CConstaterende datZwolle
Koppel je AI →
Document · PDF

1.c Catalogus Gebiedskenmerken - ontwerp

Raad Besluitvormingsronde 15 september 2025, gemeente ZwolleBij agendapunt: Concept provinciale omgevingsvisie25.982 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Hierbij wordt de beschikbare ruimte optimaal benut en rekening gehouden met toekomstige clusters. Met de ontwikkeling van grote clusters windturbines kan een kwaliteitsimpuls worden gegeven aan dit landschap.

73

De beleefbaarheid en toegankelijkheid van de vaarten en wijken vergroten

Sturing Norm • Het veenkoloniaal landschap krijgt een beschermende regeling gericht op instandhouding van de grote open ruimtes, mede voor boerenlandvogels. De vergezichten en het contrast tussen de open ruimtes en verdichte zones (bebouwing en beplanting) blijft samen met het stelsel van kanalen en waterlopen, wegen en bebouwingslinten gezichtsbepalend. Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de linten door het landschap en de open ruimtes. • Ontwikkelingen respecteren de verkavelingsstructuur en dragen bij aan het behoud en de versterking van bijzondere architectuur, waaronder watererfgoed (sluizen, bruggen e.d.), de bijzondere villa’s en buitens, herenboerderijen, de

linten door het landschap en de open ruimtes. • Ontwikkelingen dragen zowel bij aan de waterkwaliteit als aan het infiltreren, vasthouden en tijdelijk bergen van water om de gevolgen van extreme neerslag en tijdelijke tekorten te kunnen opvangen. • Ontwikkelingen dragen bij aan de groenblauwe dooradering. Beplantingsstructuur in linten en op erven verstevigen. • De opstelling van windturbines in een groot cluster versterkt het grootschalige en lineaire karakter van het veenkoloniaal landschap. De turbines in een cluster zijn identiek (hoogte, type, kleur, aantal wieken). Inspiratie • Ontwikkelingen dragen bij aan verbetering van de leefomstandigheden van onze gidssoorten.

2.9 Laag van het agrarische cultuurlandschap • Rivierenlandschap zowel meer als minder afvoer. De aanpassingen combineren met het versterken van de kenmerkende kwaliteiten, maar risico dat techniek (capaciteit, tijdelijke berging) leidend is. • De continuïteit van de rivier met uiterwaarden wordt bedreigd door een opdeling in kleinere eenheden. Hier en daar verdwijnt de rivier uit het zicht door (ooi)bosontwikkeling. De gelaagdheid van het cultuurhistorisch landschap verdwijnt soms door het aanleggen van nieuwe natuur. • De schaalvergroting van de landbouw heeft het oorspronkelijke karakter van het landschap ver-

De IJssel stroomt langs Zwolle en Kampen richting het IJsselmeer (foto gemeente Zwolle)

Kenmerken Het rivierenlandschap is het dynamisch landschap van de IJssel, het Zwarte Water en de benedenloop van de Vecht. Er is een nauwe samenhang tussen de rivier, de uiterwaarden, de dijken en wielen, de oeverwallen, komgronden en het natuurlijk reliëf (rivierduinen). Maar ook de (weg)dorpen op de oeverwallen, verspreide bebouwing op rivierduinen en (handels)steden aan de rivier. Het rivierenlandschap kent veel functies waaronder waterafvoer, verdediging, vervoer, handel, landbouw en natuur. De verkaveling is gebaseerd op de richting van de rivier en de hoogteligging. Open reliëfrijk winter-

74

bed met wei- en hooiland, geulen en opgaand ooibos. De dijk als scherpe grens en markant ruimtelijk element met aan de dijk en op de oeverwal concentraties van bebouwing en beplanting. Op de binnendijkse oeverwallen vind je een kleinschalig mozaïeklandschap. Daarnaast open en natte komgronden met weilanden en weidevogels, waarin de patronen van de rivier soms nog te af te lezen zijn. Op rivierduintjes zijn soms boerderijen, zoals karakteristieke IJsselhoeves, gebouwd. Ontwikkelingen • In de uiterwaarden wordt met Ruimte voor de Rivier en HWBP ingespeeld op klimaatverandering,

Ondergrond: vaaggronden Ontstaan:vanaf ca 400 Structuur: uiterwaardenverkaveling, onregelmatige blokverkaveling op de oeverwallen, regelmatige blokverkaveling in de kommen Bebouwing:dijkdorpen, esdorpen en wegdorpen op de oeverwallen, grote en kleine erven Bakens door de tijd: IJsselhoeven, steenfabrieken, IJssellinie, havens, landgoederen, molens Beplanting:hoogopgaand groen op de oeverwallen, langs wegen en op erven Gidssoorten:kwartelkoning, rugstreeppad, otter, sleedoornpage, grote tijm Kansen voor

anderd. Hierdoor staat het kleinschalige mozaïek van de oeverwallen (erven, akkers, boomgaarden, singels) onder druk, verdwijnen landschapselementen en neemt de biodiversiteit af. • De van oorsprong natte komgronden worden steeds droger, waardoor de kwaliteit afneemt, oa. voor de weidevogels. • De komgronden krijgen vanwege hun ruimte steeds meer functies toegeschoven waarvoor elders geen plek is (leidingen, wegen, energie, etc). • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). Ambitie De contrasten tussen de dynamische natuurlijke uiterwaarden, de kleinschalige oeverwallen en de lage open komgronden vergroten en meer beleefbaar maken. Rivierverruimende maatregelen inzetten om de identiteit van de rivier als ruimtelijke eenheid te versterken. Voorkom dat bebouwing belemmerend is voor afvoer en berging in de buitendijkse gebieden en in zoekgebieden voor waterberging. In de uiterwaarden is aangepast agrarisch gebruik mogelijk, waarbij de openheid en de natuurwaarden in stand worden gehouden en rekening houdend met veranderende (hydrologische) omstandigheden. Hou de rivier beleefbaar en ervaarbaar en vergroot de recreatieve mogelijkheden en draag bij natuurontwikkeling. Buitendijks dragen open water, moeras, ooibossen en hagen op kavelgrenzen bij aan de biodiversiteit in het rivierenlandschap. Op de oeverwallen wordt gestreefd naar een mix van functies. De hoge oeverwallen zijn beplant

75

met gevarieerde groenelementen als boomgaarden, houtwallen, bosjes en hagen en de dijken hebben bloemrijke bermen en taluds. In de komgronden worden vochtige graslanden, ooibossen, verlande strangen of grienden gecombineerd met agrarische gronden. De open komgronden zijn in principe geschikt voor het ontwikkelen van kleine clusters windturbines. De clusters staan op voldoende afstand van elkaar, zodat ze elkaar landschappelijk gezien niet beïnvloeden. De oeverwallen en de uiterwaarden zijn slecht geschikt voor het plaatsen van windturbines. Net boven Zwolle stroomt de Vecht in het Zwarte Water

Sturing Norm • De uiterwaarden krijgen een beschermende regeling gericht op doorstroming van de rivier en instandhouding en de versterking van natuur- en agrarische cultuurwaarden. In de uiterwaarden zijn geen, dan wel plaatselijk zeer beperkte, aangepaste bebouwingsmogelijkheden. • Dijk en wielen handhaven als scherpe grens tussen het domein van de rivier en de omliggende gebieden als monumentaal ruimtelijk element. Richting • Ontwikkelingen in de uiterwaarden dragen bij aan een dynamisch landschap van hoofd- en nevengeulen en de recreatieve toegankelijkheid. • Ontwikkelingen op de oeverwallen dragen bij aan behoud en versterking van het gevarieerde patroon van lanen, wallen, agrarische percelen afgewisseld met boomgaarden en bebouwing.

• Ontwikkelingen in de kommen dragen bij aan het behoud en de versterking van het natte en open karakter. • Ontwikkelingen op de oeverwallen en in de komgronden dragen zowel bij aan de waterkwaliteit als aan het infiltreren, vasthouden en tijdelijk bergen van water. • Ontwikkelingen dragen bij aan de groenblauwe dooradering. • De opstelling van windturbines sluit aan bij de plaatselijke karakteristieken van de open komgronden. De turbines in een cluster zijn identiek (hoogte, type, kleur, aantal wieken). Inspiratie • Ontwikkelingen dragen bij aan verbetering van de leefomstandigheden van onze gidssoorten, waaronder de weidevogels.

2.10 Laag van het agrarische cultuurlandschap • Zeekleilandschap Ontwikkelingen • De schaalvergroting in de landbouw zet door. Dit betekent dat kavels worden samengevoegd, de oorspronkelijke verkaveling verdwijnt en de bebouwing van de terp afgroeit. • Kenmerkende agrarische bebouwing, erven en watererfgoed, zoals sluizen en gemalen, verdwijnen door schaalvergroting en functieverlies. • De biodiversiteit neemt af en ook de omstandigheden voor de weidevogels verslechteren. • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW).

De verspreid liggende erfterpen en de grillige mozaïekverkaveling zijn kenmerkend voor het Kampereiland (foto Anne Nijland)

Kenmerken Het open zeekleilandschap langs de voormalige Zuiderzeekust met verspreide boerderijen op terpen (Kampereiland) en op natuurlijke hoogtes. Het terpenlandschap beslaat hier een relatief klein gebied, maar maakt deel uit van een serie van terpenlandschappen rond de voormalige Zuiderzee: Marken, Polder Arkenheem, Schokland en Kampereiland. De drie Kampereilanden en de Melmerpolder zijn al eeuwenlang in cultuur. De grillige mozaïekverkaveling is het resultaat van een lange strijd tegen het water. Ze stonden bekend om de productie van superhooi dat richting Amsterdam

76

en andere Hollandse steden ging voor de stadspaarden. Er kwam straatmest retour. Nog steeds is de polder hoofdzakelijk als grasland in gebruik. Ook de strook tussen de Weerribben en de Noordoostpolder (NOP) behoort tot het zeekleilandschap. De wielen en de voormalige kronkelende zeedijk tussen Vollenhove en Kuinre verwijzen naar het waterrijke verleden. Aan de ene kant de grootschalige, rationele verkaveling van de NOP, aan de andere kant het veenweidegebied (klei op veen) met smalle kavels en hoge waterpeilen. Groene erven als eilanden in een zee van ruimte.

Ondergrond: zeeklei Ontstaan:vanaf ca 1200 Structuur:mozaïekverkaveling, smalle opstrekkende kavels tussen NOP en Weerribben Bebouwing:dijkdorpen en Zuiderzeestadjes, verspreide erven op terpen, natuurlijke hoogtes en aan dijken Bakens door de tijd: sluizen, gemalen, dijken, wielen, poelen, lage boerderijen op terpen Beplanting:erfbeplanting, langs wegen Gidssoorten:tureluur, watervleermuis, argusvlinder, rietgors en heelblaadjes Kansen voor

Ambitie Het ‘dynamische deltakarakter’ van het zeekleilandschap weer meer voelbaar maken, bijvoorbeeld door het krekenpatroon zichtbaarder en beleefbaarder te maken en het contrast tussen binnen- en buitendijks gebied te vergroten. Eventuele nieuwe bebouwing realiseren op terpen of via andere innovatieve oplossingen anticiperen op hogere waterstanden van het IJsselmeer. De kwaliteit van de grote open ruimtes met de verspreide erven en het subtiele reliëf in stand houden. Dit betekent aandacht voor de ruimtes zelf, maar ook voor de kwaliteit van de horizon, omdat het vergezicht hier beeldbepalend is. De landschappelijke kwaliteiten voor weidevogels in stand houden en versterken, waaronder de openheid en een hoog waterpeil. Kruidenrijke randen langs wegen, sloten, akkers en weilanden en voldoende natuurvriendelijke oevers, en bloemrijke velden dragen bij aan de gebiedseigen biodiversiteit. Kenmerkende cultuurhistorische gebouwen en bouwwerken behouden door ze aan te passen of her te bestemmen. Het zeekleilandschap biedt alleen mogelijkheden voor het plaatsen van windturbines als de landschappelijke, economische en ecologische waarden zijn geborgd.

Sturing Norm • Het zeekleilandschap krijgt een beschermende regeling gericht op de instandhouding van het karakteristieke wielen- en dijkenpatroon, de grootschaligheid en openheid, mede voor weidevogels, de erven (al dan niet op terpen gelegen,

77

Zicht vanaf de voormalige Zuiderzeedijk op de lange opstrekkende kavels met weidevogels

als eilanden in een grote groene ruimte) en de terpen zelf met hun bijbehorende karakteristieke erven en beplanting. Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud en de versterking van de bestaande erven, dijkdorpen en Zuiderzeestadjes. • Ontwikkelingen op het Kampereiland dragen bij aan het behoud van de mozaïekstructuur van de kavels. • Ontwikkelingen in de zone tussen de Weerribben en de Noordoostpolder dragen bij aan behoud van de bestaande structuur van lange,

opstrekkende kavels. Bovendien wordt via gebiedsgericht maatwerk toegewerkt naar hogere waterpeilen om verdere bodemdaling en CO2 uitstoot te voorkomen. • Ontwikkelingen dragen bij aan de groenblauwe dooradering. • De opstelling van windturbines sluit aan bij de plaatselijke karakteristieken van het zeekleilandschap. De turbines in een cluster zijn identiek (hoogte, type, kleur aantal wieken). Inspiratie • Ontwikkelingen dragen bij aan verbetering van de leefomstandigheden van onze gidssoorten.

2.11 Laag van het agrarische cultuurlandschap • Dorp of buurtschap gen zijn voorbeelden. • Wegdorp: Verdichte bebouwingslinten langs wegen, met een formele voorkant aan de openbare ruimte en een informele achterkant. De centrale weg als drager van belangrijke gebouwen, functies en als de belangrijkste openbare ruimte. Ook dijkdorpen horen bij dit type. Staphorst-Rouveen en Giethoorn zijn voorbeelden van wegdorpen. Kamperzeedijk is een voorbeeld van een dijkdorp.

Zwartsluis

Kenmerken Dorpen en buurtschappen maken deel uit van de agrarische cultuurlandschappen. Vanuit hier werden de omliggende agrarische gronden ontgonnen en daarna vaak eeuwenlang bewerkt. Door de verschillende condities van de ondergrond en de natuurlijke omgeving, ontstond een palet aan dorpen. Ieder met de eigen kenmerken, karakter en kwaliteiten. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart worden de verschillende nederzettingsvormen aangeduid, waaronder:

78

• Kanaaldorp: Ontstaan als de verdichte ontginningsbasis van aangrenzende veengebieden. Een kanaal of wetering is de drager van de belangrijkste bebouwing, functies en infrastructuur. Nieuwleusen, Dedemsvaart en Vroomshoop zijn voorbeelden. • Esdorp: Basis van het essenlandschap. Vanuit de geclusterde hoeven werden de essen opgebouwd en gecultiveerd. Vrije, informele groepering van hoeven, huizen en voorzieningen in de flank van de es. Open structuur van bebouwing en openbare ruimte. Dalfsen, Enter en Tubber-

Ontwikkelingen • De sterke binding tussen het dorp en de omliggende gronden is de laatste decennia sterk afgenomen. Veel verbindende structuren, functies, routes, beplantingen etc zijn verloren ge-gaan. • Dorpsuitbreidingen hebben ook een andere gedaante gekregen dan de oorspronkelijke dorpen. Je vindt overal dezelfde kleine en grotere woonwijken met een intern gerichte structuur en een grote mate van gelijkvormigheid. • Voorzieningen en werkgelegenheid verdwijnen uit de kleinere kernen en zetten daarmee de leefbaarheid en vitaliteit onder druk. • In kleine kernen is grote behoefte aan woningen voor inwoners, met name voor starters en ouderen.

Kansen voor

• Dorpen en buurtschappen zijn niet altijd goed te bereiken met het openbaar vervoer. Door het beperkte aantal (bus)reizigers zijn buslijnen moeilijk rendabel te houden. Ambitie Elk dorp of buurtschap is verbonden met het omringende landschap. De ontstaansgeschiedenis en de oorspronkelijke ruimtelijke opbouw wordt gerespecteerd en indien mogelijk versterkt. Ontwikkelingen in of aan de rand ervan zijn in overeenstemming met de maat en schaal van dorp of buurtschap en dragen bij aan de herkenbaarheid van het dorpstype. De verbondenheid met het omringende landschap is en blijft bij in- of uitbreidingen een belangrijk uitgangspunt. Het unieke karakter van kleine kernen en de relatie met de omgeving is een belangrijke waarde die het wonen in kleine kernen aantrekkelijk maakt. De koppeling van functies, meervoudig gebruik van de openbare ruimte en gebouwen stimuleert ontmoeting, waardoor de leefbaarheid van dorpen en buurtschappen zoveel mogelijk op niveau blijft. Bereikbaarheid en voorzieningenniveau zijn belangrijke kwaliteiten, net als de groene en blauwe verbinden met het omliggende landschap. Sturing Richting • Uitbreidingen zijn in overeenstemming met de omvang van het dorp en versterken de dorpskarakteristiek. Waardevolle doorzichten naar het landschap blijven behouden. • Dorpsranden zijn afwisselend, informeel en deels groen.

79

Kanaaldorp Westerhaar is ontstaan aan het Veenkanaal. Via dit kanaal werd turf afgevoerd naar het Overijssels Kanaal (foto gemeente Twenterand)

• Nieuwe ontwikkelingen worden gecombineerd met andere opgaven op het gebied van gezondheid, klimaat en biodiversiteit. • Voorzieningen zoveel mogelijk koppelen aan de hoofdstructuur en concentreren. • Kanaaldorpen: Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud en de versterking van de oriëntatie op het kanaal als dragende structuur van de functies, de bebouwing en de openbare ruimte. Zorg voor openbare ruimte langs en zicht op het kanaal of de vaart. • Esdorpen: Ontwikkelingen benutten de verdichtingsmogelijkheden op de flank van de es en behouden het kenmerkende dorpssilhouet met kerktoren en beeldbepalende agrarische gebou-

wen. Sluit aan bij de mozaïekachtige opzet en zet de informele groepering van bebouwing voort. • Weg- en dijkdorpen: Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud en de versterking van de hiërarchie in de dorpsstructuur met de centrale weg (en dijk) als drager. Nieuwe bebouwing, functies en de ontsluitingsstructuur sluiten daarop aan. Inspiratie • In kanaaldorpen kunnen gedempte vaarten weer open gemaakt worden. • Op de cultuurhistorische waardenkaart is meer inspiratie en informatie te vinden over de verschillende nederzettingsvormen. • Ontwikkelingen dragen bij aan de leefomstandigheden van algemene soorten planten en dieren.

80

De eigentijds vormgegegeven appartementen vormen een prachtige wand langs de Zwolse stadsgracht (foto gemeente Zwolle)

3 Stedelijke laag

81

Inleiding De stedelijke laag bestaat uit steden en dorpen en de verbindende netwerken van wegen, spoorwegen en kanalen. Het is de laag waarin de meeste dagelijkse activiteiten van mensen zich afspelen en waarin de dynamiek het grootst is. Het is de laag die deels op basis van de natuurlijke omstandigheden, zoals ligging aan een rivier, en deels op basis van autonome wetmatigheden, zoals een kaarsrechte spoorlijn tussen twee stations, is ontstaan. Sociale samenhang, gezondheid en nabijheid zijn belangrijke welzijnsvoorwaarden voor bewoners van Overijsselse dorpen en steden. Steden zijn de economische motoren van Overijssel, efficiëntie en bereikbaarheid zijn daarbij belangrijke vestigingsvoorwaarden voor bedrijven. Daarnaast worden kwaliteit, eigenheid en onderscheidend vermogen (mede gevormd door de historie) steeds belangrijker. De stedelijke laag kent een rijk palet: woondorpen, dorpen met centrumfuncties, landstadjes, steden en stedelijke netwerken. Elk met eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteiten. Steden ontwikkelden vaak een eigen kleur en profiel, deels door gebiedskenmerken, deels door bepaalde accenten in de ontwikkeling van hun economie, maatschappij en/of voorzieningenpakket. Kampen als eigenzinnige stad aan de IJsselmonding. Zwolle als bestuurlijk, zakelijk en financieel centrum.

Deventer met een accent op gezondheid, welzijn en diensten. De Twentse steden met een sterk industrieel getint verleden en een groeiend accent op het ontwikkelen en maken van toptechnologie in combinatie met het culturele, recreatieve en internationale karakter. Ontwikkelingen Uniforme uitbreidingen aan deze steden en dorpen bedreigen de karakteristieke verschillen. De stedelijke leefwijze en cultuur waaiert meer en meer uit over het landschap. Alles gaat op elkaar lijken. Onderscheid tussen steden en dorpen verdwijnt. Overal verschijnen ongeveer dezelfde winkelcentra met hetzelfde aanbod; bedrijventerreinen zijn overal ongeveer hetzelfde. Daardoor lopen differentiatie en de ‘sense of place’, waar juist toenemende behoefte aan is, gevaar. Tot begin twintigste eeuw hielden we rekening met het water- en bodemsysteem als we gingen bouwen. We bouwden op de hogere gronden of we legden terpen aan om onszelf te beschermen tegen wateroverlast. Sinds de wederopbouw na Tweede Wereldoorlog houden we hier veel minder rekening mee en bouwen we op nattere plekken, zoals in een beekdal, op het veen of onderaan de stuwwal. Hier hebben we nu vaker te maken met bijvoorbeeld wateroverlast of bodemdaling. Daarnaast staat de waterkwaliteit in stedelijk gebied ook onder druk.

Ambitie De ambitie is om de diversiteit tussen de verschillende steden en dorpen te behouden en te versterken. Door de bodem en het watersysteem als uitgangspunt te nemen, dragen ontwikkelingen niet alleen bij aan een klimaatadaptieve en natuurinclusieve inrichting, maar ook aan de ‘couleur locale’. De insteek is om plangrens overschrijdend te werken, dus ontwikkelingen dragen bij aan een robuuste inrichting van de regio en niet alleen het eigen plan. De kenmerken van de landschappelijke structuur en de ondergrond worden zoveel mogelijk gerespecteerd en voelbaar gemaakt. Zuinig omgaan met de ruimte betekent ook meer de hoogte of de diepte in en zo de beschikbare ruimte multidimensionaal te gebruiken. Daarnaast zetten we in op functiemenging, onder andere door het toestaan van lichte bedrijvigheid in woonwijken, zodat op bedrijventerreinen ruimte blijft voor zwaardere milieucategorieën. De verbinding met het buitengebied wordt versterkt, waardoor een sterke stad-landrelatie ontstaat. De kernrandzones vormen een natuurlijke schakel tussen stad en land. Hier komen verschillende opgaven samen. Ze kunnen zich ontwikkelen tot ‘rijke’ gebieden vol ruimtelijke en functionele hoogtepunten. Initiatieven die investeren in ruimtelijke kwaliteit opsporen en faciliteren.

Stationsgebieden worden dynamische gebieden met een hoge dichtheid en hoge ruimtelijke kwaliteit en vormen het visitekaartje van de kern.

82

Het is een knooppunt waar verschillende vervoersmiddelen soepel op elkaar aansluiten. Er wordt ingezet op een breed voorzieningenpakket en gezonde, veilige en aantrekkelijke woon- en werkmilieus. Ondergronds ruimtegebruik voor diverse functies (infrastructuur, parkeergarages, buisleidingen) wordt ingezet om de bovengrondse ruimtelijke kwaliteit te versterken. Het fijnmazige netwerk van lokale en regionale wegen is en blijft kwaliteitsdrager. Bodem als basis met een robuust en beleefbaar watersysteem • Ontwikkelingen gaan uit van het natuurlijke bodem- en watersysteem en dragen bij aan een klimaatadaptieve en natuurinclusieve inrichting. • Ontwikkelingen dragen bij aan het verkleinen van de opgaven in bestaand stedelijk gebied. Elke stad, dorp en buurtschap zijn eigen kleur: een brede waaier aan woon-, werk- en mixmilieus • De diversiteit en het onderscheidende karakter van steden en dorpen worden versterkt. • Inbreiden gaat voor uitbreiden. Als dit niet mogelijk is, dan is uitbreiding in de groene ruimte onder voorwaarden mogelijk. Herstructurering van bestaande woon- en werkmilieus staat daarbij voorop. • Bijzondere kenmerken (stadsrand, singels) en bijzondere locaties (stationsgebieden, parken, voormalige industriële terreinen, erfgoed) worden benut en versterkt. • Er wordt ingezet op gezonde, veilige en aantrekkelijke woon- en werkmilieus.

• Discontinuïteiten in de stedenbouwkundige structuur (straten- en wegenpatroon), de bebouwingsstructuur en in de groenstructuur (lanen, singels, parken) worden opgeheven. • De kenmerken van de landschappelijke structuur, de ondergrond en de historische en archeologische waarden worden zoveel mogelijk gerespecteerd en voelbaar gemaakt. Aanwezige cultuurhistorisch waardevolle gebouwen worden behouden en hergebruikt. • Hoogteaccenten vallen samen met ’zwaartepunten’ in de stedelijke structuur en worden altijd op de kwaliteiten van de ‘view of’ en de ‘view from’ getest. • Karakteristieke en beschermde stads- en dorpsgezichten blijven ervaarbaar vanuit het omringende landschap. Aantrekkelijke routes voor een toegankelijk en beleefbaar Overijssel • Het fijnmazige netwerk van lokale en regionale wegen is en blijft kwaliteitsdrager. • Verbeterde toegankelijkheid en een verdicht routenetwerk zijn essentieel om kernrandzones (be)leefbaar te maken. • De provinciale voegen zich naar het landschap en worden zorgvuldig vormgegeven, dragen bij aan de groenblauwe dooradering, klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit, mede gericht op versterking van de gebiedskenmerken. • Nieuwe (schakels in) infrastructuur is altijd een integrale gebiedsopgave. Waar nodig wordt het zorgvuldig aangepast aan het zwaarder gebruik.

Stedelijke laag

Bebouwd gebied 3.1 Kern op zandgrond 3.2 Kern aan de IJssel, Vecht of in de Delta 3.3 Kern op het laagveen 3.4 Historisch centrum 3.5 Dynamische stationsomgeving 3.6 Bedrijventerrein 3.7 Kernrandzone

Netwerken 3.8 Provinciale route 3.9 Kanaal of vaart

83

3.1 Stedelijke laag • Kern  op zandgrond de kernen zijn grotere groenstructuren aanwezig, zoals parken of brede groenstroken tussen wijken. Er is aandacht voor de aansluiting op de binnenstad en het hoofdwegennetwerk, maar vaak minder voor fietsaansluitingen naar het buitengebied. Soms zijn herkenbare relicten van het oude cultuurlandschap (zoals industrieel erfgoed of beplantingsstructuren) opgenomen in de wijken.

De Elsbeek in Hengelo is getransformeerd naar een groen verblijfsgebied, waar water tijdelijk opgevangen kan worden (foto gemeente Hengelo)

Kenmerken Kernen op zandgrond hebben door hun ligging en bodemgesteldheid regelmatig te maken met droogte en watertekort. Er is vaak weinig oppervlaktewater aanwezig en door de hogere ligging kan water niet of slecht aangevoerd worden. Dit zien we nu al in Twente, maar zal in de toekomst ook gelden voor Salland en het Vechtdal. Daar kan voorlopig nog water aangevoerd worden vanuit de IJssel, de weteringen en kanalen, maar voor de langere termijn is dat onzeker. Bij hevige regenval verzamelt het water zich in de afstromende beken

84

en laagtes en kan tijdelijk voor wateroverlast zorgen. Dit zijn ook de plekken die mogelijk een tijdelijke buffer kunnen vormen. In wijken met veel verharding en weinig openbaar opgaand groen is het lastig verkoeling te vinden. De kernen kennen een grote variatie aan wijken met verschillende bouwperiodes en opbouw. De meeste wijken hebben een homogeen karakter en zijn vormgegeven als afgeronde eenheden die onderling van elkaar gescheiden zijn door doorgaande lanen, singels of hoofdinfrastructuren. In

Ontwikkelingen • Steeds vaker leiden hete en droge zomers tot gezondheidsproblemen en schade aan stedelijk groen. Dit laatste speelt op de hogere zandgronden nog extra, omdat hier nu al geen water van elders aangevoerd kan worden. • Hevige piekbuien zorgen steeds vaker voor tijdelijke wateroverlast. Dit geldt ook voor kwelstromen op de flanken van de stuwwallen en ondoorlatende kleilagen. • Een groot tekort aan (betaalbare) woningen. • We staan voor een grote verduurzamingsopgave van de bestaande stad. Denk aan energietransitie, klimaatadaptatie, circulair bouwen en natuurinclusiviteit. Op kleinere schaal ontstaan steeds meer duurzame initiatieven. • Spanning tussen verdichting en ruimte voor

Kansen voor

groen, blauw, koelte, ontspanning. • De openbare ruimte is vooral ingericht op autoverkeer, waardoor leefbaarheid en veiligheid in de woonwijken onder druk staat. Er is steeds meer aandacht voor de wandelaar en de fietser. • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). Ambitie Ontwikkelingen in kernen op zandgrond dragen bij aan het infiltreren van water, het zo lang mogelijk vasthouden, vertraagd afvoeren en tijdelijk bergen van water. De openbare ruimte is ingericht met voldoende hoog opgaand groen en water om hittestress tegen te gaan. Bomen krijgen de tijd en ruimte om volwassen te worden. Rondom de grotere steden en dorpen worden klimaatbuffers aangelegd om weersextremen op te vangen. Grote nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden klimaatadaptief, natuurinclusief, energieneutraal, gezond en circulair uitgevoerd. (Nieuwe) ontwikkelingen sluiten aan bij het karakter en de cultuurhistorische identiteit en dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit en waar mogelijk aan bestaande opgaven van wateroverlast of hittestress. De verbinding van de wijken met omliggende wijken, de binnenstad en het buitengebied wordt vormgegeven door aantrekkelijke groenblauwe structuren in combinatie met duurzame mobiliteit. Sturing Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan het eigen karakter en DNA van de kern. Integreer indien mogelijk (relicten van) het oude cultuurlandschap.

85

Een aangename verblijfsklimaat in de Grotestraat in Nijverdal door de toevoeging van groen en water (foto Thomas Klomp)

• Specifiek voor kernen op zandgrond geldt dat ontwikkelingen bijdragen aan het infiltreren, vasthouden en tijdelijk bergen van water. Denk daarbij aan het toepassen van wadi’s en gebruik zo min mogelijk verharding. • Ontwikkelingen dragen bij aan een duurzame en gezonde leefomgeving. Dit betekent klimaatadaptief, biodivers, energieneutraal en circulair bouwen en het verbeteren of behouden van de waterkwaliteit. • Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de opgaven in bestaand stedelijk gebied. • Richt je bij ontwikkelingen zoveel mogelijk op voetgangers en fietsers in plaats van auto’s.

Dit draagt bij aan een aantrekkelijke woon- en werkomgeving met ruimte voor groen, water, bewegen en ontmoeten. • Combineer langzaam verkeersroutes tussen het centrum, het station, omliggende wijken en het omringende landschap met groen en water tot aantrekkelijke doorgaande structuren. • Ontwikkel een visie op hoger bouwen, waarbij ook ruimte is voor groen, water en ontmoeten. Inspiratie • Combineer waterberging en vergroening met de reconstructie van oude waterlopen, zoals beken of singels, en gebruik deze om de eigen identiteit te versterken.

3.2 Stedelijke laag • Kern  aan de IJssel, Vecht of in de delta wijken. Er is aandacht voor de aansluiting op de binnenstad en het hoofdwegennetwerk, maar vaak minder op fietsaansluitingen naar het buitengebied. Soms zijn herkenbare relicten van het oude cultuurlandschap (zoals boerderijen, (zand-) wegen of waterlopen) opgenomen in de wijken.

In Dalfsen is na de herinrichting van het centrum het water goed bereikbaar

Kenmerken De kernen aan de IJssel, de Vecht en in de delta ontlenen hun identiteit aan hun ligging aan de rivier. De meeste kernen, zoals Deventer, Dalfsen en Hasselt, richten zich op het water en hebben een sterke relatie met de rivier. De ligging aan het water maakt het ook mogelijk dat een aantal steden zich aansloot bij het Hanzeverbond, een Middeleeuws samenwerkingsverband rond de Noordzee en Oostzee. Anderen, zoals Den Nul en Olst, missen een waterfront door de tussenliggende uiterwaarden. De dijken en kades zijn vaak bepalend voor de structuur van de kern. Het zijn vaak waterrijke kernen met singels, grachten en kanalen. De schommelingen in de waterstand

86

zijn hier direct zichtbaar en zorgen soms voor ondergelopen kades en uiterwaarden. Extreme regenval ter plekke of stroomopwaarts kan leiden tot wateroverlast en een risico op overstromingen. In wijken met veel verharding en weinig openbaar opgaand groen is het lastig verkoeling te vinden. De kernen kennen een grote variatie aan wijken met verschillende bouwperiodes en opbouw. De meeste wijken hebben een homogeen karakter en zijn vormgegeven als afgeronde eenheden die onderling van elkaar gescheiden zijn door doorgaande lanen, singels of hoofdinfrastructuren. In de kernen zijn grotere groenstructuren aanwezig, denk aan parken of brede groenstroken tussen

Ontwikkelingen • Hoogwater zorgt steeds vaker voor overstromingsrisico’s. We hebben bovendien vaker te maken met droge zomers, waardoor de bevaarbaarheid onder druk komt te staan. • Dijkversterkingen zorgen voor ingrijpende wijzigingen in de bestaande woonomgevingen. Het Ruimtelijk Perspectief Dijken in Overijssel biedt het ruimtelijke kader hiervoor. • Voor de kernen op het laagveen geldt bovendien dat de CO2 uitstoot en bodemdaling toeneemt door droogte en lagere (grond)waterstanden. • Steeds vaker leiden hete en droge zomers tot gezondheidsproblemen en schade aan stedelijk groen. • Hevige piekbuien zorgen steeds vaker voor tijdelijke wateroverlast. • Een groot tekort aan (betaalbare) woningen. • We staan voor grote verduurzamingsopgave van de bestaande stad. Denk aan energietransitie,

Kansen voor

klimaatadaptatie, circulair bouwen en natuurinclusiviteit. Op kleinere schaal ontstaan steeds meer duurzame initiatieven. • Spanning tussen verdichting en ruimte voor groen, blauw, koelte, ontspanning. • De openbare ruimte is veelal ingericht op autoverkeer, waardoor de leefbaarheid en veiligheid in de wijken onder druk staat. Er is steeds meer aandacht voor de wandelaar en de fietser. • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). De ligging aan de monding van de IJssel is bepalend geweest voor de geschiedenis en daarmee voor de structuur van Kampen (foto Richard Tennekes)

Ambitie Het water is zichtbaar en beleefbaar. Bebouwing langs een waterfront oriënteert zich op het water. Uiterwaarden, oevers, kades en havens zijn openbaar toegankelijk en ingericht als verblijfsgebied. In gebieden met hoge risico’s op overstroming wordt een waterbestendige inrichting toegepast. Dijkversterkingen gaan altijd samen met een impuls in de ruimtelijke kwaliteit. Voor kernen op het laagveen geldt bovendien dat het waterpeil geleidelijk wordt verhoogd om bodemdaling en CO2 uitstoot tegen te gaan. Grote nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden klimaatadaptief, natuurinclusief, energieneutraal, gezond en circulair uitgevoerd. (Nieuwe) ontwikkelingen sluiten aan bij het karakter en de cultuurhistorische identiteit en dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit en waar mogelijk aan bestaande opgaven van wateroverlast of hittestress. De verbinding van de wijken met omliggende wijken, de binnenstad en het buitengebied wordt vormgegeven door aantrekkelijke groenblauwe structuren in combinatie met duurzame mobiliteit. De

87

openbare ruimte is ingericht met voldoende hoog opgaand groen en water om hittestress tegen te gaan. Sturing Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan het eigen karakter en DNA van de kern. Koester en versterk het zicht op het water, de openbare plekken en paden langs het water. Integreer indien mogelijk (relicten van) het oude cultuurlandschap. • Ontwikkelingen dragen bij aan de waterveiligheid van de kern en haar omgeving en daarnaast aan het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Anticipeer op een veranderende afvoer van de rivier en een ander IJsselmeerpeil. Voor ontwikkelingen op het laagveen geldt dat rekening wordt gehouden met een hoger waterpeil. • Zorg dat eventuele buitendijkse ontwikkelingen bijdragen aan het opvangen van (extreem) hoog water en dat het gebied bestand is tegen (extreem) hoge waterstanden. • Zorg bij waterfronten voor een inrichting van de

begane grond die bestand is tegen hoog water. • Ontwikkelingen dragen bij aan een duurzame en gezonde leefomgeving. Dit betekent klimaatadaptief, biodivers, energieneutraal en circulair bouwen en het verbeteren of behouden van de waterkwaliteit. • Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de opgaven in bestaand stedelijk gebied. • Richt je bij ontwikkelingen zoveel mogelijk op voetgangers en fietsers in plaats van auto’s. Dit draagt bij aan een aantrekkelijke woon- en werkomgeving met ruimte voor groen, water, bewegen en ontmoeten. • Combineer langzaam verkeersroutes tussen het centrum, het station, omliggende wijken en het omringende landschap met groen en water tot aantrekkelijke doorgaande structuren. • Ontwikkel een visie op hoger bouwen, waarbij ook ruimte is voor groen, water en ontmoeten. Inspiratie • Combineer waterberging en vergroening met de reconstructie van oude waterlopen, zoals beken, en gebruik deze om de identiteit te versterken.

3.3 Stedelijke laag • Kern  op het laagveen

Niet alleen zomers zorgt het water voor vertier. In de winter is Weerribben Wieden een geliefde schaatsplek (foto gemeente Steenwijkerland)

Kenmerken De kernen op het laagveen zijn ontstaan op hogere en drogere plekken langs dijken of op zandruggen in de laagveengebieden. Rondom het historische centrum vind je nieuwere woonwijken die door hun lagere ligging te maken kunnen krijgen met bodemdaling en wateroverlast. Hier wordt het water kunstmatig laaggehouden, waardoor het veen verdroogt en inklinkt en er komen broeikasgassen vrij. De gebieden worden gekenmerkt door de aanwezigheid van water. Hevige regenval en hoge waterstanden kunnen leiden tot wateroverlast op straat.

88

De kernen op het laagveen zijn vaak ontstaan langs een weg of kanaal en daardoor vind je hier veel langgerekte dorpen. Het landschap is daardoor vaak goed zichtbaar en voelbaar. Aan de voormalige Zuiderzeedijk liggen nog een paar kernen die op de Zuiderzee gericht waren. In sommige daarvan is nog steeds een haven aanwezig. Nieuwere wijken zijn uitgevoerd als homogene, planmatige uitbreidingswijken. Soms zijn herkenbare relicten van het oude cultuurlandschap (zoals boerderijen of beplantingsstructuren) opgenomen in de wijken. Naast woongebieden en gemengde gebieden zijn in deze kernen ook transformatielocaties aanwezig.

Ontwikkelingen • CO2 uitstoot en bodemdaling van veengebieden neemt toe door meer en langere periodes van hevige droogte en lagere (grond)waterstanden. • Steeds vaker leiden hete en droge zomers tot gezondheidsproblemen en schade aan stedelijk groen. • Hevige piekbuien zorgen steeds vaker voor tijdelijke wateroverlast. • Een groot tekort aan (betaalbare) woningen. • We staan voor grote verduurzamingsopgave van de bestaande stad. Denk aan energietransitie, klimaatadaptatie, circulair bouwen en natuurinclusiviteit. Op kleinere schaal ontstaan steeds meer duurzame initiatieven. • Spanning tussen verdichting en ruimte voor groen, blauw, koelte, ontspanning. • De openbare ruimte is veelal ingericht op autoverkeer, waardoor de leefbaarheid en veiligheid in de woonwijken onder druk staat. Er is steeds meer aandacht voor de wandelaar en de fietser. • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). Ambitie In de laagveengebieden wordt het waterpeil met gebiedsgericht maatwerk geleidelijk verhoogd om bodemdaling en CO2 uitstoot tegen te gaan. Alleen

Kansen voor

op verstandige plekken bouwen om toekomstige problemen en schades te voorkomen. Ontwikkelingen houden rekening met de slappe bodem, gaan uit van een hoger waterpeil en worden waterrobuust uitgevoerd. De groenblauwe structuren zijn zichtbaar en beleefbaar en worden verbonden met het veengebied rondom de kern. Grote nieuwbouw- en herstructureringsprojecten worden klimaatadaptief, natuurinclusief, energieneutraal, gezond en circulair uitgevoerd. (Nieuwe) ontwikkelingen sluiten aan bij het karakter en de cultuurhistorische identiteit en dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit en waar mogelijk aan bestaande opgaven van wateroverlast of hittestress. Langzaam verkeersroutes zorgen voor een goede verbinding tussen de kernen en het buitengebied, maar ook in de kern zelf. Deze verbindingen worden vormgegeven als aantrekkelijke groenblauwe structuren. De openbare ruimte is ingericht met voldoende hoog opgaand groen en water om hittestress tegen te gaan.

Het Waterplantsoen in Kampen met groene heuvels, meanderend water en een zandeiland is een prachtige plek om te wandelen, te spelen en te verblijven

Sturing Richting • Ontwikkelingen dragen bij aan het eigen karakter en DNA van de kern. Koester en versterk het zicht op het omliggende veengebied. Integreer indien mogelijk (relicten van) het oude cultuurlandschap. • Ontwikkelingen houden rekening met een hoger waterpeil, een slappe bodem en zijn ingericht op het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Denk aan drijvend wonen of wonen op palen. • Ontwikkelingen dragen bij aan een duurzame

en gezonde leefomgeving. Dit betekent klimaatadaptief en het verbeteren of behouden van de waterkwaliteit, biodivers, energieneutraal en circulair bouwen. • Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de opgaven in bestaand stedelijk gebied. • Richt je bij ontwikkelingen zoveel mogelijk op voetgangers en fietsers in plaats van auto’s. Dit draagt bij aan een aantrekkelijke woon- en werkomgeving met ruimte voor groen, water, bewegen en ontmoeten. • Combineer langzaam verkeersroutes tussen

89

het centrum, de verschillende wijken en het omringende landschap met groen en water tot aantrekkelijke doorgaande structuren. • Ontwikkel een visie op hoger bouwen, waarbij ook ruimte is voor groen, water en ontmoeten. Inspiratie • Combineer waterberging en vergroening met de reconstructie van oude waterlopen, zoals beken of singels, en gebruik deze om de eigen identiteit te versterken.

3.4 Stedelijke laag • Historisch centrum kracht hebben op de omgeving, zowel binnen als buiten de stad of het dorp. De historische centra verschillen onderling sterk. Zo onderscheiden we onder meer de Hanzesteden, de Twentse steden met hun industriële verleden, de voormalige Zuiderzeestadjes en tal van landstadjes. Ontwikkelingen • De centra kennen een hoge dynamiek: veel functieveranderingen, verdichting en inbreiding. Hierdoor staat het eigen karakter onder druk. • De historische centra worden steeds meer een 'place to be' in plaats van een 'place to buy'. • De centra worden steeds autoluwer. • Het winkelaanbod en de horeca worden meer uniform. • De kwaliteit van de openbare ruimte staat onder druk door oa. hoge parkeerdruk, drukke verkeersstromen en functionele eisen (markten, evenementen, terrassen, etc). • Publieksgerichte functies verdwijnen en leiden veelal tot leegstand. • Het belang van een centrum als verblijfsgebied en plek voor levendigheid neemt toe. Aandacht voor karakter en cultuurhistorische waarde als identiteit en ‘unique selling point’.

Het herkenbare IJsselfront van Kampen (foto gemeente Kampen)

Kenmerken De karakteristiek, sfeer en identiteit van een stad of dorp wordt in belangrijke mate bepaald door het historische centrum. Kenmerkend zijn het historisch stratenpatroon, de compacte bebouwingsstructuur en de grote afwisseling en individuele karakterverschillen op korte afstand. Oude singels en parken refereren vaak aan oude stadswallen.

90

Dit levert bijzondere karakteristieke elementen op, zoals een waterfront, een oude haven of een stationsgebied. Kansen voor Het historisch centrum is het middelpunt van levendigheid en vormt het emotionele en functionele hart van een stad of dorp. De centra geven ruimte aan een mix van functies die aantrekkings-

30

OKRA I OLDE N ZA A L S IN GE LPA R K | S C H E TS ON T WE R P

O K R A I O L DE NZAAL S I NGE L PARK | S CHE TS O NT W E RP

Ambitie We werken aan vitale stads- en dorpscentra met een gevarieerd ruimtelijk en functioneel beeld. Dat centrum is zowel fysiek als visueel aantrekkelijk, veilig, comfortabel, bereikbaar en autoluw. En voor voetgangers en fietsers direct verbonden met andere delen van de stad en met de omgeving. De centra functioneren als levendige en prettige verblijfsgebieden met een hoogkwalitatieve, aantrekkelijke openbare ruimte en voldoende ruimte voor ontmoeten en beleven. Het behouden en versterken van de mix van functies (bv. wonen boven winkels) en integrale oplossingen voor functionele claims en verduurzamingsopgaven in de openbare ruimte. Zo heeft iedere stad of dorp zijn eigen karaktervolle centrum, herkenbaar in ontstaansgeschiedenis en type. Archeologische en historische patronen en bebouwing worden in stand gehouden en waar mogelijk versterkt of hersteld. Dit draagt bij aan de versterking van de eigen identiteit. Bijzondere condities (waterfront, stationsgebied) worden benut. Sturing Norm • De historische centra, binnensteden en landstadjes krijgen een beschermende regeling, gericht op instandhouding van het bestaande, historische patroon van wegen, bebouwing, vestingwerken en walburgen. Richting • Als ontwikkelingen plaatsvinden in historische centra, binnensteden en landstadjes, dan dragen

91

Het Singelpark ligt op de oude stadswal van Oldenzaal. Hier kan gewandeld en gespeeld worden, maar het stadspark zorgt ook voor verkoeling en biedt ruimte voor waterberging (OKRA landschapsarchitecten)

deze bij aan behoud en versterking de mix van functies, het historisch gegroeide patroon van wegen en openbare ruimten en de leefbaarheid. • Behoud de historische waterstructuur, bijbehorende elementen en de oriëntatie op het water. • Ontwikkelingen, zoals herstructurering, inbreiding of verdichting, worden ingepast met respect voor de historie, de schaal en structuur van het centrum en het individuele karakter van de bestaande bebouwing. • Richt historische centra in als aantrekkelijke, leefbare verblijfsgebieden en maak deze gebieden autoluw.

• Houd rekening met de cultuurhistorische parels. Zorg voor zicht op de parels en richt de openbare ruimte in zodat de cultuurhistorische betekenis wordt ondersteund. • Maak kwalitatieve langzaam verkeersroutes en visuele verbindingen tussen de historische centra en hun omgeving. Inspiratie • Wees zuinig op groen en water in het centrum en breidt dit waar mogelijk uit, zowel in de openbare ruimte als bij bouwontwikkelingen. • Zorgvuldig reclamebeleid.

31

3.5 Stedelijke laag • Dynamische stationsomgeving In stationsomgevingen komen veel ruimteclaims samen. Herstructurering draagt bij aan de verbinding met de rest van de kern en biedt mogelijkheden voor verdichting. Tegelijkertijd vormen spoorwegen en stations vaak barrières vanwege hun geringe oversteekbaarheid. Ontwikkelingen • Stationsomgevingen worden herontwikkeld en verdicht met wonen en werken. Hoogbouw rondom het station neemt toe. • Meer aandacht voor de stationsomgeving als verblijfsgebied met een goede ruimtelijke kwaliteit. • Stationsgebieden worden steeds aantrekkelijker voor onderwijsinstellingen en innovatieve bedrijvigheid: goed bereikbaar, op korte afstand van de binnenstad en een aantrekkelijke openbare ruimte. • De mobiliteitstransitie zet door, waarbij stations worden gezien als ‘overstapmachines’ tussen verschillende vormen van vervoer.

Het nieuwe station van Zwolle wordt wel het 'groenste station van Nederland' genoemd (Studio Nauta)

Kenmerken De stationsomgeving is voor trein- en busreizigers de entree van een stad of dorp. Stations functioneren als spil in een netwerk van verbindingen, waar verschillende vervoersmodaliteiten samenkomen. Stationsgebieden liggen meestal nabij de historische centra. Rond stations is veel dynamiek vanwege de intensieve woon-, werk- en

92

voorzieningenmilieus rondom. Onderwijslocaties bevinden zich in de buurt of in directe verbinding met de stations. De dynamiek verschilt per stad of dorp, waardoor een bepaalde hiërarchie is ontstaan: hoofdknooppunten, regionale knooppunten en lokale stations. Voormalige spoorlijnen en stationsgebouwen vertellen vaak veel over de ontwikkelingsgeschiedenis van een stad of dorp.

Ambitie De stationsomgeving is een gebied met een hoge ruimtelijke kwaliteit, het is de entree en het visitekaartje van een stad of dorp. Het station is een

Kansen voor

knooppunt waar verschillende vervoersmodaliteiten soepel op elkaar aansluiten, zowel het (inter-) nationale, als het regionale en lokale netwerk voor openbaar vervoer, fiets, voetganger en auto. De stations hebben verschillende posities binnen het Dagelijks Stedelijk Systeem en daarmee verschilt ook hun dynamiek: internationaal station, intercitystation en regionaal station met veel dynamiek en de rustigere voorstadhalte of dorpsstation.

moeten en reuring. • Intensiveer bebouwing met respect voor de bestaande groene, blauwe en historische kwaliteiten en zorg voor een goede verblijfskwaliteit met aandacht voor klimaatadaptatie, natuurinclusiviteit en duurzaamheid. • Zorg voor comfortabele, veilige en aantrekkelijke fietsverbindingen vanuit het station met het stadscentrum en de wijken. Sluit aan op door-

lopende verbindingen tussen de verschillende delen van de stad en het buitengebied. Inspiratie • Zorg dat het spoor en het station geen barrières zijn, bijvoorbeeld door een fraaie brugverbinding of royale onderdoorgang. • Zorg voor representatieve gevels op de begane grond.

De hoogdynamische stationsomgeving vervult een belangrijke rol in het opvangen van de bouwopgave, hierbij wordt volop verdicht (in de hoogte, maar ook ondergronds). Het is, uitgaande van nabijheid, uitwisseling en ontmoeting, een aantrekkelijk gebied om onderwijslocaties en innovatieve werklocaties te huisvesten. Er ontstaat een mix van voorzieningen, werken en wonen. Voor alle stationsomgevingen geldt dat gewerkt wordt aan een uitnodigende en aantrekkelijke kwaliteit die overeenkomt met de identiteit van de stad of het dorp. Herontwikkeling van erfgoed draagt hier aan bij. De gebieden hebben een goede fietsstructuur en sluiten aan op doorgaande fietsroutes naar het centrum, omringende wijken en buitengebied. Sturing Richting • Zorg voor het optimaal functioneren van het station als spil in het multimodale netwerk van verbindingen. Maak het overstappen op andere vormen van vervoer zo makkelijk mogelijk. • Zet in op een mix van wonen, onderwijs en bedrijvigheid en zorg voor een aantrekkelijke buitenruimte met voldoende ruimte voor ont-

93

to

e fo r e t e

b

Nijverdal is niet alleen belangrijk station voor forenzen, maar ook voor bezoekers van de Sallandse Heuvelrug (foto Regio Twente)

3.6 Stedelijke laag • Bedrijventerrein

Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik betekent ook dat er gekeken wordt naar de mogelijkheden om te stapelen (foto Jan Born, Stichting Straatboer)

Kenmerken Overijssel kent verschillende typen werklocaties, zoals bedrijventerreinen, stationsomgevingen, kantoor- en retaillocaties. Bedrijventerreinen zijn functioneel aangelegde locaties aan de rand van steden en kernen. De opzet en verkaveling van bedrijventerreinen houden vooral rekening met de milieuruimte, autobereikbaarheid en (manoeuvreer)ruimte voor vrachtwagens. Het zijn meestal monofunctionele gebieden die gescheiden liggen

94

van omliggende woonwijken en het buitengebied. Er zijn grote verschillen in uitstraling en ambitieniveau per terrein. De bebouwing is vaak eenvoudig en eenvormig. Oudere locaties zijn vaak matig van kwaliteit, er is veelal sprake van krappe openbare ruimtes met relatief veel verharding. Deze terreinen staan voor een sanerings- of herstructureringsopgave.

Ontwikkelingen • Er is veel vraag naar goed bereikbare nieuwe bedrijventerreinen. De ruimte is schaars en daarom wordt ook nagedacht over multidimensionaal ontwikkelen (meer de hoogte of de diepte in). • Er is meer aandacht voor het vergroenen van de buitenruimte om hittestress en wateroverlast tegen te gaan. • Bovendien is er meer aandacht voor gezondheid en bewegen (brede welvaart). Werknemers komen vaker op de fiets en willen in de pauze een wandeling kunnen maken. In de openbare ruimte is daardoor meer ruimte nodig voor de wandelaar en de fietser. • Er is een toenemend belang van een hoge organisatiegraad (zoals parkmanagement) en ‘gelijkgezindheid van de bedrijven’ om verduurzaming succesvol op te pakken. • De transitie naar een circulaire economie betekent dat er meer grondstoffen en goederen opgeslagen en vervoerd moeten worden. Dat vraagt meer ruimte en vervoersbewegingen. • De nieuwe generatie werknemers vindt het steeds belangrijker om bij een duurzaam bedrijf te werken. Door de krappe arbeidsmarkt voelen ondernemers zich genoodzaakt sneller te ver-

Kansen voor

duurzamen en te vergroenen. • Mobiliteitstransitie (STOMP principe) en verduurzaming van mobiliteit vragen ruimte. Denk daarbij aan oplaadstations (voor auto’s én vrachtauto’s), hubs en fietsroutes en -stallingen. • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). Ambitie Toekomstbestendige bedrijventerreinen bouwen voort op de sterke netwerken van het Dagelijks Stedelijk Systeem en dragen bij aan een optimale lokale en regionale mobiliteit. De inspanningen worden gericht op het beter benutten en het toekomstbestendig maken en houden van bedrijventerreinen: • Versterken van de economische functie en kwaliteit door zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Denk daarbij ook aan de multidimensionale mogelijkheden (meer de hoogte of de diepte in). • Toepassen van de Overijsselse principes voor verstedelijking en de regionale meerwaarde aantonen. • Gebruik maken van de unieke locatiekwaliteiten, zoals multimodaliteit (logistiek), milieucategorie, thematische campussen en economische ecosystemen. Maar ook de gebiedseigen, landschappelijke, culturele en historische waarden en het bodem- en watersysteem. • Ruimtelijke clustering van grootschalige bedrijvigheid. • De bedrijventerreinen worden duurzaam ingericht, dat geldt zowel voor de kavels en gebouwen als voor de openbare ruimte. Het bedrijventerrein is klimaatadaptatief en biodivers en

95

er is voldoende ruimte voor de energietransitie, circulaire economie en groene mobiliteit. De openbare ruimte is veilig en aantrekkelijk ingericht voor de wandelaar en de fietser. • De aansluiting op het landschap en omliggende wijken verbeteren. Zorg voor een goede dooradering van het bedrijventerrein met routes en groenstructuren. Sturing Richting • Ontwikkelingen op of rond bedrijventerreinen gaan zuinig en zorgvuldig om met de ruimte en maken optimaal gebruik van de locatiekwaliteiten. Denk daarbij ook aan multidimensionaal ontwikkelen (stapelen). • Ontwikkelingen dragen bij aan het herstel van het bodem- en watersysteem, het verbeteren van de waterkwaliteit en een toekomstbestendige inrichting met voldoende ruimte voor klimaatadaptatie, energietransitie, biodiversiteit, gezondheid, circulaire economie, groene mobiliteit en veiligheid. • Ontwikkelingen gaan uit van de gebiedseigen kwaliteiten en karakteristieken. Ze spelen in op eventueel aanwezige culturele en/of historische waarden. Bestaande historische en architectonische kwaliteiten worden benut. Dit draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het bedrijventerrein. • Ontwikkelingen dragen bij aan een goede verbinding met de omgeving door een goede dooradering met doorgaande groenstructuren en routes voor fietsers en voetgangers.

Investeren in duurzaamheid draagt bij aan het aantrekkelijke en toekomstbestendige bedrijventerreinen, zoals hier op ‘t Lochter in Nijverdal (foto Foreco)

3.7 Stedelijke laag • Kernrandzone deze gebieden komen veel, soms conflicterend, opgaven en belangen samen, zoals dorps- en stadsuitbreidingen, infrastructuur, landbouw, landschapsontwikkeling, water, natuur, energie en recreatie. Rondom de steden zorgt dit voor een hoge dynamiek en hoge ruimtelijke druk, waar gezocht moet worden naar slimme combinaties. Rondom kleinere kernen is de dynamiek en de ruimtelijke druk lager. Stads- en dorpsfronten zijn bijzondere kernrandzones. De kwaliteit van stads- of dorpsfronten (veelal aan het water) is dat een stad of dorp direct aan het landschap grenst. Vanuit het landschap of vanaf het water is er vrij zicht op het centrum met een herkenbare kwaliteit. Vanuit de stad of het dorp is er vanaf een kade, boulevard of weg direct contact met het landschap. Monumentale gebouwen en nieuwbouw met allure en bijzondere architectuur bepalen voor een groot deel het herkenbare beeld, denk aan het IJsselfront van Deventer, het Vechtfront van Ommen of Landgoed Almelo. De kleinschalige ‘rafelige’ kernrandzone van IJsselmuiden met zicht op de kerktoren (foto gemeente Kampen)

Kenmerken De kernrandzones zijn overgangsgebieden. Hier is sprake van 2 elkaar overlappende invloedssferen, namelijk stad en land. De randen zijn bepalend voor de identiteit van zowel de steden en dorpen als voor het landschap eromheen. De (potentiële) kwaliteit is die van de ‘best of both worlds’; stedelijke voorzieningen, verspreid liggende (gewilde) woon- en werkfuncties, padennetwerk

96

in een landschappelijk raamwerk. Dichtbij stad en dorp en toch buiten. Randen gaan niet alleen over de ‘functionele mix’, maar vooral ook over herkenbaarheid, duidelijkheid, silhouetten (kerktorens, markante gebouwen, bruggen, ed), je thuis voelen. Markante zichtlijnen op dorpen versterken de kwaliteit van de kernrandzone. Hier sluiten recreatieve en utilitaire routes van buiten aan op de binnenstedelijke en dorpsstructuur. In

Ontwikkelingen • Krapte op de woningmarkt en vraag naar bedrijventerreinen leiden tot een hoge druk op de

Kansen voor

ruimte direct grenzend aan steden en dorpen. • Opkomst van nieuwe ruimteclaims, zoals collectieve vormen van voedselvoorziening, klimaatbuffers, duurzaamheidsprojecten (denk aan een zonneveld) en nieuwe woonconcepten in de kernrandzones. • Behoefte aan recreëren in het groen dichtbij de eigen woon- en werkomgeving. Denk daarbij ook aan sportvelden en volkstuinen. • Versnippering en doorsnijding van de kernrandzones en een gebrek aan investeringen in nieuwe dragende structuren. • Rondwegen sluiten dorpen soms af van het landschap. • Wegen vormen vaak een barrière tussen de stad of het dorp en het landschap. • De waterkwaliteit staat onder druk (KRW). Ambitie Kernrandzones vormen de natuurlijke schakel tussen stad en land. Ze zijn adaptief en aanpasbaar. Groenblauwe structuren tussen stad en land zijn natuurlijke te koesteren geledingen in de stadsrand. Wandel- en fietsverbindingen tussen het landelijk en het stedelijke gebied zijn aantrekkelijk, veilig, comfortabel en direct. Ontwikkelingen in de kernrandzone, zoals waterberging, duurzame opwek ven energie, stadslandbouw, bewegen of biodiversiteit, worden zorgvuldig en in samenhang ontworpen, waarbij de hele kernrandzone in beschouwing wordt meegenomen om verrommeling te voorkomen. Tijdelijke functies, zoals kleinschalige nieuwe woonconcepten, tijdelijke natuur of een horecagelegenheid, kunnen kernrandzones identiteit geven.

97

Sturing Richting • Zorg voor behoud, herstel en aanleg van voldoende doorlopende groenblauwe routestructuren die het bebouwde gebied met het landelijke gebied verbinden. • Slecht bestaande barrières tussen stad en land en verbeter de stad-landverbinding. Combineer nieuwe ontwikkelingen (zonneveld, nieuwbouw, infrastructuur) met andere opgaven (ommetjes, klimaatadaptatie, waterkwaliteit, biodiversiteit, stadslandbouw, landschapsversterking). Denk

•

• • •

aan klimaatbuffers rond de stad om binnenstedelijk wateroverlast te voorkomen. Sluit aan op de historie en het profiel van de kern en geef ruimte en brede gebruiksmogelijkheden aan cultuurhistorische parels. Bewaar waardevolle doorzichten vanuit de kern op het omringende landschap. Maak mooie en uitnodigende entrees van dorpen en steden. Leg geen rondwegen aan die stad en land scheiden.

Het IJsselfront van Deventer met zicht op de Lebuinuskerk (foto Deventer Marketing)

3.8 Stedelijke laag • Provinciale route identiteit van de weg zelf en het karakter van de gebieden er omheen. Snelwegen liggen relatief los van het landschap, terwijl provinciale wegen doorgaans de patronen in het landschap volgen. In kernen sluiten routes vaak minder goed aan op het karakter van een dorp of stad. De routes zijn van belang voor de bereikbaarheid en ontsluiting van gebieden en kernen.

Ingetogen wegontwerp passend in de omgeving

Kenmerken Het provinciale wegennet is één van onze visitekaartjes. Het bestaat niet alleen uit vlotte en veilige verbindingen, maar het toont ook de landschappelijke rijkdom van Overijssel. Provinciale routes zijn de toegangspoorten tot de vele fraaie natuur- en cultuurlandschappen die Overijssel rijk is. Het zijn de grote doorgaande wegen voor gemotoriseerd verkeer. Het gaat echter niet alleen over de snelweg of provinciale weg zelf, maar ook over de directe omgeving. Vanaf de routes ervaar

98

je het omliggende (stedelijke) landschap, daarnaast bepaalt de weg deels zelf het landschap. Binnen het provinciale wegennetwerk is een aantal lange en kortere wegen aan te wijzen als route, omdat deze een sterke identiteit en eigenheid hebben. Denk aan de IJsselroute tussen Deventer en Ramspol, waar je de rivier altijd voelt. Of de Sallandroute die als een parkway door de verschillende landschappen slingert. Het gaat dus over de

Ontwikkelingen • Toename van verkeer en het belang van doorstroming gaat ten koste van landschapselementen. De continuïteit en beeldkwaliteit van herkenbare trajecten staat daardoor onder druk. • Verkeerstechnische vereisten en oplossingen gaan nogal eens ten koste van de consistentie van het wegbeeld, de beeldkwaliteit en kansen voor versterking van natuurwaarden of oplossingen op het gebied van klimaat of energie. • Aanleg van rondwegen en rotondes als oplossing voor het doorstromings- en veiligheidsvraagstuk. • Ontwikkelingen in het wegontwerp hebben in veel gevallen geleid tot een gebrek aan samenhang, verrommeling en nivellering van karakteristieke landschappen.

Kansen voor

Ambitie Provinciale routes zijn ensembles van weg en omgeving en hebben een sterke eigen identiteit. Het tracé, de verschilende trajecten, de traversen, de knopen en het wegontwerp laten het landschap spreken en versterken de ruimtelijke kwaliteit. Provinciale routes volgen heldere trajecten die soepel door het landschap lopen. Door het gebruik van gebiedseigen elementen dragen de routes bij aan de sterke merken van Overijssel. Het ontwerp en de vormgeving van een route is een integrale gebiedsopgave. Naast de verkeerskundige eisen wordt ook gekeken naar ruimtelijke kwaliteit, landschap, natuur, water en klimaat. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van inheemse beplanting. Dit geldt ook voor ontwikkelingen aan een provinciale route. Sturing Richting • Sluit bij het ontwerpen van een provinciale route aan op de omliggende landschappelijke identiteit en benut deze. Zorg voor heldere trajecten, herkenbare traversen en knopen en een eenduidig, rustig en ingetogen wegontwerp. • Zorg dat provinciale wegen in kernen (traversen) zoveel mogelijk bijdragen aan de verblijfskwaliteit. Het wegontwerp voegt zich naar de structuur van de kern. Zorg voor kwalitatieve stadsen dorpsentrees. • Ontwikkelingen aan een provinciale route spelen in op de kwaliteiten en identiteit van de betreffende route. • Neem bij (her)inrichting alle opgaven en belan-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zwolle&id=898db764-bbd6-4c2d-8037-11f0d4e67c8d