden opgewekt, zal daartoe gebruik worden gemaakt van bestaande bewezen technieken: energie uit wind en zon.
Provinciale doelen en opgaven: • Voor landbouw en landgebruik hebben we de volgende provinciale doelen en opgaven. Deze opgaven kunnen alleen volledig gerealiseerd worden als de benodigde financiële middelen vanuit Rijk of Europa ook beschikbaar komen:
Ga naar inhoudsopgave
Verminderen van broeikasemissies uit veenweiden met 0,10 Mton CO2-equivalent; o Het vastleggen van koolstof in bomen, bos en natuur door bosuitbreiding van 3.900 hectare, revitalisering bestaande bossen op een nog nader te bepalen aantal hectares, toename van het aantal landschapselementen tot 10% in 2050 (waarvan 5% houtige elementen) door de realisatie van groenblauwe dooradering en houtige elementen, en uitbreiding met 10% natuurbos; o Vastleggen van koolstof in landbouwbodems (0,04 Mton CO₂ eq.); o Verminderen broeikasgasemissie vanuit de veehouderij en mestaanwending in de akkerbouw van 0,7 Mton CO₂ eq. Op het gebied van de energietransitie gelden de volgende provinciale doelen en opgaven: o Besparen van energie en energie efficiëntie: bedrijven en industrie stoten in 2030 nog maximaal 1,2Mton CO2 uit, de bebouwde omgeving maximaal 1,05 Mton; o Besparen van energie en energie-efficiëntie en opwekken van duurzame elektriciteit in 2030 van 3,3 TWh met grootschalig zon en wind, in streefverhouding 40/60. o
•
o In 2030 wordt de helft van alle beschikbare mest vergist, wat zo’n 100 mln. m3 aardgas kan vervangen. Dit staat gelijk aan het aardgasverbruik van ongeveer 70.000 huishoudens. Strekking van het beleid Broeikasgasemissies veenweiden: • We willen broeikasgasemissies uit veenweiden verminderen in ons veenweidegebied Noordwest Overijssel. Dit doen we met het opstellen en uitvoeren van een gebiedsprogramma. We richten ons op het behalen van de klimaatopgave voor veenweiden voor 2030. Om deze emissies te reduceren en bodemdaling tegen te gaan, leggen we focus op het aanpassen van de waterhuishouding, op basis van op maatwerk gebaseerde vernatting van delen van het
89
gebied. Vernatting is een bewezen methode om broeikasgasemissies te verminderen. Randvoorwaarde daarbij is het vasthouden van gebiedseigen water. Overige maatregelen om veen te behouden zijn in de onderzoeksfase en kunnen ingezet worden wanneer ze bewezen effectief zijn. In pilots wordt hiermee geëxperimenteerd. Koolstof vastleggen in landgebruik: • We willen koolstof vastleggen door aanpassingen in landgebruik. We zetten daarbij in op: o Het uitbreiden van het areaal bos, waar mogelijk gecombineerd met andere doelstellingen; o Het revitaliseren van bossen door omgevingsfactoren en beheer te verbeteren; o Het uitbreiden van houtige landschapselementen als onderdeel van groenblauwe dooradering; o Het benutten van kansen om door vernatting van natuur uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Broeikasgasemissies vanuit de landbouw: • We willen broeikasgasemissies vanuit de landbouw als gevolg verteringsprocessen in dieren en mest verminderen. Dit is een gezamenlijke opgave van Rijk en provincies met een mix van generieke en gebiedsgerichte maatregelen. Besparen van energie en energie-efficiëntie: • We willen energie besparen en zetten in op energie-efficiëntie. Dit doen door het stimuleren van energiebesparing bijvoorbeeld bij bedrijven, scholen en verenigingen.
Ook zetten we in op schonere mobiliteit, het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van (rest)energie en nabijheid/concentratie van functies. Energienetwerken en energie-infrastructuur: • We willen onze energienetwerken en energie-infrastructuur verbeteren zodat we nu en in de toekomst komen tot een betaalbaar, betrouwbaar, veilig, duurzaam en rechtvaardig
Ga naar inhoudsopgave
energiesysteem. Daartoe prioriteren en programmeren wij de ontwikkelingen van de regionale energie-infrastructuur zodanig dat deze zo goed mogelijk aansluiten op de maatschappelijk gewenste ontwikkelingen (onder andere woningbouw en bedrijvigheid, verduurzaming mobiliteit en industrie). We zetten in op het slimmer en efficiënter benutten van de huidige netcapaciteit. Daarnaast ontwikkelen we een energievisie. Deze gaat over: opwek, opslag en transport van energie, gebruik en besparing van energie, opwekken van duurzame energie en het stimuleren en toepassen van innovaties. We ontwikkelen een visie waarin we aangeven hoe we richting 2050 onze energiehuishouding willen zien ontwikkelen en wat we daarin belangrijk vinden. Opwekken van duurzame energie: • We zetten in op het opwekken van duurzame energie. Hieraan werken we in nauw overleg met onze partners. Dit doen we door samen te zoeken naar locaties voor duurzame elektriciteitsproductie op land en duurzame warmtebronnen. We kijken hierbij naar verschillende mogelijkheden voor het opwekken van energie. • Windenergie: we zetten in op clustering, waarbij we binnen de voorkeursgebieden geen eisen stellen aan de omvang van de windturbineopstellingen. Buiten de voorkeursgebieden zijn alleen clusters van minimaal 4 windturbines toegestaan. We maken hiervoor een uitzondering voor bedrijventerreinen.
Erfmolens vallen niet onder de clustereis. Verder gelden er in bepaalde gebieden beperkingen voor het oprichten van windturbines, zoals in het NNN, de Nationale Landschappen en beperkingsgebieden. Dit alles is vastgelegd in de Omgevingsverordening en het provinciaal Programma Energietransitie. Bij het realiseren van windturbines wordt getoetst aan de Catalogus Gebiedskenmerken en is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) van toepassing. • Zonne-energie: we zetten in op het zoveel mogelijk combineren van het opwekken van zonne-energie met andere functies. Onze voorkeur gaat uit naar in eerste instantie het plaatsen van zonnepanelen op daken in bebouwd gebied, te bebouwen gebieden
90
•
•
•
of bruikbare restruimte. In de groene omgeving zijn zelfstandige opstellingen van zonnepanelen beperkt toegestaan. Dit is vastgelegd in de Omgevingsverordening. Bij het realiseren van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen wordt getoetst aan de Catalogus Gebiedskenmerken en is de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO) van toepassing. Bio-energie: biomassa kan worden ingezet voor energieopwekking als hoogwaardige toepassing van biomassa als materiaal of grondstof niet meer mogelijk is, en als op termijn geen alternatieven beschikbaar zijn of deze niet kosten efficiënt zijn. We zetten in op innovatie om technologieën te ontwikkelen die biomassa kunnen vervangen en biomassa efficiënter en hoogwaardiger kunnen inzetten. Kleinschalige mestvergisting (monovergisting) op het eigen erf bij agrarische bedrijven is mogelijk. Vergisting op regionale schaal kan onder voorwaarden, waarbij vooral een goede ontsluiting belangrijk is en een ruimtelijke inpassing op basis van de Catalogus Gebiedskenmerken. Grootschalige industriële bio-energieinstallaties moeten zich primair vestigen in bestaand bebouwd gebied op bedrijventerreinen van categorie 3 of hoger en op locaties gekoppeld aan grootschalige afvalverwerking en rioolwaterzuiveringen. Ook andere productielocaties zijn mogelijk, mits de installaties milieu-hygiënisch en ruimtelijk goed inpasbaar zijn.
Bodemenergie: bij het toepassen van nieuwe bodemenergiesystemen streven we ernaar dat dit zo optimaal mogelijk op elkaar afgestemd is met een maximale efficiency. We geven (kleinschalige) collectieve systemen voorrang boven individuele systemen. We zetten in op warmte-koude-opslag (WKO), geothermie en Hoge Temperatuur Opslag (HTO). We stimuleren het benutten van WKO-systemen en geothermie, daar waar het mogelijk is. Wel geldt in bepaalde gebieden nader beleid, dit is opgenomen in de Omgevingsverordening. Op het gebied van HTO inventariseren en onderzoeken we de mogelijkheden. Schaliegas en steenkoolgas: we bieden geen ruimte voor de opsporing en het winnen van deze gassen.
Ga naar inhoudsopgave
•
91
Daarnaast onderzoeken we de mogelijkheden van waterstof en kernenergie. Dit is onderdeel van het opstellen van een Energievisie voor Overijssel. De uitkomsten van deze visie betrekken wij bij de definitieve vaststelling van de Omgevingsvisie.
Ga naar inhoudsopgave
6.3 Landbouw en voedselvoorziening Ambitie Het vinden van een goede balans tussen voedselproductie en een gezonde leefomgeving, waarbij we inzetten op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik ter bescherming van goede landbouwgrond. Doelen en opgaven Europese en Rijksdoelen: • Een toekomstbestendige en innovatieve landbouw die in balans is met natuur, milieu en klimaat (Europese Gemeenschappelijke Landbouwbeleid, Klimaatakkoord en Nationaal Beleidsprogramma klimaat); • Streven naar betaalbaar, veilig voedsel van hoge kwaliteit (Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid); • Een goede balans tussen het bedrijfsareaal, de voederproductie en de mestafzet in de melkveehouderij met als doel waterverontreiniging door nitraten afkomstig uit de landbouw te verminderen (7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn); • Het stimuleren van plantaardige teelten en groene grondstoffen (Nationale Eiwitstrategie, de Bean Deal, Nationale aanpak biobased bouwen, Woondeals, Grondstoffenakkoord); • Het sluiten van regionale kringlopen en impuls op biologische landbouw (Farm to Fork Strategie); • De agrarische sector heeft te maken met Europese milieukaders zoals de nitraatrichtlijn en Nederlandse vertaling daarvan en goede balans tussen het bedrijfsareaal, de voederproductie en de mestafzet in de melkveehouderij met als doel waterverontreiniging door nitraten afkomstig uit de landbouw te verminderen (7e
Actieprogramma Nitraatrichtlijn). Overige Europese kaders voor water, klimaat en natuur komen bij die thema’s aan bod.
92
Provinciale doelen en opgaven: • Het werken aan voedselvoorziening en voedselzekerheid. Voedselzekerheid houdt in dat er gezond en goed voedsel is voor iedereen. In onze provincie willen we een bijdrage leveren aan de wereldvoedselvoorziening. Voedselzekerheid houdt in dat er gezond en goed voedsel is voor iedereen. In onze provincie willen we een bijdrage leveren aan voedselzekerheid vooral voor ons eigen land en landen om ons heen zoals Duitsland, België, Frankrijk en Verenigd Koninkrijk; • Een toekomstbestendige landbouwsector die in balans is met haar omgeving: o We streven naar een innovatieve en concurrerende agro & foodsector die duurzaam en zoveel mogelijk circulair is; o We streven naar landbouw met robuuste verdienmodellen die passen bij gebiedsspecifieke opgaven en kansen. Strekking van het beleid Algemeen: • We zetten in op het zuinig omgaan met ruimte en voldoende grond behouden voor de landbouw. • We bieden duidelijkheid over ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw door onderscheid te maken in twee type grondgebonden landbouwgebieden: o Landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen: dit zijn landbouwgebieden die vanuit de aanwezige omgevingscondities geschikt zijn voor landbouw. Met name in deze gebieden zetten we in op het zuinig omgaan met ruimte voor de landbouw.
Dat betekent dat we het zuinig omgaan met deze landbouwgronden een nadrukkelijke plek geven bij planologische afwegingen. Voorbeeld van generieke opgaven is de opgaven die voorkomen uit Kaderrichtlijn Water; o Landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur: In deze gebieden zien we naast voedselproductie, ook mogelijkheden voor productie van groene grondstoffen en maatschappelijke diensten op gebied
Ga naar inhoudsopgave
van natuur, water en klimaat. En combinaties met andere functies. Voorwaarde hiervoor is de beschikbaarheid van voldoende financiële middelen. We zetten ons richting het Rijk dan ook in voor noodzakelijke financiering voor langjarige ecosysteemdiensten. In deze gebieden zien we vooral potentie voor multidimensionaal en multifunctioneel ruimtegebruik, vanwege de meervoudige opgaven. Daarnaast ontwikkelen we beleid dat van toepassing is op alle landbouwgronden.
Landbouwgebieden met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur: • We sturen op multifunctioneel en multidimensionaal ruimtegebruik om de landbouwfunctie goed samen te laten gaan met andere opgaven met behoud van ruimtelijke kwaliteit (uitwerking in gebieden door middel van onder andere gebiedsprocessen). • We zetten in op toekomstige verdienmodellen die passen bij gebiedsspecifieke opgaven en kansen (uitwerking in gebieden door middel van onder andere gebiedsprocessen).
Alle landbouwgronden: • We zetten in op technische en sociale innovatie vanuit een stimulerende en faciliterende rol via programma’s Agro&Food en Circulaire economie. • We sturen op ruimtelijke kwaliteit en basiskwaliteit natuur (afhankelijk van de keuze van Provinciale Staten) in het agrarisch gebied onder andere met behulp van de Catalogus Gebiedskenmerken en de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving (KGO). • We streven in nauw overleg met gemeenten naar een passend planologisch perspectief voor de transformatie voor Vrijkomende Agrarische Bebouwing afgestemd op omliggende bedrijven (VABprogramma).
Glastuinbouw Concentratiegebied Koekoekspolder: • We zetten in op geconcentreerde ontwikkeling van glastuinbouw in de Koekoekspolder. Verdere uitbreiding van de glastuinbouw richting het Nationaal Landschap IJsseldelta (Mastenbroekerpolder) staan we niet toe. Vanuit het waterbeheer in dit gebied (diepe polder), is het noodzakelijk om met de partijen in en om dit gebied het toekomstperspectief te verkennen. Buiten de Koekoekspolder en buiten bestaande glastuinbouwbedrijfslocaties zijn er geen mogelijkheden voor uitbreiding en/of nieuwe vestigingen van glastuinbouwbedrijven.
•
Landbouwgebieden met generieke opgaven en kansen: • We gaan zorgvuldig om met deze landbouwgebieden en beschermen deze. • We streven naar een goede landbouwstructuur. • Herontwikkeling van VAB’s is mogelijk naar gebruik dat past bij de agrarische bedrijven.
93
Ga naar inhoudsopgave
6.4 Natuur en landschap Ambitie Wij willen onze natuur en biodiversiteit duurzaam beschermen, beleven en benutten, en natuur en landschap dichter bij mensen brengen. Dit willen wij zowel binnen als buiten de natuurgebieden, in de groene omgeving én in het bebouwde gebied. Doelen en opgaven Europese en Rijksdoelen en opgaven: • Verbeteren van de kwaliteit van natuur en biodiversiteit binnen de Natura 2000-gebieden en de natuurgebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dat betekent dat we moeten zorgen voor goede ruimtelijke en milieucondities voor natuurtypen, planten en dieren. Voor de Natura 2000gebieden moeten de habitattypen en soorten in ‘Gunstige Staat van Instandhouding’ gehouden worden of worden gebracht.
De Vogelen Habitatrichtlijn, Omgevingswet, Klimaatakkoord, Aanvalsplan Landschap en het Natuurpact geven ons nadere (wettelijke en interbestuurlijke) kaders voor verdere uitwerking: o Alle nodige maatregelen treffen om de populatie van de bedoelde soorten op niveau te houden of te brengen (Vogel- en Habitatrichtlijn); o Verslechteringsverbod voor natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn); o Bijdrage aan het landelijke doel voor de overbrugging van 30% van het gat tussen de huidige staat van instandhouding en een gunste staat van instandhouding voor alle Vogel-en Habitattypen en soorten in 2030, 100% doelrealisatie op lange termijn (Vogel- en Habitatrichtlijn, vertaling in Nationaal Programma Landelijk Gebied); o Reductie areaal van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000gebieden onder de kritische depositiewaarde: 40% van het
94
•
areaal van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in N2000-gebieden mag niet meer overbelast zijn; in 2025, 50% in 2030, 74 % in 2035 (Omgevingswet); o Behoud, verbeteren en ontwikkelen van de kwaliteit van het NNN buiten Natura 2000 (Natuurpact); o Verminderen ammoniakemissie vanuit de landbouw (Omgevingswet) referentiejaar 2019; o Behoud van de biodiversiteit, vergroting van de maatschappelijke betrokkenheid bij natuur en versterken van de relatie tussen economie en natuur (Natuurpact). De condities voor wilde plant- en diersoorten buiten de natuurgebieden op orde houden en daar waar nodig op orde brengen (Vogel- en Habitatrichtlijn): o Het realiseren van 10% Groenblauwe dooradering in 2050 (Klimaatakkoord, landelijke Bossenstrategie, Aanvalsplan Landschap); o Het realiseren van een goede basiskwaliteit van de natuur, binnen én buiten natuurgebieden (in het landelijk gebied en in bebouwd gebied) (afhankelijk van de keuze van Provinciale Staten), het stimuleren van maatschappelijke betrokkenheid bij natuur, versterken van de relatie tussen economie en natuur en het bevorderen van de transitie naar een natuurinclusieve samenleving voor algeheel biodiversiteitsherstel (Nationale Agenda Natuurinclusief, Natuurpact).
Provinciale doelen en opgaven: Onze provinciale doelen en opgaven zijn uitwerkingen van de Europese en Rijksdoelen. Hierover hebben we interbestuurlijke afspraken gemaakt: • Overijsselaren voelen zich meer verbonden met de natuur dichtbij en weten wat zij zelf kunnen doen om de natuur een handje te helpen (Programma Natuur voor Elkaar); • Er is meer groen toegevoegd in alle steden en dorpen in Overijssel en kwaliteit van groen in de groene omgeving is toegenomen. Daarmee is de kwaliteit van onze algemeen voorkomende natuur
Ga naar inhoudsopgave
•
•
•
•
95
toegenomen; groen dat bijdraagt aan meer biodiversiteit, klimaatopgaven, sociale cohesie en gezondheid (Programma Natuur voor Elkaar); We hebben een wettelijke verantwoordelijkheid op basis van de Omgevingswet om soorten te beschermen ongeacht waar ze voorkomen; De condities voor natuur binnen de natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000) op orde brengen: o Bijdrage aan 30% biodiversiteitsherstel Vogel – en Habitatrichtlijn in 2030 (PPLG); o Uitbreiden Natuurnatuurnetwerk in Overijssel in overeenstemming met afspraken Natuurpact; 8200 ha nieuwe natuur; o Realiseren instandhoudingsdoelen N2000 in de 24 Natura 2000 gebieden in overeenstemming met de aanwijzingsbesluiten; o Verminderen ammoniakemissie vanuit de landbouw in Overijssel met 41% in 2030-2035 ten opzichte van 2019; o Uitbreiding nieuwe natuur (ongeveer 1800 ha tot 2030) voor habitats en leefgebieden voor de soorten beschermd onder de VHR. Condities voor wilde plant- en diersoorten buiten de natuurgebieden op orde brengen.
De maatregelen die op gebiedsniveau nodig zijn komen voort uit het water- en bodemsysteem en de landschapstypen en bijbehorende kenmerkende landschappen en soorten: o Realiseren van circa 4500 ha groenblauwe dooradering ten behoeve van de verbinding tussen natuurgebieden (dit vult aan tot 5% groenblauwe dooradering; op lange termijn (2050) realiseren we 10% groenblauwe dooradering; o Het realiseren van ongeveer 15.300 ha extra agrarische natuur voor VHR soorten in boerenland voor 2030; o 3900 ha bosuitbreiding en daarnaast revitalisering van bestaande bossen ten behoeve van klimaat en natuur. We hebben op basis van de Omgevingswet taken op het gebied van faunabeheer, faunaknelpunten en invasieve exoten;
• •
De (kernkwaliteiten) van onze landschappen behouden en versterken (Omgevingsvisie); De landgoederen binnen onze provincie behouden en versterken (Omgevingsvisie).
Bovenstaande opgaven kunnen alleen volledig gerealiseerd worden als de benodigde financiële middelen vanuit Rijk of Europa beschikbaar komen. Strekking van het beleid •
•
•
We zetten ons in voor de instandhouding van wettelijk beschermde soorten. Daarbij maken we onderscheid tussen actief en passief soortenbeleid. We beschermen en versterken de kwaliteit van de natuur in bestaande natuurgebieden door: o Ruimtelijke begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en het financieel ondersteunen van beheermaatregelen; o Uitvoering van herstel en beheermaatregelen in en om Natura 2000 gebieden doen we via het programma Ontwikkelopgave. We versterken en beschermen natuurwaarden buiten de natuurgebieden: o We werken aan de instandhouding en herstel van VHR-soorten in de gebieden met meervoudige opgave in boerenland; o We streven naar verbindingen tussen natuurgebieden en landschappelijke kwaliteit via groenblauwe dooradering; o We werken aan voldoende en kwalitatief goede leefgebieden voor weidevogels en overige agrarische natuur door meer afgesloten beheercontracten binnen de leefgebieden; o We versterken de basiskwaliteit natuur: dit is gericht op het verbeteren van omstandigheden voor algemeen voorkomende soorten (flora en fauna) op plekken waar natuur niet de leidende functie is. (Afhankelijk van de keuze van Provinciale Staten).
Ga naar inhoudsopgave
•
•
•
96
We werken aan het dichterbij brengen van natuur en landschap bij mensen. Ons kader is het beleven, benutten en beschermen van natuur via het programma Natuur voor Elkaar. We zorgen voor zo goed mogelijk evenwicht tussen de belangen van dieren, bewoners en ondernemers door te werken aan schadebestrijding en beheer van dierenpopulaties via het faunabeheer(plan). We sturen op zo min mogelijke doorsnijding van leefgebieden van dieren door het zoveel mogelijk opheffen van faunaknelpunten. We bestrijden invasieve exoten door maatregelen te nemen. Invasieve exoten die de humane of veterinaire gezondheid bedreigen en soorten die zich zeer snel kunnen verspreiden, krijgen prioriteit in onze aanpak. Voor onze groene omgeving met haar landschappen geldt dat we de (kern)kwaliteiten van deze gebieden willen behouden en versterken via ons ruimtelijk beleid. Hiervoor zetten we onder meer ons instrument Catalogus Gebiedskenmerken in waarin we naast ruimtelijk kwaliteit ook ecologische kwaliteit (basiskwaliteit natuur) toevoegen ((afhankelijk van de keuze van Provinciale Staten). Dit geldt voor alle landschappen, waaronder ook onze twee Nationale Landschappen, Nationale Parken en landgoederen vallen. We willen landgoederen binnen onze provincie behouden en versterken.
Ga naar inhoudsopgave
6.5 Cultureel erfgoed Ambitie Onze ambitie is om ons kenmerkende en typisch Overijsselse cultureel erfgoed te behouden en te versterken, en te gebruiken als inspiratiebron en drager van identiteit en gebiedseigen ontwikkelingen te realiseren. Daarnaast kunnen we ook leren van het verleden, hoe bijvoorbeeld onze voorouders al leefden met het principe van het water- en bodemsysteem sturend te laten zijn. Dit principe is voor ons leidend geworden binnen de opgave van de klimaatverandering. Het is van belang om de kennis uit het verleden voor de opgaven van nu te benutten. Bij de inpassing van de nationale en provinciale opgaven dienen erfgoed en ruimtelijke kwaliteit als vetrekpunt te worden genomen, en als integraal onderdeel van de transformatie te worden behouden of versterkt. Op die manier draagt cultureel erfgoed bij aan een gebiedseigen toekomst van Overijssel, waarin onze inwoners zich thuis voelen en bezoekers onze provincie of gebieden binnen onze provincie blijven herkennen als typisch (of kenmerkend) Overijssel. Dit geldt niet alleen voor het cultureel erfgoed boven de grond, maar ook ondergronds. We vinden het belangrijk om dit cultureel erfgoed – Het verhaal van Overijssel - door te kunnen geven aan volgende generaties. Cultureel erfgoed verbindt mensen, het biedt houvast en handvatten om nieuwe ontwikkelen gebiedseigen vorm te geven met respect voor het bestaande.
Doelen en opgaven Mondiale doelen en opgaven: • Het beschermen en bewaren van erfgoed dat van unieke en universele waarde is voor de mensheid voor toekomstige generaties (Unesco Werelderfgoed-verdrag);
97
•
Het beschermen van immaterieel erfgoed en vergroten van het bewustzijn van het belang van immaterieel erfgoed (Unesco Verdrag ter bescherming van immaterieel erfgoed).
Europese en Rijksdoelen en opgaven: • Zorgvuldig omgaan met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, waaronder bescherming van archeologische en gebouwde monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen (Omgevingswet en Erfgoedwet); • Beschermen van archeologische waarden, melden van archeologische vondsten en archeologische vondsten opslaan, beheren en beschikbaar te stellen voor onderzoek en bruikleen (Erfgoedwet); • Beschermen van cultureel erfgoed: Rijksmonumenten (Erfgoedwet); • Voortbouwen op wat er is/cultureel erfgoed (Contourennotitie Nota Ruimte 2023, Nationale Omgevingsvisie); • Inspannen en samenwerken om het Nedersaksisch te behouden en het gebruik ervan te bevorderen (Convenant Nedersaksisch); • De mens en de samenleving (erfgoedgemeenschappen) in hun relatie met erfgoed centraal stellen. De drie belangrijkste doelen in het verdrag zijn het stimuleren van meedoen en meebeslissen in de erfgoedpraktijk, erfgoed inzetten voor sociaal- maatschappelijke doelen en openstaan voor andere erfgoedopvattingen (Verdrag van Faro 2024).
Provinciale doelen en opgaven: • Beschermen en beleven van cultuurhistorische waarden (huidige Omgevingsvisie Overijssel); • Erfgoed verbinden aan de hedendaagse transitieopgaven en gebruiken als vertrekpunt (Concept Ruimtelijk Voorstel Overijssel, 2023); • Ontwikkelen van cultuurhistorische waarden en inspiratie bieden ten behoeve van gebiedseigen oplossingen (cultuur- en erfgoed beleid 2025-2028).
Ga naar inhoudsopgave
Strekking van het beleid •
•
•
•
•
98
Beschermen en behouden van cultureel erfgoed in lijn met gemeentelijk beleid en rijksbeleid (zoals rijksmonumenten, waaronder archeologie). Ontwikkelen van cultureel erfgoed, zoals het stimuleren van het herbestemmen en het hergebruik van cultureel erfgoed. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt bij de planontwikkeling een onderbouwing gegeven hoe met het aanwezige erfgoed rekening wordt gehouden en hoe dit positief kan worden benut en versterkt. Bij ruimtelijke initiatieven vindt de toets plaats met de Cultuurhistorische Waardenkaart (waarop onder andere 20 karakteristieke cultuurlandschappen). Deze is gekoppeld aan de Catalogus Gebiedskenmerken en daarmee onderdeel van ons ruimtelijk beleid. Voor hulp en advies over cultureel erfgoed kunnen gemeenten en particulieren terecht bij Steunpunt Cultureel Erfgoed Overijssel. De materiële en immateriële waarden vertellen het ‘Verhaal van Overijssel’ en dragen bij aan de aantrekkelijke provincie om in te wonen, te werken, te leven en te recreëren. De Cultuurhistorische Waardenkaart levert input om nieuwe ontwikkelingen gebiedseigen vorm te geven. ‘Beleefbaar’ maken van het ‘Verhaal van Overijssel’ en input leveren om de typerende Overijsselse kenmerken te behouden en te ontwikkelen.
Ga naar inhoudsopgave
6.6 Verstedelijking Ambitie Er blijft onverminderd vraag naar ruimte voor wonen en werken. De ontwikkeling in de woon- en leefomgeving van onze inwoners raakt logischerwijze ook aan de behoefte aan voorzieningen, aan mobiliteit, ontspanning, energie, groen, cultureel erfgoed en klimaat. Daarom pakken we deze opgaven niet los van elkaar, maar in samenhang op. Dit geldt niet alleen in de steden, maar in alle kernen in de provincie. Wij zetten hierbij in op het zuinig en zorgvuldig gebruiken van onze ruimte en kijken daarvoor in eerste instantie naar het benutten van bestaand bebouwd gebied. We zetten in op geconcentreerde groei van steden én van de goed bereikbare middelgrote kernen en de dorpen, met functies in nabijheid van elkaar. We streven hierbij naar een leefbare en economisch waardevolle leefomgeving. Doelen en opgaven Bij de verstedelijkingsopgave in het bebouwde gebied worden de verschillende sectorale opgaven in samenhang opgepakt. We benaderen de opgave in het bebouwde gebied als één verstedelijkingsopgave. Daarmee benadrukken we het belang van een samenhangende benadering van de verschillende sectorale opgaven in het bebouwde gebied.
Voor de specifieke doelen en opgaven van de sectorale opgaven van wonen, economie en mobiliteit, verwijzen we naar de paragrafen ‘Wonen’, ‘Ondernemen, werken, voorzieningen en logistiek’, ‘Mobiliteit en luchtvaart’, ‘Vrije tijd, recreatie en toerisme’.
Strekking van het beleid •
•
•
• • •
•
• •
•